CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2. ontwerp Nota Bodembeheer

Raad Besluitvorming 28 oktober 2021, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Ontwerp-bodemkwaliteitskaart en ontwerp-Nota bodembeheer41.812 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Als uit een bodemonderzoek (waarvan de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden) blijkt dat de gehalten voldoen aan de tussenwaarde, mag de bodemkwaliteitskaart met het bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel worden gebruikt voor de grond die elders nuttig wordt toegepast (zie § 4.12.2). Grond van binnen de gemeente Pijnacker-Nootdorp moet voldoen aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 5) én de gedefinieerde toepassingswaarden voor PFASverbindingen (zie § 4.2.8). Grond van buiten de gemeente Pijnacker-Nootdorp moet voldoen aan de generieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 4) én de gedefinieerde toepassingswaarden voor PFASverbindingen (zie § 4.2.8). Uitzondering hierop zijn de onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen waar strengere Lokale Maximale Waarden ten opzichte van de generieke toepassingseis van het Besluit gelden. In deze gebieden gelden voor toe te passen grond altijd de vastgestelde (strengere) Lokale Maximale Waarden (zie § 4.2.6 voor het toepassen van grond in op onverharde kinderspeelplaatsen en moes/volkstuinen).

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 32 / 47

6.

Onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet

6.1

Historisch onderzoek

6.1.1 Landelijke regelgeving Voorafgaand aan graafwerkzaamheden of het ontgraven en toepassen van grond moet altijd een historisch onderzoek worden uitgevoerd om vast te stellen of de werkzaamheden gaan plaatsvinden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties en/of locaties die onderdeel uitmaken van een geldige en geaccepteerde bodemkwaliteitskaart. Bij graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) moet dit vanwege de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en de Arbowetgeving58 en het werken in en met verontreinigde grond. Voor de ontgravingslocatie moet worden achterhaald of • er geen handelingen worden verricht waardoor een eventuele verontreiniging wordt verminderd of verplaatst (Wet bodembescherming); • de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit). • of een (bedrijfs)activiteit aanwezig is (geweest) die de bodem heeft kunnen verontreinigen; • of bodemvreemd materiaal en/of asbestverdacht materiaal aanwezig is (geweest); • de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbowetgeving).

Voor de toepassingslocatie moet worden achterhaald of • sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Als hiervan sprake is en grond wordt toegepast, is immers sprake van het aanbrengen van een leeflaag in het kader van de Wet bodembescherming. In dat geval moet minimaal een BUS-melding en evaluatie worden ingediend; • de locatie onderdeel uitmaakt van de bodemkwaliteitskaart; deze mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de toe te passen grond (Besluit bodemkwaliteit). • of sprake is van een (onverharde) kinderspeelplaats of moes-/volkstuin(complex); • of een (bedrijfs)activiteit aanwezig is (geweest) die de bodem heeft kunnen verontreinigen; • of bodemvreemd materiaal en/of asbestverdacht materiaal aanwezig is (geweest); • de werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd, dan wel welke veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden om veilig te kunnen werken (Arbowetgeving). Alleen als uit het historisch onderzoek blijkt dat op de ontgravings- en toepassingslocatie, inclusief de belendende percelen tot een maximum van 25 meter, geen activiteiten aanwezig zijn (geweest) die de bodem hebben kunnen verontreinigen, mag de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond (zie hoofdstuk 5).

58

Arbeidsomstandighedenwet, publicatie Staatsblad nr. 450, 25 oktober 1999 en latere wijzigingen. Arbeidsomstandighedenbesluit, publicatie Staatsblad nr. 263, 26 juni 1997 en latere wijzigingen.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 33 / 47

Als de ontgravings- en toepassingslocaties nabij het spoor zijn gelegen, wordt aanbevolen om contact op te nemen met ProRail (www.prorail.nl) om te achterhalen of deze locaties in eigendom zijn van ProRail of NS-Vastgoed en of op deze locaties aanvullende eisen van toepassing zijn. Als de ontgravings- en toepassingslocaties nabij de metro zijn gelegen, wordt aanbevolen om contact op te nemen met de RET (www.ret.nl) om te achterhalen of op deze locaties aanvullende eisen van toepassing zijn.

6.1.2 Gemeentelijke regelgeving Onderzoeksinspanning bij historisch onderzoek De gemeente heeft voor het achterhalen van de historische gegevens en het aantonen dat sprake is van een niet-verdachte locatie een vragenlijst opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 5. Deze vragenlijst is gebaseerd op de NEN 572559. Als alle historische gegevens zijn achterhaald en voldoen aan de vereiste gegevens die in bijlage 5 zijn opgenomen, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Als de gegevens ouder zijn dan 1 jaar, dan moeten de gegevens aantoonbaar worden geverifieerd. Bijvoorbeeld door aan te tonen dat in de periode tussen de oplevering van de gegevens en het voornemen voor grondverzet er geen activiteiten hebben plaatsgevonden die de bodem (meer) hebben verontreinigd. Een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie is in deze nota bodembeheer gedefinieerd als een locatie waar geen puntbron aanwezig is (geweest), bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank of een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, ophooglaag, gedempte watergang, halfverharding, bodembedreigende activiteiten of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Onderzoeksinspanning bij graafwerkzaamheden In de CROW publicatie 40060. wordt aangegeven dat bij werkzaamheden in de bodem vooraf een voor- en verkennend onderzoek vereist is.

De gemeente staat toe dat voor graafwerkzaamheden bij kabels, leidingen en rioleringen in eerste instantie alleen de landelijke en gemeentelijke digitale loketten hoeven te worden geraadpleegd; de zogenaamde quickscan. Alleen als daaruit blijkt dat er sprake is van (mogelijke) locaties met bodemverontreiniging, is een volledig vooronderzoek conform de NEN 5725 noodzakelijk en moet contact opgenomen worden met het bevoegd gezag. Een locatie wordt als verdacht beschouwd voor bodemverontreiniging als er sprake is van een puntbron of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Afhankelijk van de uitkomst van het historisch onderzoek kan aanvullend een verkennend onderzoek conform de NEN 5740 noodzakelijk zijn. Het kan voorkomen dat vanwege het Besluit en de gemeentelijke regelgeving voor grondverzet bij graafwerkzaamheden volstaan kan worden met een quickscan of vooronderzoek. Een aanvullend (bodem)onderzoek is dan niet noodzakelijk. Een aanvullend (bodem)onderzoek moet dan alleen te worden uitgevoerd als dat: • noodzakelijk wordt geacht in een ander kader dan het Besluit en de gemeentelijke regelgeving; • de wens van de initiatiefnemer is.

Quickscan Bij de quickscan moet worden vastgesteld of op de locatie waar de graafwerkzaamheden plaatsvinden, inclusief de belendende percelen tot een maximum van 25 meter, activiteiten hebben plaatsgevonden die hebben kunnen leiden tot een verontreiniging van de bodem. Hierbij hoeven in eerste instantie alleen de volgende digitale archieven te worden geraadpleegd: • Bodeminformatiesysteem van de gemeente: U stuurt een e-mail naar het emailadres makelaarsinfo@pijnacker-nootdorp.nl. Hierin vermeldt u van welk perceel of welk adres u informatie wilt opvragen. Ook moet u bij de e-mail een situatietekening en de 59

NEN 5725 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek. 60 CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 34 / 47

• •

kadastrale gegevens van het betreffende perceel bijvoegen. De gemeente rekent hiervoor legeskosten. Het landelijke bodemloket (www.bodemloket.nl/kaart). De website Topotijdreis: www.topotijdreis.nl).

De rapportage van de quickscan kan plaatsvinden door bijvoorbeeld het volledig invullen van het vragenformulier historische gegevens (zie bijlage 5). Toetsen en controle Er wordt geadviseerd de uitgevoerde quickscan te laten toetsen bij de gemeente. Tijdens veldcontroles moet direct ter plaatse de rapportage van een correcte quickscan getoond kunnen worden.

6.2

Onderzoek toe te passen grond en ontvangende bodem

6.2.1 Toe te passen grond De toe te passen grond moet worden gekeurd als deze grond: • ontgraven gaat worden uit een zone waarvan de ontgravingskwaliteit een mindere kwaliteit heeft dan de toepassingseis van de ontvangende bodem; • afkomstig is van locaties die zijn uitgesloten van de eigen bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2); • wordt toegepast op onverharde kinderspeelplaatsen of moes-/volkstuin(complex)en; • afkomstig is van een tijdelijke opslag en niet aan voorwaarden voldaan kan worden zoals deze in § 4.10 zijn beschreven; • afkomstig is van buiten de gemeente Pijnacker-Nootdorp en niet als beheergebied wordt erkend. De partijkeuring moet plaatsvinden conform de BRL protocol 1001 61 of de NEN 574062 63 en door een daarvoor gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft. Bij onderzoek op asbest is het uitvoerend bedrijf/persoon gecertificeerd en erkend voor het BRL protocol 2018 64. Ter plaatse van locaties die niet verdacht zijn voor PFAS-verbindingen hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Hiervoor kan het historisch onderzoek van het uit te voeren onderzoek (zie bijlage 5) tezamen met de ontgravingskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de PFAS-kwaliteit van de grond.

Aanvullend onderzoek van eerder onderzochte partijen grond Partijen grond die al eerder conform het Besluit zijn gekeurd, maar nog niet zijn onderzocht op PFAS-verbindingen, moeten alsnog worden onderzocht op deze stofgroep. De gemeente biedt in die situatie de initiatiefnemer de mogelijkheid om dit onderzoek met een verminderde onderzoeksinspanning uit te voeren: de partijkeuring mag bestaan uit een bemonsteringsinspanning van 2x6 grepen (a-select) en 2x grondanalyses op PFAS-verbindingen (Advieslijst Bodem+; GenX hoeft niet te worden onderzocht tenzij hier aanleiding voor is). Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een voor de BRL protocol 1001 gecertificeerd bedrijf/persoon met een ministeriële erkenning. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast.

61

Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, BRL protocol 1001. NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond. 63 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. 64 Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem, BRL protocol 2018. 62

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 35 / 47

6.2.2 Ontvangende bodem De kwaliteit van de ontvangende bodem moet worden onderzocht als: • de toepassingslocatie is gelegen in een uitgesloten gebied van de bodemkwaliteitskaart (zie hoofdstuk 2); • de toepassingslocatie verdacht is voor een bodemverontreiniging, waaronder ook diffuse bodemverontreiniging met bestrijdingsmiddelen (voormalige kassen in de periode 19451970, zie ook kaartbijlage 3A); • al een keer is onderzocht maar niet voldoet aan de eisen zoals zijn gesteld in § 4.12.2. Om de kwaliteit van de ontvangende bodem vast te stellen moet een gepaste onderzoeksstrategie uit de NEN 574065 worden gebruikt. Alleen de bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Het onderzoek moet zijn uitgevoerd door voor de BRL protocol 200166 gecertificeerd bedrijf dat een ministeriële erkenning heeft.

65

NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en grond. 66 Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, BRL 2000 – protocol 2001.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 36 / 47

7.

Procedures

7.1

Opvragen informatie voorafgaand aan het grondverzet

Voorafgaand aan het tijdelijk ontgraven van grond en het grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) moet de initiatiefnemer of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), zich op de hoogte te stellen van de mogelijkheden van het grondverzet (zie § 6.1). De resultaten van het historisch onderzoek (locatie van tijdelijke ontgraving, ontgravings- én toepassingslocatie) moeten volledig en gelijktijdig met de melding voor het tijdelijk opslaan van grond of de grondstroom (zie § 7.2) worden ingeleverd. In onderstaande paragrafen worden de procedures, te weten melding, termijn, registratie en transport van grond verder uiteengezet.

7.2

Melden grondverzet

7.2.1 Toepassen van grond (landelijke regelgeving) De meldingsplicht voor het tijdelijk opslaan en nuttig toepassen van grond en bagger in het kader van het Besluit geldt voor alle nuttige toepassingen van grond. Uitzonderingen op de meldingsplicht zijn: • de toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep; • het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel grond waar de grond wordt toegepast; • het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen; • het toepassen van schone grond in hoeveelheden kleiner dan 50 m 3. Voor het toepassen van schone grond in hoeveelheden vanaf 50 m 3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld. De melding moet minimaal 5 werkdagen voor de aanvang van de tijdelijke opslag en nuttige toepassing van de grond worden gedaan via het centrale meldpunt van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Het melden kan zowel analoog als digitaal plaatsvinden. De meldingen worden doorgezonden naar het bevoegd gezag van de locatie waar de grond wordt toegepast. Voor toepassingen op of in de landbodem is dat de gemeente waarin de toepassingslocatie is gelegen.

Voor toepassingen in oppervlaktewaterlichamen, zoals sloten, is dat het Hoogheemraadschap van Delfland en eventueel de gemeente als hier afspraken over zijn gemaakt. Als de gemelde tijdelijke opslag en toepassing niet in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid of wanneer de aangeleverde informatie van onvoldoende kwaliteit is, zal normaal gesproken de handhavende instantie van het bevoegd gezag binnen deze 5 werkdagen de melder hiervan op de hoogte stellen. De handhavende instantie van het bevoegd gezag is op grond van het Besluit niet verplicht om de melding te publiceren en neemt geen formeel besluit op de melding. Na verstrijken van de hierboven genoemde termijnen mag de initiatiefnemer starten met het tijdelijk opslaan van grond of de nuttige toepassing. Het bevoegd gezag mag en kan desalniettemin ook hierna nog handhavend optreden. De initiatiefnemer van de tijdelijke opslag of de nuttige toepassing is en blijft verantwoordelijk voor het voldoen aan de vereisten van het Besluit. Maar ook eenieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 37 / 47

worden aangesproken; bijvoorbeeld een eigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener (zie ook § 1.4.1 en § 1.4.2).

7.2.2 Graafwerkzaamheden (gemeentelijke regelgeving) De gemeente stelt een meldingsplicht vast bij graafwerkzaamheden op verdachte locaties als het gaat om: • tijdelijke uitname van grond inclusief tussentijdse bewerkingen zoals cosmetisch zeven, zoals bijvoorbeeld bij wegbermonderhoud; • graafwerkzaamheden bij civiel-technische werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld bij onderhoudswerkzaamheden bij riolering kabels en leidingen; • graafwerkzaamheden bij werkzaamheden waarvoor geen vergunning is aangevraagd. De melding van de graafwerkzaamheden bij de gemeente kan worden gedaan met behulp van het meldingsformulier graven dat is opgenomen in bijlage 6 en is te downloaden via de website van de gemeente Pijnacker-Nootdorp (https://www.pijnacker-nootdorp.nl/direct-regelen/bouwen-enwonen/gebruik-grond-bagger-of-bouwstoffen/33669).

7.2.3 Tijdelijke opslag Landelijke regelgeving In het Besluit is tijdelijke opslag in de meeste situaties niet vergunningsplichtig. Wel moet aan een drietal voorwaarden worden voldaan: • De kwaliteit van de grond moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. Uitzonderingen hierop zijn de kortdurende opslag (niet langer dan 6 maanden) en de opslag bij tijdelijke uitname. • De grond mag op de landbodem maximaal 3 jaar opgeslagen worden. • De eindbestemming van de grond moet bekend zijn als deze langer dan 6 maanden wordt opgeslagen. Om uit te kunnen sluiten dat de tijdelijke opslag van grond strijdig is met andere ruimtelijke aspecten, beoordeelt de handhavende instantie van het bevoegd gezag de tijdelijke opslag met de Wet ruimtelijke ordening en/of bestemmingsplan. Daarnaast kunnen privaatrechtelijke aspecten een rol spelen, zoals het verkrijgen van toestemming van de perceeleigenaar. In tabel 7.1 is een overzicht gegeven van de verschillende vormen van tijdelijke opslag en de voorwaarden uit het Besluit die daarbij gelden. Gemeentelijke regelgeving Met het gebiedsspecifieke beleid (vaststellen Lokale Maximale Waarden, zie § 4.2.7) zijn enkele knelpunten in de gemeente als gevolg van de landelijke regelgeving (tijdelijk opgeslagen grond moet voldoen aan de kwaliteitsklasse) opgelost.

Als grond voorafgaand aan de toepassing tijdelijk wordt opgeslagen dan zijn in principe 2 meldingen bij het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat noodzakelijk. Om deze administratie lasten te verminderen, verruimt de gemeente de eisen voor het melden van tijdelijke opslag van grond waarvan de toepassingslocatie bekend is als volgt: Als bekend is waar de grond, die tijdelijk wordt opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen, moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 38 / 47

Als bekend is waar de grond, die tijdelijk is opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld. De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse van de tijdelijke opslag.

Tabel 7.1: Vormen van tijdelijke opslag en bijbehorende voorwaarden Vorm van tijdelijke opslag Kort durende opslag (1) bodemkwaliteitszones B1. Historische bebouwing en kassen Kortdurende opslag (2) overige gebieden Tijdelijke opslag op landbodem Weilanddepot: tijdelijke opslag van baggerspecie over aangrenzend perceel

Voorwaarden van het Besluit en de gemeente Maximale duur van de Kwaliteitseisen Meldingsplicht opslag 6 maanden

-

Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming

6 maanden

-

Ja 1)

Kwaliteit moet voldoen aan de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen

Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming

3 jaar

3 jaar

Ja1) , met voorziene duur van opslag en eindbestemming

Opslag tijdelijke uitname 1) 2)

7.3

Looptijd van de Ja 2) werkzaamheden Melding moet worden gedaan bij het centrale meldpunt van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Melding moet worden gedaan middels het meldingsformulier graafwerkzaamheden (zie bijlage 6) bij de Afdeling Wijkzaken, Team Veiligheid en Handhaving, Vakgebied Bodem, als graafwerkzaamheden ter plaatse van verdachte locaties plaatsvinden.

Registratie en archivering van meldingen door de gemeente

De melding van graafwerkzaamheden, de tijdelijke opslag en de nuttige toepassing van grond (inclusief bijlagen) wordt door het bevoegd gezag bij binnenkomst geregistreerd en gearchiveerd. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de regels rond grondverzet, waaronder het tijdig melden, ligt bij de initiatiefnemer van de grondtoepassing. Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, kan de initiatiefnemer van de grondtoepassing zich niet beroepen op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag de handhavende instantie van het bevoegd gezag nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond met een onjuiste kwaliteit.

7.4

Beoordeling van de melding

De meldingen van nuttige toepassingen van grond worden door het bevoegd gezag beoordeeld waar de toepassingslocatie is gelegen. Als de gemelde toepassing niet in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid of wanneer de aangeleverde informatie onvolledig of van onvoldoende kwaliteit is, zal normaal gesproken het bevoegd gezag binnen deze 5 werkdagen de melder hiervan op de hoogte stellen. Bij de beoordeling van de tijdelijke opslag en de toepassing van grond wordt gekeken naar de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond en de toepassingseis die volgen uit deze nota bodembeheer. De initiatiefnemer van de grondtoepassing is verantwoordelijk voor de functionele Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 39 / 47

toepassing, gaat na of er een omgevingsvergunning (activiteit bouwen of werk) aangevraagd moet worden, en informeert zich of er voorwaarden gelden vanwege het bestemmingsplan én of de omgevingsvergunning.

7.5

Transport van grond

Bij het transport van grond over de weg moet een transportgeleidebiljet aanwezig zijn. Bij het transport van grond naar een nuttige toepassing moet een kwaliteitsverklaring beschikbaar zijn. Alternatief is dat op het transportgeleidebiljet het meldnummer is vermeld dat is afgegeven door het centrale meldpunt bodemkwaliteit van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie ook § 7.7). Bij transport van grond naar een erkend verwerker (bijvoorbeeld een reiniger, stortplaats of depot voor het opslaan van verontreinigde grond) moet een afvalstroomnummer op het transportgeleidebiljet worden vermeld. Deze wordt afgegeven door de erkend verwerker.

7.6

Repeterende vrachten en omvangrijke grondtoepassingen

Binnen grootschalige werken, zoals het aanleggen van een woonwijk, bedrijventerrein of het ontwikkelen van een natuurgebied, is het vaak niet praktisch om voor elk afzonderlijk grondverzet een melding te doen. In verband hiermee bestaat de mogelijkheid om hiervoor een grondstromenplan op te stellen dat vooraf moet worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Het grondstromenplan moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl. Afwijkingen van het grondstromenplan moeten direct aan het bevoegd gezag worden gemeld.

7.7

Grondtransporten met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel

Als grond wordt getransporteerd met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond dan moet op het transportgeleidebiljet het meldingsnummer vermeld worden waaronder de melding bij het landelijke meldpunt bodemkwaliteit is geregistreerd en aan de melder is afgegeven. Als geen meldingsnummer op het transportgeleidebiljet is geregistreerd moet een kwaliteitsverklaring aanwezig zijn die in het Besluit is erkend.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 40 / 47

8.

Controle en handhaving

8.1

Betrokkenen bij grondstromen

Bij de controle en handhaving tijdens het ontgraven, tijdelijk opslaan en toepassen van grond op of in de bodem zijn verschillende 'spelers' betrokken. Tabel 8.1 geeft een overzicht van de verantwoordelijkheden van de diverse betrokkenen rond het toepassen van grond conform de het Besluit. Naast de in tabel 8.1 betrokken 'spelers' zijn ook gespecialiseerde instellingen betrokken bij grondstromen, waaronder adviesbureaus (partijkeuringen) en grondbanken (leverancier en/of toepasser van de grond). Tabel 8.1: Verantwoordelijkheden van verschillende betrokkenen bij het toepassen van grond op of in de bodem Betrokkenen Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Provincie Zuid-Holland

Hoogheemraadschap van Delfland Provincie Zuid-Holland (Wet bodembescherming) Leverancier (ontdoener) van de grond

Transporteur

Partij die de grond toepast (initiatiefnemer of eenieder die op een bepaald moment macht uit oefent). Dit kan ook een gemeentelijke afdeling zijn.

Milieupolitie Inspectie Leefomgeving en Transport

8.2

Verantwoordelijkheden Beschikbaar stellen van informatie over en het inzage geven in archieven met onder andere (historische) bodeminformatie en de bodemkwaliteit. Voeren van vooroverleg met de initiatiefnemer. Uitvoeren taken waaronder het in ontvangst nemen, registreren, archiveren, beoordelen en toetsen van de melding voor het nuttig toepassen van grond. Controle en handhaving van de melding (administratief en in het veld). Als gemeente, maar dan bij het nuttig toepassen van grond in Wet milieubeheer-inrichtingen met provincie als vergunningverlener en ter plaatse van beschermingsgebieden. Als gemeente, maar dan bij het nuttig toepassen of verspreiden van grond in een oppervlaktewaterlichaam. Controle en handhaving van gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging en bij verplaatsen van verontreinigde grond op grond van artikel 28 van de Wet bodembescherming. Het afgeven van een bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te leveren grond en zorgen dat de (erkende) transporteur de doorslagen van de volledig ingevulde begeleidingsbrief krijgt. Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar. Tijdens het transport beschikken over een volledig ingevulde begeleidingsbrief met, indien noodzakelijk, een afvalstroomnummer. Overhandigen begeleidingsbrief op aanvraag van de handhaver (provincie, politie, gemeente). Registratie van de gegevens gedurende 5 jaar.

In overleg met de leverancier van de grond levert de transporteur van de grond het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de te transporteren grond. Conform het Besluit (laten) melden bij het centrale meldpunt van Rijkswaterstaat Leefomgeving/Bodem+. Nagaan of vanwege andere wetgeving voorwaarden worden gesteld en deze navolgen. In overleg met de leverancier van de grond levert de partij die de grond toepast het bewijsmiddel omtrent de kwaliteit van de toe te passen grond. Controle en handhaving (strafrechtelijk). Het uitvoeren van de handhaving op de keten van grond voorafgaand aan de aannemer, voor zover het gaat om activiteiten die onder Kwalibo67 vallen. Hierbij gaat het zowel om het toepassen van grond op of in de landbodem als het toepassen of verspreiden van grond in een oppervlaktewaterlichaam.

Controle en handhaving

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente is voor haar eigen grondgebied in het kader van het Besluit verantwoordelijk voor controle en handhaving van de toepassing van grond op of in de bodem. Bij toepassingen van grond kan controle plaatsvinden: • tijdens de melding; • in het veld (tijdens het transport of bij de toepassing); • na de toepassing. Als de gemeente constateert dat de regels van het Besluit en/of de Wet bodembescherming niet worden nageleefd, kan bestuursdwang worden uitgeoefend of een dwangsom worden opgelegd. 67

Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer, publicatie Staatsblad nr. 434, 28 september 2006, en latere wijzigingen.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 41 / 47

Bestuursdwang houdt in dat de initiatiefnemer of degene die het beheer van een (grootschalige) toepassing heeft overgenomen, een aanzegging krijgt bepaalde handelingen na te laten, dan wel bepaalde maatregelen te treffen binnen een bepaalde termijn. De gemeente kan eventueel na de verstreken termijn op kosten van de initiatiefnemer deze handelingen laten verrichten. Een dwangsom is een indirect dwangmiddel in de vorm van een geldboete die wordt opgelegd met het doel om de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel herhaling te voorkomen. De strafrechtelijke handhaving van het Besluit en de Wet bodembescherming, wordt geregeld in de Wet op de Economische Delicten. Als strafbare handelingen niet opzettelijk zijn uitgevoerd, dan is sprake van een overtreding. Als zij opzettelijk zijn begaan, worden zij aangemerkt als misdrijven. Met de opsporing van overtredingen is in de eerste plaats de politie belast. Daarnaast kunnen bepaalde categorieën buitengewone opsporingsambtenaren (BOA) de bevoegdheid hebben om overtredingen van het Besluit en de Wet bodembescherming op te sporen. In het kader van het Besluit is voor toepassingen op of in de bodem de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd gezag voor de keten van de producent tot en met de aannemer. Deze bevoegdgezag-taken omvatten de activiteiten die onder de Kwalibo vallen.

Ook is de Inspectie Leefomgeving en Transport bevoegd tot bestuurlijke handhaving van de aannemer die de grond toepast op of in de bodem. Overtredingen zoals afwijkingen van normdocumenten en werken zonder erkenning moeten worden gemeld bij de Inspectie Leefomgeving en Transport: https://www.ilent.nl/melden-en-vragen. De Inspectie Leefomgeving en Transport kan bij constatering van overtredingen dwangsommen opleggen, bedrijven schorsen of zelfs erkenningen intrekken.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 42 / 47

9.

Vrijstelling bodemonderzoek bij aanvraag omgevingsvergunning

9.1

Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen

Bij een omgevingsvergunning activiteit bouwen is het in het in artikel 6.2c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geregeld dat deze niet eerder inwerking treedt nadat: • is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, of • met het (deel)saneringsplan is ingestemd, of • een BUS-melding is gedaan en de vijfwekentermijn is verstreken. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning activiteit bouwen moet dus bodeminformatie worden verzameld. Als geen bodeminformatie bekend is moet een bodemonderzoek worden uitgevoerd. Bij een omgevingsvergunningsaanvraag bouw is geen bodemonderzoek nodig wanneer: • het een bouwwerk is wat staat beschreven in de artikelen 2 en 3 van de bijlage II uit het Besluit Omgevingsrecht of vergelijkbaar in aard en omvang; • het bouwwerk de grond niet raakt; • in het bouwwerk minder dan 2 uur per dag dezelfde mensen verblijven. Let op! Vanwege andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn. In de bouwverordening is geregeld dat de gemeente vrijstelling kan verlenen van bodemonderzoek, onder voorwaarden kan hiervoor de bodemkwaliteitskaart gebruikt worden.

9.2

Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit ruimtelijke planvorming

In de planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toegestane en/of toekomstige gebruiksfuncties. Wanneer blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de gewenste bestemming dan moet een afweging worden gemaakt of er een sanering wordt uitgevoerd, het plan wordt aangepast of dat het plan niet doorgaat. Hierbij speelt het kosteneffect een belangrijke rol. Bij het wijzigen van een bestemmingsplan moet daarom de economische haalbaarheid worden aangetoond. Let op! Vanwege andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn. De bodemkwaliteitskaart is een instrument om aan te tonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de gewenste bestemming.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 43 / 47

9.3

Voorwaarden vrijstelling bodemonderzoek bij omgevingsvergunningaanvraag activiteiten bouwen en ruimtelijke planvorming

De gemeente biedt de mogelijkheid dat bij aanvragen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) onder bepaalde voorwaarden een verkennend bodemonderzoek (conform de NEN 5740) ter plaatse van de locatie achterwege kan worden gelaten. De bodemkwaliteitskaarten mogen dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit op betreffende locatie. De voorwaarden hiervoor zijn: • De locatie is niet gelegen in een door de provincie aangewezen beschermingsgebied (zie § 4.12.3). • De locatie is niet gelegen in een voor de bodemkwaliteitskaart uitgesloten gebied. • Het uitgevoerde historisch onderzoek/vooronderzoek conform de NEN 5725 (aanleiding A ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’) of de volledig ingevulde vragenlijst (zie bijlage 5) heeft als resultaat dat sprake is van een niet-verdachte locatie voor bodemverontreiniging. Als alle noodzakelijk historische gegevens al in een eerder onderzoek zijn achterhaald en voldoen aan de bovenstaande voorwaarden, dan mag dat onderzoek worden gebruikt. Wél moet worden geverifieerd of in de periode tussen het onderzoek en de aanvraag voor de omgevingsvergunning (bouwen en ruimtelijke planvorming) geen relevante activiteiten hebben plaatsgevonden die de kwaliteit van de grond hebben kunnen beïnvloeden (zie § 4.12.2).

Een terreininspectie maakt onderdeel uit van het verificatieonderzoek. Bij twijfel beslist de gemeente of de onderzoeksgegevens mogen worden gebruikt. Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door bedrijf dat ministerieel is erkend voor het uitvoeren van bodemonderzoek. • Bij een omgevingsvergunningsaanvraag bouwen en ruimtelijke planvorming ter plaatse van (half)verharde oppervlaktes, moet het vooronderzoek uitsluitsel geven over de funderingslaag onder de verharding en de eventuele asbestverdachtheid hiervan. Bij het ontbreken van voorinformatie hierover kan het noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld profileringsboringen uit te voeren als aanvulling op het vooronderzoek.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 44 / 47

10. Mandatering bevoegdheden van de Raad naar het college 10.1 Inleiding Deze nota bodembeheer moet, conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit, door de Gemeenteraad van de gemeente Pijnacker-Nootdorp worden vastgesteld, voordat het geactualiseerde grondstromenbeleid van kracht kan worden. Bij het vaststelling van deze nota stelt de Raad ook de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart vast. Mogelijk zijn tijdens de looptijd van de nota bodembeheer één of meerdere aanpassingen noodzakelijk. Net als voor de vaststelling, is de wijziging van de nota bodembeheer en de bijhorende bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart een bevoegdheid van de Raad als sprake is van gebiedsspecifiek beleid. De Raad besluit om een bij haar rustende bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders over te dragen (Hoofdstuk 10, Afdeling 10.1.1, van de Algemene wet bestuursrecht 68). Op deze manier kan de werkdruk van de Raad beheerst worden en kunnen besluiten die enkel uitvoerend van karakter zijn, worden genomen door het college van burgemeester en wethouders. Na het vaststellen van de nota bodembeheer is er alle reden om de Raad te ontlasten en een aantal uitvoerende besluiten te mandateren.

In de onderstaande paragrafen is beschreven op welke onderdelen en onder welke voorwaarden de Raad bevoegdheden naar het college van burgemeester en wethouders heeft overdragen.

10.2 Bodemfunctieklassenkaart Onderdeel van de vaststelling van gebiedsgericht beleid zoals in deze nota bodembeheer vastgelegd, is ook de vaststelling van een bodemfunctieklassenkaart. De bodemfunctieklassenkaart legt de bodemfunctieklasse vast van een perceel/gebied en heeft effect bij de beoordeling van bodemsaneringen en het toepassen van grond. Er worden drie functieklassen onderscheiden. Te weten ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’, zie kaartbijlage 1. Op de toepassingskaart wordt vastgelegd aan welke kwaliteitsklasse de toe te passen grond moet voldoen. De vaststelling van deze kaarten is bij het zogenoemde gebiedsspecifieke kader van het Besluit een bevoegdheid van de gemeenteraad. De gemeenteraad besluit haar bevoegdheid tot het aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaarten, zoals opgenomen in deze nota bodembeheer, aan het college van burgemeester en wethouders te mandateren. Dit is alleen aan de orde na het vaststellen van een formele wijziging van de bestemming van een gebied door de gemeenteraad c.q. het vaststellen van een wijziging van een bestemmingsplan.

10.3 Aanvullende bodeminformatie 10.3.1 Uitgesloten locaties en gebieden Een aantal gebieden is nu uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart omdat deze gebieden door andere organisaties worden beheerd of dat te weinig bodemgegevens beschikbaar zijn om een goede uitspraak te kunnen doen over de bodemkwaliteit. Als in de looptijd van de bodemkwaliteitskaart alsnog voldoende gegevens aanwezig zijn om deze gebieden te zoneren, mandateert de Raad het college van burgemeester en wethouders daartoe mits de indeling van de zones niet wijzigt.

68

Algemene wet bestuursrecht, publicatie Staatsblad, nummer 693, 23 december 1993 en latere wijzigingen.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 45 / 47

10.3.2 Resultaten van een verdachte locatie Van bodemverontreiniging verdachte locaties maken geen deel uit van de bodemkwaliteitskaart. In de situatie dat er op een verdachte locatie een bodemonderzoek conform de NEN 5740 is uitgevoerd, mandateert de Raad het college van burgemeester en wethouders de voormalige verdachte locatie te zoneren en toe te voegen aan de bodemkwaliteitskaart als de resultaten van het bodemonderzoek aangeven dat: • de gehalten in de bodem de tussenwaarde niet overschrijden; • de vastgestelde lichte verontreiniging niet is gerelateerd aan een puntbron. Daarna kan de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische bodemkwaliteit van de locatie, mét het uitgevoerde bodemonderzoek als aanvullend bewijsmiddel.

10.4 Uitbreiding bodembeheergebied De gemeente kan besluiten het bodembeheergebied uit te breiden, waardoor grondstromen tussen andere gemeenten mogelijk wordt. Met het uitbreiden van het bodembeheergebied kunnen de bodemkwaliteitskaart(en) van de uitbreidingsgebieden worden geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond. Hiermee worden de mogelijkheden vergroot om grond van buiten het bodembeheergebied in de gemeente Pijnacker-Nootdorp toe te passen. Maar ook de afzetmogelijkheden van de in de gemeente Pijnacker-Nootdorp vrijkomende grond worden vergroot. Het besluiten tot uitbreiden van het bodembeheergebied moet worden gedaan door de Raad. Het besluit tot het uitbreiden van het bodembeheergebied mandateert de Raad aan het college. Het uitbreiden van het bodembeheergebied en de acceptatie van andere bodemkwaliteitskaarten kan alleen onder de volgende voorwaarden: • De bodemkwaliteitskaart en bijbehorende nota van het uitbreidingsgebied bestuurlijk is vastgesteld door de betreffende Gemeenteraad (of gemandateerd college), het algemeen bestuur van een Waterschap of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

• De eventueel opgenomen Lokale Maximale Waarden (LMW) en gewichtspercentage bodemvreemd materiaal voor de vastgestelde bodemkwaliteitszones niet hoger zijn dan de LMW en het vastgestelde gewichtspercentage zoals opgenomen in deze nota bodembeheer. • De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. • De milieuhygiënische kwaliteit is uitgedrukt op klasseniveau. • De kwaliteitsklasse is gebaseerd op de gemiddeld gemeten gehalten of een kritischer statistische parameter. • De bodemkwaliteitskaart niet ouder is dan 5 jaar.

10.5 Bestuurlijk vaststellen bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart Zoals in § 1.3 al is aangegeven, worden de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie wordt vastgesteld of aanpassingen van de kaarten of één van beide kaarten noodzakelijk is. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn (zie artikel 4.3.5 van de Regeling). De gemeenteraad mandateert deze bestuurlijke vaststelling aan het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gemeentelijke gebiedsspecifieke beleid.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 46 / 47

10.6 Procedure Het voorgaande laat onverlet dat op de gemandateerde besluiten de procedure voor vaststellingen door het college uit de Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4 (Art. 3:10) van toepassing is.

10.7 Rapportage Het college van burgemeester en wethouders rapporteren de uitvoering van de hierboven beschreven gemandateerde bevoegdheden aan haar Raad. Dit gebeurt in het kader van de actieve informatieplicht van een college van burgemeester en wethouders.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 47 / 47

Bijlage 1: Begrippenlijst Aangrenzend perceel Van een aangrenzend perceel is sprake in de situatie dat er een feitelijke relatie bestaat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waarop de verspreiding plaatsvindt. Het “in verbinding staan” van watergangen (zelfde watersysteem, peilniveau) is niet altijd voldoende om uit te gaan van aangrenzendheid (Uitspraak Raad van State 201401123/1/A1, 4 februari 2015). In aanvulling op de uitspraak van de Raad van State en mede gebaseerd op artikel 60 lid 2 van het Besluit, stelt de gemeente dat tussen de watergang waar de baggerspecie vrijkomt en het perceel waar de baggerspecie wordt verspreid, niet gescheiden mag worden door bijvoorbeeld een lint- of aaneengesloten bebouwing, een weg breder dan één rijstrook, een spoorweg, een waterkering of een dijk. Naar verwachting wordt het begrip ‘aangrenzend perceel’ bij de eerst volgende wijziging van het Besluit bodemkwaliteit vervangen. De normen van de maximale kwaliteit van de baggerspecie die mag worden verspreid (of gebruikt in weilanddepots) wordt afgestemd op de normen voor de voedselveiligheid. Vanwege de herkenbaarheid voor de omgeving (omwonenden; duidelijk waar bagger vandaan komt) wordt vanaf de exacte locatie van baggeren een afstandscriterium van 10 kilometer gehanteerd. De zorgplicht, artikel 7 van het Besluit, blijft te allen tijde van kracht.

De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Bagger(specie) Baggerspecie is materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organisch stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter. Baggerspecie die in het kader van het Besluit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. Met gebiedsspecifiek beleid heeft de gemeente hier strengere eisen aan gesteld. Barium Voor barium bestaat op dit moment geen norm. De destijds voor deze stof geldende normen zijn ingetrokken (Staatscourant nr. 67, publicatie 7 april 2009) omdat de interventiewaarde lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Dit blijft gehandhaafd. De onderzoeksgegevens over barium moeten wél in de bodemkwaliteitskaarten worden meegenomen, aangezien barium onderdeel uitmaakt van het stoffenpakket, met dien verstande dat geen eisen worden gesteld aan het aantal waarnemingen. Deze gegevens kunnen een indicatie voor de aanwezigheid van antropogene bronnen zijn die ook andere verontreinigingen met zich mee kunnen brengen.

Verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond worden aangetroffen door een menselijke activiteit. Dit gehalte wordt beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium: 920 mg/kg ds (bij standaardbodem lutum 25%, organisch stof 10%). Bodembeheergebied gemeentelijk grondstromenbeleid Het bodembeheergebied bestaat uit het grondgebied van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Bodemfunctieklassenkaart Kaart waarop de verschillende bodemfuncties zijn aangegeven, waarbij het bodemgebruik is ingedeeld in de klassen “Industrie”, “Wonen” en “Landbouw/natuur”. Onder het laatstgenoemde gebruik vallen landbouw en natuur.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp, Bijlage 1 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 1 / 11

Bodemkwaliteitskaart De bodemkwaliteitskaart bestaat uit drie hoofdkaarten: 1. Een kaart met uitgesloten locaties en deelgebieden. 2. De ontgravingskaart (deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast). 3. De toepassingskaart (deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen). Bodemkwaliteitsklasse In het Besluit bodemkwaliteit worden bodemkwaliteitszones afhankelijk van de gemiddelde kwaliteit ingedeeld in één van de drie onderscheiden bodemkwaliteitsklassen: • Klasse Landbouw/natuur. • Klasse Wonen. • Klasse Industrie. De bodemkwaliteit is gebaseerd op de gemiddelden van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit de Regeling bodemkwaliteit. Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden (zie onderstaand). Voor de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Pijnacker-Nootdorp is het basispakket van toepassing. Voor de klasse Wonen is een aanvullende toetsing van toepassing. De toetsingsmethodiek voor het bepalen van de bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ is minder streng dan de toetsingsmethodiek voor het bepalen van de ontgravingsklasse (zie het kopje ‘Ontgravingskaart’ in deze bijlage).

Met de minder strenge toets wordt voorkomen dat de bodemkwaliteit van een gebied op basis van één stof wordt ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse Industrie. Dit zou in de praktijk de ongewenste situatie kunnen opleveren dat ook voor alle overige stoffen minder strenge regels gelden en de concentraties kunnen toenemen tot de maximale waarden voor de functie Industrie. Hierdoor verslechtert de kwaliteit van het gebied. Tabel B1: Staffel toegestane aantal overschrijdingen Aantal gemeten stoffen 1-6 7-15 (basispakket) 16 – 26 27 – 36 37 – 48

Aantal toegestane overschrijdingen 0 2 3 4 5

Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000): • Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1. • De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. • De overschrijding is lager dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit'). Klasse Wonen: • Alle gehalten voldoen aan de klassegrens Wonen, met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1. • De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Wonen plus de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. • De overschrijding mag maximaal de norm voor de klassegrens Industrie bedragen. Klasse Industrie: • Als de indeling niet leidt tot de indeling in klasse Wonen of Achtergrondwaarden (AW2000) wordt de bodemkwaliteit ingedeeld in de klasse Industrie.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp, Bijlage 1 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 2 / 11

Bodemkwaliteitszone Een deel van een bodembeheergebied waarvoor geldt dat er sprake is van een zelfde gebiedseigen bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit van belang zijn. De spreiding van gehalten binnen een bodemkwaliteitszone is relatief laag. Een bodemkwaliteitszone is begrensd in het horizontale vlak én het verticale vlak (diepte). Bodemvreemd materiaal Onder bodemvreemd materiaal vallen alle materialen die niet onder de definitie van grond vallen en bij ontgraving al in de bodem aanwezig zijn. Deze bijmenging mag niet opzettelijk zijn toegevoegd aan de partij of het gevolg zijn van onzorgvuldige ontgraving of sloopwerkzaamheden. Bijzondere omstandigheden Voor een binnen een bodemkwaliteitszone liggend gebied geldt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden, als er voor dat gebied een afwijkende verwachtingswaarde geldt ten opzichte van de verwachtingswaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone. Te denken valt aan voor bodemverontreiniging verdachte locaties, onderzochte locaties, locaties waar een sanering heeft plaatsgevonden of locaties met onvoorziene visuele waarnemingen (bodemvreemde materialen, kleur, geur). Ook beschermde gebieden zoals bijvoorbeeld voor de ecologie, archeologie en cultuurhistorie vallen onder de bijzondere omstandigheden.

In gebieden met bijzondere omstandigheden kunnen vanwege andere wet en regelgeving aanvullende eisen worden gesteld. Diffuse chemische bodemkwaliteit De diffuse chemische bodemkwaliteit in een bepaald gebied is de verdeling van gehalten van stoffen in dat gebied waarvoor de bodemkwaliteitskaart is vastgesteld. Deze verdeling kan worden gekwantificeerd door statistische parameters (gemiddelde, percentielwaarden). Ernstig verontreinigde grond Grond waarvan gehalten voor één of meer stoffen de interventiewaarden van de Wet bodembescherming overschrijden. Geval van ernstige bodemverontreiniging (grond) In minimaal 25 m³ grond overschrijden de gehalten voor één of meer stoffen de betreffende Interventiewaarden (I-waarde). Grond Onder dit begrip vallen onder andere: zand, veen, klei en löss. Het Besluit bodemkwaliteit definieert grond als volgt: “Vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie.” Ook verontreinigde grond die is gereinigd en ontwaterde of gerijpte baggerspecie worden als grond beschouwd.

Grond die in het kader van het Besluit bodemkwaliteit nuttig wordt toegepast mag maximaal 20 gewichtsprocent aan bodemvreemd materiaal bevatten. Met gebiedsspecifiek beleid heeft de gemeente hier strengere eisen aan gesteld. Interventiewaarde Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken over een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013). Kinderspeelplaatsen Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.

Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp, Bijlage 1 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 3 / 11

Kwalibo – kwaliteitsborging in het bodembeheer Bij het milieuvriendelijk beheren en gebruiken van de (water)bodem moeten gegevens betrouwbaar zijn en moet netjes worden gewerkt. Hiervoor stelt Kwalibo eisen aan de kwaliteit en integriteit van personen, bedrijven en overheden die werken aan bodembeheer. In artikel 2.1 van de Regeling zijn de werkzaamheden aangewezen wanneer Kwalibo van toepassing is. Lokale bron (puntbron) Duidelijk aanwijsbare bron voor een eventuele bodemverontreiniging zoals bijvoorbeeld een ondergrondse huisbrandolietank of een chemische wasserij, gebruik bestrijdingsmiddelen, ophooglaag, gedempte watergang, halfverharding, bodembedreigende activiteiten of een (bekend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Niet gezoneerd gebied Gebieden kunnen worden gezoneerd wanneer er voldoende bodemgegevens beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende bodemgegevens beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het gebied niet gezoneerd. Een gebied kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de bodemgegevens uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten.

Een niet gezoneerd gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de bodemkwaliteitskaart (zie ook: Uitgesloten gebied). Onderscheidende gebiedskenmerken Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een bodemkwaliteitskaart kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de bestaande kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld. Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden -AW2000), Wonen, Industrie of Niettoepasbaar. Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel (zie tabel B1 bij 'Bodemkwaliteitsklasse') voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden.

Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000): • Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1. • De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. • De overschrijding lager is dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij 'Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit'). Klasse Wonen: • De gehalten voldoen niet aan de klasse Landbouw/natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden. Klasse Industrie: • De norm voor klassegrens Wonen wordt overschreden. • De norm voor klasse grens Industrie wordt niet overschreden. Klasse Niet toepasbaar: • De norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden. Ontgravingslocatie Betreft dat terreindeel waar grond ontgraven wordt. Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp, Bijlage 1 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 4 / 11

Onverharde wegbermen De strook grond naast de verharde (klinker- en asfalt) weg. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,5 meter diepte, en heeft gerekend uit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De onverharde wegberm wordt begrensd door (zie ook figuur B1.): • de erfgrens of • de meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of • de meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of • als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor wegbermen langs dijkwegen en voor wegbermen gelegen in habitatgebieden en het Natuurnetwerk Nederland geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter. Dit in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden.

Figuur B1. Begrenzing wegbermen (bron: brief van het voormalige ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS‐2009/2932, 19 november 2009).

Oppervlaktewaterlichaam Een onderscheiden oppervlaktewater van aanzienlijke omvang, zoals een meer, een waterbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een deel van een stroom, rivier of kanaal, een overgangswater of een strook kustwater. Percentiel/percentielwaarde Waarde waar beneden een bepaald percentage van de analyseresultaten gelegen is. Bijvoorbeeld 90-percentiel: 90% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. PFAS-gehalten en effect op de kwaliteitsklassen (Bron: https://www.bodemplus.nl/onderwerpen/wet-regelgeving/bbk/vragen/grond-baggerspeciepfas-veldwerk-analyse-toetsing/faq/resultaten-pfas-onderzoek-toetsen-aanvulling/) De toetsing aan de PFAS-verbindingen is een aanvullende (losse) toets ten opzichte van de toetsing op de reguliere parameters en indeling in kwaliteitsklassen. Dat betekent dat eerst de toetsing plaatsvindt op basis van de reguliere parameters en op basis daarvan een indeling in kwaliteitsklasse plaatsvindt. Vervolgens vindt de toetsing aan de voorlopige toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader voor de PFAS-verbindingen plaats. Aan de hand van de aanvullende toetsing stel je vervolgens vast in hoeverre beperkingen aan de toepassing gelden, bijvoorbeeld een verbod op het toepassen onder grondwaterniveau of in oppervlaktewater.

Voor PFAS zijn de bijzondere toetsregels voor het toetsen aan de Achtergrondwaarde of maximale waarde wonen niet van toepassing, omdat nog geen normen zijn opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit. Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp, Bijlage 1 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 5 / 11

Ook tellen de gemeten PFAS niet mee als gemeten stoffen bij de bijzondere toetsregels voor het toetsen aan de achtergrondwaarde of maximale waarde wonen. Bij de inbouw van het handelingskader in de Regeling bodemkwaliteit wordt de wijze van toetsen aan normwaarden nader ingevuld. Hieronder zijn twee voorbeelden uitgewerkt: Voorbeeld 1 Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Wonen, dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de toepassingsnormen uit het tijdelijk handelingskader. Dit kan leiden tot de volgende drie situaties: 1. Als alle PFAS-gehalten zijn aangetoond beneden de rapportagegrens, dan blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan en gelden geen aanvullende toepassingsvoorwaarden. De partij kan als bodemkwaliteit Wonen worden toegepast zonder aanvullende voorwaarden. 2. Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de rapportagegrens maar alle PFAS-gehalten voldoen aan de toepassingsnormen voor de bodemkwaliteitsklasse Wonen (7,0 µg/kg d.s. voor PFOA en 3,0 µg/kg d.s. voor de overige PFAS), blijft de indeling in kwaliteitsklasse Wonen staan, maar gelden wel beperkingen aan de toepassing: toepassing van grond op de landbodem beneden grondwaterniveau (tenzij PFAS < voorlopige achtergrondwaarden voor PFAS) en in grondwaterbeschermingsgebieden. 3.

Als één of meerdere PFAS-gehalten zijn aangetoond boven de toepassingsnormen van 7,0 µg/kg d.s. voor PFOA en 3,0 µg/kg d.s. voor de overige PFAS is deze niet generiek toepasbaar. Toepassing van de partij kan alleen plaatsvinden als in dat gebied verhoogde Lokale Maximale Waarden door het bevoegd gezag zijn vastgesteld in het kader van gebiedsspecifiek beleid. Voorbeeld 2 Als een partij grond op basis van de overige stoffen is gekwalificeerd in de bodemkwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarde), dan moet aanvullend de PFAS-gehalten worden getoetst aan de landelijke achtergrondwaarden (1,9 µg/kg d.s. voor PFOA en 1,4 µg/kg d.s. voor de andere PFAS) en bij overschrijding daarvan ook toetsen aan de normen voor 7,0 µg/kg d.s. voor PFOA en 3,0 µg/kg d.s. voor de overige PFAS). Dit kan leiden tot de volgende vier situaties: 1. Als alle PFAS-gehalten kleiner zijn dan de bepalingsgrens, blijft de indeling in kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur (< Achtergrondwaarden) staan en gelden geen toepassingsvoorwaarden. Kortom alle toepassingen zijn toegestaan. 2. Als een PFAS-gehalte aangetoond wordt boven de rapportagegrens (0,1 µg/kg d.s.) maar beneden de landelijke achtergrondwaarden (van 1,9 µg/kg d.s. voor PFOA en 1,4 µg/kg d.s.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10535215/1