bijlage 2. ontwerp Nota Bodembeheer
Tekst van het document
Grond van buiten de gemeente Pijnacker-Nootdorp moet voldoen aan de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit. Hierdoor is de toepassing van grond afhankelijk van de kwaliteit van de ontvangende bodem en de bodemfunctie ter plaatse van de toepassingslocatie. De strengste toepassingseis van deze dubbele toets is leidend. Dus als de bodemkwaliteit in de klasse ‘Wonen’ valt en de bodemfunctie is ‘Industrie’, dan is de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De Lokale Maximale Waarde voor de onverharde (spoor/metro/weg)bermen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’ is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De Lokale Maximale Waarde voor de onverharde wegbermen met de bodemfunctieklasse ‘Wonen’ is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’.
28
Artikel 47 van het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat voor het vaststellen van Lokaal Maximale Waarden een bodemkwaliteitskaart vereist is.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 14 / 47
4.2.5 Lokale Maximale Waarden plangebied Oude Polder (bodemlaag 0-0,5 m-mv) In het plangebied Oude Polder is de komende jaren veel grond nodig. Volgens de generieke regels mag in dit gebied alleen schone grond worden toegepast. Naar verwachting gaat in het plangebied Oude Polder glastuinbouw (zonder teelt op de open grond) worden gerealiseerd en vestigt zich mogelijk een dierenpension. Om de nu relatief beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ te vergroten, staat de gemeente toe dat het plangebied Oude Polder, grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast (zie de kaartbijlage 5A). Bij de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ treden er bij het toekomstige gebruik geen risico's op. De Lokale Maximale Waarde voor het plangebied Oude Polder is voor de bodemlaag 0-0,5 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’.
4.2.6 Lokale Maximale Waarden toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en (bodemlaag 0-0,5 m-mv) In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeente stelt daarentegen bij onverharde kinderspeelplaatsen 29 en moes-/volkstuinen strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeente moet de grond die, bijvoorbeeld in het kader van aanleg, herinrichting of renovatiewerkzaamheden, wordt toegepast op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000; Landbouw/natuur). Dit geldt voor de bodemlaag 0,0-0,5 m-mv. Voor lood geldt een maximaal toepassingsgehalte gelijk aan 90 mg/kg ds (gemeten gehalte, niet gestandaardiseerd). Hiermee wordt aangesloten bij de GGD-normen voor lood ter plaatse van onverharde kinderspeelplaatsen / kleine moestuinen/wonen met tuin. Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.3 en § 4.4). De Lokale Maximale Waarde voor onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuinen is voor de bodemlaag 0,0-0,5 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’. Voor lood geldt een maximaal toepassingsgehalte gelijk aan 90 mg/kg ds (gemeten gehalte, niet gestandaardiseerd).
Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal en asbest (zie § 4.3 en § 4.4).
29
Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 15 / 47
4.2.7 Lokale Maximale Waarden tijdelijke opslag In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (zie respectievelijk de tabellen 3.3 en 3.2 uit de rapportage van de bodemkwaliteitskaart30). Dit leidt tot knelpunten in gebieden waar grond wordt toegepast die voldoen aan de Lokale Maximale Waarden. Daarom verruimt de gemeente Pijnacker-Nootdorp de regels voor de tijdelijke opslag van grond. Ondanks het verschil in kwaliteitsklasse mag de toe te passen grond die voldoet aan de Lokale Maximale Waarden en voorafgaand aan de toepassing tijdelijk worden opgeslagen. Voorwaarden zijn dat de grond voor maximaal 3 jaar én met aanduiding van de eindbestemming tijdelijk wordt opgeslagen. De tijdelijke opslag moet worden gemeld bij het centrale meldpunt van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (zie § 7.2.3). De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag ( langer dan 6 maanden en met een aangegeven eindbestemming) is gelijk aan de in § 4.2 vastgestelde Lokale Maximale Waarden.
4.2.8 Toepassen PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie Definiëren toepassingswaarden PFAS-houdende grond en eisen aan te verspreiden onderhoudsbaggerspecie Zoals uit onderzoeken is gebleken, wordt in de grond een variatie aan gehalten met PFASverbindingen vastgesteld. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. Om beter invulling te geven aan de voorkomende variatie, heeft de gemeente toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen in de grond gedefinieerd. Deze zijn deels gebaseerd op mogelijkheden die het geactualiseerde tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie31 biedt en deels op de vastgestelde bodemkwaliteit in de gemeente (zie tabel 4.1). Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeente, vindt de gemeente de gedefinieerde toepassingswaarden een voldoende kwaliteit om zonder risico’s grond met licht verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen in de gemeente toe te staan.
30 31
Bodemkwaliteitskaart gemeente Pijnacker-Nootdorp, documentnummer: SOB011007.RAP001, WSP, 20 juli 2021. Tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kenmerk IENW/BSK2019/131399; aangepast op 29 november 2019 en 2 juli 2020.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 16 / 47
Tabel 4.1: Toepassingswaarden PFAS-verbindingen in de grond Toepasingseisen PFAS-verbindingen (in µg/kg ds) Toepassen grond uit de gemeente Pijnacker-Nootdorp in gebieden met de toepassingseis op basis van de overige stoffen32 ‘Wonen’ en ‘Industrie’ (boven grondwaterniveau33 tot maximaal 2,0 m-mv) PFOA (som, lineair, vertakt) 7,00* PFOS (som, lineair, vertakt) 3,00* Elke andere PFAS-verbinding 3,00* Toepassen grond uit de gemeente Pijnacker-Nootdorp in gebieden met de toepassingseis op basis van de overige stoffen ‘Landbouw/natuur’ (boven grondwaterniveau 9) PFOA (som, lineair, vertakt) 1,90** PFOS (som, lineair, vertakt) 1,40** Elke andere PFAS-verbinding** 1,40** Toepassen grond van buiten de gemeente Pijnacker-Nootdorp én toepassen grond onder grondwaterniveau34 PFOA (som, lineair, vertakt) 1,90** PFOS (som, lineair, vertakt) 1,40** Elke andere PFAS-verbinding 1,40** * Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond en baggerspecie bij de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Op basis van de huidige inzichten is er bij de aangegeven waarden geen sprake van risico’s voor de gezondheid en overschrijding van effectniveaus voor het ecosysteem. ** Deze waarde is gebaseerd op de voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFAS-verbindingen. Stof
Toekomstige bijstelling van de voorlopige achtergrondwaarden en (toepassings)waarden voor PFAS-houdende grond Tot en met 2021 wordt er nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijk veel meetgegevens door het RIVM verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens worden interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen aangepast. Als interventiewaarden worden gedefinieerd, volgt de gemeente de landelijke normen. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond worden gewijzigd, evalueert de gemeente deze met de in deze nota bodembeheer gedefinieerde toepassingswaarden voor hergebruik van PFAS-houdende grond. Indien van toepassing worden de toepassingswaarden gewijzigd en bestuurlijk vastgesteld.
4.3
Toepassen van grond met bodemvreemd materiaal
Het Besluit stelt dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Omdat in de bodemkwaliteitszones van de gemeente Pijnacker-Nootdorp maar maximaal 5 gewichtsprocent bodemvreemde bijmengingen worden aangetroffen (zie bijlage 1 bij het kopje ‘Bijzondere omstandigheden’), scherpt de gemeente de generieke voorwaarde uit het Besluit aan. Concreet betekent dit het volgende: • Bij het aanleveren van historische gegevens (zie bijlage 5 van deze nota) voorafgaand aan het grondverzet wordt aandacht besteed aan het voorkomen van bodemvreemd materiaal (hout en steenachtige materialen zoals puin, bakstenen, beton, plastic, piepschuim, blik) in de grond. Bij het feitelijk uitvoeren van grondverzet moet een visuele controle plaats te vinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen. Als 32
Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen
polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 34 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 33
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 17 / 47
•
blijkt dat de toe te passen grond een bijmenging heeft van meer dan 5 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal (hout en steenachtige materialen zoals bakstenen, beton), is het niet toegestaan deze (ongezeefd) als zijnde grond toe te passen. Om het milieu minder met andere bodemvreemde materialen zoals plastics en piepschuim te belasten, mag in de toe te passen grond slechts een ‘sporadische’ bijmenging aan andere bodemvreemde materialen bevatten. Hierbij wordt aangesloten op de Regeling. Bij twijfel of grenssituaties beslist het bevoegd gezag. Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civieltechnisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar de toegestane percentages. Het civiel-technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassings- of verwerkingslocatie voor de grond worden gezocht.
Als tijdens de grondwerkzaamheden onvoorzien asbestverdacht materiaal (asbest(golf)plaat, bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit35), moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd en een verkennend asbestonderzoek worden uitgevoerd. Ook moet contact worden opgenomen met het bevoegd gezag. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een (bodem)verontreiniging kunnen wijzen met bijvoorbeeld minerale olie of met vluchtige stoffen.
Als in de toe te passen grond (ten opzichte van de ontvangende bodem) meer dan 5 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan het bevoegd gezag.
4.4
Toepassen van grond met asbest verdacht materiaal
Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De gemeente stelt voor projecten die in opdracht van de gemeente worden uitgevoerd strengere eisen. De grond moet zintuiglijk vrij zijn van asbest materiaal. Bij een gebruiksgevoelige locatie zoals een (onverharde) kinderspeelplaats, (moes)tuin, en dergelijke, mag de grond ook analytisch geen asbest bevatten; de zogenaamde ‘nulnorm’ (0 mg/kg ds gewogen). Voor overige bodemgebruik bevat de grond bij voorkeur geen asbest maar mag maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) bevatten. Het gehalte aan asbest moet zijn aangetoond met een onderzoek conform de NEN 570736. Burgers of bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente Pijnacker-Nootdorp te volgen. Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het onderstaande: Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707 of NEN 5897 37 plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld.
In bijlage 1 is nader ingegaan op puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek.
35
Arbeidsomstandighedenwet, publicatie Staatsblad nr. 450, 25 oktober 1999 en latere wijzigingen. Arbeidsomstandighedenbesluit, publicatie Staatsblad nr. 263, 26 juni 1997 en latere wijzigingen. 36 NEN 5707 – Bodem: inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond. 37 NEN 5897 – Inspectie en monstername van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 18 / 47
Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag: totdat de Omgevingswet inwerking treedt is dat voor de gemeente de Provincie Zuid-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet én complexe bedrijven. Voor deze locaties blijft de Provincie Zuid-Holland bevoegd gezag. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (zie bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering38). De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds gewogen) en méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld (zie § 4.3), én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden.
Dit tussentijdse (civiel technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (zie de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag dan onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Aandachtspunt is het voorkomen van asbest in de grond in de grove of fijne fractie. Als asbest in de fijne fractie voorkomt, is het ter beoordeling van het bevoegd gezag of de grond na zeving nog aanvullend moet worden onderzocht.
4.5
Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij bestaande kabels, leidingen en rioleringen en groenvoorzieningen
Bij aanleg, vervang- en reparatiewerkzaamheden van kabels, leidingen en rioleringen of graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is tijdelijke uitname van grond op een niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens; zie bijlage 5 van deze nota) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: • er geen sprake is van een geval van bodemverontreiniging; • er geen tussentijdse bewerking39 plaatsvindt; • de grond onder dezelfde condities weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde “over-de-kop-werken” (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte (in de nabije omgeving) aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten bij grondverzet, die zich met name afspelen in de zones “B1. Historische bebouwing en kassen”, “B2.
Bebouwing na 1945” en “B3. Kassen 1945-1970 en wonen na 1990”, verruimt de gemeente voor niet-verdachte locaties (volgend uit de aangeleverde 38 39
Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013, publicatie Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013. Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 19 / 47
historische gegevens; zie bijlage 5 van deze nota) de regels voor graafwerkzaamheden bij de tijdelijke uitname van grond bij bestaande kabels, leidingen en rioleringen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij bestaande kabels, leidingen en rioleringen op onverdachte locaties hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. In 2020 is een richtlijn opgesteld voor risico gestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem 40. De gemeente adviseert deze richtlijn aan te houden zodat onderzoekstijd en -geld naar asbest in de bodem kan worden bespaard. Voor graafwerkzaamheden inclusief tijdelijke uitname van grond, bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 6.1.2, § 7.2.2 en § 7.2.3.
4.6
Toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden maaiveld
Zoals in hoofdstuk 2 is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond uit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 0,5 meter tot en met 2 meter diepte) wordt dit niet duurzaam geacht. De gemeente verruimt voor niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag van 0,5 meter diepte tot en met 2 meter diepte (zie tabel 2.1).
4.7
Grond afkomstig van buiten de gemeente Pijnacker-Nootdorp
Grond die afkomstig is van buiten de gemeente Pijnacker-Nootdorp moet altijd zijn gekeurd (zie § 6.2.1). Ook gelden de generieke toepassingseisen van het Besluit (zie tabel 2.1 in hoofdstuk 2 en de kaartbijlagen 4 van deze nota). De in § 4.2 vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor de grond van buiten het bodembeheergebied. Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (zie § 4.2.6 voor het toepassen van grond in op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en en § 4.2.8 voor het toepassen van PFAS-houdende grond van buiten de gemeente).
40
De richtlijn voor risicogestuurd werken bij tijdelijk uitplaatsen (zonder afvoer van grond) met betrekking tot asbest in puinhoudende bodem, Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van decentrale overheden, bedrijfsleven, Inspectie Leefomgeving en Transport, Inspectie SZW en Rijkswaterstaat Bodem+, 30 april 2020.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 20 / 47
4.8
Grondverzet kleine partijen grond (kleiner dan 50 m3)
Het komt vaak voor dat er bij bijvoorbeeld loonwerkers of de gemeentelijke afdeling voor groenonderhoud kleine partijen grond vrijkomen. Bijvoorbeeld bij (groen-) onderhoudswerkzaamheden of het plaatsen van bomen. In het Besluit is alleen voor schone grond en baggerspecie bij hoeveelheden van kleiner dan 50m 3 een vrijstelling opgenomen van de meldplicht. Ook particulieren zijn vrijgesteld van de meldplicht (zie ook § 7.2.1). Het is echter niet redelijk om voor kleine partijen grond een keuring te verlangen. Of een kleine partij in aanmerking komt voor vrijstelling van een keuring en/of een meldingsplicht hangt af van de herkomst, de hoeveelheid en het bodemgebruik op de plaats van toepassing. In tabel 4.2 zijn de mogelijkheden voor kleine partijen weergegeven. Een andere mogelijkheid is, dat de kleine partijen vrijkomende grond worden verzameld tot maximaal 25 m3, bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. Als de container vol is, moet deze worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en een ministeriële erkenning heeft voor de BRL933541. Tabel 4.2: Regels voor keuring en melding van kleine partijen grond.
Grondstroom
Van gebieden waar de bodemkwaliteitskaart niet van is geaccepteerd of geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld
Volgens grondstromenmatrix vrij grondverzet42
Grond Hoeveelheid
≤50 m3
Van gebieden van de eigen en geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten
>50 m3
≤50 m3
>50 m3
1)
1)
Keuring?
Nee 1)
Ja
Nee , tenzij een gevoelige bestemming**
Melden?
Nee, wel toestemming vragen aan eigenaar
Ja, zie § 7.2.1
Nee, wel toestemming vragen aan eigenaar
Nee , tenzij een gevoelige bestemming** Ja, zie § 7.2.1 en bepalingen uit § 7.2.2 en § 7.2.3
Volgens grondstromenmatrix geen vrij grondverzet42 ≤25m3
>25m3
Nee 1)
Ja
Ja, zie § 7.2.1
Afhankelijk van Beperking bij Bepalingen uit § 4.3 en § 4.4 en er mag geen sprake zijn van een voor keuringsresulde toepassing? bodemverontreiniging verdachte locatie taten en bepalingen uit § 4.3 en § 4.4 1) Geen keuring, wel een historisch onderzoek volgens de NEN 5725 of een volledig ingevuld vragenformulier historische gegevens (zie bijlage 5). * Als een partij kleiner is dan 25 m3, afkomstig uit de bodemkwaliteitszone “B1 Historische bebouwing en kassen” met de kwaliteitsklasse Industrie, en de toepassingslocatie heeft een gevoelige bestemming, dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeurig waarbij moet blijken dat de grond in de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur’ valt. Gevoelige bestemmingen zijn: onverharde kinderspeelplaatsen, moestuin, landbouw, intensief gebruikt openbaar groen zoals bijvoorbeeld parken, plantsoenen en onverharde openbare plaatsen waar kinderen spelen (dus niet per sé alleen onverharde kinderspeelplaatsen). ** Als een partijgrond wordt toegepast op onverharde kinderspeelplaatsen, moestuin-/volkstuin(complex)en, moet de grond voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de resultaten mag de grond worden toegepast. Voor lood gelden aanvullende toepassingseisen (zie § 4.2.6).
4.9
Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing
De toepassing van grond in een grootschalige bodemtoepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige bodemtoepassing neemt in de planfase contact op met de gemeente. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige bodemtoepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de gemeente vastgelegd. 41 42
Nationale beoordelingsrichtlijn voor Grond BRL 9335. Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 21 / 47
De initiatiefnemer moet aantonen dat de grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing maximaal de kwaliteitsklasse “Industrie” heeft en voldoet aan de emissietoetswaarden zodat wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging plaatsvindt. Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voldoen aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen). Uit de rapportage van de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de gemiddelde gehalten van alle onderscheiden bodemkwaliteitszones in de gemeente Pijnacker-Nootdorp voldoen ook aan de emissietoetswaarden. Daarom is het toegestaan dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van grond die wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing. Voorwaarden die hierbij gelden zijn: • De grond is afkomstig uit een gezoneerd gebied (zie voor de uitgesloten gebieden hoofdstuk 2). • De grond is afkomstig van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie.
• In de grond die wordt toegepast in de leeflaag is maximaal 5 procent gewichtspercentage aan bodemvreemd materiaal én een ‘sporadische’ bijmenging aan lichte materialen zoals plastics en piepschuim vastgesteld. De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de kern van de grootschalige bodemtoepassing boven grondwaterniveau43 voldoet aan de toepassingswaarden voor de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’, of een betere kwaliteit: • PFOA: 7,0 µg/kg ds. • Alle andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds. De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing onder grondwaterniveau44 moet voldoen aan de voorlopige achtergrondwaarden: PFOA: 1,9 µg/kg ds en de andere PFAS-verbindingen: 1,4 µg/kg ds. Oók moet worden aangetoond dat de PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de PFAS-houdende grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voor PFAS-verbindingen voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (zie § 4.2.8).
4.10 Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring (en mogelijk aanvullende bepalingen uit § 4.3 en § 4.4) mag de grond worden toegepast. Een partijkeuring is niet noodzakelijk, de bodemkwaliteitskaart mag als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond gebruikt worden, als wordt aangetoond dat de grond: 1. afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens; zie bijlage 5 van deze nota); én 2. afkomstig is uit een zone van het bodembeheergebied; én 3. niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond). Als een of meerdere voorwaarden niet kan worden aangetoond, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan. 43
Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast. 44 Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘onder grondwaterniveau’: Op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld. Als de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terecht komt, wordt de grond geacht boven het grondwater te zijn toegepast.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 22 / 47
Als in een depot partijen grond zijn samengevoegd of gesplitst dan gelden de eisen van de BRL9335 of de BRL SIKB 750045. Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd door de initiatiefnemer. Conform artikel 4.3.1 van de Regeling moet worden vastgelegd: • de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, • de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en • de datum waarop de splitsing is uitgevoerd. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond die wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het BRL protocol 9335-146. Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan moet een bedrijf dat is erkend voor het BRL protocol 9335-1 worden ingeschakeld om de partij te legaliseren. In § 6.3.5 van het BRL protocol 9335-1 is hiervoor een mogelijkheid beschreven. Dit document ziet expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). In dat kader is onderdeel B7 van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP 3) als uitwerking van Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing.
4.11 Terugsaneerwaarden en hergebruik grond op te saneren en gesaneerde locaties In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en het toepassen of hergebruiken van grond. Dit geldt onder andere voor: • Terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen47); • Aanvullen van ontgravingsput, het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag na sanering of het tijdelijk opslaan van grond.
4.11.1 Terugsaneerwaarden en hergebruik grond De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit Uniforme Saneringen en de Regeling Uniforme Saneringen48 geregeld: Wet bodembescherming Circulaire artikel 4.1.2 1. Bodemfunctie 2. Gemotiveerd afwijken met behulp van saneringsplan BUS/RUS RUS artikel 3.1.6 en 3.2.4 1. Vastgestelde Lokale Maximale Waarden 2. Bodemfunctie zoals is aangegeven op de bodemfunctieklassenkaart, AW2000 als geen bodemfunctieklassenkaart is vastgesteld 3. Mobiele verontreiniging: kwaliteitsklasse Wonen Deze terugsaneerwaarden worden ook geadviseerd als op locaties sterk verontreinigde grond wordt ontgraven waar geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; bijvoorbeeld als sprake is van 25 kuub of minder, sterk verontreinigde grond. Het toepassen van grond om een saneringsdoelstelling te behalen valt onder het bevoegde gezag van de Wet bodembescherming. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor 45
Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie BRL 7500. Individuele partijen grond Milieuhygiënische keuring van individuele partijen grond in het kader van het Besluit bodemkwaliteit: BRL 9335 – protocol 9335-1. 47 Besluit Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen. 48 Regeling Uniforme Saneringen, publicatie Staatsblad nr. 54, 9 februari 2006 en latere wijzigingen. 46
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 23 / 47
haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet én complexe bedrijven. Voor deze locaties blijft de Provincie Zuid-Holland bevoegd gezag. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (zie § 2.1.1 van bijlage 2) en voldoet aan de toepassingsvoorwaarden uit deze nota bodembeheer. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. Als grond van buiten de saneringslocatie op de saneringslocatie nuttig wordt toegepast, dan gelden dezelfde eisen als voor het toepassen van grond in de zone waarin de saneringslocatie is gelegen. Voor grond, afkomstig uit de gemeente Pijnacker-Nootdorp, gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 5). Voor grond van gebieden waar de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond, gelden de generieke toepassingseisen (zie de kaartbijlagen 4). Mogelijk zijn ook de aanvullende bepalingen uit § 4.3 en § 4.4 van toepassing.
4.11.2 Melden grondverzet op een saneringslocatie Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag (zie § 7.2.1). Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag, zie ook de website: https://www.zuidholland.nl/loket/meldingen/@8101/bodemsanering/ . De dubbele meldingsplicht geldt niet voor BUS-saneringen (zie artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit).
4.12 Bijzondere omstandigheden bij grondverzet 4.12.1 Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden en toepassen grond uit een categorie-1 werk In de gemeente zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in hoofdstuk 2 gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het generieke kader van het Besluit (zonder bodemkwaliteitskaart). Dit betekent dat: • het toepassen van grond van deze locaties of gebieden voorafgegaan moet worden door een partijkeuring (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond als volgt worden toegepast: ̵ Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse 'Industrie' of beter, dan mag de grond worden toegepast op een locatie waar de vastgestelde kwaliteit voldoet aan de daar geldende toepassingseis. ̵ Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor 'Industrie' overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. ̵ Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming en naar verwachting in 2022 de Omgevingswet worden gevolgd. De onderzoeksresultaten moeten worden gemeld aan het bevoegd gezag.
• als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, de ontvangende bodem onderzocht moet worden met een verkennend bodemonderzoek (zie § 6.2.2). Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteit gelden de toepassingseisen van het omliggende gebied (zie § 4.12.2).
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 24 / 47
Grond uit een oude categorie-1 werk (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd (zie § 6.2.1). Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast.
4.12.2 Gebruik van de ontgravings- of toepassingskaart bij een al onderzochte locatie Geldigheidsduur van een uitgevoerd onderzoek De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. De NEN 5740 49 of en het BRL protocol 100150 stellen geen voorwaarden aan de actualiteit van onderzoeksgegevens. De gemeente beschouwen de onderzoeksresultaten als een momentopname en zijn daarom niet ‘onbeperkt houdbaar’. De gemeente stelt dat als de onderzoeksgegevens ouder zijn dan 1 jaar, de initiatiefnemer aan de handhavende instantie van het bevoegd gezag aannemelijk moet maken dat de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden. Hierbij moet ten minste in ogenschouw zijn genomen: • of de gehanteerde strategie van monstername of analysemethodes voldoende inzicht geven in de algemene bodemkwaliteit; • of de onderzoekslocatie na uitvoering van het laatste volledige onderzoek niet intensiever is gebruikt en geen grondverzet of herinrichting heeft ondergaan; • qua gebruik of inrichting de onderzoekslocatie nog hetzelfde is; • in hoeverre er tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten zijn uitgevoerd die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. Met de resultaten van een actuele terreininspectie moet de huidige terreinsituatie inzichtelijk worden gemaakt.
Bij twijfel beslist de handhavende instantie van het bevoegd gezag of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. Uitgevoerde partijkeuring of een specifiek onderzoek van de NEN 5740 en gebruik ontgravingskaart De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een partijkeuring of een specifiek onderzoek van de NEN 574051 is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (zie § 6.2.1) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. Uitgevoerde onderzoek en gebruik toepassingskaart Uit een uitgevoerd onderzoek volgens de NEN 5740 of een partijkeuring (BRL protocol 1001) kan blijken dat dat de kwaliteit van de ontvangende bodem waarin de locatie is gelegen slechter of juist beter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld. In die situatie geldt de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten, ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis.
Uitgevoerde onderzoek en gebruik ontgravingskaart Als op de ontgravingslocatie al een onderzoek is uitgevoerd, geldt het volgende: binnen een bodemkwaliteitszone is altijd sprake van een variatie in aangetroffen gehalten. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. De gemeente vindt het niet redelijk dat voor deze locaties, na het uitvoeren van een onderzoek, een aanvullende partijkeuring moet
49
NEN 5740 – Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond. 50 Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, BRL protocol 1001. 51 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 25 / 47
plaatsvinden. Uiteraard kan naar eigen keuze tóch een aanvullende partijkeuring worden uitgevoerd. De gemeente staat het daarom toe dat als het onderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én de vastgestelde (gestandaardiseerde) maximale gehalten van de stoffen lager zijn dan de tussenwaarde (gemiddelde van de AW2000 en de interventiewaarde) én het immobiele stoffen betreft, er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt. Als de gehalten niet lager zijn dan de tussenwaarde óf het betreft mobiele stoffen, dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met het bevoegd gezag.
4.12.3 Beschermde gebieden Provinciale beschermingsgebieden In de gemeente liggen de volgende provinciale beschermingsgebieden: archeologisch en cultuurhistorische waardevolle gebieden en gebieden in het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS); zie ook de website: https://www.zuid-holland.nl/overons/feitencijfers/interactieve/ . Voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden restricties zijn ten aanzien van de werkzaamheden. De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. Bij grondwerkzaamheden binnen beschermingsgebieden wordt het provinciale beleid gevolgd. Gemeentelijke beschermingsgebieden De gemeente heeft beleid opgesteld ter bescherming van archeologisch waardevolle locaties en gebieden52. Afhankelijk van de archeologische waarde, het oppervlakte waar graafwerkzaamheden plaatsvinden en de ontgravingsdiepte moet voorafgaand aan de werkzaamheden archeologisch (voor)onderzoek plaatsvinden. Ook heeft de gemeente beleid opgesteld ter bescherming van gebieden met ecologische waarden 53. In het beleidsdocument zijn kaarten opgenomen met het gemeentelijke natuurwerk.
De gemeente sluit aan bij de landelijke regelgeving om planten- en diersoorten te beschermen (Wet natuurbescherming54). Bij ruimtelijke ontwikkelingen kan voorafgaand aan de werkzaamheden dus een ecologisch (voor)onderzoek moeten worden uitgevoerd.
4.13 Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij het bodemverontreinigende activiteiten Onder het Activiteitenbesluit Volgens het Activiteitenbesluit moet een bedrijf met bodemverontreinigende activiteiten een nulsituatie-onderzoek uitvoeren. Als het betreffende bedrijf haar activiteiten staakt, moet een eindsituatie-onderzoek worden uitgevoerd. De resultaten van het eindsituatie-onderzoek worden vergeleken met die van het nulsituatie-onderzoek. Op deze manier kan worden nagegaan of de plaatsgevonden bedrijfsactiviteiten tot een verslechtering van de bodemkwaliteit hebben geleid. 52
Beleidsnotitie Archeologie, gemeente Pijnacker-Nootdorp, maart 2010, bestuurlijk vastgesteld in 2010. Natuur op de kaart, Ruimte voor planten en dieren in de stedelijke omgeving, actualisatie Ecologische kaart gemeente Pijnacker-Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, juni 2017. 54 Wet natuurbescherming, publicatie Staatsblad, nummer 384, 2016 en latere wijzigingen. 53
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 26 / 47
Het komt wel eens voor dat de nulsituatie in het verleden niet is vastgelegd. Volgens het Activiteitenbesluit moeten in die situatie de resultaten van het eindsituatie-onderzoek voldoen aan de maximale waarden van de klasse Achtergrondwaarde (AW2000). De gemeente staat het echter toe dat bij het niet aanwezig zijn van een nulsituatie-onderzoek voor een activiteit dat in het verleden is gestart, de ontgravingskaarten (kaartbijlagen 3) mogen worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het eindsituatie-onderzoek. In sommige gebieden kan met de bodemkwaliteitskaart worden aangetoond dat het verwijderen van een verontreiniging tot aan de Achtergrondwaarde (AW2000) niet realistisch is. Een bepaalde stof kan namelijk diffuus verhoogd voorkomen in een gebied. Het eindsituatieonderzoek kan dan worden getoetst aan de gemiddelden van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen, of aan de Achtergrondwaarde (AW2000) als het gemiddelde van een stof lager dan de Achtergrondwaarde (AW2000) is vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt. Onder de Omgevingswet Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is voor bodembedreigende activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving, in tegenstelling tot het Activiteitenbesluit, geen nulsituatieonderzoek meer verplicht.
Dit nulsituatie-onderzoek bij de start van een activiteit is geen milieubeschermende maatregel, maar een grondslag voor een eindsituatie-onderzoek. Hiermee kan het bevoegd gezag toetsen of door de bodembedreigende activiteit verontreiniging heeft plaatsgevonden. Als de gemeente heeft voorgeschreven dat een nulsituatie-onderzoek verplicht is, dan moet dit worden uitgevoerd. Ook kan op vrijwillige basis een nulsituatie-onderzoek worden uitgevoerd, ter ondersteuning van het (later uit te voeren) eindsituatie-onderzoek. Het eindsituatie-onderzoek is verplicht. Dit eindsituatie-onderzoek hangt samen met de beëindiging van de activiteit. Per activiteit wordt aangegeven of bij beëindiging een eindsituatieonderzoek nodig is. Als er geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd, wordt het eindonderzoek getoetst aan de ontgravingskaarten (kaartbijlagen 3). Voor activiteiten waarop de Europese Richtlijn industriële emissies het milieubeschermingsbeginsel van "Integrated Pollution Prevention and Control" (IPPC) toepast, blijft volgens de Europese Richtlijn industriële emissies (art. 22) het nulsituatie-onderzoek wel verplicht. Het bevoegd gezag moet deze opnemen in de omgevingsvergunning. De bodemkwaliteitskaart zelf mag nooit in de plaats van een nul- of eindsituatie-onderzoek worden gebruikt.
4.14 Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij vaststellen veiligheidsklasse Bij graafwerkzaamheden op niet verdachte locaties én waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd (aangetoond met een historisch onderzoek volgens de NEN 5725 of een volledig ingevuld vragenformulier historische gegevens -onderdeel ontgravingslocatie; zie bijlage 5-), kan conform de CROW publicatie 40055 de veiligheidsklasse worden bepaald met behulp van de bodemkwaliteitskaart; op basis van minimaal de 80-percentielwaarde (of een hogere percentielwaarde) van de bodemkwaliteitszone(s) waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden.
55
CROW publicatie 400 'Werken in en met verontreinigde bodem', december 2017.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 27 / 47
4.15 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie 4.15.1 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam Voor de gemeente is voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam het Hoogheemraadschap Delfland het bevoegde gezag, en eventueel de gemeente als hier afspraken over zijn gemaakt. Hiervoor moet contact worden opgenomen met het Hoogheemraadschap Delfland (https://www.hhdelfland.nl) of de gemeente.
4.15.2 Verspreiden onderhoudsbaggerspecie op aangrenzend perceel In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de onderhoudsbaggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst (aangetoond met een waterbodemonderzoek volgens de NEN 5720). Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 4.1. <Ontvangstplicht> Verspreiden over Vrij toepasbaar aangrenzend perceel
Achtergrondwaarden (AW2000)
Niet verspreidbaar over aangrenzend perceel
Maximale Waarden verspreiden over aangrenzende percelen en interventiewaarde droge bodem
Figuur 4.1. Normstelling voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende percelen.
Voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie over aangrenzende percelen gelden de volgende voorwaarden: • Voor onderhoudsspecie waarvan de kwaliteit voldoet aan de Maximale Waarden voor verspreiden van baggerspecie over het aangrenzende perceel en de interventiewaarden droge bodem niet worden overschreden, geldt de ontvangstplicht. • De baggerspecie mag tot aan de perceelgrens worden verspreid. • Er hoeft niet te worden getoetst aan de kwaliteit van de ontvangende bodem. • De verspreiding over aangrenzende percelen hoeft niet te worden gemeld. In bijlage 1 onder het kopje ‘aangrenzend perceel’ is nader ingegaan op de definitie van ‘aangrenzend perceel’ en toekomstige ontwikkelingen binnen het Besluit hierbij. Voor weilanddepots, een vorm van tijdelijke opslag van baggerspecie, gelden aanvullende eisen: • De kwaliteit van de baggerspecie moet voldoen aan de Maximale waarden voor verspreiding over aangrenzende percelen. • De tijdelijke opslag mag maximaal drie jaar duren. • De tijdelijke opslag met de voorziene duur en eindbestemming wordt vijf dagen van tevoren gemeld. • De tijdelijk opgeslagen baggerspecie moet vanaf het weilanddepot in een nuttige toepassing worden gebracht, waarbij verspreiding van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is uitgezonderd als nuttige toepassing.
Verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op het aangrenzend perceel in het buitengebied en tijdelijke opslag in weilanddepot
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 28 / 47
Voor het verspreiden van PFAS-houdende baggerspecie uit watergangen op aangrenzende percelen of in een weilanddepot (artikel 35 sub f van het Besluit bodemkwaliteit) gelden de landelijke normen. Omdat de baggerspecie in een watergang daarin door afspoeling van grond van de aangrenzende terreinen is terechtgekomen, zal de baggerspecie over het algemeen dezelfde kwaliteit hebben als de landbodem waarop de baggerspecie wordt toegepast. Daarom is het bij al uitgevoerde onderzoeken niet altijd nodig om de kwaliteit van de baggerspecie te bepalen als er uit het vooronderzoek geen aanwijzingen zijn op puntbronnen. Wel wordt in het tijdelijk handelingskader aangeraden om bij nieuw uit te voeren waterbodemonderzoek een aantal representatieve metingen te doen om te controleren of er geen sprake is van onverwacht hoge waarden van PFAS in de baggerspecie. Dit kan duiden op een voor de watergang niet-representatieve verontreiniging als gevolg van een puntbron. Door het toepassen van baggerspecie waarin uitschieters van PFAS zijn aangetroffen, zal de bestaande bodemkwaliteit verslechteren. Deze lokaal sterker verontreinigde baggerspecie mag daarom niet worden toegepast.
Voor onderzoeken naar de kwaliteit van baggerspecie die na 8 juli 2019 (de datum waarop het tijdelijk handelingskader van kracht werd) zijn uitgevoerd, is het wenselijk om een representatief aantal waterbodemmonsters ook op PFAS te analyseren. Dit is niet nodig als de waterbeheerder, in afstemming met de gemeente, heeft aangetoond dat de PFAS-gehalten in de baggerspecie in zijn bodembeheergebied ruimschoots aan de toepassingswaarden voldoen.
4.16 Nieuwe onderkende verontreinigingsbronnen Door de jaren heen worden er nieuwe verontreinigingsbronnen en bijbehorende stoffen “ontdekt”. Bijvoorbeeld medicijnresiduen die na menselijke of dierlijke inname (via lozingen) in grond en grondwater terecht kunnen komen, nieuwe bestrijdingsmiddelen die minder afbreekbaar zijn dan werd verwacht, et cetera. De beleidsontwikkelingen hierover worden gevolgd en zo nodig leiden die tot bijstelling of aanvulling van het in deze nota bodembeheer geformuleerde grondstromenbeleid.
4.17 Voorkomen verspreiding invasieve exoten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde invasieve exoten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. Deze uitheemse planten brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen wil de gemeente de verspreiding van deze invasieve exoten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeente stelt dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voor komen van invasieve exoten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen 56 opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties.
Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/.
56
Landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen, Aequator Groen & Ruimte, Stichting Probos & Geofoxx milieuexpertise, 14 oktober 2019.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 29 / 47
Als een invasieve exoot (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de betreffende gemeente. Als een invasieve exoot (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieve-exoten/.
4.18 Totaaloverzicht gebiedsspecifiek beleid gemeente PijnackerNootdorp In tabel 4.3 is een totaaloverzicht gegeven van de bodemkwaliteitszones, bodemfunctieklassen, ontgravingsklassen, toepassingsklassen conform het gebiedsspecifiek beleid van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Tabel 4.3: Totaaloverzicht toepassingseisen conform het gebiedsspecifiek beleid van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Bodemkwaliteitszone
Bodemfunctieklasse
Ontgravingsklasse
Toepassingseis (gebiedsspecifiek beleid) @
Bovengrond : bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte # Industrie Industrie 1) B1. Historische bebouwing en Wonen Industrie Wonen kassen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Industrie Wonen B2. Bebouwing na 1945 Wonen Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen B3. Kassen 1945-1970 en wonen na Wonen Wonen $ 1990 * Landbouw/natuur Landbouw/natuur Industrie Wonen B4. Buitengebied incl. recreatie en Wonen Landbouw/natuur kassen na 1970 Landbouw/natuur Landbouw/natuur Onverharde wegbermen Industrie Onbekend Industrie Onverharde wegbermen Wonen Onbekend Wonen Plangebied Oude Polder Divers Landbouw/natuur Wonen Onverharde kinderspeelplaatsen en Landbouw/natuur / Divers Divers moes-/volkstuin(complex)en LMW 2) Ondergrond: bodemlaag vanaf 0,5 meter diepte tot en meet 2,0 meter diepte ## Industrie Wonen T1/O1. Historische bebouwing en Wonen Wonen kassen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Industrie Wonen T2/O2. Bebouwing na 1945 Wonen Landbouw/natuur Landbouw/natuur Landbouw/natuur Wonen Wonen T3/O3. Kassen 1945-1970 en Landbouw/natuur wonen na 1990 * Landbouw/natuur Landbouw/natuur Industrie Wonen T4/O4. Buitengebied incl.
recreatie Wonen Landbouw/natuur en kassen na 1970 Landbouw/natuur Landbouw/natuur # De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen liggen deze boven de bepalingsgrens. Dit leidt niet tot beperkingen bij het toepassingen van grond. ## De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen liggen deze boven de bepalingsgrens. Dit leidt niet tot beperkingen bij het toepassingen van grond.. De ondergrond (1,0-2,0 m-mv) heeft naar verwachtring een vergelijkbare of betere kwaliteit als de bodemlaag 0,5-1,0 m-mv. @ De gehalten aan PFAS-verbindingen moeten voldoen aan de toepassingswaarden uit het tijdelijk handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. $ deze bodemkwaliteitszone is verdacht op (diffuus) verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen.
*
In deze zone is een deelgebied niet gezoneerd
1) Ter plaatse van bedrijfswoningen mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. 2) De kwaliteit van de toe te passen grond moet worden aangetoond door een partijkeuring. Óók gelden er aanvullende toepassingseisen voor lood ((zie § 4.2.6)
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 30 / 47
4.19 Mogelijkheden vrij grondverzet Op basis van het Besluit en de Regeling en de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (§ 4.2) is bepaald tussen welke zones al dan niet vrij grondverzet57 mogelijk is. Bijlage 4 geeft de mogelijkheden van grond- en baggerverzet binnen en tussen zones weer (grondstromenmatrix). Hierbij dient te worden opgemerkt dat deze matrix alleen geldt voor grondverzet tussen locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart.
57
Van vrij grondverzet is sprake als voorafgaand aan het grondverzet de kwaliteit van de grond niet hoeft te worden vastgesteld.
Nota bodembeheer gemeente Pijnacker-Nootdorp 20 juli 2021 Herzien definitief Pagina: 31 / 47
5.
Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel
De bodemkwaliteitskaart mag alleen worden gebruikt als grondverzet plaatsvindt op locaties die onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitskaart (volgend uit de aangeleverde historische gegevens; zie bijlage 5 van deze nota). Dit geldt zowel voor de ontgravings- als de toepassingslocatie. Hiermee wordt voorkomen dat sterk verontreinigde grond wordt afgegraven en elders (ongewenst) wordt toegepast en/of dat een eventuele sterke grondverontreiniging illegaal wordt afgedekt. Een tweede basisprincipe is dat grond nuttig toegepast moet worden (zie ook § 2.1.1 van bijlage 2). Het is niet toegestaan om zich van grond te ontdoen als deze niet naar een erkend verwerker wordt getransporteerd. Vanaf het moment van ontgraven tot aan het moment van verwerking wordt de grond als afvalstof gezien. Als aan deze basisprincipes is voldaan, werkt de bodemkwaliteitskaart als volgt: • De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse Industrie (rood op de ontgravingskaarten van kaartbijlagen 3) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse Industrie is (respectievelijk rood op de toepassingskaart van kaartbijlagen 5).
• De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse Wonen (oranje/bruin op de ontgravingskaarten van kaartbijlagen 3) mag zonder partijkeuring worden toegepast in gebieden waarvan de toepassingseis de kwaliteitsklasse Wonen of Industrie is (respectievelijk oranje/bruin en rood op de toepassingskaart van kaartbijlagen 5). • De ontgraven grond uit gebieden met een kwaliteit vallend in de ontgravingskwaliteitsklasse Achtergrondwaarde (AW2000, Landbouw/natuur; groen op de ontgravingskaarten van kaartbijlagen 3) mag overal worden toegepast. Als de toe te passen grond is gekeurd volgens de gestelde eisen van het Besluit de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden, is de in de partijkeuring vastgestelde kwaliteit leidend (zie § 4.12.2). Als uit een onderzoek blijkt dat de kwaliteit van de ontvangende bodem beter of slechter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld, waarin de locatie is gelegen, geldt (ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijke gevolgen voor de toepassingseis) de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten (zie § 4.12.2).