Bijlage 1 - SPUK
Tekst van het document
SVVE: Eén loket voor VvE’s Op 23 januari 2023 wordt de SVVE van kracht (dit is de opvolger van de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis (SEEH), zie: www.rvo.nl/seeh). Hierdoor is voor (gemengde) verenigingen voortaan 1 subsidieloket waar zowel subsidie voor isolatie- als voor duurzame warmteopties, als voor een centrale aansluiting op een warmtenet (alleen voor 100% eigenaar-bewoners) kan worden aangevraagd. Ook de subsidie voor een energieadvies, eventuele procesbegeleiding en het eventueel opstellen van een MJOP en een oplaadpuntenadvies valt onder de SVVE. Ook is het mogelijk om nog verder te verduurzamen met een zeer energiezuinig pakket Zie: www.rvo.nl/svve.
De ISDE en SVVE zijn van toepassing op maatregelen die door een bedrijf zijn uitgevoerd. Met deze regeling kunnen gemeenten ook doe-het-zelf maatregelen stimuleren bijvoorbeeld door er subsidie voor beschikbaar te stellen. Om de kwaliteit van die maatregelen te stimuleren en zo gezondheidsproblemen te voorkomen, zijn kluswijzers beschikbaar gesteld via Milieu Centraal. Voor doe-het-zelf maatregelen geldt dat stapeling met de ISDE of de SVVE niet mogelijk is, in die regelingen is dat immers uitgesloten. Nationaal Warmtefonds Het Nationaal Warmtefonds biedt financiering met lange looptijden en een lage rente voor eigenaar-bewoners en VvE’s die hun woning/gebouw willen verduurzamen. Met name voor de eigenaar-bewoners met onvoldoende spaargeld en die op de markt niet terecht kunnen voor financiering tegen aantrekkelijke voorwaarden, is het Nationaal Warmtefonds een belangrijke oplossing. Eigenaar-bewoners zonder leenruimte en eigenaar-bewoners met een laag inkomen krijgen vanaf 1 november 2022 de financiering tegen een rente van 0%. Meerkosten die nodig zijn om de verduurzaming te realiseren kunnen worden meegefinancierd, zoals nieuwe kozijnen bij dubbelglas of het afwerken van muren en plafonds na het aanbrengen van isolatie. Deze mogelijkheid bestond al. Voor investeringen die los staan van het verduurzamen, is voor eigenaar-bewoners de hypotheek een logischer financieringsvorm.
Daarnaast breidt het Nationaal Warmtefonds vanaf november 2022 de financieringsmogelijkheden uit naar kleine VvE’s. Zie: www.warmtefonds.nl.
2.4 Verenigingen De gemeente kan de activiteiten als bedoeld in artikel 2 ook inzetten voor gemengde verenigingen zoals gemengde VvE’s. In een vereniging zal de vergadering van eigenaars veelal moeten besluiten over energiebesparende isolatie- en eventuele energiezuinige ventilatiemaatregelen. De besluitvor-
17
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
ming binnen een vereniging kan meerdere jaren in beslag nemen. Appartementseigenaars kunnen veelal niet zelfstandig de gevel of het dak isoleren. Besluitvorming vindt plaats volgens de regels van afdeling 2, titel 9 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek. Het besluiten over energiebesparende isolatie- en/of energiezuinige ventilatiemaatregelen in een VvE gaat als volgt. Het nemen van energiebesparende isolatie- en/of energiezuinige ventilatiemaatregelen dient als onderwerp op de agenda van de vergadering van eigenaars (ALV) te worden gezet. De vergadering van eigenaars besluit meestal met een meerderheid van 50% plus 1 over de te nemen maatregelen. De wijze van besluitvorming staat verwoord in het splitsingsreglement. Een vergadering van eigenaars dient minimaal jaarlijks plaats te vinden. Om de besluitvorming te bevorderen kunnen tussentijds meerdere vergaderingen worden gehouden om zo de appartementseigenaars tussentijds te kunnen informeren. Het VvE-bestuur is tot een bepaald bedrag gemachtigd om voorafgaand aan de vergadering van eigenaars uitgaven te doen, zoals bijvoorbeeld het aanvragen van een energieadvies. In de vergadering van eigenaars kan vervolgens het besluit worden genomen voor welke energiebesparende isolatie- en eventuele energiezuinige ventilatiemaatregelen een offerte kan worden opgevraagd.
Bij de volgende vergadering van eigenaars wordt besloten welke offerte wordt geaccepteerd. In het kader van het bieden van gerichte ondersteuning kan de gemeente een rol vervullen bij het verzorgen van procesbegeleiding voor gemengde verenigingen, zodat de besluitvorming efficiënter verloopt.
2.5 Hoogte van de uitkering De middelen die aan de gemeente ter beschikking worden gesteld, zijn gebaseerd op een verdeelsleutel, die betrekking heeft op het aantal slecht geïsoleerde woningen in combinatie met inkomens met een risico op energiearmoede.21 Het gaat om huishoudens met een inkomen tot 290% van het sociaal minimum in woningen met een energetische staat vergelijkbaar met label D en slechter en om huishoudens met een inkomen tot 150% van het sociaal minimum in woningen met een energetische staat vergelijkbaar met label C en slechter. Deze criteria en de focus van de voorwaarden in de regeling op slecht geïsoleerde woningen sluiten aan bij de motie Grinwis c.s. die de regering verzoekt de komende jaren de focus te leggen op het isoleren van woningen met label G, F, E en D, te beginnen daar waar de grootste energiearmoede is.22 Door te werken met een verdeelsleutel heeft elke gemeente duidelijkheid over het beschikbare budget per gemeente voor 2023 en voor 2024. Op basis daarvan kunnen gemeenten een meerjarige, programmatische aanpak vormgeven. Gemeenten hebben aangegeven behoefte te hebben aan duidelijkheid en continuïteit in de aanpak. In de twee aanvraagtijdvakken in 2023 kan de gemeente aanspraak maken op maximaal het voor die gemeente gereserveerde budget voor 2023 en 2024.
Wanneer een gemeente voor 2023 en 2024 geen aanvraag doet of minder aanvraagt dan het voor 2023 en 2024 gereserveerde budget, zal worden bezien of de middelen kunnen worden toegevoegd aan het voor de gemeente gereserveerde bedrag in de tweede tranche van de regeling. De verdeelsleutel is erop gericht de beschikbare middelen te verdelen over gemeenten. De indicatoren zijn niet geschikt om binnen de gemeente de specifieke individuele woningen te selecteren waar de aanpak zich op richt. Voor het vormgeven van de aanpak kunnen gemeenten gebruik maken van andere gegevens zoals gegevens van het CBS of van dego.vng.nl.
3. Verantwoording, terugvordering en vaststelling Het college van burgemeester en wethouders besteedt de specifieke uitkering volledig uiterlijk op 31 december 2026. Indien de volledige besteding van de specifieke uitkering voor die datum niet mogelijk is, kan de minister die termijn op gemotiveerd verzoek van het college eenmaal met ten hoogste een jaar verlengen. Deze termijn kan daarna nog eenmaal worden verlengd. Een dergelijke situatie zou zich bijvoorbeeld voor kunnen doen wanneer gemeenten te maken hebben met verduurzaming van gemengde verenigingen. Besluitvorming binnen vereniging van eigenaren kent immers een langere doorlooptijd dan besluitvorming door individuele woningeigenaren. Aan de andere kant is het overigens juist vanwege de lange doorlooptijd bij VvE’s wenselijk een snelle start te maken bij het benaderen van VvE’s, zodat uitstel beperkt kan worden. De gemeente verantwoordt zich via het systeem van single information, single audit (SiSa), zoals bepaald in de ministeriële regeling informatieverstrekking SiSa. Bij niet tijdig indienen van de verantwoordingsinformatie, kan het maatregelenbeleid van het Ministerie van BZK in werking treden.
21 22
18
De aantallen zijn berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en gepubliceerd op de website van het CBS. Kamerstukken II 2021/22, 32 813 nr. 924.
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
De specifieke uitkering kan worden teruggevorderd indien niet is voldaan aan de verantwoordingsplicht. Daarnaast kan de specifieke uitkering worden teruggevorderd indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de specifieke uitkering niet, niet volledig of onrechtmatig is besteed. Uitgangspunt van de regeling is dat 100% van het aantal woningen uit de aanvraag geïsoleerd wordt. Dit betekent uiteraard dat de gemeente veel meer woningen in hun isolatieprogramma zal moeten betrekken omdat niet iedereen mee zal doen. Indien een gemeente de aangevraagde aantallen niet haalt, wordt het verleende bedrag naar rato van het gemiste aantal woningen teruggevorderd. Daarbij wordt de volgende methodiek gehanteerd. Bij gemeenten die bijvoorbeeld slechts 20% van de woningen zouden hebben gedaan, wordt 80% teruggevorderd over het aantal gemiste woningen. Bij gemeenten die bijvoorbeeld 80% van het aangevraagde aantal hebben bereikt wordt 20% teruggevorderd over het gemiste aantal woningen. Hiermee is een balans beoogd tussen de prikkel om zoveel mogelijk woningen te isoleren aan de ene kant en de opgave waar de gemeente voor staat aan de andere kant. Om het volledige aantal woningen uit de aanvraag te isoleren zal een grote inspanning nodig zijn. Enige marge in het bedrag dat wordt teruggevorderd is dan op zijn plaats.
Deze methodiek houdt dan ook rekening met de door de gemeente geleverde inspanning. Ter illustratie een voorbeeld. Stel de gemeente heeft € 292.000,– voor de isolatie van 200 woningen ontvangen (200 x € 1.460,–). Na drie jaar zijn 145 woningen geïsoleerd. Een tekort van 55 woningen (28%). De gemeente wordt dan gevraagd 55 x € 1.460,– x 28% = € 22.082,50,– terug te storten. Heeft de gemeente slechts 40 woningen geïsoleerd dan is er een tekort van 160 woningen (80%). De gemeente wordt dan gevraagd 160 x € 1.460,– x 80% = € 186.880,– terug te storten. Op basis van de SiSa verantwoording achteraf kan worden beoordeeld of aan de verplichtingen van artikel 6 wordt voldaan en of de middelen rechtmatig besteed zijn. De gemeente kan de minister verzoeken om langer de tijd te krijgen om wel aan de verplichtingen te kunnen voldoen, als het de gemeente niet lukt om de activiteiten waar de specifiek uitkering voor is verstrekt op de uiterlijke gestelde termijn af te ronden (31 december 2026). Zoals eerder aangegeven kan de gemeente maximaal 2 keer om uitstel van een jaar vragen. Daarnaast geldt dat tenminste 80% van de geïsoleerde woningen een WOZ-waarde moet hebben onder het gemiddelde van de gemeente voor koopwoningen of maximale WOZ-grens die voor de Nationale Hypotheekgarantie (NHG) wordt gehanteerd (€ 429.300,–).
Wanneer deze grens wordt overschreden dan wordt het bedrag ad € 1.460,– per woning teruggevorderd voor het aantal boven de 20%. Stel de gemeente heeft middelen voor 100 woningen ontvangen. Ook 100 woningen met een slecht label zijn verduurzaamd, maar daarvan hebben 30 woningen een WOZ-waarde boven het gemeentelijk gemiddelde of de NHG grens. De grens is dan met 10 woningen overschreden. Dat leidt tot een verzoek om terugvordering van 10 x € 1.460,– = € 14.600,–. Tot slot geldt dat per woning maximaal € 4.000,– mag worden uitgegeven, behalve voor eigenaarbewoners die in aanmerking komen voor een energietoeslag, schuldhulpverlening, schuldsaneringsregeling of die in een schuldsanering zitten. Voor hen geldt geen maximum te besteden bedrag. Wanneer de grens van € 4.000,– wordt overschreden in gevallen die niet onder genoemde uitzonderingsbepaling vallen, wordt het te veel uitgegeven bedrag per woning teruggevorderd. Ter illustratie een voorbeeld waarin een gemeente niet het aangevraagde aantal woningen haalt, er teveel woningen boven de WOZ- of NHG-grens vallen en er onterecht meer dan € 4.000,– aan een aantal woningen is uitgegeven.
Als een gemeente voor 200 woningen middelen heeft ontvangen, maar na 3 jaar 160 woningen heeft verduurzaamd en 35 woningen daarvan niet onder de gemiddelde WOZ-grens of NHG-grens zitten en bij 3 woningen onterecht € 5.000,– is uitgegeven in plaats van € 4.000,–, (dus per woning € 1.000,– te veel), dan wordt teruggevorderd: – Door meer dan 20% woningen boven WOZ- of NHG-grens: 20% * 160 woningen = 32 woningen mogen boven de gemiddelde WOZ- of NHG-grens zitten in plaats van 35. Er moet dus voor 3 woningen aan middelen worden teruggevorderd; 3 x € 1.460,– = € 4.380,–. – Door het tekort aan behaalde woningen: met de overgebleven woningen (160 – 3), namelijk 157 woningen, is er een tekort van 43 behaalde woningen t.o.v. het aangevraagde aantal woningen (200 – 157). Dit is 21,5% van de 200 aangevraagde woningen. Voor de 43 niet gehaalde woningen wordt dan 43 x € 1.460,– x 21,5% = € 13.497,70 teruggevorderd. Het tekort van 43 woningen leidt dus niet tot terugvordering van de volledige bijdrage van 1460,– per woning, maar tot 21,5% daarvan. – Door overschrijden grens € 4.000,–: € 1.000,– x 3 = € 3.000,– In totaal wordt in deze situatie € 4.380,– + € 13.497,70 + € 3.000,– = € 20.877,70 teruggevorderd.
De specifieke uitkering wordt vastgesteld in het jaar van de laatste Sisa-verantwoording over de betreffende middelen, dat wil zeggen als de middelen van de specifieke uitkering volledig zijn besteed of de termijn, waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt, is verstreken. Het college informeert de minister jaarlijks over de onderstaande indicatoren. 1) Het aantal slecht geïsoleerde woningen als bedoeld in artikel 1 van de regeling waarin energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen zijn genomen (ten behoeve van controle op de verplichting uit artikel 6, eerste lid, onderdeel a);
19
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
2) Het aantal slecht geïsoleerde woningen als bedoeld in artikel 1 van de regeling waarin energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen zijn genomen (ten behoeve van controle op de verplichting uit artikel 6, eerste lid, onderdeel b) met een WOZ-waarde boven het gemeentelijk gemiddelde (peildatum 2022) of een WOZ-waarde van € 429.300; 3) Het aantal woningen waarbij een hogere bijdrage dan € 4.000 is toegekend, het aantal woningen dat daarvan niet voldoet aan de betreffende uitzonderingsgevallen zoals bepaald in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, en het totaalbedrag van de overschrijding boven de € 4.000 van die laatstbedoelde woningen; 4) Bedrag dat vanuit de specifieke uitkering besteed is aan gerichte ondersteuning en/of het bedrag waarvoor derden met de benodigde expertise zijn ingeschakeld als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel a, van de regeling; 5) Besteding van middelen ten behoeve van uitvoering als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b; 6) Bedrag dat vanuit de specifieke uitkering besteed is aan die energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen).
Monitoring Om zicht te hebben op de voortgang en het effect van de isolatiemaatregel op de CO2-reductie in de gebouwde omgeving is het wenselijk inzicht te hebben in het aantal specifieke maatregelen die worden getroffen. Daartoe wordt een digitaal monitoringsformulier ontwikkeld dat beschikbaar gesteld wordt via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland waarmee gemeenten de voortgang en het aantal getroffen maatregelen tweemaal per jaar moeten doorgeven. Het gaat dan onder meer om de informatie over: 1) Het aantal slecht geïsoleerde woningen als bedoeld in artikel 1 van de regeling waarin energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen zijn genomen; 2) Voor hoeveel van de onder 1 genoemde woningen via de ondersteuning als bedoeld onder artikel 2, derde lid, onderdeel a, ISDE of SVVE is aangevraagd; 3) Het aantal eigenaar-bewoners en gemengde verenigingen waaraan gerichte ondersteuning is geboden en/of het aantal eigenaar-bewoners en gemengde verenigingen waarvoor derden met de benodigde expertise zijn ingeschakeld als bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel a; 4) Het aantal woningen waar en welke energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen via doe-het-zelf maatregelen is gerealiseerd; 5) Het adres en de
WOZ-waarde van de woning waar de energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen zijn genomen; 6) De getroffen maatregelen per woning in de bestaande thermische schil onderverdeeld naar: a) dakisolatie (danwel zolder- of vlieringisolatie); b) vloerisolatie dan wel bodemisolatie; c) spouwmuurisolatie; d) gevelisolatie; e) HR++-glas-/tripleglas, geïsoleerd kozijnpaneel- of een geïsoleerde deur; f) aangebrachte CO2-gestuurde ventilatie of balansventilatie met warmteterugwinning (WTW)
4. BTW De maatregelen ten behoeve van de uitvoering van de programma’s waarvoor de uitkering kan worden verstrekt kunnen maatregelen zijn waarover de gemeente BTW verschuldigd is. Gemeenten wordt gevraagd daar in de aanvraag rekening mee te houden en het aan BTW verschuldigde bedrag in de aanvraag op te geven. Bij de toekenning van een specifieke uitkering zal de bijdrage exclusief BTW worden toegekend aan de gemeente, en de BTW-component worden gestort in het BTWCompensatiefonds van het Ministerie van Financiën. Gemeenten kunnen op grond van de relevante wet- en regelgeving een beroep doen op teruggave van de betaalde BTW-componenten. Het is denkbaar dat een gemeente in het kader van de betreffende programma’s maatregelen verricht waarbij de kosten aftrekbaar zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor deze kosten. Het geldende uitgangspunt is: kosten die op een andere wijze gecompenseerd kunnen worden, worden niet uit de specifieke uitkering betaald.
5. Europeesrechtelijke aspecten Omdat de specifieke uitkering onder meer besteed kan worden aan het verstrekken van opdrachten aan door derden verleende diensten of via een subsidieverlening aan verhuurders (namelijk verhuur-
20
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
ders binnen gemengde verenigingen), is het van belang dat de gemeenten bij de besteding – Europese – regels inzake aanbestedingen en staatssteun in acht nemen. Staatssteun Ten aanzien van staatssteun is met name van belang de vraag of er sprake is van bevoordeling van een onderneming in Europeesrechtelijke zin (als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)), welke door de subsidie bepaalde kosten, die ze normaal zelf moeten betalen, niet hoeven te dragen. Een eigenaar-bewoner is geen onderneming, dus dan is er geen sprake van staatssteun. Dat is wel het geval bij een verhuurder. Als een gemeente dus met behulp van deze specifieke uitkering een subsidieverordening openstelt die door een gemengde VvE kan worden aangevraagd (waarin naast koopwoningen waarin eigenaar-bewoners wonen ook verhuurwoningen zijn), zal de gemeente met betrekking tot die aanvrager de staatssteunregels moeten toepassen. Het is mogelijk voor gemeenten om voor kleine bedragen gebruik te maken van de de-minimisverordening (Verordening (EU) Nr. 1407/2013) van de Europese Commissie (hierna: de EC). Daarbij kan aan ondernemingen over een periode van drie belastingjaren tot € 200.000 steun worden verstrekt die geacht wordt niet te kwalificeren als staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, VWEU.
Steun die voldoet aan de voorwaarden uit de de-minimisverordening hoeft dan ook niet gemeld te worden bij de EC. Het de-minimisplafond geldt per onderneming. Voor de berekening ervan moet alle de-minimisssteun die een onderneming van overheden heeft ontvangen bij elkaar worden opgeteld, ongeacht het doel waarvoor de-minimissteun is verstrekt. De ruimte van een onderneming om de-minimissteun te genieten moet op voortschrijdende grondslag worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat als een overheid de-minimissteun aan een onderneming wil verstrekken, er moet worden gekeken hoeveel de-minimissteun er in dat belastingjaar en in de twee voorgaande belastingjaren al aan de desbetreffende onderneming is verstrekt. Daarom is het belangrijk dat een bestuursorgaan, bij het verstrekken van de-minimissteun dat ook vermeldt aan de begunstigde. Als het plafond is bereikt, mag in het betreffende jaar geen de-minimissteun meer worden verleend. Middelen die een gemeente ontvangt op grond van de onderhavige regeling kunnen gestapeld worden met middelen die een gemengde VvE ontvangt op grond van de SVVE.
Dat wil zeggen dat een gemeente ervoor kan kiezen om een subsidieverordening open te stellen op grond waarvan een gemengde VvE naast de vergoeding die de VvE krijgt op grond van de SVVE ook nog een deel van de kosten van de isolatiemaatregel vergoedt met behulp van middelen die de gemeente ontvangen heeft op grond van deze regeling. Met oog op de staatssteunregels zullen de verhuurder en de gemeente dan echter goed moeten opletten: als bijvoorbeeld de de-minimisverklaring wordt gebruikt dan zal zowel het bedrag dat de verhuurder ontvangt op grond van de SVVE als het bedrag dat de verhuurder ontvangt vanuit de middelen die verstrekt zijn op grond van deze regeling bij elkaar opgeteld moeten worden en meetellen binnen het toegestane plafond van de € 200.000 in een periode van drie opeenvolgende belastingjaren. Naast de de-minimisverordening kan de gemeente wellicht ook de Algemene groepsvrijstellingsverordening (hierna: AGVV) toepassen, zoals bijvoorbeeld artikel 38 AGVV (en na een aanstaande wijziging wordt dit artikel 38bis AGVV) met betrekking tot de investeringssteun ten behoeve van energieefficiëntie maatregelen. Hierbij gelden voorwaarden waaronder maximumpercentages van de kosten van de activiteiten die vergoed mogen worden.
Als de te verstrekken subsidie aan een verhuurder niet voldoet aan de voorwaarden in het kader van de AGVV of de de-minimisverordening, dan kan de gemeente geen subsidie toekennen aan deze verhuurder. Met concrete vragen over staatssteun kan een gemeente contact opnemen met Kenniscentrum Europa Decentraal.
6. Relatie met andere wet- en regelgeving 6.1 Algemene wet bestuursrecht Een beschikking tot het verstrekken van een specifieke uitkering is een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Indien het college van B&W het niet eens is met de beschikking van de minister, dan kan het college daartegen in bezwaar gaan en vervolgens beroep bij de bestuursrechter instellen op grond van de Awb. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat volgens
21
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
deze regeling alleen gemeenten in aanmerking komen voor het ontvangen van een specifieke uitkering voor hun bijdrage aan een isolatieprogramma. Dat betekent dat derden, zoals de bij het isolatieprogramma betrokken andere partijen, geen rechtstreeks belang hebben bij de beschikking van de minister en dat zij om die reden niet als belanghebbenden tegen die beschikking in bezwaar of beroep kunnen gaan.
6.2 Financiële-verhoudingswet De financiële verhoudingen tussen het Rijk en de gemeenten zijn geregeld in de Financiëleverhoudingswet. De bepalingen over specifieke uitkeringen uit de Financiële-verhoudingswet zijn op deze regeling van toepassing. Daarom is in deze ministeriële regeling toepassing gegeven aan artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet met betrekking tot de wijze van verantwoording door de gemeente van de besteding van de specifieke uitkering en de eventuele terugvordering als deze onrechtmatig zou worden besteed. Dit is gedaan in lijn met het uitgangspunt bij specifieke uitkeringen om de wijze van verantwoording en terugvordering in de regeling van de specifieke uitkering op te nemen.
6.3 Grondslag van deze regeling Zoals ook aan het slot van de inleiding van deze toelichting is aangegeven: in het onderhavige geval is gebruik gemaakt van artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet. Dat biedt in samenhang met artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht, de mogelijkheid om, vooruitlopend op de totstandkoming van een wettelijke grondslag, een ministeriële regeling vast te stellen. Dit kan alleen mits binnen een jaar na vaststelling van de regeling de wettelijke grondslag daarvoor (in dit geval een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 81, tweede lid, van de Woningwet) is gerealiseerd. Het opstellen van deze algemene maatregel van bestuur is een separaat en al lopend regelgevingstraject.
6.4 Andere regelingen De lokale aanpak binnen het Nationaal Isolatieprogramma heeft zoals vaker in deze toelichting opgemerkt inhoudelijke relaties met de ISDE en de SVVE, omdat die regelingen ook zien op verduurzaming van de bestaande gebouwvoorraad. Deze regeling is aanvullend aan de reeds bestaande ISDE en de SVVE. Het ligt voor de hand dat gemeenten eigenaar-bewoners en gemengde verenigingen wijzen op en ondersteunen bij het aanvragen van ISDE en SVVE. Wanneer er huurwoningen in een complex zitten kan er, naast de SVVE, ook samenloop zijn met de Subsidie Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH). Dit is ook relevant in verband met staatssteun (zie hoofdstuk 5). Op grond van de Wet natuurbescherming dient bij na-isolatie werkzaamheden goed rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van beschermde soorten die in woningen en gebouwen nestelen en verblijven (veelal de huismus, gierzwaluw en diverse vleermuizensoorten). Het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) hebben daar bij de consultatie van de regeling nadrukkelijk aandacht voor gevraagd. Isolatie moet plaatsvinden conform de vereisten van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb).23 Provincies ontvangen middelen voor versnelling van natuurvriendelijk isoleren via bijvoorbeeld soortenmanagementplannen.
Het Rijk is hierover in overleg met onder andere de VNG, IPO, corporaties en isolatiebedrijven. Parallel hieraan wordt gewerkt aan een meeromvattende aanpak voor de komende jaren gericht op soortenmanagementplannen voor alle gemeenten. Het Rijk zal hierover in overleg treden met de VNG en IPO.
7. Administratieve lasten voor burgers en bedrijven en gemeenten Er is geen sprake van administratieve lasten voor burgers of bedrijven. De begunstigden van de uitkering zijn gemeenten, verantwoording met de bijbehorende administratieve lasten vindt door hen plaats. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen (omvangrijke) gevolgen voor de regeldruk heeft. Voor de aanvraag door gemeenten wordt gebruik gemaakt van een door RVO beschikbaar gesteld digitaal aanvraagformulier. Voor de halfjaarlijkse monitor wordt een digitaal monitoringsformulier ontwikkeld dat beschikbaar gesteld wordt via de website van de RVO waarmee gemeenten de voortgang en het aantal getroffen maatregelen tweemaal per jaar moeten doorgeven. Daarnaast dient de gemeente jaarlijks te verantwoorden in het kader van de SiSa-verantwoording (zie hoofdstuk 3 van
23
22
Zie voor meer informatie: Nationaal Isolatieprogramma | Home | Volkshuisvesting Nederland onder ‘natuurinclusief isoleren’.
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
deze toelichting voor een uitgebreidere toelichting hierover), zoals gebruikelijk bij specifieke uitkeringen. Het is toegestaan voor de gemeenten die een specifieke uitkering ontvangen om middelen van de specifieke uitkering te besteden aan uitvoeringskosten, dus de ambtelijke inzet of de inhuur van externe capaciteit ten behoeve van de uitvoering van het isolatieprogramma.
8. Financiële gevolgen rijksoverheid Voor de lokale aanpak in het Nationaal Isolatieprogramma is door het kabinet Rutte III24 en Rutte IV25 in totaal € 1.152.650.000 beschikbaar gesteld. Onderdeel daarvan is 5% uitvoeringskosten op nationaal niveau. Het voor de lokale aanpak beschikbare budget wordt verdeeld over de opgave: 750.000 koopwoningen. Per woning is derhalve gemiddeld Є 1.460 beschikbaar. Voor 2023 en 2024 is via deze specifieke regeling € 206.625.000 beschikbaar (daarvan kan in 2023 € 131.575.000 worden uitgekeerd en in 2024 € 75.050.000)26. Gerelateerd aan de doelstellingen van het Nationaal Isolatieprogramma zijn daar grosso modo 142.000 woningen mee gemoeid. Vanaf 2024 worden, afhankelijk van budgettaire besluitvorming, de middelen beschikbaar gesteld die zijn gereserveerd door Rutte IV. Deze zullen beschikbaar worden gesteld via de tweede (2024) en derde tranche (2025).
9. Consultatie Deze regeling is voor openbare consultatie gepubliceerd op www.internetconsultatie.nl en de consultatietermijn liep van 18 oktober 2022 tot en met 15 november 2022. Verschillende partijen hebben bij de internetconsultatie gereageerd op het ontwerp van de regeling27. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) en het Interprovinciaal Overleg (hierna: IPO) hebben in het kader van de code interbestuurlijke verhoudingen gereageerd op het ontwerp. De kern van de meeste reacties is overwegend positief maar partijen hebben op onderdelen zorgen geuit en suggesties voor aanpassing gedaan. Dit betrof onder meer de vraag om meer beleidsvrijheid voor gemeenten bij de invulling, het ontbreken van meerjarige zekerheid, de verantwoording en de langere doorlooptijden bij Verenigingen van Eigenaren (VvE’s). Onderstaand wordt op de belangrijkste punten ingegaan. Meer middelen voor isolatie (VNG) De VNG heeft in het kader van de code interbestuurlijke verhoudingen een reactie gegeven op de concept regeling. De VNG roept op om op korte termijn meer middelen beschikbaar te stellen om kwetsbare woningeigenaren te helpen. De VNG vraagt daarnaast om duidelijkheid te geven over middelen na 2024, zodat gemeenten een langjarig programma kunnen opzetten. Gemeenten hebben in 2022 € 368,5 mln. voor de aanpak van energiearmoede ontvangen.
Deze middelen kunnen worden ingezet om kwetsbare woningeigenaren te helpen, zowel met kleinere als met grotere maatregelen. De bestedingstermijn van deze middelen loopt tot eind 2024. Met Prinsjesdag 2022 zijn er daarnaast extra middelen (€ 300 mln.) vrijgemaakt voor isolatie. Deze middelen zijn deels ingezet om de lokale aanpak te intensiveren. Naast deze twee aanvullingen op de middelen voor het Nationaal Isolatieprogramma in het coalitieakkoord, zijn er op dit moment geen extra middelen beschikbaar. In het voorjaar van 2023 zal besluitvorming plaatsvinden over de besteding van middelen uit het Klimaatfonds. De inzet van middelen voor isolatie voor de jaren 2024 en verder loopt daarin mee. Dit zal dan onderdeel uitmaken van een tweede tranche van de regeling. Om gehoor te geven aan de oproep om juist op korte termijn meer te investeren in isolatie, worden waar mogelijk middelen ten opzichte van het coalitieakkoord naar voren gehaald. Natuurinclusieve aanpak De VNG benadrukt dat isolatie moet plaatsvinden binnen de kaders van Europese en nationale
24
Kamerstukken II 2021/22, 30 196 nr. 770 Kamerstukken II 2021/22, 30 196 nr. 791 In 2022 is een deel van het beschikbare budget (€ 68.500.000) voor de lokale aanpak reeds beschikbaar gesteld aan gemeenten via een SPUK (Kamerstukken II 2021/22, 30 196 nr. 790.). Dit budget is 6% van het totale budget voor de lokale aanpak. Voor 2023 en 2024 is in totaal € 217.500.000 beschikbaar voor de lokale aanpak; € 38.500.000 voor 2023 en € 41.500.000 voor 2024 uit de middelen die door Rutte III beschikbaar zijn gesteld; € 62.500.000 voor 2023 uit de middelen die door Rutte IV beschikbaar zijn gesteld en die via een kasschuif van 2027 naar 2023 zijn geschoven; en € 37.500.000 in zowel 2023 en 2024 uit de middelen die in de Miljoenennota 2023 (Kamerstukken II 2022/23 36 200 VII nr. 2) beschikbaar zijn gesteld. Dit budget is 19% van het totale budget voor de lokale aanpak. Na aftrek van de uitvoeringskosten op nationaal niveau resteert € 206.625.000. In lijn daarmee is voorzien dat gemeenten voor 19% van de opgave aanvragen indienen. Dit komt grosso modo overeen met 142.000 woningen.
27 Het gaat om de gemeenten binnen de RES regio Rotterdam Den Haag, Regionaal Energieloket, Verbouwstromen, de gemeenten Edam-Volendam, Waterland, Beek en Wassenaar, Regio Drechtsteden, De Nederlandse Vereniging van Duurzame Energie (NVDE), Vereniging Eigen Huis, Proeftuin aardgasvrij Nieuwborgen, Essent, Winst uit je Woning, Binnenklimaat Nederland, Haagse Hogeschool en enkele anonieme reacties. 25 26
23
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
natuurwetgeving, en daarmee volgens de Vogel- en Habitatrichtlijnen die geïmplementeerd zijn in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). De VNG ziet het als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheden om een oplossing te vinden voor een grootschalige isolatieaanpak van de bestaande bouw, die zo weinig mogelijk schade toebrengt aan de biodiversiteit. VNG pleit er daarom voor samen met IPO, op zeer korte termijn met het Rijk om tafel te zitten om te voorkomen dat gemeenten en provincies in de positie komen waarin het voor hen niet mogelijk is zich aan de wet te houden. De VNG pleit er daarbij voor gemeenten te faciliteren bij het maken van soortenmanagementplannen (hierna: SMP’s). Met deze SMP’s kan de gemeente een gebiedsontheffing vragen bij de provincie voor grootschalige isolatiewerkzaamheden. Vanwege de doorlooptijd van SMP’s vraagt de VNG ook met een tussenoplossing te komen zodat gemeenten kunnen voldoen aan de Wnb. Tot die tijd zal de VNG gemeenten adviseren alleen in te zetten op ontzorging van gebouwdelen die geen risico’s leveren voor eventueel beschermde diersoorten. Het gaat dan om vloerisolatie, dakisolatie (binnenzijde) en vernieuwen van oud glas (mits de kozijnen niet vervangen worden). Spouwmuurisolatie valt daar niet onder. Het IPO is van mening dat de relatie tussen het NIP en de Wet natuurbescherming in de regeling te beperkt is beschreven.
Vanwege de urgentie en schaalgrootte van de isolatie-opgave zien zij een zeer urgent en zeer groot risico voor beschermde soorten zoals vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen. De boodschap bij de uitkering van de NIP middelen zou volgens het IPO moeten zijn, dat de verduurzaming conform de vereisten van de Wnb moet plaatsvinden. Een gemeentelijk SMP wordt daarbij gezien als belangrijk middel voor versnelling van de verduurzamingsopgave vanwege de gebiedsgerichte aanpak. Het IPO stelt voor de middelen die voor de periode 2024–2030 in totaal beschikbaar zijn voor de uitvoering van de verduurzamingsopgave met inachtneming van de Wnb (€ 33,5 miljoen) al in 2023 beschikbaar te stellen. Bij voorkeur gelijktijdig met de NIP-middelen. Met het naar voren halen van de middelen, wordt de periode waarin er geen werkbare oplossing is, verkleind. Als bevoegd gezag werken verschillende provincies samen in het zoeken naar oplossingen, zoals de Utrechtse pre-SMP methodiek met natuurvriendelijk isoleren, waarbij ook de isolatiebranche nauw betrokken is. De noodzaak tot versnelling van natuurinclusief isoleren wordt onderschreven. Het Rijk is hierover in overleg met onder andere de VNG en IPO. Voor iedereen toegankelijke soortenmanagementplannen zijn tijdens deze overleggen genoemd als een belangrijk instrument op soortenbescherming en na-isolatieopgave in goede samenhang te realiseren.
In december 2022 hebben provincies € 6,9 miljoen ontvangen via een decentralisatie uitkering om een start te maken met de versnelling van natuurinclusief isoleren, via bijvoorbeeld SMP’s.28 Parallel hieraan wordt gewerkt aan een meeromvattende aanpak voor de komende jaren gericht op soortenmanagementplannen voor alle gemeenten. Het Rijk zal hierover binnenkort in overleg treden met de VNG en IPO. Asbest De VNG signaleert dat de Europese Commissie in een recente mededeling (september 2022) de asbestopgave gekoppeld heeft aan de energietransitie. De VNG geeft aan dat naar verwachting in meer dan de helft van alle woningen die voor 1994 zijn gebouwd een vorm van asbest aanwezig is. De VNG geeft aan te verwachten dat de Europese Commissie in 2023 wetgeving zal voorstellen over de screening en (digitale) registratie van asbest in gebouwen. De VNG voorziet dat de isolatieopgave hiermee nog ingewikkelder en duurder wordt en gaat graag met het Rijk in gesprek over de gevolgen hiervan voor de isolatieopgave. De Commissie zal in het tweede kwartaal van 2023 een wetgevend voorstel publiceren over het screenen en registreren van asbest in gebouwen. Het kabinet kijkt uit naar de nadere uitwerking hiervan. Het rijk zal over de voorstellen van de Commissie met de VNG in gesprek gaan.
Vereenvoudiging van aanvragen voor kleine gemeenten De VNG pleit ervoor de om de aanvraagprocedure voor met name kleine gemeenten te vereenvoudigen door gemeenten in 2023 ook al de mogelijkheid te bieden de bijdrage voor 2024 aan te vragen. Daarnaast vraagt de VNG meer flexibiliteit voor de inzet van de 10% proceskosten. Het IPO heeft een vergelijkbare suggestie. Ook pleit de VNG ervoor om het budget naar latere jaren door te schuiven wanneer (kleinere) gemeenten pas later op grotere schaal een start kunnen maken. Op deze punten is aan de wensen van de VNG tegemoetgekomen. De eisen met betrekking tot minimum- en maximumpercentages van de ontvangen uitkering die besteed moesten worden aan proceskosten, ondersteuning en isolatiemaatregelen, zijn komen te vervallen. Niet de inzet op isolatiemaatregelen, ondersteuning en proceskosten staat centraal maar het aantal woningen waar daadwerkelijk isolatiemaatregelen zijn getroffen. Gemeenten hebben daarmee meer flexibiliteit, omdat er geen percentages meer gehanteerd worden voor de verschillende posten. Ook zijn de middelen en de aantallen te realiseren woningen voor 2023
28
24
https://www.volkshuisvestingnederland.nl/actueel/nieuws/2022/12/22/provincies-ontvangen-%E2%82%AC69-miljoen-voor-versnelling-natuurinclusief-isoleren
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
en 2024 samengevoegd. Alleen uitkering van de middelen zal gefaseerd plaatsvinden over 2023 en 2024. Dit omdat de middelen voor 2024 op de begroting van BZK nog niet in 2023 beschikbaar zijn. In 2023 moet 64% van de middelen worden uitgekeerd en in 2024 36%. De termijn om de middelen te besteden bedraagt 3 jaar vanaf 2023 dus voor 31 december 2026 moeten de middelen zijn besteed. Inzet is daarnaast om middelen van gemeenten voor woningen die niet zijn aangevraagd door te schuiven naar de tweede tranche van de regeling. Zie daartoe de toelichting van de regeling in paragraaf 2.5. De gemeente Leusden, de Drechtsteden gemeenten en de proeftuin aardgasvrij Nieuwborgen hebben vergelijkbare opmerkingen en voorstellen gedaan voor vereenvoudiging van de regeling. Nieuwborgen stelt verder dat het niet mogelijk is de doelgroepgerichte benadering (concentreren op woningen slechter dan label D) te combineren met een wijkgerichte aanpak waarbij alle eigenaren in een wijk in aanmerking komen voor bepaalde vormen van ondersteuning zoals advisering of kleine maatregelen zoals inregelen van de cv-installatie. Een wijkgerichte benadering wordt niet uitgesloten maar het accent moet daarbij liggen op de woningen met een lage energetische kwaliteit.
Daar is de lokale aanpak van het Nationaal Isolatieprogramma op gericht, omdat isolatie hier het meeste oplevert voor klimaat en ter bestrijding van energiearmoede. Gemeenten hebben in 2022 ook middelen ontvangen in het kader van de aanpak van energiearmoede. Die middelen kunnen breder worden ingezet voor kleine maatregelen zoals de inregeling van cv installaties. Daarnaast is voor alle woningen de Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE) en in het geval van VvE’s de Subsidieregeling verduurzaming vereniging van eigenaars (SVVE) beschikbaar. Voor particuliere verhuurders is er de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH). Voorbeelden Een anonieme reactie van een kleine gemeente signaleert dat bij incidentele uitkeringen de gemeente alleen op projectbasis capaciteit in kan zetten. Daarnaast wordt gevraagd om leuke en inspirerende voorbeelden. Met de samenvoeging van de middelen voor de jaren 2023/2024, het laten vervallen van de schotten tussen ontzorging, middelen voor isolatie en projectkosten bij de besteding van de middelen en het perspectief voor de komende tranches wordt de gemeente tegemoetgekomen. Waar mogelijk zullen gemeenten ook worden ondersteund bij de aanpak bijvoorbeeld door het uitwisselen van goede voorbeelden. Het IPO vroeg in haar reactie wie dit ging faciliteren.
Gemeenten kunnen hiervoor terecht bij het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) dat vanaf 1 januari 2023 van start gaat. Financieel maatwerk in bijzondere gevallen De VNG pleit er verder voor in bijzondere gevallen de maximale subsidiegrens van 4.000,– euro los te laten zodat voor kwetsbare woningeigenaren een structurele oplossing kan worden geboden om energiearmoede te voorkomen. Aan de oproep van de VNG is gehoor gegeven door een uitzondering op te nemen voor de grens van 4.000 euro voor huishoudens die in aanmerking komen voor een energietoeslag of huishoudens die in schuldsanering zitten. Ook de Nederlandse Vereniging Duurzame Energie (hierna: NVDE) pleitte voor het loslaten van de subsidiegrens van € 4.000, om woningen direct naar de standaard te brengen. Op dit punt is de regeling, behalve voor de hierboven genoemde groepen, niet gewijzigd. Voor het isoleren tot de standaard bieden de combinatie van het budget voor de lokale aanpak, de individuele subsidies ISDE en SVVE en financiering via het Warmtefonds voldoende mogelijkheden. Verantwoording en monitoring De VNG stelt voor de monitoring van verantwoording van de regeling te vereenvoudigen. Het IPO, proeftuin Nieuwborgen en gemeenten in de RES regio Rotterdam-Den Haag hebben een vergelijkbare suggestie. Dit onder meer door de uitsplitsing tussen projectkosten en ondersteuning los te laten.
Op dit punt is de VNG tegemoetgekomen. Verantwoording vindt plaats over het aantal geïsoleerde woningen. De grens tussen de 70% middelen voor isolatie, 20% voor ondersteuning en 10% projectkosten is losgelaten. Daarnaast is de verantwoording die via SiSa verloopt vereenvoudigd en met name beperkt tot de financiële verantwoording. Wel wordt eraan gehecht inzicht te hebben in de voortgang en de aard van de getroffen maatregelen. Daartoe zal een uitvraag worden gedaan waarbij gemeenten 2 maal per jaar gegevens digitaal aan kunnen leveren bij RVO. Op deze wijze kan de voortgang worden gevolgd. Er wordt geen invulling gegeven aan de suggestie van de VNG om een landelijke database te ontwikkelen met isolatiemaatregelen per bouwdeel per woning. De gemeente dient zelf te bepalen of een woning aan de criteria voldoet. In de regeling en de toelichting van de regeling zijn de criteria nader aangegeven. Dit neemt niet weg dat het rijk gemeenten waar mogelijk zal ondersteunen om invulling te geven aan de lokale aanpak. Onder andere door middel van kennisdeling via het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie.
25
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
VvE’s De VNG vraagt de doorlooptijd van de isolatie maatregelen bij VvE’s op 5 jaar te stellen vanwege het langdurige besluitvormingsproces bij VvE’s. Ook de provincie Zuid-Holland en gemeenten in de RES regio Rotterdam-Den Haag bepleiten een langere termijn voor VvE’s. Dit wordt ook onderschreven door de Vereniging Eigen Huis (VEH). Ook het IPO pleit voor een optie tot verlenging van de uitvoeringstermijn. In de eerste plaats wordt onderkend dat de doorlooptijd voor het nemen van verduurzamingsmaatregelen langer kan duren. Om VvE’s te helpen bij de integrale verduurzamingsaanpak van het gebouw wil BZK komen tot een breed gedragen versnellingsagenda verduurzaming VvE’s. Daarover is de Tweede Kamer onlangs geïnformeerd. Daarbij zullen ook de voorstellen van de VEH worden betrokken. Daarnaast wordt met de Minister voor Rechtsbescherming bezien of en, zo ja, hoe de VvEbesluitvormingsregels kunnen worden versoepeld. Zie daartoe de brief aan de Tweede Kamer van 23 december 202229. De regeling voor de lokale aanpak biedt de mogelijk om de uitvoeringstermijn op verzoek te verlengen met twee keer één jaar. De besluitvorming bij VvE’s kan een reden zijn om een verzoek te doen. Aan de andere kant is het overigens juist vanwege de lange doorlooptijd bij VvE’s wenselijk een snelle start te maken bij het benaderen van VvE’s zodat uitstel beperkt kan worden.
De Vereniging Eigen Huis en de NVDE pleiten ervoor de middelen vooral ten goede te laten komen aan de appartementseigenaar en het minimaal aantal koopwoningen (nu één) te verhogen. De inzet van de regeling is met name gericht op eigenaar-bewoners. Bij gemengde complexen is echter niet geheel te overzien welke maatregelen nodig zijn om maatregelen te treffen waarmee de appartementseigenaar wordt geholpen. Het kan zijn dat daarbij ook de verhuurder -binnen de regels voor staatssteun- ondersteund kan worden. Die afweging is aan de gemeente. Aantal te isoleren woningen/terugvordering Onder meer het IPO, Regionaal energieloket en de gemeenten binnen de RES regio Rotterdam-Den Haag, proeftuin Nieuwborgen, Winst Uit je Woning, de Vereniging Eigen Huis en de NVDE vragen naar de gevolgen wanneer het conversiepercentage van 75% niet is gehaald. In de consulatie is wellicht ten onrechte de suggestie gewekt dat maar 75% van de woningen moet zijn bereikt. Dat is in de regeling verduidelijkt waarbij ook de regeling anders is vorm gegeven. Uitgangspunt van de regeling dat 100% van het aantal woningen uit de aanvraag geïsoleerd wordt. Dit betekent uiteraard dat de gemeente veel meer dan het aantal aangevraagde woningen in het isolatieprogramma zal moeten benaderen omdat niet iedereen mee zal doen.
Indien een gemeente de aangevraagde aantallen niet haalt wordt het verleende bedrag naar rato van het gemiste aantal woningen teruggevorderd. Daarbij wordt de volgende methodiek gehanteerd. Bij gemeenten die slechts 20% van de woningen hebben gedaan, wordt 80% teruggevorderd over het aantal gemiste woningen. Bij gemeenten die bijvoorbeeld 80% van het aangevraagde aantal hebben bereikt wordt 20% teruggevorderd over het gemiste aantal woningen. Hiermee is een prikkel ingebouwd om zoveel mogelijk woningen te isoleren. Om de laatste aantallen te isoleren woning te halen zal een grote inspanning nodig zijn. Met deze inspanning rekening houden in het bedrag dat wordt teruggevorderd is dan op zijn plaats. Deze methodiek houdt hier dan ook rekening mee. Bij ‘Verantwoording, terugvordering en vaststelling’ is deze methodiek beschreven en toegelicht met rekenvoorbeelden. Zoals in de toelichting is aangegeven is er in de regeling wel een extra voorwaarde opgenomen om te borgen dat de middelen zoveel als mogelijk worden ingezet voor huishoudens die op extra ondersteuning zijn aangewezen.
Tenminste 80% van de woningen waar isolatiemaatregelen zijn getroffen moeten een lagere WOZ-waarde hebben dan de gemiddelde WOZ waarde voor koopwoningen in de gemeente volgens de voorlopige cijfers van het CBS over 2022 die ook in bijlage I zijn opgenomen dan wel de WOZ-grens die voor de Nationale Hypotheek Garantie wordt gehanteerd (429.300,–). Verdeling middelen over gemeenten De gemeente Den Haag geeft aan dat zij in verhouding tot de totale opgave in Nederland een groot aandeel woningen met label E, F en G hebben en een groot aantal huishoudens met energiearmoede. Het aandeel van Den Haag in het totale beschikbare budget (2%) is in de ogen van Den Haag daarmee te klein. De gemeente Amsterdam heeft een vergelijkbare reactie en geeft daarbij aan dat de woonlasten in Amsterdam boven het landelijke gemiddelde liggen, waardoor ook eigenaar-bewoners met een middeninkomen vaak weinig bestedingsruimte hebben voor verduurzaming. De gemeente geeft aan dat het wenselijk is de regeling te verruimen zowel wat betreft het aantal woningen met slechte labels, de doelgroep (uitbreiding naar middeninkomens), alsook de financiële middelen per woning, zonder dat dit ten koste gaat van de middelen voor de kleinere gemeenten. De gemeente Leusden heeft
29
26
Kamerstukken II, 2022/2023, 30 196 nr. 806
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
eveneens vragen over de verdeling van de middelen tussen gemeenten en de verdeling over de jaren. Ook het IPO heeft een vraag over de ongelijke verdeling van de middelen over de jaren en over de toereikendheid van het gemiddelde bedrag per woning. De Drechtsteden gemeenten en de gemeente Beek hebben de vraag waar het aantal woningen per gemeente op gebaseerd is. De gemeente Wassenaar bepleit om in de isolatieaanpak rekening te houden met het bestaande woningaanbod en de gemiddelde vergoeding hieraan aan te passen en/of diversiteit aan te brengen naar woningtype. De middelen die via deze regeling beschikbaar worden gesteld zijn over gemeenten verdeeld op basis van CBS gegevens waarbij rekening is gehouden met de energetische kwaliteit van de koopwoningen in combinatie met inkomens van koopwoningeigenaren met een risico op energiearmoede. Zie daartoe: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2022/39/verdeelsleutel-nationaal-isolatieprogramma-2020. Er is daarmee gekozen voor een objectief verdelingscriterium over de gemeenten. Een uitbreiding naar middeninkomens zou de bijdrage die aan lage inkomens kan worden geboden verminderen. Deze regeling vormt een aanvulling op de landelijke subsidiemogelijkheden via de ISDE en SVVE die voor alle inkomens beschikbaar zijn. Deze regeling biedt de ruimte daarmee specifieke groepen extra te ondersteunen.
Deze criteria en de focus van de voorwaarden in de regeling op slecht geïsoleerde woningen sluiten daarmee aan bij de motie Grinwis c.s. die de regering verzoekt de komende jaren de focus te leggen op het isoleren van woningen met label G, F, E en D, te beginnen daar waar de grootste energiearmoede is.30 In reactie op het voorstel van de VNG is aangegeven dat de middelen voor 2023 en 2024 zijn samengevoegd maar dat de uitbetaling nog wel gespreid is over 2023 en 2024. Dit hangt samen met de verdeling van de middelen op begroting. Deze zijn voor 2023 en 2024 niet gelijkmatig verdeeld. Het voorstel van de gemeente Wassenaar om te differentiëren per woningtype wordt niet gevolgd. Het bedrag per woning is een gemiddelde. Het staat de gemeente vrij de inzet van de middelen te differentiëren bijvoorbeeld afhankelijk van het woningtype. De gemeente Beek vroeg of gemeenten op basis van deze regeling moeten controleren op inkomens tot bijvoorbeeld 150% van het wettelijk minimumloon. Deze eis vloeit niet voort uit de regeling. Het is aan gemeenten om invulling te geven aan de regeling. De inkomensverdeling is alleen gebruikt voor de verdeling van het budget over gemeenten. Gemeenten kunnen de middelen specifiek inzetten voor bepaalde groepen. Een aantal gemeenten hebben daar ook al ervaring mee.
Om ervoor te zorgen dat de middelen vooral terecht komen bij de mensen die de middelen het hardst nodig hebben, worden gemeenten gevraagd in hun aanvraag hun aanpak toe te lichten hoe zij met de regeling bewoners met (risico op) energiearmoede gaan bereiken. Gemeenten moeten de WOZ-waarde van woningen betrekken in hun aanpak om bewoners met een kleine beurs te bereiken. Dit is in de toelichting aangevuld. Ten slotte wordt er ook een uitzondering opgenomen in de regeling op de voorwaarde dat er maximaal € 4.000,– mag worden besteed per woning, zodat er ook een hoger bedrag aan de woning mag worden besteed als het gaat om mensen die in de schuldsanering zitten of bijzondere bijstand ontvangen. Energielabel Onder andere de gemeenten Beek, Edam-Volendam en Waterland gaven aan dat er geen voorziening is opgenomen om een energielabel te bekostigen. Daarnaast geeft een energielabel volgens deze gemeenten ook niet altijd een goed beeld over de isolatiegraad (bijvoorbeeld bij veel zonnepanelen). Ook het IPO vroeg naar de toetsing via het energielabel. Een energielabel is niet verplicht voor de uitvoering van de regeling. Immers pas bij verkoop heeft een eigenaar-bewoner een energielabel nodig en doordat ze 10 jaar geldig zijn, zijn ze niet altijd actueel.
De gemeente kan de energetische staat van de woning ook bepalen aan de hand van het ontbreken of de staat van bepaalde isolatiewaarden in verschillende bouwdelen. Stapeling van middelen en samenwerking Het IPO zou graag zien dat de mogelijkheid geschapen wordt voor meerdere partijen om de aanvragen in te dienen en het isolatieprogramma regionaal te organiseren. Het scheppen van de mogelijkheid om collectief in te dienen en het isolatieprogramma regionaal te organiseren voorkomt onnodige bureaucratie, ontlast gemeenten (in het bijzonder de kleine gemeenten) in het aanvragen, uitvoeren en verantwoorden van de subsidies en draagt bij aan een efficiënte uitvoering van het programma. De regeling sluit samenwerking tussen gemeenten niet uit. Het loslaten van de verdeling tussen proceskosten, ondersteuning en middelen voor isolatie biedt ook meer mogelijkheden om gezamenlijk partijen te betrekken. De uiteindelijke (formele) aanvraag en verantwoording loopt via de individuele gemeenten maar dat sluit niet uit dat de aanpak gezamenlijk vormgegeven kan worden. Het IPO vraagt verder of het mogelijk is de middelen te stapelen en de uitkering via de gemeenten te combineren met bijdragen van andere partijen. Dat is het geval. Dat laat uiteraard onverlet dat aan de voorwaarden van deze regeling moet worden voldaan voor zover het de besteding van de middelen uit deze regeling betreft.
30
27
Kamerstukken II 2021/22, 32 813 nr. 924
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
Ventilatie Binnenklimaat Nederland, een branchevereniging van de markt van fabrikanten, leveranciers en dienstverleners op het gebied van binnenklimaattechnologie, heeft het belang van ventileren bij het aanbrengen van isolatie onderstreept. Ook de NVDE onderstreepte in haar reactie het belang van ventilatie. Binnenklimaat Nederland pleit ervoor in de regeling te verduidelijken welke ventilatiesystemen in aanmerking komen bij een isolatieaanpak in combinatie met ventilatiemaatregelen. Daar is invulling aan gegeven door de toevoeging van een definitie voor ‘energiezuinige ventilatiemaatregelen’ in artikel 1 van de regeling. Zij pleit er verder voor in de zinsnede isolatie eventueel in combinatie met ventilatie het woord ‘eventueel’ te schrappen. Daar is geen invulling aan gegeven. Het hangt immers van de concrete situatie af of er ook ventilatiemaatregelen moeten worden genomen. Vraagbundeling / verbouwstromen Het programma Verbouwstromen31 heeft een aantal vragen over de regeling en doet een aantal aanbevelingen. Verbouwstromen pleit voor synergie tussen het programma Verbouwstromen en het Nationaal Isolatieprogramma door Verbouwstromen voor gemeenten die dat willen een aanbod te laten creëren dat past binnen de vraag van de gemeente. De regeling sluit niet uit dat gemeenten een programma als Verbouwstromen betrekken.
Zeker nu in vergelijking met de regeling die in consultatie is gegaan de stringente verdeling tussen middelen voor een isolatieaanpak, ondersteuning en uitvoeringskosten is losgelaten, zoals in reactie op de inbreng van de VNG is aangegeven. Het programma Verbouwstromen beveelt verder aan de hoogte van de subsidie te koppelen aan de mate waarin de Standaard en streefwaarden worden gerealiseerd. Daar is niet voor gekozen. Dit zou de regeling voor gemeenten onnodig complex maken. Er is voor gekozen aan te sluiten bij de ISDE. In de praktijk zal de subsidie voor de lokale aanpak immers aanvullend op de ISDE worden ingezet. Om deze reden wordt ook de aanbeveling om de subsidie te differentiëren naar materiaalgebruik dat voorziet in CO2-opslag niet gevolgd. Ten slotte bepleit het programma om van een structurele subsidiebehoefte naar een structureel beter subsidievrij aanbod te gaan. De wens om op termijn te komen tot een subsidievrij aanbod wordt onderschreven. Het succes van een programma als Verbouwstromen kan daar ook aan bijdragen. Dat neemt echter niet weg dat dat op dit moment nog niet mogelijk is. De regeling is echter wel al zodanig aangepast dat het aantal te verbeteren woningen centraal staat en niet het percentage van de middelen dat ingezet moet worden voor isolatie. Het 70% criterium is losgelaten.
Dit biedt ook de ruimte om (op termijn) andere concepten te ontwikkelen. Essent Essent ondersteunt de gekozen aanpak die zich richt op de aanpak van woningen met labelklassen D t/m G of woningen met een vergelijkbare energetische kwaliteit. Essent vraagt hoe reeds uitgevoerde renovaties zijn meegenomen in de bepaling. Zie daartoe de reactie hierboven over het gebruik van het energielabel. Essent vraagt verder of het mogelijk is te differentiëren in de middelen voor ondersteuning (20%). Zoals aangegeven in reactie op de inbreng van de VNG is dit percentage inmiddels losgelaten. Essent pleit er verder voor de subsidiebedragen voor bewoners te indexeren met de inflatiecijfers. Dit omdat de kostprijs van isolatie is gestegen. De beschikbare financiële middelen bieden daar geen ruimte voor. Verder pleit Essent ervoor om kwaliteitseisen op te nemen voor isolatiebedrijven via een certificeringsplicht voor isolatiebedrijven. Het belang van goed uitgevoerde isolatiewerkzaamheden wordt onderschreven. Daarom wordt voor de uit te voeren werkzaamheden aangesloten bij de eisen uit de ISDE. Daar waar het gaat om doe-het-zelf maatregelen, die ook mogelijk zijn via deze regeling, zal via voorlichting en communicatie aandacht worden besteed aan de kwaliteit van de uitgevoerde maatregelen. Er wordt echter niet gekozen om isolatiebedrijven te certificeren. Dit zou doe-het-zelf ook bemoeilijken.
Tenslotte pleit Essent voor meer keuzemogelijkheden voor gemeenten om het budget in te zetten. Daar is met de aanpassing van de regeling invulling aan gegeven. Winst uit je Woning Winst uit je woning heeft een aantal specifieke vragen over de systematiek van de subsidieaanvraag. Middelen die in 2023 niet worden aangevraagd kunnen in principe worden ‘doorgeschoven’ naar 2024. Wanneer middelen echter ook op den duur (bij een nieuwe regeling in 2025) niet worden ingezet, zal een herverdeling over gemeenten plaatsvinden naar gemeenten die de opgaven wel kunnen realiseren. Zie daartoe de passages in het algemene deel van de toelichting in paragraaf 2.5. Zoals in reactie op de inbreng van de VNG is aangegeven is het budget voor 2023 en 2024 inmiddels samengevoegd.
31
28
het programma ‘Verbouwstromen’ is opgezet door Bouwcampus, Stroomversnelling, TKI Bouw en Techniek en TKI Urban Energy.
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
Winst uit je Woning pleit verder voor meer informatie over de aanbestedingsregels, specifiek de grenzen die hierbij gelden. De regeling brengt geen verandering in de aanbestedingsregels voor gemeenten. In het kader van de aanpak van energiearmoede is informatie met gemeenten gedeeld32. Deze kan ook worden benut voor de isolatieaanpak. Regionaal energieloket Regionaal energieloket pleit voor meer flexibiliteit voor gemeenten voor de inzet op ontzorging. Met de aanpassing van de regeling is daar invulling aangegeven. De vraag of niet op een veel groter aantal woningen moet worden ingezet dan het aantal woningen waarvoor een bijdrage wordt gevraagd kan bevestigend worden beantwoord. Niet elk huishouden dat een aanbod krijgt zal immers meedoen. Zie verder de toelichting van de regeling. In de regeling is toegelicht wat onder een slecht geïsoleerde woning kan worden verstaan. Regionaal Energieloket pleit voor een vereenvoudiging van de verantwoording via de SiSa systematiek en een sterkere tussentijdse verantwoording. De regeling is op dit punt aangepast, zie daartoe de reactie op de inbreng van de VNG. Haagse Hogeschool De Haagse Hogeschool bepleit een intensieve ontzorgende aanpak. Essentieel daarbij is volgens de inbrenger een inzet op techniek, proceskennis, financiering, geld en bijstand voor VvE’s.
Juist met deze regeling wordt de mogelijkheid geboden om vorm te geven aan een ontzorgende aanpak. Deze aanpak kan huishoudens die daar op aangewezen zijn extra ondersteuning bieden in aanvulling op bijvoorbeeld financiering via het Warmtefonds en/of subsidie voor isolatiemaatregelen via de ISDE en SEEH.
10. Inwerkingtreding en vervaldatum Deze regeling treedt in werking op 1 maart 2023. Daarmee wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en de minimale invoeringstermijn, hetgeen gerechtvaardigd wordt geacht vanwege de noodzaak om spoed te betrachten bij het tegengaan van klimaatverandering zoals omschreven in de inleiding van het algemeen deel van deze toelichting. De kortere invoeringstermijn is daarnaast gerechtvaardigd omdat gemeenten niet met elkaar in concurrentie zijn voor budget, er is een budget per gemeente geregeld waar zij gedurende een ruime periode aanspraak op kunnen maken, welke periode is verdeeld over twee aanvraagtijdvakken.