Bijlage 1 - SPUK
Tekst van het document
STAATSCOURANT
Nr. 3877 2 februari 2023
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
Regeling van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening van 1 februari 2023, nr. 2022-0000430533 houdende regels met betrekking tot de verstrekking van een specifieke uitkering aan gemeenten ten behoeve van de verduurzaming van slecht geïsoleerde woningen van eigenaar-bewoners en woningen van verenigingen van eigenaars, woonverenigingen en wooncoöperaties in het kader van het Nationaal Isolatieprogramma De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Gelet op artikel 17, tweede lid, van de Financiële-verhoudingswet juncto artikel 4:23, derde lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht; Besluit: Artikel 1. Begripsbepalingen 1.
In deze regeling wordt verstaan onder: college: college van burgemeester en wethouders; energielabel: een energielabel als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit energieprestatie gebouwen; energiezuinige ventilatiemaatregelen: het voor de eerste keer aanleggen van een systeem voor een CO2-gestuurde ventilatie of het voor de eerste keer aanleggen van een systeem voor balansventilatie met warmteterugwinning met een rendement van ten minste 90%; gemengde vereniging: vereniging van eigenaars, woonvereniging of wooncoöperatie ten behoeve van gebouwen waarin zich ten minste één woning van een eigenaar-bewoner bevindt; isolatieprogramma: isolatieprogramma als bedoeld in artikel 2, eerste lid; minister: Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening; slecht geïsoleerde woning: een woning met een energielabelklasse D, E, F, G of een met die labelklassen vergelijkbare energetische staat, waaronder wordt verstaan een woning waarin ten minste twee van de volgende bestaande bouwdelen niet of slecht geïsoleerd zijn: a. de vloer en de bodem; b. de gevel, waaronder de spouwmuur; c. het dak en de zoldervloer en vlieringvloer; d.
de ramen; vereniging van eigenaars: vereniging van de eigenaars als bedoeld in artikel 112, eerste lid, onderdeel e, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek; woning: woongelegenheid als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet, waaronder tevens wordt begrepen een appartement, en als zodanig bewoond is geweest alvorens een renovatie plaatsvindt en in de basisregistratie als bedoeld in artikel 2 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen met een woonfunctie is geregistreerd; wooncoöperatie: wooncoöperatie als bedoeld in artikel 18a van de Woningwet; woonvereniging: vereniging die eigenaar is van één of meer gebouwen en waarvan de leden het recht hebben om in een bepaalde woning die onderdeel uitmaakt van dat gebouw of die gebouwen te wonen. 2. Ondereigenaar-bewoner wordt in deze regeling verstaan een natuurlijke persoon die: a. een woning in eigendom heeft waarin hij zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben; b. gerechtigde is van een bestaand appartementsrecht en in het desbetreffende appartement zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van dat appartement zal hebben; c. zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben in een woning van een wooncoöperatie en in verband daarmee lid is van die wooncoöperatie; of d.
op basis van zijn lidmaatschap van een woonvereniging het recht heeft om in een woning te wonen en daarin zijn hoofdverblijf heeft of direct na renovatie van deze woning zal hebben. 3. Onder appartement wordt in deze regeling verstaan: a. aandeel in een gebouw waarvoor een vereniging van eigenaars is opgericht, omvattende de bevoegdheid tot het uitsluitend gebruik van een woning; b. woning in een gebouw, waarvoor een wooncoöperatie is opgericht; of
1
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
c. woning in een gebouw van een woonvereniging. Artikel 2. Doel en activiteiten van de specifieke uitkering 1. De minister kan op aanvraag van een college een specifieke uitkering verstrekken aan de gemeente voor het uitvoeren van een isolatieprogramma dat gericht is op het nemen van energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, in slecht geïsoleerde woningen van eigenaar-bewoners en slecht geïsoleerde woningen van leden van een gemengde vereniging, met een focus op woningen met een WOZ-waarde als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b. 2. Het college besteedt de specifieke uitkering aan het uitvoeren of laten uitvoeren of het subsidiëren van het uitvoeren of het laten uitvoeren van een of meer energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, waarbij onder energiebesparende isolatiemaatregelen wordt verstaan: a. als het een woning van een eigenaar-bewoner betreft: energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 4.5.2, derde lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies; of b. als het een woning betreft in een gebouw waarvoor een gemengde vereniging bestaat: energiebesparende isolatiemaatregelen als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars. 3.
Het college kan de specifieke uitkering tevens besteden aan: a. het bieden van gerichte ondersteuning aan een eigenaar-bewoner of een gemengde vereniging of het daartoe inschakelen van derden met de benodigde expertise, waaronder in ieder geval kan vallen: 1°. het adviseren over de mogelijke energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, en de daarmee te behalen mate van energiebesparing; 2°. het begeleiden bij het doen van aanvragen op grond van subsidieregelingen en subsidieverordeningen die gericht zijn op energiebesparing; 3°. het adviseren over of bemiddelen in krediet ten behoeve van de financiering van energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, die de eigenaar-bewoner of gemengde vereniging wil uitvoeren of laten uitvoeren; 4°. het organiseren van straatgerichte of wijkgerichte of anderszins grootschalige verduurzamingsaanpakken en het daarbij ondersteunen van eigenaar-bewoners of gemengde verenigingen; of b. de inzet van ambtelijke capaciteit of de inhuur van externe capaciteit ten behoeve van de uitvoering van het isolatieprogramma. 4.
Energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in het tweede lid kunnen alleen met behulp van de specifieke uitkering worden gefinancierd als ze na 31 december 2022 worden uitgevoerd. 5. De specifieke uitkering wordt niet verstrekt voor BTW verschuldigd over kosten voor de uitvoering van een isolatieprogramma voor zover het bedrag van de BTW in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds of voor zover de kosten in aanmerking komen voor aftrek op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968. Artikel 3. Hoogte van de specifieke uitkering Een college kan gedurende de in artikel 4, eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde aanvraagtijdvakken een aanvraag doen voor een specifieke uitkering van ten hoogste het bedrag van de som van het voor die gemeente in bijlage I in de kolommen voor kalenderjaren 2023 en 2024 opgenomen bedragen, welk totaalbedrag in de laatste kolom in bijlage I is opgenomen. Artikel 4. De aanvraag 1. Een aanvraag voor een specifieke uitkering kan worden ingediend met ingang van: a. 1 maart 2023 vanaf 9:00 uur tot en met 31 mei 2023 tot 17:00 uur; en b. 1 september 2023 vanaf 9:00 uur tot en met 31 oktober 2023 tot 17:00 uur. 2. Een aanvraag bevat een omschrijving van het isolatieprogramma, waaronder in ieder geval wordt verstaan: a.
een omschrijving van de activiteiten, als bedoeld in artikel 2, tweede en derde lid; b. een opgave van het aantal slecht geïsoleerde woningen waarvoor de gemeente het bedrag van de specifieke uitkering aanvraagt en ten aanzien waarvan zij energiebesparende isolatiemaatre-
2
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
gelen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, wil bewerkstelligen; c. de hoogte van het bedrag van de gevraagde specifieke uitkering, welk bedrag bestaat uit het aantal slecht geïsoleerde woningen als bedoeld in onderdeel b, vermenigvuldigd met € 1.460; d. een omschrijving van de wijze waarop de gemeente voornemens is om voldoende woningen met een WOZ-waarde als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, in het isolatieprogramma te betrekken; en e. een opgave van het bedrag dat de gemeente op grond van een eigen inschatting aan BTW verschuldigd is over de kosten voor de uitvoering van het isolatieprogramma. 3. De minister beslist binnen acht weken na het indienen van de aanvraag over de toekenning van een specifieke uitkering. Indien de beschikking niet binnen deze termijn kan worden genomen, deelt de minister dit aan de aanvrager mede en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn van ten hoogste acht aanvullende weken waarbinnen de beschikking wordt genomen. 4. Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Artikel 5. Wijze van betaling en uitkeringsbeschikking 1.
Indien de door het college aangevraagde specifieke uitkering ten hoogste het voor die gemeente in bijlage I in de kolom voor het kalenderjaar 2023 opgenomen bedrag betreft, wordt de specifieke uitkering in één keer uitbetaald. 2. Indien de door het college aangevraagde specifieke uitkering een hoger bedrag betreft dan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, doch ten hoogste de som van het voor die gemeente in bijlage I in de kolommen voor kalenderjaren 2023 en 2024 opgenomen bedragen, dan wordt de specifieke uitkering in twee keer uitbetaald, met dien verstande dat het voor die gemeente in bijlage I in de kolom voor het kalenderjaar 2023 opgenomen bedrag in 2023 wordt uitbetaald, en het restant in 2024 wordt uitbetaald. 3. De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval: a. het totale bedrag van de uitkering; b. het moment van uitbetaling van de uitkering; c. de wijze van verantwoording over de besteding van de uitkering; en d. de periode waarbinnen de uitkering moet zijn besteed en de activiteiten moeten zijn afgerond. Artikel 6. Verplichtingen 1. De gemeente die een specifieke uitkering ontvangt is verplicht om: a.
energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, te bewerkstelligen in het aantal slecht geïsoleerde woningen dat de gemeente in de aanvraag heeft opgegeven op grond van artikel 4, tweede lid, onderdeel b; b. ervoor zorg te dragen dat ten minste 80% van de slecht geïsoleerde woningen waarbij de gemeente energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, bewerkstelligt, een WOZwaarde heeft die: 1º. lager is dan de gemiddelde WOZ-waarde van alle koopwoningen in de betreffende gemeente, uitgaande van de waarde die is opgenomen in de laatste kolom van bijlage I; of 2º. lager is dan € 429.300; c. ten hoogste € 4.000 per woning te besteden aan energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, als bedoeld in artikel 2, tweede lid, tenzij: 1º. aan een van de eigenaar-bewoners van de woning schuldhulpverlening wordt gegeven als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; 2º. jegens een van de eigenaar-bewoners een schuldsaneringsregeling is uitgesproken als bedoeld in artikel 284, eerste lid, van de Faillissementswet; of 3º.
een van de eigenaar-bewoners van de woning bijzondere bijstand ontvangt als bedoeld in artikel 35, eerste of vierde lid, van de Participatiewet, in welk geval er geen maximumbedrag geldt dat ten behoeve van die woning kan worden besteed; en d. de activiteiten waar de specifieke uitkering voor is verstrektuiterlijk op 31 december 2026 af te ronden en de specifieke uitkering uiterlijk op 31 december 2026 volledig te besteden aan de activiteiten waarvoor deze is verstrekt. 2. De minister kan op gemotiveerd verzoek van het college de in het eerste lid, onderdeel d,
3
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
genoemde termijn, twee maal met ten hoogste één jaar verlengen, indien sprake is van onvoorziene omstandigheden op grond waarvan het aannemelijk is dat de uitvoering van de activiteiten waar de specifieke uitkering voor is verstrekt niet binnen die termijn kan worden afgerond. Artikel 7. Afwijzingsgronden De minister wijst een aanvraag voor een specifieke uitkering gedeeltelijk af, voor zover het aangevraagde bedrag het bedrag overstijgt dat het college op grond van artikel 3 ten hoogste kan aanvragen. Artikel 8. Informatievoorziening na uitkering Het college van een gemeente die een specifieke uitkering ontvangt informeert de minister ieder jaar op uiterlijk 15 maart en 15 september over de voortgang van de activiteiten waarvoor de specifieke uitkering is verstrekt door een rapportage aan te leveren met gebruikmaking van een daartoe door de minister beschikbaar gesteld digitaal formulier dat is geplaatst op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Artikel 9. Verantwoording, terugvordering en vaststelling 1. Het college legt verantwoording af over de besteding van de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2, op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. 2.
Indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiëleverhoudingswet, blijkt dat de specifieke uitkering, bedoeld in artikel 2, niet, niet volledig of onrechtmatig is besteed, dat niet is voldaan aan de verplichtingen gesteld in artikel 6, of niet is voldaan aan de verantwoordingsplicht, bedoeld in het eerste lid, kan de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door de minister worden teruggevorderd. De minister doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie, bedoeld in het eerste lid, mededeling van de terugvordering aan het college. 3. Indien niet voldaan is aan de informatieverplichting, bedoeld in artikel 8, kan de minister de specifieke uitkering geheel of gedeeltelijk terugvorderen. 4. De minister stelt de specifieke uitkering uiterlijk vast op 31 december van het jaar waarin het college, op de in het eerste lid bedoelde wijze, de eindverantwoording aan de minister heeft verstrekt. 5. Indien de uiterlijke datum voor het afronden van de activiteiten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, of de op grond van artikel 6, tweede lid, verlengde termijn, is verstreken en het college geen eindverantwoording heeft verstrekt, stelt de minister de specifieke uitkering vast aan de hand van de eerstvolgende verantwoordingsinformatie. Artikel 10.
Inwerkingtreding en vervaldatum Deze regeling treedt in werking op 1 maart 2023 en vervalt met ingang van 1 januari 2029, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op specifieke uitkeringen die voor die datum zijn verstrekt. Lasten en bevelen dat deze regeling met de daarbij behorende toelichting in de Staatscourant zal worden geplaatst. De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, H.M. de Jonge
4
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
BIJLAGE I MET DE BEDRAGEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3 EN GEMIDDELDE WOZ-WAARDE ALS BEDOELD IN ARTIKEL 6, EERSTE LID, ONDERDEEL B, SUBONDERDEEL 1º Naam gemeente
5
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2023
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2024
Totaal aantal woningen dat aangevraagd kan worden
Totaalbedrag dat aangevraagd kan worden
Gemiddelde WOZ-waarde koopwoningen 2022 (x € 1.000)
Aa en Hunze
€ 397.120
€ 226.300
427
€ 623.420
340
Aalsmeer
€ 162.060
€ 91.980
174
€ 254.040
498
Aalten
€ 417.560
€ 237.980
449
€ 655.540
295
Achtkarspelen
€ 486.180
€ 277.400
523
€ 763.580
270
Alblasserdam
€ 164.980
€ 93.440
177
€ 258.420
327
Albrandswaard
€ 87.600
€ 49.640
94
€ 137.240
419
Alkmaar
€ 881.840
€ 502.240
948
€ 1.384.080
346
Almelo
€ 801.540
€ 456.980
862
€ 1.258.520
281
Almere
€ 548.960
€ 312.440
590
€ 861.400
348
Alphen aan den Rijn
€ 646.780
€ 367.920
695
€ 1.014.700
362
Alphen-Chaam
€ 100.740
€ 58.400
109
€ 159.140
437
Altena
€ 490.560
€ 278.860
527
€ 769.420
363
Ameland
€ 67.160
€ 37.960
72
€ 105.120
351
Amersfoort
€ 581.080
€ 331.420
625
€ 912.500
441
Amstelveen
€ 243.820
€ 140.160
263
€ 383.980
608
Amsterdam
€ 1.519.860
€ 865.780
1634
€ 2.385.640
582
Apeldoorn
€ 1.347.580
€ 767.960
1449
€ 2.115.540
370
Arnhem
€ 737.300
€ 420.480
793
€ 1.157.780
348
Assen
€ 531.440
€ 302.220
571
€ 833.660
286
Asten
€ 154.760
€ 87.600
166
€ 242.360
411
Baarle-Nassau
€ 71.540
€ 42.340
78
€ 113.880
403
Baarn
€ 200.020
€ 112.420
214
€ 312.440
505
Barendrecht
€ 153.300
€ 87.600
165
€ 240.900
409
Barneveld
€ 338.720
€ 192.720
364
€ 531.440
439
Beek
€ 204.400
€ 116.800
220
€ 321.200
290
Beekdaelen
€ 540.200
€ 308.060
581
€ 848.260
296
Beesel
€ 172.280
€ 97.820
185
€ 270.100
288
Berg en Dal
€ 343.100
€ 197.100
370
€ 540.200
364
Bergeijk
€ 221.920
€ 125.560
238
€ 347.480
424
Bergen (L.)
€ 197.100
€ 113.880
213
€ 310.980
313
Bergen (NH.)
€ 321.200
€ 183.960
346
€ 505.160
561
Bergen op Zoom
€ 556.260
€ 318.280
599
€ 874.540
322
Berkelland
€ 569.400
€ 324.120
612
€ 893.520
345
Bernheze
€ 271.560
€ 154.760
292
€ 426.320
425
Best
€ 226.300
€ 129.940
244
€ 356.240
404
Beuningen
€ 219.000
€ 124.100
235
€ 343.100
375
Beverwijk
€ 287.620
€ 163.520
309
€ 451.140
344
Bladel
€ 223.380
€ 127.020
240
€ 350.400
410
Blaricum
€ 58.400
€ 33.580
63
€ 91.980
867
Bloemendaal
€ 103.660
€ 58.400
111
€ 162.060
985
Bodegraven-Reeuwijk
€ 259.880
€ 147.460
279
€ 407.340
427
Boekel
€ 116.800
€ 67.160
126
€ 183.960
383
Borger-Odoorn
€ 486.180
€ 277.400
523
€ 763.580
285
Borne
€ 213.160
€ 121.180
229
€ 334.340
354
Borsele
€ 297.840
€ 169.360
320
€ 467.200
292
Boxtel
€ 251.120
€ 143.080
270
€ 394.200
391
Breda
€ 1.102.300
€ 627.800
1185
€ 1.730.100
426
Bronckhorst
€ 449.680
€ 256.960
484
€ 706.640
399
Brummen
€ 220.460
€ 125.560
237
€ 346.020
376
Brunssum
€ 458.440
€ 262.800
494
€ 721.240
219
Bunnik
€ 97.820
€ 55.480
105
€ 153.300
481
Bunschoten
€ 185.420
€ 106.580
200
€ 292.000
409
Buren
€ 268.640
€ 151.840
288
€ 420.480
420
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
Naam gemeente
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2024
Totaal aantal woningen dat aangevraagd kan worden
Totaalbedrag dat aangevraagd kan worden
Gemiddelde WOZ-waarde koopwoningen 2022 (x € 1.000)
Capelle aan den IJssel
€ 226.300
€ 129.940
244
€ 356.240
336
Castricum
€ 341.640
€ 195.640
368
€ 537.280
452
Coevorden
€ 563.560
€ 321.200
606
€ 884.760
293
Cranendonck
€ 264.260
€ 151.840
285
€ 416.100
368
Culemborg
€ 172.280
€ 97.820
185
€ 270.100
354
Dalfsen
€ 294.920
€ 169.360
318
€ 464.280
392
Dantumadiel
€ 335.800
€ 191.260
361
€ 527.060
301
De Bilt
€ 245.280
€ 140.160
264
€ 385.440
592
De Fryske Marren
€ 747.520
€ 426.320
804
€ 1.173.840
324
De Ronde Venen
€ 230.680
€ 131.400
248
€ 362.080
509
De Wolden
€ 312.440
€ 178.120
336
€ 490.560
371
Delft
€ 303.680
€ 173.740
327
€ 477.420
404
Den Helder
€ 579.620
€ 329.960
623
€ 909.580
223
Deurne
€ 299.300
€ 170.820
322
€ 470.120
389
Deventer
€ 773.800
€ 440.920
832
€ 1.214.720
340
Diemen
€ 86.140
€ 48.180
92
€ 134.320
467
Dijk en Waard
€ 652.620
€ 373.760
703
€ 1.026.380
350
Dinkelland
€ 350.400
€ 200.020
377
€ 550.420
380
Doesburg
€ 93.440
€ 52.560
100
€ 146.000
314
Doetinchem
€ 506.620
€ 289.080
545
€ 795.700
317
Dongen
€ 252.580
€ 144.540
272
€ 397.120
344
Dordrecht
€ 951.920
€ 543.120
1024
€ 1.495.040
308
Drechterland
€ 220.460
€ 125.560
237
€ 346.020
381
Drimmelen
€ 312.440
€ 178.120
336
€ 490.560
376
Dronten
€ 248.200
€ 140.160
266
€ 388.360
324
Druten
€ 146.000
€ 83.220
157
€ 229.220
358
Duiven
€ 170.820
€ 96.360
183
€ 267.180
328
Echt-Susteren
€ 475.960
€ 271.560
512
€ 747.520
290
Edam-Volendam
€ 351.860
€ 201.480
379
€ 553.340
393
Ede
€ 792.780
€ 451.140
852
€ 1.243.920
393
Eemnes
€ 59.860
€ 35.040
65
€ 94.900
490
Eemsdelta
€ 773.800
€ 440.920
832
€ 1.214.720
218
Eersel
€ 172.280
€ 97.820
185
€ 270.100
447
Eijsden-Margraten
€ 290.540
€ 164.980
312
€ 455.520
346
€ 1.020.540
€ 582.540
1098
€ 1.603.080
394
Elburg
€ 216.080
€ 124.100
233
€ 340.180
355
Emmen
€ 1.674.620
€ 954.840
1801
€ 2.629.460
252
Enkhuizen
€ 183.960
€ 105.120
198
€ 289.080
317
Enschede
€ 1.551.980
€ 884.760
1669
€ 2.436.740
303
Epe
€ 337.260
€ 191.260
362
€ 528.520
428
Ermelo
€ 221.920
€ 125.560
238
€ 347.480
431
Etten-Leur
€ 309.520
€ 176.660
333
€ 486.180
357
Geertruidenberg
€ 185.420
€ 106.580
200
€ 292.000
337
Geldrop-Mierlo
€ 329.960
€ 188.340
355
€ 518.300
384
Gemert-Bakel
€ 303.680
€ 173.740
327
€ 477.420
391
Gennep
€ 182.500
€ 103.660
196
€ 286.160
331
Gilze en Rijen
€ 221.920
€ 125.560
238
€ 347.480
363
Goeree-Overflakkee
€ 438.000
€ 249.660
471
€ 687.660
339
Goes
€ 360.620
€ 205.860
388
€ 566.480
321
Goirle
€ 195.640
€ 112.420
211
€ 308.060
402
Gooise Meren
€ 385.440
€ 219.000
414
€ 604.440
634
Gorinchem
€ 162.060
€ 91.980
174
€ 254.040
342
Gouda
€ 473.040
€ 268.640
508
€ 741.680
331
€ 1.106.680
€ 632.180
1191
€ 1.738.860
338
Gulpen-Wittem
€ 183.960
€ 105.120
198
€ 289.080
332
Haaksbergen
€ 280.320
€ 159.140
301
€ 439.460
349
€ 1.016.160
€ 579.620
1093
€ 1.595.780
514
Eindhoven
Groningen
Haarlem
6
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2023
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
Naam gemeente
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2024
Totaal aantal woningen dat aangevraagd kan worden
Totaalbedrag dat aangevraagd kan worden
Gemiddelde WOZ-waarde koopwoningen 2022 (x € 1.000)
Haarlemmermeer
€ 756.280
€ 430.700
813
€ 1.186.980
446
Halderberge
€ 309.520
€ 176.660
333
€ 486.180
355
Hardenberg
€ 754.820
€ 430.700
812
€ 1.185.520
309
Harderwijk
€ 265.720
€ 153.300
287
€ 419.020
380
Hardinxveld-Giessendam
€ 153.300
€ 87.600
165
€ 240.900
335
Harlingen
€ 186.880
€ 108.040
202
€ 294.920
255
Hattem
€ 129.940
€ 75.920
141
€ 205.860
417
Heemskerk
€ 252.580
€ 144.540
272
€ 397.120
401
Heemstede
€ 129.940
€ 75.920
141
€ 205.860
734
Heerde
€ 207.320
€ 119.720
224
€ 327.040
389
Heerenveen
€ 630.720
€ 360.620
679
€ 991.340
327
Heerlen
€ 903.740
€ 515.380
972
€ 1.419.120
219
Heeze-Leende
€ 134.320
€ 75.920
144
€ 210.240
455
Heiloo
€ 205.860
€ 118.260
222
€ 324.120
476
Hellendoorn
€ 467.200
€ 267.180
503
€ 734.380
365
Helmond
€ 573.780
€ 328.500
618
€ 902.280
349
Hendrik-Ido-Ambacht
€ 185.420
€ 106.580
200
€ 292.000
375
Hengelo
€ 797.160
€ 455.520
858
€ 1.252.680
300
Het Hogeland
€ 893.520
€ 509.540
961
€ 1.403.060
247
Heumen
€ 134.320
€ 75.920
144
€ 210.240
400
Heusden
€ 362.080
€ 207.320
390
€ 569.400
395
Hillegom
€ 181.040
€ 102.200
194
€ 283.240
395
Hilvarenbeek
€ 138.700
€ 80.300
150
€ 219.000
432
Hilversum
€ 621.960
€ 354.780
669
€ 976.740
510
Hoeksche Waard
€ 779.640
€ 445.300
839
€ 1.224.940
347
Hof van Twente
€ 394.200
€ 223.380
423
€ 617.580
352
Hollands Kroon
€ 584.000
€ 334.340
629
€ 918.340
327
Hoogeveen
€ 632.180
€ 360.620
680
€ 992.800
266
Hoorn
€ 407.340
€ 232.140
438
€ 639.480
338
Horst aan de Maas
€ 502.240
€ 286.160
540
€ 788.400
326
Houten
€ 100.740
€ 58.400
109
€ 159.140
475
Huizen
€ 211.700
€ 119.720
227
€ 331.420
487
Hulst
€ 419.020
€ 239.440
451
€ 658.460
276
IJsselstein
€ 144.540
€ 81.760
155
€ 226.300
404
Kaag en Braassem
€ 164.980
€ 93.440
177
€ 258.420
439
Kampen
€ 496.400
€ 283.240
534
€ 779.640
322
Kapelle
€ 146.000
€ 83.220
157
€ 229.220
320
Katwijk
€ 328.500
€ 186.880
353
€ 515.380
414
Kerkrade
€ 505.160
€ 289.080
544
€ 794.240
211
Koggenland
€ 243.820
€ 140.160
263
€ 383.980
366
Krimpen aan den IJssel
€ 181.040
€ 102.200
194
€ 283.240
365
Krimpenerwaard
€ 454.060
€ 258.420
488
€ 712.480
382
Laarbeek
€ 255.500
€ 146.000
275
€ 401.500
389
Land van Cuijk
€ 937.320
€ 534.360
1008
€ 1.471.680
346
Landgraaf
€ 521.220
€ 296.380
560
€ 817.600
247
Landsmeer
€ 75.920
€ 42.340
81
€ 118.260
562
Lansingerland
€ 254.040
€ 146.000
274
€ 400.040
453
Laren
€ 86.140
€ 48.180
92
€ 134.320
929
€ 1.432.260
€ 816.140
1540
€ 2.248.400
268
Leiden
€ 494.940
€ 281.780
532
€ 776.720
454
Leiderdorp
€ 128.480
€ 74.460
139
€ 202.940
414
Leidschendam-Voorburg
€ 400.040
€ 229.220
431
€ 629.260
422
Lelystad
€ 446.760
€ 255.500
481
€ 702.260
307
Leudal
€ 559.180
€ 318.280
601
€ 877.460
307
Leusden
€ 159.140
€ 91.980
172
€ 251.120
437
Lingewaard
€ 432.160
€ 245.280
464
€ 677.440
366
Lisse
€ 151.840
€ 86.140
163
€ 237.980
416
Leeuwarden
7
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2023
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
Naam gemeente
8
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2023
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2024
Totaal aantal woningen dat aangevraagd kan worden
Totaalbedrag dat aangevraagd kan worden
Gemiddelde WOZ-waarde koopwoningen 2022 (x € 1.000)
Lochem
€ 366.460
€ 208.780
394
€ 575.240
432
Loon op Zand
€ 182.500
€ 103.660
196
€ 286.160
360
Lopik
€ 124.100
€ 70.080
133
€ 194.180
424
Losser
€ 303.680
€ 173.740
327
€ 477.420
335
Maasdriel
€ 245.280
€ 140.160
264
€ 385.440
388
Maasgouw
€ 359.160
€ 204.400
386
€ 563.560
295
Maashorst
€ 455.520
€ 259.880
490
€ 715.400
395
Maassluis
€ 143.080
€ 80.300
153
€ 223.380
322
Maastricht
€ 570.860
€ 325.580
614
€ 896.440
353
Medemblik
€ 494.940
€ 281.780
532
€ 776.720
369
Meerssen
€ 262.800
€ 150.380
283
€ 413.180
341
Meierijstad
€ 662.840
€ 379.600
714
€ 1.042.440
394
Meppel
€ 319.740
€ 182.500
344
€ 502.240
308
Middelburg
€ 515.380
€ 294.920
555
€ 810.300
281
Midden-Delfland
€ 86.140
€ 48.180
92
€ 134.320
470
Midden-Drenthe
€ 452.600
€ 256.960
486
€ 709.560
305
Midden-Groningen
€ 1.005.940
€ 573.780
1082
€ 1.579.720
247
Moerdijk
€ 365.000
€ 207.320
392
€ 572.320
322
Molenlanden
€ 354.780
€ 201.480
381
€ 556.260
397
Montferland
€ 439.460
€ 251.120
473
€ 690.580
297
Montfoort
€ 115.340
€ 65.700
124
€ 181.040
408
Mook en Middelaar
€ 67.160
€ 37.960
72
€ 105.120
390
Neder-Betuwe
€ 194.180
€ 110.960
209
€ 305.140
356
Nederweert
€ 166.440
€ 94.900
179
€ 261.340
357
Nieuwegein
€ 274.480
€ 157.680
296
€ 432.160
337
Nieuwkoop
€ 204.400
€ 116.800
220
€ 321.200
421
Nijkerk
€ 290.540
€ 164.980
312
€ 455.520
433
Nijmegen
€ 775.260
€ 442.380
834
€ 1.217.640
395
Nissewaard
€ 515.380
€ 294.920
555
€ 810.300
285
Noardeast-Fryslân
€ 876.000
€ 500.780
943
€ 1.376.780
266
Noord-Beveland
€ 147.460
€ 84.680
159
€ 232.140
287
Noordenveld
€ 438.000
€ 249.660
471
€ 687.660
342
Noordoostpolder
€ 423.400
€ 240.900
455
€ 664.300
302
Noordwijk
€ 284.700
€ 163.520
307
€ 448.220
506
Nuenen, Gerwen en Nederwetten
€ 164.980
€ 93.440
177
€ 258.420
454
Nunspeet
€ 243.820
€ 140.160
263
€ 383.980
412
Oegstgeest
€ 99.280
€ 56.940
107
€ 156.220
572
Oirschot
€ 202.940
€ 115.340
218
€ 318.280
455
Oisterwijk
€ 261.340
€ 148.920
281
€ 410.260
479
Oldambt
€ 779.640
€ 445.300
839
€ 1.224.940
239
Oldebroek
€ 176.660
€ 100.740
190
€ 277.400
375
Oldenzaal
€ 302.220
€ 172.280
325
€ 474.500
336
Olst-Wijhe
€ 182.500
€ 103.660
196
€ 286.160
371
Ommen
€ 200.020
€ 112.420
214
€ 312.440
361
Oost Gelre
€ 389.820
€ 223.380
420
€ 613.200
288
Oosterhout
€ 391.280
€ 224.840
422
€ 616.120
360
Ooststellingwerf
€ 448.220
€ 256.960
483
€ 705.180
309
Oostzaan
€ 71.540
€ 42.340
78
€ 113.880
482
Opmeer
€ 128.480
€ 74.460
139
€ 202.940
358
Opsterland
€ 448.220
€ 256.960
483
€ 705.180
325
Oss
€ 728.540
€ 416.100
784
€ 1.144.640
350
Oude IJsselstreek
€ 553.340
€ 315.360
595
€ 868.700
313
Ouder-Amstel
€ 40.880
€ 24.820
45
€ 65.700
619
Oudewater
€ 74.460
€ 42.340
80
€ 116.800
415
Overbetuwe
€ 372.300
€ 213.160
401
€ 585.460
375
Papendrecht
€ 224.840
€ 128.480
242
€ 353.320
323
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
Naam gemeente
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2024
Totaal aantal woningen dat aangevraagd kan worden
Totaalbedrag dat aangevraagd kan worden
Gemiddelde WOZ-waarde koopwoningen 2022 (x € 1.000)
Peel en Maas
€ 467.200
€ 267.180
503
€ 734.380
332
Pekela
€ 281.780
€ 160.600
303
€ 442.380
192
Pijnacker-Nootdorp
€ 183.960
€ 105.120
198
€ 289.080
448
Purmerend
€ 505.160
€ 289.080
544
€ 794.240
381
Putten
€ 207.320
€ 119.720
224
€ 327.040
482
Raalte
€ 350.400
€ 200.020
377
€ 550.420
363
Reimerswaal
€ 300.760
€ 172.280
324
€ 473.040
266
Renkum
€ 146.000
€ 83.220
157
€ 229.220
411
Renswoude
€ 32.120
€ 18.980
35
€ 51.100
448
Reusel-De Mierden
€ 146.000
€ 83.220
157
€ 229.220
417
Rheden
€ 456.980
€ 261.340
492
€ 718.320
347
Rhenen
€ 156.220
€ 89.060
168
€ 245.280
424
Ridderkerk
€ 321.200
€ 183.960
346
€ 505.160
330
Rijssen-Holten
€ 359.160
€ 204.400
386
€ 563.560
356
Rijswijk
€ 201.480
€ 113.880
216
€ 315.360
387
Roerdalen
€ 350.400
€ 200.020
377
€ 550.420
285
Roermond
€ 506.620
€ 289.080
545
€ 795.700
298
Roosendaal
€ 715.400
€ 407.340
769
€ 1.122.740
310
Rotterdam
€ 2.241.100
€ 1.278.960
2411
€ 3.520.060
364
Rozendaal
€ 8.760
€ 5.840
10
€ 14.600
646
Rucphen
€ 283.240
€ 162.060
305
€ 445.300
364
Schagen
€ 493.480
€ 281.780
531
€ 775.260
349
Scherpenzeel
€ 116.800
€ 67.160
126
€ 183.960
383
Schiedam
€ 400.040
€ 229.220
431
€ 629.260
309
Schiermonnikoog
€ 16.060
€ 8.760
17
€ 24.820
387
Schouwen-Duiveland
€ 461.360
€ 261.340
495
€ 722.700
347
€ 2.298.040
€ 1.311.080
2472
€ 3.609.120
425
’s-Hertogenbosch
€ 743.140
€ 423.400
799
€ 1.166.540
419
Simpelveld
€ 143.080
€ 80.300
153
€ 223.380
256
Sint-Michielsgestel
€ 293.460
€ 167.900
316
€ 461.360
442
€ 1.146.100
€ 654.080
1233
€ 1.800.180
265
Sliedrecht
€ 186.880
€ 108.040
202
€ 294.920
308
Sluis
€ 367.920
€ 210.240
396
€ 578.160
294
Smallingerland
€ 611.740
€ 348.940
658
€ 960.680
285
Soest
€ 287.620
€ 163.520
309
€ 451.140
469
Someren
€ 176.660
€ 100.740
190
€ 277.400
402
Son en Breugel
€ 112.420
€ 62.780
120
€ 175.200
446
Stadskanaal
€ 588.380
€ 334.340
632
€ 922.720
246
Staphorst
€ 135.780
€ 77.380
146
€ 213.160
345
Stede Broec
€ 239.440
€ 135.780
257
€ 375.220
325
Steenbergen
€ 268.640
€ 151.840
288
€ 420.480
320
Steenwijkerland
€ 582.540
€ 332.880
627
€ 915.420
319
Stein
€ 419.020
€ 239.440
451
€ 658.460
272
Stichtse Vecht
€ 372.300
€ 213.160
401
€ 585.460
453
Súdwest-Fryslân
€ 1.268.740
€ 722.700
1364
€ 1.991.440
295
Terneuzen
€ 791.320
€ 449.680
850
€ 1.241.000
244
Terschelling
€ 59.860
€ 35.040
65
€ 94.900
434
Texel
€ 205.860
€ 118.260
222
€ 324.120
378
Teylingen
€ 210.240
€ 119.720
226
€ 329.960
467
Tholen
€ 341.640
€ 195.640
368
€ 537.280
257
Tiel
€ 290.540
€ 164.980
312
€ 455.520
316
€ 1.363.640
€ 776.720
1466
€ 2.140.360
339
Tubbergen
€ 211.700
€ 119.720
227
€ 331.420
400
Twenterand
€ 410.260
€ 235.060
442
€ 645.320
324
Tynaarlo
€ 426.320
€ 243.820
459
€ 670.140
381
Tytsjerksteradiel
€ 579.620
€ 329.960
623
€ 909.580
283
Uitgeest
€ 97.820
€ 55.480
105
€ 153.300
408
’s-Gravenhage
Sittard-Geleen
Tilburg
9
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2023
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
Naam gemeente
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2024
Totaal aantal woningen dat aangevraagd kan worden
Totaalbedrag dat aangevraagd kan worden
Gemiddelde WOZ-waarde koopwoningen 2022 (x € 1.000)
Uithoorn
€ 132.860
€ 74.460
142
€ 207.320
420
Urk
€ 156.220
€ 89.060
168
€ 245.280
314
€ 1.005.940
€ 573.780
1082
€ 1.579.720
488
Utrechtse Heuvelrug
€ 335.800
€ 191.260
361
€ 527.060
507
Vaals
€ 99.280
€ 56.940
107
€ 156.220
274
Valkenburg aan de Geul
€ 185.420
€ 106.580
200
€ 292.000
331
Valkenswaard
€ 254.040
€ 146.000
274
€ 400.040
390
Veendam
€ 506.620
€ 289.080
545
€ 795.700
212
Veenendaal
€ 322.660
€ 185.420
348
€ 508.080
366
Veere
€ 331.420
€ 189.800
357
€ 521.220
360
Veldhoven
€ 322.660
€ 185.420
348
€ 508.080
435
Velsen
€ 448.220
€ 256.960
483
€ 705.180
431
Venlo
€ 1.026.380
€ 585.460
1104
€ 1.611.840
290
Venray
€ 386.900
€ 220.460
416
€ 607.360
323
Vijfheerenlanden
€ 398.580
€ 227.760
429
€ 626.340
389
Vlaardingen
€ 417.560
€ 237.980
449
€ 655.540
307
Vlieland
€ 7.300
€ 4.380
8
€ 11.680
419
Vlissingen
€ 477.420
€ 273.020
514
€ 750.440
247
Voerendaal
€ 157.680
€ 90.520
170
€ 248.200
319
Voorne aan Zee
€ 354.780
€ 405.880
521
€ 760.660
3611
Voorschoten
€ 124.100
€ 70.080
133
€ 194.180
506
Voorst
€ 249.660
€ 141.620
268
€ 391.280
419
Vught
€ 183.960
€ 105.120
198
€ 289.080
533
Waadhoeke
€ 824.900
€ 470.120
887
€ 1.295.020
239
Waalre
€ 146.000
€ 83.220
157
€ 229.220
481
Waalwijk
€ 465.740
€ 265.720
501
€ 731.460
349
Waddinxveen
€ 182.500
€ 103.660
196
€ 286.160
372
Wageningen
€ 124.100
€ 70.080
133
€ 194.180
433
Wassenaar
€ 103.660
€ 58.400
111
€ 162.060
836
Waterland
€ 151.840
€ 86.140
163
€ 237.980
471
Weert
€ 570.860
€ 325.580
614
€ 896.440
317
West Betuwe
€ 458.440
€ 262.800
494
€ 721.240
393
West Maas en Waal
€ 213.160
€ 121.180
229
€ 334.340
368
Westerkwartier
€ 931.480
€ 531.440
1002
€ 1.462.920
300
Westerveld
€ 284.700
€ 163.520
307
€ 448.220
365
Westervoort
€ 96.360
€ 55.480
104
€ 151.840
306
Westerwolde
€ 582.540
€ 332.880
627
€ 915.420
274
Westland
€ 658.460
€ 375.220
708
€ 1.033.680
424
Weststellingwerf
€ 410.260
€ 235.060
442
€ 645.320
308
Wierden
€ 273.020
€ 156.220
294
€ 429.240
379
Wijchen
€ 335.800
€ 191.260
361
€ 527.060
362
Wijdemeren
€ 204.400
€ 116.800
220
€ 321.200
553
Wijk bij Duurstede
€ 127.020
€ 73.000
137
€ 200.020
397
Winterswijk
€ 417.560
€ 237.980
449
€ 655.540
290
Woensdrecht
€ 289.080
€ 164.980
311
€ 454.060
325
Woerden
€ 294.920
€ 169.360
318
€ 464.280
414
Wormerland
€ 137.240
€ 78.840
148
€ 216.080
410
Woudenberg
€ 97.820
€ 55.480
105
€ 153.300
439
Zaanstad
€ 1.108.140
€ 632.180
1192
€ 1.740.320
369
Zaltbommel
€ 230.680
€ 131.400
248
€ 362.080
370
Zandvoort
€ 124.100
€ 70.080
133
€ 194.180
537
Zeewolde
€ 56.940
€ 32.120
61
€ 89.060
371
Zeist
€ 277.400
€ 157.680
298
€ 435.080
586
Zevenaar
€ 554.800
€ 316.820
597
€ 871.620
313
Zoetermeer
€ 394.200
€ 223.380
423
€ 617.580
350
Zoeterwoude
€ 64.240
€ 36.500
69
€ 100.740
447
Zuidplas
€ 232.140
€ 132.860
250
€ 365.000
402
Utrecht
10
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2023
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
Naam gemeente
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2024
Totaal aantal woningen dat aangevraagd kan worden
Totaalbedrag dat aangevraagd kan worden
Gemiddelde WOZ-waarde koopwoningen 2022 (x € 1.000)
Zundert
€ 252.580
€ 144.540
272
€ 397.120
389
Zutphen
€ 401.500
€ 230.680
433
€ 632.180
314
Zwartewaterland
€ 213.160
€ 121.180
229
€ 334.340
299
Zwijndrecht
€ 332.880
€ 191.260
359
€ 524.140
316
Zwolle
€ 638.020
€ 363.540
686
€ 1.001.560
374
1
11
Bedrag dat maximaal wordt uitgekeerd in 2023
Voorne aan Zee is samengesteld uit de voormalige gemeente Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne. De gemiddelde WOZ waarde is gebaseerd op het gewogen gemiddelde van het aantal koopwoningen in deze voormalige gemeenten.
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
TOELICHTING I. Algemeen 1. Inleiding Deze regeling strekt ertoe een specifieke uitkering aan gemeenten mogelijk te maken om slecht geïsoleerde woningen te verduurzamen in het kader van het Nationaal Isolatieprogramma. Het betreft daarbij woningen van eigenaar-bewoners en woningen in (gemengde) verenigingen. In het Coalitieakkoord ’Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ is het Nationaal Isolatieprogramma opgenomen met commitment en middelen tot ten minste 2030 om woningen sneller, slimmer en socialer te isoleren. Het doel van het Nationaal Isolatieprogramma is om 2,5 miljoen woningen te isoleren in de periode tot en met 2030, met de nadruk op de 1,5 miljoen slecht geïsoleerde woningen (label E, F en G) waarbij één of meerdere stappen worden gezet richting de standaard voor woningisolatie1. Om klimaatverandering tegen te gaan, wordt gestreefd naar ten minste 55% CO2-reductie in de Klimaatwet en wordt het beleid gericht op een hogere opgave, wat neerkomt op circa 60% in 2030 ten opzichte van 19902. Zo wordt klimaatverandering zoveel als mogelijk tegen gegaan en ons land leefbaar gehouden voor de toekomstige generaties. Het isoleren van woningen draagt bij aan CO2-reductie. Het is immers essentieel de vraag naar energie terug te brengen, om dan in de resterende vraag te kunnen voorzien met duurzame energiebronnen.
Bovendien lopen de bewoners van goed geïsoleerde woningen minder risico op een hoge energierekening en energiearmoede. Ook wordt de overstap van aardgas naar duurzame bronnen makkelijker en leidt goede isolatie en kierdichting samen met goede ventilatie tot meer comfort en een gezonder leefklimaat in een woning. Zonder overheidsingrijpen komt isolatie van woningen met onvoldoende snelheid tot stand. Dit kan voor eigenaar-bewoners gelegen zijn in de kosten van isoleren van de woning, maar ook in de complexiteit van het proces. Het Nationaal Isolatieprogramma bestaat uit vier actielijnen. Actielijn 1 richt zich op de isolatie van 750.000 woningen van eigenaar-bewoners waarbij gemeenten bewoners ondersteunen. Daar is deze regeling op gericht. Actielijn 2 is gericht op de isolatie van 1 miljoen huurwoningen door verhuurders. Actielijn 3 is gericht op het versneld isoleren van 750.000 woningen van eigenaar- bewoners op eigen initiatief. Actielijn 4 is gericht op het besparen van energie door laagdrempelige maatregelen. Voor een uitgebreidere omschrijving van het Nationaal Isolatieprogramma wordt verwezen naar de website met meer informatie.3 Deze regeling werkt actielijn 1 uit voor de jaren 2023 en 2024.
De ambitie van actielijn 1 van het Nationaal Isolatieprogramma is om in de periode tot en met 2030 in totaal ongeveer 750.000 koopwoningen te isoleren via een lokale aanpak samen met gemeenten. Gemeenten kunnen hiervoor isolatieprogramma’s4 maken. Het gaat daarbij om meerjarige plannen, die kunnen aansluiten bij de transitievisies warmte en bewonersinitiatieven en zich zoveel als mogelijk richten op het verbeteren van woningen met de slechtste labels. Deze actielijn van het Nationaal Isolatieprogramma is er op gericht juist eigenaar-bewoners die moeite hebben met het verduurzamen van hun woning te helpen via ondersteuning en extra financiële middelen naast al bestaande subsidies die voor alle woningeigenaren beschikbaar zijn5. Om ervoor te zorgen dat de middelen voor de isolatieaanpak vooral terecht komen bij de mensen die de middelen het hardst nodig hebben, wordt gemeenten gevraagd in het isolatieprogramma toe te lichten hoe zij met deze middelen eigenaar-bewoners met (risico op) energiearmoede gaan bereiken. De lokale aanpak van het Nationaal Isolatieprogramma is onderdeel van de programmatische aanpak van slecht geïsoleerde woningen, waarbij verschillende, meerjarige actielijnen een samenhangend
1
2 3 4
5
12
De standaard is een advies voor de isolatiegraad van uw woning. Deze standaard geeft aan wanneer een woning goed genoeg is geïsoleerd om aardgasvrij te worden. Zie voor meer informatie: https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaamondernemen/ gebouwen/wetten-en-regels/standaard-en-streefwaarden-voor-woningisolatie. Coalitieakkoord ’Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst’ van 15 december 2021. Zie: https://www.volkshuisvestingnederland.nl/onderwerpen/nationaal-isolatieprogramma. Met de term ‘isolatieprogramma’ wordt niet bedoeld een programma onder de Omgevingswet, al kan een gemeente er wel zelf voor kiezen om het als zodanig vorm te geven. Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en de per 23 januari 2023 te starten regeling Subsidie verduurzaming voor verenigingen Eigenaar (SVVE)
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
geheel vormen.6 Gemeenten kunnen bewoners van koopwoningen en gemengde verenigingen waarin zich ten minste één koopwoning bevindt (hierna: gemengde verenigingen) zoveel als mogelijk ondersteunen, zodat de eigenaar-bewoners en/of verenigingen weten wat ze kunnen verbeteren aan hun woning of gebouw/appartement (hierna: woning). Dit kan bijvoorbeeld straat voor straat, buurt voor buurt, maar ook bijvoorbeeld gericht op gelijksoortige woningen. Wanneer uw gemeente overweegt om gezamenlijk met andere gemeenten in te dienen, kan het programma Verbouwstromen ondersteunen bij het definiëren van de aanpak en bij indiening met capaciteit en met het verbinden aan relevante partijen.
Het programma Verbouwstromen stimuleert het organiseren van opschaalbaar aanbod in een effectief proces voor gemeente, aanbieder, bewoner en adviseur.7 De ondersteuning door gemeenten kan – al dan niet via bewonersinitiatieven8 – naast het financieren van energiebesparende isolatiemaatregelen, eventueel in samenhang met energiezuinige ventilatiemaatregelen, ook betrekking hebben op het activeren van eigenaar-bewoners en/of gemengde verenigingen, het adviseren welke maatregelen kunnen worden genomen in de woning als op het aanvragen van subsidie en het adviseren over of bemiddelen in krediet voor de financiering van isolatie- en ventilatiemaatregelen, zoals de Energiebespaarlening van het Nationaal Warmtefonds. Wanneer op grond van deze regeling een energieadvies wordt gegeven voor eigenaar-bewoners van gemengde verenigingen of de gehele Vereniging van Eigenaren (VvE) kan overigens niet voor hetzelfde gebouw subsidie worden verstrekt op grond van Subsidieregeling Verduurzaming voor Verenigingen van Eigenaars9. Dat geldt niet voor isolatiemaatregelen zelf. Daarvan kan de subsidie wel worden gecombineerd. Gemeenten kunnen de lokale isolatieaanpak ook betrekken bij de wijkgerichte verduurzaming van de gebouwde omgeving zoals die in de transitievisies warmte en uitvoeringsplannen wordt vormgegeven.
Immers, in wijken waar de gemeente aan de slag gaat met de wijkgerichte verduurzaming zullen de woningen veelal ook moeten worden geïsoleerd, waarna ze kunnen worden aangesloten op een duurzaam alternatief voor aardgas. De lokale aanpak kan ook worden ingezet om doe-het-zelf-maatregelen te ondersteunen. Zoals in de brief aan de Tweede Kamer van 7 november 202210 is aangegeven kunnen doe-het-zelvers een belangrijke bijdrage leveren in de gewenste versnelling van het isoleren van de 1,5 miljoen koopwoningen, een van de doelstellingen van het Nationaal isolatieprogramma, met name bij de niet al te ingewikkelde isolatiemaatregelen. Het is hierbij van belang de doe-het-zelvers gericht te ondersteunen. Dit zal niet alleen helpen bij het versnellen van de aanpak van slecht geïsoleerde woningen, maar helpt ook wachttijden te beperken in de professionele markt. Als meer woningeigenaren niet al te ingewikkelde isolatiemaatregelen zelf uitvoeren, dan kunnen de professionals zich richten op de meer complexe isolatiewerkzaamheden. De snelste en beste manier om deze ondersteuning vorm te geven is om daarbij aan te sluiten bij de lokale aanpak. Gemeenten kunnen dan ook doe-het-zelf-maatregelen onderdeel uit laten maken van de lokale aanpak. Daarbij geldt overigens wel dat deze doe-het-zelfmaatregelen aan de eisen van de regeling moeten voldoen.
Het gaat dan om de eisen die in de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (hierna: ISDE) en de Subsidie verduurzaming voor verenigingen Eigenaar (hierna: SVVE) gelden voor minimale Rd- of maximale U-waardes en minimaal aantal m2. Bij doe-het-zelf maatregelen is het echter niet mogelijk ISDE of SVVE subsidie aan te vragen. Zoals in genoemde brief is aangeven zal BZK samen met stakeholders een werkwijze ontwikkelen die door gemeenten toegepast en gekopieerd kan worden. Gemeenten worden ondersteund bij de lokale aanpak via het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (hierna: NPLW). Het NPLW ondersteunt gemeenten door kennis op te doen over wat werkt in de praktijk, kennisproducten en handreikingen te ontwikkelen en kennis en ervaring uit te wisselen in leerkringen en netwerkbijeenkomsten. Aanvullend is er een regionale ondersteuningsstructuur om de samenwerking tussen gemeenten te ondersteunen. De middelen die binnen de lokale aanpak voor verstrekking aan gemeenten beschikbaar zijn, worden op verschillende momenten beschikbaar gesteld aan gemeenten: • In 2022 is een deel van het beschikbare budget voor de lokale aanpak reeds beschikbaar gesteld11 aan gemeenten via een specifieke uitkering die kon worden toegekend op grond van een supple-
6
De verschillende actielijnen zijn beschreven op: https://www.volkshuisvestingnederland.nl/onderwerpen/nationaalisolatieprogramma. 7 Zie voor meer informatie: https://verbouwstromen.nu 8 De gemeente kan samenwerken met een bewonersinitiatief of buurtcentrum om bewoners te activeren en ontzorgen bij het isoleren van de woning. De ervaring uit het Programma Aardgasvrije Wijken leert dat de wijken waar een bewonersinitiatief actief is, de bewonerstevredenheid hoger is. Het vertrouwen is groter en de communicatie laagdrempeliger. Bovendien staan bewonersinitiatieven of buurthuizen vaak dichter bij bewoners en kunnen zij hen makkelijker bereiken en benaderen. 9 Zie artikel 5, achtste lid, Staatscourant 2022, 32650 10 Kamerstukken II, 2022./2023, 30 196 nr. 802 11 Zie: https://www.volkshuisvestingnederland.nl/onderwerpen/aanpak-energiearmoede/documenten/publicaties/ 2022/07/26/blanco-wijziging-beschikking-middelen-aanpak-energiearmoede.
13
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
•
•
toire begrotingswet.12 Dit betrof in totaal € 68.500.000. Op basis van onderhavige regeling worden bedragen aan gemeenten toegekend voor 2023 en 2024. Deze middelen kunnen in 2023 worden aangevraagd en betreffen de eerste tranche. In totaal is er € 206.625.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen op basis van deze regeling. In 2024 en 2025 (de tweede en derde tranche) kunnen op basis van een nieuwe regeling aanvragen worden gedaan voor latere jaren. In totaal is er € 823.320.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen op basis van die regeling.13
Actielijn 1, de lokale aanpak, heeft betrekking op eigenaar-bewoners en gemengde verenigingen die hulp nodig hebben bij het isoleren en eventueel ventileren van hun woning; bij het kiezen van de energiebesparende isolatie- en eventuele energiezuinige ventilatiemaatregelen of bij het aanvragen van subsidie of financiering of andere vormen van ondersteuning. In de verdeelsleutel is daar rekening mee gehouden, zie paragraaf 2.5 voor een uitgebreidere toelichting op de verdeelsleutel. Alle gemeenten in Nederland kunnen aanspraak maken op een specifieke uitkering tot ten hoogste het bedrag dat voor die gemeente op grond van de verdeelsleutel is bepaald. Met deze regeling wordt de grondslag gecreëerd voor het verstrekken van specifieke uitkeringen aan gemeenten om eigenaar-bewoners en gemengde verenigingen te ondersteunen bij het isoleren van slecht geïsoleerde woningen. Daarnaast kunnen gemeenten ook verenigingen, waaronder verenigingen van eigenaars, woonverenigingen of wooncoöperaties, op dezelfde manier ondersteunen, als er zich ten minste één koopwoning binnen die vereniging bevindt. Hier is voor gekozen omdat er zich ook veel koopwoningen binnen dergelijke verenigingen bevinden. Ook die woningen moeten worden geïsoleerd.
Aangezien het bij energiebesparende isolatie- en energiezuinige ventilatiemaatregelen vaak maatregelen betreft waar de vereniging in gezamenlijkheid over beslist en niet de individuele appartementseigenaar, is het belangrijk om ook dat bezit op deze manier te bereiken. Indien hier verhuurwoningen tussen zitten, is het belangrijk dat gemeenten goed letten op de staatssteunregels, zie hoofdstuk 5 van deze toelichting voor een aanvullende toelichting over staatssteun. Het Rijk stelt op grond van deze regeling middelen beschikbaar voor gemeenten om eigenaarbewoners en gemengde verenigingen extra ondersteuning te bieden. Het gaat daarbij om het bieden van hulp en ondersteuning, dus niet enkel in de vorm van financiële middelen, maar ook met gericht advies en ondersteuning waarbij naar de specifieke situatie van de betreffende woning, appartement of het betreffende gebouw wordt gekeken en wordt geholpen bij het maken van keuzes, plannen en bij de uitvoering. De lokale aanpak kenmerkt zich daarbij door een proactieve aanpak; de gemeente benadert eigenaren actief of werkt daarvoor samen met bewonersinitiatieven of lokale partijen. Het ligt in de rede dat gemeenten hun inzet met name richten op eigenaar-bewoners die de hulp het meest nodig hebben.
Zoals eerder aangegeven wordt gemeenten gevraagd in hun isolatieprogramma en aanvraag toe te lichten hoe zij eigenaar-bewoners met (risico op) energiearmoede gaan bereiken. Het ligt daarbij in de rede in ieder geval de eigenaar-bewoners die in aanmerking komen voor een energietoeslag te betrekken. Daarbij heeft de gemeente beleidsvrijheid bij de invulling maar de gemeente wordt wel verplicht om de focus te leggen op woningen met een lage WOZ-waarde als (aanvullende) indicator om eigenaar-bewoners met een kleine beurs te bereiken. Een TNO studie uit 202114 laat zien dat de huizen van energiearme huishoudens niet significant kleiner of groter zijn dan gemiddeld. De waarde van de woningen van energiearme huishoudens liggen daarentegen wel aanzienlijk lager dan gemiddeld, met uitzondering van de energetisch minder goede woningen waarvan de eigenaren onvoldoende financiële capaciteit hebben om zelf te verduurzamen. De gemeente kan ervoor kiezen om de middelen voor energiebesparende isolatie- en eventuele samenhangende energiezuinige ventilatiemaatregelen in de woning te differentiëren en sommige eigenaar-bewoners meer financiële ondersteuning te geven dan anderen, als zij dat meer nodig hebben. De gemeente heeft de beleidsvrijheid om daar zelf een goede afweging in te maken.
Om te borgen dat de middelen zo gericht mogelijk worden ingezet voor eigenaar-bewoners die op extra ondersteuning zijn aangewezen is wel een aanvullende voorwaarde opgenomen. Tenminste 80% van de woningen die met behulp van deze regeling worden geïsoleerd al dan niet in combinatie met ventilatiemaatregelen moet een WOZ-waarde hebben die onder het gemiddelde van de koopwoningen van de gemeente ligt (de voorlopige cijfers van het CBS voor 2022 worden gebruikt, ook opgenomen in bijlage I) of onder de WOZ-grens van de Nationale hypotheekgarantie van 2023 liggen (€ 429.300,–). Voor de gemiddelde WOZ-waarde wordt uitgegaan van het voorlopige gemiddelde voor koopwoningen voor 2022 zoals door het CBS gepubliceerd op statline. Deze is ook opgenomen in bijlage I.
12
Kamerstukken II 2021/22, 30 196 nr. 790. De verdeling over sectoren van de middelen in het Klimaatfonds uit het Coalitieakkoord is indicatief. Daarmee is de verdeling van het budget voor het Nationaal Isolatieprogramma over de verschillende actielijnen (zie Kamerstukken II 2021/22 30 196 nr. 791) ook indicatief. Besluitvorming over de definitieve toekenning van de middelen in het Klimaatfonds zal nog plaatsvinden. 14 De feiten over energiearmoede in Nederland, Inzicht op nationaal en lokaal niveau (TNO 2021 P11678 / 21 september 2021) 13
14
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
Gemeenten kunnen in de lokale aanpak samenwerken met bouw- en isolatiebedrijven, intermediairs die grootschalige collectieve acties organiseren en eigenaar-bewoners of gemengde verenigingen van A tot Z ontzorgen, (consortia van) aanbieders met gestandaardiseerd aanbod voor gelijksoortige typen woningen of andere marktpartijen. Gemeenten kunnen er bij het organiseren van die samenwerking voor kiezen om onderling samen te werken, bijvoorbeeld om zo de uitvoeringskracht te vergroten. De gemeente die de specifieke uitkering ontvangt, verantwoordt over de besteding van die middelen bij de minister. Deze regeling is, als onderdeel van actielijn 1, gericht op eigenaar-bewoners en gemengde verenigingen. De ambitie uit het Coalitieakkoord om één miljoen huurwoningen naar de isolatiestandaard te isoleren wordt op een andere wijze vorm gegeven. Zo zijn inmiddels prestatieafspraken gemaakt met Aedes15 waarbij onder meer is afgesproken dat de slechte energielabels (E, F, G) van woningcorporaties uiterlijk in 2028 zijn verbeterd. Naast deze prestatieafspraken zullen per 2030 wettelijke eisen gesteld worden aan (de verhuur van) huurwoningen. Dit moet ervoor zorgen dat huurwoningen in 2030 minimaal energielabel D hebben – ook private huurwoningen. Ook zal het woningwaarderingsstelsel worden aangepast waarbij aftrekpunten worden toegekend voor huurwoningen met de energielabels E, F en G.
Zie daartoe de brief aan de Tweede Kamer van 9 december 202216. Particuliere verhuurders worden gestimuleerd te verduurzamen via de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (hierna: SVOH). Het is wenselijk om de mogelijkheid te hebben om de voorwaarden in de regeling bij te stellen, om zo lessen uit eerdere jaren, voortschrijdend inzicht en nieuwe ontwikkelingen, in samenspraak met gemeenten en de Tweede Kamer, te kunnen accommoderen. Er wordt na deze regeling in 2024 en 2025 een nieuwe regeling opengesteld. Daarin worden de ervaringen uit deze eerste tranche verwerkt. Aangezien het Nationaal Isolatieprogramma meerjarig is en het budget is verdeeld over meerdere jaren, is een wettelijke grondslag voor de specifieke uitkering vereist. Er is reeds een AMvB in voorbereiding op grond van artikel 81, tweede lid, van de Woningwet, waarin grondslagen voor het toekennen van specifieke uitkeringen voor meerdere onderwerpen zal worden geregeld, waaronder ook voor dit Nationaal Isolatieprogramma. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO) is belast met de uitvoering van deze regeling op grond van een daartoe verkregen mandaat, volmacht en machtiging.
2. Inhoud 2.1 Nut en noodzaak De overheidsuitgaven voor het Nationaal Isolatieprogramma tot en met 2030 (in totaal € 3,864 miljard)17, en deze regeling daarbinnen met de grondslag voor het verstrekken van specifieke uitkeringen in 2023 en 2024 (ten bedrage van € 206.625.000), betreffen grote investeringen. Dit is nodig vanwege de urgentie van het probleem. Het klimaat verandert. Het wordt steeds warmer op aarde. Als gevolg daarvan nemen de risico’s toe op overstromingen, infectieziekten, verlies van biodiversiteit en verstoring van de drinkwatervoorziening. Hierdoor bestaat het gevaar op een minder leefbaar land voor de toekomstige generaties. Door een koppeling van de lokale aanpak aan de landelijke subsidies, zoals de breed toegankelijke ISDE en de per 23 januari 2023 te starten regeling SVVE, wordt een grotere impact gemaakt. Deze koppeling wordt in de komende paragrafen toegelicht. Bovendien biedt dit de mogelijkheid om op lokaal niveau maatwerk te bieden en eigenaar-bewoners en gemengde verenigingen te ondersteunen. Door gemeenten te ondersteunen om een lokale aanpak vorm te geven, daarmee de slechtst geïsoleerde woningen aan te pakken en de mensen die dat nodig hebben daarbij goed te ondersteunen, draagt deze regeling bij aan het tegengaan van klimaatverandering.
2.2 Inhoud van deze regeling Zoals in de inleiding aangegeven, heeft deze regeling slechts betrekking op een deel van het budget voor actielijn 1. De inzet is met deze regeling circa 142.000 koopwoningen te isoleren, en de inzet van heel actielijn 1 is om 750.000 koopwoningen te isoleren.
15
Kamerstukken II, 2021/2002, 29 453 nr. 551. Kamerstukken II, 2022/203, 27 926, nr. 372. 17 Zie de bijlage bij Kamerstukken II 2012/22, 30 196 nr. 791. 16
15
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
Op grond van artikel 4 doet een gemeente een aanvraag voor een aantal slecht geïsoleerde woningen waarin de gemeente verwacht isolatie- en eventuele energiezuinige ventilatiemaatregelen te bewerkstelligen. Per slecht geïsoleerde woning ontvangt de gemeente € 1.460. Het maximum bedrag dat de gemeente kan aanvragen staat in de bijlage. De gemeente kan in een tweetal tijdvakken in 2023 het gehele bedrag voor 2023 en 2024 aanvragen maar uitbetaling vindt verspreid over 2023 en 2024 plaats. Dit hangt samen met de verdeling van de middelen op de begroting van BZK. De activiteiten waar de gemeente deze specifieke uitkering aan kan besteden zijn opgenomen in artikel 2, tweede en derde lid. Daarbinnen heeft de gemeente de vrijheid over de wijze waarop deze middelen over de verschillende activiteiten worden verdeeld. Uitgangspunt daarbij is dat de inzet leidt tot één of meer isolatiemaatregelen (eventueel in samenhang met ventilatiemaatregelen) in het aantal woningen waarvoor de uitkering is verstrekt. Voor het duiden van de energiebesparende isolatiemaatregelen is aangesloten bij de ISDE18 voor eigenaar-bewoners en de SVVE voor verenigingen. Dit betreft grotere energiebesparende isolatiemaatregelen met eisen zoals minimale Rd-waardes of maximale U-waardes en de minimaal te isoleren m2.
Waar in de toelichting wordt gerefereerd aan ‘energiebesparende isolatiemaatregelen’, worden de energiebesparende isolatiemaatregelen bedoeld zoals in de ISDE en de SVVE omschreven. Om toekomstige gezondheidsproblemen te voorkomen, is het van belang dat gemeenten het informeren over of het (laten) uitvoeren van energiezuinige ventilatiemaatregelen onderdeel maken van de lokale aanpak. Daarnaast is bepaald dat de bijdrage voor energiebesparende isolatie- en energiezuinige ventilatiemaatregelen maximaal € 4.000 per woning bedraagt. Dit is bedoeld om te borgen dat de regeling doelmatig is aangezien zo meer woningen kunnen worden geïsoleerd. Daarop kan een uitzondering worden gemaakt voor eigenaar-bewoners die in aanmerking komen voor een energietoeslag19, schuldhulpverlening, een schuldsaneringsregeling of die in een schuldsanering zitten. Zij hebben mogelijk extra ondersteuning nodig om maatregelen te treffen. Ook is in artikel 2 derde lid bepaald dat gemeenten die een specifieke uitkering ontvangen de middelen kunnen inzetten voor gerichte ondersteuning aan eigenaar-bewoners en gemengde verenigingen die daar zelf niet uit komen. Bijvoorbeeld in de vorm van een stappenplan of een verduurzamingsplan van de woning. Daarbij kan ook worden samengewerkt met bewonersinitiatieven.
Door samen te werken met een bewonersinitiatief, kan de gemeente aansluiten bij de energie die er in de samenleving is. De gemeente kan ook een deel van de middelen besteden aan uitvoeringskosten. Daarnaast kan de gemeente de middelen voor uitvoeringskosten voor klimaat, die zijn opgenomen in de bestuurlijke afspraken20, inzetten bijvoorbeeld voor het uitwerken van plannen. Dit neemt niet weg dat er uiteraard geen dubbelfinanciering van activiteiten vanuit bijvoorbeeld andere specifieke uitkeringen mag plaatsvinden. Middelen mogen wel gestapeld worden om verschillende kosten te voldoen, dat betreft een andere situatie. In het geval van dubbelfinanciering gaat het erom dat dezelfde kostenpost dubbel wordt gefinancierd doordat middelen vanuit twee specifieke uitkeringen worden aangewend (hetgeen leidt tot een positief saldo ten aanzien van die kostenpost). Dat is niet de bedoeling. De inzet van middelen moet er toe leiden dat er in het aantal slecht geïsoleerde woningen waarvoor de gemeente budget heeft aangevraagd energiebesparende isolatie- en eventuele energiezuinige ventilatiemaatregelen worden gerealiseerd. De definitie van slecht geïsoleerde woningen is opgenomen in artikel 1, het betreft woningen met een energielabelklasse D, E, F, G of een met die labelklasse vergelijkbare energetische staat.
De doelgroep van de lokale aanpak is daarmee op het eerste oog ruimer dan het doel van het Nationaal Isolatieprogramma als geheel. Dat doel luidt ‘2,5 miljoen woningen te isoleren in de periode tot en met 2030, met de nadruk op de 1,5 miljoen slecht geïsoleerde woningen (label E, F en G) waarbij één of meerdere stappen worden gezet richting de standaard voor woningisolatie’. Ook eigenaar-bewoners van of gemengde verenigingen met woningen met label D of een vergelijkbare energetische staat hebben ondersteuning nodig bij het isoleren van hun woning en hebben risico op energiearmoede. Een wijkgerichte benadering is daarbij ook mogelijk maar het accent moet daarbij liggen op de woningen met een lage energetische kwaliteit. Daar is de lokale aanpak van het Nationaal Isolatiepro-
18
Feitelijk is de verzameling subsidievoorschriften die bekend staat als de ISDE een onderdeel van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies. 19 bijzondere bijstand ontvangt als bedoeld in artikel 35, eerste of vierde lid, van de Participatiewet 20 De bestuurlijke afspraken zijn opgenomen in het Ontwerp Beleidsprogramma Klimaat van 2 juni 2022, Kamerstukken II, 2021/22, 32 813 nr. 1049.
16
Staatscourant 2023 nr. 3877
2 februari 2023
gramma immers op gericht, omdat isolatie hier het meeste oplevert voor klimaat en ter bestrijding van energiearmoede. Het is wenselijk dat één of meerdere stappen worden gezet richting de standaard voor woningisolatie. De standaard voor woningisolatie kan worden behaald door toepassing van de minimale streefwaarden voor afzonderlijke bouwdelen, ventilatie en kierdichting. De voorwaarden voor de ISDE en de SVVE sluiten grotendeels aan op de streefwaarden. Daardoor is aansluiting bij de standaard geborgd. Een toelichting op deze en andere onderdelen van de regeling zullen in de artikelsgewijze toelichting uitgebreider aan bod komen.
2.3 Samenhang met andere regelingen Met behulp van de middelen die gemeenten op grond van deze regeling ontvangen, kunnen ze bewoners extra financiële steun in de rug geven, bijvoorbeeld door het openstellen van een subsidieverordening of het inzetten van vouchers. Dit kan bovenop de landelijke subsidies: de ISDE en de SVVE, voorheen de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis (SEEH). Die subsidieregelingen staan het namelijk voor eigenaar-bewoners toe om gestapeld te worden met andere financiële middelen vanuit overheden. Ook de stapeling met middelen uit bijvoorbeeld het Volkshuisvestingsfonds (voor zover de gemeente daarvoor in aanmerking komt) of middelen vanuit provincies is denkbaar. In het kader van de eerder genoemde ondersteuning kunnen gemeenten bewoners ook helpen met het doen van aanvragen voor die subsidieregelingen, als mensen daar zelf niet uit komen. Daarnaast kan deze regeling ook in combinatie met het Nationaal Warmtefonds een uitkomst bieden voor mensen om de financiering van energiebesparende isolatie- en energiezuinige ventilatiemaatregelen haalbaar te maken. ISDE: ontzorging mogelijk bij aanvraag De ISDE-regeling biedt tot 30% subsidie bij meerdere verduurzamingsmaatregelen en tot 15% subsidie bij één isolatiemaatregel. Zie: ISDE: Wijzigingen 2022 en 2023 (rvo.nl).
Bij de ISDE kan de subsidie namens de eigenaar-bewoner ook worden aangevraagd door een (daartoe door de bewoner gemachtigde) derde partij. Gemeenten en andere intermediaire partijen kunnen zo eigenaarbewoners helpen en ontzorgen door de aanvraag voor hen in te vullen. De subsidie wordt rechtstreeks aan de eigenaar-bewoner uitbetaald. Zie stap 6 op https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/isde/woningeigenaren/stappenplan-woningeigenaren#stap6%3A-vraag-de-subsidie-aan.