CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Omgevingswet d.d. 10-12-2019 geconsolideerde versie.pdf

Raad 22 februari 2022, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Verordening op de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit Peel en Maas (2022-013)43.269 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Artikel 5.6

(verbod in stand laten zonder vergunning gebouwd bouwwerk) Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in stand te laten.

§ 5.1.2

Reikwijdte aanvraag omgevingsvergunning en aanwijzing bevoegd gezag Artikel 5.7 art. 5.7 lid 1 art. 5.7 lid 2

art. 5.7 lid 3

art. 5.7 lid 4

art. 5.7 lid 5

(aanvraag los of gelijktijdig) Een aanvraag om een omgevingsvergunning kan naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking hebben. Met het oog op een doelmatig waterbeheer wordt een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten als bedoeld in de artikelen 5.1 en 5.4. Een omgevingsvergunning voor een activiteit waarbij de locatie van ondergeschikt belang is, wordt, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, los aangevraagd van de omgevingsvergunning voor andere activiteiten. Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, met uitzondering van een als wateractiviteit aan te merken beperkingengebiedactiviteit, worden gelijktijdig aangevraagd als: a. die activiteiten betrekking hebben op dezelfde ippc-installatie, of b. op die activiteiten de Seveso-richtlijn van toepassing is. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op aanvragen om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning.

Artikel 5.8

(bevoegd gezag gemeente aanvraag één activiteit) Het college van burgemeester en wethouders beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op één activiteit, tenzij op grond van artikel 5.9, 5.9a, 5.10 of 5.11 een ander bestuursorgaan is aangewezen.

Artikel 5.9

(bevoegd gezag aanvraag één wateractiviteit) Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op een doelmatig waterbeheer voor wateractiviteiten gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag beslissen.

45

Artikel 5.9a

(bevoegd gezag aanvraag één jachtgeweeractiviteit) De korpschef beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit.

Artikel 5.10

(bevoegd gezag provincie aanvraag één activiteit anders dan in artikel 5.9) Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin gedeputeerde staten op de aanvraag beslissen: a. omgevingsplanactiviteiten van provinciaal belang, b. ontgrondingsactiviteiten: 1°. in het winterbed van een tot de rijkswateren behorende rivier, 2°. buiten de rijkswateren, c. milieubelastende activiteiten: 1°. met betrekking tot een ippc-installatie, 2°. met betrekking tot een andere milieubelastende installatie, 3°. waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is, 4◦. die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het grondwater, d. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot: 1°. burgerluchthavens van regionale betekenis, 2°. lokale spoorwegen, e. Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten, f. activiteiten als bedoeld in artikel 5.4. Bij de aanwijzing van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, in acht genomen.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder d, aanhef en onder 2°, worden, als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aangewezen, bij algemene maatregel van bestuur gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in dat lid, beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg in dat gebied.

art. 5.10 lid 1

art. 5.10 lid 2 art. 5.10 lid 3

Artikel 5.11 art. 5.11 lid 1

(bevoegd gezag Rijk aanvraag één activiteit anders dan in artikel 5.9) Bij algemene maatregel van bestuur worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin een van Onze daarbij aangewezen Ministers op de aanvraag beslist: a. omgevingsplanactiviteiten van nationaal belang, b. rijksmonumentenactiviteiten met betrekking tot een archeologisch monument, c. ontgrondingsactiviteiten in de rijkswateren, met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, onder b, onder 1°, d. milieubelastende activiteiten: 1°. met betrekking tot een mijnbouwwerk, 2°. waarbij nationale veiligheidsbelangen of andere vitale nationale belangen zijn betrokken, e. mijnbouwlocatieactiviteiten, f. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot: 1°. wegen in beheer bij het Rijk, 2°. andere luchthavens dan burgerluchthavens van regionale betekenis, 3°. hoofdspoorwegen en bijzondere spoorwegen, 4°. mijnbouwinstallaties in een waterstaatswerk, g. Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten van nationaal belang, h. activiteiten die niet vallen onder de onderdelen a tot en met g en die geheel of in hoofdzaak plaatsvinden in: 46

art. 5.11 lid 2 art. 5.11 lid 3

Artikel 5.12 art. 5.12 lid 1

art. 5.12 lid 2

art. 5.12 lid 3

art. 5.12 lid 4

Artikel 5.13 art. 5.13, lid 1

art. 5.13, lid 2

Artikel 5.14

1°. de territoriale zee voor zover gelegen buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, 2°. de exclusieve economische zone, i. een valkeniersactiviteit. Bij de aanwijzing van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen. In afwijking van de artikelen 5.8 en 5.10 en van het eerste lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, onder d, onder 2°, beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als dat nodig is voor nationale veiligheidsbelangen of andere vitale nationale belangen. (bevoegd gezag aanvraag meer activiteiten) Op de aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op meer dan een activiteit wordt beslist door een bestuursorgaan dat op grond van artikel 5.8, 5.9, 5.9a, 5.10 of 5.11 voor ten minste een van die activiteiten bevoegd zou zijn op een aanvraag te beslissen. Hierbij worden de volgende leden in acht genomen. Als het college van burgemeester en wethouders een bestuursorgaan is als bedoeld in het eerste lid, beslist het college op de aanvraag, tenzij bij algemene maatregel van bestuur een ander van de betrokken bestuursorganen wordt aangewezen. Bij die aanwijzing worden de grenzen van artikel 2.3 in acht genomen.

In andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid, wordt op de aanvraag beslist door het betrokken bestuursorgaan dat bij algemene maatregel van bestuur wordt aangewezen. Bij die maatregel kan, in afwijking van het eerste lid en met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, een ander bestuursorgaan dan een van de betrokken bestuursorganen worden aangewezen. In afwijking van het eerste tot en met derde lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op de aanvraag beslissen als dat nodig is voor nationale veiligheidsbelangen of andere vitale nationale belangen. (eens bevoegd gezag altijd bevoegd gezag) In afwijking van de artikelen 5.10, 5.11, eerste lid, en 5.12, eerste tot en met derde lid, kunnen bij algemene maatregel gevallen worden aangewezen waarin gedeputeerde staten of Onze Minister die het aangaat beslissen op elke aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een locatie waarvoor een door hen eerder verleende omgevingsvergunning geldt. Het eerste lid is niet van toepassing als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 5.9 of 5.9a.

(bevoegd gezag grondgebiedoverstijgende aanvraag) Als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die op het grondgebied van meer dan een gemeente, waterschap of provincie plaatsvindt, wordt op die aanvraag beslist door het daarvoor op grond van artikel 5.8, 5.9, 5.10 of 5.12 aangewezen bestuursorgaan van de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak zal worden verricht.

47

Artikel 5.15

(bevoegd gezag toepassing paragraaf 5.1.5) Het bestuursorgaan dat bevoegd is om op een aanvraag om een omgevingsvergunning te beslissen, is ook bevoegd tot toepassing van paragraaf 5.1.5.

Artikel 5.16 art. 5.16 lid 1

(flexibiliteitsregeling bevoegd gezag) Een bestuursorgaan dat bevoegd is om op een aanvraag om een omgevingsvergunning te beslissen of bevoegd is tot toepassing van paragraaf 5.1.5, kan die bevoegdheid aan een ander bestuursorgaan overdragen, als dat bestuursorgaan daarmee instemt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

art. 5.16 lid 2

§ 5.1.3

De beoordeling van de aanvraag

Artikel 5.18 art. 5.18 lid 1

art. 5.18 lid 2 art. 5.18 lid 3

Artikel 5.19 art. 5.19 lid 1

art. 5.19 lid 2

Artikel 5.20 art. 5.20 lid 1

art. 5.20 lid 2

Artikel 5.21 art. 5.21 lid 1

(beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten bij algemene maatregel van bestuur) Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren. Artikel 2.32, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op die regels. (beoordelingsregels aanvraag artikel 5.1-activiteiten in omgevingsverordening) Bij omgevingsverordening kunnen regels worden gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, tenzij het gaat om een op grond van artikel 5.26, vierde lid, aangewezen geval. Bij het stellen van de regels worden de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, in acht genomen. Artikel 2.32, eerste, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op die regels, waarbij een verzoek als bedoeld in artikel 2.32, eerste lid, ook door Onze Minister die het aangaat kan worden gedaan. (artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag bouwactiviteit) Voor een bouwactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid, b. het beschermen van de gezondheid, c. duurzaamheid en bruikbaarheid.

De regels strekken ertoe dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als aannemelijk is dat wordt voldaan aan de regels over bouwactiviteiten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, of daarover gestelde maatwerkregels. (artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag omgevingsplanactiviteit) Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.

48

art. 5.21 lid 2

art. 5.21 lid 3

art. 5.21 lid 4

De regels strekken er in ieder geval toe dat: a. de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels, b. de omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, c. op de beslissing of de omgevingsvergunning in een geval als bedoeld onder b kan worden verleend als het gaat om een omgevingsplanactiviteit anders dan van provinciaal of nationaal belang geheel en als het gaat om een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing zijn: 1°. de op grond van de artikelen 2.22 en 2.24 gestelde regels over omgevingsplannen, 2°. de op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 gegeven instructies over omgevingsplannen. De regels, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, onder 1°, strekken er ook toe dat als in een op grond van artikel 2.22 gestelde regel toepassing is gegeven aan artikel 2.32, eerste lid, een verzoek als bedoeld in dat lid ook kan worden gedaan door Onze Minister die het aangaat. Van het tweede lid kan worden afgeweken voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een maatwerkregel.

Artikel 5.22

(artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag rijksmonumentenactiviteit) Voor een rijksmonumentenactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed en in dat kader tot: a. het voorkomen van ontsiering, beschadiging, sloop of verplaatsing van monumenten en archeologische monumenten, b. het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, c. het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Artikel 5.23

(artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag ontgrondingsactiviteit) Voor een ontgrondingsactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.

Artikel 5.24 art. 5.24 lid 1

(artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag wateractiviteit) Voor een wateractiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, d. het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk. Op het stellen van de regels voor lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk is artikel 4.23, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

art. 5.24 lid 2

art. 5.24 lid 3

Voor een stortingsactiviteit op zee worden de regels ook gesteld ter uitvoering van het Londen-protocol en het Ospar-verdrag.

49

art. 5.24 lid 4

In afwijking van het eerste lid worden de regels voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover die plaatsvindt buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, gesteld met het oog op de doelen van de wet.

Artikel 5.26

(artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag milieubelastende activiteit) Voor een milieubelastende activiteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu. Op het stellen van deze regels is artikel 4.22, tweede lid, van overeenkomstige toepassing. Ook strekken deze regels ertoe dat op de beslissing of de omgevingsvergunning kan worden verleend van toepassing zijn de op grond van artikel 5.19, eerste lid, in de omgevingsverordening gestelde regels over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. In afwijking van het tweede lid strekken de regels voor daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen van milieubelastende activiteiten er alleen toe dat de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, plaatsvindt.

art. 5.26 lid 1

art. 5.26 lid 2 art. 5.26 lid 3

art. 5.26 lid 4

Artikel 5.27 art. 5.27 lid 1

art. 5.27 lid 2

(artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag mijnbouwlocatieactiviteit) Voor een mijnbouwlocatieactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid, b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op het stellen van deze regels is artikel 4.24, tweede lid, en derde lid, aanhef en onder b, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.28

(artikel 5.18 beoordelingsregels beperkingengebiedactiviteit anders dan een wateractiviteit) Voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: a. een weg, b. een luchthaven, c. een spoorweg, d. een mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk, worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking daarvan voor nadelige gevolgen van activiteiten, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van de onder a tot en met d genoemde werken en objecten kan behoren.

Artikel 5.29

(artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag Natura 2000activiteit en flora- en fauna-activiteit) Voor een Natura 2000-activiteit en een flora- en fauna-activiteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de natuurbescherming. Deze regels strekken in ieder geval tot uitvoering van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, en artikel 16 van de habitatrichtlijn en artikel 9 van de vogelrichtlijn.

art. 5.29 lid 1

art. 5.29 lid 2

50

Artikel 5.29a

(artikel 5.18 beoordelingsregels aanvraag jachtgeweeractiviteit en valkeniersactiviteit) Voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de natuurbescherming of de veiligheid.

Artikel 5.30

(beoordelingsregels artikel 5.3- en 5.4-activiteiten) Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4, kan de omgevingsvergunning alleen worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn bepaald in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening.

Artikel 5.31 art. 5.31 lid 1

(weigeren vergunning vanwege Wet bibob) Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning weigeren in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, voor zover de aanvraag betrekking heeft op: a. een bouwactiviteit, b. een omgevingsplanactiviteit: 1°. bestaande uit een bouwactiviteit of het in stand houden van een bouwwerk, 2°. anders dan onder 1° die wordt verricht in het kader van de uitoefening van een inrichting of bedrijf als bedoeld in artikel 7 van die wet, c. een daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen milieubelastende activiteit. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder betrokkene als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur ook verstaan degene die op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs met de aanvrager van de omgevingsvergunning kan worden gelijkgesteld. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste lid, kan het bevoegd gezag het bureau, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, vragen om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet.

art. 5.31 lid 2

art. 5.31 lid 3

Artikel 5.32

(weigeren vergunning vanwege ernstige gezondheidsrisico’s) Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning weigeren als naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning zou leiden tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid.

Artikel 5.33

(verlenen of weigeren vergunning vanwege instemming) Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor de beslissing op de aanvraag op grond van artikel 16.16 instemming van een ander bestuursorgaan behoeft, wordt de omgevingsvergunning verleend of geweigerd met inachtneming van het besluit over de instemming.

51

Artikel 5.33a art. 5.33a lid 1

art. 5.33a lid 2

§ 5.1.4

(gedeeltelijke verlening omgevingsvergunning bij aanvraag meer activiteiten) Voor zover de aanvraag betrekking heeft op meer dan een activiteit wordt als er een bij of krachtens deze paragraaf gestelde regel is op grond waarvan voor een deel van die activiteiten de omgevingsvergunning moet worden geweigerd, de vergunning alleen geweigerd voor die activiteiten en voor de overige activiteiten verleend. In afwijking van het eerste lid wordt de omgevingsvergunning in haar geheel geweigerd op verzoek of met instemming van de aanvrager. Inhoud en werking

Artikel 5.34 art. 5.34 lid 1

art. 5.34 lid 2

art. 5.34 lid 3

art. 5.34 lid 4

Artikel 5.36 art. 5.36 lid 1

art. 5.36 lid 2

(voorschriften omgevingsvergunning) Aan een omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die nodig zijn voor de regels, bedoeld in de artikelen 5.18, 5.19, 5.30 en 5.31. Onverminderd de artikelen 13.5, eerste lid tot en met vijfde lid en 13.6 worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor daarbij aangewezen activiteiten regels gesteld over de toepassing van het eerste lid. Daarbij worden in ieder geval regels gesteld over: a. voorschriften die strekken tot toepassing van andere technieken dan die waarover bij de aanvraag gegevens of bescheiden zijn verstrekt, b. voorschriften die, ook al houden deze verband met regels als bedoeld in het eerste lid, niet aan de omgevingsvergunning kunnen worden verbonden. Regels over het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning kunnen ook worden gesteld bij: a. omgevingsplan, voor zover het gaat om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, b. waterschapsverordening, voor zover het gaat om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3, c. omgevingsverordening, voor zover het gaat om een omgevingsvergunning voor: 1°. een milieubelastende activiteit, tenzij het gaat om een op grond van artikel 5.26, vierde lid, aangewezen geval, 2°. een activiteit als bedoeld in artikel 5.4.

Bij het stellen van regels als bedoeld in het derde lid, aanhef en onder c, worden de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, in acht genomen. (termijnstelling in omgevingsvergunning) In een omgevingsvergunning voor een voortdurende activiteit kan worden bepaald dat die vergunning geldt voor een daarbij gestelde termijn. In een omgevingsvergunning voor een aflopende activiteit kan worden bepaald dat de vergunninghouder na afloop van een bij de vergunning gestelde termijn, de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand heeft hersteld of een andere, in de omgevingsvergunning omschreven, toestand heeft gerealiseerd. De eerste zin is niet van toepassing op een omgevingsvergunning voor een mijnbouwactiviteit die betrekking heeft op het plaatsen van een mijnbouwinstallatie.

52

art. 5.36 lid 3

art. 5.36 lid 4

Artikel 5.36a art. 5.36a lid 1

art. 5.36a lid 2

art. 5.36a lid 3

In een omgevingsvergunning kan worden bepaald dat daarbij aangewezen voorschriften nadat de vergunning haar gelding heeft verloren, tijdens een daarbij gestelde termijn van kracht blijven. Bij algemene maatregel van bestuur worden gevallen aangewezen waarin een termijn als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt gesteld. Bij de maatregel kunnen over die termijn worden geregeld: a. de maximale duur, b. de gevallen waarin verlenging mogelijk is. (termijnstelling seizoensgebonden en drijvende bouwwerken) In een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor een seizoensgebonden bouwwerk of voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor een seizoensgebonden bouwwerk: a. kan worden bepaald dat het bouwwerk op grond van die vergunning gedurende opeenvolgende kalenderjaren kan worden gebouwd en gesloopt, en b. wordt bepaald binnen welke opeenvolgende tijdvakken van een kalenderjaar het bouwen en slopen van het bouwwerk plaatsvindt. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor een drijvend bouwwerk of voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor een drijvend bouwwerk omvat ook de toestemming om het bouwwerk in verband met werkzaamheden te verplaatsen en op dezelfde locatie terug te plaatsen.

In een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor een drijvend bouwwerk of voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor een drijvend bouwwerk kan worden bepaald dat het bouwwerk op grond van die vergunning ook in andere gevallen dan bedoeld in het tweede lid kan worden verplaatst en op dezelfde locatie kan worden teruggeplaatst.

Artikel 5.36b

(conversie omgevingsvergunning wateractiviteit vanwege nieuwe vergunningplicht stortingsactiviteit op zee) Als het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, om zonder omgevings-vergunning een stortingsactiviteit op zee te verrichten door een wijziging van bijlage 4 bij het Londen-protocol van toepassing wordt op een activiteit waarvoor al een omgevingsvergunning voor een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of voor een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, is verleend, geldt die omgevingsvergunning als omgevingsvergunning voor een stortingsactiviteit op zee, mits in die bijlage bij het Londen-protocol is bepaald dat voor die activiteit een vergunning kan worden verleend.

Artikel 5.37

(normadressaat omgevingsvergunning en aanwijzing vergunninghouder) Een omgevingsvergunning geldt voor degene die de activiteit verricht waarop zij betrekking heeft. Diegene is vergunninghouder en draagt zorg voor de naleving van de vergunningvoorschriften.

art. 5.37 lid 1

53

art. 5.37 lid 2

art. 5.37 lid 3

Artikel 5.37a art. 5.37a lid 1

art. 5.37a lid 2

§ 5.1.5

Als een aangevraagde of verleende omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander dan de aanvrager of de vergunninghouder, informeert de aanvrager respectievelijk de vergunninghouder ten minste vier weken van tevoren het bevoegd gezag daarover. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de gegevens die daarbij worden verstrekt. In afwijking van het eerste lid, eerste zin, kan het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning bepalen dat deze alleen geldt voor degene aan wie zij is verleend, als de persoon van de vergunninghouder van belang is voor de toepassing van de regels over het verlenen of weigeren van de omgevingsvergunning. (verantwoordelijkheidsverdeling vergunninghouders) In afwijking van artikel 5.37, eerste lid, kan het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning bepalen dat een vergunninghouder alleen zorg draagt voor de naleving van de vergunningvoorschriften voor de activiteit die of het deel van de activiteit dat hij verricht, voor zover de activiteit of het deel van de activiteit te onderscheiden is, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid. Actualisering, wijziging, intrekking en revisievergunning

Artikel 5.38 art. 5.38 lid 1

art. 5.38 lid 2

art. 5.38 lid 3

Artikel 5.39

(actualisering omgevingsvergunning) Voor zover een omgevingsvergunning betrekking heeft op: a. een stortingsactiviteit op zee, b. een milieubelastende activiteit, tenzij het gaat om een op grond van artikel 5.26, vierde lid, aangewezen geval, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, beziet het bevoegd gezag regelmatig of de voorschriften van de vergunning nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Onder ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu wordt ook verstaan de vaststelling van nieuwe of herziene conclusies over beste beschikbare technieken, bedoeld in artikel 13, vijfde en zevende lid, van de richtlijn industriële emissies. Bij algemene maatregel van bestuur worden met het oog op het beschermen van het milieu regels gesteld over de wijze waarop het eerste lid wordt toegepast voor daarbij aangewezen activiteiten. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels alleen gelden in daarbij aangewezen gevallen. (verplichting tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning en intrekking omgevingsvergunning) Het bevoegd gezag wijzigt de voorschriften van een omgevingsvergunning of trekt een omgevingsvergunning in: a.

in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, b. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gron-den die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.

54

Artikel 5.40 art. 5.40 lid 1

art. 5.40 lid 2

Artikel 5.41 art. 5.41 lid 1

art. 5.41 lid 2

(bevoegdheid tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning en intrekking omgevingsvergunning) Het bevoegd gezag kan de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen: a. in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, b. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: als het gaat om het wegnemen of beperken van gevaar, bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is, c. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald. In andere gevallen dan bedoeld in artikel 18.10 kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning intrekken: a. in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, b. als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, c. op verzoek van de vergunninghouder, d. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.31, eerste lid: in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, waarbij artikel 5.31, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing is, e.

voor een milieubelastende activiteit of een wateractiviteit waarvoor met toepassing van artikel 16.7, eerste lid, aanhef en onder b, gecoördineerd omgevingsvergunningen zijn verleend: als de omgevingsvergunning voor de samenhangende wateractiviteit respectievelijk de milieubelastende activiteit is ingetrokken, f. voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald. (toepassing artikelen 5.39 en 5.40 op verzoek instemmingsorgaan) Het bevoegd gezag wijzigt de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een activiteit of trekt de omgevingsvergunning voor een activiteit in met toepassing van artikel 5.39 of 5.40, op verzoek van het bestuursorgaan dat op grond van artikel 16.16, eerste lid, heeft beslist over instemming met de voorgenomen beslissing op de aanvraag om de omgevingsvergunning voor die activiteit of dat op grond van artikel 16.16, derde of vierde lid, heeft bepaald dat instemming niet is vereist. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek van Onze Minister van Justitie en Veiligheid tot intrekking van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit op de grond, bedoeld in artikel 5.42, derde lid.

55

Artikel 5.42 art. 5.42 lid 1

art. 5.42 lid 2

art. 5.42 lid 3

art. 5.42 lid 4

Artikel 5.43 art. 5.43 lid 1

art. 5.43 lid 2

art. 5.43 lid 3

art. 5.43 lid 4

(invulling algemene maatregel van bestuur artikelen 5.39 en 5.40) Als voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1 toepassing wordt gegeven aan artikel 5.39, onder a, of 5.40, eerste lid, onder a, of tweede lid, onder a, worden bij algemene maatregel van bestuur gevallen of gronden met hetzelfde oogmerk bepaald als het oogmerk waarmee op grond van artikel 5.18 regels over die activiteit worden gesteld. Als geval als bedoeld in artikel 5.39, onder a, waarin het bevoegd gezag de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigt, wordt in ieder geval aangewezen het geval waarin uit toepassing van artikel 5.38 is gebleken dat de nadelige gevolgen die de desbetreffende activiteit voor het milieu veroorzaakt: a. gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu, verder kunnen worden beperkt, of b. gezien de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt. Als geval als bedoeld in artikel 5.39, onder a, waarin het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit intrekt, wordt in ieder geval aangewezen het geval waarin de vergunninghouder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid die voorhanden te hebben, of waarin er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd.

Als geval als bedoeld in artikel 5.40, eerste lid, onder a, of tweede lid, onder a, wordt in ieder geval aangewezen het geval waarin de voorschriften van de omgevingsvergunning kunnen worden gewijzigd of de omgevingsvergunning kan worden ingetrokken, met het oog op het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid, bedoeld in artikel 4.22, tweede lid, onder aa. (revisievergunning) Als voor een of meer activiteiten verschillende omgevingsvergunningen van kracht zijn, kan het bevoegd gezag, in het belang van een doelmatige uitvoering en handhaving, ambtshalve een omgevingsvergunning verlenen die de eerder verleende omgevingsvergunningen vervangt. Als de omgevingsvergunningen niet door hetzelfde bevoegd gezag zijn verleend, kan het eerste lid worden toegepast door elk van de betrokken bestuursorganen, als de andere betrokken bestuursorganen toepassing hebben gegeven aan artikel 5.16. Het eerste lid kan ook worden toegepast tegelijk met: a. het beslissen op een aanvraag om een nieuwe omgevingsvergunning, waarbij dit in afwijking van het eerste lid ook geldt als slechts één omgevingsvergunning van kracht is, b. het wijzigen van de voorschriften van een van kracht zijnde omgevingsvergunning of het intrekken van een van kracht zijnde omgevingsvergunning met toepassing van artikel 5.39 of 5.40.

Een met toepassing van dit artikel verleende omgevingsvergunning schorst met ingang van de dag waarop zij in werking treedt, en daarna, in de periode waarin deze vergunning nog niet onherroepelijk is, zolang zij in werking blijft, de werking van de omgevingsvergunningen die zij vervangt. Deze omgevingsvergunningen vervallen op de dag waarop de met toepassing van dit artikel verleende omgevingsvergunning onherroepelijk wordt.

56

AFD. 5.2

PROJECTPROCEDURE

§ 5.2.1

Algemene bepalingen voor het projectbesluit Artikel 5.44 art. 5.44 lid 1

art. 5.44 lid 2

art. 5.44 lid 3

(bevoegd gezag projectbesluit) Voor het uitvoeren van een project en het in werking hebben of in stand houden daarvan kan een projectbesluit worden vastgesteld. Een projectbesluit wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten of door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Overeenstemming als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor een besluit tot uitwerking van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.54 en voor een besluit tot wijziging van een projectbesluit. Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kunnen categorieën projecten worden aangewezen waarvoor geen overeenstemming is vereist voor de vaststelling van een projectbesluit. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan daarnaast ook in andere gevallen bepalen dat geen overeenstemming is vereist voor het vaststellen van een projectbesluit. Bij het vaststellen van een projectbesluit door gedeputeerde staten of Onze Minister die het aangaat die het aangaat, worden de grenzen van artikel 2.3 in acht genomen.

art. 5.44 lid 4

Het dagelijks bestuur van het waterschap kan een projectbesluit alleen vaststellen met het oog op de taken, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a.

Artikel 5.44a art. 5.44a lid 1

(voorrangsregel bevoegd gezag projectbesluit) Gedeputeerde staten van de provincie waar het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd, zijn bevoegd om het projectbesluit vast te stellen. Het dagelijks bestuur van het waterschap waar het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd, is bevoegd om het projectbesluit vast te stellen. Als gedeputeerde staten van een of meer provincies en het dagelijks bestuur van een of meer waterschappen gezamenlijk een project willen uitvoeren, zijn gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd bevoegd om het projectbesluit vast te stellen. Als Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en gedeputeerde staten van een of meer provincies of het dagelijks bestuur van een of meer waterschappen gezamenlijk een project willen uitvoeren, is Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bevoegd om het projectbesluit vast te stellen.

art. 5.44a lid 2

art. 5.44a lid 3

art. 5.44a lid 4

Artikel 5.44b art. 5.44b lid 1

(flexibiliteitsregeling projectbesluit Rijk) Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan de bevoegdheid om een projectbesluit vast te stellen overdragen aan gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd, als deze daarmee instemmen.

57

art. 5.44b lid 2

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

Artikel 5.45 art. 5.45 lid 1

(coördinatie uitvoeringsbesluiten) Het bevoegd gezag voor het projectbesluit kan bepalen dat artikel 16.7 van toepassing is op de coördinatie van de besluiten ter uitvoering van het projectbesluit.

art. 5.45 lid 2

Artikel 16.7 is van toepassing op de coördinatie van besluiten ter uitvoering van projectbesluiten als bedoeld in artikel 5.46. Als het coördinerend bestuursorgaan treedt het bevoegd gezag voor het projectbesluit op. In afwijking van het derde lid treden als het coördinerend bestuursorgaan op: a. gedeputeerde staten: als het dagelijks bestuur van het waterschap be-voegd is om het projectbesluit vast te stellen, b. Onze Minister die het aangaat: als hij op grond van artikel 5.44, eerste lid, of op grond van artikel 5.44a, vierde lid, bevoegd is om het projectbesluit in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen.

art. 5.45 lid 3 art. 5.45 lid 4

Artikel 5.45a art. 5.45a lid 1

art. 5.45a lid 2

art. 5.45a lid 3

art 5.45a lid 4

(bevoegdheid tot indeplaatstreding) Als gedeputeerde staten als het coördinerend bestuursorgaan voor de besluiten ter uitvoering van een projectbesluit optreden, kunnen zij in plaats van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan voorzien in het nemen van een besluit, als dat bestuursorgaan geen bestuursorgaan van het Rijk is en: a. dat bestuursorgaan een besluit niet of niet tijdig heeft genomen, of b. het besluit van dat bestuursorgaan de uitvoering van het projectbesluit belemmert. Als Onze Minister die het aangaat als het coördinerend bestuursorgaan voor de besluiten ter uitvoering van een projectbesluit optreedt, kan hij in plaats van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan voorzien in het nemen van een besluit, als: a. dat bestuursorgaan een besluit niet of niet tijdig heeft genomen, of b. het besluit van dat bestuursorgaan de uitvoering van het projectbesluit belemmert. Bij de toepassing van het eerste of tweede lid treedt het besluit van het coördinerend bestuursorgaan in de plaats van het besluit dat het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan had moeten nemen of heeft genomen.

Als het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een besluit waarvoor toepassing is gegeven aan het eerste of tweede lid rechten heeft geheven, stort dat bestuursorgaan de ontvangen rechten in de kas van de provincie waartoe het coördinerend bestuursorgaan behoort respectievelijk in de kas van het Rijk.

58

Artikel 5.46 art. 5.46 lid 1

art. 5.46 lid 2

§ 5.2.2

(projectbesluit voor hoofdinfrastructuur en primaire waterkeringen) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, stelt voor werken met een nationaal belang in ieder geval een projectbesluit vast voor de volgende projecten: a. de aanleg van een autoweg of autosnelweg, spoorweg of vaarweg, b. een wijziging van een autoweg of autosnelweg, die bestaat uit: 1°. de ombouw van een weg tot autosnelweg, of 2°. de uitbreiding van een weg met een of meer rijstroken, als het uit te breiden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt, c. een wijziging van een spoorweg die bestaat uit: 1°. een uitbreiding van die spoorweg met een of meer sporen, als het uit te breiden spoorweggedeelte twee aansluitingen met elkaar verbindt, 2°. de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken, 3°. de aanleg van een verbindingsboog, of 4°. een geheel van onderling samenhangende maatregelen voor die spoor-weg, d. het opnieuw in gebruik nemen van een al aangelegde spoorweg van vijf kilometer of meer, e. een wijziging van een vaarweg die bestaat uit een vergroting of verdieping waardoor het ruimteoppervlak van de vaarweg met ten minste twintig procent toeneemt of de vaarweg blijvend wordt verdiept waarbij meer dan vijf miljoen kubieke meter grond wordt verzet, f.

de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk. Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt in ieder geval een projectbesluit vast voor de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen die niet onder het eerste lid, aanhef en onder f, vallen. Voornemen, verkenning en voorkeursbeslissing

Artikel 5.47 art. 5.47 lid 1

art. 5.47 lid 2

art. 5.47 lid 3

art. 5.47 lid 4

(voornemen) Het bevoegd gezag geeft kennis van zijn voornemen om een verkenning uit te voeren naar een mogelijk bestaande of toekomstige opgave in de fysieke leefomgeving en om: a. een projectbesluit vast te stellen zonder daaraan voorafgaande voorkeursbeslissing, of b. een projectbesluit vast te stellen en ter voorbereiding daarvan een voorkeursbeslissing te nemen. Bij algemene maatregel van bestuur of bij besluit van het bevoegd gezag kan worden bepaald wanneer een voorkeursbeslissing in ieder geval wordt genomen. Bij het voornemen stelt het bevoegd gezag met het oog op de verkenning een ieder in de gelegenheid, binnen een door hem te stellen termijn, mogelijke oplossingen voor de opgave voor te dragen. Het bevoegd gezag geeft daarbij uitgangspunten aan voor het redelijkerwijs in beschouwing nemen van die oplossingen. Uiterlijk bij aanvang van de verkenning geeft het bevoegd gezag, onverminderd het derde lid, kennis van de wijze waarop burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zullen worden betrokken.

59

art. 5.47 lid 5

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het bepaalde in het vierde lid.

Artikel 5.48 art. 5.48 lid 1

(verkenning) Bij de verkenning vergaart het bevoegd gezag de nodige kennis en inzichten over: a. de aard van de opgave, b. de voor de fysieke leefomgeving relevante ontwikkelingen, en c. de mogelijke oplossingen voor die opgave. Degene die een mogelijke oplossing als bedoeld in artikel 5.47, derde lid, heeft voorgedragen, kan daarbij verzoeken dat het bevoegd gezag daarover advies vraagt aan een onafhankelijke deskundige. Het bevoegd gezag kan ook ambtshalve een onafhankelijke deskundige verzoeken te adviseren. Het bevoegd gezag beslist of de voorgedragen mogelijke oplossingen redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen.

art. 5.48 lid 2

art. 5.48 lid 3

Artikel 5.49

(voorkeursbeslissing) De voorkeursbeslissing houdt in: a. het uitvoeren van een project, b. een oplossing zonder project, c. een combinatie van de onderdelen a of b met de uitvoering van andere projecten, of d. het niet uitwerken van een oplossing.

Artikel 5.50

(uitwerken of wijzigen projectbesluit zonder paragraaf 5.2.2) Deze paragraaf is niet van toepassing op een uitwerking van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.54 of een wijziging van een projectbesluit.

§ 5.2.3

Projectbesluit Artikel 5.51

(inhoud projectbesluit) In het projectbesluit wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten zijn van de uitgevoerde verkenning, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de door derden voorgedragen mogelijke oplossingen en de daarover door deskundigen uitgebrachte adviezen.

Artikel 5.52 art. 5.52 lid 1

(integraal besluit) Het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project. Voor zover dat uitdrukkelijk in het projectbesluit is bepaald, geldt het projectbesluit: a. als omgevingsvergunning voor activiteiten ter uitvoering van het projectbesluit, b. als een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen besluit. Bij de maatregel kunnen regels worden aangewezen die van toepassing zijn op het daarin aangewezen besluit.

art. 5.52 lid 2

art. 5.52 lid 3

Artikel 5.53 art. 5.53 lid 1

(beoordelingsregels) Voor de toepassing van artikel 5.52, eerste lid, zijn de artikelen 4.1 en 4.2, eerste lid, en de paragrafen 4.1.2 en 4.3.1 van overeenkomstige toepassing. 60

art. 5.53 lid 2

Voor de toepassing van artikel 5.52, tweede lid, onder a, zijn de paragrafen 5.1.3 tot en met 5.1.5 en de op grond daarvan gestelde regels van overeenkomstige toepassing.

art. 5.53 lid 3

Als de uitvoering van een projectbesluit, vastgesteld door gedeputeerde staten, onevenredig wordt belemmerd door regels die bij of krachtens een andere regeling van een gemeente dan een omgevingsplan of bij of krachtens een regeling van een waterschap zijn vastgesteld, kunnen die regels bij het projectbesluit of bij besluit van gedeputeerde staten om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten. Als de uitvoering van een projectbesluit, vastgesteld door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onevenredig wordt belemmerd door regels die bij of krachtens een andere regeling van een gemeente dan een omgevingsplan of bij of krachtens een regeling van een provincie of waterschap zijn vastgesteld, kunnen die regels bij het projectbesluit of bij besluit van Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, respectievelijk Onze Minister die het aangaat, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.

art. 5.53 lid 4

Artikel 5.53a art. 5.53a lid 1

(geen belemmering projectbesluit en voorbereidingsbesluit) Artikel 4.19a, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap.

art. 5.53a lid 2

In een projectbesluit of een voorbereidingsbesluit dat wordt vastgesteld door gedeputeerde staten worden geen regels gesteld die: a.het uitvoeren van een project belemmeren waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van het Rijk, of b.in strijd zijn met regels die in het omgevingsplan zijn opgenomen op grond van een voorbereidingsbesluit van een bestuursorgaan van het Rijk. In een projectbesluit van het Rijk wordt een termijn gesteld voor de toepassing van het tweede lid. Als het bestuursorgaan het nodig acht voor de uitvoering van het project, kan de termijn eenmaal worden verlengd. Het tweede lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor zover een instructieregel als bedoeld in artikel 2.24 of een instructie als bedoeld in artikel 2.34 het stellen van dergelijke regels vergt.

art. 5.53a lid 3

art. 5.53a lid 4

Artikel 5.54 art. 5.54 lid 1

art. 5.54 lid 2

§ 5.2.4

(uitwerking binnen besluit) Bij een projectbesluit kan worden bepaald dat het besluit met inachtneming van de daarbij gestelde randvoorwaarden door het bevoegd gezag kan worden uitgewerkt. Deze uitwerking maakt deel uit van het projectbesluit en kan, zolang de uitwerking nog niet is verwezenlijkt, worden vervangen door een nieuwe uitwerking. Gemeentelijke projecten van publiek belang

Artikel 5.55

(gemeentelijk project van publiek belang) Als het opnemen van regels in het omgevingsplan die gericht zijn op het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van een project van publiek belang wordt voorbereid met overeenkomstige toepassing van de artikelen 5.45, eerste en

61

derde lid, 5.47, 5.48, 5.49 en 5.51, is artikel 16.87 van overeenkomstige toepassing.

HST. 6

[Gereserveerd]

HST. 7

[Gereserveerd]

HST. 8

AANVULLENDE REGELS POPULATIEBEHEER, SCHADEBESTRIJDING EN JACHT Artikel 8.1

(faunabeheereenheden en faunabeheerplannen)

art. 8.1 lid 1

Binnen een provincie zijn er een of meer faunabeheereenheden.

art. 8.1 lid 2

Een faunabeheereenheid stelt voor haar werkgebied een faunabeheerplan vast. Het faunabeheerplan heeft goedkeuring nodig van gedeputeerde staten van de provincie waarin het werkgebied van de faunabeheereenheid is gelegen. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen. De regels strekken ter waarborging van een transparante, samenhangende en regionaal ingebedde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, uitvoering van schadebestrijding door grondgebruikers en uitoefening van de jacht door jachthouders. De regels gaan in ieder geval over de rechtsvorm en de samenstelling van het bestuur van een faunabeheereenheid. Bij omgevingsverordening worden nadere regels gesteld over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen. Voor de uitvoering van de regels van de algemene maatregel van bestuur en van de omgevingsverordening, bedoeld in het derde lid, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag.

art. 8.1 lid 3

art. 8.1 lid 4

art. 8.1 lid 5

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beslist over de goedkeuring van een faunabeheerplan, bevoegd is tot het stellen van nadere regels als bedoeld in het derde lid, vierde volzin, of het bevoegd gezag, bedoeld in het vierde lid, is. Hierbij worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen.

Artikel 8.2

(bijzondere bepaling over aansluitplicht bij wildbeheereenheid) Jachthouders aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, organiseren zich met anderen in een wildbeheereenheid. Een wildbeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging.

art. 8.2 lid 1

art. 8.2 lid 2 art. 8.2 lid 3

art. 8.2 lid 4

Een wildbeheereenheid geeft uitvoering aan het faunabeheerplan, bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, en bevordert dat het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de jacht worden uitgevoerd in samen-werking met, en ten dienste van, grondgebruikers of terreinbeheerders. Ook grondgebruikers en terreinbeheerders kunnen lid worden van de vereniging.

62

art. 8.2 lid 5

art. 8.2 lid 6

Artikel 8.3 art. 8.3 lid 1

art. 8.3 lid 2

art. 8.3 lid 3

art. 8.3 lid 4

Artikel 8.4 art. 8.4 lid 1

Bij omgevingsverordening worden regels gesteld over wildbeheereenheden. Deze regels hebben in elk geval betrekking op: a. de omvang en begrenzing van het gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid kan uitstrekken, en b. de gevallen waarin en voorwaarden waaronder jachthouders zijn uitgezonderd van het eerste lid. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwa-liteit bevoegd is tot het stellen van regels als bedoeld in het vierde lid. Hierbij worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen. (bijzondere bepaling over de jacht) Gerechtigd tot het uitoefenen van de jacht in een jachtveld zijn, elkaar uitsluitend: a. de eigenaar van de grond; b. de erfpachter of vruchtgebruiker van de grond, tenzij de eigenaar zich bij het vestigen van het erfpachtrecht of het recht op vruchtgebruik het jachtrecht heeft voorbehouden en tenzij het jachtrecht ten tijde van het vestigen van het erfpachtrecht of het recht op vruchtgebruik al was verhuurd; c. de pachter van de grond, tenzij de verpachter bij het aangaan van de pachtovereenkomst niet tot het uitoefenen van de jacht gerechtigd was of zich het recht tot de uitoefening van de jacht heeft voorbehouden en tenzij ten tijde van het aangaan van de pachtovereenkomst het jachtrecht al was verhuurd, of d.

degene die het jachtrecht bij schriftelijke en gedagtekende overeenkomst voor een periode van ten minste zes jaar en ten hoogste twaalf jaar heeft gehuurd van de ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst tot de uitoefening van de jacht gerechtigde: 1°. eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker of pachter van de grond, met toestemming van de grondgebruiker als de verhuurder niet ook grondgebruiker is, of 2°. huurder van het jachtrecht, met toestemming van de eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker of pachter die het jachtrecht aan deze huurder heeft verhuurd en mits het jachtrecht in zijn geheel wordt weder verhuurd. In de huurovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, onder d, kan niet worden afgeweken van artikel 226, eerste, tweede en derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Zij bevat geen beding van optie of verlenging. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld in welke gevallen het is toegestaan dat de periode, bedoeld in het eerste lid, onder d, korter is dan zes jaar. De jacht is alleen toegestaan op dieren van de volgende soorten: a. klein wild: fazanten (Phasianus colchicus), hazen (Lepus Europaeus); b. waterwild: wilde eenden (Anas platyrhynchos); c. overig wild: houtduiven (Columba palumbus), of konijnen (Orycto-lagus cuniculus).

(bijzondere bepaling over aansprakelijkheidsverze-kering jachtgeweren) Degene die schade heeft geleden als gevolg van het gebruik van een geweer ter uitvoering van deze wet heeft tegenover de verzekeraar door wie de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor die schade is gedekt, een eigen recht op schadevergoeding tot het beloop van een bij algemene maatregel van bestuur te 63

bepalen maximumbedrag. Het tenietgaan van zijn schuld aan de verzekerde bevrijdt de verzekeraar niet tegenover de benadeelde, tenzij deze schadeloos is gesteld. art. 8.4 lid 2

art. 8.4 lid 3

art. 8.4 lid 4

Geen uit de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek over de verzeke-ringsovereenkomst of uit deze overeenkomst zelf voortvloeiende nietigheid of voortvloeiend verweer of verval kan door een verzekeraar aan een benadeelde worden tegengeworpen. De verzekeraar die de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, hoewel de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met hem gesloten overeenkomst was gedekt, heeft voor het bedrag van de schadevergoeding verhaal op degene die voor de schade aansprakelijk is. Als de overeenkomst een beding inhoudt dat de verzekerde persoonlijk voor een deel in de vergoeding van de schade zal bijdragen, blijft de verzekeraar toch tegenover de benadeelde gehouden tot betaling van de schadeloosstelling die op grond van de overeenkomst ten laste van de verzekerde blijft.

Artikel 8.5

(afpalingsrecht eendenkooien)

art. 8.5 lid 1

Het is ieder ander dan de kooiker van een eendenkooi, waarvoor op 31 maart 1977 een recht van afpaling gold, of degene die handelt met toestemming van die kooiker, verboden binnen de afpalingkring van die kooi activiteiten te verrichten waardoor eenden binnen de afpalingkring kunnen worden verontrust. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is, als redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat de activiteiten niet, op andere wijze of op een ander tijdstip worden verricht, niet van toepassing op activiteiten verricht: a. ter uitvoering van openbare werken; b. bij het gebruik en onderhoud van dat wat door die werken is tot stand gebracht, of c. ter uitoefening van een beroep of bedrijf. Degene die activiteiten als bedoeld in het tweede lid verricht, vergoedt de schade die daaruit voor het gebruik van de eendenkooi voortvloeit aan de kooiker, tenzij anders met de kooiker is overeengekomen.

art. 8.5 lid 2

art. 8.5 lid 3

HST. 9

VOORKEURSRECHT

AFD 9.1

VESTIGING EN GELDING VAN EEN VOORKEURSRECHT Artikel 9.1 art. 9.1 lid 1

(grondslag en bevoegdheid vestiging voorkeursrecht op naam van gemeente, provincie of Staat) De gemeenteraad, provinciale staten of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen bij voorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk, provinciaal of nationaal voorkeursrecht vestigen, voor zover die zaak deel uitmaakt van een locatie waaraan: a. in het omgevingsplan een niet-agrarische functie is toegedeeld en waarvan het gebruik afwijkt van die functie, b. in een gemeentelijke, een provinciale respectievelijk de nationale omgevingsvisie of in een programma een nietagrarische functie of moderniseringslocatie is toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie en de functie niet is toegedeeld in een omgevingsplan, c. in de voorkeursrechtbeschikking een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik

64

afwijkt van die functie en de functie niet is toegedacht in een gemeentelijke, een provinciale respectievelijk de nationale omgevingsvisie of een programma en niet is toegedeeld in een omgevingsplan. art. 9.1 lid 2

art. 9.1 lid 3 art. 9.1 lid 4

Voorafgaand aan de vestiging van een voorkeursrecht op grond van het eerste lid, kunnen het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten bij voorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk of provinciaal voorkeursrecht vestigen, voor zover die zaak deel uitmaakt van een locatie waaraan in die beschikking een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie. Een provinciaal voorkeursrecht kan alleen worden gevestigd met het oog op een provinciaal belang. Een nationaal voorkeursrecht kan alleen worden gevestigd met het oog op een nationaal belang.

Artikel 9.2

(exclusiviteit voorkeursrecht)

art. 9.2 lid 1

Op een onroerende zaak waarop een provinciaal voorkeursrecht is gevestigd, kan geen gemeentelijk voorkeursrecht worden gevestigd.

art. 9.2 lid 2

Op een onroerende zaak waarop een nationaal voorkeursrecht is gevestigd, kan geen gemeentelijk of provinciaal voorkeursrecht worden gevestigd. Een gemeentelijk voorkeursrecht vervalt op het tijdstip waarop voor de onroerende zaak een provinciaal of nationaal voorkeursrecht ingaat. In afwijking van het derde lid blijft een gemeentelijk voorkeursrecht buiten toepassing gedurende de tijd dat op de onroerende zaak een door gedeputeerde staten op grond van artikel 9.1, tweede lid, gevestigd voorkeursrecht rust. Een provinciaal voorkeursrecht vervalt op het tijdstip waarop voor de onroerende zaak een nationaal voorkeursrecht ingaat.

art. 9.2 lid 3

art. 9.2 lid 4

art. 9.2 lid 5

Artikel 9.3

(vestigen nieuw voorkeursrecht)

art. 9.3 lid 1

Op een onroerende zaak kan niet binnen twee jaar na de intrekking of het vervallen van een voorkeursrecht door hetzelfde bestuursorgaan opnieuw een voorkeursrecht worden gevestigd op dezelfde grondslag. Het eerste lid is niet van toepassing op een voorkeursrecht dat niet in de openbare registers is ingeschreven binnen de in artikel 16.82a bedoelde termijn.

art. 9.3 lid 2

Artikel 9.4

(geldingsduur voorkeursrecht)

art.9.4 lid 1

Een voorkeursrecht vervalt: a. bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder c: drie jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedacht in een omgevingsvisie of een programma of is toegedeeld in het omgevingsplan, b. bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder b: drie jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in het omgevingsplan, c. bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na het ingaan ervan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn. 65

art.9.4 lid 2

art.9.4 lid 3

art.9.4 lid 4

Artikel 9.5 art. 9.5 lid 1

art. 9.5 lid 2

art. 9.5 lid 3

Een bestuursorgaan dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a, heeft gevestigd, kan besluiten de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen. Een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, vervalt drie maanden na het ingaan ervan of, als dat eerder is, op het tijdstip dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, ingaat. Als een omgevingsplan wordt vernietigd, blijft een voorkeursrecht dat is gebaseerd op dat omgevingsplan gelden tot twee jaar na de vernietiging, tenzij het voorkeursrecht eerder wordt ingetrokken. Als binnen die termijn in het omgevingsplan de grondslag voor het voorkeursrecht wordt hersteld, heeft het voorkeursrecht de geldingsduur die het direct voorafgaand aan de vernietiging had. (intrekking en verval van voorkeursrecht of vernietiging van voorkeursrechtbeschikking) Als een voorkeursrecht niet meer voldoet aan de eisen gesteld in artikel 9.1, eerste en tweede lid, of als de voorkeursrechtbeschikking niet binnen de in artikel 16.82a genoemde termijn in de openbare registers is ingeschreven, trekt het bestuursorgaan dat het gevestigd heeft het voorkeursrecht onverwijld in.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=69a70140-d0b6-4f7b-8682-9604f99abf64