Bijlage - Omgevingswet d.d. 10-12-2019 geconsolideerde versie.pdf
Tekst van het document
Het bestuursorgaan draagt er zorg voor dat een ingetrokken of vervallen voorkeursrecht of een voorkeursrecht waarvan de voorkeursrechtbeschikking is vernietigd, onverwijld wordt doorgehaald in de openbare registers. Het bestuursorgaan doet van de intrekking of het vervallen van een voorkeursrecht of van de vernietiging van een voorkeursrechtbeschikking mededeling aan de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de onroerende zaak.
AFD. 9.2
VERVREEMDING NA VESTIGING VAN EEN VOORKEURSRECHT
§ 9.2.1
Bevoegd gezag Artikel 9.6
(bevoegd gezag) Als bevoegd gezag als bedoeld in deze afdeling worden aangewezen: a. het college van burgemeester en wethouders voor een gemeentelijk voorkeursrecht, b. gedeputeerde staten voor een provinciaal voorkeursrecht, c. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor een nationaal voorkeursrecht.
§ 9.2.2
Hoofdregel en uitzonderingen daarop Artikel 9.7
(hoofdregel bij vervreemding) Een vervreemder gaat niet over tot vervreemding dan nadat hij de rechtspersoon op wiens naam het voorkeursrecht is gevestigd in overeenstemming met paragraaf 9.2.3 in de gelegenheid heeft gesteld het goed te verkrijgen.
Artikel 9.8
(uitzonderingen op hoofdregel) Artikel 9.7 is niet van toepassing op vervreemding: 66
a. aan de echtgenoot of de geregistreerd partner, aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of aan een pleegkind dat duurzaam als een eigen kind is onderhouden en opgevoed, b. vanwege de verdeling van een gemeenschap als bedoeld in artikel 166 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, c. vanwege een uiterste wilsbeschikking, d. vanwege een overeenkomst met een gemeente, een waterschap, een provincie, de Staat of een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen publiekrechtelijk lichaam of in het algemeen belang werkzame rechtspersoon, e. vanwege een verkoop op grond van een wettelijke bepaling, een rechterlijk bevel of een executoriale verkoop, waarbij geldt dat de voorzieningenrechter bij een onderhandse executoriale verkoop als bedoeld in artikel 268, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek niet beslist over het verzoek tot onderhandse verkoop zolang de rechtspersoon op wiens naam het voorkeursrecht is gevestigd niet in de gelegenheid is gesteld om, gelet op het gunstiger bod, een bod te doen, of f.
vanwege een overeenkomst over een onroerende zaak waarop een voorkeursrecht is gevestigd als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder c, of tweede lid, aangegaan met een pachter die op die zaak op het tijdstip van inwerkingtreding van de voorkeursrechtbeschikking een voorkeursrecht had als bedoeld in artikel 378 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 9.9 art. 9.9 lid 1
art. 9.9 lid 2
art. 9.9 lid 3
Artikel 9.10
(uitzondering op hoofdregel bij vervreemding vanwege een gesloten overeenkomst) Artikel 9.7 is niet van toepassing op de vervreemding vanwege een overeenkomst over de onroerende zaak of een overeenkomst die een plicht bevat voor de vervreemder over de onroerende zaak, voor zover: a. de vervreemding plaatsvindt aan een in die overeenkomst bij naam genoemde partij en tegen een in die overeenkomst bepaalde of volgens die overeenkomst bepaalbare prijs, b. de overeenkomst is ingeschreven in de openbare registers voordat de voorkeursrechtbeschikking is bekendgemaakt, en c. de vervreemding plaatsvindt binnen zes maanden na de dag van inschrijving van de overeenkomst in de openbare registers. Een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid kan worden ingeschreven in de openbare registers als deze is vervat in een akte. Het eerste lid is gedurende een periode van drie jaar eenmaal van toepassing op een vervreemding vanwege een overeenkomst over een bepaalde onroerende zaak of een gedeelte daarvan en op de daarin met name genoemde vervreemder of de verkrijger waarmee de overeenkomst is gesloten. Deze periode begint op de dag en het tijdstip van eerste inschrijving van de overeenkomst in de openbare registers.
(uitzondering op hoofdregel bij vervreemding vanwege gewichtige redenen) Artikel 9.7 is niet van toepassing op de vervreemding als het bevoegd gezag daartoe op verzoek van de vervreemder op grond van door die vervreemder aannemelijk gemaakte gewichtige redenen heeft besloten. Het bevoegd gezag kan daarbij beperkingen opleggen.
67
§ 9.2.3
Vervreemding aan een gemeente, een provincie of de Staat Artikel 9.12 art. 9.12 lid 1
art. 9.12 lid 2
art. 9.12 lid 3
(uitnodiging tot onderhandeling over vervreemding aan gemeente, provincie of Staat) Als de vervreemder het voornemen heeft tot vervreemding over te gaan en artikel 9.7 van toepassing is, nodigt hij het bevoegd gezag uit in onderhandeling te treden over vervreemding aan de gemeente, de provincie of de Staat tegen nader overeen te komen voorwaarden. Als de voorgenomen vervreemding betrekking heeft op onroerende zaken waarop voor een deel een voorkeursrecht is gevestigd maar die een samenhangend geheel vormen, kan de vervreemder, onverminderd afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, als voorwaarde stellen dat dit geheel van onroerende zaken in de vervreemding wordt betrokken. Als de onroerende zaken als onderdeel van een onderneming worden geëxploiteerd, kan de vervreemder als voorwaarde stellen dat de onderneming in de vervreemding wordt betrokken.
art. 9.12 lid 4
Als artikel 9.2, derde of vijfde lid, van toepassing is en er al een uitnodiging tot onderhandeling aan het college van burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten is gedaan, wordt die uitnodiging aangemerkt als een uitnodiging aan gedeputeerde staten of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Artikel 9.13
(beslistermijn voor besluit over bereidheid tot verkrijging) Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken na ontvangst van de uitnodiging of de gemeente, de provincie respectievelijk de Staat in beginsel bereid is het goed tegen nader overeen te komen voorwaarden te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen.
Artikel 9.14 art. 9.14 lid 1
art. 9.14 lid 2
§ 9.2.4
(rechtsgevolg ontbreken bereidheid of overschrijding van beslistermijn) De vervreemder mag, nadat hij de uitnodiging heeft gedaan, overgaan tot vervreemding van het in de uitnodiging vermelde goed aan derden gedurende een periode van drie jaar: a. vanaf de dag waarop het bevoegd gezag heeft beslist dat het niet bereid is het goed te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen, of b. na afloop van de in artikel 9.13 bedoelde termijn als het bevoegd gezag binnen die termijn geen beslissing heeft genomen. In afwijking van het eerste lid geldt voor een voorkeursrecht dat ten minste gedurende een periode van vijf jaar is gebaseerd op een omgevingsplan en waarvoor de uitnodiging is gedaan, dat dit vervalt: a. met ingang van de dag na die waarop het bevoegd gezag heeft beslist dat het niet bereid is het goed te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen, of b. na afloop van de in artikel 9.13 genoemde termijn als het bevoegd gezag binnen die termijn geen beslissing heeft genomen. Gerechtelijke procedure tot vaststelling van de prijs of tot overdracht van het goed
68
Artikel 9.15
(toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op een goed waarvoor een uitnodiging als bedoeld in artikel 9.12, eerste lid, is gedaan.
Artikel 9.16 art. 9.16 lid 1
art. 9.16 lid 2
(verzoek om gerechtelijke procedure tot vaststelling van de prijs) Als het bevoegd gezag in beginsel bereid is het goed te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen en er tussen de vervreemder en het bevoegd gezag wordt onderhandeld over de vervreemdingsvoorwaarden, kan de vervreemder het bevoegd gezag verzoeken om binnen vier weken na dat verzoek de rechtbank te verzoeken een oordeel over de prijs te geven. Bij het verzoek van het bevoegd gezag aan de rechtbank wordt een afschrift van het verzoek van de vervreemder gevoegd.
Artikel 9.17
(rechtsgevolg niet indienen of intrekken verzoek)
art. 9.17 lid 1
De vervreemder mag tot vervreemding aan derden overgaan gedurende een periode van drie jaar vanaf het moment dat: a. de termijn bedoeld in artikel 9.16, eerste lid, is verstreken en binnen die termijn het bevoegd gezag geen verzoek bij de rechtbank heeft ingediend, b. de gerechtelijke procedure tussentijds is beëindigd door het intrekken van het verzoek door het bevoegd gezag.
art. 9.17 lid 2
Een voorkeursrecht dat ten minste gedurende een periode van vijf jaar is gebaseerd op een omgevingsplan en waarvoor het goed waarop het betrekking heeft is aangeboden aan het bevoegd gezag, vervalt met ingang van de dag nadat: a. de in artikel 9.16, eerste lid, bedoelde termijn is afgelopen en het bevoegd gezag niet binnen die termijn een verzoek bij de rechtbank heeft ingediend, of b. de gerechtelijke procedure tussentijds is beëindigd door intrekking van het verzoek door het bevoegd gezag.
Artikel 9.18
(verzoek om gerechtelijke procedure tot overdracht van het goed) De vervreemder kan de rechtbank verzoeken te bepalen dat de rechtspersoon op wiens naam het voorkeursrecht is gevestigd, vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden van de vervreemder gehouden is medewerking te verlenen aan de overdracht van het goed tegen een door de rechtbank vast te stellen prijs. Het verzoek wordt ingediend binnen twee maanden na de dag waarop: a. het bevoegd gezag heeft beslist geen verzoek in te dienen als bedoeld in artikel 9.16, eerste lid, b. de termijn, bedoeld in artikel 9.16, eerste lid, is overschreden zonder dat het bevoegd gezag een beslissing heeft genomen, of c. de intrekking van het verzoek bij de griffie is ontvangen.
art. 9.18 lid 1
art. 9.18 lid 2
Artikel 9.19
(rechtsgevolg afwijzing verzoek tot overdracht van het goed) De vervreemder mag tot vervreemding aan derden overgaan gedurende een periode van drie jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke beschikking waarbij het verzoek, bedoeld in artikel 9.18, eerste lid, is afgewezen.
§ 9.2.5
Notariële akte tot levering van de onroerende zaak
69
Artikel 9.20
(notariële akte tot levering)
art. 9.20 lid 1
Het bevoegd gezag verleent medewerking aan de totstandkoming van een notariële akte tot levering van het goed tegen betaling aan de vervreemder van de in de beschikking, bedoeld in artikel 16.123, eerste lid, bepaalde prijs als de vervreemder binnen een periode van drie maanden na de dag van het onherroepelijk worden van de beschikking schriftelijk aan het bevoegd gezag verzoekt om die medewerking. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing als sprake is van een beschikking als bedoeld in artikel 16.123, tweede lid, voor zover bij die beschikking het verzoek is toegewezen.
art. 9.20 lid 2
art. 9.20 lid 3
Het bevoegd gezag dat het voorkeursrecht heeft gevestigd, draagt er zorg voor dat na levering van de onroerende zaak het voorkeursrecht, voor zover het ziet op die zaak, wordt doorgehaald in de openbare registers.
Artikel 9.21
(inschrijving notariële akte tot levering)
art. 9.21 lid 1
Inschrijving in de openbare registers van een akte tot vervreemding anders dan aan een gemeente, een provincie of de Staat vindt alleen plaats als op of bij het in te schrijven stuk een notariële verklaring is opgenomen, die inhoudt dat: a. op de onroerende zaak geen voorkeursrecht is gevestigd, of b. de vervreemding niet in strijd is met dit hoofdstuk en de daarop rustende bepalingen. Voor de toepassing van het eerste lid wordt met de daar bedoelde notariële verklaring gelijkgesteld een verklaring van een persoon als bedoeld in artikel 91 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, die in overeenstemming met het daar bepaalde een onderhandse akte tot levering heeft opgesteld.
art. 9.21 lid 2
§ 9.2.6
Nietigheid van rechtshandelingen in strijd met voorkeursrecht Artikel 9.22 art. 9.22 lid 1
art. 9.22 lid 2
art. 9.22 lid 3
(nietigheid van rechtshandelingen in strijd met voorkeursrecht) Een gemeente, een provincie of de Staat kan de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan een op haar of zijn naam gevestigd voorkeursrecht. Een verzoek tot nietigverklaring wordt gedaan bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar de onroerende zaak geheel of grotendeels ligt binnen acht weken nadat de gemeente, de provincie of de Staat een afschrift heeft ontvangen van de akte waarin de rechtshandeling is vervat. Het verzoek tot nietigverklaring is niet-ontvankelijk als de indiener schriftelijk heeft ingestemd met de rechtshandeling.
HST. 10
GEDOOGPLICHTEN
AFD. 10.1
ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 10.1
(begripsbepalingen) In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: initiatiefnemer: degene onder wiens verantwoordelijkheid een werk van algemeen belang waarvoor een gedoogplicht is opgelegd, tot stand wordt gebracht of wordt opgeruimd; 70
rechthebbende: degene die enig recht heeft op de onroerende zaak waarin, waarop, waarboven of waaronder: a. activiteiten als bedoeld in afdeling 10.2 worden verricht, of b. een werk van algemeen belang tot stand wordt gebracht of wordt opgeruimd; tot stand brengen: aanleggen, in stand houden, wijzigen, verplaatsen of uitvoeren; werk van algemeen belang: werk of activiteit als bedoeld in paragraaf 10.3.2. Artikel 10.1a
AFD. 10.2
(toegang tot de onroerende zaak) Voor activiteiten als bedoeld in de afdelingen 10.2 en 10.3 en de activiteiten, genoemd in de gedoogplichtbeschikking, heeft de initiatiefnemer of diens gemachtigde toegang tot de onroerende zaak voor zover dat redelijkerwijs voor de uitvoering daarvan nodig is. GEDOOGPLICHTEN VAN RECHTSWEGE
Artikel 10.2 art. 10.2 lid 1
art. 10.2 lid 2
Artikel 10.3 art. 10.3 lid 1
art. 10.3 lid 2
art. 10.3 lid 3
(gedoogplichten wegen en waterstaatswerken) Een rechthebbende gedoogt voor wegen en waterstaatswerken: a. het door of namens de beheerder verrichten van onderhoudsen herstel-werkzaamheden aan de weg of het waterstaatswerk, b. het door of namens de beheerder aanbrengen en in stand houden van meetmiddelen, seinen, merken, verkeerstekens of andere tekens, als dat volgens de beheerder nodig is voor de functievervulling van de weg of het waterstaatswerk, c. graaf- of meetwerkzaamheden voor het maken van ontwerpen voor het aanleggen, onderhouden of wijzigen van de weg of het waterstaatswerk, d. het door of namens de beheerder aanleggen en in stand houden van elektrische geleidingen, voor zover dat niet plaatsvindt in afgesloten tuinen en erven die een geheel vormen met bewoonde percelen. Een rechthebbende gedoogt voor waterstaatswerken het door of namens het bevoegd gezag op grond van de Scheepvaartverkeerswet aanbrengen en in stand houden van verkeerstekens. (gedoogplichten waterbeheer) Een rechthebbende gedoogt bij gronden, gelegen aan of in een oppervlaktewaterlichaam waarvan het onderhoud wordt verricht door of namens de beheerder: het ontvangen op die gronden van specie of maaisel, dat vanwege regulier onderhoud van dat oppervlaktewaterlichaam wordt verwijderd.
Voor de toepassing van het eerste lid worden gronden die zijn gescheiden van het oppervlaktewaterlichaam vanwege een weg of door een grondstrook die te smal is om het maaisel of de specie te ontvangen, aangemerkt als gronden gelegen aan een oppervlaktewaterlichaam. Een rechthebbende gedoogt bij gronden waar het grondwater invloed ondervindt van een wateractiviteit bestaande uit: a. het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, of b. het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met dat onttrekken, voor zover die activiteit wordt verricht op grond van een omgevingsvergunning of als daarvoor een melding als bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, is vereist: het onder a en b bedoelde onttrekken of in de bodem brengen.
71
art. 10.3 lid 4
art. 10.3 lid 5
Een rechthebbende gedoogt bij gronden, gelegen in of deel uitmakend van een oppervlaktewaterlichaam of bergingsgebied: wateroverlast en overstromingen door de afvoer of tijdelijke berging van oppervlaktewater. Een rechthebbende gedoogt maatregelen, in het kader van het beschermen van de kwaliteit van grondwaterlichamen, opgenomen in: a. een regionaal waterprogramma als bedoeld in artikel 3.8, b. een programma van een waterschap als bedoeld in artikel 3.7, of c. een programma van het college van burgemeester en wethouders.
Artikel 10.4
(informatieplicht voorgenomen activiteiten) Bij activiteiten als bedoeld in de artikelen 10.2 en 10.3, eerste lid, informeert de beheerder de rechthebbende ten minste achtenveertig uur van tevoren schriftelijk over de voorgenomen activiteiten, tenzij dit door het spoedeisende karakter van die activiteiten niet mogelijk is.
Artikel 10.5 art. 10.5 lid 1
(bevoegdheid tot betreden plaatsen) De met de inspectie van watersystemen of onderdelen daarvan belaste personen, werkzaam onder verantwoordelijkheid van de beheerder, zijn bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat of het dagelijks bestuur van een waterschap is bevoegd tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden tot het zonder toestemming van de bewoner binnentreden in een woning door een daartoe bij besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat of dat bestuur aangewezen persoon, voor zover die woning deel uitmaakt van een waterstaatswerk of daarmee rechtstreeks in verbinding staat. De artikelen 5:13, 5:15, tweede en derde lid, 5:16 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat of het dagelijks bestuur van een waterschap zijn bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde personen.
art. 10.5 lid 2
art. 10.5 lid 3
art 10.5 lid 4
Artikel 10.6 art. 10.6 lid 1
art. 10.6 lid 2
(gedoogplichten Wet milieubeheer) Een rechthebbende op een onroerende zaak waar maatregelen als bedoeld in artikel 8.49, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer voor een gesloten stortplaats worden getroffen, gedoogt dat activiteiten worden verricht vanwege die maatregelen. Een rechthebbende op een onroerende zaak waar een beroepshalve of bedrijfsmatig verrichte activiteit, ongeacht het openbare of particuliere, winstgevende of niet-winstgevende karakter daarvan, wordt verricht of waar sprake is van milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan, gedoogt dat preventieve of herstelmaatregelen als bedoeld in titel 17.2 van de Wet milieubeheer worden getroffen.
72
Artikel 10.7
(gedoogplicht Wet luchtvaart) De exploitant van een luchthaven als bedoeld in artikel 8.1b van de Wet luchtvaart gedoogt op de luchthaven elektronische, meteorologische en andere hulpmiddelen, bestemd voor de uitoefening van de taken, toegedeeld aan de LVNL, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet, en het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut, voor de luchtverkeersbeveiliging en de luchtvaartmeteorologische dienstverlening.
Artikel 10.8 art. 10.8 lid 1
(gedoogplichten Spoorwegwet en Wet lokaal spoor) Een rechthebbende op infrastructuur, anders dan hoofdspoorwegen, waarvan het beheer bij of krachtens de wet is opgedragen aan, of dat in beheer is bij, een openbaar lichaam gedoogt aanraking, doorsnijding of overbrugging van die infrastructuur door hoofdspoorwegen. Het eerste lid geldt ook voor de rechthebbenden op de onder of naast de hoofdspoorweg gelegen grond, de daarin gelegen werken en de daarop gelegen opstallen.
art. 10.8 lid 2
art. 10.8 lid 3
Een rechthebbende gedoogt het beheer van lokale spoorweginfrastructuur voor zover dit voor de goede uitvoering van dat beheer nodig is.
Artikel 10.9
(gedoogplicht Mijnbouwwet) Een rechthebbende gedoogt dat de houder van een vergunning voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen, het opsporen of winnen van delfstoffen of aardwarmte of het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, in de ondergrond CO2-opslagcomplexen opspoort, delfstoffen of aardwarmte opspoort of wint respectievelijk stoffen opslaat volgens de voor die activiteiten geldende regels, voor zover die activiteiten plaatsvinden op een diepte van meer dan honderd meter beneden de oppervlakte.
Artikel 10.10
(gedoogplicht zwemwater) Een rechthebbende op een onroerende zaak waarin of waarop tekens met voorlichting ter uitvoering van de zwemwaterrichtlijn worden geplaatst, gedoogt het aanbrengen en in stand houden van die tekens.
Artikel 10.10a
(gedoogplicht maatregelen toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem) Een rechthebbende gedoogt dat tijdelijke beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 19.9c worden uitgevoerd ter voorkoming of beperking van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid als gevolg van blootstelling aan verontreiniging van de bodem. Artikel 5:27 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
art. 10.10a lid 1
art. 10.10a lid 2
Artikel 10.10b art. 10.10b lid 1
(gedoogplicht natuurgebieden) Een rechthebbende op een onroerende zaak waarvoor door het provinciebestuur of een van Onze Ministers ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 2°, en artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 1°, en onder b, feitelijke handelingen worden verricht die nodig zijn gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied, gedoogt het treffen van deze maatregelen.
73
art. 10.10b lid 2
art. 10.10b lid 3
Het bevoegd gezag informeert een rechthebbende als bedoeld in het eerste lid ten minste vier weken van tevoren schriftelijk over de voorge-nomen maatregelen. In afwijking van het tweede lid kan het informeren mondeling plaatsvinden en geldt de termijn niet, als dit nodig is vanwege het spoedeisende karakter van de maatregel.
Artikel 10.10c
(gedoogplicht voorbereiding landinrichting) Een rechthebbende gedoogt dat terreinen worden betreden of daarop graafwerkzaamheden of meetwerkzaamheden worden verricht of tekens worden aangebracht, als gedeputeerde staten van de provincie waar die terreinen geheel of grotendeels liggen dat voor de voorbereiding van landinrichting als bedoeld in artikel 12.3, eerste lid, nodig achten.
Artikel 10.10d art. 10.10d lid 1
(gedoogplicht landinrichting) Een rechthebbende gedoogt dat binnen het in te richten gebied meetwerkzaamheden of waarnemingen worden verricht of tekens worden aangebracht. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan wie op grond van artikel 12.21, eerste lid, percelen tijdelijk in gebruik zijn gegeven.
art. 10.10d lid 2
Artikel 10.10e
(gedoogplicht verrichten werkzaamheden instructie)
art. 10.10e lid 1
Een rechthebbende gedoogt dat de werkzaamheden ten aanzien van wegen, waterstaatswerken, gebieden van belang uit een oogpunt van natuurbescherming of landschapsbehoud of van elementen van landschappelijke, recreatieve, aardkundige of natuurwetenschappelijke waarde, of cultureel erfgoed, of andere voorzieningen van openbaar nut, genoemd in een instructie als bedoeld in artikel 12.18, worden verricht. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan wie op grond van artikel 12.21, eerste lid, percelen tijdelijk in gebruik zijn gegeven.
art. 10.10e lid 2
Artikel 10.10f art. 10.10f lid 1
art. 10.10f lid 2
Artikel 10.10g
(gedoogplichten herverkaveling) Binnen een herverkavelingsblok gedoogt een rechthebbende dat: a. houtgewas wordt geplant of gekapt, of zoden, aarde, baggerspecie en andere grond aan zijn terreinen worden onttrokken of daarop worden neergelegd, b. werkzaamheden worden verricht voor de ontsluiting, waterbeheersing, inrichting en profielopbouw van de percelen, c. bouwwerken worden gesloopt, gebouwd of verplaatst als gedeputeerde staten dat nodig achten voor de uitvoering van het inrichtingsprogramma. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op degene aan wie op grond van artikel 12.21, eerste lid, percelen tijdelijk in gebruik zijn gegeven. (gedoogplichten tijdelijk in gebruik gegeven percelen) Een rechthebbende van een perceel dat op grond van artikel 12.21, derde lid, tijdelijk in gebruik is gegeven aan een openbaar lichaam of rechtspersoon gedoogt dat dit lichaam of deze rechtspersoon daarop de werkzaamheden verricht die hij nodig acht voor de uitvoering van het inrichtingsprogramma.
74
Artikel 10.10h art. 10.10h lid 1
art. 10.10h lid 2
(gedoogplichten voorbereidende werkzaamheden onteigening) Als voor een beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor kan worden onteigend, graafwerkzaamheden, meetwerkzaamheden of het aanbrengen van tekens door het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.4, nodig worden geacht, gedoogt de rechthebbende dit. Artikel 10.4 is van overeenkomstige toepassing.
AFD. 10.3
BIJ BESCHIKKING OP TE LEGGEN GEDOOGPLICHTEN
§ 10.3.1
Algemene bepalingen Artikel 10.11
(toepassingscriteria) Een gedoogplicht op grond van deze afdeling kan worden opgelegd als voor een werk van algemeen belang: a. voor bepaalde of onbepaalde tijd gebruik moet worden gemaakt van een onroerende zaak, b. met de rechthebbende op de onroerende zaak ondanks een redelijke po-ging daartoe geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over het gebruik daarvan, c. het gebruik van de onroerende zaak niet meer zal worden belemmerd dan redelijkerwijs nodig is, en d. de belangen van de rechthebbende redelijkerwijs onteigening niet vorde-ren.
Artikel 10.12
(op aanvraag en ambtshalve) Het opleggen van een gedoogplicht op grond van deze afdeling geschiedt op aanvraag van de initiatiefnemer of ambtshalve, als de initiatiefnemer op grond van deze wet zelf bevoegd is om voor het werk van algemeen belang een gedoogplicht op te leggen.
§ 10.3.2
Gedoogplichten Artikel 10.13 art. 10.13 lid 1
(gedoogplichten infrastructuur en water) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van: a. een werk voor hoofdspoorwegen, b. infrastructuur nodig voor de productie en distributie van drinkwater als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b, in samenhang met artikel 1, eerste lid, van de Drinkwaterwet, c. een werk ter uitvoering van een projectbesluit waarop artikel 5.46, eerste lid, van toepassing is, d. een werk voor het transport van afvalwater, uitgevoerd door een waterschap, e. een werk voor het transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, uitgevoerd door een gemeente, f. lokale spoorweginfrastructuur.
art. 10.13 lid 2
Het dagelijks bestuur van een waterschap kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van een werk ter uitvoering van een projectbesluit waarop artikel 5.46, tweede lid, van toepassing is.
75
Artikel 10.13a art. 10.13a lid 1
art. 10.13a lid 2
(gedoogplicht stortplaatsen) Het bevoegd gezag voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die betrekking heeft op een stortplaats kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het verrichten van onderzoek op die stortplaats of in de onmiddellijke omgeving daarvan en voor het aanbrengen, aanwezig zijn, onderhouden, gebruiken en verwijderen van de voor dat onderzoek benodigde middelen als dat nodig is in het belang van de bescherming van de bodem. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. het storten van afvalstoffen als het gaat om het begraven van stoffelijke resten of het op of in de bodem verspreiden van as, afkomstig van de verbranding van stoffelijke resten, b. stortplaatsen waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort, c. stortplaatsen waar het storten van afvalstoffen is beëindigd voor 1 maart 1995, d. stortplaatsen waar op of na 1 maart 1995 alleen afvalstoffen zijn of worden gestort voor het aanbrengen van een bovenafdichting op die stortplaats, als de gestorte hoeveelheid ten hoogste 0,3 m3 afvalstof per m2 stortoppervlak bedraagt.
Artikel 10.13b
(gedoogplicht nazorg bodem) Het college van burgemeester en wethouders kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor: a. het verrichten van onderzoek naar verontreiniging van de bodem voor het vaststellen van de doeltreffendheid en effecten van maatregelen ter uitvoering van regels over milieubelastende activiteiten op grond van artikel 4.1 of 4.3, of b. de uitvoering van maatregelen uit een nazorgplan als bedoeld in artikel 39d of 39e van de Wet bodembescherming of van maatregelen in het kader van nazorg krachtens artikel 39b van die wet, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet.
Artikel 10.14
(gedoogplichten energie en mijnbouw) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van: a. een net of als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 of een windpark met een capaciteit van ten minste 5 MW, b. een gasproductienet of een gastransportnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Gaswet, c. een mijnbouwwerk, d. werken bestemd voor het opsporen van CO2opslagcomplexen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet, e. een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet, f. een warmtenet als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet.
Artikel 10.15
(gedoogplicht Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van werken voor grenswateren als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag. 76
Artikel 10.16 art. 10.16 lid 1
art. 10.16 lid 2
art. 10.16 lid 3
Artikel 10.17 art. 10.17 lid 1
art. 10.17 lid 2
(gedoogplichten ontgrondingen) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het verrichten van onderzoek op een locatie in verband met een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit of een aanvraag om een dergelijke vergunning. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan op verzoek van de aanvrager of houder van een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het verrichten van onderzoek en voor het aanbrengen, in stand houden, onderhouden, gebruiken en verwijderen van de voor dat onderzoek benodigde middelen als dat voor de ontgrondingsactiviteit nodig is. De bevoegdheden, bedoeld in het eerste en tweede lid, berusten bij gedeputeerde staten als zij bevoegd gezag zijn voor de omgevingsvergunning. (gedoogplichten waterstaatswerken) De beheerder kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het verrichten van onderzoek dat nodig is voor de aanvraag of wijziging van een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit of ter voldoening aan een andere in het kader van het waterbeheer op grond van deze wet, een waterschapsverordening of omgevingsverordening op hem rustende plicht. De beheerder kan, voor zover dat voor de vervulling van zijn taken redelijkerwijs nodig is, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor: a.
het op of in gronden verrichten van onderzoek en daarmee verband houdende activiteiten in verband met een waterstaatswerk, b. de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk en de daarmee verband houdende activiteiten.
Artikel 10.18
(gedoogplicht luchtverontreiniging) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen als door een gemeente, een provincie, het Rijk of een openbaar lichaam voor het bepalen van de mate van luchtverontreiniging gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken.
Artikel 10.19 art. 10.19 lid 1
(gedoogplichten archeologisch onderzoek) Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het in het belang van een archeologisch onderzoek betreden van terreinen, het daarop verrichten van metingen of het daarin doen van opgravingen. Het bestuursorgaan dat is belast met de voorbereiding of uitvoering van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen als bedoeld in het eerste lid, voor zover dat onderzoek dient ter voorbereiding of uitvoering van het omgevingsplan of de omgevingsvergunning. Artikel 10.11, aanhef en onder d, is niet van toepassing op de beslissing tot het opleggen van een gedoogplicht als bedoeld in dit artikel.
art. 10.19 lid 2
art. 10.19 lid 3
77
Artikel 10.19a
(gedoogplicht defensiewerken) Onze Minister van Defensie kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van werken voor de uitoefening van defensietaken.
Artikel 10.20
Artikel 10.20 (gedoogplicht vanwege het maken van een ontwerp) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het uitvoeren van meetwerkzaamheden of graafwerkzaamheden, het aanbrengen van tekens in, boven of op een onroerende zaak, of het verrichten van onderzoek met gebruikmaking van de daarvoor benodigde hulpmiddelen, als die activiteiten nodig zijn voor het maken van een ontwerp voor de aanleg, instandhouding, wijziging, verplaatsing of opruiming van een werk als bedoeld in artikel 10.13, 10.14 of 10.15.
Artikel 10.21 art. 10.21 lid 1
(gedoogplicht andere werken van algemeen belang) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van een werk van algemeen belang dat geen werk of activiteit is als bedoeld in de artikelen 10.13 tot en met 10.19a, als het belang van de openbare veiligheid, het belang van het beschermen van de fysieke leefomgeving, zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen. Als de oplegging van een gedoogplicht een belang dient waarvoor de zorg niet bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat berust, beslist Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat.
art. 10.21 lid 2
Artikel 10.21a
§ 10.3.3
(gedoogplicht verontreiniging van de bodem zorgplicht of ongewoon voorval) Het college van burgemeester en wethouders kan voor het voorkomen, beperken of ongedaan maken van een verontreiniging of aantasting van de bodem aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor: a. het verrichten van onderzoek door de veroorzaker naar de aard en omvang van die verontreiniging of aantasting, b. het treffen van maatregelen door de veroorzaker voor het voorkomen, beperken of ongedaan maken van die verontreiniging of aantasting van de bodem en de directe gevolgen daarvan. De gedoogplichtbeschikking
Artikel 10.22 art. 10.22 lid 1
art. 10.22 lid 2
(inhoud gedoogplichtbeschikking) Een gedoogplichtbeschikking bevat in ieder geval een beschrijving van: a. de onroerende zaak waarop de beschikking betrekking heeft, b. het werk van algemeen belang waarvoor de beschikking geldt, c. de te verrichten activiteiten en de voorbereiding daarvan, d. de plichten van de rechthebbende, e. de rechten en plichten van de initiatiefnemer. De gedoogplichtbeschikking vermeldt of er voor bepaalde of onbepaalde tijd gebruik wordt gemaakt van de onroerende zaak.
78
art. 10.22 lid 3
art. 10.22 lid 4
Artikel 10.23 art. 10.23 lid 1
art. 10.23 lid 2
art. 10.23 lid 3
§ 10.3.4
Als dat voor de instandhouding van het werk van algemeen belang nodig is, kan in de gedoogplichtbeschikking een gebied rondom het werk worden vastgesteld waarbinnen in de beschikking te noemen activiteiten niet zijn toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de initiatiefnemer. Aan een gedoogplichtbeschikking kunnen voorschriften worden verbonden. (wijziging van een gedoogplichtbeschikking) Op verzoek van de rechthebbende kan de gedoogplichtbeschikking worden gewijzigd als het gaat om de locatie van het werk van algemeen belang binnen de desbetreffende onroerende zaak. Het eerste lid is alleen van toepassing als de rechthebbende over de wijziging van de locatie ondanks een redelijke poging daartoe geen overeenstemming heeft bereikt met de initiatiefnemer. Het verzoek wordt in ieder geval afgewezen als het werk van algemeen belang redelijkerwijs niet op een andere locatie tot stand kan worden gebracht. Bijzondere bepalingen
Artikel 10.24
(bomen en beplantingen) Degene op wie een gedoogplicht op grond van paragraaf 10.3.2 rust, gedoogt dat de initiatiefnemer bomen en beplantingen rooit, inkort of snoeit voor zover die bomen en beplantingen hinderlijk zijn voor het tot stand brengen of opruimen van het werk van algemeen belang.
Artikel 10.25
(rechtsopvolging) De in de gedoogplichtbeschikking opgenomen rechten en plichten van de rechthebbende en van de initiatiefnemer rusten ook op hun rechtsopvolgers.
Artikel 10.27 art. 10.27 lid 1
(opruimen van een werk van algemeen belang) Als de gedoogplichtbeschikking voor een werk van algemeen belang is ingetrokken, ruimt de initiatiefnemer dat werk op, tenzij met degene op wie de gedoogplicht rustte anders is overeengekomen. Bij de opruiming wordt de onroerende zaak zoveel als mogelijk teruggebracht in de staat van voor de aanleg van het werk van algemeen belang, voor zover niet anders is overeengekomen.
art. 10.27 lid 2
art. 10.27 lid 3
Artikel 10.25 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.28
(eigendom van een werk van algemeen belang) Artikel 20, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op werken van algemeen belang die met toepassing van een gedoogplichtbeschikking worden aangelegd, in stand gehouden, gewijzigd of verplaatst.
AFD. 10.4
OVERIG
Artikel 10.29
(gedoogplicht maatregelen populaties dieren en planten)
79
art. 10.29 lid 1
art. 10.29 lid 2
art. 10.29 lid 3
art. 10.29 lid 4
art. 10.29 lid 5
Gedeputeerde staten kunnen of Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan besluiten dat de personen of de groepen van personen die ter uitvoering van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit om de omvang te beperken van de populatie van dieren, toegang hebben tot de grond waar de dieren aanwezig zijn. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en gedeputeerde staten kunnen besluiten dat personen of groepen van personen die ter uitvoering van de taak, bedoeld in respectievelijk artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 4°, en artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 1° of 3°, zijn belast met de bestrijding van dieren of planten van uitheemse soorten of van verwilderde dieren, of de terugdringing van de aantallen aanwezige dieren en planten van die soorten, toegang hebben tot de grond waar de dieren of de planten aanwezig zijn. Een rechthebbende gedoogt de aanwezigheid op zijn grond van personen of groepen van personen als bedoeld in het eerste en tweede lid. Het bevoegd gezag informeert een rechthebbende als bedoeld in het derde lid ten minste achtenveertig uur van te voren schriftelijk over de voorgenomen maatregelen. In afwijking van het vierde lid kan het informeren mondeling plaatsvinden en geldt de termijn niet, als dit nodig is vanwege het spoedeisende karakter van de maatregel.
HST. 11
ONTEIGENING
Afd. 11.1
ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 11.1
(algemeen belang) Onteigening van onroerende zaken in het algemeen belang als bedoeld in artikel 14 van de Grondwet kan op grond van dit hoofdstuk plaatsvinden in het algemeen belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving.
Artikel 11.2
(onteigenaar)
art. 11.2 lid 1
Onteigening kan plaatsvinden op naam van een onteigenaar.
art. 11.2 lid 2
Onteigenaar kunnen zijn: a. een gemeente, b. een waterschap, c. een provincie, d. de Staat, e. een andere rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid waaraan de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving is toegestaan.
AFD. 11.2
ONTEIGENINGSBESCHIKKING Artikel 11.3
(aanwijzing van te onteigenen onroerende zaken)
art. 11.3 lid 1
De onteigeningsbeschikking wijst de te onteigenen onroerende zaken aan.
80
art. 11.3 lid 2
Op verzoek van de eigenaar neemt het bevoegd gezag in de onteigeningsbeschikking ook ter onteigening op: a. een volledig gebouw, als de onteigenaar het voornemen heeft alleen een gedeelte van het gebouw te onteigenen, b. volledige erven: 1°. als de onteigenaar het voornemen heeft alleen een gedeelte van een erf te onteigenen en daardoor 25% of minder van de omvang overblijft of als het erf daardoor kleiner wordt dan 10 are, en 2°. als het overgebleven erf niet onmiddellijk grenst aan een ander erf van dezelfde eigenaar.
Artikel 11.4
(bevoegd gezag)
art. 11.4 lid 1
Een onteigeningsbeschikking kan worden gegeven door: a. de gemeenteraad van de gemeente waarbinnen de onroerende zaak ligt, b. het algemeen bestuur van het waterschap waarbinnen de onroerende zaak ligt, c. provinciale staten van de provincie waarbinnen de onroerende zaak ligt, d. Onze Minister die het aangaat. Het algemeen bestuur van een waterschap kan alleen een onteigeningsbeschikking geven met het oog op de taken, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a.
art. 11.4 lid 2
art. 11.4 lid 3
art. 11.4 lid 4
Provinciale staten kunnen alleen een onteigeningsbeschikking geven als: a. het onteigeningsbelang een provinciaal belang betreft, of b. dat doelmatig is. Onze Minister die het aangaat kan alleen een onteigeningsbeschikking geven als: a. het onteigeningsbelang een nationaal belang betreft, of b. dat doelmatig is.
Artikel 11.5
(criteria: onteigeningsbelang, noodzaak en urgentie) Een onteigeningsbeschikking kan alleen worden gegeven: a. in het belang van het ontwikkelen, gebruiken of beheren van de fysieke leefomgeving, b. als onteigening noodzakelijk is, en c. als onteigening urgent is.
Artikel 11.6
(grondslagen onteigeningsbelang) Van een onteigeningsbelang is alleen sprake als de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving, onder uitsluiting van de bestaande vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer, mogelijk is gemaakt: a. in een vastgesteld omgevingsplan, b. in een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, c. door een vastgesteld projectbesluit.
Artikel 11.7
(onderbouwing noodzaak)
art. 11.7 lid 1
De noodzaak tot onteigening ontbreekt in ieder geval als: a. de onteigenaar geen redelijke poging heeft gedaan tot minnelijke verwerving van de onroerende zaak vrij van rechten en lasten, b. de onteigenaar geen redelijke poging heeft gedaan om overeenstemming te bereiken over het vervallen van zakelijke of persoonlijke rechten op de onroerende zaak, 81
art. 11.7 lid 2
art. 11.7 lid 3
Artikel 11.8
c. aannemelijk is dat op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt over de minnelijke verwerving van de onroerende zaak vrij van rechten en lasten en die overeenstemming zal leiden tot een spoedige levering daarvan, of d. aannemelijk is dat op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt over het vervallen van zakelijke of persoonlijke rechten op de onroerende zaak en die overeenstemming zal leiden tot het spoedig vervallen van die rechten. De noodzaak tot onteigening ontbreekt ook als de eigenaar van of een beperkt gerechtigde op de onroerende zaak: a. aantoont bereid en in staat te zijn om de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving op zich te nemen, b. daarvoor concrete en op uitvoering gerichte voornemens heeft en die aan het bevoegd gezag kenbaar heeft gemaakt, en c. de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving zal verwezenlijken op de door het bevoegd gezag beoogde wijze. Het tweede lid is niet van toepassing als het gaat om een onroerende zaak waarvoor: a.
niet eerder een onteigeningsbeschikking is gegeven vanwege het ontbreken van de noodzaak tot onteigening, bedoeld in artikel 11.5, onder b, in samenhang met dat lid, en binnen drie jaar na het kenbaar maken, bedoeld in dat lid, onder b, vanwege oorzaken die de eigenaar of beperkt gerechtigde had kunnen voorkomen geen begin is gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving, of b. in de bekrachtigingsprocedure of in hoger beroep het verzoek tot bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking is afgewezen respectievelijk de onteigeningsbeschikking is vernietigd vanwege het kennelijk ontbreken van de noodzaak tot onteigening, bedoeld in artikel 11.5, onder b, in samenhang met dat lid, en binnen drie jaar na die uitspraak vanwege oorzaken die de eigenaar of beperkt gerechtigde had kunnen voorkomen geen begin is gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving.
(onderbouwing noodzaak in verband met de openbare orde) Als het onteigeningsbelang verband houdt met de handhaving van de openbare orde rond een gebouw als bedoeld in artikel 13b, tweede lid, van de Woningwet, die is verstoord door gedragingen in dat gebouw, ontbreekt de noodzaak tot onteigening, tenzij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 13b, tweede lid, van die wet, geen uitzicht heeft geboden op een duurzaam herstel van de openbare orde rond dat gebouw.
Artikel 11.9
(onderbouwing noodzaak in verband met de Opiumwet) Als het onteigeningsbelang verband houdt met de handhaving van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet in een gebouw bedoeld in artikel 13b, tweede lid, van de Woningwet, ontbreekt de noodzaak tot onteigening, tenzij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 13b, tweede lid, van de Woningwet, geen uitzicht heeft geboden op het duurzaam achterwege blijven van een overtreding van artikel 2 of artikel 3 van de Opiumwet in het gebouw.
82
Artikel 11.10
(onderbouwing noodzaak in verband met de leefbaarheid, gezondheid en veiligheid) Als het onteigeningsbelang verband houdt met het opheffen van een overtreding als bedoeld in artikel 17 van de Woningwet in een gebouw of op een open erf of een terrein als bedoeld in dat artikel, ontbreekt de noodzaak tot onteigening, tenzij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 13b, tweede lid, van die wet, geen uitzicht heeft geboden op het duurzaam achterwege blijven van een zodanige overtreding.
Artikel 11.11
(onderbouwing urgentie) De urgentie ontbreekt in ieder geval als niet aannemelijk is dat binnen drie jaar na het inschrijven van de onteigeningsakte een begin wordt gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor onteigening nodig is.
Artikel 11.12
(vervallen onteigeningsbeschikking) De onteigeningsbeschikking vervalt als de onteigenaar niet uiterlijk binnen twaalf maanden na het onherroepelijk worden van die beschikking de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de te onteigenen onroerende zaak geheel of grotendeels ligt, verzoekt om de schadeloosstelling vast te stellen volgens afdeling 15.3.
Artikel 11.13
(geen coördinatie met andere besluiten) Artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 5.45, eerste lid, zijn niet van toepassing op een onteigeningsbeschikking.
AFD. 11.3
SCHADELOOSSTELLING BIJ ONTEIGENING Artikel 11.14
(verzoekprocedure schadeloosstelling) Nadat de onteigeningsbeschikking is bekendgemaakt, kan de onteigenaar de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de te onteigenen onroerende zaak geheel of grotendeels ligt, verzoeken de schadeloosstelling vast te stellen volgens afdeling 15.3.
AFD. 11.4
ONTEIGENINGSAKTE Artikel 11.15
(verzoek verlijden onteigeningsakte) Uiterlijk binnen twee maanden nadat aan alle voorwaarden, bedoeld in artikel 11.16, eerste lid, is voldaan, verzoekt de onteigenaar een notaris de onteigeningsakte te verlijden.
Artikel 11.16
(vereisten verlijden onteigeningsakte)
art. 11.16 lid 1
Een onteigeningsakte kan alleen worden verleden als: a. de onteigeningsbeschikking onherroepelijk is, b. het besluit ter uitvoering waarvan de onteigening nodig is onherroepelijk is, en c. de voorlopige schadeloosstelling, bedoeld in artikel 15.43, of de overeengekomen schadeloosstelling die is opgenomen in een proces-verbaal, is betaald. 83
art. 11.16 lid 2
art. 11.16 lid 3
art. 11.16 lid 4
Artikel 11.17
De onherroepelijkheid van de onteigeningsbeschikking wordt aangetoond door het overleggen van: a. de uitspraak in hoger beroep tegen een uitspraak op een verzoek tot bekrachtiging, of b. een verklaring van de griffier van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat tegen de uitspraak op het verzoek tot bekrachtiging binnen de beroepstermijn geen hoger beroep is ingesteld. De onherroepelijkheid van het besluit ter uitvoering waarvan de onteigening nodig is, wordt aangetoond door het overleggen van: a. de uitspraak tegen dat besluit door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, b. een verklaring van de griffier van de rechtbank of een verklaring van de griffier van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat tegen dat besluit binnen de beroepstermijn geen beroep is ingesteld, of c. een verklaring van de griffier van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waaruit blijkt dat tegen de uitspraak op het beroep tegen het besluit binnen de beroepstermijn geen hoger beroep is ingesteld. De betaling van de voorlopige schadeloosstelling of de overeengekomen schadeloosstelling wordt aangetoond door het overleggen van een betalingsbewijs. Als betalingsbewijs geldt: a.
een bewijs dat de som van de voorlopige schadeloosstelling of de overeengekomen schadeloosstelling is overgeschreven op een rekening die de tot ontvangst gerechtigde aanhoudt bij een financiële onderneming die in Nederland op grond van de Wet op het financieel toezicht het bedrijf van bank mag uitoefenen, b. een consignatiebewijs als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet op de consignatie van gelden, als niet genoegzaam bekend is wie tot ontvangst gerechtigd is of consignatie heeft plaatsgevonden op grond van de artikelen 15.49 en 15.50. (ondertekening onteigeningsakte) Een onteigeningsakte wordt ondertekend door de onteigenaar.
Artikel 11.18
(rechtsgevolgen inschrijven onteigeningsakte)
art. 11.18 lid 1
Met het inschrijven van een door een notaris verleden onteigeningsakte in de openbare registers verkrijgt de onteigenaar de eigendom vrij van alle lasten en rechten die met betrekking tot de zaak bestaan. De bewaarder van het kadaster en de openbare registers tekent ambtshalve de door de inschrijving van de onteigeningsakte niet meer bestaande inschrijvingen van hypotheken en beslagen aan in de basisregistratie kadaster en in de openbare registers.
art. 11.18 lid 2
art. 11.18 lid 3
Erfdienstbaarheden kunnen op de onteigende zaak gevestigd blijven. Zij worden daarvoor in de onteigeningsakte opgenomen. Als zij niet door vestiging zijn ontstaan, worden de kadastrale aanduiding van het heersende erf en een omschrijving van de erfdienstbaarheid in de onteigeningsakte opgenomen.
Artikel 11.19
(lasten en belastingen) Waterschaps- en soortgelijke lasten en alle belastingen waarmee de onteigende zaak is bezwaard of die daarover worden betaald, gaan met ingang van de dag waarop de onteigeningsakte in de openbare registers is ingeschreven over op de onteigenaar.
84
Artikel 11.20
(inbezitstelling na inschrijving onteigeningsakte)
art. 11.20 lid 1
Op verzoek van de onteigenaar kan de voorzieningenrechter bij een in executoriale vorm afgegeven bevelschrift de nodige bevelen geven om de onteigenaar in het bezit van de onteigende onroerende zaak te stellen. Bij zijn verzoek overlegt de onteigenaar een afschrift van de onteigeningsakte en een bewijs van inschrijving daarvan. Tegen een bevelschrift als bedoeld in het eerste lid staat geen hogere voorziening open.
art. 11.20 lid 2 art. 11.20 lid 3
AFD. 11.5
NIET VERWEZENLIJKEN ONTEIGENINGSBELANG Artikel 11.21
(rechtsgevolgen niet verwezenlijken onteigeningsbelang)
art. 11.21 lid 1
De onteigenaar biedt aan de onteigende de mogelijkheid het onteigende teruggeleverd te krijgen als vanwege oorzaken die de onteigenaar had kunnen voorkomen: a. met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor werd onteigend niet binnen drie jaar nadat de onteigeningsakte is ingeschreven in de openbare registers een begin is gemaakt, b. de werkzaamheden meer dan drie jaar zijn gestaakt, of c. op een andere manier kan worden aangetoond dat de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor werd onteigend blijkbaar niet zal worden verwezenlijkt. Het onteigende wordt teruggeleverd in de toestand waarin het zich dan bevindt. De onteigende is gehouden om de schadeloosstelling terug te geven in evenredigheid tot de terugontvangen waarde. Als de onteigende te kennen geeft geen gebruik te maken van het aanbod tot teruglevering, bedoeld in het eerste lid, kan hij een door de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de te onteigenen onroerende zaak geheel of grotendeels ligt naar billijkheid te bepalen schadeloosstelling boven de al ontvangen schadeloosstelling vorderen. Als de onteigenaar niet binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn van drie jaar een aanbod tot teruglevering heeft gedaan, kan de onteigende naar keuze: a.
bij de rechter het onteigende terugvorderen in de toestand waarin het zich bevindt, waarbij hij gehouden is om de schadeloosstelling terug te geven in evenredigheid tot de terugontvangen waarde, of b. een door de rechter naar billijkheid te bepalen schadeloosstelling boven de al ontvangen schadeloosstelling vorderen. Van de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor werd onteigend, is ook sprake bij niet-ingrijpende aanpassingen of aanpassingen van geringe omvang van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving of aanpassingen van die vorm die passen binnen het kader ter uitvoering waarvan tot onteigening is overgegaan.
art. 11.21 lid 2
art. 11.21 lid 3
art. 11.21 lid 4
art. 11.21 lid 5
HST. 12
BIJZONDERE INSTRUMENTEN VOOR HET INRICHTEN VAN GEBIEDEN
AFD. 12.1
ALGEMENE BEPALINGEN 85
§ 12.1.1
Begripsbepalingen en toepassingsbereik
Artikel 12.1
(begripsbepalingen) In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: rechthebbende: 1°. eigenaar en degene aan wie een beperkt recht toebehoort waaraan een onroerende zaak is onderworpen, 2°. huurder van een onroerende zaak, of 3°. schuldeiser van een verbintenis die ten aanzien van een onroerende zaak een verplichting als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek inhoudt.
Artikel 12.2
(positie zakelijk gerechtigden) Dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen die eigenaren betreffen, zijn van overeenkomstige toepassing op opstallers, erfpachters, beklemde meiers, vruchtgebruikers, houders van een recht van gebruik of bewoning van een onroerende zaak, en appartementseigenaren.
§ 12.1.2
Algemene bepalingen voor landinrichting Artikel 12.3 art. 12.3 lid 1
art. 12.3 lid 2
art. 12.3 lid 3
art. 12.3 lid 4
Artikel 12.4 art. 12.4 lid 1
art. 12.4 lid 2
Artikel 12.5
(landinrichting) Landinrichting strekt tot verbetering van de inrichting van het landelijk gebied in overeenstemming met de functies die aan de betrokken locaties zijn toegedeeld. Bij landinrichting kunnen de volgende maatregelen en voorzieningen worden getroffen: a. het wijzigen van het stelsel van wegen of waterstaatswerken, b. aanleg, ontwikkeling, behoud, beheer of herstel van gebieden van belang uit een oogpunt van natuurbescherming of landschapsbehoud of van elementen van landschappelijke, recreatieve, aardkundige of natuurwetenschappelijke waarde, of cultureel erfgoed, en c. andere maatregelen of voorzieningen van openbaar nut. Bij landinrichting kan worden voorzien in de toedeling van eigendom, het beheer en het onderhoud van voorzieningen van openbaar nut. Herverkaveling kan deel uitmaken van landinrichting, waarbij korting als bedoeld in artikel 12.29 kan worden toegepast als het nodig is de eigendom van onroerende zaken te verwerven. (bevoegdheid tot landinrichting) Bevoegdheden over landinrichting kunnen worden uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin het in te richten gebied geheel of grotendeels ligt. Artikel 3, eerste lid, onderdeel r, van de Kadasterwet is van toepassing.
(locaties die ook een militaire functie vervullen) Zonder toestemming van Onze Minister van Defensie wordt geen wijziging gebracht in de staat en werking van locaties die ook een functie voor de landsverdediging vervullen.
86
Artikel 12.6
(raming kosten herverkaveling en aandeel voor gezamenlijke eigenaren) Als herverkaveling deel uitmaakt van de landinrichting, wordt een zo nauwkeurig mogelijke raming gemaakt van de kosten daarvan en van het aandeel van die kosten dat ten laste zal worden gebracht van de gezamenlijke eigenaren in het te herverkavelen blok.
AFD. 12.2
INRICHTINGSBESLUIT
§ 12.2.1
Inrichtingsbesluit Artikel 12.7
(vaststellen inrichtingsbesluit) Een inrichtingsbesluit wordt gelijktijdig met het inrichtingsprogramma vastgesteld, als bij de landinrichting: a. eigendom, beheer of onderhoud van voorzieningen van openbaar nut worden toegedeeld, b. herverkaveling of korting wordt toegepast.
Artikel 12.8 art. 12.8 lid 1
(inhoud inrichtingsbesluit) Een inrichtingsbesluit voorziet, voor zover van toepassing, in: a. de toedeling van eigendom van wegen of waterstaatswerken, b. de toedeling van het beheer en het onderhoud van openbare wegen, c. de toedeling van eigendom, het beheer en het onderhoud van gebieden van belang uit een oogpunt van natuurbescherming of landschapsbehoud of van elementen van landschappelijke, recreatieve, aardkundige of natuurwetenschappelijke waarde, of cultureel erfgoed, en d. de toedeling van eigendom, het beheer en het onderhoud van andere voorzieningen van openbaar nut. Als herverkaveling deel uitmaakt van de landinrichting, bevat het inrichtingsbesluit een verbeelding waarop de begrenzing van het herverkavelingsblok zo nauwkeurig mogelijk is aangegeven.
art. 12.8 lid 2
art. 12.8 lid 3
Als het nodig is om de eigendom van onroerende zaken te verwerven voor de verwezenlijking van maatregelen en voorzieningen van openbaar nut, bevat het inrichtingsbesluit een aanduiding van die maatregelen en voorzieningen en bepaalt het dat daarvoor korting kan worden toegepast.
Artikel 12.9 art. 12.9 lid 1
(inhoud inrichtingsbesluit: openbaarheid van wegen) In afwijking van de artikelen 8 en 9 van de Wegenwet kan in een inrichtingsbesluit worden bepaald dat een openbare weg aan het openbaar verkeer wordt onttrokken. In afwijking van de artikelen 4 en 5 van de Wegenwet kan in een inrichtingsbesluit worden bepaald dat een weg voor het openbaar verkeer wordt opengesteld. De onttrekking aan en openstelling voor het openbaar verkeer gaan in op een tijdstip dat in het inrichtingsbesluit wordt bepaald.
art. 12.9 lid 2
art. 12.9 lid 3
Artikel 12.10
(bestaande rechten en gebruikstoestand)
87
art. 12.10 lid 1
art. 12.10 lid 2
§ 12.2.2
Bij landinrichting wordt geen wijziging gebracht in de rechten en de gebruikstoestand van: a. begraafplaatsen, crematoria en bewaarplaatsen als bedoeld in de artikelen 23, 49 en 62, eerste lid, onder c, van de Wet op de lijkbezorging, b. gesloten begraafplaatsen en graven of grafkelders als bedoeld in artikel 85 van de Wet op de lijkbezorging, binnen de termijnen, bedoeld in artikel 46, tweede en derde lid, van die wet en anders dan op de wijze, omschreven in artikel 46, derde lid, van die wet. Zonder toestemming van de eigenaar wordt geen wijziging gebracht in zijn rechten ten aanzien van gebouwen. Toedeling van eigendom, beheer en onderhoud van voorzieningen van openbaar nut
Artikel 12.11 art. 12.11 lid 1
art. 12.11 lid 2
art. 12.11 lid 3
Artikel 12.12 art. 12.12 lid 1
art. 12.12 lid 2
art. 12.12 lid 3
Artikel 12.13
(toedeling eigendom, beheer en onderhoud wegen en eigendom waterstaatswerken) De toedeling van eigendom van wegen of waterstaatswerken, bedoeld in artikel 12.8, eerste lid, onder a, vindt plaats aan de betrokken openbare lichamen of andere rechtspersonen. De toedeling van het beheer en het onderhoud van openbare wegen, bedoeld in artikel 12.8, eerste lid, onder b, vindt plaats aan de betrokken openbare lichamen. In afwijking van het tweede lid kan het onderhoud van openbare wegen worden toegedeeld aan andere rechtspersonen dan openbare lichamen. (regels voor toedeling eigendom, beheer en onderhoud wegen en eigendom waterstaatswerken) De toedeling van eigendom van openbare wegen of waterstaatswerken of beheer of onderhoud van openbare wegen aan een rechtspersoon, niet zijnde een openbaar lichaam, vindt alleen plaats als overeenstemming is bereikt met de betrokken rechtspersoon, tenzij de eigendom, het beheer of onderhoud voorafgaand aan de landinrichting bij die rechtspersoon berustte. De toedeling van eigendom van openbare wegen of waterstaatswerken en van beheer en onderhoud van openbare wegen aan openbare lichamen vindt plaats zonder geldelijke verrekening, tenzij dit tot onredelijke gevolgen voor het betrokken openbaar lichaam zou leiden. Toestemming van Onze Minister die het aangaat is vereist voor: a.