CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Omgevingswet d.d. 10-12-2019 geconsolideerde versie.pdf

Raad 22 februari 2022, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Verordening op de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit Peel en Maas (2022-013)43.269 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

art. 2.39 lid 3

art. 2.39 lid 4

Artikel 2.40 art. 2.40 lid 1

art. 2.40 lid 2

Artikel 2.41 art. 2.41 lid 1

art. 2.41 lid 2

(toegangsverbod waterstaatswerken en wegen) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan de toegang tot een waterstaatswerk of een weg in beheer bij het Rijk beperken of verbieden door dat ter plaatse, of op een andere geschikte wijze, bekend te maken. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik door het openbaar verkeer. (peilbesluit) Het waterschapsbestuur of het bevoegde bestuursorgaan van een ander openbaar lichaam waarbij op grond van artikel 2.18, tweede lid, watersystemen in beheer zijn, stelt een of meer peilbesluiten vast voor de bij omgevingsverordening aangewezen oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen of onderdelen daarvan die deel uitmaken van die watersystemen. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt een of meer peilbesluiten vast voor bij algemene maatregel van bestuur aangewezen oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen of onderdelen daarvan, die behoren tot de rijkswateren.

22

art. 2.41 lid 3

Een peilbesluit voorziet in de vaststelling van waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren, die gedurende daarbij aangegeven perioden of omstandigheden zoveel mogelijk in stand worden gehouden.

Artikel 2.42 art. 2.42 lid 1

(rangorde bij waterschaarste) Bij algemene maatregel van bestuur wordt de rangorde van maatschappelijke en ecologische behoeften vastgesteld, die bij waterschaarste of dreigende waterschaarste bepalend is voor de verdeling van het beschikbare oppervlaktewater. Bij of krachtens de maatregel en, als dat bij de maatregel is bepaald, bij omgevingsverordening kunnen nadere regels over de rangorde worden gesteld. Bij die regels kan de rangorde van overeenkomstige toepassing worden verklaard op het beschikbare grondwater.

art. 2.42 lid 2

§ 2.6.2

Bijzondere bevoegdheden geluid

Artikel 2.43 art. 2.43 lid 1

art. 2.43 lid 2

§ 2.6.3

(geluidwerende maatregelen aan gebouwen) Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister van Infra-structuur en Waterstaat bepalen bij besluit of, en zo ja, welke maatregelen aan een gebouw worden getroffen ter beperking van het geluid in het gebouw. De eerste zin is alleen van toepassing in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Het besluit wordt ingetrokken in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald. Bijzondere bevoegdheden natuur en landschap

Artikel 2.44

(aanwijzing natuurgebieden en landschappen)

art. 2.44 lid 1

Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan nationale parken aanwijzen. Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland. Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000- gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen.

art. 2.44 lid 2

art. 2.44 lid 3 art. 2.44 lid 4 art. 2.44 lid 5

23

Artikel 2.45 art. 2.45 lid 1 art. 2.45 lid 2

art. 2.45 lid 3

art. 2.45 lid 4

(toegangsbeperking natuurgebieden) Gedeputeerde staten kunnen de toegang tot een Natura 2000gebied geheel of gedeeltelijk beperken of verbieden. De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, berust bij Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit als een Natura 2000-gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan de toegang tot een bijzonder nationaal natuurgebied geheel of gedeeltelijk beperken of verbieden. De bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, berust bij gedeputeerde staten in gevallen waarin dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.

HST. 3

OMGEVINGSVISIES EN PROGRAMMA’S

AFD. 3.1

OMGEVINGSVISIES Artikel 3.1 art. 3.1 lid 1 art. 3.1 lid 2 art. 3.1 lid 3

(vaststellen omgevingsvisie) De gemeenteraad stelt een gemeentelijke omgevingsvisie vast. Provinciale staten stellen een provinciale omgevingsvisie vast. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, een nationale omgevingsvisie vast.

Artikel 3.2

(inhoud omgevingsvisie) Een omgevingsvisie bevat, mede voor de uitoefening van de taken en be-voegdheden, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid: a. een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, b. de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied, c. de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid.

Artikel 3.3

(doorwerking beginselen) In een omgevingsvisie wordt rekening gehouden met het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

AFD. 3.2

PROGRAMMA’S

§ 3.2.1

Algemene bepalingen Artikel 3.4

(vaststellen programma) Het college van burgemeester en wethouders, het algemeen bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten en Onze Minister die het aangaat kunnen programma’s vaststellen.

24

Artikel 3.5

(inhoud programma) Een programma bevat, mede voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, voor een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: a. een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan, b. maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken. Verplichte programma’s

§ 3.2.2 Artikel 3.6 art. 3.6 lid 1

art. 3.6 lid 2

(verplichte programma’s gemeente) Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, gelegen in een door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen agglomeratie als bedoeld in artikel 3, onder k, van de richtlijn omgevingslawaai, stelt het actieplan, bedoeld in artikel 8 van die richtlijn, vast voor de volgende geluidbronnen: a. wegen en daarin gelegen spoorwegen, b. andere spoorwegen, c. luchthavens, d. een activiteit of een samenstel van activiteiten, waarvoor een regel als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, of 2.24, eerste lid, of paragraaf 4.1.1 voor het geluid is gesteld. Het actieplan wordt vastgesteld aan de hand van de voor die geluidbronnen op grond van artikel 20.17 vastgestelde geluidbelastingkaarten.

Artikel 3.7

(verplichte programma’s waterschap) Het algemeen bestuur van het waterschap stelt voor de watersystemen die bij het waterschap in beheer zijn een waterbeheerprogramma vast, waarbij het rekening houdt met het regionale waterprogramma voor die watersystemen, voor zover het gaat om de onderdelen die uitvoering geven aan de richtlijnen, genoemd in artikel 3.8, tweede lid.

Artikel 3.8 art. 3.8 lid 1

(verplichte programma’s provincie) Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van de richtlijn omgevingslawaai, overeenkomstig artikel 3.6, een actieplan vast voor de volgende geluidbronnen: a. belangrijke wegen als bedoeld in artikel 3, onder n, van die richtlijn, als het gaat om wegen die: 1°. in beheer zijn bij de provincie, of 2°. in beheer zijn bij een gemeente of waterschap en zijn gelegen buiten een agglomeratie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, b. belangrijke spoorwegen als bedoeld in artikel 3, onder o, van die richtlijn, voor zover het niet gaat om spoorwegen als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder b, en 3.9, eerste lid, onder b, onder 2°, c. burgerluchthavens van regionale betekenis, als het gaat om belangrijke luchthavens als bedoeld in artikel 3, onder p, van die richtlijn. Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van de grondwaterrichtlijn, de kaderrichtlijn water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de zwemwaterrichtlijn en andere Europese richtlijnen over water regionale waterprogramma’s vast.

art. 3.8 lid 2

25

art. 3.8 lid 3

Gedeputeerde staten van de provincie waarin een Natura 2000gebied ligt of, als dat gebied in meer dan een provincie ligt, gedeputeerde staten van de provincie waarin dat gebied grotendeels ligt, stellen voor dat gebied een beheerplan vast.

Artikel 3.9 art. 3.9 lid 1

(verplichte programma’s Rijk) Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt de volgende programma’s vast: a. een nationaal nec-programma als bedoeld in artikel 6 van de nec-richtlijn, b. ter uitvoering van de richtlijn omgevingslawaai, overeenkomstig artikel 3.6, een actieplan voor de volgende geluidbronnen: 1°. wegen in beheer bij het Rijk, 2°. hoofdspoorwegen, 3°. de luchthaven Schiphol en de overige burgerluchthavens van nationale betekenis, als het gaat om belangrijke luchthavens als bedoeld in artikel 3, onder p, van die richtlijn. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, de volgende programma’s vast: a. de stroomgebiedsbeheerplannen, bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water, voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems, b. de overstromingsrisicobeheerplannen, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de richtlijn overstromingsrisico’s, voor de stroomgebiedsdistricten, genoemd onder a, c. een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de kaderrichtlijn mariene strategie, d. een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 4 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning, e. een nationaal waterprogramma.

Het beheerplan voor een Natura 2000-gebied dat geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit of dat eigendom is van de Staat der Nederlanden, wordt in afwijking van artikel 3.8, derde lid, voor dat gebied of dat gedeelte vastgesteld door Onze Minister bij wie op grond van artikel 2.19, vijfde lid, onder b, de taak berust om zorg te dragen voor het nemen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stellen een programma aanpak stikstof vast voor het verminderen van de belasting door stikstofdepositie van de voor stikstof gevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden die in het programma zijn opgenomen en het binnen afzienbare termijn verwezenlijken van de instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats.

art. 3.9 lid 2

art 3.9 lid 3

art. 3.9 lid 4

Artikel 3.10 art. 3.10 lid 1

(verplicht programma bij (dreigende) overschrijding van omgevingswaarde) Als aannemelijk is dat niet wordt voldaan of niet zal worden voldaan aan een omgevingswaarde, stelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar dat het geval is een programma vast, gericht op het voldoen aan die omgevingswaarde.

26

art. 3.10 lid 2

In afwijking van het eerste lid: a. stelt het algemeen bestuur van het waterschap of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het programma vast als de omgevingswaarde betrekking heeft op een watersysteem dat bij het waterschap of het Rijk in beheer is, b. kan, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede en derde lid, bij algemene maatregel van bestuur of omgevingsverordening: 1°. een ander bestuursorgaan worden aangewezen dat het programma vaststelt, 2°. worden bepaald dat in plaats van de plicht, bedoeld in het eerste lid, een daarbij aangewezen bestuursorgaan of andere instantie maatregelen treft, gericht op het voldoen aan de omgevingswaarde.

Artikel 3.11 art. 3.11 lid 1

(wijziging met oog op doelbereik) Het bestuursorgaan dat een programma als bedoeld in deze paragraaf heeft vastgesteld, wijzigt dat programma als uit de monitoring, bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, blijkt dat met dat programma niet aan de omgevingswaarde kan worden voldaan.

art. 3.11 lid 2

Het programma wordt zo gewijzigd dat binnen een passende termijn aan de omgevingswaarde wordt voldaan.

Artikel 3.12

(uitvoering maatregelen) Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de in de programma’s opgenomen maatregelen of de maatregelen, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, onder b, onder 2°, uitgevoerd moeten worden of operationeel moeten zijn volgens de daarbij te stellen regels.

Artikel 3.13

(gezamenlijke vaststelling programma’s) Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen worden verplicht om programma’s als bedoeld in deze paragraaf gezamenlijk vast te stellen. Onverplichte programma’s

§ 3.2.3 Artikel 3.14

(gemeentelijk rioleringsprogramma) Het college van burgemeester en wethouders kan ter invulling van de taak, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° tot en met 3°, een gemeentelijk rioleringsprogramma vaststellen.

Artikel 3.14a

(inrichtingsprogramma) Als gedeputeerde staten met betrekking tot een gebied overgaan tot landinrichting als bedoeld in artikel 12.3, eerste lid, stellen zij een programma vast dat is gericht op de verbetering van de inrichting van het gebied. Het inrichtingsprogramma kan in ieder geval de maatregelen en voorzieningen, bedoeld in artikel 12.3, bevatten.

§ 3.2.4

Programmatische aanpak Artikel 3.15 art. 3.15 lid 1

(toepassingsbereik programmatische aanpak) Deze paragraaf is van toepassing op programma’s als bedoeld in het tweede tot en met vierde lid.

27

art. 3.15 lid 2

art. 3.15 lid 3

art. 3.15 lid 4

art. 3.15 lid 5

Bij omgevingsplan kunnen programma’s als bedoeld in artikel 3.16 worden aangewezen, die betrekking hebben op omgevingswaarden van de gemeente als bedoeld in paragraaf 2.3.2 of een andere doelstelling voor de fysieke leefomgeving waarvoor in dat omgevingsplan een regel over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is gesteld. Bij omgevingsverordening kunnen programma’s als bedoeld in artikel 3.16 worden aangewezen, die betrekking hebben op omgevingswaarden van de provincie als bedoeld in paragraaf 2.3.3 of een andere doelstelling voor de fysieke leefomgeving waarvoor een regel als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, 5.19, eerste lid, of 5.30 is gesteld. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen programma’s als bedoeld in artikel 3.16 worden aangewezen, die betrekking hebben op omgevingswaarden van het Rijk als bedoeld in paragraaf 2.3.4 of een andere doelstelling voor de fysieke leefomgeving waarvoor een regel als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, of 5.18 is gesteld. Bij omgevingsplan, omgevingsverordening of algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welk bestuursorgaan een programma kan vaststellen.

Artikel 3.16 art. 3.16 lid 1

(inhoud en werking programmatische aanpak) In een programma wordt aangegeven welke ruimte er, gelet op de omgevingswaarde of de andere doelstelling, in een daarbij aangegeven gebied en periode beschikbaar is voor activiteiten.

art. 3.16 lid 2

Bij omgevingsplan, omgevingsverordening of algemene maatregel van bestuur wordt bepaald: a. hoe de omgevingswaarde of de andere doelstelling bij de uitoefening van taken en bevoegdheden wordt betrokken, b. in voorkomende gevallen, welke daarop betrekking hebbende bepalingen op grond van artikel 2.22, eerste lid, 2.24, eerste lid, 5.18, 5.19, eerste lid, of 5.30, of welke in het omgevingsplan gestelde regels over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven.

Artikel 3.17 art. 3.17 lid 1

(eisen aan programma bij programmatische aanpak) Het programma bevat in ieder geval een beschrijving van: a. het gebied waarvoor het programma geldt, b. de periode waarop het programma betrekking heeft, c. de omgevingswaarde of de andere doelstelling waarvoor het programma wordt vastgesteld, d. de toestand van het onderdeel van de fysieke leefomgeving waarvoor het programma wordt vastgesteld, e. de verwachte ontwikkelingen in het gebied die naar verwachting gevolgen hebben voor het voldoen aan de omgevingswaarde of het bereiken van de andere doelstelling, f. de activiteiten die naar verwachting tijdens de periode waarop het programma betrekking heeft in het gebied zullen worden verricht, die naar verwachting effect hebben op: 1°. het voldoen aan de omgevingswaarde of het bereiken van de andere doelstelling, of 2°. de wijze waarop de ruimte die, gelet op de omgevingswaarde of de andere doelstelling, beschikbaar is voor activiteiten wordt bepaald en verdeeld, g. de gevolgen van de ontwikkelingen, bedoeld onder e, en de 28

art. 3.17 lid 2

activiteiten, bedoeld onder f, voor dat onderdeel van de fysieke leefomgeving, h. de maatregelen die bijdragen aan het voldoen aan de omgevingswaarde of het bereiken van de andere doelstelling, de verwachte gevolgen daarvan voor dat onderdeel van de fysieke leefomgeving en de termijn waarbinnen deze maatregelen worden uitgevoerd. Voor zover de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder h, het wijzigen van de voorschriften van een omgevingsvergunning of het intrekken van een omgevingsvergunning omvatten, kan het programma ook een beschrijving bevatten van het moment waarop en de voorwaarden waaronder daaraan uitvoering kan of moet worden gegeven.

Artikel 3.18 art. 3.18 lid 1

(uitvoeringsplicht bij programmatische aanpak) De bestuursorganen die daarvoor in het programma zijn aangewezen, zorgen voor de uitvoering van de daarin opgenomen maatregelen binnen de daarbij aangegeven termijn.

art. 3.18 lid 2

De uitvoeringsplicht geldt alleen: a. voor zover uit het programma blijkt dat die bestuursorganen met het opnemen van de maatregelen hebben ingestemd, of b. als deze volgt uit regels en instructies als bedoeld in de artikelen 2.23, eerste lid, onder b, en tweede lid, 2.25, eerste lid, onder b, en tweede lid, 2.33 en 2.34. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een programma als bedoeld in de artikelen 3.8, derde lid, en 3.9, derde lid.

art. 3.18 lid 3

Artikel 3.19 art. 3.19 lid 1

art. 3.19 lid 2

art. 3.19 lid 3

(wijziging programma bij programmatische aanpak) Het bestuursorgaan dat daarvoor in het programma is aangewezen, kan: a. in dat programma opgenomen maatregelen, activiteiten of ontwikkelingen ambtshalve wijzigen of vervangen of laten vervallen, en b. maatregelen, activiteiten of ontwikkelingen aan het programma toevoegen, als aannemelijk wordt gemaakt dat die wijzigingen per saldo passen binnen, of in ieder geval niet in strijd zijn met, het programma. De bestuursorganen, bedoeld in artikel 3.18, eerste lid, kunnen verzoeken om een wijziging van het programma. Bij dat verzoek wordt aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan het in het eerste lid opgenomen vereiste. Het bestuursorgaan dat een programma heeft vastgesteld, wijzigt dat programma als volgens dat bestuursorgaan uit de monitoring, bedoeld in artikel 20.1, eerste en tweede lid, blijkt dat artikel 3.16, tweede lid, niet langer in redelijkheid op dat programma van toepassing kan zijn.

HST. 4

ALGEMENE REGELS OVER ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

AFD. 4.1

ALGEMENE BEPALINGEN VOOR REGELS OVER ACTIVITEITEN

§ 4.1.1

Algemene regels

29

Artikel 4.1 art. 4.1 lid 1

art. 4.1 lid 2 art. 4.1 lid 3

(decentrale regels over activiteiten) Bij omgevingsplan, waterschapsverordening en omgevingsverordening kunnen met het oog op de doelen van de wet regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Bij ministeriële regeling kunnen meet- en rekenvoorschriften worden gesteld over activiteiten als bedoeld in het eerste lid. Bij het stellen van de regels in de omgevingsverordening en de ministeriële regeling worden de grenzen van artikel 2.3, tweede en derde lid, in acht genomen.

Artikel 4.2

(toedeling van functies aan locaties)

art. 4.2 lid 1

Het omgevingsplan bevat voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

art. 4.2 lid 2

Bij omgevingsverordening kunnen alleen regels worden gesteld over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, als het onderwerp van zorg niet doelmatig en doeltreffend met een regel als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, of een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, kan worden behartigd.

Artikel 4.3 art. 4.3 lid 1

(grondslag rijksregels) Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de volgende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving: a. bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken, b. milieubelastende activiteiten, c. lozingsactiviteiten op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. wateronttrekkingsactiviteiten, e. mijnbouwlocatieactiviteiten, f. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk, 3°. een installatie in een waterstaatswerk, g. het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden, h. activiteiten die cultureel erfgoed betreffen, i. activiteiten die werelderfgoed betreffen, j. Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een bijzonder nationaal natuurgebied, k. de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden, l. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, m. het vangen, doden en verwerken van walvissen, n. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben, o. het vellen en beheren van houtopstanden, p.

landinrichtingsactiviteiten.

30

art. 4.3 lid 2

art. 4.3 lid 3

art. 4.3 lid 4

art. 4.3 lid 5

§ 4.1.2

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de volgende activiteiten met dieren, planten, stoffen of zaken waarvan de daaraan voorafgaande verkrijging of productie gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving: a. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan, b. het verhandelen en het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hout of houtproducten, c. het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties om dieren te vangen of te doden. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de doelen van de wet regels worden gesteld over de volgende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving: a. ontgrondingsactiviteiten, b. stortingsactiviteiten op zee, c. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot: 1°. een luchthaven, 2°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, d. flora- en fauna-activiteiten. De regels kunnen bij ministeriële regeling worden gesteld als deze uitvoeringstechnische, administratieve en meet- of rekenvoorschriften inhouden. Bij het stellen van de regels worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen. Inhoud

Artikel 4.4 art. 4.4 lid 1

art. 4.4 lid 2

Artikel 4.5 art. 4.5 lid 1

art. 4.5 lid 2

art. 4.5 lid 3

(melding of omgevingsvergunning) Regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 kunnen inhouden een verbod om zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag een activiteit te verrichten. De regels in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening kunnen inhouden een verbod om een activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. (maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften) Bij regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 kunnen onderwerpen worden aangewezen waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen of voorschriften aan een omgevingsvergunning kan verbinden. Paragraaf 4.3.2 is van overeenkomstige toepassing op het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van regels als bedoeld in artikel 4.3. De maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften kunnen afwijken van regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 als dat bij die regels is bepaald. Daarbij kan worden bepaald in welke mate of hoe lang kan worden afgeweken. Bij regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 kan ook worden bepaald dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld als over een onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.

31

Artikel 4.6 art. 4.6 lid 1

art. 4.6 lid 2

art. 4.6 lid 3

Artikel 4.7 art. 4.7 lid 1

art. 4.7 lid 2

art. 4.7 lid 3

§ 4.1.3

(maatwerkregels) Bij regels als bedoeld in artikel 4.1 die in de omgevingsverordening zijn opgenomen kan worden bepaald dat in het omgevingsplan of de waterschapsverordening over daarbij aangewezen onderwerpen maatwerkregels kunnen worden gesteld. Bij regels als bedoeld in artikel 4.3 kan worden bepaald dat in het omgevingsplan, de omgevingsverordening of de waterschapsverordening over daarbij aangewezen onderwerpen maatwerkregels kunnen worden gesteld. Paragraaf 4.3.2 is van overeenkomstige toepassing op het stellen van maatwerkregels. De maatwerkregels kunnen afwijken van de in de omgevingsverordening gestelde regels of van regels als bedoeld in artikel 4.3, als dat bij die regels is bepaald. Daarbij kan worden bepaald in welke mate of hoe lang kan worden afgeweken. (gelijkwaardigheid) Als regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 voorschrijven dat een maatregel moet worden getroffen, kan op aanvraag toestemming worden verleend om, in plaats daarvan, een gelijkwaardige maatregel te treffen. Met de gelijkwaardige maatregel wordt ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Bij regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 kan het treffen van een gelijkwaardige maatregel worden toegestaan zonder voorafgaande toestemming, al dan niet gekoppeld aan een verbod om de maatregel te treffen zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag.

Bij regels als bedoeld in paragraaf 4.1.1 kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid, of kan het treffen van een gelijkwaardige maatregel worden uitgesloten. Bevoegd gezag

Artikel 4.8 art. 4.8 lid 1

art. 4.8 lid 2

Artikel 4.9

(bevoegd gezag voor decentrale regels) Voor het omgevingsplan is het college van burgemeester en wethouders, voor de waterschapsverordening is het dagelijks bestuur van het waterschap en voor de omgevingsverordening zijn gedeputeerde staten: a. het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan, b. het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen, c. het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de bij ministeriële regeling gestelde meet- en rekenvoorschriften, bedoeld in artikel 4.1, tweede lid, voor zover die betrekking hebben op activiteiten waarover regels zijn gesteld in respectievelijk het omgevingsplan, de waterschaps-verordening en de omgevingsverordening. (gemeente bevoegd gezag voor rijksregels) Tenzij op grond van de artikelen 4.10 tot en met 4.13 anders is bepaald, wordt op grond van artikel 4.3 het college van burgemeester en wethouders aangewezen als: a. het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan, b. het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen, c. het bevoegd gezag dat beslist op een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel.

32

Artikel 4.10

(bevoegd gezag voor rijksregels over wateractiviteiten) Op grond van artikel 4.3 worden met het oog op een doelmatig waterbeheer voor wateractiviteiten gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het waterschap, gedeputeerde staten of Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag is.

Artikel 4.11 art. 4.11 lid 1

(provincie bevoegd gezag voor rijksregels) Op grond van artikel 4.3 worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn: a. het gelegenheid bieden tot zwemmen en baden, b. milieubelastende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het grondwater, c. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot lokale spoorwegen, d. Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een bijzonder nationaal natuurgebied, e. flora- en fauna-activiteiten, f. activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden, met uitzondering van de jacht, g. het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, h. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben, i. het vellen en beheren van houtopstanden, j. landinrichtingsactiviteiten. Bij het aanwijzen van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, in acht genomen.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, worden, als op grond van artikel 20, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000 een gebied is aangewezen, op grond van artikel 4.3 gevallen aangewezen waarin het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, bedoeld in dat lid, het bevoegd gezag is voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot lokale spoorwegen in dat gebied.

art. 4.11 lid 2 art. 4.11 lid 3

Artikel 4.12 art. 4.12 lid 1

(Rijk bevoegd gezag voor rijksregels) Op grond van artikel 4.3 worden voor de volgende activiteiten gevallen aangewezen waarin een van Onze daarbij aangewezen Ministers het bevoegd gezag is: a. milieubelastende activiteiten: 1°. met betrekking tot een mijnbouwwerk, 2°. waarbij nationale veiligheidsbelangen of andere vitale nationale belangen zijn betrokken, 3°. als het gaat om het op of in de bodem brengen van meststoffen, b. ontgrondingsactiviteiten in de rijkswateren, c. mijnbouwlocatieactiviteiten, d. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot: 1°. wegen in beheer bij het Rijk, 2°. andere luchthavens dan burgerluchthavens van regionale betekenis, 3°. hoofdspoorwegen en bijzondere spoorwegen, 4°. mijnbouwinstallaties in een waterstaatswerk, e. activiteiten die geheel of in hoofdzaak plaatsvinden in: 1°. de territoriale zee voor zover gelegen buiten een gemeente of 33

art. 4.12 lid 2

Artikel 4.13 art. 4.13 lid 1

art. 4.13 lid 2

Artikel 4.13a art. 4.13a lid 1

art. 4.13a lid 2

AFD. 4.2

provincie, 2°. de exclusieve economische zone, f. Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een bijzonder nationaal natuurgebied, g. flora- en fauna-activiteiten, h. de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden, i. het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden, j. het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten of producten daarvan, k. het vangen, doden en verwerken van walvissen, l. activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben, m. het vellen en beheren van houtopstanden, n. het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verhandelen van hout en houtproducten. Bij het aanwijzen van gevallen worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen.

(bevoegd gezag rijksregels in combinatie met een omgevingsvergunning) Op grond van artikel 4.3 kunnen gevallen worden aangewezen waarin het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning het bevoegd gezag is. Het gaat om gevallen waarin activiteiten worden verricht waarvoor een omgevingsvergunning is vereist in combinatie met activiteiten waarvoor regels gelden als bedoeld in artikel 4.3. In ieder geval worden aangewezen milieubelastende activiteiten: a. met betrekking tot een ippc-installatie, b. waarop de Seveso-richtlijn van toepassing is. (flexibiliteitsregeling bevoegd gezag) Een bestuursorgaan dat bij of krachtens deze paragraaf als bevoegd gezag is aangewezen, kan die bevoegdheid aan een ander bestuursorgaan overdragen, als dat bestuursorgaan daarmee instemt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

VOORBEREIDINGSBESCHERMING Artikel 4.14 art. 4.14 lid 1

art. 4.14 lid 2

(voorbereidingsbesluit omgevingsplan) De gemeenteraad kan voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels. Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met voorbeschermingsregels.

34

art. 4.14 lid 3

art. 4.14 lid 4

art. 4.14 lid 5

Artikel 4.15 art. 4.15 lid 1

art. 4.15 lid 2 art. 4.15 lid 3

art. 4.15 lid 4

Artikel 4.16 art. 4.16 lid 1

art. 4.16 lid 2

Voorbeschermingsregels strekken ertoe te voorkomen dat de locatie minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van het doel van de regels, bedoeld in het eerste lid, en kunnen alleen inhouden: a. een verbod of een verbod om zonder voorafgaande melding of zonder omgevingsvergunning daarbij aangewezen activiteiten te verrichten die op grond van het omgevingsplan zijn toegestaan, maar nog niet plaatsvinden, b. de aanwijzing van onderwerpen waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen of voorschriften aan een omgevingsvergunning kan verbinden, c. de aanwijzing van bestuursorganen of andere instanties die in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van voorbescher-mingsregels als bedoeld onder a of b,. d. het buiten toepassing verklaren van in het omgevingsplan gestelde regels die in strijd zijn met voorbeschermingsregels als bedoeld onder a of b. De voorbeschermingsregels in het omgevingsplan vervallen na een jaar en zes maanden, of, als binnen die termijn het besluit tot vaststelling of wijziging van het omgevingsplan waarvan de regels, bedoeld in het eerste lid, deel uitmaken is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop dat besluit in werking treedt of is vernietigd. De gemeenteraad kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan het college van burgemeester en wethouders.

(voorbereidingsbesluit omgevingsverordening) Provinciale staten kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van in de omgevingsverordening te stellen regels. Het voorbereidingsbesluit wijzigt de omgevingsverordening met voorbeschermingsregels. Artikel 4.14, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, waarbij in artikel 4.14, derde lid, onder a en d, en vierde lid, in plaats van ‘omgevingsplan’ steeds ‘omgevingsverordening’ wordt gelezen. Provinciale staten kunnen de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan gedeputeerde staten. (voorbereidingsbesluit in verband met projectbesluit, instructieregels of instructies) Provinciale staten kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit, een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid, of een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, gericht op het stellen van regels in het omgevingsplan.

Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit, een instructieregel als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, of een instructie als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, gericht op het stellen van regels in het omgevingsplan. Als op grond van artikel 5.44, tweede lid, geen overeenstemming is vereist voor een projectbesluit, is geen overeenstemming als bedoeld in de eerste zin vereist voor een

35

art. 4.16 lid 3 art. 4.16 lid 4 art. 4.16 lid 5

voorbereidingsbesluit met het oog op de voorbereiding van dat projectbesluit. Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met voorbeschermingsregels. De artikelen 4.14, derde lid, en 4.15, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. De voorbeschermingsregels in het omgevingsplan vervallen na een jaar en zes maanden of, als binnen die termijn het projectbesluit, de instructieregel of de instructie is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop het projectbesluit of het overeenkomstig de instructieregel of de instructie gewijzigde omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.

AFD. 4.3

BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR REGELS OVER ACTIVITEITEN

§ 4.3.1

Decentrale regels Artikel 4.17

(actualisering in verband met omgevingsplanactiviteiten) Het omgevingsplan wordt in ieder geval vijf jaar na het onherroepelijk worden van een omgevingsvergunning voor een voortdurende buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waaraan geen termijn is verbonden als bedoeld in artikel 5.36, eerste lid, met die vergunning in overeenstemming gebracht als het gaat om: a. een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het in stand houden van een bouwwerk, b. een omgevingsplanactiviteit, anders dan onder a, die niet in overeenstemming is met een aan een locatie toegedeelde functie.

Artikel 4.18

(aanwijzen moderniseringslocaties) In het omgevingsplan kunnen locaties worden aangewezen waar de daar aanwezige bouwwerken moeten worden gemoderniseerd of worden vervangen door gelijksoortige bebouwing. Zolang deze modernisering of vervanging niet is verwezenlijkt, wordt het gebruik van die bouwwerken aangemerkt als afwijkend van de toegedeelde functie.

Artikel 4.19

(regels over het uiterlijk van bouwwerken) Als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, stelt de gemeenteraad beleidsregels vast voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zo veel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.

Artikel 4.19a art. 4.19a lid 1

(geen belemmering projectbesluit en voorbereidingsbesluit) In een omgevingsplan worden geen regels gesteld die het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk belemmeren. In een omgevingsplan worden geen regels gesteld die in strijd zijn met regels die daarin zijn opgenomen op grond van een voorbereidingsbesluit van een bestuursorgaan van de provincie of het Rijk. In een projectbesluit wordt een termijn gesteld voor de toepassing van het eerste lid. Als het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld dat nodig acht voor de uitvoering van het project, kan de termijn eenmaal worden verlengd.

art. 4.19a lid 2

art. 4.19a lid 3

36

art. 4.19a lid 4

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een instructieregel als bedoeld in artikel 2.24 of een instructie als bedoeld in artikel 2.34 het stellen van dergelijke regels vergt.

art. 4.19a lid 5

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het projectbesluit is vastgesteld door een bestuursorgaan van de provincie en een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22 of een instructie als bedoeld in artikel 2.33 het stellen van dergelijke regels vergt.

art. 4.19a lid 6

Op het stellen van regels als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, is artikel 5.53a, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

§ 4.3.2

Rijksregels Artikel 4.20

(rijksregels implementatie internationaalrechtelijke verplichtingen) Op grond van artikel 4.3 worden in ieder geval regels gesteld ter uitvoering van: a. de benelux-regelgeving over jacht en vogelbescherming, b. de Europese cites-regelgeving, c. de Europese exotenregelgeving, d. de Europese flegt-regelgeving, e. de Europese houtregelgeving f. de Europese zeehondenregelgeving g. de grondwaterrichtlijn, h. de habitatrichtlijn, i. de kaderrichtlijn afvalstoffen, j. de kaderrichtlijn water, k. de richtlijn autowrakken, l. de richtlijn benzinedampterugwinning, m. de richtlijn energieprestatie van gebouwen, n. de richtlijn havenontvangstvoorzieningen, o. de richtlijn hernieuwbare energie, p. de richtlijn industriële emissies, q. de richtlijn stedelijk afvalwater, r. de richtlijn winningsafval, s. de Seveso-richtlijn, t. het verdrag van Bern, u. het verdrag van Bonn, v. het verdrag van Granada, w. het verdrag van Valletta, x. het VN-Gehandicaptenverdrag, y. de vogelrichtlijn, z. het walvisverdrag, aa. de wildklemverordening.

Artikel 4.21 art. 4.21 lid 1

(rijksregels bouwwerken) De in artikel 4.3 bedoelde regels over bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken worden gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid, b. het beschermen van de gezondheid, c. duurzaamheid en bruikbaarheid. De regels strekken er in ieder geval toe dat: a. de minimumkwaliteit van bestaande en te bouwen bouwwerken is gewaarborgd, b. een brandveilig gebruik van bouwwerken is gewaarborgd, c. de veiligheid en de gezondheid in de directe omgeving van het bouwen en slopen is gewaarborgd, d. de toegankelijkheid van nieuw te realiseren bouwwerken en

art. 4.21 lid 2

37

de directe omgeving daarvan voor mensen met een functiebeperking is gewaarborgd. Artikel 4.22 art. 4.22 lid 1

art. 4.22 lid 2

Artikel 4.23 art. 4.23 lid 1

art. 4.23 lid 2

art. 4.23 lid 3

(rijksregels milieubelastende activiteiten) De in artikel 4.3 bedoelde regels over milieubelastende activiteiten worden gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid, b. het beschermen van de gezondheid, c. het beschermen van het milieu, waaronder het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, het zuinig gebruik van energie en grondstoffen en een doelmatig beheer van afvalstoffen. De regels strekken er in ieder geval toe dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen, b. alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen, c. de beste beschikbare technieken worden toegepast, d. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt, e. het ontstaan van afvalstoffen zo veel mogelijk wordt voorkomen en de ontstane afvalstoffen doelmatig worden beheerd, f. energie doelmatig wordt gebruikt, g. maatregelen worden getroffen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken, h. bij de definitieve beëindiging van activiteiten maatregelen worden getroffen om significante nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen.

(rijksregels wateractiviteiten) De in artikel 4.3 bedoelde regels over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, wateronttrekkingsactiviteiten en beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk of een installatie, niet zijnde een mijnbouwinstallatie, in een waterstaatswerk, worden gesteld met het oog op: a. het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, b. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, c. het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, d. het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk. De regels over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk strekken er in ieder geval toe dat: a. alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden getroffen, b. de beste beschikbare technieken worden toegepast, c. geen significante verontreiniging wordt veroorzaakt. In afwijking van het eerste lid worden de regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk, voor zover die plaatsvinden buiten het provinciaal en gemeentelijk ingedeelde gebied, gesteld met het oog op de doelen van de wet.

38

Artikel 4.24 art. 4.24 lid 1

(rijksregels mijnbouwlocatieactiviteiten) De in artikel 4.3 bedoelde regels over mijnbouwlocatieactiviteiten worden gesteld met het oog op: a. het waarborgen van de veiligheid, b. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

art. 4.24 lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat: a. de belangen van de scheepvaart en van de veiligheid van de scheepvaart zijn gewaarborgd, b. de belangen van de uitoefening van defensietaken en van het veilig kunnen verrichten van daarop betrekking hebbende activiteiten zijn gewaarborgd, c. de belangen van de elektriciteitsopwekking met behulp van wind in een windpark en van de veiligheid van het windpark zijn gewaarborgd. De regels strekken er ook toe dat: a. geen mijnbouwinstallaties voor het opsporen of winnen van delfstoffen worden toegestaan in het op grond van artikel 2.44, eerste lid, aangewezen Natura 2000-gebied Noordzee-kustzone, b. in de territoriale zee ten noorden van het op grond van artikel 2.43, eerste lid, aangewezen Natura 2000-gebied Noordzeekustzone nieuwe mijnbouwinstallaties voor het opsporen of winnen van delfstoffen alleen worden toegestaan voor zover medegebruik van bestaande mijnbouwinstallaties niet mogelijk is en zichthinder veroorzaakt door die nieuwe mijnbouwinstallaties wordt geminimaliseerd.

art. 4.24 lid 3

Artikel 4.25 art. 4.25 lid 1

art. 4.25 lid 2

Artikel 4.26 art. 4.26 lid 1

art. 4.26 lid 2

Artikel 4.27 art. 4.27 lid 1

art. 4.27 lid 2

(rijksregels beperkingengebiedactiviteiten wegen) De in artikel 4.3 bedoelde regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg worden gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van een weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg kan behoren. De regels strekken er in ieder geval toe dat het doelmatig en veilig gebruik van wegen wordt verzekerd. (rijksregels beperkingengebiedactiviteiten mijnbouwinstallatie in een waterstaatswerk) De in artikel 4.3 bedoelde regels over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk worden, voor zover het gaat om een mijnbouwinstallatie, gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van die mijnbouwinstallatie voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die installatie. De regels strekken er in ieder geval toe dat nadelige gevolgen voor het veilig en doelmatig gebruik van mijnbouwinstallaties in een waterstaatswerk worden voorkomen. (rijksregels gelegenheid bieden tot zwemmen en baden) De in artikel 4.3 bedoelde regels over het gelegenheid bieden tot zwemmen en baden worden gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid van de gebruikers.

De regels strekken er in ieder geval toe dat het risico op significante nadelige gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van de gebruikers wordt beheerst, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid van de gebruikers.

39

Artikel 4.28 art. 4.28 lid 1

art. 4.28 lid 2

Artikel 4.29 art. 4.29 lid 1

art. 4.29 lid 2

Artikel 4.30 art. 4.30 lid 1

art. 4.30 lid 2

Artikel 4.31 art. 4.31 lid 1

art. 4.31 lid 2

Artikel 4.32 art. 4.32 lid 1

(rijksregels cultureel erfgoed) De in artikel 4.3 bedoelde regels over activiteiten die cultureel erfgoed betreffen, worden gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. De regels strekken er in ieder geval toe dat beschadiging of vernieling van cultureel erfgoed wordt voorkomen, en dat het, voor zover het gaat om monumenten, in stand wordt gehouden. (rijksregels werelderfgoed) De in artikel 4.3 bedoelde regels over activiteiten die werelderfgoed betreffen, worden gesteld met het oog op het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. De regels strekken er in ieder geval toe dat beschadiging of vernieling van werelderfgoed wordt voorkomen. (rijksregels activiteiten natuurgebieden) De in artikel 4.3 bedoelde regels over Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een bijzonder nationaal natuurgebied worden gesteld met het oog op de natuurbescherming. De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor het betrokken gebied worden voorkomen. (rijksregels jacht, populatiebeheer en schadebestrijding) De in artikel 4.3 bedoelde regels over de uitoefening van de jacht, activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of schade door dieren te bestrijden, worden gesteld met het oog op: a.

de natuurbescherming, b. goed jachthouderschap, c. het voorkomen en bestrijden van schade door dieren; d. het waarborgen van de veiligheid. De regels strekken er in ieder geval toe: a. dat de uitoefening van de jacht en activiteiten als bedoeld in het eerste lid, plaatsvinden in overeenstemming met een faunabeheerplan, b. te bepalen in welke periode de uitoefening van de jacht op dieren van een bepaalde soort is toegestaan, van welke middelen bij de uitoefening van de jacht gebruik kan worden gemaakt en onder welke omstandigheden de uitoefening van de jacht is verboden. (rijksregels middelen, methoden en installaties vangen of doden dieren) De in artikel 4.3 bedoelde regels over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden worden gesteld met het oog op: a. de natuurbescherming, b. het waarborgen van de veiligheid, c. het beschermen van de gezondheid, d. het beschermen van het milieu.

40

art. 4.32 lid 2

De regels strekken er in ieder geval toe dat: a. degene die een geweer, jachtvogel of eendenkooi gebruikt over de vereiste deskundigheid beschikt en met gunstig gevolg een examen heeft afgelegd dat door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwa-liteit is erkend of door hem als gelijkwaardig aan door hem erkende examens is aangemerkt, b. degene die een geweer gebruikt, is gedekt door een verzekering voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van het geweer aanleiding kan geven, c. degene aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeracti-viteit is verleend, aan een faunabeheereenheid gegevens verstrekt over de door hem gedode dieren.

Artikel 4.33 art. 4.33 lid 1

(rijksregels walvissen) De in artikel 4.3 bedoelde regels over het vangen, doden of verwerken van walvissen worden gesteld met het oog op de natuurbescherming. De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van de walvisstand worden voorkomen.

art. 4.33 lid 2

Artikel 4.34 art. 4.34 lid 1

art. 4.34 lid 2

Artikel 4.35 art. 4.35 lid 1

art. 4.35 lid 2

Artikel 4.36 art. 4.36 lid 1

art. 4.36 lid 2

art. 4.36 lid 3

(rijksregels exoten) De in artikel 4.3 bedoelde regels over activiteiten die de introductie of verspreiding van invasieve uitheemse soorten tot gevolg hebben of kunnen hebben worden gesteld met het oog op e natuurbescherming, het beschermen van de gezondheid of het beschermen van het milieu. De regels strekken er in ieder geval toe nadelige gevolgen voor de biologische diversiteit te voorkomen of te beperken. (rijksregels houtopstanden) De in artikel 4.3 bedoelde regels over het vellen en beheren van houtopstanden worden gesteld met het oog op de instandhouding van het bosareaal, de natuurbescherming of het beschermen van landschappelijke waarden. De regels strekken er in ieder geval toe dat na het vellen of het anders tenietgaan van een houtopstand, herbeplanting plaatsvindt op bosbouwkundig verantwoorde wijze. (rijksregels handel en onder zich hebben van dieren, planten en producten) De in artikel 4.3 bedoelde regels over het verhandelen, het om een andere reden dan verkoop onder zich hebben of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van dieren, planten en producten daarvan worden gesteld met het oog op de natuurbescherming. De regels strekken er in ieder geval toe dat de activiteiten geen risico opleveren voor de staat van instandhouding van de betrokken soort.

De regels kunnen ertoe strekken daarbij aangewezen rechtspersoon-ijkheid bezittende organisaties te belasten met de taak om merken, merktekens of ringen voor vogels, planten of producten daarvan uit te reiken in overeenstemming met daarbij gestelde regels.

41

Artikel 4.37 art. 4.37 lid 1

art. 4.37 lid 2

Artikel 4.38 art. 4.38 lid 1 art. 4.38 lid 2

Artikel 4.39 art. 4.39 lid 1

art. 4.39 lid 2

(rijksregels hout en houtproducten) De in artikel 4.3 bedoelde regels over het verhandelen van hout en houtproducten als bedoeld in de Europese flegt-regelgeving of de Europese houtregelgeving worden gesteld met het oog op de natuurbescherming, het beschermen van het milieu, het tegengaan van klimaatverandering of het beheer van natuurlijke hulpbronnen. De regels strekken uitsluitend ter uitvoering van de Europese flegt-regelgeving en de Europese houtregelgeving. (rijksregels flora- en fauna-activiteiten) De in artikel 4.3 bedoelde regels over flora- en fauna-activiteiten worden gesteld met het oog op de natuurbescherming. De regels strekken er in ieder geval toe dat mogelijke nadelige gevolgen voor de staat van instandhouding van van nature in het wild voorkomende dier- of plantensoorten worden voorkomen. (rijksregels landinrichting) De in artikel 4.3 bedoelde regels over landinrichtingsactiviteiten worden gesteld met het oog op een doelmatige uitvoering van een inrichtingsprogramma. De regels strekken er in ieder geval toe dat de uitvoering van een inrichtingsprogramma niet ernstig wordt belemmerd.

HST. 5

DE OMGEVINGSVERGUNNING EN HET PROJECTBESLUIT

AFD. 5.1

DE OMGEVINGSVERGUNNING

§ 5.1.1

Verbodsbepalingen Artikel 5.1 art. 5.1 lid 1

art. 5.1 lid 2

(omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet) Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een ontgrondingsactiviteit, d. een stortingsactiviteit op zee, e. een Natura 2000-activiteit, f. een jachtgeweeractiviteit, g. een valkeniersactiviteit, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een bouwactiviteit, b. een milieubelastende activiteit, c. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot: 1°. een weg, 2°. een waterstaatswerk, 3°. een luchthaven, 4°. een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg, 5°. een installatie in een waterstaatswerk, 42

g. een flora- en fauna-activiteit, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Artikel 5.2 art. 5.2 lid 1

art. 5.2 lid 2

art. 5.2 lid 3

art. 5.2 lid 4

art. 5.2 lid 5

(afbakening vergunningplicht artikel 5.1) Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen. Daarbij kunnen voor: a. een omgevingsplanactiviteit, b. een ontgrondingsactiviteit, c. een milieubelastende activiteit, d. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, e. een wateronttrekkingsactiviteit, f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg, g. een Natura 2000-activiteit, h. een flora- en fauna-activiteit, i. een jachtgeweeractiviteit, gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening van de aanwijzing kan worden afgeweken. Voor een rijksmonumentenactiviteit met betrekking tot een archeologisch monument kunnen ook bij het besluit tot aanwijzing van een archeologisch moment als rijksmonument, bedoeld in artikel 3.1 van de Erfgoedwet, gevallen worden aangewezen waarin het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, niet geldt. Deze gevallen hebben alleen betrekking op onderdelen van het archeologisch monument die uit het oogpunt van de archeologische monumentenzorg geen waarde hebben. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor: a. een Natura 2000-activiteit, b.

een flora- en fauna-activiteit, c. een jachtgeweeractiviteit, d. een valkeniersactiviteit, gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, bij ministeriële regeling, van de aanwijzing kan worden afgeweken. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor: a. een Natura 2000-activiteit, b. een flora- en fauna-activiteit, gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in een programma van de aanwijzing kan worden afgeweken. Op grond van artikel 5.1, worden in ieder geval gevallen aangewezen ter uitvoering van: a. de habitatrichtlijn, b. de kaderrichtlijn afvalstoffen, c. de kaderrichtlijn water, d. het Londen-protocol, e. de mer-richtlijn, f. het Ospar-verdrag, g. de richtlijn industriële emissies, h. de richtlijn offshore veiligheid,

43

i. de richtlijn stedelijk afvalwater, j. de richtlijn winningsafval, k. de Seveso-richtlijn, l. het verdrag van Aarhus, m. het verdrag van Valletta, n. het verdrag van Bern, o. het verdrag van Bonn, p. de vogelrichtlijn. Artikel 5.3

(omgevingsvergunningplicht waterschapsverordening) Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de waterschapsverordening is bepaald.

Artikel 5.4

(omgevingsvergunningplicht omgevingsverordening) Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de omgevingsverordening is bepaald.

Artikel 5.5

(verbod handelen in strijd met voorschriften omgevingsvergunning) Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor: a. een omgevingsplanactiviteit, voor zover dat voorschrift is gesteld met het oog op: 1°. het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, 2°. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, 3°. het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk, 4°. het beschermen van monumenten of archeologische monumenten, b. een rijksmonumentenactiviteit, c. een stortingsactiviteit op zee, d. een milieubelastende activiteit, e. een lozingsactiviteit op: 1°. een oppervlaktewaterlichaam, 2°. een zuiveringtechnisch werk, f. een beperkingengebiedactiviteit, g. een flora- en fauna-activiteit. Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor: a. een omgevingsplanactiviteit: in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, onder a, b. een ontgrondingsactiviteit, c. een bouwactiviteit, d. een wateronttrekkingsactiviteit, e. een mijnbouwlocatieactiviteit, f. een Natura 2000-activiteit. Het is verboden in strijd te handelen met een voorschrift van een omgevingsvergunning voor: a. een jachtgeweeractiviteit, b. een valkeniersactiviteit.

Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3: a. voor zover dat voorschrift is gesteld met het oog op: 1°. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, 2°. het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk, b. in andere gevallen dan bedoeld onder a.

art. 5.5 lid 1

art. 5.5 lid 2

art. 5.5 lid 3

art. 5.5 lid 4

44

art. 5.5 lid 5

Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4: a. voor zover dat voorschrift is gesteld met het oog op: 1°. het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu, 2°. het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, 3°. het beschermen van de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk, 4°. het beschermen van monumenten of archeologische monumenten, b. in andere gevallen dan bedoeld onder a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=69a70140-d0b6-4f7b-8682-9604f99abf64