CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-079 07 0 Ruimtelijke motivering De Hoek fase II

Raad 30 juni 2026, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan ‘De Hoek fase II Meijel’ (2026-079)26.185 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

12 Kragten , Nader

, 4 mei soortenonderzoek steenuil fase 2 , woonlocaties De Hoek fase 2 Meijel , projectnummer PMA127 2026. 13 Kragten , Compensatie steenuil fase 1 , woonlocaties De Hoek fase 2 Meijel , projectnummer PMA127 , 4 mei 2026.

47

In de regels van het voorliggende TAM-omgevingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te borgen dat het compensatieplan wordt opgesteld en de daarin beschreven maatregelen worden uitgevoerd en duurzaam in stand worden gehouden.

4. 6. 5

Gebiedsbesche rming Natura 2000 -gebieden Met het oog op te verwachten stikstofemissies in de aanlegfase en de gebruiksfase dient een nader stikstofonderzoek te worden uitgevoerd. AERIUS-berekeningen dienen uit te wijzen of er extra depositie plaatsvindt zowel in de aanleg- als de gebruiksfase. Wanneer stikstofdeposities op gevoelige (en overbelaste) typen aan de orde zijn is een effectanalyse in de vorm van een voortoets nodig. Op basis hiervan kan vervolgens bepaald worden of significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden op voorhand al dan niet zijn uit te sluiten (art. 5.1 lid 1 Ow). ,

,

,

,

Op basis van de uitgevoerde berekeningen 14 naar de gebruiksfase (eindsituatie 2028) voor zowel de blijkt dat de stikstofdepositie 002 woningen aan de zuidzijde als de noordzijde van de Steegstraat mol N/ha/jaar bedraagt in het Natura 2000 -gebied “Deurnsche Peel & Mariapeel” en ten hoogste -gebied “Groote Peel”. Uit de uitgevoerde 001 mol N/ha/jaar bedraagt in het Natura 2000 berekening naar de aanlegfase in 2026 blijkt dat de stikstofdepositie van ten hoogste 002 mol -gebied “Deurnsche Peel & Mariapeel” en ten hoogste N/ha/jaar plaatsvindt in het Natura 2000 -gebied “Groote Peel”. In de aanlegfase in 2027 bedraagt 001 mol N/ha/jaar in het Natura 2000 dit 003 mol N/ha/jaar in het Natura 2000 -gebied “Deurnsche Peel & Mariapeel” en 001 mol -gebied “Groote Peel”. Één van de mogelijk vervolgstappen in de N/ha/jaar in het Natura 2000 conclusie is het verrichten van een ecologische analyse naar effecten van de stikstofdepositie. Hiertoe is op grond van artikel 11. 6 lid van het Besluit activiteiten leefomgeving een ecologische voortoets 15 opgesteld. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. ,

,

,

,

,

,

,

In de voortoets is een evaluatie uitgevoerd van de ecologische gevolgen van het project voor de Natura 2000-gebieden Deurnsche Peel & Mariapeel en Groote Peel voor wat betreft het aspect stikstof. Nagegaan is of er sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen van het voornemen om woningen en bijbehorende voorzieningen te realiseren en te gebruiken. Uit AERIUS-berekeningen blijkt namelijk dat er overschrijdingen van de grenswaarde 000 mol N/ha/jr berekend worden voor stikstofgevoelige habitat- leefgebied- en zoekgebiedtypen in deze Natura 2000 -gebieden namelijk een toename van stikstofdepositie van 001 à 003 mol N/ha/jr op 5 habitattypen 1 leefgebiedtype en 1 zoekgebiedtype in de aanlegfase (2 jaar) te weten: • van de Deurnsche Peel & Mariapeel de typen H4030 Droge heiden H7110A Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap) H7120ah/ZGH7120ah Herstellende hoogvenen actief hoogveen en Lg04 Zuur ven ; • van de Groote Peel de typen H4030 Droge heiden en H7120ah Herstellende hoogvenen actief hoogveen. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

In de gebruiksfase wordt een toename van 001 à 002 mol N/ha/jr berekend voor de habitattypen H4030 Droge heiden H7120ah/ZGH7120ah Herstellende hoogvenen actief hoogveen in de Deurnsche Peel & Mariapeel. Ook voor de Groote Peel wordt een toename berekend van 001 mol N/ha/jr maar alleen op een kleine oppervlakte van type H7120ah. ,

,

,

,

,

,

14 Kragten , Stikstofdepositie onderzoek De Hoek fase II Meijel , projectnummer PMA127 , 27 november 15 Kragten , Voortoets stikstof De Hoek fase II Meijel , projectnummer PMA127 , 28 april 2026.

2025.

48

Voor alle genoemde typen geldt dat de geringe toename van stikstofdepositie ecologisch gezien geen negatief effect kan hebben er kunnen geen processen van vermesting en verzuring door ontstaan. De geringe toename valt verder geheel weg tegen de geleidelijke afname van de achtergronddepositiewaarde waarvoor in de natuurdoelanalyses van de onderhavige Natura 2000 gebieden (Arcadis 2023ab) trends zijn bepaald. Het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de van deze typen afhankelijke broedvogels (en vogelrichtlijnsoorten) A004 Dodaars A008 Geoorde fuut A119 Porseleinhoen A224 Nachtzwaluw A272 Blauwborst en A276 Roodborsttapuit wordt door het voornemen niet doorkruis t. ,

,

,

,

,

,

,

,

Omdat significant negatieve effecten redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten is er geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000 -activiteit nodig en hoeft er geen Passende Beoordeling te worden opgesteld één en ander overeenkomstig de Pasgeld-West uitspraak van de Afdeling en het bijbehorende stroomschema d. d. 14 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:193) Vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet zijn niet nodig. Hiermee is in het kader van dit TAM-omgevingsplan vanuit het oogpunt van stikstofdepositiei n voldoende mate aangetoond dat het plan niet evident onuitvoerbaar is. Vanuit het oogpunt van stikstofdepositie bestaan er geen belemmeringen voor de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan. ,

,

.

Bijzondere nationale natuurgebieden Er zijn geen negatieve gevolgen voor gebieden die behoren tot de categorie bijzondere nationale natuurgebieden te verwachten. Natuurnetwerk Nederland en bijzondere provinciale natuurgebieden/landschappen Er zijn geen negatieve gevolgen voor gebieden die behoren tot het N atuurnetwerk Nederland of de Groenblauwe mantel te verwachten. Houtopstanden – niet aan de orde Voor de omvorming van de graslanden tot woongebied in het onderzoeksgebied is geen kap van bomen nodig.

4. 6. 6

Conclu sie Met inachtname van de voorwaarden zoals beschreven in deze paragraaf ten aanzien van steenuil en vleermuizen is vanuit het aspect natuur sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,

4. 7

Omgevingsveil igheid Beleid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag productie gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 'waarborgen van de veiligheid' van het B kl. De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. ,

,

,

Bij de realisatie van beperkt kwetsbare kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen in de nabijheid van risicovolle activiteiten moet rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Daarnaast ,

49

kunnen één of meerdere aandachtsgebieden (brandaandachtsgebied gifwolkaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied) van toepassing zijn. Mogelijke risicobronnen zijn het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over het water het spoor en wegen en risicovolle inrichtingen. ,

,

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans op overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties betreft de kans van 1 op de 1. 000. 000 (PR 10 -6 ) een grenswaarde met uitzondering van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen op een locatie die parallel aan een tunnel is gelegen of boven een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen niet is toegestaan. Voor de afstanden wordt verwezen naar bijlage VII behorende bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5. 9 van het Bkl wordt aangegeven tot waar deze afstanden gelden. ,

,

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico's. ,

,

Er zijn drie typen aandachtgebieden die onderscheid maken tussen drie gevaren: • Brandaandachtsgebied (BAG) is de locatie begrensd door de afstand waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of fakkelbrand de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m² is • Explosieaandachtsgebied (EAG) is de locatie begrensd door de afstand waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: o een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (BLEVE) de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m² is een explosie anders dan onder a de overdruk ten hoogste 10 kPa is. o Gifwolkaandachtsgebied (GAG) is de locatie begrensd door de afstand waar als gevolg • van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste bij ministeriële regeling vastgestelde concentratei van een gevaarlijke stof gedurende een daarbij aangegeven periode. ,

,

,

,

,

,

,

Een gifwolkaandachtsgebied wordt voorlopig begrensd op een afstand van 300 m vanaf de locatie binnen de begrenzing van de activiteit. Aangewezen omgevingsdiensten dienen middels een berekening aan te tonen wat de werkelijke grens van het gifwolkaandachtsgebied is. Voor wegen

,

spoorwegen en binnenwateren

zijn bij ministeriële regeling de navolgende afstanden

het aandachtsgebied: Brandaandachtsgebied: 30 meter Explosieaandachtsgebied: 200 meter

aangewezen voor • •

Voor een overzicht van de aan te houden afstanden voor de overige activiteiten met vastgestelde afstanden wordt verwezen naar bijlage VII van het Bkl.

50

Binnen het aandachtsgebied moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans dat 10 personen of meer per jaar overlijden als rechtstreeks gevolg van een incident binnen een aandachtsgebied. Gewaarborgd dient te worden dat maatregelen getroffen zijn ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die personen aanwezig zijn beperkt is. Voorschriftengebieden Binnen een aandachtsgebied kunnen door gemeenten voorschriftengebieden aangewezen worden. In dit deel van het aandachtgebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. ,

Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd aangewezen worden als voorschriftengebied. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. De maatregelen voor brand- en explosievoorschriftengebieden zijn opgenomen in paragraaf 4. 2. 14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Belemmeringengebied buisleidingen gevaarlijke stoffen Een belemmeringengebied buisleiding is het gebied aan weerszijden van een buisleiding gemeten vanuit het hart van de buisleiding tot een afstand van: • 5 meter • 4 meter als door de buisleiding aardgas vervoerd wordt met een druk van 1. 600 tot en met 4. 000 kPa. ,

,

,

,

Binnen deze afstand is het niet toegestaan kwetsbare gebouwen tenzij die een functionele binding hebben met de buisleiding of zeer kwetsbare gebouwen toe te staan. ,

,

Relevante aandachtsgebieden Op basis van de kaart ‘externe veiligheid’ van de Atlas Leefomgeving ligt het plangebied niet binnen een aandachtsgebied van een risicobron. Vanuit dit kader bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. ,

51

Uitsnede kaart ‘externe veiligheid’ van de Atlas Leefomgeving beoogde woongebieden aangeduid met een blauwe ovaal.

,

met de globale ligging van

de

Advies Veiligheidsregio Limburg-Noord De Veiligheidsregio Limburg-Noord is gevraagd advies uit te brengen over de beoogde ontwikkeling. Per brief van 12 mei 2025 met kenmerk Z2025-00001534 heeft de veiligheidsregio advies uitgebracht. In het advies is onder meer het volgende opgenomen: Ten aanzien van het aspect omgevingsveiligheid wordt in verband met een toxisch scenario i. v. m. vervoer van gevaarlijke stoffen over de N279 en N275 geadviseerd om mechanische ventilatie binnen de woningen (indien aanwezig) centraal afsluitbaar uit te voeren door middel van een gemakkelijk te bereiken noodschakelaar. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet is afsluitbare ventilatie sowieso verplicht gesteld (artikel 4. 124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten zijn enkele uitgangspunten en randvoorwaarden genoemd. Deze uitgangspunten en randvoorwaarden worden meegenomen bij de verdere (technische) uitwerking van het plan. Met betrekking tot bluswatervoorzieningen wordt opgemerkt dat deze momenteel binnen het plangebied niet aanwezig zijn. Rondom het plangebied (ter hoogte van de Steegstraat en de Kransakker) liggen diverse ondergrondse brandkranen met voldoende debiet. In overleg met de WML dient te worden onderzocht of dit netwerk van brandkranen kan worden uitgebreid richting het plangebied.

Doel moet zijn dat er binnen 100 meter van iedere woning een brandkraan met een minimaal debiet van 30 m³/uur gerealiseerd wordt. Indien dit niet mogelijk is moet op een tactische plaats in het plangebied een geboorde put worden gerealiseerd. ,

,

,

,

De adviezen van de Veiligheidsregio Limburg-Noord worden voor zover deze niet al in het ontwerp zijn verwerkt meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Het volledige advies is als separate bijlage bij deze motivering opgenomen. ,

Conclusie Vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

52

4. 8

Kabels en leid ingen Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen kabels of leidingen gelegen die zijn voorzien van een juridisch-planologische beschermingszone waarmee bij de beoogde ontwikkelingen rekening dient te worden gehouden.

4. 9

Luchtkwal iteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 1 Bkl. Volgens dez e regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO)2 en fijnstof (PM). 10 Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde ; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit ; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5. 53 en 5.

54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM 10 niet hoger is dan 12 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. ,

,

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5. 54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie maar niet binnen de gestelde grenzen dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3% -grens niet overschrijdt. ,

,

,

Toetsing In artikel 5. 54 'standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit' is voor woningen aangegeven dat ontwikkelingen met ten hoogte 1. 500 woningen met één ontsluitingsweg niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. In het voorliggende geval is sprake van de realisatie van maximaal 106 woningen waarmee ruimschoots binnen de genoemde grens van 1. 500 woningen gebleven wordt. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging ,

,

.

Daarnaast blijkt op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) dat de huidige waarden voor NO 2 PM 25 en PM 10 binnen de gehele gemeente Peel en Maas en daarmee ook ter hoogte van het plangebied ruimschoots voldoen aan de ,

,

,

53

omgevingswaarden zoals opgenomen in artikel 2. 4 Bkl voor wat betreft stikstofdioxide (NO)2 en artikel 2. 5 Bkl voor wat betreft fijnstof (PM 25 en PM). 10 ,

Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 10

Geur (veehoud erijen) Algemeen Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening. Hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. In artikel 5. 91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie gebouwen voor onderwijs gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8. 20 Bkl. ,

,

Toetsing Enerzijds kan in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door de gemeente medewerking verleend worden aan het voornemen indien veehouderijen door de voorgenomen planontwikkeling niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. A nderzijds dient ter plaatse van het nieuw te realiseren geurgevoelig object sprake te zijn van een acceptabel woonen leefklimaat voor het aspect geur. Hierbij dient gekeken te worden naar zowel de achtergrond- als de voorgrondgeurbelasting. Omliggende veehouderijen Op de navolgende afbeeldingen zijn veehouderijen weergegeven in de omgeving van het plangebied. De dichtstbij gelegen veehouderij (Heldensedijk 5) ligt op circa 390 meter van het plangebied. Overige veehouderijen liggen op grotere afstand. De ontwikkeling van woningen binnen het plangebied maakt gelet op de tussenliggende afstand tussen het plangebied en de veehouderijen de tussenliggende bestaande geurgevoelige functies of bestaande geurgevoelige functies op korte afstand van de veehouderijen geen inbreuk op de vergunde geurruimte en de planologische geurruimte van de omliggende veehouderijen. ,

,

,

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van geurgevoelige objecten dient ook rekening te worden gehouden met de achtergrondgeurbelasting voor het aspect geur ten gevolge van de vergunde milieurechten van (meerdere) omliggende veehouderijen met landbouwhuisdieren met een geuremissie (OU-dieren) voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat.

54

Weergave veehouderijen in de omgeving van de beoogde woongebieden Kernregistratie Dierverblijven d. d. 25-09-2025).

[blauwe kader] (bron:

In een straal van 2 kilometer rondom het plangebied zijn 35 intensieve veehouderijen (OU-dieren) gelegen. Om een uitspraak te kunnen doen over het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied als gevolg van de cumulatieve geuremissie van de intensieve veehouderijen in de omgeving is de achtergrondgeurbelasting te worden berekend. Voor de berekening van de achtergrondgeurbelasting is gebruik gemaakt van het computerprogramma ‘V-Stacks gebied versie 2020’ en voor de gegevens van de veehouderijen is aa ngesloten bij de online beschikbare gegevens 16 op Kernregistratie dierenverblijven (KRD). ,

Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat is aangesloten bij de “Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij – Aanvulling: Bijlagen 6 ne 7 d. d. 1 mei 2007”. Hierin is een relatie tussen de berekende voor- en achtergrondgeurbelasting en de geurgehinderden weergegeven voor een concentratiegebied en een niet-concentratiegebied. De gemeente Peel en Maas is gelegen in een concentratiegebied zoals bedoeld in de Meststoffenwet. ,

Op de navolgende afbeelding zijn de geurcontouren van de achtergrondgeurbelasting rondom en ter plaatse van het plan weergegeven.

16 Download Kernregistratie

dierenverblijven 25 september 2025.

55

Weergave geurcontouren achtergrondgeurbelasting (beoogde woongebieden

blauwe kader)

3 De berekende achtergrondgeurbelasting bedraagt tussen de 24 en 29 OU E /mter plaatse van de randen van het plangebied. Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondgeurbelasting te classificeren als ‘zeer goed’. ,

,

De berekeningen zijn als separate bijlage bij deze motivering opgenomen. Conclusie Vanuit het aspect geur als gevolg van veehouderijen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de achtergrondgeurbelasting.

4. 11

Activiteiten en milieu zonering Algemeen Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de VNG -publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin milieucategorieën en richtafstanden uit 2009 komen te vervallen. De Omgevingswet bevat meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. ,

56

In het voorliggende geval heeft de gemeente een omgevingsplan waarin van rechtswege nog de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In deze bestemmingsplannen is over het algemeen wel nog uitgegaan van de eerder genoemde milieucategorieën en richtafstanden. De bestaande rechten van activiteiten in de omgeving zijn daarop ook veelal gebaseerd. Onder de Omgevingswet wordt het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) gehanteerd. Dit is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: " activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit." Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het gaat hierbij om de aspecten geur geluid en trilling. Het is een breed begrip ; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten ook nietplaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. ,

,

,

Toetsing Woningen zelf vormen geen milieubelastende activiteit. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door met name woonbestemmingen en agrarische functies. Direct ten westen van het plangebied ligt het woongebied De Hoek fase I. Aan de Steegstraat 30 is sprake van een woonbestemming en aan de Steegstraat 32 is sprake van een plattelandswoning met bijbehorende tuin. Aan de overzijde van de Steegstraat zijn zowel woningen als een glastuinbouwbedrijf met inbegrip van containerveld en (bedrijfs)woning gelegen. Aan de oostzijde van de Steenkampseweg is sprake van agrarische gronden net als aan de zuidzijde van de Jan Thijssensteeg. Verder zijn aan de Jan Thijssensteeg 11 en 18 woningen gelegen. In het voorliggende geval wordt 50 meter afstand aangehouden tussen de agrarische gronden aan de oostzijde en zuidzijde van het plangebied. Vanuit dit kader bestaan er geen belemmeringen. ,

Uitsluitend aan de overzijde van de Steegstraat is sprake van een bedrijfsmatige functie met een hindercontour. Voor dit bedrijf geldt dat er reeds woningen dichterbij zijn gelegen dan de beoogde woningen in het plangebied waardoor de beoogde woningen binnen het plangebied geen beperking vormen voor het functioneren van het betreffende bedrijf. G elet op de aard van de bedrijfsvoering in de vorm van een glastuinbouwbedrijf in combinatie met de tussenliggende afstand van meer dan 50 meter tot met name de inrit van het bedrijf en de locatie waar laden en lossen plaatsvindt is ter hoogte van de beoogde woningen binnen het plangebied naar verwachting geen sprake van onevenredige hinder als gevolg van geluid. Ter plaatse van de beoogde woningen zal op basis van het voorgaande sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. ,

,

Op circa 325 meter ten zuiden van de beoogde woonpercelen ligt aan de Donkersveld 6 Schutterij St. Nicolaas. Ten aanzien van de schutterij geldt dat er reeds woningen dichterbij zijn gelegen die als maatgevend kunnen worden beschouwd. De beoogde woningen binnen het plangebied vormen daarmee geen belemmering voor de activiteiten ter hoogte van de schutterij. Er dient daarnaast te worden aangetoond dat ter hoogte van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. ,

Bij de oprichting van de schutterij in 2007 is destijds een akoestisch onderzoek industrielawaai in het kader van de milieuvergunning van de schutterij) uitgevoerd (Witteveen en Bos 2006). Hierin zijn de op dat moment bestaande woningen in de omgeving van de schutterij meegenomen waaronder bijvoorbeeld de woning aan de Donkersveld 4 in Meijel op circa 330 meter van de schutterij. Uit het ,

,

,

57

onderzoek blijkt dat de woning aan de Donkersveld 4 ruim voldoet aan de normen die gesteld worden (L knal is 55dB(A) bij een norm van 70dB). Daarnaast is in 2016 een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor een woning aan de Donkersveld 10 op circa 150 meter ten westen van het terrein van de schutterij (Aelmans 2016). In dit onderzoek is onder meer gebruik gemaakt van de ‘Handreiking Limburgs Traditioneel Schieten’. Geconcludeerd wordt dat ook voor deze woning op kortere afstand van de schutterij op basis van worstcase berekeningen wordt voldaan aan de in de handreiking opgenomen grenswaarde van 725 dB(A) voor L knal ,

,

,

,

.

Gelet op het feit dat de woningen binnen het plangebied op meer dan 325 meter komen te liggen van de schutterij kan op basis van het voorgaande worden aangenomen dat ook ter hoogte van de en dat woningen binnen het plangebied zal worden voldaan aan de hiervoor geldende normen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. ,

17 Voor de woningen aan de noordzijde van de Steegstraat is een separaat akoestisch onderzoek uitgevoerd om de inpasbaarheid van de woningen in relatie tot het bedrijf gelegen aan Steegstraat 29 te onderzoeken. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet ter plaatse van de gevels van de geluidgevoelige gebouwen aan de geluidgrenswaarde uit het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas zijnde 50 dB(A) etmaalwaarde. ,

Conform Artikel 22. 63 lid 4 van het Omgevingsplan blijven piekgeluiden van laad - en losactiviteiten buitenbeschouwing in de dagperiode. Uit de resultaten blijkt dat indien deze buiten beschouwing worden gelaten het maximale geluidniveau ter plaatse van de gevels van de geluidgevoelige gebouwen voldoet aan de geluidgrenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde. Geconcludeerd wordt dat de toekomstige situatie ten aanzien van de in het onderzoek aangegeven randvoorwaarden akoestisch inpasbaar geacht wordt. Er is sprake van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. Conclusie Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 12

Trilling en Algemeen Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22. 3. 5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22. 88 en 5. 87a van de Bruidsschat. ,

17 Aelmans , Akoestisch

onderzoek industrielawaai Steegstraat 29 te Meijel , Rapportnummer ROM250450. 005. R1/JME

,

3

april 2026.

58

Toetsing Binnen het plangebied en de omgeving is geen sprake van activiteiten die leiden tot onevenredige hinder in de vorm van trillingen zoals bedoeld in paragraaf 22. 3. 5 van de Bruidsschat. Conclusie Vanuit het aspect trillingen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 13

Ontplofbare oorlo gsresten Algemeen De gemeente Peel en Maas heeft voor de gehele gemeente een risicokaart laten opstellen voor de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in de bodem. Op basis van de bodembelastingkaart ligt het plangebied binnen een verdacht gebied voor wat betreft verschoten geschutmunitie en raketten. Daarnaast is direct ten zuiden van het plangebied sprake van verdacht gebied voor (achtergelaten) geschutmunitie.

Uitsnede uit de gemeentebrede bodembelastingkaart met de beoogde woongebieden omlijnd weergegeven. ,

globaal blauw

Voorafgaand aan bodemroerende werkzaamheden dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen in hoeverre de bodem naoorlogs geroerd is of om te bepalen of de voorgenomen werkzaamheden het verdachte gebied (en dus mogelijk aanwezige ontplofbare oorlogsresten) beïnvloeden en welke vervolgmaatregelen eventueel nodig zijn om het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten in de bodem te minimaliseren. Deze maatregelen dienen bepaald te worden door een (CS-VROO en/of CS -OOO gecertificeerd) explosieven opsporingsbedrijf. ,

,

59

Onderzoek In het kader van het voorgaande is voor de gronden ten zuiden van de Steegstraat een detectieonderzoek 18 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage ,

In de categorie B- Terreinen zijn 784 significante verstoringen geïdentificeerd die overeenkomen met de op basis van het bureauonderzoek mogelijk aanwezige ontplofbare oorlogsresten. In totaal 92 verstoringen bevinden zich dieper dan 50cm onder het maaiveld. Geadviseerd wordt alle verstoringen te benaderen door een opsporingsteam met ondersteuning van een graafmachine. Voor de 8. 408 m² die is aangemerkt als categorie C-terrein wordt geadviseerd laagsgewijze detectie uit te voeren onder begeleiding van een opsporingsteam met ondersteuning van een graafmachine tot de verstoorde laag verwijderd is. Het onverstoorde deel wordt vervolgens onderzocht door een opsporingsteam middels realtime detectie en benaderen. ,

Een gebied van 104 m² van het opsporingsgebied heeft men niet kunnen inmeten in verband met de aanwezigheid van perceelbegrenzing en vegetatie. Geadviseerd wordt het niet ingemeten gebied daar waar bodemroerende werkzaamheden gaan plaatsvinden te laten onderzoeken door een opsporingsteam middels realtime detectie en benaderen. ,

,

,

Conclusie Alvorens bodemverstorende werkzaamheden worden verricht dient nader onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten plaats te vinden in vervolg op het uitgevoerde detectieonderzoek. De uitvoering van een dergelijk onderzoek kan plaatsvinden in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen. Ook voor de gronden ten noorden van de Steegstraat geldt dat onderzoek kan worden uitgevoerd in het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen. ,

,

4. 14

Verkeerskundige

a specten

In verband met de beoogde ontwikkeling is een verkeerskundig onderzoek 19 uitgevoerd waarin is ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren. Onderstaand wordt per aspect ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige notitie.

4. 14. 1

Verke er Verkeersgeneratie In de toekomstige situatie is in het plangebied een woningbouwontwikkeling gepland met 106 nieuwe woningen. Aangezien het exacte woningbouwprogramma nog niet definitief is wordt er bij de berekening van de verkeersgeneratie uitgegaan van de standaard CROW -kencijfers voor het woonmilieu ‘landelijk wonen’. Dit scenario is gekozen omdat het een worstcasebenadering geeft voor de te verwachten verkeersgeneratie. ,

Op basis van de CROW -kencijfers is de verkeersgeneratie van de nieuwe woningen berekend. Hierbij zijn het aantal verkeersbewegingen (heen en terug) op een gemiddelde weekdag opgenomen. Voor een beoordeling van de verkeersafwikkeling worden de weekdaggemidd elden omgerekend naar werkdaggemiddelden. Hiervoor wordt de standaard CROW -omrekenfactor van 111 voor woonfuncties gehanteerd. Uit de navolgende tabel blijkt dat de geplande ontwikkeling naar ,

18 Euroradar , Detectierapportage opsporen ontplofbare oorlogsresten , aanleg woonwijk de Hoek 19 Kragten , Verkeer en parkeren De Hoek fase II Meijel , projectnummer PMA127 , 16 november

– PMA127 2025.

,

17-07-2025.

60

verwachting circa 785 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag zal genereren en circa 871 extra motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal. Tabel 1 Verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling Verkeersgeneratie Type woonmilieu Aantal Kencijfer VI Landelijk wonen 106 woningen 74 per woning ,

Weekdag Totaal

Werkdag Totaal

7844,

8707,

motorvoertuigen per etmaal

motorvoertuigen per etmaal

De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van verkeer op het omliggende wegennet met name op de Steegstraat Schoolstraat en Jan Truijenstraat. Op deze wegen worden geen knelpunten verwacht op het gebied van verkeersafwikkeling. ,

,

Hierbij dient volledigheidshalve te worden opgemerkt dat in 2026 nog verkeerstellingen zijn uitgevoerd. Deze onderschrijven de bevindingen uit het verkeerskundig onderzoek. De tellingen worden als bijlage aan de nota van zienswijzen toegevoegd. Bereikbaarheid en ontsluiting De bereikbaarheid van het plangebied voor verschillende vervoerswijzen is goed. De primaire ontsluiting van het woongebied zal plaatsvinden via een nieuwe aansluiting op de Steegstraat. Een secundaire ontsluiting van het woongebied zal plaatsvinden via de bestaande Kransakker die eveneens aansluit op de Steegstraat. Ten behoeve van de bereikbaarheid van het plangebied voor hulpdiensten is binnen het plangebied een verbinding tussen de twee deelgebieden voorzien één en ander zoals weergegeven op de navolgende afbeelding. ,

,

Voor langzaam verkeer wordt het plangebied ontsloten via de Jan Thijssensteeg Kransakker Steegstraat en Steenkampseweg. ,

,

61

Grafische weergave beoogde verkeersstructuur binnen het plangebied (bron: Kragten). In het kader van de ontwikkeling wordt verder voorzien in een verplaatsing van de komgrens zodat beide ontsluitingen van het plangebied binnen de bebouwde kom van Meijel vallen. Op de navolgende afbeeldingen is de bestaande en toekomstige situering van de komgrens weergegeven evenals de inrichting van de aansluiting van het woongebied op de Steegstraat. ,

,

62

Weergave ligging bestaande

en toekomstige grens

Weergave toekomstige ligging komgrens

bebouwde kom.

inclusief beoogde verkeersborden.

Aanbeveling Tot slot wordt aanbevolen om het wegvak tussen de oude en nieuwe komgrens ter hoogte van de Steegstraat in te richten als erftoegangsweg binnen de bebouwde kom (30 km/uur). Hieraan wordt bij de verdere uitwerking invulling gegeven. Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling vanuit verkeerskundig oogpunt inpasbaar wordt geacht. Vanuit dit kader is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 14. 2

Parker en De voorziene ontwikkelingen binnen het plangebied leiden tot een bepaalde parkeervraag. Om het aantal benodigde parkeerplaatsen te berekenen dient de ‘Nota ParkeernormenP eel en Maas 2018’ gehanteerd te worden. ,

In de gemeentelijke nota is aangegeven dat voor de gehele gemeente is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk gebied’. Voor woningen geldt voor de zones rest bebouwde kom en buitengebied een parkeernorm van 20 parkeerplaatsen per woning. Met een totaal van 106 woningen betekent dit dat er in totaal 212 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Deze worden deels op eigen terrein en deels in het openbaar gebied gerealiseerd. In het ,

63

stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met het reserveren van ruimte voor zowel parkeren op eigen terrein bij de vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen en parkeren in het openbaar gebied bij de rijwoningen.

Impressie parkeervoorzieningen in het openbaar gebied (bron: Kragten). Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat het voorliggende TAM-omgevingsplan slechts een juridisch-planologisch kader biedt waarbinnen de beoogde ontwikkeling verder vormgegeven kan worden. In het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvraag wordt op basis van de in de regels van het TAM-omgevingsplan verankerde parkeernormen getoetst aan de gemeentelijke ‘Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018’. Op deze wijze is gebor gd dat te allen tijde wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen.

64

Conclusie Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat geborgd is dat wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Vanuit dit kader is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4. 15

Weging

van

het wate rbelang

In het kader van de weging van het waterbelang dient te worden aangegeven hoe met water om te gaan. Hiertoe is voor het deel van het plangebied ten zuiden van de Steegstraat een onderzoek 20 uitgevoerd waarin is ingegaan op de beleidskaders en op de wijze waarop met water wordt omgegaan. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het geformuleerde beleid de algemene uitgangspunten en de eisen ten aanzien van de benodigde hoeveelheid bergingsvoorzieningen ook van toepassing zijn voor de beoogde woningen aan de noordzijde van de Steegstraat. ,

,

,

Voor de weging van het waterbelang is naar de volgende aspecten gekeken: grondwater oppervlaktewater regenwater en afvalwater. Voor deze ontwikkeling wordt het volgende geconcludeerd: Het plangebied bevindt zich niet in grondwaterbeschermingsgebied of drinkwaterwingebied en niet in een boringsvrije zone. Ook is er geen sprake van waterkeringen nabij het plangebied. Het maaiveld binnen het plangebied ligt tussen NAP + 323 m en NAP + 330 m. Het grondwater staat voldoende laag GHG op NAP + 311 m voor de beoogde ontwikkeling om te voldoen aan de ontwateringsnorm en grondwateroverlast te voorkomen. Geadviseerd wordt om een wegpeil van minimaal NAP + 323 m te hanteren en een bouwpeil van minimaal NAP + 325 m. In het kader van het uitvoeringsontwerp wordt vooralsnog uitgegaan van een wegpeil tussen NAP + 3265 en NAP + 3382 m en een bouwpeil variërend van NAP + 327 m en NAP + 335 m. Er worden 106 nieuwe woningen gerealiseerd in fase 2 waarbij in overleg met de gemeente de volledige waterberging in de openbare ruimte is voorzien. De opgave voor fase 2 bedraagt in totaal 2. 695 m.3 3 Met de voorziene waterbergingen in het plangebied kan 2. 846 m worden geborgen. Daarmee is er voldoende ruimte voor waterberging binnen het plangebied waarbij de voorzieningen ook voor het reeds gerealiseerde fase 1 kunnen voorzien in aanvullende bergingscapaciteit.

De infiltratiewaarden voor de wadi’s in het plangebied liggen tussen de 09 en 12 m/dag. Leegloop van de infiltratievoorziening via de bodem gaat enkel voor wadi 1 en wadi 6 onvoldoende snel. De verwachting is dat door de aanleg van infiltratieriolen die in verbinding staan met de wadi’s ook leegloop via de infiltratieleidingen kan plaatsvinden. Hierdoor zijn de infiltratievoorzieningen weer snel genoeg beschikbaar voor een volgende regenbui. In de directe omgeving van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig maar ook een hemelwaterriolering. Een overloop van de particuliere voorzieningen kan via het maaiveld afstromen naar de openbare ruimte waar het via kolken naar de hemelwaterriolering k an afgevoerd. openbare ook vol staan met hemelwater kan worden Wanneer de voorzieningen via het oppervlaktewatersysteem een overloop plaatsvinden. Het initiatief leidt niet tot beïnvloeding van grondwaterstanden en -stromingen in de omgeving van het plangebied en het voorgenomen gebruik veroorzaakt geen risico’s op aantasting van de grondwaterkwaliteit. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

20 Kragten , Weging van

het waterbelang

ontwikkeling De Hoek fase 2 in Meijel

,

,

projectnummer PMA127 , 1 december 2025.

65

-

In fase 1 van de Hoek is openbare vuilwater riolering aanwezig. Het afvalwater van de nieuwe woningen kan hierop worden aangesloten. Gezien de omvang van de te verwachten hoeveelheid afvalwater zal het initiatief niet leiden tot capaciteitsproblemen voor de bestaande openbare riolering in de omgeving van het plangebied ,

.

Conclusie Vanuit het aspect water is op basis van de beschreven uitgangspunten sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het voorliggende TAMomgevingsplan slechts een juridisch-planologisch kader biedt waarbinnen de beoogde ontwikkeling verder kan worden vormgegeven. De exacte wijze waarop wordt omgegaan met hemelwater wordt nader uitgewerkt in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvragen waarbij dient te worden voldaan aan de genoemde eisen. Het aanleggen en in stand houden van voorzieningen ten behoeve van voldoende hemelwaterberging is geborgd door middel van de ‘Verordening afvoer hemelwater en grondwater Peel en Maas 2024’. Deze verordening is van rechtswege onderdeel van het Omgevingsplan van de gemeente Peel en Maas geworden bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 20 24 conform artikel 4. 6 van de Invoeringswet Omgevingswet. ,

,

,

,

4. 16

M. e. -rb. eoorde ling Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m. e. r) is opgenomen in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milie ueffectrapport opstelt als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16. 43 van de Omgevingswet. ,

Onder een plan of programma als bedoeld in artikel 2 onder a van de SMB -richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling) wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie programma omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een planmilieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB -richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m. e. r. -procedure verplicht is. ,

,

,

,

,

,

Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m. e. r. -beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m. e. r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m. e. r. -beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m. e. r. (beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m. e. r. -beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III van de EU-richtlijn m. e. r. ,

De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect ,

.

66

Toetsing De beoogde ontwikkeling kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en staat genoemd onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In deze bijlage zijn v oor deze activiteit geen indicatieve drempelwaarden benoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming over wijziging van het Omgevingsplan in alle gevallen dient te bepalen of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m. e. r. -procedure. In de navolgende tabel zijn de relevante kenmerken van het plan weergegeven alsmede de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken. Daarnaast zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor de voor dit plan relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken waarvan de uitkomsten zijn verwerkt in hoofdstuk 4 van deze motivering blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg heeft. ,

,

Kenmerken van het plan De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het betreft de ontwikkeling van maximaal 106 woningen met inbegrip van ontsluitingswegen en bijbehorende groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. De oppervlakte van het deel van het plangebied ten zuiden van de Steegstraat bedraagt circa 69 hectare. De oppervlakte van het deel van het plangebied ten noorden van de Steegstraat met inbegrip van het bestaande glastuinbouwbedrijf bedraagt circa 48 hectare. De totale oppervlakte van het plangebied bedraagt daarmee circa 117 hectare. Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend die aanleiding geven tot cumulatie van milieueffecten met andere projecten ,

Omvang van het project

,

,

,

,

,

,

Cumulatie met andere projecten

Gebruik natuurlijke hulpbronnen

.

Daarmee is er voor wat betreft cumulatie met andere projecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. Er is geen sprake van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen bij de realisering van de voorgenomen activiteiten zoals hiervoor beschreven. De woningen worden aardgasvrij gerealiseerd. Er worden (bouw)materialen gebruikt zoals staal hout steen en beton maar dit betreft een eenmalig gebruik en deze materialen zijn niet bijzonder schaars. ,

,

,

Daarmee is er voor wat betreft het gebruik van

67

natuurlijke hulpbronnen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten Bouw- en sloopafval tijdens de aanlegfase zal door de betreffende aannemers worden afgevoerd en verwerkt. Tijdens de gebruiksfase is sprake van de productie van huishoudelijk afval GFT papier plastic restafval en overige stromingen zoals textiel. Binnen het woongebied vindt op de reguliere wijze afvalverzameling plaats. Tijdens zowel de aanleg- als de gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit. .

,

,

,

,

Productie afvalstoffen

Daarmee is voor wat betreft de productie van afvalstoffen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt buiten de reguliere hinder gedurende de aanlegfase die gebruikelijk is bij een dergelijke stedelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder die leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Één en ander blijkt ook uit hoofdstuk 4 van deze motivering waaruit valt af te leiden dat voor wat betreft de diverse (milieu)aspecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling. De ontwikkeling brengt geen significante risico's voor ongevallen met zich mee. Verkeersbewegingen van naar en binnen het plangebied kunnen op een veilige manier plaatsvinden. Er worden daarnaast binnen het plangebied geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd opgeslagen of vervoerd. Daarmee is voor wat betreft risico's voor ongevallen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. .

,

,

Verontreiniging en hinder

,

,

Risico voor ongevallen

,

Plaats van het project Bestaand grondgebruik

De relatieve rijkdom aan en de beschikbaarheid de kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen Opname vermogen milieu met aandacht voor wetlands kustgebieden berg- en bosgebieden

Het plangebied bestaat in de huidige situatie aan de zuidkant van de Steegstraat overwegend uit agrarische en onbebouwde gronden. Ten noorden van de Steegstraat is sprake van een glastuinbouwbedrijf. Niet van toepassing. Er zijn geen bijzondere aardkundige waarden of andere natuurlijke hulpbronnen aanwezig.

,

,

,

,

Wetlands: niet van toepassing Kustgebieden: niet van toepassing

68

reservaten en natuurparken , H/V

Berg- en bosgebieden: niet van toepassing richtlijngebieden gebieden waar milieunormen Reservaten en natuurparken: niet van toepassing worden overschreden gebieden met hoge Habitat/richtlijngebieden: niet van toepassing bevolkingsdichtheid landschappelijk historisch Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid: niet van cultureel of archeologische gebieden van toepassing. belang Landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang: niet van toepassing. ,

,

,

,

,

Op basis van het onderzoek dat in het kader van de planvorming is uitgevoerd blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt voor de omgeving. Archeologische waarden zijn in voldoende mate geborgd middels archeologische dubbelfuncties (zie paragraaf 4. 4. 1). Het plan heeft geen significant negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in de omgeving (zie paragraaf 4. 4. 2) Op basis van het uitgevoerde flora en fauna onderzoek met inbegrip van nader soortenonderzoek blijkt dat er vooralsnog geen vervolgstappen nodig zijn in het kader van de Omgevingswet en er is geen omgevingsvergunning nodig voor een flora- en faunaactiviteit. Wel dient met betrekking tot verlichting rekening te worden gehouden met vliegroutes van vleermuizen langs de zuid- en oostgrens. Tot slot is in 2026 nog nader onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van steenuil uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er 3 territoria rondom het plangebied aanwezig zijn. Er dient een compensatieplan opgesteld te worden om het functioneel leefgebied van de verschillende steenuil territoria in stand te houden. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen. Op deze wijze worden significante effecten voorkomen. ,

,

Op basis van de uitgevoerde berekeningen naar de gebruiksfase (eindsituatie 2028) blijkt dat de stikstofdepositie 002 mol N/ha/jaar bedraagt in het Natura 2000-gebied “Deurnsche Peel & Mariapeel” en ten hoogste 001 mol N/ha/jaar bedraagt in het Natura 2000-gebied “Groote Peel”. Uit de uitgevoerde berekening naar de aanlegfase in 2026 blijkt dat de stikstofdepositie van ten hoogste 002 mol N/ha/jaar plaatsvindt in het Natura 2000 ,

,

,

69

gebied “Deurnsche Peel & Mariapeel” en ten hoogste 001 mol N/ha/jaar in het Natura 2000 -gebied “Groote Peel”. In de aanlegfase in 2027 bedraagt dit 003 mol N/ha/jaar in het Natura 2000 -gebied “Deurnsche Peel & Mariapeel” en 001 mol N/ha/jaar in het Natura 2000-gebied “Groote Peel”. ,

,

,

Gelet op de resultaten van de berekeningen is een ecologische analyse naar effecten van de stikstofdepositie verricht. Op basis hiervan kunnen significant negatieve effecten redelijkerwijs worden uitgesloten is er geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig en hoeft er geen Passende Beoordeling te worden opgesteld. Vervolgstappen in het kader van de Omgevingswet zijn niet nodig. Hiermee is in het kader van dit TAMomgevingsplan vanuit het oogpunt van stikstofdepositie in voldoende mate aangetoond dat het plan niet evident onuitvoerbaar is. Vanuit het oogpunt van stikstofdepositie bestaan er geen belemmeringen voor de vaststelling van dit TAMomgevingsplan. ,

Ten behoeve van verkeerslawaai is een onderzoek uitgevoerd waarbij naar voren is gekomen dat vanuit het aspect verkeerslawaai geen belemmeringen bestaan (zie paragraaf 4.3) met uitzondering van één woning aan de noordzijde van de Steegstraat waarvoor in de regels het gezamenlijk geluid is vastgelegd. Ter plaatse wordt wel voldaan aan de grenswaarde voor verkeerslawaai. De akoestische effecten van de verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling wordt inpasbaar geacht. Er is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten op de omgeving. ,

,

,

Voor de beoogde ontwikkeling is een vooronderzoek bodem conform NEN 57 40 uitgevoerd (zie paragraaf 4. 5). Op basis van de resultaten van het vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat nader onderzoek nodig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd na afronding van het onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten. Voorafgaand aan de realisatie van de ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Als gevolg van de ontwikkeling zelf zijn er naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten.

70

Er is geen sprake van noemenswaardige landschappelijke waarden die als gevolg van de ontwikkeling worden aangetast. Met de landschappelijke inpassing in de vorm van groene buffers worden juist extra landschappelijke waarden toegevoegd aan het gebied. De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een toenemende parkeerdruk op het openbaar gebied omdat voldoende parkeerruimte gerealiseerd wordt binnen het plangebied zelf (zie paragraaf 4. 14. 2). Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking) Grensoverschrijdend karakter Orde van grootte en complexiteit effect Waarschijnlijkheid effect Duur frequentie en omkeerbaarheid effect

Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing

,

Tabel: m. e. r. -beoordeling Conclusie De ontwikkeling die middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten. Nadere analyse in een milieueffectrapportage is niet noodzakelijk.

,

71

5

JURIDISCHE PLANVORM

5. 1

Algeme en Het voorliggende TAM-omgevingsplan bestaat uit de regels verbeelding en deze motivering. De verbeelding en regels dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. ,

5. 2

Verbeeld ing Op de verbeelding hebben de gronden binnen het plangebied een functie gekregen. Binnen een functie kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. De juridische betekenis hiervan is beschreven in de regels. Bepaalde gegevens hebben geen juridische betekenis. Deze zijn uitsluitend op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid zoals kadastrale en topografische ,

gegevens.

5. 3

Rege ls

5. 3. 1

Functiere gels Hoofdstuk 1 bevat onder meer de begripsbepalingen het toepassingsbereik de meet- en rekenbepalingen de aanvraagvereisten en een algemeen gebruiksverbod. In hoofdstuk 2 zijn de regels opgenomen behorende bij de functies en activiteiten die op de verbeelding aan de gronden zijn toegekend. In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen die op het gehele plangebied of delen daarvan van toepassing zijn. In hoofdstuk 4 zijn tot slot regels met betrekking tot het overgangsrecht opgenomen. ,

,

,

Onderstaand worden de voor het plangebied opgenomen functies en gebiedsaanduidingen deze zijn opgenomen in hoofdstuk 2 van de planregels kort toegelicht.

,

zoals

,

Agrarisch De functie 'Agrarisch' is toegekend aan de agrarische percelen waarvoor binnen een zone van 50 meter van de functie ‘Woongebied’ aan de noordzijde van de Steegstraat de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ is opgenomen. De als 'Agrarisch' aangewezen gronden hebben onder meer de volgende functies: agrarisch bedrijfsmatig gebruik agrarisch hobbymatig gebruik met daaraan ondergeschikt extensief dagrecreatief medegebruik groenvoorzieningen paden- en ontsluitingsvoorzieningen. ,

,

,

,

Agrarisch - Glastuinbouw De functie 'Agrarisch - Glastuinbouw' is toegekend aan de gronden die deel uitmaken van het glastuinbouwbedrijf aan de noordzijde van de Steegstraat. De als 'Agrarisch' aangewezen gronden hebben onder meer de volgende functies: agrarisch bedrijfsmatig gebruik in de vorm van een glastuinbouwbedrijf al dan niet met als nevenactiviteit een grondgebonden bedrijfstak een nietgrondgebonden bedrijfstak en wonen in een bedrijfswoning. ,

,

72

Groen De functie 'Groen' is toegekend aan de groenvoorzieningen binnen het plangebied. De voor ‘Groen’ aangewezen locaties hebben onder meer de volgende functies: groenvoorzieningen parken wegen voet- en rijwielpaden met daaraan ondergeschikt bermen en beplanting calamiteitenontsluitingen speelvoorzieningen hondenuitlaatplaatsen nutsvoorzieningen kunstwerken dagrecreatief medegebruik evenementen waterlopen en waterpartijen waaronder wadi's terrassen standplaatsen boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen en ondergrondse bergbezinkbassins en groene bergingen. De landschappelijke inpassing is binnen deze functie voorzien. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

Woongebied is de functie Aan de woonpercelen openbare wegen en de groenvoorzieningen bij de woningen ‘Woongebied’ toegekend. Binnen deze functie zijn in totaal maximaal 106 woningen toegestaan met de daarbij behorende groenvoorzieningen tuinen erven en terreinen paden wegen ontsluitingsen parkeervoorzieningen en boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. ,

,

,

,

,

,

,

,

Binnen de regels voor de functie ‘Woongebied’ zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van beeldkwaliteitseisen die als voorwaarde aan de ontwikkeling van het plangebied zijn verbonden. Hiertoe is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels en het beeldkwaliteitsplan is als bijlage bij de regels opgenomen. Daarnaast is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Om de uitvoering hiervan te borgen is ook hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Het landschappelijk inpassingsplan is daarnaast als bijlage bij de regels opgenomen. ,

Per deelgebied zijn de toegestane aantallen en typen woningen aangeduid op de verbeelding. In het kader van flexibiliteit zijn daarnaast binnenplanse omgevingsplanactiviteiten opgenomen om binnen de deelgebieden wijzigingen aan te brengen in het aantal of type woningen met bijbehorend beoordelingskader. Uitgangspunt blijft dat het totale aantal woningen nooit meer mag bedragen dan 106. ,

Verder is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in verband met het nog nader uit te werken compensatieplan voor de steenuil. Tevens is het gezamenlijk geluid voor een perceel aan de noordzijde van de Steegstraat in de regels vastgelegd in verband met een overschrijding van de standaardwaarde ter plaatse. Waarde – Archeologie 4 – Archeologie 4'. De betreffende Voor een deel van het plangebied geldt de functie 'Waarde gronden hebben mede tot functie de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen in het bijzonder voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. In de regels zijn onder grenzen opgenomen voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij ingrepen met een oppervlakte van 250 m² in combinatie met een diepteverstoring van meer dan 40 cm. Middels deze re geling zijn de archeologische belangen in voldoende mate geborgd. ,

Waarde – Archeologie 5 – Archeologie 5'. De betreffende Voor een deel van het plangebied geldt de functie 'Waarde gronden hebben mede tot functie de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen in het bijzonder voor gebieden met een hoge ,

73

archeologische verwachtingswaarde en AMK-terreinen met een (hoge) archeologische verwachtingswaarde. In de regels zijn ondergrenzen opgenomen voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek bij ingrepen met een oppervlakte van 2. 500 m² in combinatie met een diepteverstoring van meer dan 40 cm. Middels deze regeling zijn de archeologische belangen in voldoende mate geborgd. milieuzone - spuitvrije zone Voor een gebied van 50 meter rondom het functievlak aan de noordzijde van de Steegstraat met de functie ‘Woongebied’ is voor zover voor deze gronden een agrarische functie hebben de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ opgenomen. Binnen de als zodanig aangeduide gronden is het gebruik van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen in de open lucht die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies niet toegestaan. ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=e570a80f-9645-44b7-bc45-21a02a82b225