2026-079 07 0 Ruimtelijke motivering De Hoek fase II
Tekst van het document
,
,
Conclusie De beoogde ontwikkeling wordt passend geacht binnen de kaders van de Noord-Limburg 2020-2024.
3. 4
Gemeentelijk beleid
3. 4. 1
Omgevingsvisie Peel e n Maas
Regionale Woonvisie
Op 5 juli 2022 is de Omgevingsvisie Peel en Maas vastgesteld. De gemeente Peel en Maas heeft met deze visie geen nieuwe koers vastgesteld maar heeft de al ingezette koers uit de bestaande kaderstellingen en beleidsdocumenten samengevoegd in één document: de omgevingsvisie. Het bestaande beleid heeft in dit geval dus geleid tot de omgevingsvisie Peel en Maas. De omgevingsvisie helpt om te blijven werken aan een aantrekkelijke gemeente zodat er sprake blijft van ‘het goede leven’ in Peel en Maas. ,
,
De bestaande uitgangspunten heeft de gemeente Peel en Maas samengebracht in 6 opgaven van beleid waarvan de eerste 3 overkoepelend zijn: 1. Zo worden we duurzamer. 2. Een gezonde en veilige leefomgeving. 3. Het versterken van natuur en biodiversitei. t 4. Goed wonen voor iedereen. 5. Toekomstgericht ondernemen. 6. Balans in het buitengebied. ,
Hierbij merkt de gemeente nadrukkelijk op dat deze opgaven niet los van elkaar gezien moeten worden maar juist in samenhang. De gemeente Peel en Maas ziet met name de eerste drie als overkoepelende leidende principes. Bij elke ontwikkeling moet bekeken worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaven kan worden geleverd. ,
28
Goed wonen voor iedereen Bij een woningbouwontwikkeling (opgave 4) wil de gemeente dat ook bekeken wordt hoe een bijdrage kan worden geleverd aan duurzaamheid gezonde en veilige leefomgeving en biodiversiteit. Uitwerking per geval is maatwerk. ,
Ambitie De ambitie is vraag naar en aanbod van woningen meer met elkaar in balans ten behoeve van vitale gemeenschappen. Oftewel: de juiste woning op de juiste plek van de juiste kwaliteit. Dat betekent: 1. Samen met de samenleving werken aan een woningbestand dat duurzaam in balans is. 2. Het stimuleren van de beweging van het zorgen voor elkaar. 3. Met behoud van het goede ruimte bieden voor het betere met het oog op de toekomst. 4. Met verduurzamen van woningen en de woonomgeving zorgen voor een klimaatadaptieve en klimaatneutrale leefomgeving. ,
Richtinggevende uitspraken: 1. De planvoorraad afstemmen op de behoefte waarbij de kwaliteit leidend is. 2. Kiezen voor een duurzame ontwikkeling in bouwen en wonen. De wens is om te bouwen rekening houdend met energetische maatregelen en toekomstbestendigheid van woningen. Gestreefd wordt naar een leefomgeving die rekening houdt met het veranderende klimaat en daarnaast bijdraagt aan de gezondheid biodiversiteit en veiligheid van de inwoners van Peel en Maas. 3. Iedere nieuwe woning is levensloopbestendig/anderszins toekomstbestendig. 4. Woningen worden in principe toegevoegd in de dorpen bij voorkeur op herstructureringslocaties 5. De gemeente faciliteert de zoektocht naar passende woonruimte voor de diverse doelgroepen en stimuleert het zorgen voor elkaar. ,
,
,
,
.
Procesafspraken • Het goede gesprek wordt gevoerd met bijvoorbeeld dorpsoverleggen initiatiefnemers en ontwikkelaars over het thema wonen om bewustwording te creëren te stimuleren en inspireren om zo samen tot de goede plannen te komen. • De behoefte aan woningen wordt gemonitord en zo nodig bijgestuurd. ,
,
Identiteit kernM eijel Per kern is er in de omgevingsvisie een korte beschrijving opgenomen om de eigen identiteit van elk dorp te duiden. Samen met de dorpen wil de gemeente Peel en Maas aan de slag om de specifieke waarden per dorp in beeld te brengen. Voor Meijel is de volgende beschrijving opgenomen: “Meijel is het meest westelijk gelegen dorp van Peel en Maas gelegen aan de rand van de Peel. Meijel is een oud Peeldorp gelegen op een oude zandrug te midden van de grote en lange tijd ondoorgaanbare veengebieden van de Peel. Meijel vormde één van de wei nige doorgangen door de Peel en lag aan de weg van ‘s -Hertogenbosch naar Keulen. ,
,
Het is een groene kern met veel voorzieningen en een grote diversiteit aan wonen. Het groene karakter komt tot uiting in een aantal grote groenplekken in de kern en de sterke relatie tussen kern en buitengebied met de Peel als grootste trekpleister. De bosgebieden Simonshoeksebos en Startebos zorgen voor mooie groene randzones en zijn een belangrijk recreatief uitloopgebied voor de kern Meijel. ”
29
Toetsing Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij diverse principes uit de omgevingsvisie zoals het afstemmen van de planvoorraad op de behoefte en het creëren van een leefomgeving die rekening houdt met het veranderende klimaat en daarnaast bijdraagt aan de gezondheid biodiversiteit en veiligheid van de inwoners van de gemeente Peel en Maas in z’n algemeenheid en de kern Meijel in het bijzonder. ,
,
Het aantal en type woningen voldoet aan het beleid. Er wordt een diversiteit aan woningen gerealiseerd. Er is sprake van een groene inrichting binnen en aan de randen van het plangebied waarmee wordt aangesloten bij het groene karakter van Meijel.
,
De inrichting van het plangebied draagt bij aan de gezondheid van de inwoners gelet op het groene karakter en de aan te leggen paden die het maken van ommetjes door de wijk en daarmee beweging stimuleren. De groenvoorzieningen leveren daarnaast een bijdrage aan de biodiversiteit door het toevoegen van bomen struiken en kruidenrijk grasland. Tot slot wordt voorzien in een goed bereikbare en sociaal veilige woonomgeving. ,
,
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met de Omgevingsvisie
3. 4. 2
Peel en Maas.
Kwaliteitskader Buitengebied P eel en Maas Het ‘Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas’ is het instrumentarium om ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met gewenste kwaliteitsverbetering. Het kwaliteitskader is de gemeentelijke uitwerking van het voormalige Limburgs kwaliteitsmenu zoals dit voorheen in het provinciaal beleid was opgenomen. Dit leidt ertoe dat als ontwikkelingen plaatsvinden die niet passen in het omgevingsplan er een tegenprestatie geleverd moet worden. ,
,
,
In het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas wordt een onderscheid gemaakt in 3 soorten kwaliteitsverbeteringen : 1. Basiskwaliteit (B): Is van toepassing bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding daarvan tot de referentiemaat in een agrarisch gebied. Basiskwaliteit (B) wil zeggen dat nieuwe bebouwing en verharding goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en het erf komt. 2. Basiskwaliteit Plus (B+): Is van toepassing bij ontwikkelingen waar sprake is van een uitbreiding boven de referentiemaat. Als basis voor de omvang van de landschappelijk inpassing geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing d at overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak. 3. Aanvullende Kwaliteitsverbetering (AK): Onder andere bij uitbreiding van een solitaire burgerwoning of bedrijfswoning boven 1. 000 m³ is ook Aanvullende Kwaliteitsverbetering (AK) van toepassing. Bij uitbreiding van solitaire woningen en bedrijfswoningen boven 1. 000 m³ gaat het om een fysieke maatregel met een waarde van € 15 - per m³ extra uitbreiding. ,
Toetsing Voor de realisatie van de beoogde woonfunctie geldt op basis van het kwaliteitskader en het gemeentelijke ‘Programma Kostenverhaal en Financiële Bijdragen onder de Omgevingswet gemeente Peel en Maas’ dat sprake is van een uitleggebied voor wonen. In lijn met het kwaliteitskader wordt
30
zowel de oostzijde als de zuidzijde een strook met een breedte van minimaal 50 meter landschappelijk ingepast met groenvoorzieningen waterhuishoudkundige voorzieningen en paden. Daarnaast wordt ook binnen het woongebied zelf voorzien in de nodige groenvoorzieningen. aan
,
Op basis van het ‘Programma Kostenverhaal en Financiële Bijdragen onder de Omgevingswet gemeente Peel en Maas’ geldt dat de initiatiefnemer verder eenb ijdrage van bedrag van 5 euro per m² uitgeefbare grond aan het gemeentelijke kwaliteitsfonds verschuldigd is. Daarnaast is de initiatiefnemer opb asis van het gemeentelijke ‘Programma Kostenverhaal en Financiële Bijdragen onder de Omgevingswet gemeente Peel en Maas’ een bijdrage verschuldigd aan het gemeentelijke ‘Fonds Infrastructurele werken’ enh et ‘Herstructureringsfonds. ’Hierover zijn afspraken vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefneme r. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn is met het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas.
3. 5
Kaderstelling Ruimt e 2035 Op 17 april 2024 heeft de gemeenteraad van Peel en Maas de Kaderstelling Ruimte 2035 vastgesteld. In deze kaderstelling is aangegeven dat Peel en Maas een gemeente is van gemeenschappen. Hier werken inwoners ondernemers en organisaties samen aan een Peel en Maas waarin het goede leven nu en in de toekomst beleefd kan worden. Een Peel en Maas waarin gemeenschappen zelf vorm en inhoud geven aan hun eigen leefwereld. ,
De gemeente is pas effectief wanneer op een respectvolle manier wordt omgegaan met al het waardevolle dat inwoners ondernemers en organisaties met elkaar samen doen. Dit vraagt om een overheid die zich bewust is van wanneer zij wel en wanneer zij niet aan zet is. Een overheid die zich in het denken en doen laat inspireren door drie kernwaarden: diversiteit duurzaamheid en zelfsturing. Het concept van de meervoudige overheid met daarin de rollen van de autoritaire regelgestuurde en communicatieve overheid helpt hierbij. ,
,
,
,
,
Vanuit deze rolopvatting wordt in de gemeente Peel en Maas beleid gemaakt. Dit betekent dat het beleid wordt opgebouwd op basis van de waardevolle inzichten van inwoners ondernemers en organisaties die werken aan een Peel en Maas waarin het goed leven is. Dit beleid wordt dus niet ‘vanachter een bureau’ voor de lokale samenleving ontworpen. ,
De manier waarop men in de gemeente in de wereld staat is vertaald in de manier waarop in Peel en Maas tot kaderstellend beleid wordt gekomen. De kaderstelling kijkt 10 jaar vooruit en geldt – 2034. Zoals gebruikelijk zal deze kaderstelling na 5 jaar worden daarmee voor de periode 2024 herijkt. ,
Gedeelde ambitie Ruimte (2035) Door de veelheid aan opgaven en uitdagingen neemt de vraag naar ruimte nog steeds toe. In deze complexiteit worden toekomstbestendige keuzes gemaakt. Op die wijze worden de grote opgaven op het gebied van natuur recreatie wonen industrie en landbouw aangepakt. Uitgangspunt bij de aanpak van de grote opgaven en bij nieuwe ontwikkelingen is dat deze ook daadwerkelijk bijdragen aan de landschappelijke waarden en kwaliteiten en aan vitale gemeenschappen. Gemeenschappen hebben de ruimte om zelf mee vorm en inhoud te geven aan de fysieke leefomgeving waarin inwoners ondernemers en organisaties gezond wonen werken en ondernemen. ,
,
,
,
,
31
Navolgende zijn de centrale ambities opgenomen van inwoners ondernemers en organisaties die met de gemeente willen werken aan een Peel en Maas waarin het goed leven is. De gemeente onderschrijft deze ambities van harte. ,
Ruimte In Peel en Maas is ruimte voor een energietransitie die passend is bij de kwaliteiten die de gemeente kenmerken. Hier is ruimte voor natuur en biodiversiteit die respectvol beleefd kan worden. Hier is ruimte voor een agrarische sector die zich verder ontwikkelt naar een sector die onderneemt met respect voor de omgeving waar hij onderdeel van uitmaakt. Identiteit van kernen en landschap De woon- en klimaatopgave vragen evenals in de afgelopen jaren aandacht en zorg van de samenleving. De versterking van de identiteit van kernen en de kenmerkende waarden en kwaliteiten van de landschappen blijven hierbij een uitgangspunt. Woningen voor i edereen dragen bij aan de vitaliteit van gemeenschappen en kernen. Woningbouwprojecten dragen bij aan de identiteit van de kernen en een klimaatadaptieve inrichting van de openbare ruimte. ,
,
Toekomstbestendige openbare ruimte De openbare ruimte is toekomstbestendig ingericht. Er is ruimte voor ontmoeting duurzame veranderingen op het gebied van mobiliteit biodiversiteit duurzaamheid en klimaat. Gebruikers hebben invloed op het ontwerp en het beheer van deze ruimte waarbij het niveau van beheer en onderhoud past bij de wijze waarop deze openbare ruimte gebruikt wordt. Zo ontstaat een leef werk- en vrijetijdsomgeving die van en voor iedereen is en waar inwoners actief gebruik van maken en zich mentaal eigenaar van voelen. ,
,
,
,
,
Transitie landelijk gebied De transitie in het landelijk gebied geven ondernemers inwoners en organisaties in samenspraak met elkaar vorm waarbij de landschappelijke waarden een bron van inspiratie vormen. Er is ruimte voor natuurinclusieve landbouw nieuwe verdienmodellen natuur biodiversiteit en de reguliere land- en tuinbouw die zich verder ontwikkelt naar een toekomstbestendige sector die onderneemt met respect voor de omgeving waar hij onderdeel van uitmaakt. Er is ruimte voor ideeën en creativiteit van de inwoners en organisaties die hier wonen werken en ondernemen. ,
,
,
,
,
,
Economie en ecologie in balans Er wordt gestreefd naar een Peel en Maas waarin de ruimte duurzaam beleefd wordt waarin economie en ecologie met elkaar in balans zijn. Ten aanzien van het toekomstbestendig houden van onze ecologie vragen bodem- en waterkwaliteit de komende jaren onze gezamenlijke aandacht en inspanning. ,
Programmadoelen Vitale leefomgeving Ruimte is schaars. De vele opgaven die spelen zoals woningbouw landbouwtransitie bedrijfsontwikkeling natuurontwikkeling energietransitie en klimaatadaptatie vragen om ruimte. Deze opgaven worden in onderlinge samenhang opgepakt waarbij kwaliteit en toekomstbestendigheid leidend zijn. De volgende programmadoelen voor een vitale leefomgeving zijn opgenomen: • Versterking van de ruimtelijke kwaliteit is het uitgangspunt met extra aandacht voor natuurinclusiviteit; • Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn vitale gemeenschappen een belangrijk uitgangspunt ; ,
,
,
,
,
,
,
,
32
• •
• • •
De economische ontwikkeling is ondersteunend aan vitale gemeenschappen in balans met ruimtelijke waarden en stimuleert een gezonde arbeidsmarkt; De fysieke leefomgeving draagt bij aan een gezond leven en is klimaatadaptief en klimaatbestendig ; Peel en Maas is energieneutraal in 2050 ; Gezonde veilige toegankelijke en slimme(re) (collectieve) mobiliteit is beschikbaar in Peel en Maas ; In Peel en Maas zijn per doelgroep voldoende betaalbare duurzame woningen beschikbaar. ,
,
,
Programmadoelen Beheer fysieke leefomgeving De kwaliteit van de openbare ruimte is belangrijk voor het welbevinden kortom voor het goede leven in Peel en Maas. Elk dorp heeft zijn eigen karakter en het buitengebied is divers met landschappelijke kwaliteiten. De gemeente sluit aan op ontwikkelingen in de kernen en op de behoeften van inwoners bedrijven en organisaties. Zo kan een leef- werk- en vrijetijdsomgeving ontstaan die van en voor iedereen is waar iedereen actief gebruik van maakt en zich mentaal eigenaar van voelt. De volgende programmadoelen voor het beheer van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen: • Een kwalitatief goede duurzaam ingerichte en onderhouden openbare ruimte die rekening houdt met de karakteristieke eigenschappen van (de kernen in) Peel en Maas ; • De openbare ruimte is van en voor iedereen is veilig en toegankelijk en nodigt uit om te ontmoeten en te bewegen ; • De openbare ruimte is klimaatbestendig ; Afval is grondstof. • ,
,
,
,
,
,
,
,
Beoordeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de gedeelde ambitie ter behoud van de identiteit van de kernen en een klimaatadaptieve inrichting van de openbare ruimte. Zo is in ruime mate in groen voorzien met inbegrip van ruimte voord e berging van hemelwater in onder meer wadi’s. Van de groenvoorzieningen kan ook actief gebruik worden gemaakt door bestaande en toekomstige bewoners binnen en in de omgeving van het plangebied door onder meer de wandelpaden/struinpaden die worden aangelegd. Naast het feit dat het plan aansluit bij de gedeelde ambities draagt het ook bij aan het behalen van de programmadoelen van de vitale leefomgeving. ,
,
Het voornemen voorziet in de realisatie van 106 woningen aansluitend aan de kern van Meijel. De ontwikkeling omvat onder andere de realisatie van sociale huurwoningen en betaalbare huur- en koopwoningen waardoor nieuwe betaalbare woningen beschikbaar komen op de woningmarkt en invulling wordt gegeven aan een concrete behoefte. Verder wordt met de realisatie van duurzame woningen een bijdrage geleverd aan het streven naar een energieneutraal Peel en Maas in 2050. ,
,
Conclusie Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten 2035.
van
de Kaderstelling Ruimte
33
4
FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MIL IEU
4. 1
Inleidi ng In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zi jn op het onderzochte omgevingsaspect.
4. 2
Gezondh eid Algemeen Conform artikel 1. 3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefom geving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid geur trillingen luchtkwaliteit en bodem. Daarnaast zijn ook aspecten als het gebruik van mogelijk voor de gezondheid schadelijke gewasbeschermingsmiddelen de nabijheid van hoogspanningsverbindingen met bijbehorende straling en geitenhouderijen in verband met verhoogde concentraties fijnstof en/of endotoxinen van belang in verband met de mogelijke gevolgen voor de gezondheid. ,
,
,
,
,
Toetsing Hoogspanningsverbindingen Voor wat betreft hoogspanningsverbindingen geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen de rekenafstand van een hoogspanningsverbinding. Vanuit hoogspanningsverbindingen zijn geen negatieve gezondheidseffecten te verwachten. ,
Geitenhouderijen Vieruitersten 18 in Meijel een Op meer dan 1. 400 meter ten noorden van het plangebied is aan de geitenhouderij aanwezig. Hoewel het plangebied binnen een afstand van 2. 000 m van de geitenhouderij ligt waarbinnen mogelijk sprake is van gezondheidsrisico’s zijn op basis van de kernregistratie dierverblijven ter plaatse maximaal 10 geiten vergund. Gelet op het beperkte aantal geiten worden geen negatieve effecten op de gezondheid verwacht als gevolg van de uitstoot van endotoxinen bij de betreffende geitenhouderij. ,
,
,
Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Derhalve dient afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van akkerbouw. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties
34
drift over het algemeen een afstand van 50 meter als aanvaardbaar geacht. Dit neemt niet weg dat in bepaalde situaties een kortere afstand ook aanvaardbaar kan worden geacht. vanwege
De toelating van gewasbeschermingsmiddelen is Europees geregeld en aan strenge regelgeving onderworpen. Toelating van gewasbeschermingsmiddelen berust op het voorzorgsbeginsel. Volgens het voorzorgsbeginsel mag onzekerheid over negatieve effecten geen excuus zijn om die negatieve effecten voor lief te nemen. Toelating van gewasbeschermingsmiddelen moet de teelt vooruit helpen maar alleen als dat niet schadelijk is voor mens en milieu. Ondanks de strenge toelatingsprocedure kan het risico op gezondheidsschade bij mensen nooit geheel worden uitgesloten. Het is met name van belang om onevenredige risico’s zoveel mogelijk te beperken en om vooraf goed en zorgvuldig onderzoek te doen zoals bij het bepalen van een veilige afstand tussen gevoelige functies en agrarische percelen met open teelten.
,
,
De toepassing van het voorzorgsbeginsel geldt zowel voor de teler die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de (toekomstige) bewoners van woningen in de nabijheid van agrarische percelen waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt. De teler dient voorzichtig en terughoudend te werk te gaan bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen. Dit onder meer door rekening te houden met windsnelheden en windrichting en niet te spuiten als de windsnelheid hoger is dan 5 m/s en de windrichting hoofdzakelijk richting woningen waait en dus de kans op drift richting woningen groter is. In artikel 4. 723e. ‘water en gezondheid: geen gewasbeschermingsmiddelen bij wind’ van het Besluit activiteiten leefomgeving is het volgende opgenomen: ,
1.
Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de windsnelheid meer is dan 5 m/s gemeten op: a. 2 m boven de grond bij neerwaarts bespuiten ; en b. 1 m boven boomhoogte bij op- en zijwaarts bespuiten. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als kan worden aangetoond dat niet anders dan door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s een teeltbedreigende situatie kan worden voorkomen ; of b. op een overkapte beddenspuit. ,
2.
In het voorliggende geval is in de directe omgeving van het plangebied sprake van diverse agrarische percelen waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan. Aan de oostzijde van de Steenkampseweg is sprake van akkers net als aan de zuidzijde van de Jan Thijssensteeg. In het stedenbouwkundig ontwerp is een bufferzone aangehouden van 50 meter tussen deze agrarische gronden en de toekomstige woonpercelen. In deze groene buffer komen niet gevoelige functies zoals waterberging de landschappelijke inpassing en in beperkte mate parkeren. Hiermee wordt voor deze gronden voldaan aan de door de Raad van State als algemeen aanvaardbaar geachte afstand van 50 meter tussen agrarische gronden en woonpercelen. ,
,
,
Verder is aan de noordzijde van de Steegstraat een glastuinbouwbedrijf met inbegrip van containerveld en bedrijfswoning gelegen. Voor een deel van deze gronden geldt dat hieraan de functie ‘Woongebied’ wordt toegekend ter plaatse waarvan vier vrijstaande woningen mogelijk worden gemaakt. Rondom de gronden waaraan de functie ‘Woongebied’ wordt toegekend zijn gronden gelegen waaraan in het van rechtswege van toepassing zijnde bestemmingsplan ,
,
35
‘Buitengebied Peel en Maas’ de bestemmingen ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ en ‘Agrarisch’ zijn toegekend. Voor zover hiervan sprake is is ter plaatse de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’ opgenomen voor de gronden binnen een zone van 50 meter vanaf de grens van de gronden met de functie ‘Woongebied’. ,
Op de gronden met de gebiedsaanduiding ‘milieuzone - spuitvrije zone' is het gebruik van gewasbeschermings- en/of bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen in de open lucht die kunnen leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van hiervoor gevoelige functies uitgesloten. Deels liggen deze gronden over het agrarisch bedrijf aan de Steegstraat 29. Daarnaast is deze aanduiding opgenomen voor een deel van de in particulier eigendom zijnde percelen kadastraal bekend als Meijel sectie F nummers 1425 en 1903 De betreffende eigenaren hebben ingestemd met het opnemen van de betreffende aanduiding. De eigenaren van het perceel kadastraal bekend als Meijel sectie F nummer 2608 hebben aangegeven geen medewerking te willen verlenen aan het opnemen van de aanduiding ‘milieuzone - spuitvrije zone'. Daarom is in de noordwestelijke hoek van de beoogde woo npercelen aan de noordzijde van de Steegstraat de functie ‘Groen’ opgenomen voor de gronden binnen 50 meter afstand van het betreffende perceel. Hiermee is geborgd dat de woonpercelen op minimaal 50 meter afstand liggen van het betreffende perceel. ,
,
,
,
,
.
,
Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat met betrekking het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op nabij gelegen gronden ter hoogte van de beoogde woonpercelen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat. ,
Direct ten zuiden van het perceel aan de Steegstraat 32 ligt het perceel kadastraal bekend als Meijel sectie F nummer 1908 met een omvang van 945 m². Het betreffende perceel heeft een agrarische bestemming en maakt onderdeel uit van de akkerbouwgronden die grotendeels worden getransformeerd tot het woongebied De Hoek fase II. Het gebruik van het betreffende restperceel als akker en daarmee ook het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt met de realisatie van het woongebied De Hoek fase II beëindigd. ,
,
,
,
Aan de zuidoostzijde van het plangebied ligt binnen een zone van 50 meter van de toekomstige woonpercelen het perceel kadastraal bekend als Meijel sectie F nummer 135 7. Dit perceel ligt tussen de woonpercelen aan de Jan Thijssensteeg 7 en 11 Het betreffende perceel is hobbymatig in gebruik als (paarden)weide. Ter plaatse vindt geen gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaats. Vanuit de ligging ten opzichte van dit perceel bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde woonpercelen binnen het plangebied. ,
,
,
.
Tot slot geldt dat bij de overige locaties met een agrarische bestemming binnen de algemeen aanvaarde afstand van 50 meter reeds woningen direct grenzend aan de betreffende percelen aanwezig zijn. Waar nu al een woonbestemming aanwezig is mag worden aangenomen dat bewoners beschermd zijn tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (zie ECLI:NL:RVS:2023:3128). Dit betekent dat de eigenaren van gronden ook in de huidige situatie als gevolg van de aanwezige woonfuncties word en beperkt in een eventuele bedrijfsvoering. Als gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt binnen 50 meter van woonkavels dan dient dit zodanig te gebeuren dat er geen overlast ontstaat bij de woningen en kunnen beperkingen en klachten vanuit de bestaande woningen reeds mogelijk zijn. De beoogde woningen binnen het plangebied leiden op basis van het voorgaande niet tot een substantiële verdere beperking van een mogelijke bedrijfsvoering van grondeigenaren. ,
,
,
,
36
Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de beoogde woonpercelen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in relatie tot het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op nabij gelegen gronden. Overige aspecten De overige genoemde aspecten worden in de volgende paragrafen nader gemotiveerd. Volledigheidshalve wordt hier dan ook verwezen naar de betreffende paragrafen. Uit de nadere motivering blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Er is als gevolg van de ontwikkeling geen sprake van een onevenredige verslechtering van de fysieke leefomgeving. Conclusie Er is vanuit het oogpunt van gezondheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 3
Geluid van wegen
,
spoorwegen en
in dustrieterreinen
Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid ; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. ,
De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. ,
,
De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een
37
geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. Het plangebied ligt niet binnen het geluidaandachtsgebied van spoorwegen of binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt het plangebied binnen het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen. Dit geldt voor zowel de gronden ten zuiden van de Steegstraat als de gronden ten noorden van de Steegstraat. Voor beide delen van het plangebied is daarom een afzonderlijk akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Navolgend wordt per deelgebied kort ingegaan op de conclusies van de onderzoeken. Voo r meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportages. Verder is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd in verband met de realisatie van de 4 woningen aan de noordzijde nabij het agrarisch bedrijf aan de Steegstraat 29. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4. 11 ’activiteiten en milieuzonering’. Toetsing woningen zuidzijde Steegstraat Wegverkeerslawaai Uit het onderzoek 2 voor de woningen aan de zuidzijde van de Steegstraat blijkt dat het geluid vanwege wegverkeer op de gemeentewegen ten hoogste 48 dB bedraagt ter plaatse van de relevante gevels binnen het plandeel aan de zuidkant van de Steegstraat.
Hiermee wordt voor alle woningen aan de zuidzijde van de Steegstraat voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB en wordt het plan vanuit het aspect geluid als gevolg van gemeentewegen inpasbaar geacht. Indirecte akoestische effecten Als gevolg van de toename van de verkeersintensiteit vanwege de beoogde ontwikkeling is sprake van een toename van het geluid vanwege verkeer op bestaande geluidgevoelige gebouwen aan de Steegstraat ten westen van de ontsluiting van het plangebied van maximaal 25 dB. Er wordt niet voldaan aan artikel 5. 78af lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. ,
Op de Steegstraat geldt in de huidige situatie een maximumsnelheid van 60 km/uur ter hoogte van het beoogde plangebied. Ten behoeve van de planontwikkeling wordt de komgrens Meijel inclusief bijbehorend 30 kilometer per uur regime in oostelijke richting verplaatst. Dit zorgt voor een afname van het geluid ter plaatse van de omliggende woningen van ruim meer dan 5 dB en compenseert hiermee ruimschootse de toename van het geluid vanwege de verkeersgeneratie van het plan. ,
,
Voor wat de bestaande woningen aan de Steegstraat binnen de huidige komgrens (waar geen sprake is van een verlaging van de maximumsnelheid) stuit vervanging van de aanwezige klinkerverharding door bijvoorbeeld asfalt vanwege de dorpse uitstraling op bezwaren. Het geluid op deze woningen 3 bedraagt ten hoogste 54 dB en is ruim minder dan de grenswaarde bedoeld in artikel 3. 35 (70 L den voor gemeentewegen). Het Omgevingsplan kan daarom voorzien in de toename van het geluid van meer dan 15 dB. ,
,
Toetsing woningen noordzijde Steegstraat Naast het onderzoek voor de woningen aan de zuidzijde van de Steegstraat is een akoestisch onderzoek 4 uitgevoerd voor de woningen aan de noordzijde van de Steegstraat. Uit de toets in het ,
2 Kragten , Akoestisch
, 2025. onderzoek wegverkeerslawaai De Hoek fase 2 , Meijel , projectnummer PMA12712 september maatstaf voor geluidsbelasting in decibel (dB) , die het gemiddelde geluidsniveau over dag , avond en nacht weergeeft , dit met een hogere weging voor geluid in de avond en nacht. 4 Aelmans , Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting Steegstraat 29 te Meijel , Rapportnummer ROM250450. 004/JME , 6 februari 2026.
3 Lden is een Europese
38
kader van de gevelbelasting blijkt dat op enkele gevels van de meest oostelijk geprojecteerde woning de standaardwaarde wordt overschreden. De grenswaarde wordt niet overschreden. Maatregelen om het geluid te reduceren tot de standaardwaarde stuiten op diverse bezwaren. Omdat het gezamenlijk geluid hoger is dan 53 dB dient er een nader onderzoek te worden uitgevoerd ter bepaling van de geluidwering van de gevel. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform dat nader onderzoek) is een binnenniveau van 33 dB en daarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd. In de regels is het gezamenlijk geluid van 57 dB (L den ) vastgelegd voor de woning waarvoor het gezamenlijk geluid hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage van het uitgevoerd onderzoek. Conclusie Vanuit het aspect geluid als gevolg van wegen spoorwegen en industrieterreinen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,
4. 4
,
Archeologie en cultu urhistorie In bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet is opgenomen wat wordt verstaan onder cultureel erfgoed. Het gaat hierbij om monumenten archeologische monumenten stads- en dorpsgezichten cultuurlandschappen en voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1. 1 van de Erfgoedwet. ,
,
,
,
,
De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren .
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1. 2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van d e fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5. 129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. ,
4. 4. 1
Archeolo gie Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. Navolgend is de archeologische beleidskaart van de gemeente Peel en Maas weergegeven. Het plangebied ligt volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Peel en Maas (2015) grotendeels binnen een gebied met een hoge archeologische verwachting (Waarde - Archeologie 4). Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 40 cm. Voor een beperkt deel aan de noordoostzijde van het plangebied geldt een middelhoge
39
archeologische verwachting (Waarde - Archeologie 5). Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2. 500 m² en dieper dan 40 cm. Voor de reeds gerealiseerde aangrenzende woningbouwontwikkeling De Hoek fase I is het bestemmingsplan ‘Meijel-Oost’ vastgesteld. Ten behoeve van dit plan is een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. Met dit onderzoek is een beperkt deel van het huidige plangebied meegenomen en vrijgegeven van archeologische verwachtingswaarden. Hoewel in het bestemmingsplan ‘Meijel-Oost’ voor de gronden binnen het plangebied geen dubbelbestemming meer is opgenomen geldt op b asis van de archeologische beleidskaart in combinatie met de omvang van de ontwikkeling dat nader onderzoek noodzakelijk is voor de delen die destijds niet zijn onderzocht. In overleg met het bevoegd gezag is ervoor gekozen om voor het nog te onderzoeken gebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Hiertoe is een archeologische Programma van Eisen 5 opgesteld en ook goedgekeurd door het bevoegd gezag de gemeente Peel en Maas. Het proefsleuvenonderzoek wordt afgestemd op het onderzoek in het kader van de ontplofbare oorlogsresten. ,
,
,
Uitsnede archeologische beleidskaart van de gemeente Peel en Maas beoogde woongebieden blauw omlijnd weergegeven.
5 Kragten , Programma van Eisen proefsleuvenonderzoek
PMA127
,
Meijel
– De
,
met de ligging van
de
Hoek fase II gemeente Peel en Maas , projectnummer
22 december 2025.
40
Het benodigde onderzoek wordt uitgevoerd vooruitlopend op de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen. Zolang de gronden nog niet nader zijn onderzocht en kunnen worden vrijgegeven worden voor de nog niet vrijgegeven gronden overeenkomstig de archeologische beleidskaart de dubbelfuncties ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’ opgenomen voor de nog niet vrijgegeven gronden. Hiermee zijn mogelijk aanwezige archeologische waarden in voldoende mate beschermd. Er kunnen geen mogelijk aanwezige waarden worden aangetast zonder omgevingsvergunning. Voor wat betreft het aspect archeologie is niet te verwachten dat het voorliggende TAM-omgevingsplan evident onuitvoerbaar is. ,
,
,
Conclusie Vanuit het aspect archeologie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 4. 2
Cultuurhis torie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg is binnen het plangebied en de directe omgeving geen sprake van cultuurhistorisch waardevolle objecten waarop met de beoogde woningbouw een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend. ,
Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 5
Bode m Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. ,
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem door in onderlinge samenhang: • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen ; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem ; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. ,
,
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw.
41
Toetsing Ten behoeve van het deel van het plangebied ten zuiden van de Steegstraat is een vooronderzoek bodem 6 conform NEN 5725 uitgevoerd. Ten behoeve van de gronden ten noorden van de Steegstraat is een verkennend bodemonderzoek 7 conform NEN 5740 uitgevoerd. Onderstaand zijn de voornaamste conclusies opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportages.
Zuidzijde Steegstraat Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als “verdacht” beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. In het kader van de beoogde ontwikkeling wordt geadviseerd om een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uit te voeren conform de strategie VED -HE_NL waarbij de grond verdacht is op het voorkomen van zware metalen. ,
,
Voor de verdachte deellocaties (de twee voormalige opstallen voorzien van asbesthoudend dak met druipzone’s) kan de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem niet worden uitgesloten (verdacht). Om de aanwezigheid van asbest in de bodem (bovengrond) te onderzoeken wordt geadviseerd om ter plaatse van deze twee voormalige opstallen een verkennend onderzoek asbest in bodem conform de NEN 5707 / 5897 uit te voeren. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem op de rest van het onderzoeksgebied wordt niet verwacht (onverdacht). ,
,
Daarnaast is er binnen het plangebied in de garage behorende bij de woning aan de Steegstraat 30 een bovengrondse dieselolietank (3. 500 liter) aanwezig geweest. De grond ter plaatse van deze tanklocatie is nooit analytisch onderzocht. Geadviseerd wordt om hier tijdens een verkennend bodemonderzoek de strategie ‘VEP_NL’ aan te houden waarbij de bovengrond verdacht is op het voorkomen van minerale olie. ,
,
Indien er werkzaamheden plaatsvinden waarbij grond vrijkomt kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met de bodemvoorschriften voor milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving en het omgevingsplan m(et bodemkwaliteitskaart) van toepassing. ,
,
Noordzijde Steegstraat Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: • Tijdens de werkzaamheden zijn er op het maaiveld en in de uitgekomen grond geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Opgemerkt wordt dat onder de stelconplaten een verharding met puin aanwezig kan zijn. Dit wordt in te toekomst door de initiatiefnemer beoordeeld bij het verwijderen van deze platen. Gelet op het moment van aanleg (vermoedelijk 2005-2006) kan een eventuele puinlaag als onverdacht voor asbest worden beschouwd. Mede doordat op de locatie geen eerdere bebouwing heeft gestaan wordt de locatie als onverdacht op asbest beschouwd. • De bovengrond is zeer licht verontreinigd met cadmium. Dit betreft een regionaal verhoogde achtergrondwaarde. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Op basis van
6 Aeres Milieu , Vooronderzoek NEN 5725 De
AM25049
,
Hoek fase 2 , Steegstraat te Meijel Gemeente Peel en Maas
,
projectnummer
4 maart 2025.
7 Aelmans , Verkennend bodemonderzoek Steegstraat 29 te Meijel ,
rapportnummer AMA250248. 006/WGE
,
2 januari
2026.
42
deze resultaten voldoet de gehele boven- en ondergrond indicatief aan de kwaliteitsklasse
Landbouw/natuur. •
Het grondwater is niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht.
Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is er geen noodzaak om een nader onderzoek uit te voeren. Naar aanleiding van de visuele en analytische bevindingen zijn er geen belemmeringen voor de beoogde werkzaamheden. Dit ligt echter ter beoordeling bij het bevoegd gezag. Wanneer meer dan 25 m³ grondverzet gaat plaatsvinden ook al is de grond niet sterk verontreinigd dan dient een graafmelding verricht te worden in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). ,
,
Eventueel vrijkomende grond mag op de locatie worden hergebruikt. Indien grond van de locatie afgevoerd dient te worden is het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing: • Op basis van het onderzoeksrapport is de grond binnen het gebied van dezelfde bodemkwaliteitskaart herbruikbaar als de ontvangende bodem dezelfde kwaliteit heeft ; • Vrijkomende grond die elders wordt hergebruikt dient voorafgaand aan de toepassing als een partij te worden gekeurd conform het BRL SIKB 1000 protocol 1001 ; • Voor de afvoer van de grond naar elders zijn mogelijk aanvullende onderzoeken noodzakelijk zoals bijvoorbeeld naar het voorkomen van PFAS-componenten ; • Afvoer van de vrijkomende grond naar een erkende grondbank of verwerker is op basis van dit rapport eveneens mogelijk. ,
,
,
,
Conclusie Op basis van de resultaten van het onderzoek voor de gronden ten noorden van de Steegstraat is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek bodem voor de gronden ten zuiden van de Steegstraat is geconcludeerd dat nader onderzoek nodig is. Dit onderzoek wordt uitgevoerd na afronding van het onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten (zie paragraaf 4. 13). Voorafgaand aan de realisatie van de ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Vanuit het vooronderzoek is niet te verwachten dat door het aspect bodem het voorliggende TAM-omgevingsplan evident onuitvoerbaar is. Op basis van dit uitgangspunt is vanuit het aspect bodem voorafgaand aan de realisatie sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4. 6
Natu ur
4. 6. 1
Algeme en Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden regels voor de soortenbescherming van te beschermen plant- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. ,
Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). ,
43
Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000 -gebieden aan. Op grond van artikel 2. 43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten mogelijkerwijs significante effecten optreden dienen deze bij de voorbereiding van een omgevings plan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden ; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard ; en 3.
De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000 -netwerk bewaard blijft. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
In afdeling 8. 6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000 activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
-
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel - en Habitatrichtlijn vallen als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving maar ook van fysieke maatregelen die bescherming vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2. 18 lid 1 sub f O mgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn ; en • welke soorten dat zijn. ,
,
,
,
,
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. In het kader van de beoogde ontwikkeling en voornoemde wet- en regelgeving is voor de gronden ten zuiden van de Steegstraat een verkennend natuuronderzoek 8 uitgevoerd en zijn vervolgens onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels in de bomen langs de randen van het plangebied de mogelijke aanwezigheid van (leefgebied van) de das 9 en de mogelijke aanwezigheid van steenuilen 10 In de navolgende subparagrafen worden de conclusies samengevat weergegeven. Voor meer informatie wordt ,
,
.
8 Kragten , Woningbouw Steegstraat Meijel , verkennend natuuronderzoek , projectnummer PMA127 , 5 december 2024. 9 Kragten , Ecologisch vervolgonderzoek De Hoek fase II Meijel , projectnummer PMA127 , 12 mei 2025. 10 Kragten , Nader soortenonderzoek steenuil fase 2 , woonlocaties De Hoek fase 2 Meijel , projectnummer PMA127 , 4 mei
2026.
44
de volledige rapportages. Voor de gronden ten noorden van de Steegstraat geldt dat de woningen zijn voorzien ter plaatse van een bestaand containerveld. Deze locatie is volledig onbebouwd en voorzien van betontegels en worteldoek waardoor de aanwezigheid van beschermde soorten ter plaatse op voorhand is uit te sluiten. verwezen naar
,
4. 6. 2
Toetsing algemene en specifieke zorgp lichtbepalingen Vanuit de zorgplichtbepalingen in de Omgevingswet die met name bedoeld zijn als instrument om de in het wild levende planten en dieren (en habitat) in een gunstige staat van instandhouding te houden moet gekeken worden naar mogelijke nadelige gevolgen op de staat van instandhouding op deze soorten en habitat. ,
,
Nadelige gevolgen moeten zoveel mogelijk voorkomen beperkt of ongedaan gemaakt worden (art. 11.27 1e lid Bal). In het tweede lid onder a staat aangegeven dat deze plicht in ieder geval inhoudt dat moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwe zigheid van een aantal type soorten die kwetsbaar of bedreigd zijn. Deze soorten betreffen in Nederland van nature voorkomende Vogelrichtlijnsoorten (bijlage I Vrl en niet in die bijlage genoemde geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 2e lid Vrl) Habitatrichtlijnsoorten (bijlage II IV en V Hrl) nationaal beschermde soorten (bijlage IX Bal) dieren of planten die staan opgenomen op de Rode Lijsten en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijk habitat. ,
,
,
,
,
,
,
,
De zorgplicht geldt altijd voor alle in het wild levende soorten ongeacht een eventueel van toepassing zijnde vrijstelling gedragscode of vergunning. Er dient bij het uitvoeren van de werkzaamheden redelijkerwijs voorkomen te worden dat er zodoende schadelijke handelingen plaatsvinden op soorten (en relevante leefgebieden of natuurlijk habitat) die niet beschermd zijn onder de Omgevingswet. De wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven dient door een ecoloog in afstemming met de opdrachtgever nader bepaald te worden. Daar waar de zorgplicht van toepassing is op beschermde soorten wordt dit nader toegelicht in paragraaf 4. 6. 3. ,
,
,
4. 6. 3
Soortenbesche rming Er zijn alleen mogelijk negatieve gevolgen te verwachten voor vogels van de categorie omgevingsscansoorten algemene broedvogels vleermuizen en algemeen voorkomende zoogdieren. Op de overige soortgroepen wordt geen negatief effect op beschermde soorten (of functies) verwacht. ,
,
Vogels Nader onderzoek in bladerloze seizoen en rekening houden met het broedseizoen De aanlegwerkzaamheden hebben mogelijk een verstorend effect op broedvogels die in bomen en houtsingels langs het onderzoeksgebied nestelen. Het kunnen soorten met een jaarrond beschermd nest als de havik en omgevingsscansoorten zijn zoals de buizerd. Daarom dient in het bladerloze seizoen nagegaan te worden of er in de grote bomen langs de zuid - en oostgrens grote nesten aanwezig zijn. Verder kunnen algemene broedvogels aanwezig zijn. Daarbij is sprake van strijdigheid met de Ow (art. 11.37 lid 1 onder d Bal). In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield of verstoord ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen. Hiervoor is geen omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat broedende vogels verstoord worden bij de werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied. Werkzaamheden met een grote geluidsimpact dienen derhalve plaats te vinden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. ,
,
,
,
,
45
Indien het niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of er nesten aanwezig zijn in de buurt van de werkzaamheden. In dat geval bepaalt de ecoloog welke werkzaamheden wel en niet kunnen worden uitgevoerd en in het laatste geval moeten deze worden uitgesteld tot buiten de kwetsbare periode. ,
Voor het nader onderzoek wordt verwezen naar paragraaf 4. 6. 4. Vleermuizen Rekening houden met verstoring door licht In de aanlegfase – indien er in het zomerhalfjaar in de avond wordt gewerkt – en bij de nadere uitwerking moet er op worden gelet dat geen lichtverstoring plaatsvindt op foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen langs de zuid- en oostgrens. Bij het lichtplan voor de aan te leggen woonwijk moet hier rekening mee worden gehouden. Das Nader onderzoek naar voorkomen van burchten in omgeving Omdat nog niet goed te bepalen is of er wel of geen essentieel leefgebied van de das verloren gaat door de ingreep is nader onderzoek nodig naar het voorkomen van dassenburchten in de nabije om met name kleine bosjes omgeving met name een zone van ongeveer 500 m. Het gaat hierbij langs de Heldensedijk ten noorden van het onderzoeksgebied en idem langs de Steenkampseweg naar het zuiden. Mogelijk kunnen ook lokale natuurwerkgroepen informatie verschaffen. ,
,
Voor het nader onderzoek wordt verwezen naar paragraaf 4. 6. 4. Algemeen voorkomende zoogdiersoorten Rekening houden met zorgplicht Bij het bouwrijp maken van thans in gebruik zijnde landbouwgronden kunnen algemeen voorkomende zoogdieren van de Vrijstellingslijst worden verwond of gedood het gaat met name om muizensoorten als de veldmuis of de rosse woelmuis. Bij het verwijderen van de toplaag dient de zorgplicht in acht te worden genomen door werkzaamheden zodanig uit te voeren dat dieren de gelegenheid hebben te ,
,
ontsnappen.
Rodelijstsoorten Nadere beoordeling Bij de verdere stedenbouwkundige uitwerking moet in samenspraak met de ecoloog naast de mogelijke gevolgen van verstoring van licht voor vleermuizen ook gelet worden op mogelijke gevolgen voor soorten van de Rode Lijst waaronder de korenbloem. ,
,
,
,
4. 6. 4
Aanvullend soortgericht onderzoek Naar aanleiding van de bevindingen van het verkennend natuuronderzoek is een ecologisch vervolgonderzoek 11 uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels in de bomen langs de randen van het plangebied en de mogelijke aanwezigheid van (leefgebied van) de das. Onderstaand worden de conclusies samengevat weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige rapport. Er is in of net op de grens van het plangebied in het zuidoosten een groot nest aanwezig deze behoort niet toe aan een soort met een jaarrond beschermd nest. Het nest is in het broedseizoen van 2025 in gebruik bij de zwarte kraai. ,
11 Kragten , Ecologisch
,
vervolgonderzoek De Hoek fase II Meijel , projectnummer PMA127
,
,
12 mei 2025.
46
Er zijn ten tijde van het onderzoek geen actieve dassenburchten aanwezig binnen het onderzoeksgebied (500m-zone) zodat het plangebied geen deel uitmaakt van essentieel leefgebied van de das. ,
Op basis van deze conclusies zijn er geen vervolgstappen nodig in het kader van de Omgevingswet en er is geen omgevingsvergunning nodig voor een flora- en fauna-activiteit. Verder is in het voorjaar van 2026 nog een nader onderzoek 12 naar de mogelijke aanwezigheid van de steenuil uitgevoerd en is tevens een analyse 13 uitgevoerd van de compensatiemaatregelen voor fase 1. Navolgend wordt kort ingegaan op de resultaten hiervan. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportages. Met het steenuil onderzoek zijn drie verschillende territoria vastgesteld rondom het plangebied. Dat geeft aan dat er een grote dichtheid aan steenuilen voorkomt rondom het plangebied waarbij ook steenuilen voorkomen in minder geschikte gebieden. Twee nestplaatsen zijn aangetroffen buiten de invloedssfeer van de ontwikkeling en één nestplaats is aanwezig binnen de verstoringsafstand (25 meter) van de woningbouwontwikkeling. Ter hoogte van de Steegstraat 29 dient rekening te worden gehouden met het voorkomen van verstoring van de vaste rust- en verblijfplaats. Hierdoor dienen de werkzaamheden rondom Steegstraat 29 buiten het broedseizoen van de steenuil (februari t/m juli) worden uitgevoerd. ,
Het plangebied van De Hoek fase 2 aan de zuidkant van de Steegstraat valt voor een deel binnen het functioneel leefgebied van alle aangetroffen steenuil territoria. Vanwege het grote aantal steenuilenterritoria in de omgeving van het plangebied is het totale oppervlakte leefgebied dat verdwijnt essentieel te noemen. Steenuilen foerageren maar tot enkele honderd meters rondom de nestplaats en in het broedseizoen foerageren ze dichterbij. Mede gezien de seizoens- en voedselfluctuaties is een variatie aan voedselaanbod binnen het functioneel leefgebied cruciaal om een steenuil territorium in stand te houden. Door geringe ingrepen binnen het functioneel leefgebied kan een steenuil zijn territorium mogelijk niet in stand houden en hierdoor mogelijk zijn territourim verlaten. Om het functioneel leefgebied van de verschillende steenuil territoria in stand te houden dient een compensatieplan te worden opgesteld. Één van de onderdelen van dit compensatieplan is het uitvoeren van een biotoopanalyse van het huidige leefgebied van de verschillende territoria. Uit dit onderzoek wordt inzichtelijk welke biotoop verbeterende maatregelen moet worden toegepast. Ook dienen de voorgestelde maatregelen uit fase 1 in dit compensatieplan te worden meegenomen.
Uit de analyse van het projectplan steenuil en de landschappelijke compensatie en inpassing voor fase 1 is namelijk geconcludeerd dat de genoemde compensatiemaatregelen m. b. t. de steenuil in het projectplan voor fase 1 niet allemaal zijn doorvertaald in de landschappelijke compensatie en inpassing en uiteindelijk niet volledig zijn gerealiseerd. Ook heeft er onvoldoende monitoring plaatsgevonden. De voorgestelde biotoop verbeterende maatregelen uit dit projectplan dienen te worden doorvertaald in de invulling van het ontwerp van fase 2. Ook dient rondom de aanleg van fase 2 een monitoring plaats te vinden en dient ervoor zorggedragen te worden dat de biotoop verbeterende maatregelen worden uitgevoerd. Deze maatregelen dienen in combinatie met de maatregelen voor fase 2 worden opgenomen in een compensatieplan voor de steenuil.