2026-078 03 Ruimtelijke motivering TAM-IMRO Omgevingsplan Gebiedsontwikkeling Grashoek
Tekst van het document
Goed wonen voor iedereen Bij een woningbouwontwikkeling (opgave 4) wil de gemeente dat ook bekeken wordt hoe een bijdrage kan worden geleverd aan duurzaamheid, gezonde en veilige leefomgeving en biodiversiteit. Uitwerking per geval is maatwerk. Ambitie De ambitie is vraag naar en aanbod van woningen meer met elkaar in balans ten behoeve van vitale gemeenschappen. Oftewel: de juiste woning op de juiste plek van de juiste kwaliteit. Dat betekent: 1. Samen met de samenleving werken aan een woningbestand dat duurzaam in balans is.
36
2. 3. 4.
Het stimuleren van de beweging van het zorgen voor elkaar. Met behoud van het goede, ruimte bieden voor het betere met het oog op de toekomst. Met verduurzamen van woningen en de woonomgeving zorgen voor een klimaatadaptieve en klimaatneutrale leefomgeving.
Richtinggevende uitspraken 1. De planvoorraad afstemmen op de behoefte, waarbij de kwaliteit leidend is. 2. Kiezen voor een duurzame ontwikkeling in bouwen en wonen. De wens is om te bouwen, rekening houdend met energetische maatregelen en toekomstbestendigheid van woningen. Gestreefd wordt naar een leefomgeving die rekening houdt met het veranderende klimaat en daarnaast bijdraagt aan de gezondheid, biodiversiteit en veiligheid van de inwoners van Peel en Maas. 3. Iedere nieuwe woning is levensloopbestendig/anderszins toekomstbestendig. 4. Woningen worden in principe toegevoegd in de dorpen, bij voorkeur op herstructureringslocaties. 5. De gemeente faciliteert de zoektocht naar passende woonruimte voor de diverse doelgroepen en stimuleert het zorgen voor elkaar. Procesafspraken • Het goede gesprek wordt gevoerd met bijvoorbeeld dorpsoverleggen, initiatiefnemers en ontwikkelaars over het thema wonen om bewustwording te creëren, te stimuleren en inspireren om zo samen tot de goede plannen te komen. • De behoefte aan woningen wordt gemonitord en zo nodig bijgestuurd. Identiteit kernGrashoek Per kern is er in de omgevingsvisie een korte beschrijving opgenomen om de eigen identiteit van elk dorp te duiden. Samen met de dorpen wil de gemeente Peel en Maas aan de slag om de specifieke waarden per dorp in beeld te brengen.
Voor Grashoek is de volgende beschrijving opgenomen: “Het ontginningsdorp Grashoek bestaat ruim honderd jaar. Grashoek is een typisch ontginningsdorp met de gekruiste lintbebouwingen Roomweg, Helenaveenseweg en Pastoor Vullinghsstraat en het omliggende weidse landschap. Markante bomen markeren dit belangrijke kruispunt en tevens centrum van Grashoek. De herkenbaarheid van Grashoek wordt dan ook bepaald door deze lintst ructuur, het dorpshart, waar steeds meer voorzieningen gebundeld liggen en de relaties met het landschap.” Gebiedskwaliteiten Beekdalen • De beken zijn belangrijk voor de ruimtelijke structuur van het gebied, maar door ontginning, ontwatering en egalisering zijn de beken echter niet altijd even herkenbaar meer in het landschap aanwezig. • Laag in het beekdal ligt grasland en hogerop liggen akkers en bosschages. • Hoofdzakelijk kleinschalige verkaveling, loodrecht op de beken. • Sprengbeken gevoed door kwel (Springbeek, Bosbeek) en beken met zurig water (Peelplateau) met kenmerkende flora. • Eerste nederzettingen op de randen van de beekdalen.
37
Te versterken waarden Beekdalen • Stimuleer (extensieve) grondgebonden landbouw als mede-drager van het aanwezige landschap. • Versterk de openheid en verminder de hoeveelheid bebouwing in het beekdal (maak versteende gebieden open door sanering van glas). • Versterk waar mogelijk de natuurlijke dynamiek (hoge en lage waterstanden, meandering, natuurvriendelijke oevers) in het beekdal. • Maak de randen van het beekdal herkenbaar met beplanting en maak de beek (weer) zichtbaar. • Draag bij aan ontbrekende schakels in het wandel - en fietsnetwerk door de rivier- en beekdalen en maak het landschap beleefbaar. Toetsing Door de sloop van de oude schuren en de stedenbouwkundige opzet van het plan ontstaan er kansen voor het gebied. Door het verbreden van de ecologische beekzone en het toevoegen van ontbrekende schakels in het wandel- en fietsnetwerk door het beekdal kan het landschap weer beleefbaar worden en een gezonde leefomgeving gecreëerd worden . Hiermee wordt tevens een bijdrage geleverd aan het versterken van de waarden van het gebied. Daarnaast wordt in de beekzone en zone tussen het woongebied en bedrijf een nieuwe natuurlijke habitat voor diverse plant- en diersoorten aangelegd die samen met de waterberging zorgen voor een duurzaam leefklimaat waarin de natuur en biodiversiteit versterkt worden.
Naast de genoemde uitgangspunten is ook het Toekomstgericht Ondernemen bij vernieuwing/uitbreiding van bedrijven erg belangrijk. Bij Verhaegh Bouwbedrijf geloven zij dat toekomstgericht ondernemen de sleutel is tot duurzaam succes in de bouwsector. De wereld om ons heen verandert snel – door technologische innovaties, strengere milieueisen en veranderende maatschappelijke verwachtingen. Om in deze dynamiek wendbaar te blijven, bouwen zij niet alleen aan sterke constructies, maar ook aan een veerkrachtige organisatie die waarde creëert voor mens, dier, milieu én hun klanten. 1. Wendbaarheid en innovatie Het bedrijf investeertin moderne bouwmethoden en digitale tools, zoals BIM en circulaire ontwerpprincipes, die hen in staat stelt om efficiënt, flexibel en foutloos te werken. Door voortdurend te leren en te verbeteren, kunnenzij snel inspelen op nieuwe ontwikkelingen, veranderende klantwensen en strengere duurzaamheidsnormen. 2. Duurzaamheid en milieubewust bouwen Het bedrijf zet zich in voor het minimaliseren van onze ecologische voetafdruk. Dit doen zij door het gebruik van duurzame materialen, het reduceren van bouwafval, het beperken van CO ₂-uitstoot en het hergebruiken van grondstoffen waar mogelijk. Zo dragen zij bij aan een circulaire bouweconomie waarin grondstoffen hun waarde behouden. 3.
Aandacht voor mens en dier Een toekomstbestendig bouwbedrijf houdt rekening met zijn omgeving. Dat betekent veilige en gezonde werkomstandigheden voor de medewerkers, samenwerking met lokale partners en zorgvuldige omgang met natuur en biodiversiteit. Bij projecten houden zij rekening met flora en fauna, en zoeken zij naar oplossingen die de leefomgeving versterken in plaats van aantasten. 4. Balans tussen winst en waarde Winst is voor het bedrijf geen doel op zich, maar een middel om te blijven investeren in innovatie, kwaliteit en maatschappelijke meerwaarde. Zij streven naar gezonde groei op een manier die economisch rendabel is én bijdraagt aan een leefbare toekomst voor volgende generaties.
38
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met de Omgevingsvisie Peel en Maas .
3.4.2
Programma Ruimtelijke Kwaliteit Peel en Maas Het ‘Programma Ruimtelijke KwaliteitPeel en Maas’ is het instrumentarium om ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met gewenste kwaliteitsverbetering.In de kaderstelling ruimte is tot doel gesteld dat versterking van de ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt is. Een ruimtelijke ontwikkeling draagt zoveel mogelijk bij aan de waarden en kwaliteiten van het gebied. Het Programma ruimtelijke kwaliteit is ontwikkeld om vorm en inhoud te geven aan de ruimtelijke kwaliteit in Peel en Maas. Dit leidt ertoe dat, als ontwikkelingen plaatsvinden die niet passen in het omgevingsplan , er een tegenprestatie geleverd moet worden. In het Programma Ruimtelijke Kwaliteit Peel en Maas wordt een onderscheid gemaakt in 3 soorten kwaliteitsverbeteringen: 1. Basiskwaliteit (B): Is van toepassing bij iedere ontwikkeling en functiewijziging binnen het bestaande bouwvlak, al dan niet met een uitbreiding van het bouwvlak of activiteitenvlak. De omvang van de landschappelijke inpassing bedraagt 10% van de oppervlakte van de nieuwe beb ouwing en verharding, dan wel van de uitbreiding van het bouw - of bestemmingsvlak, of de betreffende oppervlakte bij functiewijziging. 2.
Basiskwaliteit plus (B+): Is van toepassing bij ontwikkelingen in waardevolle landschappen (zoals rivier- en beekdal, bos - en mozaïeklandschap en bolle akker) en bij uitbreidingen of functiewijzigingen die de vastgelegde referentiemaat overstijgen. Voor de ze gevallen geldt dat nieuwe bebouwing en verharding landschappelijk ingepast moet worden met een oppervlakte van 15% van de nieuwe bebouwing en verharding, of van het (uit te breiden) bouw- of bestemmingsvlak. 3. Basiskwaliteit plus-plus (B++): Is van toepassing bij ontwikkelingen die zowel in een waardevol gebiedstype liggen als de referentiemaat overstijgen. In deze gevallen geldt dat nieuwe bebouwing en verharding landschappelijk ingepast moet worden met een oppervlakte van 20% van de nieuwe bebouwing en verharding, of van het (uit te breiden) bouw- of bestemmingsvlak. Toetsing Het plangebied is gelegen op de rand van het gebiedstype Beekdal. Voor de realisatie van de woningen (woonbouwlocatie en losse woningen aan Roomweg en Helenaveenseweg) en de beoogde uitbreiding van het bouwbedrijf aan de Roomweg 83 geldt op basis van het Programma ruimtelijke kwaliteitde categorie Basiskwaliteit plus (B+). Voor deze gevallen geldt dat nieuwe bebouwing en verharding landschappelijk ingepast moet worden met een oppervlakte van 1 5 % van de nieuwe bebouwing en verharding, of van het (uit te bre iden) bouw- of functievlak.
In bijlage 2 en 3 zijn de landschappelijke compensatieplannen opgenomen voor de benodigde compensatie van het bedrijf (1.889 m 2 ) en het woongebied (2.705 m 2 ). Voor de bedrijfslocatie wordt 10.846 m 2 bedrijfsgronden gecompenseerd met 2.548 m 2 groen: • bestaande bomen, 25 m 2 , • nieuwe bomen, 751 m 2 • nieuwbosplantsoen, 1.797 m 2
39
Voor het woongebied wordt 18.030 m 2 woongebied gecompenseerd met 2.722 m2 groen: • bestaande bomen, 50 m 2 • nieuwe bomen, 979 m2 • S1 -nieuw bosplantsoen.1.328 m2 • S2 -nieuw bosplantsoen 275 m 2 • Nieuwe hoge haag.90 m 2 Met bovenstaande compensatiemaatregelen wordt ruimschoots voldaan aan de benodigde compensatie. Conclusie De compensatie van de beoogde ontwikkeling is in lijn is met het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas.
3.5
Kaderstelling Ruimte Op 17 april 2024 heeft de gemeenteraad van Peel en Maas de Kaderstelling Ruimte vastgesteld. In deze kaderstelling is aangegeven dat Peel en Maas een gemeente is van gemeenschappen. Hier werken inwoners, ondernemers en organisaties samen aan een Peel en Maas waarin het goede leven nu en in de toekomst beleefd kan worden. Een Peel en Maas waarin gemeenschappen zelf vorm en inhoud geven aan hun eigen leefwereld. De gemeente is pas effectief wanneer op een respectvolle manier wordt omgegaan met al het waardevolle dat inwoners, ondernemers en organisaties met elkaar samen doen. Dit vraagt om een overheid die zich bewust is van wanneer zij wel en wanneer zij niet aan zet is. Een overheid die zich in het denken en doen laat inspireren door drie kernwaarden: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing. Het concept van de meervoudige overheid, met daarin de rollen van de autoritaire, regelgestuurde en communicatieve overheid, helpt hierbij. Vanuit deze rolopvatting wordt in de gemeente Peel en Maas beleid gemaakt. Dit betekent dat het beleid wordt opgebouwd op basis van de waardevolle inzichten van inwoners, ondernemers en organisaties die werken aan een Peel en Maas waarin het goed leven is. Dit beleid wordt dus niet ‘vanachter een bureau’ voor de lokale samenleving ontworpen.
De manier waarop men in de gemeente in de wereld staat, is vertaald in de manier waarop in Peel en Maas tot kaderstellend beleid wordt gekomen. De kaderstelling kijkt 10 jaar vooruit en geldt daarmee voor de periode 2024 – 2034. Zoals gebruikelijk zal deze kaderstelling na 5 jaar worden herijkt. Het thema wonen is inmiddels, vanwege de urgentie op de woningmarkt, eerder herijkt in de Kadernota 2026. Daarbij is met name Programmadoel 7 aangescherpt: per doelgroep moeten voldoende betaalbare en duurzame wonin gen beschikbaar zijn. De herijking benadrukt de noodzaak van betaalbare woningbouw, doelgroepenbenadering en toekomstbestendige, duurzame woningen. Gedeelde ambitie Ruimte (2035) Door de veelheid aan opgaven en uitdagingen neemt de vraag naar ruimte nog steeds toe. In deze complexiteit worden toekomstbestendige keuzes gemaakt. Op die wijze worden de grote opgaven op het gebied van natuur, recreatie, wonen, industrie en landbouw aan gepakt.
40
Uitgangspunt bij de aanpak van de grote opgaven en bij nieuwe ontwikkelingen is dat deze ook daadwerkelijk bijdragen aan de landschappelijke waarden en kwaliteiten en aan vitale gemeenschappen. Gemeenschappen hebben de ruimte om zelf mee vorm en inhoud te geven aan de fysieke leefomgeving waarin inwoners, ondernemers en organisaties gezond wonen, werken en ondernemen. Navolgende zijn de centrale ambities opgenomen van inwoners, ondernemers en organisaties die met de gemeente willen werken aan een Peel en Maas waarin het goed leven is. De gemeente onderschrijft deze ambities van harte. Ruimte In Peel en Maas is ruimte voor een energietransitie die passend is bij de kwaliteiten die de gemeente kenmerken. Hier is ruimte voor natuur en biodiversiteit die respectvol beleefd kan worden. Hier is ruimte voor een agrarische sector die zich verder ontwikkelt naar een sector die onderneemt met respect voor de omgeving waar hij onderdeel van uitmaakt. Identiteit van kernen en landschap De woon - en klimaatopgave vragen, evenals in de afgelopen jaren, aandacht en zorg van de samenleving. De versterking van de identiteit van kernen en de kenmerkende waarden en kwaliteiten van de landschappen blijven hierbij een uitgangspunt. Woningen voor iedereen dragen bij aan de vitaliteit van gemeenschappen en kernen.
Woningbouwprojecten dragen bij aan de identiteit van de kernen en een klimaatadaptieve inrichting van de openbare ruimte. Toekomstbestendige openbare ruimte De openbare ruimte is toekomstbestendig ingericht. Er is ruimte voor ontmoeting, duurzame veranderingen op het gebied van mobiliteit, biodiversiteit, duurzaamheid en klimaat. Gebruikers hebben invloed op het ontwerp en het beheer van deze ruimte, waarbij h et niveau van beheer en onderhoud past bij de wijze waarop deze openbare ruimte gebruikt wordt. Zo ontstaat een leef -, werk- en vrijetijdsomgeving die van en voor iedereen is en waar inwoners actief gebruik van maken en zich mentaal eigenaar van voelen. Transitie landelijk gebied De transitie in het landelijk gebied geven ondernemers, inwoners en organisaties in samenspraak met elkaar vorm, waarbij de landschappelijke waarden een bron van inspiratie vormen. Er is ruimte voor natuurinclusieve landbouw, nieuwe verdienmodellen, natuur, biodiversiteit en de reguliere land - en tuinbouw die zich verder ontwikkelt naar een toekomstbestendige sector die onderneemt met respect voor de omgeving waar hij onderdeel van uitmaakt. Er is ruimte voor ideeën en creativiteit van de inwoners en organi saties die hier wonen, werken en ondernemen.
Economie en ecologie in balans Er wordt gestreefd naar een Peel en Maas waarin de ruimte duurzaam beleefd wordt, waarin economie en ecologie met elkaar in balans zijn. Ten aanzien van het toekomstbestendig houden van onze ecologie vragen bodem - en waterkwaliteit de komende jaren onze ge zamenlijke aandacht en inspanning.
41
Programmadoelen Vitale leefomgeving Ruimte is schaars. De vele opgaven die spelen, zoals woningbouw, landbouwtransitie, bedrijfsontwikkeling, natuurontwikkeling, energietransitie en klimaatadaptatie, vragen om ruimte. Deze opgaven worden in onderlinge samenhang opgepakt, waarbij kwaliteit en toekomstbestendigheid leidend zijn. De volgende programmadoelen voor een vitale leefomgeving zijn opgenomen: • Versterking van de ruimtelijke kwaliteit is het uitgangspunt, met extra aandacht voor natuurinclusiviteit ; • Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn vitale gemeenschappen een belangrijk uitgangspunt; • De economische ontwikkeling is ondersteunend aan vitale gemeenschappen, in balans met ruimtelijke waarden en stimuleert een gezonde arbeidsmarkt; • De fysieke leefomgeving draagt bij aan een gezond leven en is klimaatadaptief en klimaatbestendig; • Peel en Maas is energieneutraal in 2050 ; • Gezonde, veilige, toegankelijke en slimme(re) (collectieve) mobiliteit is beschikbaar in Peel en Maas ; • In Peel en Maas zijn per doelgroep voldoende betaalbare duurzame woningen beschikbaar. Met de herijking in de Kadernota 2026 is dit zevende programmadoel verder aangescherpt, met extra nadruk op betaalbaarheid, doelgroepenbenadering en duurzaamheid.
Programmadoelen Beheer fysieke leefomgeving De kwaliteit van de openbare ruimte is belangrijk voor het welbevinden, kortom, voor het goede leven in Peel en Maas. Elk dorp heeft zijn eigen karakter, en het buitengebied is divers met landschappelijke kwaliteiten. De gemeente sluit aan op ontwikkelingen in de kernen en op de behoeften van inwoners, bedrijven en organisaties. Zo kan een leef -, werk - en vrijetijdsomgeving ontstaan die van en voor iedereen is, waar iedereen actief gebruik van maakt en zich mentaal eigenaar van voelt. De volgende programmadoelen voor het beheer van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen: • Een kwalitatief goede, duurzaam ingerichte en onderhouden openbare ruimte die rekening houdt met de karakteristieke eigenschappen van (de kernen in) Peel en Maas ; • De openbare ruimte is van en voor iedereen, is veilig en toegankelijk en nodigt uit om te ontmoeten en te bewegen; • De openbare ruimte is klimaatbestendig; • Afval is grondstof. Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de gedeelde ambitie ter behoud van de identiteit van de kernen en een klimaatadaptieve inrichting van de openbare ruimte. Zo is in ruime mate in groen voorzien, met inbegrip van ruimte voorde berging van hemelwater in onder meer wadi ’s in de bufferzone.
Van de groenvoorzieningen kan ook actief gebruik worden gemaakt door bestaande en toekomstige bewoners binnen en in de omgeving van het plangebied door onder meer de wandelpaden/struinpaden die worden aangelegd. Naast het feit dat het plan aansluit bij de gedeelde ambities, draagt het ook bij aan het behalen van de programmadoelen van de vitale leefomgeving.
42
Het voornemen voorziet in de realisatie van 46 woningen, aansluitend aan de kern van Grashoek . De ontwikkeling omvat onder andere de realisatie van sociale huurwoningen en betaalbare huur- en koopwoningen, waardoor nieuwe betaalbare woningen beschikbaar komen op de woningmarkt en invulling wordt gegeven aan een concrete behoefte. Verder wordt met de realisatie van duurzame woningen een bijdrage geleverd aan het streven naar een energieneutraal Peel en Maas in 2050. Daarmee voldoet het plan tevens aan het in 2026 aangescherpte Programmadoel 7: het draagt bij aan voldoende betaalbare, duurzame en doelgroepgerichte woningen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Kaderstelling Ruimte 2035 . Met de herijking van het thema wonen in de Kadernota 2026 sluit het plan ook nadrukkelijk aan bij de aangescherpte doelstelling voor betaalbare en duurzame woningen per doelgroep.
43
44
4
FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU
4.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zi jn op het onderzochte omgevingsaspect.
4.2
Gezondheid Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefom geving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Daarnaast zijn ook aspecten als het gebruik van mogelijk voor de gezondheid schadelijke gewasbeschermingsmiddelen, de nabijheid van hoogspanningsverbinding en met bijbehorende straling en geitenhouderijen in verband met verhoogde concentraties fijnstof en/of endotoxinen van belang in verband met de mogelijke gevolgen voor de gezondheid. Toetsing Hoogspanningsverbindingen De afstand tot de dichtstbijzijnde hoogspanningsleiding (lijnnaam: Maasbracht - Boxmeer, lijncode: FE237) bedraagt circa 850 km en heeft een spanning van 380 KV.
De rekenafstand bedraagt maximaal 2 x 115 meter uit het hart van de leiding. Voor wat betreft hoogspanningsverbindingen, geldt dat het plangebied niet is gelegen binnen de rekenafstand van een hoogspanningsverbinding. Vanuit hoogspanningsverbindingen zijn geen negatieve gezondheidseffecten te verwachten. Endotoxinen Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een giftig effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen (varkenshouderij, pluimveehouderij en de vleeskalverhouderij). Conform stap 5 van het stappenplan moet de ligging van het initiatief ten opzichte van veehouderijen worden beoordeeld. Bij een afstand van meer dan 1 kilometer tot pluimveehouderijen en van meer dan 250 meter tot overige veehouderijen (behoudens geitenhouderijen) is er geen gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van endotoxinen.
45
Het initiatief omvat nieuwe milieugevoelige objecten. Op een afstand van ca. 850 m (< 1 km) is een pluimveehouderij gelegen (adres: Marisbaan 16 5985NA Grashoek). Andere veehouderijen liggen op een afstand van meer van 250 m. De gemeente is het bevoegd gez ag voor de risicobepaling met betrekking tot de gezondheid. Stap 1 Endotoxine Op een afstand van ca. 850 m (< 1 km) is een pluimveehouderij gelegen (adres: Marisbaan 16 5985NA Grashoek). Andere veehouderijen liggen op een afstand van meer van 250 m. Gezien de grote afstand tot het plangebied, veroorzaakt de toename van het aantal woningen geen relevante verhoging van het aantal mensen die een verhoogd risico hebben. Stap 2 Emissies De ontwikkeling betreft een wijziging naar een woonbestemming en de uitbreiding van een bouwbedrijf en leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak. Stap 3a Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon -/ -leefklimaat a.d.h.v. wettelijk kader De ontwikkeling vindt niet plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie.
46
Stap 3b Geur, toetsen aan aanvaardbaar woon -/ -leefklimaat. Er is sprake van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat als gevolg van de geursituatie in het gebied (zie paragraaf 4.10 ) Stap 4a Meerdere diersoorten in één veehouderij Er zijn geen bedrijven met meer dan één diersoort rondom het plangebied gelegen. Stap 4b De afstand tussen een varkensbedrijf en pluimveebedrijf De afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde vergunbare varkensbedrijf is grote dan 50 meter en de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde pluimveebedrijf is groter dan 100 meter. Stap 5a, b en c De afstanden tot geitenhouderijen, pluimveehouderijen Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn geen geitenhouderijen actief. Stap 6 Mestbewerking Er wordt in de nabijheid geen mest bewerkt of verwerkt. Stap 7 Ongerustheid over de volksgezondheid Voor zover bekend, zijn er geen klachten/vragen bekend in de omgeving wat betreft de volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. Geitenhouderijen Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten.
In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn geen geitenhouderijen actief. N egatieve effecten op de gezondheid als gevolg van de uitstoot van endotoxinen van geitenhouderijen worden uitgesloten. Spuitzones g ewasbeschermingsmiddelen Kenmerkend voor de land - en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Derhalve dient afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten en teeltgebieden ten behoeve van akkerbouw. Er zijn geen wettelijke bepalingen over de aan te houden afstand. Door de Raad van State wordt bij beoordeling van nieuwe ruimtelijke situaties vanwege drift over het algemeen een afstand van 50 meter als aanvaardbaar geacht. Dit neemt niet weg dat in bepaalde situatie s een kortere afstand ook aanvaardbaar kan worden geacht. De toelating van gewasbeschermingsmiddelen is Europees geregeld en aan strenge regelgeving onderworpen. Toelating van gewasbeschermingsmiddelen berust op het voorzorgsbeginsel. Volgens het voorzorgsbeginsel mag onzekerheid over negatieve effecten geen excu us zijn om die negatieve effecten voor lief te nemen. Toelating van gewasbeschermingsmiddelen moet de teelt vooruit helpen, maar alleen als dat niet schadelijk is voor mens en milieu. Ondanks de strenge toelatingsprocedure kan het risico op gezondheidsscha de bij mensen nooit geheel worden uitgesloten.
Het is met name van belang om onevenredige risico’s zoveel mogelijk te beperken en om vooraf goed en zorgvuldig onderzoek te doen, zoals bij het bepalen van een veilige afstand tussen gevoelige functies en agr arische percelen met open teelten.
47
De toepassing van het voorzorgsbeginsel geldt zowel voor de teler die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de (toekomstige) bewoners van woningen in de nabijheid van agrarische percelen waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen plaatsvindt. De teler dient voorzichtig en terughoudend te werk te gaan bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen. Dit onder meer door rekening te houden met windsnelheden en windrichting en niet te spuiten als de windsnelheid hoger is dan 5 m/s en de windrichting hoofdzakelijk richting woningen waait en dus de kans op drift richting woningen groter is. In artikel 4.723e. ‘water en gezondheid: geen gewasbeschermingsmiddelen bij wind’ van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het volgende opgenomen: 1. Met het oog op het voorkomen of beperken van verontreiniging van een oppervlaktewaterlichaam en het beschermen van de gezondheid worden geen gewasbeschermingsmiddelen gebruikt als de windsnelheid meer is dan 5 m/s, gemeten op: a. 2 m boven de grond bij neerwaarts bespuiten; en b. 1 m boven boomhoogte bij op - en zijwaarts bespuiten. 2. Het eerste lid is niet van toepassing: a. als kan worden aangetoond dat niet anders dan door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s een teeltbedreigende situatie kan worden voorkomen; of b. op een overkapte beddenspuit.
Het plangebied ligt niet in de buurt van boom - en fruitteelt. Wel ligt ten oosten van de planlocatie agrarische grond die binnen de agrarische bestemming ook agrarisch in gebruik is voor grasland en maisteelt/erwtenteelt (bron: boerenbunder.nl). Woningbouwlocatie Enkel de kavels 630 en 454 liggen binnen 50 meter van de voorgestelde woonlocatieverkaveling. Omdat kavel 630 onderdeel uitmaakt van voorliggend initiatief zijn er afspraken gemaakt met de eigenaar dat er geen gewas bestrijdingsmiddelen op dit perceel worden gebruikt. Daarnaast zal dit kavel omgezet worden naar de functie Groen en onderdeel zijn van de landschappelijke inpassing van de plannen waarbinnen geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt . Op kavel 454 wordt tussen Roomweg 62A en 64 een nieuwe woning mogelijk gemaakt. De agrarische gronden behorende bij deze locatie zijn in eigendom van dezelfde eigenaar. Daarnaast is k avel 454 is al meerdere jaren in gebruik als grasland zonder gewasbeschermingsmiddelen (bron: Boer&Bunder). Planologisch gezien zouden daar echter nog gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt (geen verbod hierop in bestemmingsplan).
In uitspraak ECLI:NL:RVS:2024:4506 is echter geoordeeld dat voor gronden die al langer niet in gebruik zijn met gewasbeschermingsmiddelen het niet aannemelijk is dat de percelen waar geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt door de komst van een nieuwe milieugevoelige functie binnen 50 m (milieuzone) grotendeels onbruikbaar worden voor agrarisch gebruik. Relevant is dat mechanische en bio logische onkruidbestrijding wel zijn toegestaan in deze milieuzone. Ook zijn er direct aansluitend aan kavel 454 al meerdere woningen gelegen die ook extra gezondheidsrisico zouden lopen bij het in gebruik nemen van de gronden voor gewassen met gewasbeschermingsmiddelen.
48
Met de eigenaar van de gronden van kavel 454 (tevens eigenaar nieuwe woning Roomweg) is gezien bovenstaande de afspraak gemaakt dat er geen schadelijke gewasbestrijdingsmiddelen zullen worden gebruikt. In voorliggend plan zal het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen op het kavel 454 worden uitgesloten Dit is juridisch verankerd middels opname van een spuitvrije zone (milieuzone – spuitvrije zone). Bedrijfslocatie Omdat ook binnen de bedrijfshal langere tijd mensen aanwezig kunnen zijn is het gewenst ook bij de bedrijfslocatie rekening te houden met gewasbeschermingsmiddelen. Binnen 50 meter van het bedrijfsperceel zijn namelijk agrarische gr onden gelegen op kavel 445. Planologisch gezien kunnen op dit kavel gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt (geen verbod hierop in bestemmingsplan) en feitelijk doet de grondeigenaar dit ook . Omdat m et deze grondeigenaar geen overee nkomst is gesloten, dient vanaf de grens van d e agrarische bestemming een inwaartse zonering van 50 meter toegepast te worden. Over de bedrijfslocatie is daarvoor een aanduiding ‘milieuzone – spuitzone’ met regeling opgenomen. Alleen onder voorwaarden kan toch een bedrijfshal gebouwd worden in deze zone. In de tussenzone (spuitzone) tussen de weg en het bedrijfsgebouw worden de parkeerplaatsen en een groene inrichting gerealiseerd.
Overige aspecten De overige genoemde aspecten worden in de volgende paragrafen nader gemotiveerd. Volledigheidshalve wordt hier dan ook verwezen naar de betreffende paragrafen. Uit de nadere motivering blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Er is als gevolg van de ontwikkeling geen sprake van een onevenredige verslechtering van de fysieke leefomgeving.
Conclusie Er is vanuit het oogpunt van gezondheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en indust rieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon - en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen.
49
Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebou wen en locaties nabij een geluidsbron. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functi es aan locaties het aspect geluid afgewogen worden.
Toetsing Ten behoeve van het plangebied is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd (Kragten, Akoestisch onderzoek wegverkeer woonontwikkeling Roomweg Grashoek, PMA132, 10 november 2025) . Onderstaand zijn de voornaamste conclusies opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage in bijlage 5 . Gemeentewegen Het geluid vanwege gemeentewegen voldoet ter plaatse van de beoogde woningen gesitueerd aan de Helenaveenseweg niet aan de standaardwaarde van 53 dB. Dit betreft alleen de nieuwe woningen. De bestaande voormalige bedrijfswoning ligt op voldoende afstand van de weg om te voldoen aan de standaardwaarde. Ook t er plaatse van de overige woningen wordt wel voldaan aan de standaardwaarde. Maatregelen om het geluid te reduceren tot de standaardwaarde zijn onderzocht. Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Aangezien de woningen niet zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchtvaart, en er ook geen sprake is van andere geluidbronnen (windturbine, windpark, buitenschietbaan of militair springterrein), is enkel sprake van gecumuleerd en gezamenlijk geluid vanwege de beschouwde gemeentewegen. Het gecumuleerd geluid bedraagt maximaal 54 dB .
Aangezien alle woningen beschikken over een gevel die ten opzichte van de maatgevend geluidbelaste gevel relatief weinig belast wordt door geluid en/of voor alle woningen de standaardwaarde ter plaatse van minimaal één gevel wordt gerespecteerd, en voorzie n is in voldoende geluidwering op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving, kan het gecumuleerd geluid als aanvaardbaar worden beoordeeld.
50
De beoogde zuidelijke woningen gesitueerd aan de Helenaveenseweg worden conform advies in het onderzoek 1 meter naar achteren verplaatst, waardoor deze voldoen aan de standaardwaarde van 53 dB. De beoogde noordelijke woningen gesitueerd aan de Helenaveenseweg kunnen niet naar achteren worden verplaatst in verband met een aanwezige boom. Voor deze woningen is een regeling opgenomen in de regels en een geluidzone opgenomen op de verbeelding. Middels een in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning bouwen uit te voeren onderzoek dient aangetoond te worden dat de karakteristieke geluidwering van de geluidbelaste gevels van de geluidgevoelig gebouwen voldoet aan de eisen uit het Besluit bo uwwerken leefomgeving. Indirecte akoestische effecten Als gevolg van die toename van de verkeersintensiteit vanwege de beoogde ontwikkeling (574 motorvoertuigen per etmaal op het maatgevende wegvak) is sprake van een toename van het geluid op bestaande geluidgevoelige gebouwen (in deze situatie de woningen aa n de Roomweg nabij de ontsluiting van het plangebied) van circa 3 dB. Er wordt niet voldaan aan artikel 5.78af lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Beoordeling en afweging maatregelen Maatregelen om het geluid te reduceren zijn onderzocht. Deze stuiten op bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige en landschappelijke aard.
Het geluid op de geluidgevoelige gebouwen (woningen) aan de Roomweg bedraagt maximaal 52 dB en is ruim minder dan de grenswaarde, bedoeld in artikel 3.35 (70 L den voor gemeentewegen), en tevens minder dan de standaardwaarde (53 dB). Het Omgevingsplan kan daarom voorzien in de toename van het geluid van meer dan 1,5 dB. Conclusie De geluidbelasting van de noordelijke woningen aan de Helenaveenseweg overschrijdt de standaardwaarde . Voor deze woningen dient een hogere waarde te worden vastgesteld. Daarnaast dient bij de aanvraag van de omgevingsvergunning bouwen aangetoond te zijn dat de karakteristieke geluidwering van de geluidbelaste gevels van de geluidgevoelig gebouwen voldoet aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Met voorgenoemde maatregelen is er vanuit het aspect geluid als gevolg van wegen, spoorwegen en industri eterreinen, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.4
Archeologie en cultuurhistorie In bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet is opgenomen wat wordt verstaan onder cultureel erfgoed. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van ee n evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet - en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweg ing. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
51
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van d e fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen. Archeologie Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten. Het plangebied ligt volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Peel en Maas (2015) grotendeels binnen een gebied met een lage archeologische verwachting . Daarnaast ligt een deel van het plangebied (circa 7.825 m²) midden een gebied met een middelhoge archeologische verwachting (Waarde - Archeologie 5 ). Hiervoor geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2 .50 0 m² en dieper dan 40 cm .
Uitsnede archeologische beleidskaa rt van de gemeente Peel en Maas
52
Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’ ligt een deel van het plangebied binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. Op of in de voor 'Waarde Archeologie 5' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 40 centimeter onder bestaand maaiveld over een oppervlakte groter dan 2.500 m² en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; Gezien de het feit dat de gronden ten behoeve van de woningbouwontwikkeling ten behoeve van de fundering nog afgegraven dient te worden is niet precies bekend hoeveel m 2 en hoe diep de gronden geroerd zullen worden. Voor de werkzaamheden in het beekdal wordt niet verwacht dat de gronden over meer dan 2.500 m2 dieper worden geroerd dan 40 cm. Daarnaast zijn binnen de dubbelbestemming in het beekdal reeds meerdere gebouwen aanwezig die een verstoring van de bodem hebben veroorzaakt. Echter, omdat de definitieve ontwikkeling van de beekzone nog niet bekend is , is door KSP Archeologie wel een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek (13 maart 2026, 26008 versie 1.0) uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als bijlage 6. Hierna is de conclusie beschreven. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied.
Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart is aan het plangebied en het daarbinnen gelegen onderzoeksgebied een middelhoge archeologische verwachting toegekend. Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd per periode/bijgesteld. Op basis van de landschappelijke ligging binnen een dekzandvlakte en de archeolo gische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Midd eleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een lage verwachting aan het plangebied toegekend. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat het plangebied onderdeel uitmaakte van een dekzandvlakte bestaande uit lemig dekzand. De oorspronkelijke bode m is een gooreerdgrond, waar door oxidatie, ontstaan na de ontginning, deels een lichte mate van podzolisatie is opgetreden. Het terrein met de stallen is ca. 50 -70 cm opgehoogd.
Oorspronkelijk zal het gebied vrij vlak en laag gelegen zijn geweest, waardoo r de bodem relatief nat was en geen gunstige bewoningslocatie was. Op basis hiervan blijft zowel de lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat -Paleolithicum tot en met het Neolithicum als de lage verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) ge handhaafd. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Op grond van de ligging binnen een dekzandvlakte, waar zich na de veenontginning gooreerdgronden hebben gevormd, die duiden op een natte landschappelijke situatie en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren.
53
Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies is door het bevoegd gezag akkoord bevonden en het bevoegd gezag heeft besloten de archeologische waarde van de gronden te laten vervallen. Er is geen nader onderzoek meer noodzakelijk . De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ uit het vorige bestemmingplan is ter plaatse van het plangebied verwijderd van de verbeelding en uit de planologische regeling. Conclusie Vanuit het aspect archeologie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Cultuurhistorie De locatie aan de Helenaveenseweg / Roomweg te Grashoek ligt binnen het gebiedstype van een jong ontginningslandschap met lintbebouwing. De historische structuur wordt bepaald door de kruisende linten van de Helenaveenseweg en de Roomweg, die samen het kar akteristieke dorpshart van Grashoek vormen. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Limburg zijn in het plangebied geen specifieke cultuurhistorisch waardevolle objecten of structuren geregistreerd. Het voormalige MIP -pand (uit Monument Inventarisatie Project) is reeds eerder ges loopt en heeft dus geen invloed meer op de locatie. Wel wordt de ruimtelijke opbouw van het ontginningslint als gebiedskenmerkend beschouwd.
Bij nieuwe ontwikkelingen dient daarom rekening te worden gehouden met het behoud van de historische lintstructuur,karakteristieke groenelementen en de zichtrelatie met het omliggende open landschap. De beoogde woningbouw heeft geen negatieve invloed op de aanwezige cultuurhistorische waarden . Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.5
Bodem Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
54
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risi cotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Toetsing Verkennend (bodem) onderzoek (asbest) Ten behoeve van het plangebied is een Verkennend (bodem) onderzoek (asbest) conform NEN 57 25 uitgevoerd (HMB, Verkennend (bodem)onderzoek (asbest) Roomweg (ong.) Grashoek - 24251801A 2 december 2024) . Onderstaand zijn de voornaamste conclusies opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage in bijla ge 7. Akkerland (deellocatie A) In de bovengrond zijn verhoogde gehalten cadmium, koper en zink boven de normwaarden landbouw/natuur aangetoond; in de ondergrond niet. In het grondwater zijn verhoogde gehalten zware metalen (o.a. barium, cadmium, koper, nikkel en zink) tot boven de inter ventiewaarden gemeten, evenals plaatselijk verhoogde gehalten naftaleen en xylenen.
Oorzaken of bronnen zijn niet vastgesteld; de zware metalen in het grondwater worden gezien als regionale achtergrondgehalten. Puinhoudende halfverharding (deellocatie B) De halfverharding bevat asbest in een gehalte onder de helft van de maximale samenstellingswaarde en voldoet daarmee aan de eisen van een niet -vormgegeven bouwstof. In de onderliggende grond zijn verhoogde gehalten cadmium, lood en zink aangetoond. In het grondwater zijn barium en xylenen boven de streefwaarden gemeten. Westelijke druppelzone (deellocatie C) In de grond is asbest aangetoond in een gehalte boven de helft van de interventiewaarde. Dit wordt gerelateerd aan afstromend hemelwater van de asbest(verdachte) dakbedekking van de schuur. Oostelijke druppelzone (deellocatie D) Hier is asbest in een gehalte onder de helft van de interventiewaarde en PCB in gehalten boven de interventiewaarde aangetoond, eveneens gerelateerd aan de dakbedekking. Algemeen De verontreinigingen met asbest en PCB vormen mogelijk een belemmering voor de toekomstige ontwikkeling van het terrein. De aanwezigheid van zware metalen in het grondwater maakt dit minder geschikt voor gebruik als drinkwater of beregening van gewassen. Aanbeveling Nader bodemonderzoek wordt niet doelmatig geacht.
De vervolgstap is dat de bodemverontreinigingen met asbest en PCB worden gesaneerd (reeds plaatsgevonden), waarbij vooraf een plan van aanpak moet worden ingediend en goedgekeurd door het bevoegd gezag. Asbestinventarisatie 3 stallen en afdak aan de Helenaveenseweg 6 te Grashoek
55
Ten behoeve van het plangebied is ter plaatse van de 3 stallen en afdak aan de Helenaveenseweg 6 een asbestinventarisatie gedaan (M&A Bodem & Asbest BV, Asbestinventarisatie 3 stallen en afdak Helenaveenseweg 6 te Grashoek, 224 -GHe6 -ai Versie (2), 10 juni 2024) . Onderstaand zijn de voornaamste conclusies opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage in bijlag e 8 . Uit de asbestinventarisatie van de drie stallen en het afdak aan de Helenaveenseweg 6 blijkt dat in de gebouwen meerdere asbesthoudende toepassingen aanwezig zijn, waaronder golfplaten dakbedekking en vlakke platen bij goten, deuren en kokers. Alle toepassingen bevatten chrysotiel, zijn hechtgebonden en vertonen slechts lichte verwering. Deze zijn ingedeeld in risicoklasse 1 en 2, wat betekent dat verwijdering onder gecertificeerde omstandigheden noodzakelijk is maar goed uitvoerbaar wordt geacht. Er bestaa t geen vermoeden van verborgen asbesthoudende materialen, waardoor aanvullend destructief onderzoek niet nodig is. De aanwezige asbesttoepassingen dienen voorafgaand aan de voorgenomen renovatie of sloop door een gecertificeerd bedrijf moeten worden verwijderd. Hiermee wordt de locatie geschikt gemaakt voor de verdere planuitvoering.
Asbestinventarisatie schuur aan Roomweg Ten behoeve van het plangebied is ter plaatse van de schuur aan de Roomweg een asbestinventarisatie gedaan (HMB BV, Asbestinventarisatie een schuur Roomweg (ong.) Grashoek, 24302501K, 6 december 2024) . Onderstaand zijn de voornaamste conclusies opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage in bijla ge 9 . Uit de asbestinventarisatie van de schuur aan de Roomweg te Grashoek blijkt dat zowel het dak als de wandbekleding bestaan uit hechtgebonden asbesthoudende golfplaten met chrysotiel. Deze toepassingen zijn licht verweerd, ingedeeld in risicoklasse 2 en die nen voorafgaand aan de voorgenomen sloop door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te worden verwijderd. Er zijn geen aanwijzingen voor verborgen asbesthoudende materialen, zodat aanvullend destructief onderzoek niet noodzakelijk is. De aangetroff en asbesttoepassingen moet via een sloopmelding en onder gecertificeerde condities worden gesaneerd, waarna de schuur veilig kan worden gesloopt . De asbestsanering heeft reeds plaatsgevonden. Op 31 januari 2025 heeft daarvoor een eindcontrole plaatsgevonden, waarna de gronden zijn vrijgegeven ( ShaMi Inspecties, 31 januari 2025, zie bijlage 10 ) Oriënterend doorlatendheidsonderzoek Ten behoeve van het plangebied is een oriënterend doorlatendheidsonderzoek gedaan.
(HMB BV, Oriënterend doorlatendheidsonderzoek Roomweg (ong.) Grashoek, 24251802W, 9 december 2024). Onderstaand zijn de voornaamste conclusies opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage in bijla ge 1 1 . Uit het oriënterend doorlatingsonderzoek blijkt dat de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie overwegend matig tot goed doorlatend is. De gemeten k -waarden liggen in de ordegrootte die geschikt wordt geacht voor de beoogde ontwikkeling en geven geen aa nleiding om aanvullende maatregelen of nader onderzoek te verrichten. Daarmee vormt de bodemgesteldheid geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
56
Conclusie Op basis van de resultatenvan de bodemonderzoeken is geconcludeerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wanneer voorafgaand aan de realisatie de aangetoonde bodemverontreiniging met asbest en PCB ter plaatse van de westelijke en oostelijk druppelzone gesaneerd is . Daarnaast dient voor sloop van de bebouwing aan de Helena veenseweg , de omzetting van de voormalige bedrijfswoning en voor ontwikkeling van het perceel aan de Roomweg nog een bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Hiervoor is een vergunningplicht in de regels van dit plan opgenomen.
4.6
Natuur Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbeschermin g van aangewezen Natura 2000 -gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen plant - en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds - en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel - en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000 -gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000 -gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit ge beurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevings plan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Natura 2000 -gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000 -gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000 -netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000 activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
-
57
Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier - en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel - en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vi ndt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet - en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f O mgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. In het kader van de beoogde ontwikkeling en voornoemde wet - en regelgeving, is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd(Brabant Eco, ecologische dienstverlening, Ecologische quickscan, 2025 BE-1466, 23 juli 2025) . Navolgend worden de conclusies samengevat weergegeven.
Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige rapport in bijla ge 1 2 .
-
Toetsing Soortenbescherming Op basis van de resultaten uit het verkennend natuuronderzoek worden negatieve effecten op omliggende bebouwing, akkers en vliegroutes uitgesloten mits lichtverstoring van genoemde elementen wordt voorkomen. Daarnaast is het mogelijk dat er individuen van vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren binnen het plangebied kunnen voorkomen. De zorgplicht is altijd van kracht. Daarnaast zijn de volgende aanbevelingen opgenomen: • het voorkomen van lichtverstoring van omliggende woningen, akkers en vliegroutes om negatieve effecten van werkzaamheden op vleermuizen uit te sluiten; • het voorkomen van verstoring van broedende vogels door werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen; • een natuurinclusieve ontwikkeling van de planlocatie. Niet alleen wat betreft groenstructuren, waterberging en landschappelijke inpassing, maar ook gericht op het integreren van natuur in gebouwen (bijvoorbeeld verblijfsmogelijkheden inbouwen voor gebouwbe wonende soorten als vogels en vleermuizen). Gebiedsbescherming Met het oog op te verwachten stikstofemissies in de aanlegfase en de gebruiksfase, dient een nader stikstofonderzoek te worden uitgevoerd. AERIUS-berekeningen dienen uit te wijzen of er extra depositie plaatsvindt, zowel in de aanleg - als de gebruiksfase.
Wanneer stikstofdeposities op gevoelige (en overbelaste) typen aan de orde zijn, is een effectanalyse in de vorm van een voortoets nodig. Op basis hiervan kan vervolgens bepaald worden of significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden op voorhand a l dan niet zijn uit te sluiten (art. 5.1, lid 1 Ow).
58
Het plangebied is niet gelegen in Natuurnetwerk Nederland. Negatieve gevolgen van de voorgenomen werkzaamheden zijn redelijkerwijs uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van NNN is niet noodzakelijk. Er worden geen bomen gekapt. Er bestaan dan ook geen verdere verplichtingen aangaande houtopstanden binnen de Omgevingswet. In het kader van het voorgaande is een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd (ORDITO, Aerius stikstofberekening Roomweg / Helenaveenseweg, Grashoek, 25121, 5 augustus 2025) . Zie bijla ge 13. Uit de rekenresultaten van de AERIUS-calculator is gebleken dat als gevolg van onderhavig planvoornemen zowel in de aanleg - als de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000 -gebieden hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Stikstofd epositie afkomstig van onderhavig planvoornemen heeft geen significante negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende Natura 2000 -gebieden. Het gebruik van werktuigen met minimaal stageklasse IV, waarbij AdBlue (7%) bij de dies el is toegevoegd bij werktuigen met een vermogen van 56 kW of groter, geldt als aanbestedingseis. Het aspect stikstof in relatie tot Natura 2000 vormt geen belemmering voor de realisatie van het bouwplan en de verlening van de ‘omgevingsvergunning, activiteit bouwen’.
Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage van het onderzoek naar stikstofdepositie. Conclusie Vanuit het aspect natuur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.7
Omgevingsveiligheid Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 'waarborgen van de veiligheid' van het B kl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op ee n locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij de realisatie van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen in de nabijheid van risicovolle activiteiten moet rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Daarnaast kunnen één of meerdere aandachtsgebieden (brandaandachtsgebied , gifwolkaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied) van toepassing zijn. Mogelijke risicobronnen zijn het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over het water, het spoor en wegen en risicovolle inrichtingen.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans op overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht, als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit.