CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-024 03 Ruimtelijke motivering

Raad 10 maart 2026, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan ‘Steenstraat 93 – Heibloemseweg ongenummerd Panningen’ (2026-024)23.824 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

21

▪ ▪

De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.

Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Volgens de Regionale Woonvisie is aansluiting op de vraag van de consument noodzakelijk (de marktvraag). Woningen zijn in de huidige woningmarkt alleen af te zetten wanneer deze qua prijs, locatie en kwaliteit aansluiten bij de vraag van de kritische consument. Dit is niet alleen in het voordeel van de consument, maar ook in het belang van de verschillende belanghebbenden op de woningmarkt (gemeente en marktpartijen).

De betrokken gemeenten voegen in principe alleen plannen toe die aansluiten bij de kansrijke segmenten (passend binnen regionale en lokale kwalitatieve woningbehoefte). Onderhavig initiatief heeft betrekking op het realiseren van vier nieuwe woningen en voorziet in het omzetten van een bedrijfswoning naar burgerwoning. De woningen zijn beoogd om in te spelen op de dringende vraag naar woningen. Daarnaast is met het initiatief sprake van een mix van woningen. De woningen zijn onder andere geschikt voor starters, (jonge) gezinnen, 55-plussers en ouderen. De realisatie van de nieuwe woningen is daarmee passend binnen de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 Op 10 juli 2018 is de Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 in werking getreden. In dit beleid is vastgelegd dat geen medewerking wordt verleend aan de bouw van nieuwe woningen op locaties waar dit juridisch-planologisch niet is geregeld en waarbij sprake is van een toename van het aantal woningen ten opzichte van de woningbouwaantallen in de Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. De gemeente Peel en Maas maakt een gelimiteerde uitzondering voor: 1. Zogenaamde win-win situaties; 2. Woningbouwinitiatieven die een belangrijke maatschappelijke meerwaarde hebben en een bijdrage leveren aan het behoud/versterken van vitale gemeenschappen; 3. Verzoeken die passen binnen de Ruimte voor Ruimteregeling; 4. Tijdelijke woonconcepten voor de duur van maximaal 10 jaar, tot uiterlijk 2030, voor de huisvesting van woonurgente doelgroepen; 5. Woningsplitsing binnen het buitengebied met als doel behoud en versterking van cultuurhistorische waarden; 6. Positieve principebesluiten en/of privaatrechtelijke afspraken. Met onderhavig initiatief is sprake van een woningbouwinitiatief met een belangrijke meerwaarde. Een detailhandelszaak wordt beëindigd en hiervoor in de plaats wordt de locatie herontwikkeld voor woningbouw.

De verouderde en logge bedrijfsbebouwing wordt in dat kader gesloopt en hiervoor in de plaats worden nieuwe en duurzame woningen gerealiseerd.

22

In totaal worden vier woningen gerealiseerd waarbij sprake zal zijn van een mix van woningen waardoor wordt ingespeeld op de woningbehoefte van alleenstaanden, starters en senioren. Hierdoor is met het initiatief sprake van een maatschappelijke meerwaarde. Indien sprake is van een woningbouwverzoek met een maatschappelijke meerwaarde moet worden voldaan aan artikel 6 en 8 van de beleidsregel. Artikel 6 Voorwaarden verzoeken met maatschappelijke meerwaarde a. Het college gaat/is in gesprek met de dorpen/dorpsoverleggen over een visie of, waar en wanneer binnen een kern sprake is van maatschappelijke meerwaarde. Voor zover deze gesprekken hebben plaatsgevonden en concreet hebben geleid tot een visie van het dorp neemt het college dit mee in haar afweging bij het beoordelen van individuele verzoeken. Zolang deze visie er niet is en de maatschappelijke meerwaarde evident is wordt een beslissing genomen zonder consultatie van het dorp/dorpsoverleggen. b. Het initiatief moet bijdragen aan een maatschappelijk meerwaarde doordat het voldoet aan de volgende vier principes: 1. Juiste plek: draagt bij aan leefbaarheid door leegstand te herstructureren dan wel aan een verbetering van de ruimtelijke structuur, én· 2.

Juiste type: het betreft een programma dat maatschappelijk nodig is (bijzondere doelgroepen, zoals ouderen, starters, 1 en 2 persoonshuishoudens, zorgvragers, statushouders en arbeidsmigranten), én 3. Juiste kwaliteit: dorps, duurzaam, levensloopbestendig, én 4. Anderszins sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van de omgevingswet is geen sprake meer van een goede ruimtelijke ordening maar van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er dient zodoende sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan deze voorwaarden uit artikel 6 worden voldaan hieronder zal een toetsing en nadere motivatie plaatsvinden. Ad. a. In Panningen is een dringende vraag naar woningen voor alleenstaanden, starters en senioren. De woning die met onderhavig initiatief worden gerealiseerd zijn beoogd om in te spelen op deze behoefte en zijn daarmee passend binnen de visie voor Panningen. Ad. b. 1. In het noordwesten van Panningen, aan de Steenstraat 93 ligt de detailhandelszaak van de initiatiefnemer. Gezien de leeftijd en de achteruitgaande gezondheid is het voor initiatiefnemer niet meer mogelijk om de bedrijfsactiviteiten te exploiteren. Daarnaast is er geen opvolger aanwezig die het bedrijf van initiatiefnemer kan voortzetten.

Nieuwe ondernemers willen zich graag in of nabij het centrum van Panningen vestigen en niet aan de rand van de kern. Hierdoor is het ook zeer lastig om de detailhandelslocatie te verkopen. Gezien deze ontwikkelingen zou de detailhandelszaak van initiatiefnemer op korte termijn leeg komen te staan. Om leegstand en verloedering van de locatie te voorkomen heeft initiatiefnemer andere mogelijkheden onderzocht. Gezien de dringende vraag naar woningen is initiatiefnemer op het idee gekomen om de bedrijfsactiviteiten te beëindigen en de locatie te herontwikkelen voor woningbouw. De woningen zijn beter passend in de omgeving. Er is zodoende sprake van een juiste locatie. Ad. b. 2. De herontwikkeling voorziet in het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning en in de realisatie van twee kleine halfvrijstaande woningen aan de zijde van de Steenstraat en twee halfvrijstaande woningen aan de zijde van de Heibloemseweg. De bedrijfswoning is uitermate geschikt voor (jonge) gezinnen. De kleine halfvrijstaande woningen zijn uitermate geschikt voor starters en 55-plussers die graag kleiner willen gaan wonen. De twee halfvrijstaande woningen, aan de zijde van de Heibloemseweg, worden levensloopbestendig ingericht. Deze woningen zijn gezien de grootte en uitvoering uitermate geschikt voor (jonge) gezinnen en senioren.

Met het initiatief wordt daarmee ingespeeld op de woningbehoefte voor een brede doelgroep waardoor sprak is van de juiste type woningen. Ad. b. 3. Vanaf 1 januari 2021 moeten de vergunningaanvragen voor alle nieuwbouw voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De nieuwe woningen zullen zodoende moeten voldaan aan de eisen uit de ‘BENG’. De woningen betreffen daarmee duurzame woningen die gasloos worden uitgevoerd. Daarnaast zullen de woningen goed worden geïsoleerd waardoor de woningen een zeer lage warmtevraag hebben. Twee van de woningen (te weten de woningen aan de zijde van de Heibloemseweg) worden daarnaast levensloopbestendig uitgevoerd.

23

Ad. b. 4.

Door middel van onderhavige toelichting wordt aangetoond dat met de beoogde herontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 8 Voorwaarden planologische medewerking a. Het woningbouwverzoek moet voorafgegaan worden door een principeverzoek waarop een positief standpunt is ingenomen; b. Binnen 1 jaar na datering van het principebesluit, dan wel binnen de in de privaatrechtelijke overeenkomst overeengekomen termijn moet een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning dan wel herziening van het omgevingsplan zijn ingediend; c. Er moet verder worden geborgd dat na indiening van een ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning dan wel een ontvankelijke aanvraag om een herziening van het omgevingsplan, dat de woning(en) ook op korte termijn worden gerealiseerd, hetgeen betekent dat: ▪ Wanneer gekozen wordt voor de planologische regeling met een omgevingsvergunning voor de activiteiten strijdig gebruik en bouwen, binnen 26 weken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, een start moet zijn gemaakt met de realisatie van de bouw. Dit wordt als voorwaarde verbonden aan de omgevingsvergunning. De beleidsregel “Uitvoeringsregels intrekken omgevingsvergunningen bouwen, slopen en aanleggen 2017” blijft onverkort van toepassing.

▪ Wanneer gekozen wordt voor de planologische regeling met een bestemmingsplanherziening wordt, behoudens situaties waarin voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel andere afspraken zijn gemaakt, gebruik gemaakt van een op te nemen wijzigingsbevoegdheid om na 2 jaar vanaf het onherroepelijk worden van het omgevingsplan de onbenutte bouwmogelijkheid te laten vervallen. Tevens moet binnen 1 jaar nadat de planologische regeling onherroepelijk is geworden, een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning bouw worden ingediend. Vervolgens moet binnen 26 weken nadat de vergunning onherroepelijk is geworden, een start zijn gemaakt met de realisatie van de bouw. De beleidsregel “Uitvoeringsregels intrekken omgevingsvergunningen bouwen, slopen en aanleggen 2017” blijft onverkort van toepassing. Aan deze voorwaarden uit artikel 8 worden eveneens voldaan hieronder zal een toetsing en nadere motivatie plaatsvinden. Ad. a. De gemeente Peel en Maas heeft in het kader van de beoogde herontwikkeling een positief principestandpunt ingenomen. Ad. b. Na het positieve principestandpunt is het initiatief verder uitgewerkt en diverse malen besproken met de welstandscommissie van de gemeente. Na het akkoord van de welstandcommissie is begonnen met het opstellen van een TAM-omgevingsplan om de beoogde herontwikkeling planologisch mogelijk te maken. Ad. c.

De beleidsregel “Uitvoeringsregels intrekken omgevingsvergunningen bouwen, slopen en aanleggen 2017” blijft onverkort van toepassing. Dit houdt in dat als niet binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het TAMomgevingsplan wordt gestart met de bouw van de nieuwe woningen het recht tot bouwen kan worden ingetrokken. Afweging Het initiatief is derhalve passend binnen de beleidsregel woningbouwverzoeken. 4.4.2 Omgevingsvisie Peel en Maas De gemeente Peel en Maas heeft op 5 juli 2022 de Omgevingsvisie Peel en Maas vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft een visie over de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen voor de gehele gemeente. De visie gaat over de woon- en leefomgeving en de mensen die daarin samenleven, werken, ondernemen en verblijven. De omgevingsvisie blijft een dynamisch document. Op dit moment is de eerste versie van de omgevingsvisie opgesteld, met het bestaande beleid als uitgangspunt. De komende jaren werkt de gemeente verder waar dat nodig is en evalueert of aanpassing nodig of wenselijk is.

24

De gehele gemeente is opgedeeld in deelgebieden met ieder hun eigen waarden en kenmerken. Aanvullend aan deze waarden hanteert de gemeente een aantal overkoepelende waarden die niet gebiedsafhankelijk zijn. Dit zijn de waarden die de basis vormen; zelfsturing, diversiteit en duurzaamheid. Conform de waardenkaart is het plangebied gelegen in een gebied aangeduid als ‘Kernen’. De dorpen bestaan uit hechte gemeenschappen met een geheel eigen identiteit. In de kernen staat zorg voor elkaar hoog in het vaandel en bloeit het verenigingsleven. Zelfsturing zit geworteld in de dorpen. Daarmee bedoelt de gemeente dat mensen het beste zélf en met elkaar kunnen bepalen hoe zij samenleven, wat zij belangrijk vinden en welke keuzes ze maken. Er is voldoende kracht en kennis in de gemeenschappen aanwezig om zaken zelf voor elkaar te krijgen of te ontwikkelen. De dorpsvisies zoals die er op dit moment liggen, laten dat goed zien. Het versterken van de waarden kan gezocht worden in onder andere: ▪ De gemeente gaat uit van de identiteit per dorp als basis voor de toekomst. Maatwerk per dorp is hierbij het uitgangspunt. In- en uitbreidingen passen bij de schaal en maat van het dorp. Initiatieven moeten bijdragen aan het versterken van de identiteit per dorp.

▪ Bij ontwikkelingen in de dorpen kijkt de gemeente niet alleen naar nieuwe functies, zoals woningen, maar ook naar de gevolgen van die ontwikkeling voor het sociale netwerk in het dorp. Welke invloed heeft de fysieke ontwikkeling op sociaal gebied voor het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin en een gezonde en veilige leefomgeving in het dorp. ▪ De gemeente geeft prioriteit aan inbreidings- en herontwikkelingsmogelijkheden binnen het dorp, voordat aan de rand van het dorp kan worden gebouwd. Waar mogelijk worden bestaande woningen aangepast in de richting van levensloopbestendige en duurzame woningen. Inbreiding mag echter niet ten koste gaan van de groene kwaliteiten in het dorp. In de Omgevingsvisie wordt geen nieuwe koers vastgelegd. De reeds ingezette koers uit de kaderstellingen en de beleidsdocumenten wordt samen in één document gevoegd. Dit alles is samengebracht in 6 opgaven van beleid, waarvan de eerste 3 overkoepelend zijn: 1. Zo worden we duurzamer; Het realiseren van een duurzame toekomstig bestendige gemeente, duurzaamheid wordt opgesplitst in de deelonderwerpen: klimaatadaptie, energietransitie en circulariteit. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling en bij nieuwe initiatieven dient gekeken te worden naar de mogelijke adaptieve maatregelen op het gebied van onder andere hittestress of wateroverlast.

Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het (lokaal) opwekken van duurzame energie en het inzetten op circulariteit. 2. Een gezonde en veilige leefomgeving; De gemeente zet in op gezondheid en veiligheid als belangrijke afwegingsfactoren bij ruimtelijke plannen. Het gaat hierbij om aspecten zoals luchtkwaliteit, hittestress, gezondheid maar ook het stimuleren van de bewoners tot meer bewegen en ontmoeten. 3. Het versterken van natuur en biodiversiteit; Een groene en gezonde leefomgeving draagt bij aan een positieve gezondheid en het goede leven. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen gerealiseerd te worden met een meerwaarde voor de natuur en de biodiversiteit, waarbij natuurinclusief bouwen de norm is. 4. Goed wonen voor iedereen; De gemeente zet in op het in balans brengen van de vraag en het aanbod van woningen ten behoeve van vitale gemeenschappen. De juiste woning op de juiste plek en met de juiste kwaliteit. De gemeente blijft in gesprek met het dorpsoverleg, initiatiefnemers en ontwikkelaars over het thema wonen. Het doel is een leefomgeving te creëren die rekening houdt met het veranderde klimaat en daarnaast bijdraagt aan de gezondheid, biodiversiteit en veiligheid van de inwoners. Woningen worden in principe toegevoegd in de kernen, bij voorkeur op herstructureringslocaties, alsmede het faciliteren van passende woonruimte voor diverse doelgroepen. 5.

Toekomstgericht ondernemen; Uitgangspunt is ondersteunen in de transitie naar een circulaire, waarden gedreven economie en kenniscirculatie. Een toekomstbestendige economie zorgt voor welvaart en draagt bij het goede leven in Peel en Maas. Gemeente faciliteert lokale bedrijven, die geworteld zijn in de samenleving, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, het MKB en recreatie en toerisme. Daarnaast wordt ingezet op herstructurering boven uitbreiding en het hergebruik van leegstaand agrarisch vastgoed voor recreatie/toerisme en bedrijvigheid.

25

6.

Balans in het buitengebied. Een van de belangrijkste economische dragers van het buitengebied is de land- en tuinbouw binnen Peel en Maas. De gemeente stimuleert het faciliteren van kringloop- en natuurinclusieve landbouw dat leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Het doorontwikkelingen van grootschalige agrarische bedrijvigheid is toegestaan in gebieden waar dit passend in op basis van een gebiedsgerichte aanpak, uitbreiding gaat gepaard met een tegenprestatie. Ook wordt gestimuleerd op hergebruik c.q. herbestemming van leegstaand/leegkomend agrarisch vastgoed onder voorwaarde dat er sprake is van kwaliteitswinst in de vorm van een bijdrage aan de doelen/speerpunten. Via de win-win regeling zijn er ook beperkte mogelijkheden voor de inzet van woningbouw om leegstand tegen te gaan. Bij hergebruik c.q. herbestemming is de sloop van overtollige gebouwen een belangrijk uitgangspunt.

De opgaven dienen in samenhang van elkaar gezien te worden, waarbij met name de eerste drie overkoepelende opgaven als leidende principes gelden. Bij elke ontwikkeling dient bekeken te worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaves geleverd kan worden. Afweging In de omgevingsvisie komt naar voren dat de gemeente Peel en Maas zich inzet om een balans te vinden tussen de vraag en aanbod van woningen. Met onderhavig initiatief wordt hierbij aangesloten. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op het beëindigen van een detailhandelszaak en het herontwikkelen van de locatie voor woningbouw. Met de herontwikkeling wordt enerzijds leegstand van een niet toekomstbestendige detailhandel locatie voorkomen en anderzijds worden woningen gerealiseerd om een bijdrage te leveren aan het dringende woningtekort. De herontwikkeling voorziet in het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning en het realiseren van twee kleine woningen en twee levensloopbestendige woning. De kleine woningen zijn met name geschikt voor starters en 55-plussers. De levensloopbestendige woningen zijn daarbij gezien de grootte en uitvoering uitermate geschikt voor (jonge) gezinnen en senioren. Er is daardoor sprake van een mix van woningen die geschikt zijn voor een brede doelgroep. Met het initiatief is tevens sprake van het verminderen van de verstening.

Een groot deel van de erfverharding wordt namelijk verwijderd zodat ruimte kan worden gecreëerd voor een buitenruimte behorende bij de (nieuwe) woningen. Daarnaast leidt het verwijderen van de erfverharding tot een verbetering van de infiltratie binnen het plangebied. Tevens wordt de locatie vergroend door de aanplant van leibomen aan de zijde van de Steenstraat. Dit zorgt dan ook voor een verduurzaming van de locatie en draagt tevens bij aan een gezonde leefomgeving. De ontwikkeling valt zodoende onder opgave 1, 2 en 4. Oude en logge bebouwing wordt namelijk gesloopt, erf verharding wordt verwijderd en hiervoor in de plaats worden duurzame woningen gebouwd met een eigen buitenruimte. Daarnaast wordt leegstand en verval voorkomen en wordt de locatie vergroend wat positieve effecten heeft op de leefbaarheid van Panningen. Tevens worden woningen gerealiseerd die aansluiten bij de actuele woningvraag. 4.4.3 Kaderstelling ruimte Peel en Maas De gemeenteraad van Peel en Maas heeft in de raadsvergadering van 17 april 2024 de zogenoemde kaderstellingen Ruimte, Sociaal Domein, Vitale Gemeenschappen en Economie vastgesteld. Met deze kaderstellingen bepaalt de gemeenteraad de koers die Peel en Maas de komende jaren wil varen op deze thema’s. De gemeente Peel en Maas is een gemeente van gemeenschappen.

Hier werken inwoners, ondernemers en organisaties samen aan een Peel en Maas waarin het goede leven nu en in de toekomst beleefd kan worden door iedereen die in de gemeente verblijft. Een Peel en Maas waarin gemeenschappen zelf vorm en inhoud geven aan hun eigen leefwereld.

26

Om te komen tot de kaderstelling heeft de gemeente de volgende stappen gezet: 1. De gemeente heeft een zogenaamd ‘Omgevingsbeeld’ opgesteld. Dit is een document waarin zij zo feitelijk mogelijk een aantal trends en ontwikkelingen hebben benoemd die relevant zijn voor deze kaderstelling. 2. Vervolgens organiseerde de gemeente enkele zogenaamde ‘ambitiegesprekken’. Tijdens deze gesprekken gingen mensen die ontwikkelgericht denken met elkaar in gesprek over actuele onderwerpen die binnen het thema spelen. Op basis van deze gesprekken – en uiteraard op basis van de gesprekken die de gemeente dagelijks heeft met inwoners, ondernemers en organisaties en allerlei andere bronnen – kwam de gemeente tot een gedeelde ambitie op dit thema. Deze ambitie wordt onderschreven door inwoners en organisaties die met de gemeente willen werken aan deze gedeelde ambitie. 3. Daarna stelde de gemeente op programmaniveau een aantal doelen op die haar als gemeente helpen om onze bijdrage te leveren aan de gedeelde ambitie. De drie kernwaarden vormen hierbij een waardevolle bron van inspiratie. Deze kaderstelling kijkt 10 jaar vooruit en geldt daarmee voor de periode 2024 – 2034. Zoals gebruikelijk herijkt de gemeente deze kaderstelling na 5 jaar. Het initiatief heeft betrekking op het beëindigen van een detailhandelszaak en het herontwikkelen van deze locatie voor woningbouw.

In dat kader is de kaderstelling ‘Ruimte’ van toepassing. In de kaderstelling ‘Ruimte’ heeft de gemeente de volgende programmadoelen opgenomen: - Versterking van de ruimtelijke kwaliteit is het uitgangspunt, met extra aandacht voor natuurinclusiviteit - Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn vitale gemeenschappen een belangrijk uitgangspunt - De economische ontwikkeling is ondersteunend aan vitale gemeenschappen, in balans met ruimtelijke waarden en stimuleert een gezonde arbeidsmarkt - De fysieke leefomgeving draagt bij aan een gezond leven en is klimaatadaptief en klimaatbestendig - Peel en Maas is energieneutraal in 2050 - Gezonde, veilige, toegankelijke en slimme(re) (collectieve) mobiliteit is beschikbaar in Peel en Maas - In Peel en Maas zijn per doelgroep voldoende betaalbare duurzame woningen beschikbaar - Een kwalitatief goede, duurzaam ingerichte en onderhouden openbare ruimte die rekening houdt met de karakteristieke eigenschappen van (de kernen in) Peel en Maas - De openbare ruimte is van en voor iedereen, is veilig en toegankelijk en nodigt uit om te ontmoeten en te bewegen - De openbare ruimte is klimaatbestendig - Afval is grondstof De gemeente stuurt op hergebruik van bestaande bebouwing, daar dit een positieve bijdrage levert aan vitale gemeenschappen. Hergebruik gaat daarbij boven uitbreiding en nieuwvesting.

Initiatieven die bijdragen aan het verminderen van leegstand ondersteunt de gemeente omdat deze bijdragen aan de vitaliteit van de kernen. Worden de gebouwen niet hergebruikt, is de kans reëel dat de locatie op termijn verloedert. Ook dient voorkomen te worden dat leegstaande gebouwen gebruikt worden voor activiteiten die niet gewenst zijn. Om vitaliteit en leefbaarheid van de kernen te behouden is het zaak om de bestaande en nieuwe woningvoorraad in balans te brengen met de vraag en het aanbod van nu en voor de toekomst. Kernwoorden hierbij zijn: zorgen voor en omkijken naar elkaar, hergebruik van bestaande bebouwing, levensloopbestendig, betaalbaar en duurzaam. Het juiste type woning van de juiste kwaliteit op de juiste plek en voor de juiste doelgroep sluit aan bij de uitdagingen die de gemeente ziet op het gebied van betaalbaarheid, diversiteit, duurzaamheid en beschikbaarheid. Het eigenaarschap voor verduurzaming en het levensloopbestendig maken van de woning ligt in eerste instantie bij de particuliere eigenaar/ woningcorporatie. De gemeente ziet hierbij niet alleen een oplossing door het toevoegen van nieuwe woningen. Daarom stimuleren zij het levensloopbestendig (ver)bouwen en verduurzamen van woningen of creëren zij kansen voor doorstroming.

27

Afweging De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekken op het beëindigen van een detailhandelszaak en het herontwikkelen van de locatie voor woningbouw. Met de herontwikkeling wordt enerzijds leegstand van een niet toekomstbestendige detailhandel locatie voorkomen en anderzijds worden woningen gerealiseerd om een bijdrage te leveren aan het dringende woningtekort. De herontwikkeling voorziet in het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning, het realiseren van twee kleine halfvrijstaande woningen en het realiseren van twee levensloopbestendige halfvrijstaande woningen. De woningen zijn beoogd voor alleenstaanden, starters en senioren en worden duurzaam en toekomstbestendig gerealiseerd. Het initiatief sluit daarmee perfect aan bij de visie van de gemeente om locaties te herontwikkelen en om duurzame woningen te realiseren voor de juiste doelgroep.

28

5. FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU Met de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de invloed op de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en er dient sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.1

Milieueffectrapportage

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Om te bepalen of m.e.r. noodzakelijk is dient bepaald te worden of de activiteit voor komt in de tabel in bijlage V Ob. Bijlage V heeft als ingang (1e kolom) de omschrijving van een project. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaan dan om besluiten waarmee toestemming voor een project wordt verleend. Of voor een besluit een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt volgt uit de tweede en derde kolom als het project voldoet aan de voorwaarde uit kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Op grond van categorie J11 geldt een m.e.r-beoordelingsplicht voor een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Onder deze categorie vallen ook onder andere woningbouw, de bouw van kantoren, universiteiten, bioscopen, theaters, woonboulevards, ziekenhuizen en scholen. Ook dergelijke stedelijke projecten in “dorpen” vallen eronder.

Hiertoe moeten ook alle voorzieningen worden gerekend die moeten worden getroffen voor dat project, zoals de aanleg van infrastructuur. Opgemerkt wordt dat het begrip verschilt van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’, zoals dat wordt gehanteerd bij de Ladder van duurzame verstedelijking. Onderhavige ontwikkeling voorziet enerzijds in het omzetten van een bedrijfswoning naar burgerwoning en anderzijds in het realiseren van twee kleine halfvrijstaande woningen en twee levensloopbestendige halfvrijstaande woningen. In categorie J11 is opgenomen dat bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (zoals woningbouw) een mer-beoordelingsplicht geldt. Het initiatief wordt hieronder getoetst aan de selectiecriteria van de milieueffectbeoordeling. Kenmerken van het project Criteria Toets Het project heeft betrekking op het beëindigen van een detailhandelszaak en het Omvang van het project herontwikkelen van de locatie voor woningbouw. De herontwikkeling voorziet in het gebruiken van de bedrijfswoning als burgerwoning, het realiseren van twee kleine halfvrijstaande woningen en twee levensloopbestendige halfvrijstaande woningen. Het tijdelijk omgevingsplan staat de beoogde herontwikkeling van de locatie niet toe. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt afgeweken van het tijdelijk omgevingsplan middels een TAM-omgevingsplan.

Cumulatie met andere Nee projecten Gebruik van natuurlijke Nee grondstoffen

29

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het projectgebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Afweging: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ Gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ Gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Detailhandel N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Nee Nee

Afweging: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied

Toets Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

Afweging: het projectgebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Afweging Voor onderhavig initiatief is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet nodig is.

30

5.2

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem opgenomen in paragraaf 5.1.4.5. Hierin wordt bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. In het kader van de beoogde ontwikkelingen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd1. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek stand houdt. In de grond zijn verhoogde gehalten cadmium, kobalt, koper, lood, zink, minerale olie en PAK aangetoond boven de landbouw/natuurnormen. Tevens is in het grondwater nog een verhoogd gehalte barium boven de streefwaarde gemeten. De verhoogde gehalten zware metalen, minerale olie en PAK in de grond zijn vermoedelijk veroorzaakt door het decennialange gebruik voor menselijke activiteiten. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is in de regio een bekend verschijnsel. De verhoogde gehalten worden derhalve toegeschreven aan van nature verhoogde achtergrondconcentraties.

De vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen directe belemmering of beperking voor het gebruik van de onderzoekslocatie. Wel dient er rekening mee gehouden te worden dat eventueel op de onderzoekslocatie vrijkomende grond buiten de onderzoekslocatie niet overal kan/mag worden toegepast. Of de vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen onroerende zaak transactie (aankoop) is afhankelijk van hetgeen partijen overeenkomen.

5.3

Bedrijven en milieuzonering

functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Met ingang van de Omgevingswet worden het ruimtelijke en fysieke spoor verder geïntegreerd. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. De uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet’ (2024). Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De Lijst van bedrijfsactiviteiten biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten, aan de hand van de SBI-codes (2008). Deze lijst is geactualiseerd in de publicatie ten behoeve van het functiemenging en het mogelijk maken van maatwerk. Daarnaast zijn de toetsbare aspecten geur en geluid. Ook is er de categorie ‘FM’ opgenomen, FM staat voor functiemening. Functiemenging is mogelijk in gebieden waar naast wonen ook andere functies aanwezig zijn. Dit zijn functies die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor de ligging in een gebied met functiemengingen inclusief wonen.

1 HMB, Verkennend bodemonderzoek, Steenstraat 93 Panningen, 5 september 2024, kenmerk: 24266401A

31

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor. Rondom het projectgebied liggen namelijk verschillende functies waaronder woon- werkkavels, een kantoor en woningen. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden - zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat - met één afstandsstap worden verkleind. De woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de bestaande woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies.

In de omgeving van het plangebied (250 meter) liggen de volgende milieubelastende functies: Functie

SBI2008

Bedrijfslocatie van milieu categorie 1 en 2

-

Kantoor

941, 942 0150

Akker-en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren (grondgebonden agrarisch bedrijf*) Glastuinbouwbedrijf

011, 012, 013

Adres

Steenstraat 74 Heibloemseweg 5a Everlopad 4a Everlopad 6a Everlopad 8a Everlopad 10a Groenstraat 2a Steenstraat 8991 Heibloemseweg 10

Steenstraat 105

Aan te houden afstanden Geluid Geur 10 meter

Afstand tot plangebied Steenstraat 93. 30 meter 50 meter 55 meter 65 meter 80 meter 95 meter 110 meter

Woningen Steenstraat 50 meter 55 meter 70 meter 80 meter 95 meter 110 meter 125 meter

Woningen Heibloemseweg 45 meter 20 meter 75 meter 85 meter 95 meter 105 meter 120 meter

0 meter 10 meter

0 meter 50 meter

20 meter

35 meter

7 meter

70 meter

60 meter

60 meter

10 meter

0 meter

110 meter

90 meter

130 meter

* Onder een grondgebonden bedrijf wordt verstaan een bedrijf voor het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf met een omvang van minimaal 12 NGE.

Afweging Aan alle richtafstanden worden in dit specifieke geval gedaan. Gesteld kan worden dat omliggende bedrijvigheid geen belemmering vormt tegen de beoogde herontwikkeling. Daarnaast leidt het initiatief niet tot negatieve consequenties voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze omliggende bedrijven en functies doordat reeds bestaande woningen al dichterbij zijn gelegen en maatgevend zijn.

32

5.4

Geluid

Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Het Bkl bevat geluidsregels die zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied rekening met het belang van het beschermen van gezondheid en milieu. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op een geluidgevoelig object gelegen binnen het aandachtsgebied van een geluidbronsoort. Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, dan is het geluid in ieder geval aanvaardbaar (hoofdregel Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar toelaten.

Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluid boven de grenswaarde is, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan. De eisen uit het Bkl zijn van toepassing op het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Artikel 5.78r van het Bkl stelt dat de eisen niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen voor zover die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan. Geluid door activiteiten Artikel 5.1.4.2 kent een splitsing tussen geluid door activiteiten en geluid door specifieke activiteiten, dit artikel is dan ook van toepassing op alle denkbare activiteiten, met uitzondering van geluid van woonactiviteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. Het staat echter de gemeenteraad vrij om hier geluidwaarden aan te stellen. Wegverkeerslawaai Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) bevat de geluidsgegevens van heel Nederland. Aan de hand van de CVGG kan worden afgelezen of een bepaalde locatie binnen een geluidsaandachtsgebied is gelegen. Momenteel is de CVGG nog niet volledig en ontbreken er nog gegevens. Op grond van het overgangsrecht (art.

17.5 Or) geldt in dat geval aan weerszijde van de weg een geluidsaandachtsgebied op basis van richtafstanden. Beschrijving Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid van ≤ 30 km/u Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid > 30 km/u, of; Een spoorweg bestaand uit 1 of 2 sporen Een weg bestaande uit 3 of meer rijstroken, of; Een spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen In het kader van onderhavig initiatief is een akoestisch onderzoek2 uitgevoerd.

2 HMB, akoestisch onderzoek, Steenstraat 93 Panningen, 26 maart 2025, kenmerk 24266402N

33

Aandachtsgebied 100 meter 200 meter 350 meter

Uit het onderzoek volgt: ▪ dat het geluid als gevolg van gemeentewegen op de kavels 1, 3 en 4 hoger is dan de standaardwaarde, maar wel voldoet aan de grenswaarde. Op grond van art. 5.78u uit het Bkl kan een bestemmingsplan geluid tot aan de grenswaarde toelaten. In onderhavige situatie wordt voldaan aan de voorwaarden die het Bkl daarvoor stelt; ▪ dat geen aanvullende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de eisen aangaande de gevelgeluidwering; ▪ dat de nieuwe woonfuncties geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; ▪ dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Dakconstructie: In het akoestisch onderzoek is gerekend met een specifieke Unilin dakplaat. In het overzicht in het rapport wordt dit een standaard dakplaat genoemd, echter de plaat bevat minerale wol en dat is niet standaard. Dit geldt ook voor BP3a. Hierom is de berekening van het akoestisch onderzoek aangepast (zie bijlage 2 akoestisch onderzoek aanvulling). In de aanvulling is in plaats van de daken met minerale wol een variant gekozen met pur/ps-isolatie (daktype DH2). Daaruit blijkt dat daarmee ook aan de geluideisen wordt voldaan. Doelmatigheid geluidbeperkende maatregelen (conform §3.5.4.4 Bkl): De doelmatigheid van een maatregel wordt bepaald door het aantal ‘maatregelpunten’ af te zetten tegen het aantal ‘reductiepunten’.

De grootste overschrijding vindt plaats als gevolg van de Steenstraat. Deze weg levert op kavel 1 een geluidbelasting van 60 dB. Op overige wegen levert deze belastingen van 52 (kavel 2 en 3) en 49 (kavel 4). In totaal leveren deze belastingen 6200 reductiepunten op. Maatregelpunten worden toegekend indien op een weg ZOAB of ‘dunne deklagen’ worden toegepast. ZOAB is alleen effectief op wegen met een snelheid van minimaal 70 km/h. Daarvan is geen sprake, dus dat valt af. Resteert toepassing van een dunne deklaag type B. Als dit op de gehele Steenstraat wordt toegepast daalt de geluidbelasting tot 58 dB. Deze zelfde reductie wordt ook al gehaald als ‘slechts’ de maatgevende 100 m ter plaatse van de woning wordt voorzien van een dunne deklaag B. Bij een wegbreedte van 6,5 m kost 100m deklaag 585 maatregelpunten. Een maatregel is effectief als het aantal maatregelpunten lager is dan het aantal reductiepunten, met dien verstande dat de afname bij ten minste één woning minimaal 5 dB moet zijn (art. 3.49 Bkl). Daarvan is geen sprake. Maatregel is dus niet effectief. De Heibloemseweg levert een geluidbelasting op kavels 3 en 4 van 54 dB. Op kavels 1 en 2 ten hoogste 40 dB. Dit levert 3800 reductiepunten op. Indien op de gehele weg het asfalt wordt vervangen door een dunne deklaag dal t de geluidbelasting tot ten hoogste 51 dB.

Ook hier geldt dat hetzelfde effect wordt bereikt met ‘slechts’ 100 m deklaag. Bij een wegbreedte van 6 m kost dit 540 maatregelpunten. Het effect is echter bij geen enkele woning groter dan 5 dB, waardoor ook deze maatregel niet kosteneffectief is. Bovendien ligt de locatie kort bij de kruising Steenstraat/Heibloemseweg. Dunne deklagen zijn in principe niet toepasbaar bij kruisingen met afslaand verkeer. Toepassing van een dunne deklaag is daarmee sowieso al discutabel. Conclusie Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling.

5.5

Luchtkwaliteit

Het gebruik van de fysieke leefomgeving kan ongewenste bijwerkingen met zich meebrengen op het gebied van luchtkwaliteit. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl.

34

Hier worden de grenswaarden beschreven voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het toestaan van de activiteit: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Afweging Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,8 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,6 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 13,0 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.

Het Besluit NIBM Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) aan de concentratie van een bepaalde stof. Voor deze activiteiten is dan ook geen toetsing noodzakelijk De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (artikel 5.53 en 5.54 Bkl) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is in NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. In dit geval is sprake van het realiseren van vier nieuwe woningen. Het initiatief valt daarom onder de 3% norm. Het initiatief draagt zodoende ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

35

Afweging Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen conform Ow en Bkl en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.

5.6

Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Rijksregels zouden zorgen voor het relatief vaak moeten vaststellen van maatwerkvoorschriften. Daarom is uitgangspunt dat geurhinder vooral in decentrale instrumenten zoals in het omgevingsplan wordt geborgd. Artikel 5.92 Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Artikel 5.91 geeft aan dat geurgevoelige gebouwen in ieder geval gebouwen met een woon-, onderwijs-, of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang betreffen.

Ondanks dat geur vooral een lokaal aspect is, is het voorkomen of beperken van geurhinder één van de oogmerken van de rijksregels artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over het verplicht binnen uitvoeren van activiteiten en beperkingen van emissies naar lucht die indirect ook een positief effect hebben op geuremmissies. De regels over geur in paragraaf 5.1.4.6 zijn een voortzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en voor zover het gaat om de geurregels voor het houden van landbouwhuisdieren zijn deze regels ook een voortzetting van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurregels beogen eenzelfde beschermingsniveau te bieden en voorzien in een beleidsneutrale omzetting. Gemeenten leggen in het omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijke omgevingsplan dan gelden, indien van toepassing de gemeentelijke geurverordening, of op grond van artikel 22.1 en 22.2 Ow de geurregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat en maken deze deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege.

Veehouderijen Conform artikel 22.3.6.2 BS geldt dat de geur op een geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied, niet meer mag bedragen dan 3,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouderij 3,0 Ou/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste van 50 meter (gevel stal) en 100 meter (emissiepunt stal).

36

De woningen binnen het plangebied kunnen geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 250 meter rondom het plangebied bevinden zich de volgende (intensieve) veehouderijen: ▪ Een melkveehouderij aan Palserpad 3, afstand tot het plangebied 120 meter; ▪ Een pluimveehouderij aan de Steenstraat 50, afstand tot het plangebied 190 meter; ▪ Een paardenhouderij aan de Heibloemseweg 14, afstand tot het plangebied 230 meter; ▪ Een paardenhouderij aan Steenstraat 61, afstand tot het plangebied 240 meter; ▪ Een melkveehouderij aan de Steenstraat 117, afstand tot het plangebied 240 meter. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden (melkveehouderij en paardenhouderij), tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Bkl voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Bij de pluimveehouderij worden dieren met geuremissiefactoren gehouden. Van deze veehouderij is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning” (zie bijlage 2). Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het plangebied meest nabij gelegen hoek van het beoogde bouwvlak. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Hoek 5 Hoek 6

X195 136 195 132 195 184 195 198 195 169 195 169

Y 371 750 371 723 371 705 371 172 371 732 371 751

Steenstraat 50 1,0 1,0 1,2 1,3 1,2 1,2

Afweging De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 1,3 OU/m3. Op basis van artikel 22.3.6.2 BS is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 3,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De woningen binnen het plangebied, welke verder van de intensieve veehouderijen zijn gepositioneerd dan bestaande woningen, hebben derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen.

5.7

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid, ofwel omgevingsveiligheid. Regels omtrent externe veiligheid zijn gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico die op een locatie is toegestaan.

37

In het Bkl (bijlage VII) is een lijst opgenomen met activiteiten die aangewezen zijn als risicobron. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels omtrent het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; ▪ Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ▪ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen; ▪ Windturbines. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico (GR) Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten (zie afbeelding 15). Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen een beschermingszone van mogelijke omliggende risicovolle activiteiten.

38

Afbeelding 13.Uitsnede risicokaart met plangebied rood omlijnd

Afweging Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.8

Trillingen

Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Afweging Het plangebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Derhalve vormt het aspect trillingen geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Water

Bij het realiseren van nieuwe bebouwing en/of het toestaan van nieuwe activiteiten kan er sprake zijn van wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen in het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat bij de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden met het waterbelang.

39

Het is van belang om bij ruimtelijke ontwikkelingen duiding te geven aan het waterbelang en de gevolgen voor het beheer van het watersysteem. De opvattingen van het bestuursorgaan (of de bestuursorganen) dat is belast met het beheer van het watersysteem moeten bij de planvorming betrokken worden. Daarnaast gaat paragraaf 5.1.3 van het Bkl specifiek in op onderdelen van het watersysteem die van rijksbelang zijn. Voor Peel en Maas is hierin paragraaf 5.1.3.4, grote rivieren specifiek van belang. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen. 5.9.1 Waterbeleid Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=70d3fce1-1b84-47bd-b36d-717787be78b9