2026-024 03 Ruimtelijke motivering
Tekst van het document
Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de provinciale omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. 5.9.2 Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het projectgebied aangeduid als hoge zwarte enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand.
Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het projectgebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45-0,75 m/dag. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2021. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat in de nabijheid van het plangebied de Nobis stroomt. Op deze watergang is de Keur van het waterschap van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd.
40
Afvalwater De woning aan de Steenstraat 93 is reeds aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Het vuilwater afkomstig van de twee kleine halfvrijstaande woningen en de twee levensloopbestendige halfvrijstaande woningen zal worden geloosd op de aanwezige riolering. Het stelsel is, naar verwachting, voldoende van omvang om van slechts vijf woning en de daarmee gepaard gaande geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken. Mocht het rioleringsstelsel niet van voldoende omvang zijn dan dient bij de aanvraag voor de bouw van de woningen gekeken te worden naar eventuele oplossingen zoals het verzwaren van het stelsel of het plaatsen van een extra pomp. 5.9.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Onderhavig initiatief heeft betrekking op het beëindigen van een detailhandel locatie en het herontwikkelen van de locatie voor woningbouw. In het kader van het initiatief worden het bestaande winkel c.q. bedrijfspand en de drie loodsen gesloopt. Hiervoor in de plaats worden twee kleine halfvrijstaande woningen en twee levensloopbestendige halfvrijstaande woningen gebouwd. Daarnaast zal een groot deel van de erfverharding worden verwijderd. Bestaande bebouwing / verharding Woning Winkelruimte aanpandig aan de woning Vrijstaand winkelpand Werkplaats Tuinhuis Loodsen Verharding
Oppervlakte 120 m2 70 m2 235 m2 180 m2 25 m2 175 m2 470 m2
Totaal
1.275 m2
Beoogde bebouwing / verharding Woning Kleine woning 1 Kleine woning Garage 1 Garage 2 Levensloopbestendige woning 1 Levensloopbestendige woning 2 Verharding Totaal
Oppervlakte 120 m2 96 m2 82 m2 23 m2 40 m2 115 m2 115 m2 285 m2 876 m2
In totaal wordt circa 685 m2 aan bebouwing gesloopt en circa 470 m2 aan verharding verwijderd. Hiervoor in de plaats wordt circa 470 m2 aan (woon)bebouwing en 285 m2 aan verharding gerealiseerd. Doordat meer bebouwing en verharding wordt verwijderd dan toegevoegd heeft dit louter positieve effecten voor de waterhuishouding binnen het plangebied. De gemeente Peel en Maas streeft naar het afkoppelen van hemelwater. Nieuwbouwwoningen in de gemeente worden standaard niet meer op het riool aangesloten voor de afvoer van hemelwater. Bij de bouw van de nieuwe woningen zal het hemelwater dan ook op eigen terrein worden opgevangen. Hiervoor is voldoende ruimte. De exacte omgang met hemelwater zal worden uitgewerkt bij het definitieve bouwplan in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor de woning, de bijgebouwen en andere verhardingen. Hiervoor dienen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd: ▪ Bij een infiltratievoorziening zonder een overloop op het oppervlaktewater moet boven de infiltratievoorziening een dynamische buffer worden gerealiseerd die geschikt is om een bui van 100 mm te infiltreren waarbij de infiltratiecapaciteit van de bodem in 24 uur meegenomen mag worden. ▪ Geadviseerd wordt geen uitlogende materialen zoals zink, koper of lood toe te passen.
5.10 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen worden middels een planologische beschermingszone vastgelegd. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Afweging Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
41
5.11 Natuur De Europese natuurwetgeving was in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. De Wnb gaat in het kader van de Omgevingswet op in het Aanvullingsbesluit natuur en Aanvullingsregeling Natuur. Deze overgang is beleidsneutraal, de thans geldende normenkaders, instrumenten en bevoegdheidsverdeling blijven dan ook ongewijzigd. 5.11.1 Flora en fauna In het kader van de beoogde ontwikkelingen is een ecologische quickscan uitgevoerd3. Vleermuizen – zorgplicht Met de voorgenomen werkzaamheden gaan geen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van deze soortgroep is niet nodig. Om het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen. Men dient wel rekening te houden met mogelijke negatieve externe effecten, zoals kunstlicht, geluid en trillingen. Er dient zoveel mogelijk bij daglicht te worden gewerkt en indien kunstlicht nodig is, dit zodanig te richten dat de omliggende bebouwing, bomen en andere groenelementen niet worden verlicht, om zoveel mogelijk verstoring door licht te voorkomen.
Grondgebonden zoogdieren – zorgplicht Het is mogelijk dat er individuen van vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren binnen het plangebied kunnen voorkomen. De zorgplicht is altijd van kracht. Broedvogels – zorgplicht en werken buiten broedseizoen De te slopen bebouwing biedt geen geschikte nest- of verblijfplaatsen voor vogels. Er worden geen verbodsbepalingen uit de Omgevingswet overtreden, waardoor een vergunningaanvraag niet nodig is. Om verstoring van algemene Vogelrichtlijnsoorten te voorkomen, dienen werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen noodzakelijk zijn, moet kort voorafgaand een broedvogelcheck worden uitgevoerd door een deskundig ecoloog. Pas wanneer is vastgesteld dat er geen broedende vogels aanwezig zijn, mogen de werkzaamheden van start gaan. Amfibieën – zorgplicht Het is mogelijk dat er enkele individuen van algemene amfibiesoorten, zoals bruine kikker en gewone pad, in landfase voorkomen binnen het plangebied. Deze soorten zijn vrijgesteld in de provincie Limburg, maar hiervoor geldt wel de zorgplicht. Overige soortgroepen Voor de volgende soortgroepen geldt dat met de voorgenomen ingreep geen negatieve effecten worden verwacht: flora, marterachtigen, reptielen, vissen en ongewervelden.
Uit provinciale gegevens blijkt daarnaast dat er in de nabijheid van het plangebied waarnemingen zijn gedaan van een steenuil. Het voorkomen van deze soort hoeft in principe geen belemmering te vormen voor het verlenen van de vergunning wanneer er tijdens de bouw van de woningen rekening wordt gehouden met deze soort. Om potentiële overtredingen te voorkomen wordt er geadviseerd om het perceel te voorzien van een goede landschappelijk inpassing die rekening houdt met de steenuil, dan wel potentieel leefgebied beschermt. Met het initiatief wordt hierop ingespeeld door het verwijderen van de verharding en het realiseren van tuinen bij de woningen. In de voortuinen kan vervolgens beplanting worden aangebracht die aansluit bij het leefgebied van de steenuil.
3 Brabant eco, Ecologische quickscan, Steenstraat 93 en 95 Panningen, 21 oktober 2025
42
5.11.2 Natura2000 Regels omtrent stikstofdepositie zijn geregeld in artikel 22.20 Ow. Hierin staat vermeld dat de regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven geleden tot bij een koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is, mits uitgesloten kan worden dat een project geen merkbaar c.q. negatief effect heeft voor wat betreft de stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura2000-gebieden. Een mogelijk negatief effect komt voort door verzuring en/of vermesting, van het initiatief, op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOX of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Stikstofdepositie kan plaatsvinden, afhankelijk van het beoogde project, gedurende de (ver)bouw-/aanlegfase, sloopfase en gebruiksfase. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Deurnsche- en Mariapeel, ligt op circa 5,8 km van het plangebied.
Over een afstand van 5,8 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Aanlegfase De voorliggende ontwikkeling betreft de sloop van een winkel c.q. bedrijfspand en drie loodsen, het verwijderen van een deel van de erfverharding en vervolgens het oprichten van twee kleine halfvrijstaande woningen met garagebox aan de zijde van de Steenstraat en twee levensloopbestendige halfvrijstaande woningen aan de zijde van de Heibloemseweg. In het kader van het planvoornemen, worden naast de woningen, ook de openbare ruimte ingericht, met onder andere een interne ontsluitingsweg en parkeerplaatsen. Zowel bij de sloop van de aanwezige bebouwing, de inrichting van de openbare ruimte als de realisatie van de woningen wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof. Deze emissie is berekend.
Werktuig
Bouwjaar
Brandstof
Vermogen (kW)
Belasting (%)
Liters diesel per uur*
Draaiuren
Brandstof Verbruik (L/j)
Adblue verbruik (l/j)
Totale emissie
Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de sloop van de bebouwing, de aanpak van de openbare ruimte en de realisatie van woningen.
Betonpomp
2014
Diesel
200
70
38,40
20
768
53
1,1
Hijskraan
2015
Diesel
100
70
19,28
20
386
27
0,4
Graafmachine (middelgroot) Graafmachine (groot) Laadschop (middelgroot) Laadschop (groot)
2015
Diesel
100
70
19,28
24
463
32
1,1
2014
Diesel
100
70
19,47
24
467
32
0,8
2015
Diesel
100
55
15,34
24
368
25
0,8
2014
Diesel
100
55
15,49
24
372
26
0,4
Asfaltfreesmachine
2014
Diesel
140
80
17,81
6
107
0
3,6
43
Asfalt afwerkinstallatie Wals
2015
Diesel
60
70
11,79
6
71
0
2,4
2013
Diesel
40
55
6,46
8
52
0
1,1
Trilplaat
2008
Benzine
20
40
3,79
24
91
0
2,9
Totaal
13,3
Ten tijde van de aanlegfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 16 bedrijfsbusjes per etmaal, dit betreft licht verkeer. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 6 vrachtwagens aanwezig zijn die zorgen voor 12 zware verkeersbewegingen. Conform de handreiking koude start van BIJ12, is er sprake van een koude start als een voertuig langer dan 2 uur heeft stilgestaan. Voor wat betreft het zwaar verkeer is het aannemelijk dat deze materialen komen leveren en daarna weer vertrekken. Er is derhalve enkele sprake van koude starts bij licht verkeer, en dat is op het moment van vertrek aan het einde van de dag. Derhalve wordt er uitgegaan van 16 koude starts per etmaal. Gebruiksfase Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer, derhalve vindt de uitstoot vanuit de nieuwe woning uitsluitend plaats door verkeer van en naar de woningen. Het gebruiken van de bestaande woning leidt tot een emissie NOx van 3,0 kg/jaar.
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de woningen is eveneens gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Er is uitgegaan van één vrijstaande koopwoning en vier halfvrijstaande koopwoningen in de rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert één vrijstaande koopwoning minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. De halfvrijstaande woningen genereren minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen per etmaal. Uitgaande van een worst-case benadering genereren alle woningen samen dagelijks 41,4 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 20,7 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Conform de handreiking koude start van BIJ12, is er sprake van een koude start als een voertuig langer dan 2 uur heeft stilgestaan. Er is derhalve enkele sprake van koude starts bij licht verkeer, en dat is op het moment van vertrek aan het begin van de dag. Derhalve wordt er uitgegaan van 20,7 koude starts per etmaal. Afweging De stikstofemissie neemt met de bouw en gebruiksfase toe met 60,8 kg NOx per jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden.
5.11.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit.
44
Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden. Afweging Op een afstand van ruim 1,2 kilometer van het plangebied is het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Limburg gelegen. Daar de ontwikkeling niet plaats vindt binnen het Natuur Netwerk vormt het initiatief derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding hiervan.
5.12 Archeologie en cultuurhistorie De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het culture erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen. 5.12.1 Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.
Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Gedurende de overgangsfase zijn de regels omtrent het aspect archeologie nog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Deze zijn opgenomen in het gemeentelijke archeologiebeleid, op termijn worden deze regels opgenomen in het Omgevingsplan. Ook zijn er in de bruidsschat enkele bepalingen opgenomen over de aanvraagvereisten bij het slopen van bouwwerken in een gemeentelijke of rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Conform het tijdelijke omgevingsplan is aan het plangebied dan ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ toegekend. In de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 250 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 250 m² bedraagt.
45
Met de realisatie van de woningen worden de ondergrenzen overschreden. In dat kader is een archeologisch onderzoek4 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Daarom wordt geadviseerd om de plannen zodanig aan te passen dat verstoring wordt voorkomen. Dat kan door een maximale verstoringsdiepte van 33 m +NAP aan te houden. Hierbij is rekening gehouden met een realistische buffer van 30 cm die het archeologisch niveau beschermt. Doordat de hoogte van het maaiveld varieert tussen ca. 33,5 en 34 m +NAP en de maximale verstoringsdiepte steeds 33 m +NAP blijft, kan er niet 1 maximale verstoringsdiepte t.o.v. het maaiveld worden aangegeven. Daar de opdrachtgever deze maten toch graag heeft, is er een kaart gemaakt waar per zone de maximale verstoringsdiepte t.o.v. het maaiveld aangegeven wordt. Indien deze maximale verstoringsdiepte t.o.v. het maaiveld overschreden wordt, wordt aanbevolen de vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) te nemen. Een onderzoek met behulp van zoeksleuven (proefsleuvenonderzoek) is de meest geëigende methode hiervoor (zie ook https://pom.cultureelerfgoed.nl). Enkel ter hoogte van het woonhuis wordt verwacht dat het archeologische niveau verstoord is aangezien dit gebouw onderkelderd is.
Binnen de contouren van dit gebouw wordt geen archeologisch vervolgonderzoek aangeraden indien hier bodemingrepen plaatsvinden. 5.12.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze gaan over: ▪ Het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; ▪ Het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; ▪ Het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; ▪ Het voorkomen van aantasting van de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten; ▪ Het voorkomen van aantasting van het karakter van beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; ▪ Het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.
De gemeente Limburg heeft de cultuurhistorisch waardevolle objecten opgenomen in de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’. Het is van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op omliggende of nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle objecten. Afweging De woning aan de Steenstraat 93 in Panningen is opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) van de provincie Limburg. Het uit 1936 stammende woonhuiswinkel is daarin beschreven als een project in de bouwstijl traditionalisme dat van belang is omdat het een specimen van een bouwtraditie betreft. De woning aan de Steenstraat 93 in Panningen blijft zoals reeds aanwezig behouden.
4 RAAP, Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek), Steenstraat 93 Panningen, 16 september 2024, Rapport: 7332
46
De locatie is daarnaast bebouwd met een vrijstaand winkelpand met aanpandige werkplaats. Dit pand is momenteel ingericht met een showroom, drie bergingen en een werkplaats. Deze bebouwing was voorheen in gebruik als smederij en vormt, samen met het woonhuis, een cultuurhistorisch waardevol ensemble. Het pand is echter sterk verouderd en is in dermate slechte staat dat deze niet geschikt is, of geschikt is te maken, voor de beoogde woondoeleinden. De fundering en de bakstenen zijn namelijk is dermate slechte staat dat het behoud van dit pand niet mogelijk is. Initiatiefnemer is zodoende voornemens om dit pand te slopen en in oorspronkelijke staat terug te bouwen. De herbouw voorziet in het realiseren van een duurzaam gebouw met een knipoog naar de historie. Qua vormgeving en uitstraling van de nieuwe bebouwing zal zo veel mogelijk worden aangesloten bij de cultuurhistorische waarden van het huidige pand. Hierdoor blijft het pand ondergeschikt aan de voormalige bedrijfswoning en blijft het cultuurhistorische ensemble toch behouden. Bij de uitwerking van het bouwplan voor de inpandige verbouwing van de bedrijfswoning zal zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de karakteristieke elementen van het pand. Om deze reden is voor de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie’ opgenomen. Het aspect cultuurhistorie vormt derhalve geen belemmering.
5.13 Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren Verkeersveiligheid is primair geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet), deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven ook bestaan. In de Omgevingsvisie Peel en Maas wordt onder de opgave een gezonde en veilige leefomgeving ingegaan op de ambitie voor een verkeersveilige infrastructuur. De parkeernormen zijn in het (tijdelijk) Omgevingsplan en de bijbehorende Parkeernota geregeld. Het realiseren of toevoegen van functies zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen. Het initiatief dient zodoende getoetst te worden aan de relevante aspecten t.a.v. verkeer en parkeren. 5.13.1 Verkeer Verkeersgeneratie huidige situatie In de huidige situatie is de Steenstraat 93 in gebruik als detailhandel en daarbij voorzien van een bedrijfswoning. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Er is uitgegaan van één vrijstaande koopwoning en van een bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief gelegen in de rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert de bedrijfswoning minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen.
Een bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief genereert minimaal 3,9 en maximaal 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte (BVO). De detailhandel heeft momenteel een BVO van 660 m2. De detailhandel genereert zodoende minimaal 25,7 en maximaal 37,6 verkeersbewegingen. De gehele locatie genereert maximaal 46,2 verkeersbewegingen per etmaal. Verkeersgeneratie beoogde situatie In de beoogde situatie is de locatie Steenstraat 93 herontwikkeld voor woningbouw. Op betreffende locatie is dan sprake van één vrijstaande koopwoning en vier halfvrijstaande koopwoningen. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de woningen is eveneens gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Er is uitgegaan van één vrijstaande koopwoning en vier halfvrijstaande koopwoningen in de rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert één vrijstaande koopwoning minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. De halfvrijstaande woningen genereren minimaal 7,4 en maximaal 8,2 verkeersbewegingen per etmaal.
47
Uitgaande van een worst-case benadering genereren alle woningen samen dagelijks 41,4 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 20,7 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Afweging In het kader van het initiatief is sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. In totaal is er sprake van 4,8 verkeersbewegingen minder per etmaal. Het initiatief heeft zodoende geen negatieve consequenties voor de verkeersafwikkeling van de Steenstraat en de Heibloemseweg. 5.13.2 Parkeren Om de nieuwe parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van de gemeente Peel en Maas. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het ‘Parapluplanbestemmingsplan Parkeernota Peel en Maas’, d.d. 19 juni 2018. Afweging Voor een woonhuis binnen de bebouwde kom geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen. In totaal dienen zodoende 10 parkeerplaatsen gerealiseerd te worden. De bestaande woning beschikt over een ruime inrit welke ten oosten van de woning is gelegen. Op de inrit is ruimte voor het parkeren van één voertuig. Ter plaatse van de twee kleine halfvrijstaande woningen welke zijn beoogd aan de zijde van de Steenstraat zullen vier parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Twee van de parkeerplaatsen zijn beoogd aan de voorzijde van het perceel, direct langs de inrit.
De andere twee parkeerplaatsen zijn beoogd voor de garageboxen. Bij de twee halfvrijstaande woningen aan de zijde van de Heibloemseweg worden daarnaast vier parkeerplaatsen gerealiseerd. Twee van de parkeerplaatsen worden gerealiseerd bij de woningen en voor de andere twee parkeerplaatsen zullen langs de Heibloemseweg twee parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
Afbeelding 14. Impressie inrichting Steenstraat 93 in Panningen in de beoogde situatie
48
5.14 Duurzaamheid en gezondheid Conform artikel 1.3 sub a Ow is het bereiken en in stand houden van een veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Het gaat daarbij om het beschermen van de gezondheid maar ook het bevorderen van de gezondheid (sport, beweging, positieve gezondheid).
Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het beoordelingskader kan dus per gemeente sterk verschillen. De gemeente kan het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezond in het omgevingsplan vastleggen in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. De gemeente Peel & Maas beschikt over een duurzaamheidsagenda en een zonnelader. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid is in Peel en Maas (nog) niet in het omgevingsplan vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De bruidsschat bevat wel een artikel inzake energiebesparende maatregelen (22.52). 5.14.1 Duurzaamheid In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid.
In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. Bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; b. Doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Artikel 2.1 Ow geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. Vanaf 1 januari 2021 moeten de vergunningaanvragen voor alle nieuwbouw voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De nieuwe woningen zullen zodoende moeten voldaan aan de eisen uit de ‘BENG’.
De nieuwe woningen zullen allemaal gasloos worden uitgevoerd en worden in dat kader voorzien van een warmtepomp. De warmtepompen worden uitgevoerd in een stille variant om geluidsoverlast in te perken. Daarnaast zullen de warmtepompen aan de buitenzijde afgewerkt met een suskast. Een suskast betreft een akoestische omkasting die de geluidsoverlast van een warmtepomp vermindert. Daarnaast zullen de woningen goed worden geïsoleerd waardoor de woningen een zeer lage warmtevraag hebben. De woningen betreffen daarmee duurzame woningen. Afweging Het aspect duurzaamheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
49
5.14.2 Gezondheid Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd en het initiatief voldoet aan alle omgevingswaarden. 5.14.3 Endotoxinen Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken.
Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. De dichtstbijzijnde varkenshouderij is gelegen aan de Heibloemseweg 20 op een afstand van 520 meter. De fijnstofemissie van deze veehouderij bedraagt 561 kg. Zodoende dient een afstand van 148 meter aangehouden te worden.
Het plangebied is daarmee gelegen buiten de endotoxine risicocontour van deze varkenshouderij. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij (vleeskuikens) is gelegen aan de Steenstraat 50 op een afstand van ruim 190 meter. De fijnstofemissie van deze veehouderij bedraagt 946 kg. Zodoende dient een afstand van 189 meter aangehouden te worden. Het plangebied is daarmee gelegen buiten de endotoxine risicocontour van deze pluimveehouderij. Afweging Gesteld kan worden dat de afstand tussen het plangebied en de veehouderijen voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te waarborgen op het gebied van volksgezondheid. 5.14.4 Geitenhouderij Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen.
50
Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet. Afweging Binnen een afstand van 2 km van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van geitenhouderijen. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico. 5.14.5 Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6).
Afbeelding 15. Ligging van agrarische landbouwpercelen in de nabijheid van het plangebied
Rondom het plangebied zijn verschillende landbouwpercelen gelegen. Binnen 50 meter rondom het plangebied zijn de volgende percelen gelegen: ▪ Ten westen van het plangebied ligt perceel 1423, op een afstand van circa 35 meter. Dit perceel betreft een tuin behorende bij de woning Steenstraat 99, de locatie is ook als dusdanig ingericht met planten, struiken en gras. Desondanks het woongebruik is de locatie wel voorzien van een agrarische functie. Er vindt dan ook geen teelt plaats op dit perceel. Het perceel is dan ook niet opgenomen in de Basisregistratie gewaspercelen. Het is aannemelijk dat dit ook niet in de toekomst zal gebeuren, daarnaast zijn er reeds diverse woonbestemmingen aanwezig rondom de locatie welke dichterbij gelegen zijn.
51
▪
▪
Ten oosten van het plangebied ligt perceel 1729, op een afstand van 45 meter. Dit perceel betreft eveneens tuin behorende bij de woning Steenstraat 103. Deze tuin in deels ingericht ten behoeve van het hobbymatig houden van dieren. De locatie is volledig ingericht ten behoeve van woondoeleinden. Desondanks het woongebruik is de locatie wel voorzien van een agrarische functie. Er vindt dan ook geen teelt plaats op dit perceel. Het perceel is dan ook niet opgenomen in de Basisregistratie gewaspercelen. Het is aannemelijk dat dit ook niet in de toekomst zal gebeuren, daarnaast zijn er reeds diverse woonbestemmingen aanwezig rondom de locatie welke dichterbij gelegen zijn. Daarnaast zijn ten oosten van de locatie percelen 3564 en 3565 gelegen. De afstand tussen deze percelen en het plangebied bedraagt circa 20 meter. Deze percelen zijn echter reeds voorzien van een woonfunctie en niet van een agrarische functie. Daarnaast is voor de tegen over gelegen locatie (Heibloemseweg ong.) een procedure gevolgd om op betreffende percelen één nieuwe woning te realiseren. Op 7 maart 2025 heeft de gemeente Peel en Maas een vergunning verleend om de bouw van deze nieuwe woning toe te staan. Deze percelen vormen zodoende geen belemmering tegen de voorgenomen ontwikkeling.
Afweging Spuitzones vormt geen belemmering voor het initiatief.
52
6. UITVOERBAARHEID 6.1
Financieel - economische uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid Met deze plantoelichting is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan, in de vorm van een TAM-omgevingsplan, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegedachte functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd. Kostenverhaal Publiekrechtelijk kostenverhaal vindt niet langer plaats via de omgevingsvergunning, maar door middel van een kostenverhaalsbeschikking zoals blijkt uit artikel 13.18 Omgevingswet. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten, te weten: ▪ Aangewezen bouwactiviteiten; ▪ Aangewezen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Het Omgevingsbesluit (Ob) bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal. In artikel 8.13 Ob gaat in op de aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob gaat in op de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal. Artikel 8.15 Ob gaat in op de kostensoortenlijsten. De activiteiten waarvan kosten worden verhaald (artikel 8.13 Ob) zijn: a. de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie; b.
de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie; d. de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m2 brutovloeroppervlakte; e. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of f. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve bruto-vloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt. De gemeente zal met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten waarin het kostenverhaal is opgenomen. Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden.
Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie. Voor de gemeente Peel & Maas is dit uitgewerkt in de Verordening nadeelcompensatie Peel & Maas 2024.
53
Het bevoegd gezag sluit een overeenkomst met initiatiefnemer tot verhaal van de kosten als gevolg van nadeelcompensatie welke te herleiden zijn tot het omgevingsplan. Daarmee is geborgd dat de kosten van eventuele nadeelcompensatie niet voor rekening komen van de gemeentelijke financiën.
6.2
Juridische aspecten
6.2.1 Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn alle bestemmingsplannen opgegaan in één gemeentelijk ‘Omgevingsplan van rechtswege’ oftewel het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het omgevingsplan bestaat verder uit de Bruidsschat en een aantal gemeentelijke verordeningen. De Bruisschat betreft een aantal regels die van het rijk zijn overgegaan naar de gemeente. Deze regels zijn geland in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente. Het gaat onder andere om regels over bouwwerken en over milieubelastende activiteiten. Het omgevingsplan van rechtswege kan door de gemeente gewijzigd worden. De voorliggende wijziging beperkt zich tot de Steenstraat 93 in Panningen. Het initiatief heeft geen betrekking op een algemene wijziging. 6.2.2 Wijziging omgevingsplan van rechtswege Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bestaat uit drie delen. In het eerste deel wordt gemotiveerd om welke redenen het omgevingsplan wordt gewijzigd. De voorliggende motivering betreft het eerste deel. Het tweede deel van het besluit bestaat uit de regels die deel gaan uitmaken van het omgevingsplan. Hierin wordt aangegeven op welke wijze de regels van het omgevingsplan worden aangepast. Aangegeven wordt welke regels worden toegevoegd, gewijzigd, verwijderd of vervangen door andere regels.
Verder wordt, als onderdeel van de regels, door coördinaten vastgelegd voor welke locatie(s) de regels gaan gelden. Dit wordt ook wel het werkingsgebied genoemd. Het derde deel van het vaststellingsbesluit bestaat uit aanpassingen die worden aangebracht in de geconsolideerde toelichting die bij het omgevingsplan wordt gegeven. 6.2.3 Planregels De planregels van het omgevingsplan worden met onderhavige planvoornemen gewijzigd. De volgende wijzigingen zijn aangebracht: De functie ‘Detailhandel’ wordt van de locatie verwijderd en hiervoor in de plaats wordt de functie ‘Wonen’ toegekend. Binnen de woonfunctie zijn drie bouwvlakken opgenomen. Binnen het noordoostelijke bouwvlak is één woning toegestaan, binnen het westelijke bouwvlak zijn twee woningen toegestaan en binnen het zuidelijke bouwvlak zijn twee woningen toegestaan. De rest van de regels zoals deze reeds in het vigerende omgevingsplan voor deze functies gelden zijn overgenomen en zijn daarbij niet gewijzigd.
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.3.1 Participatie Het initiatief voor het herontwikkelen van de locatie is tijdens een inloopavond besproken met de omwonenden. Voor deze inloopavond zijn de volgende bewoners uitgenodigd: Heibloemseweg 6, Steenstraat 74, 76, 76a, 78, 80, 84, 89, 91, 97 en 99 en Everlopad 4, 6 en 8a. Een van de omwonenden gaven tijdens de omgevingsdialoog aan dat zij zich niet kunnen vinden in de beoogde herontwikkeling. Samen met deze bewoners is gekeken naar een mogelijke oplossing. In bijlage 8 is een samenvatting van de gemaakte afspraken opgenomen.
54
6.3.2 Vooroverleg/intaketafel De ontwikkeling is in het kader van vooroverleg voorgelegd aan de diverse disciplines. Zij gaven aan op voorhand akkoord te zijn met de beoogde ontwikkeling. 6.3.3 Zienswijzen Het TAM-omgevingsplan heeft van 28 november 2025 tot en met 9 januari 2026 voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan geen zienswijzen ingediend.
55
7. PROCEDURE De gemeente heeft bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsplan met de regels voor activiteiten voor de leefomgeving. Om dit 'omgevingsplan van rechtswege' te wijzigen, volgt de gemeente een vaste juridische procedure. De procedurebepalingen staan in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht. De van toepassing zijnde openbare voorbereidingsprocedure staat in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Onderhavig planvoornemen voorziet in een TAM-omgevingsplan, dit is een tijdelijke alternatieve maatregel die middels voorgaande regelgeving gepubliceerd kan worden. De procedure is in te delen in 2 procedurestappen: • Ontwerp-omgevingsplan De gemeente geeft kennis van het ontwerp-omgevingsplan. De gemeente plaatst het ontwerpbesluit integraal in het digitale gemeenteblad (artikel 10.3c, Ob) en legt het ontwerp-omgevingsplan en de bijbehorende stukken 6 weken ter inzage (artikel 3:11, Awb). Binnen 6 weken vanaf het moment van terinzagelegging van het ontwerp-omgevingsplan kan iedereen zienswijzen inbrengen. Als er tijdens de termijn van 6 weken geen zienswijzen op het ontwerpbesluit zijn gekomen, dan: doet de gemeente hiervan zo spoedig mogelijk mededeling in het elektronische gemeenteblad, en neemt de gemeente het besluit binnen 4 weken nadat de termijn voor zienswijzen is verstreken (artikel 3:18, lid 4, Awb).
• Vaststellen omgevingsplan De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. De gemeente maakt het besluit bekend door het te publiceren in het elektronische gemeenteblad. Een wijziging van een omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen. Tegen het besluit tot het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
56