CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-022 03 Ruimtelijke motivering

Raad 10 maart 2026, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan ‘Woningbouw Nelisveld, Beringe’ (2026-022)21.293 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Woningen worden in principe toegevoegd in de kernen, bij voorkeur op herstructureringslocaties, alsmede het faciliteren van passende woonruimte voor diverse doelgroepen. 5. Toekomstgericht ondernemen; Uitgangspunt is ondersteunen in de transitie naar een circulaire, waarden gedreven economie en kenniscirculatie. Een toekomstbestendige economie zorgt voor welvaart en draagt bij het goede leven in Peel en Maas. Gemeente faciliteert lokale bedrijven, die geworteld zijn in de samenleving, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, het MKB en recreatie en toerisme. Daarnaast wordt ingezet op herstructurering boven uitbreiding en het hergebruik van leegstaand agrarisch vastgoed voor recreatie/toerisme en bedrijvigheid. 6. Balans in het buitengebied. Een van de belangrijkste economische dragers van het buitengebied is de land- en tuinbouw binnen Peel en Maas. De gemeente stimuleert het faciliteren van kringloop- en natuurinclusieve landbouw dat leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Het doorontwikkelingen van grootschalige agrarische bedrijvigheid is toegestaan in gebieden waar dit passend in op basis van een gebiedsgerichte aanpak, uitbreiding gaat gepaard met een tegenprestatie. Ook wordt gestimuleerd op hergebruik c.q.

herbestemming van leegstaand/leegkomend agrarisch vastgoed onder voorwaarde dat er sprake is van kwaliteitswinst in de vorm van een bijdrage aan de doelen/speerpunten. Via de win-win regeling zijn er ook beperkte mogelijkheden voor de inzet van woningbouw om leegstand tegen te gaan. Bij hergebruik c.q. herbestemming is de sloop van overtollige gebouwen een belangrijk uitgangspunt. De opgaven dienen in samenhang van elkaar gezien te worden, waarbij met name de eerste drie overkoepelende opgaven als leidende principes gelden. Bij elke ontwikkeling dient bekeken te worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaves geleverd kan worden. Woningbouwlocatie Conform de waardenkaart is de woningbouwlocatie gelegen in ‘Kernen’. De dorpen bestaan uit hechte gemeenschappen met ieder een eigen identiteit. In de kernen staat zorg voor elkaar hoog in het vaandel en bloeit het verenigingsleven. Het versterken van de waarden kan gezocht worden in onder andere: ▪ De identiteit van de dorpen is de basis van de toekomst, maatwerk per dorp is hierbij het uitgangspunt. In- en uitbreidingen passen bij de schaal en maat van het dorp. Initiatieven moeten bijdragen aan het versterken van identiteit van het dorp; ▪ Bij ontwikkelingen in dorpen wordt niet alleen gekeken naar nieuwe functies, zoals woningen, maar ook naar de gevolgen van de ontwikkelingen voor het sociale netwerk in het dorp.

Welke invloed heeft de fysieke ontwikkeling op sociaal gebied voor het dorp. Nieuwbouw of herontwikkeling moet bijdragen aan de gemeenschapszin en een gezonde en veilige leefomgeving in het dorp; ▪ Er wordt prioriteit gegeven aan inbreidings- en herontwikkelingsmogelijkheden binnen de dorpen, voordat aan de rand van het dorp gebouwd kan worden. Waar mogelijk worden bestaande woningen aangepast in de richting van

22

▪

levensloopbestendige en duurzame woningen. Inbreiding mag echter niet ten kosten gaan van de groene kwaliteiten van het dorp; Er wordt voorkeur gegeven aan bedrijven die een sterke binding en betrokkenheid hebben met de samenleving en die oog hebben voor de leefomgeving. Dit zijn de ondernemers die vanuit hun betrokkenheid bijdragen aan een gemeente waar het fijn wonen, werken en recreëren is.

Agrarische locatie Conform de waardenkaart is de agrarische locatie gelegen in ‘Oude verdichte bouwlanden’. Het versterken van de waarden kan gezocht worden in onder andere: ▪ Versterking van cultuurhistorische identiteit waardoor de aantrekkingskracht voor toeristen toeneemt, kansen voor agrotoerisme en extensieve recreatie. ▪ Werk aan architectonische en stedenbouwkundige samenhang in verdichte gebieden. ▪ Zorg voor contrast tussen verdichte en open stukken. ▪ Behoud en maak doorzichten vanuit linten naar de akkercomplexen, ▪ Versterk historische elementen: oude bebouwing, erfontsluitingswegen, (laan)beplantingen. ▪ Voer actief akkerrandenbeheer langs de veldwegen voor een groene dooradering van deze relatief verdichte gebieden, ▪ Versterk typisch grondgebruik als (hoogstam) fruitteelt en stimuleer hoogstamfruit bij de erven. ▪ Draag bij aan ontbrekende schakels in het wandel- en fietsnetwerk door de oude bouwlanden. Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op het realiseren van 17 woningen nieuwe woningen. De ontwikkeling valt daarmee onder opgave 4 ‘goed wonen voor iedereen’. In opgave 4 is opgenomen dat de gemeente het belangrijk vindt een balans te vinden tussen vraag en aanbod. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van 14 nieuwe woningen in Beringe. De woningen voorzien in de behoefte aan passende woningen in de kern.

Het initiatief voorziet dan ook in een balans tussen de vraag en het aanbod. 4.4.2 Gids Ruimtelijke Kwaliteit In de omgevingsvisie heeft ook het kwaliteitskader plaats gekregen, dit in de vorm van de Gids Ruimtelijke Kwaliteit welke 24 juni 2025 is vastgesteld. De Gids Ruimtelijke Kwaliteit heeft als doel de ruimtelijke kwaliteit binnen de gemeente te behouden en waar mogelijk te versterken. De gids bestaat uit drie delen: (1) de werkwijze en kwaliteitsmatrix, (2) een atlas van gebiedstypen, en (3) een inspiratieboek met goede voorbeelden en ontwikkelprincipes. In het eerste deel wordt uitgelegd hoe ruimtelijke plannen worden beoordeeld op ruimtelijke kwaliteit, onder meer aan de hand van gebiedseigen principes en verplichte landschappelijke inpassing. Dit is ook gekoppeld aan het type gebied en de aard van de ontwikkeling, zoals bijvoorbeeld een woningbouwproject, functiewijziging of uitbreiding van een bouwvlak. Binnen de Gids Ruimtelijke Kwaliteit hanteert de gemeente Peel en Maas drie toetsingskaders voor ruimtelijke initiatieven: Basiskwaliteit, Basiskwaliteit Plus en Basiskwaliteit Plus-Plus. Deze niveaus geven aan in welke mate een initiatief moet bijdragen aan de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit.

Basiskwaliteit is het minimale vereiste voor alle ontwikkelingen, waarbij onder andere gebiedseigen principes en minimaal 10% landschappelijke inpassing gelden. In gebieden met een hogere landschappelijke of cultuurhistorische waarde (zoals beekdalen of bolle akkers) geldt Basiskwaliteit Plus, waarbij de landschappelijke inpassing toeneemt tot 15%. Bij ontwikkelingen die zowel in zo’n waardevol gebied liggen én omvangrijker zijn dan vastgestelde referentiematen (bijvoorbeeld voor bebouwing), geldt Basiskwaliteit Plus-Plus, met een vereiste van 20% inpassing. Deze toetsingskaders zorgen ervoor dat elk initiatief proportioneel bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van zijn omgeving.

23

Planspecifiek De woningbouwlocatie is gelegen in de kern conform de atlas gebiedstypen. De agrarische bedrijfslocatie is gelegen in het gebiedstype ‘kampen en oud grasland’. Kenmerkend voor kampen en oud grasland is de blokverkaveling die kleinschalig is en onregelmatig van aard, soms stroken en soms ronde akkers. Woningbouwlocatie In het geval van de woningbouwlocatie is geen sprake van toetsing aan het gids ruimtelijke kwaliteit, daar de locatie onderdeel uit maakt van de bebouwde kom. Agrarische bedrijfslocatie Bij iedere ontwikkeling is sprake van basiskwaliteit, dit betekent een landschappelijk inpassing met een omvang van 10% van de nieuwe bebouwing en verharding danwel van de uitbreiding van een bouw- of activiteitenvlak. Basiskwaliteit plus is niet van toepassing, daar de locatie niet gelegen is in een van de aangewezen gebiedstype (rivier- en beekdal, bos- en mozaïeklandschap of bolle akker). Ook zijn er geen referentiematen opgenomen voor deze ontwikkeling daar het geen intensieve veehouderij of glastuinbouw betreft. Basiskwaliteit plus-plus is niet aan de orde daar het niet gaat om een waardevol gebiedstype en er geen referentiemaat geldt welke overschreden kan worden. In het kader van onderhavig initiatief is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij invulling gegeven is aan de gevraagde kwaliteitsbijdrage.

4.4.3 Kaderstelling Ruimte De gemeenteraad van Peel en Maas heeft in de raadsvergadering van 17 april 2024 de zogenoemde kaderstellingen Ruimte, Sociaal Domein, Vitale Gemeenschappen en Economie vastgesteld. Met deze kaderstellingen bepaalt de gemeenteraad de koers die Peel en Maas de komende jaren wil varen op deze thema’s. Deze kaderstelling kijkt 10 jaar vooruit en geldt daarmee voor de periode 2024 – 2034. Binnen de gemeente Peel en Maas, werken inwoners, ondernemers en organisaties samen, als gemeenschap, aan een Peel en Maas waarin het goede leven nu en in de toekomstig kan worden beleefd, door iedereen. Een gemeente is pas effectief wanneer zij op een respectvolle manier om weten te gaan met al het waardevolle dat inwoners, ondernemers en organisaties met elkaar samen doen. Dat vraagt om een overheid die zich ervan bewust is wanneer ze wel en wanneer ze niet aan zet is. Een overheid die zich in het denken en doen laat inspireren door drie kernwaarden: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing. Het concept van de meervoudige overheid, met daarin de rollen van de autoritaire, regel gestuurde en communicatieve overheid helpt ons hierbij. Vanuit deze rolopvatting heeft de gemeente Peel en Maas beleid gemaakt. Om te komen tot de kaderstellingen heeft de gemeente de volgende stappen gezet: 1. Een zogenaamd ‘Omgevingsbeeld’ opgesteld.

Dit is een document waarin zo feitelijk mogelijk een aantal trends en ontwikkelingen hebben benoemd die relevant zijn voor deze kaderstelling. 2. Het organiseren van zogenaamde ‘ambitiegesprekken’. Op basis van deze gesprekken en op basis van de gesprekken die gevoerd worden met inwoners, ondernemers en organisaties en allerlei andere bronnen is een gedeelte ambitie gevormd. 3. Het stellen van doelen op programma niveau, die een bijdrage leveren aan de gedeelde ambitie. Het initiatief heeft betrekking op het realiseren van 14 nieuwe woningen. In dat kader is de kaderstelling ‘Ruimte’ van toepassing. In de kaderstelling ‘Ruimte’ heeft de gemeente de volgende programmadoelen opgenomen: ▪ Versterking van de ruimtelijke kwaliteit is het uitgangspunt, met extra aandacht voor natuurinclusiviteit ▪ Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn vitale gemeenschappen een belangrijk uitgangspunt

24

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

De economische ontwikkeling is ondersteunend aan vitale gemeenschappen, in balans met ruimtelijke waarden en stimuleert een gezonde arbeidsmarkt De fysieke leefomgeving draagt bij aan een gezond leven en is klimaatadaptief en klimaatbestendig Peel en Maas is energieneutraal in 2050 Gezonde, veilige, toegankelijke en slimme(re) (collectieve) mobiliteit is beschikbaar in Peel en Maas In Peel en Maas zijn per doelgroep voldoende betaalbare duurzame woningen beschikbaar Een kwalitatief goede, duurzaam ingerichte en onderhouden openbare ruimte die rekening houdt met de karakteristieke eigenschappen van (de kernen in) Peel en Maas De openbare ruimte is van en voor iedereen, is veilig en toegankelijk en nodigt uit om te ontmoeten en te bewegen De openbare ruimte is klimaatbestendig Afval is grondstof

De gemeente stuurt op hergebruik van bestaande bebouwing, daar dit een positieve bijdrage levert aan vitale gemeenschappen. Hergebruik gaat daarbij boven uitbreiding en nieuwvesting. Initiatieven die bijdragen aan het verminderen van leegstand ondersteunt de gemeente omdat deze bijdragen aan de vitaliteit van de kernen. Worden de gebouwen niet hergebruikt, is de kans reëel dat de locatie op termijn verloedert. Ook dient voorkomen te worden dat leegstaande gebouwen gebruikt worden voor activiteiten die niet gewenst zijn. Om vitaliteit en leefbaarheid van de kernen te behouden is het zaak om de bestaande en nieuwe woningvoorraad in balans te brengen met de vraag en het aanbod van nu en voor de toekomst. Kernwoorden hierbij zijn: zorgen voor en omkijken naar elkaar, hergebruik van bestaande bebouwing, levensloopbestendig, betaalbaar en duurzaam. Het juiste type woning van de juiste kwaliteit op de juiste plek en voor de juiste doelgroep sluit aan bij de uitdagingen die de gemeente ziet op het gebied van betaalbaarheid, diversiteit, duurzaamheid en beschikbaarheid. Het eigenaarschap voor verduurzaming en het levensloopbestendig maken van de woning ligt in eerste instantie bij de particuliere eigenaar/ woningcorporatie. De gemeente ziet hierbij niet alleen een oplossing door het toevoegen van nieuwe woningen.

Daarom stimuleren zij het levensloopbestendig (ver)bouwen en verduurzamen van woningen of creëren zij kansen voor doorstroming. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van 17 woningen, waarvan 15 als woningbouwlocatie en 2 als solitaire woningen. De woningen zijn beoogd om te voorzien in de behoefte van de kern. Hiermee wordt tevens voorzien het behouden c.q. versterken van de vitaliteit en leefbaarheid van de kernen door het in balans brengen van de woningvoorraad voor nu en in de toekomst. Het gaat hierbij om het juiste type woning van de juiste kwaliteit op de juiste plek en voor de juiste doelgroep. Concluderend kan gesteld worden dat de ontwikkeling passend is binnen de kaderstellingen. 4.4.4 Beleidsregel woningbouw Peel en Maas In november 2024 heeft de gemeente de Beleidsregel woningbouw Peel en Maas vastgesteld. In deze beleidsregel is het woning- en woonkavelsplitsing beleid verankerd en zijn de uitgangspunten vastgesteld waaraan in het geval van woningen woonkavelsplitsing dient te voldoen. Het woon-kavelsplitsingsbeleid is van toepassing voor de agrarische locatie Peelstraat 44. De gemeente heeft de volgende uitgangspunten opgesteld voor woning- en woonkavelsplitsing: 1.

Woonbehoefte Een splitsing draagt bij aan de woonbehoefte van een dorp of kern, dan wel voorziet in de woonbehoefte van een concrete woningzoekende en/of de huidige eigenaar/bewoner van de te splitsen woning of woonkavel. De initiatiefnemer is bereid hier bindende afspraken over te maken.

25

2.

3. 4.

5.

6. 7.

Locatie Woningsplitsing is in heel Peel en Maas mogelijk, uitgezonderd de concentratiegebieden glastuinbouw en landbouwontwikkelingsgebied Egchelse heide. Woonkavelsplitsing is alleen mogelijk in de bebouwde omgeving. Klaar voor het leven Bij woonkavelsplitsing is de nieuwe woning direct toekomstbestendig. Duurzaam wonen a. Voldoende onbebouwde oppervlakte Bij woonkavelsplitsing blijft tenminste 50% van het oppervlak van het nieuw ontstane woonkavel onbebouwd en onverhard of zijn maatregelen mogelijk die een vergelijkbaar resultaat opleveren. b. Bij voorkeur een nieuw leven voor bestaande materialen Te gebruiken (bouw)materialen zijn bij voorkeur afkomstig uit of van een bron die niet ‘opdroogt’ en/of hernieuwbaar is. Het goede gesprek Uit de aanvraag omgevingsvergunning moet blijken of de omgeving is geraadpleegd over het splitsingsinitiatief, wat uit de raadpleging naar voren is gekomen en wat er met die input is gedaan. Etfal Er is altijd sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Kosten Peel en Maas vraagt bij elk formeel aangevraagd splitsingsinitiatief een financiële bijdrage die ten goede komt aan ons huisvestingsfonds, ons herstructureringsfonds en ons fonds infrastructurele werken.

Onderhavig initiatief voorziet in het afsplitsen van een deel van een woonperceel om vervolgens een nieuwe woning te realiseren. Het initiatief voldoet aan de gestelde uitgangspunten. Hieronder wordt per uitgangspunt een nadere motivatie gegeven: Ad. 1. De woningen voorzien in de algemene behoefte van de kern naar woningen. Ad. 2. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Beringe, maar direct aangrenzend aan de kern. Daarnaast valt onderhavige ontwikkeling als onderdeel samen met de woningbouwontwikkeling. De locatie kent dan ook de aanduiding ‘kernrandzone’, de locatie gelegen binnen de bebouwde omgeving. Ad. 3. De beoogde woningen zullen levensloopbestendig, of vooruitlopend hierop, worden gerealiseerd. Op dit moment zijn er geen tekeningen beschikbaar. Ad. 4. Sub a. Gedurende onderhavige TAM-IMRO procedure zijn er nog geen tekeningen bekend. De nieuwe woningen zullen moeten voldoen aan de gestelde voorwaarden. Sub. b. Het is in dit stadium van de ontwikkeling nog niet bekend welke bouwmaterialen er exact gebruikt worden. Ad. 5. In het kader van onderhavige ontwikkeling is een omgevingsdialoog gevoerd. Zie paragraaf 6.3.1. Ad. 6. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordeling zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten aan de orde.

Het initiatief is in hoofdstuk 5 getoetst aan het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid en is passend binnen het beleid. Daarnaast is het initiatief in hoofdstuk 5 getoetst aan de aspecten voor de fysieke leefomgeving en milieu. Het initiatief voldoet aan alle aspecten voor de fysieke leefomgeving en milieu. Gesteld kan worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ad. 7. Tussen initiatiefnemers en gemeente zijn afspraken gemaakt inzake financiële afdracht.

26

5 FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU Met de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de invloed op de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en er dient sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.1

Milieueffectrapportage

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Om te bepalen of m.e.r. noodzakelijk is dient bepaald te worden of de activiteit voor komt in de tabel in bijlage V Ob. Bijlage V heeft als ingang (1e kolom) de omschrijving van een project. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaan dan om besluiten waarmee toestemming voor een project wordt verleend. Of voor een besluit een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt volgt uit de tweede en derde kolom als het project voldoet aan de voorwaarde uit kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in klom 3 nog voorwaarden staan. Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een planmer-beoordeling te worden uitgevoerd. 2.

Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een plan-mer-beoordeling is aan orde indien: a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft; b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Beoordeling Op grond van categorie J11 geldt een m.e.r-beoordelingsplicht voor een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Onder deze categorie vallen ook onder andere woningbouw, de bouw van kantoren, universiteiten, bioscopen, theaters, woonboulevards, ziekenhuizen en scholen. Ook dergelijke stedelijke projecten in “dorpen” vallen eronder. Hiertoe moeten ook alle voorzieningen worden gerekend die moeten worden getroffen voor dat project, zoals de aanleg van infrastructuur. Opgemerkt wordt dat het begrip verschilt van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’, zoals dat wordt gehanteerd bij de Ladder van duurzame verstedelijking. Conclusie Uit toetsing aan artikel 16.36, lid 3 en 4 Ow volgt dat een besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor onderhavig project valt onder J11, maar niet voldoet aan de waarden zoals vastgelegd in kolom 2.

Er wordt derhalve volstaan met een plan-mer-beoordeling. Er kan derhalve worden volstaan met een plan-mer-beoordeling indien voldaan wordt aan de onderdelen a en b van lid 2 zoals hierboven beschreven. Onderhavige planvoornemen voorziet in het realiseren van 14 nieuwe woningen en betreft derhalve een kleine wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Peel en Maas. Ten opzichte van het gemeentelijk omgevingsplan als geheel betreft het plan een klein gebied op lokaal niveau waarvoor gemeente het bevoegd gezag is. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat volstaan kan worden met een plan-mer-beoordeling. 27

In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 5 van deze ruimtelijke motivering. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde plan-merbeoordeling in het kader van artikel 16.36 lid 3 en 4 Ow. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit wijzigingsbesluit te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze ruimtelijke motivering een besluit nemen over de uitkomst van de plan-m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor dit wijzigingsbesluit.

5.2

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is voor de beoogde activiteiten en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem opgenomen in paragraaf 5.1.4.5. Hierin wordt bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Woningbouwlocatie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan concluderend gesteld worden dat de kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding voor een nader bodemonderzoek. Agrarische locatie In het kader van onderhavig planvoornemen is een verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd.

De resultaten van dit verkennend bodem- en asbestonderzoek geven voor wat betreft de sterke verontreiniging met asbest in de bovengrond (dieptetraject 0,0 -0,2 m -mv) ter plaatse van de druipzone tussen de twee stallen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Op het overig deel van de onderzoekslocatie wordt geen aanvullend onderzoek noodzakelijk geacht. Op basis van het nadere bodemonderzoek4 kan concluderend gesteld worden dat in de druipzone asbest is aangetroffen. Formeel dient een nadere inkadering van het asbest in de bodemverontreiniging plaats te vinden. Echter gezien de kleine bronlocatie is het zinvoller geacht om de kleine verontreiniging meteen te saneren. Voor asbest is er geen ondergrens. 2 3 4

Verkennend bodemonderzoek, HMB (kenmerk: 24294001A) Verkennend bodemonderzoek, AERES Milieu (kenmerk: AM24513) Aanvullend onderzoek bodem, AERES Milieu (kenmerk: AM24513-3)

28

Geadviseerd wordt op om in het kader van de herontwikkeling van de locatie bij de sanering van de asbestdakplaten tevens de verontreinigde druipzone te ontgraven en af te voeren naar een erkend verwerker. Bij graven of saneren in de landbodem zijn de volgende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing; graven in de bodem met een kwaliteit groter dan de interventiewaarde bodemkwaliteit en/of saneren van de bodem van toepassing.

5.3

Bedrijven en milieuzoneringen

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Met ingang van de Omgevingswet worden het ruimtelijke en fysieke spoor verder geïntegreerd. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. De uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet’ (2024). Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De Lijst van bedrijfsactiviteiten biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten, aan de hand van de SBI-codes (2008). Deze lijst is geactualiseerd in de publicatie ten behoeve van het functiemenging en het mogelijk maken van maatwerk. Daarnaast zijn de toetsbare aspecten geur en geluid. Ook is er de categorie ‘FM’ opgenomen, FM staat voor functiemening. Functiemenging is mogelijk in gebieden waar naast wonen ook andere functies aanwezig zijn.

Dit zijn functies die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor de ligging in een gebied met functiemengingen inclusief wonen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’, daar er in de omgeving overwegend woningen zijn gelegen. De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende zone voor geur en geluid. In de directe omgeving (straal van 250 meter) bevinden zich de volgende milieubelastende functies (op basis van het planologische toegestane gebruik). Soort bedrijf

Adres

Aan te houden afstanden

Sportveld (Beringe Buiten)

SBI2008 931.G

-

Paardenhouderij

0143

Kampweg 29

Geluid: Geur: Geluid: Geur:

50 meter 10 meter 30 meter 50 meter

Afstand tot plangebied 70 meter 150 meter

Conclusie Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is géén hindercontour die het plangebied overlapt. Omliggende bedrijven vormen dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Daarnaast worden de omliggende bedrijven niet belemmerd door de voorgenomen ontwikkeling, ook zijn er de reeds omliggende woningen al dichterbij gelegen.

29

5.4

Geluid

Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Het Bkl bevat geluidsregels die zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied rekening met het belang van het beschermen van gezondheid en milieu. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op een geluidgevoelig object gelegen binnen het aandachtsgebied van een geluidbronsoort. Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, dan is het geluid in ieder geval aanvaardbaar (hoofdregel Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar toelaten.

Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluid boven de grenswaarde is, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan. De eisen uit het Bkl zijn van toepassing op het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Artikel 5.78r van het Bkl stelt dat de eisen niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen voor zover die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan. Geluid door activiteiten Artikel 5.1.4.2 kent een splitsing tussen geluid door activiteiten en geluid door specifieke activiteiten, dit artikel is dan ook van toepassing op alle denkbare activiteiten, met uitzondering van geluid van woonactiviteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. Het staat echter de gemeenteraad vrij om hier geluidwaarden aan te stellen. Wegverkeerslawaai Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) bevat de geluidsgegevens van heel Nederland. Aan de hand van de CVGG kan worden afgelezen of een bepaalde locatie binnen een geluidsaandachtsgebied is gelegen. Momenteel is de CVGG nog niet volledig en ontbreken er nog gegevens. Op grond van het overgangsrecht (art.

17.5 Or) geldt in dat geval aan weerszijde van de weg een geluidsaandachtsgebied op basis van richtafstanden. Beschrijving

Aandachtsgebied

Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid van ≤ 30 km/u

100 meter

Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid > 30 km/u, of;

200 meter

Een spoorweg bestaand uit 1 of 2 sporen Een weg bestaande uit 3 of meer rijstroken, of;

350 meter

Een spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen

30

Conclusie Op basis van het uitgevoerde akoestische onderzoek5 kan concluderend gesteld worden dat: ▪ dat het geluid als gevolg van gemeentewegen hoger is dan de standaardwaarde, indien gebouwd wordt binnen 15 m uit de perceelsgrens langs de Kampweg (60 km/h). Er wordt wel voldoet aan de grenswaarde. Voor alle overige punten wordt zonder meer wel aan de standaardwaarde voldaan. Op grond van art. 5.78u uit het Bkl kan een bestemmingsplan geluid tot aan de grenswaarde toelaten. In onderhavige situatie wordt voldaan aan de voorwaarden die het Bkl daarvoor stelt; ▪ dat indien gebouwd wordt binnen 15 m uit de perceelsgrens langs de Kampweg (60 km/h), het gezamenlijke geluid hoger is dan 53 dB. In een later stadium kan daarom aanvullend onderzoek nodig zijn naar eventueel benodigde bouwkundige maatregelen opdat voldaan kan worden aan de eisen aangaande de binnenwaarde. Aanvullend onderzoek is pas mogelijk op het moment dat een definitieve ontwerptekening beschikbaar is; ▪ dat bij alle overige woningen geen aanvullende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de eisen aangaande de gevelgeluidwering; ▪ dat de nieuwe woonfuncties geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; ▪ dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Het gedeelte van de Kampweg waaraan de nieuwe woonwijk is beoogd, betreft het deel van de Kampweg waar 30 km/h geldt. Hier is geen sprake van een overschrijding, aan het deel waar 60 km/h geldt zijn geen woningen voorzien. De nieuwe woningen aan de Kampweg zijn wel gelegen binnen de 60 km/u zone. Hiervoor geldt dat het geluid hoger is dan de standaardwaarde indien gebouwd wordt binnen 15 meter van de perceelsgrens, wel wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. De gemeente kan afwijken om geluid tot de grenswaarde toe te laten. Ook dient er aanvullend onderzoek te worden gedaan om te kunnen voldoen aan de binnenwaarde. Aanvullend onderzoek is pas mogelijk op het moment dat een definitieve ontwerptekening beschikbaar is. In de regels is opgenomen dat op de twee nieuwbouwlocaties aan de Kampweg (deelgebied Peelstraat) het bouwen van woningen uitsluitend is toegestaan nadat aangetoond is met een akoestisch onderzoek dat er wordt voldaan aan de waardes. Inmiddels is de invulling van het plangebied verder ontwikkeling en is de berekening op basis van de nieuwe gegevens aangepast in de vorm van een aanvulling6 op het akoestisch onderzoek. In de tussentijd is artikel 5.78 lid 1c van het Bkl gewijzigd.

Daarin is vastgesteld dat de regels uit het Bkl enkel van toepassing zijn op wegen met een intensiteit vanaf 2.500 motorvoertuigen per weekdag (voorheen lag deze grens op 1.000 mvt/etm). In onderhavige situatie hebben alle omliggende wegen een intensiteit lager dan 2.500, waarmee toetsing aan de waardes uit het Bkl niet meer aan de orde is. Ook bepaling van het gecumuleerde en gezamenlijke geluid is daarmee niet meer aan de orde. Omdat niet getoetst hoeft te worden aan de Bkl-waardes, is er immers formeel ook geen sprake van overschrijding van een standaardwaarde. Wel dient in het kader van Etfal sprake te zijn van een aanvaardbaar geluid. In dat kader is het geluid vanwege omliggende wegen toch in kaart gebracht. Omdat de waardes uit het Bkl gerelateerd zijn aan de kwaliteit van de leefomgeving kunnen deze waardes toch gebruikt worden voor een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid van geluid. In het bestaande rapport is reeds vastgesteld dat de standaardwaarde en grenswaarde uit het Bkl niet gelden voor de reeds bestaande bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning. Desondanks wordt voldaan aan de standaardwaarde, waarmee het geluid vanwege gemeentewegen op deze woning zonder meer aanvaardbaar is. Omdat alle omliggende wegen een etmaalintensiteit kennen lager dan 2.500 is toetsing aan de waardes uit het Bkl niet aan de orde.

Uit de berekening blijkt dat het geluid op de tot woning te herbouwen schuur desondanks voldoet aan de standaardwaarde, en daarmee zonder meer aanvaardbaar is. Voor de beide nieuw te bouwen woningen ligt het geluid weliswaar hoger dan de standaardwaarde, maar wordt wel voldaan aan de grenswaarde. Omdat toetsing aan de Bkl-waardes niet aan de orde is, is er formeel ook geen sprake van 5 6

Akoestisch onderzoek, HMB (kenmerk: 24298901N) Aanvulling akoestisch onderzoek, HMB (kenmerk: B01_24298901N)

31

overschrijding, en hoeven het gecumuleerde en gezamenlijke geluid niet bepaald te worden. Omdat de standaardwaarde wordt overschreden, is wel een nadere beschouwing van geluid nodig, daarvoor is aangesloten bij de ‘kwaliteitsindicatie geluid’ van het RIVM (methode ‘Miedema’). Volgens die methode is tot 50 dB sprake van een goed woonklimaat, tussen 50 en 60 dB van een redelijk tot matig woonklimaat en boven 60 dB van een tamelijk slecht tot zeer slecht klimaat. In onderhavige situatie bedraagt het geluid op de gevel ten hoogste 56 resp.57 dB, waarmee sprake is van een matig, en daarmee aanvaardbaar woon-/leefklimaat. Voor de overige nieuwe woningen geldt dat toetsing aan de waardes uit het Bkl vanwege de lage verkeersintensiteiten niet aan de orde is. Desondanks blijkt uit de berekeningen dat overal voldaan wordt aan de standaardwaarde voor gemeentewegen. De situatie is daarmee zonder meer aanvaardbaar.

5.5

Luchtkwaliteit

Het gebruik van de fysieke leefomgeving kan ongewenste bijwerkingen met zich meebrengen op het gebied van luchtkwaliteit. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Hier worden de grenswaarden beschreven voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het toestaan van de activiteit: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,0 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 13,7 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 8,9 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.

32

Het Besluit NIBM Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) aan de concentratie van een bepaalde stof. Voor deze activiteiten is dan ook geen toetsing noodzakelijk De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (artikel 5.53 en 5.54 Bkl) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is in NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case scenario is er sprake van 243,6 verkeersbewegingen per etmaal. (nadere toelichting aantal verkeersbewegingen paragraaf 5.13.1). Met behulp van de NIBM-tool 2022 is bepaald of dit extra verkeer in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer ruimschoots onder NIBM valt.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2025

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

114,8

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m

3

0,04

PM10 in μg/m

3

0,01

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen conform Ow en Bkl en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.

5.6

Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Rijksregels zouden zorgen voor het relatief vaak moeten vaststellen van maatwerkvoorschriften. Daarom is uitgangspunt dat geurhinder vooral in decentrale instrumenten zoals in het omgevingsplan wordt geborgd.

33

Artikel 5.92 Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Artikel 5.91 geeft aan dat geurgevoelige gebouwen in ieder geval gebouwen met een woon-, onderwijs-, of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang betreffen. Ondanks dat geur vooral een lokaal aspect is, is het voorkomen of beperken van geurhinder één van de oogmerken van de rijksregels artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over het verplicht binnen uitvoeren van activiteiten en beperkingen van emissies naar lucht die indirect ook een positief effect hebben op geuremmissies.

De regels over geur in paragraaf 5.1.4.6 zijn een voortzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en voor zover het gaat om de geurregels voor het houden van landbouwhuisdieren zijn deze regels ook een voortzetting van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurregels beogen eenzelfde beschermingsniveau te bieden en voorzien in een beleidsneutrale omzetting. Gemeenten leggen in het omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijke omgevingsplan dan gelden, indien van toepassing de gemeentelijke geurverordening, of op grond van artikel 22.1 en 22.2 Ow de geurregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat en maken deze deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege. Veehouderijen Conform artikel 5.109 Bkl geldt dat de geur op een geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom, niet meer mag bedragen dan 14,0 Ou/m³ (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouderij 14,0 Ou/m³ mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.

De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). Voorgrondbelasting In de directe omgeving (afstand van 500 meter) van het plangebied (gehele plangebied) zijn de volgende veehouderijen gelegen: ▪ Een paardenhouderij aan de Kampweg 29, op een afstand van 80 meter; De thans actieve veehouderij betreft Peelstraat 44, welke middels onderhavig ontwikkeling gesaneerd zal worden. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden (paarden en melkvee), tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Bkl voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Achtergrondbelasting Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen.

In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven.

34

Woning bouwlocatie Woningen Kampweg en Peelstraat

Nummer Hoek 1

X-coördinaat 193791

Y-coördinaat 371882

Berekende waarde 7,0

Hoek 2

193850

371895

7,0

Hoek 3

193888

371821

7,6

Hoek 4

193814

371777

7,6

Hoek 1

193617

371745

7,7

Hoek 2

193646

371876

6,6

Hoek 3

193787

371850

7,1

Hoek 4

193801

371774

7,6

Hoek 5

193679

371731

7,8

De hoogste cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied bedraagt 7,8 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale cumulatieve geurbelasting toegestaan van 20,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De woning binnen het plangebied, welke verder van de intensieve veehouderijen zijn gepositioneerd dan bestaande woningen, hebben derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen.

Afbeelding 8 Rekenpunten geurberekening

5.7

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid, ofwel omgevingsveiligheid. Regels omtrent externe veiligheid zijn gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de

35

omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico die op een locatie is toegestaan. In het Bkl (bijlage VII) is een lijst opgenomen met activiteiten die aangewezen zijn als risicobron. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels omtrent het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; ▪ Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ▪ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen; ▪ Windturbines. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico (GR) Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl).

Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. 36

Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen een beschermingszone van mogelijke omliggende risicovolle activiteiten. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.8

Trillingen

Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 100 meter van een spoorweg. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Derhalve vormt het aspect trillingen geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Water

Bij het realiseren van nieuwe bebouwing en/of het toestaan van nieuwe activiteiten kan er sprake zijn van wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen in het Bkl. Artikel 5.37 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen. 5.9.1 Waterbeleid Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden.

De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren.

37

Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de provinciale omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de Provinciale Omgevingsvisie Limburg gelden er voor de projectlocatie geen waterkundige waarden. 5.9.2

Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie)

Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als hoge zwarte enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het projectgebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 045-0,75 m/dag. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2021. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. 5.9.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Onderhavige ontwikkeling heeft tot doel het oprichten van 17 nieuwe woningen. Met het initiatief is sprake van nieuw verhard oppervlak. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging.

Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van een initiatief, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand.

38

Woningbouwlocatie Voor onderhavige ontwikkeling is een bergingsberekening7 uitgevoerd volgens de door de gemeente Peel en Maas gehanteerde Leidraad Water. Uit deze berekening blijkt dat het plan voldoet aan de gestelde bergingseis van 100 mm per m2 verhard oppervlak, De benodigde waterberging wordt gerealiseerd door infiltratievoorzieningen die zodanig zijn ontworpen dat zij binnen 48 uur na een neerslaggebeurtenis weer volledig beschikbaar zijn voor nieuwe berging. Hiermee wordt een robuuste en duurzame afvoer van hemelwater gewaarborgd, in lijn met de gemeentelijke eisen en het principe van waterneutraal ontwikkelen. Afvalwater Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zal voor de nieuwe woningen te zijner tijd een aansluiting gemaakt worden op het bestaand gemeentelijk rioleringsstelsel.

5.10 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen worden middels een planologische beschermingszone vastgelegd. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Conclusie Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.11 Natuur De Europese natuurwetgeving was in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. De Wnb gaat in het kader van de Omgevingswet op in het Aanvullingsbesluit natuur en Aanvullingsregeling Natuur. Deze overgang is beleidsneutraal, de thans geldende normenkaders, instrumenten en bevoegdheidsverdeling blijven dan ook ongewijzigd. 5.11.1 Flora en fauna Om het (mogelijk) voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bouw van de woningen hierop te onderzoeken is een quickscan flora & fauna8 uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn de effecten met negatieve invloed op de mogelijk aanwezige beschermde soorten en hun functioneel leefgebied niet volledig uit te sluiten. Ondanks dat volgens de NDFF geen beschermde soorten binnen een straal van twee kilometer van het plangebied zijn geregistreerd, vormt de laagte met water langs de Kampweg een ideaal habitat voor de rugstreeppad. Deze soort is een pionier soort die snel nieuwe, geschikte locaties kan koloniseren, zoals de laagte op het grasland aan de oostzijde van de weg.

Het biedt daarmee ideaal voortplantingswater voor de rugstreeppad, aangezien het ondiep is, snel opwarmend en zonder concurrentie van andere amfibieën of waterinsecten. Daarom is nader onderzoek naar het voorkomen van de rugstreeppad in dit deel van het plangebied noodzakelijk, conform het Kennisdocument rugstreeppad.

7 8

Bergingsberekening, INFRA20 Quickscan flora en fauna, BrabantEco (kenmerk: 2024-BE-1163)

39

Nader onderzoek - Rugstreeppad Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is een nader onderzoek naar de rugstreeppad9 uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek kan concluderend gesteld worden dat tijdens het onderzoek geen individuen, eisnoeren, larven, juvenielen of kooractiviteit is waargenomen. Hieruit kan worden geconcludeerd dat rugstreeppadden geen gebruik maken van het plangebied en dat het gebied niet als leefgebied dient. Een negatief effect als gevolg van de werkzaamheden kan worden uitgesloten. 5.11.2 Natura2000 Regels omtrent stikstofdepositie zijn geregeld in artikel 22.20 Ow. Hierin staat vermeld dat de regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven geleden tot bij een koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is, mits uitgesloten kan worden dat een project geen merkbaar c.q. negatief effect heeft voor wat betreft de stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura2000-gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=a09f7ba2-0e25-422e-86ac-3c284eaede4e