CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-020 03 Motivering

Raad 10 maart 2026, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “TAM-IMRO omgevingsplan Veldsehuizen 39 Maasbree”, wijzigen naar Wonen met opslag (2026-020)18.547 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

1.

2.

Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder de agglomeraties vallen, staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. 5.3.2 Toetsing Onderhavig voornemen valt niet onder een van de categorieën 'Standaardgevallen NIBM' zoals opgenomen in artikel 5.54. Ook is het voornemen niet gelegen in een gebied aangemerkt als 'Aandachtsgebied'. InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 1786 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) pas in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 3% vrachtverkeer. Van een dergelijke toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen is als gevolg van onderhavig plan geen sprake.

Tabel: NIBM-tool Onderhavige ontwikkeling ziet primair op een planologisch-juridische functiewijziging. Als gevolg van voorliggend plan is geen sprake van een toename van concentraties van schadelijke stoffen in de lucht. Ook ziet onderhavig plan niet op een toename van het aantal verkeersbewegingen. Onderhavige ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Derhalve is geen verdere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

33

5.3.3 Conclusie kwaliteit van de buitenlucht Vanuit het aspect luchtkwaliteit wordt voldaan aan de regels en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4

Geur

5.4.1 Wettelijk kader In de fysieke leefomgeving kunnen (bedrijfsmatige) activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving'). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels op voor geurbelasting (artikel 5.91), maar de gemeente zelf bepaalt welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. 5.4.2 Beoordeling Voorliggend project ziet in vergelijking met de bestaande situatie niet op het realiseren van een nieuw geurgevoelig gebouw daar de huidige (bedrijfs)woning ook al een geurgevoelig object betreft. Het gebruik van dit gebouw als woning wijzigt niet. Voor het aspect geur is de kaart 'Achtergrondbelasting geur scenario 1 juli 2021' uit de 'Analyse intensieve veehouderij in Peel en Maas' geraadpleegd. Zoals zichtbaar is op onderstaade kaart is het plangebied gelegen in een gebied gekenmerkt als 'zeer goed'.

Kaart 'Achtergrondbelasting geur scenario 1 juli 2021' uit 'Analyse intensieve veehouderij in Peel en Maas met aanduiding plangebied Gelet op vorenstaande is duidelijk dat met betrekking tot het aspect 'geur' voldaan wordt aan een aanvaardbaar/goed woon- en leefklimaat.

34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

5.4.3 Conclusie geur Vanuit het aspect geur is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5

Bodemkwaliteit

5.5.1 Wettelijk kader Indien sprake is van een planologische functiewijziging dient aangetoond te worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot het aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28 lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (Bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden. 5.5.2 Toetsing Onderhavig voornemen ziet op een juridisch-planologische functiewijzing.

Binnen het plangebied is reeds sprake van een bodemgevoelige locatie. Een gedeelte van de locatie kan op grond van beschikbare historische informatie als onverdacht worden bestempeld. Aangenomen mag worden dat de kwaliteit van de boven- en ondergrond hier aansluit bij de bodemkwaliteitskaart, namelijk klasse landbouw / natuur. Dit geldt ook voor de (ongeroerde) ondergrond op het verdachte deel van de locatie. Ter waarborging van een goede milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is op het resterende verdachte gedeelte van de locatie een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5. Uit de rapportage blijkt dat onderhavige locatie geschikt is voor wonen. Binnen het verdachte deel van de locatie (erf en vml. drupzone) zijn geen overschrijdingen van de interventiewaarden aangetoond. Ook asbest is na het uitvoeren van een nader asbestonderzoek op de verhardingslaag niet aangetoond in een concentratie boven de restconcentratienorm van 100 mg/kg.ds. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek vormen milieuhygiënisch geen bezwaar voor de geplande bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen. Dit betekent dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen vormt voor onderhavig voornemen.

5.5.3 Conclusie bodemkwaliteit Vanuit het aspect bodemkwaliteit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6

Wegen, verkeer en parkeren

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect verkeer en parkeren.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

35

5.6.1 Wettelijk kader De wijziging van de functie van de locatie kan zorgen voor extra verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's, fietsen en/of scooters sprake is. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden. 5.6.2 Verkeersstructuur De verkeersstructuur zal als gevolg van het plan niet wijzigen. Het privé-verkeer van de woning blijft aanwezig en hier treden geen wijzigingen in op. Er wordt geen extra/nieuwe inrit gerealiseerd. Daarnaast komt agrarisch verkeer naar de locatie om de aardappelbewaarplaats te vullen en komen vrachtwagens naar de locatie om de loods leeg te maken. Voorheen was het perceel ook al in gebruik ten behoeve van een agrarisch grondgebonden bedrijf. Dit bedrijf is niet meer volwaardig door de verkoop van grond aan de gemeente op diens verzoek. Vorenstaande betekent dat het perceel en de verkeersstructuur rondom het perceel reeds zijn ingericht op het gebruik door een agrarisch bedrijf.

Bij een agrarisch bedrijf is sprake van een hogere verkeersdruk aan landbouwvoertuigen en vrachtwagens dan waarvan sprake is bij onderhavig planvoornemen (wijzigen in 'Wonen'). De verkeersdruk ten gevolge van enkel het vullen van de loods met aardappelen is aanzienlijk minder dan die behoort tot een volwaardig agrarisch bedrijf. Verder volgt uit de situatietekening dat het perceel reeds zodanig is ingericht dat de loods eenvoudig gevuld kan worden. Hierbij kunnen de voertuigen gebruik maken van de bestaande weg, Veldsehuizen, en de landweg naast het perceel. Veldsehuizen is een 60 km/uur weg. 5.6.3 Parkeren Als gevolg van het plan zal geen extra verkeersaantrekkende werking ontstaan ten opzichte van de bestaande planologische situatie. Tevens is sprake van een ruim erf waar geparkeerd kan worden. Aan de linkerzijde langs de open schuur is parkeerruimte gerealiseerd voor vier voertuigen. Verder kan in de omgeving van de loods geparkeerd worden door grotere voertuigen. Het aspect parkeren vormt daarom geen belemmering voor onderhavig voornemen. 5.6.4 Conclusie Vanuit het aspect wegen, verkeer en parkeren is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7

Externe veiligheid

5.7.1 Wettelijk kader Het beleid in het kader van de omgevingsveiligheid is gericht op het waarborgen van de veiligheid ter plaatse voorkoming van branden, rampen of crisis. Dit beleid kan zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer ervan. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in de instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In dhet algemeen wordt onderscheid gemaakt tussen: 1. 2.

36

risicovolle activiteiten (Besluit activiteiten leefomgeving). aandachtsgebieden (Besluit kwaliteit leefomgeving).

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

In het Bkl worden risicovolle activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen (indien opgenomen in het Bal); windturbines (indien opgenomen in het Bal). Indien sprake is vane en risicovolle activiteit kan daarvoor ook een 'aandachtsgebied' toegewezen zijn. Deze aandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en digitaal raadpleegbaar. Binnen deze gebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De begrippen beperkt kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen worden in Bijlage IV Besluit kwaliteit leefomgeving nader gedefinieerd. Ten behoeve van voorliggend voornemen zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. 5.7.2 Risicobronnen/risicovolleactiviteiten Voor het in beeld brengen van mogelijke veiligheidsrisico's is het Register Externe Veiligheid (REV) online geraadpleegd. Op deze kaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.

Uitsnede Atlas Leefomgeving - Register externe veiligheid, 2024 Uit het REV blijkt dat binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied geen risicovolle activiteiten

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

37

plaatsvinden. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen een plaatsgebonden risiconorm of aandachtsgebied van een risicovolle activiteit. Verder kan gesteld worden dat de zelfredzaamheid in het plangebied goed is te noemen. Ook is de bereikbaarheid van het plangebied bij een eventuele calamiteit goed. 5.7.3 Conclusie externe veiligheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'externe veiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan. Ter plekke van het plangebied is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Natuur

5.8.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. 5.8.2

Gebiedsbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenoemde externe werking waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot effecten in natuurgebieden. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast zijn volgens de provinciale verordening geen natuurwaarden binnen het plangebied aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft de Deurnsche Peel en Mariapeel. Dit betreft een Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied en ligt op ongeveer 9,7 kilometer afstand ten noordoosten van het projectgebied.

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden Stikstofemmissie kan mogelijk een effect veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Voorliggend plan voorziet echter primair in een planologisch-juridische functiewijziging. Het voornemen gaat niet gepaard met bouwwerkzaamheden. Het voornemen leidt feitelijk tot een wijziging van 'Agrarisch - grondgebonden' naar 'Wonen' met opslag. Vorenstaande zou kunnen betekenen dat geen sprake is van een wijziging in de realisatiefase, maar dat de gebruiksfase, ten opzichte van de huidige situatie, wijzigt. Feit is echter dat de aardappelbewaarplaats dezelfde omvang behoud en uitsluitend voor de opslag van aardappelen mag worden gebruikt. Daarbij komt geen stikstofemissie vrij, daar het ventileren van die opslag elektrisch gebeurt. Er verandert daarmee niks aan het aantal verkeersbewegingen met tractoren en/of vrachtwagens van en naar de locatie. Omdat de overige agrarische bedrijfsactiviteiten worden beëindigd staat zelfs vast dat het aantal verkeersbewegingen van tractoren en vrachtwagens aanzienlijk wordt verminderd in de gebruiksfase. Ditzelfde geldt voor het gebruik van de woning. Daar waar daar eerst een gezin in woonde dat het bedrijf runde komt daar nu een burgergezin te wonen. Het aantal verkeersbewegingen met personenvoertuigen zal daardoor eerder afnemen dan toenemen omdat er geen verkeer meer plaats vindt t.b.v.

bezoek van het voormalige agrarsich bedrijf (zoals vertegenwoordigers, adviseurs etc.). Dit afgezet tegen de afstand van 9,7 km afstand ten opzichte van het meest nabij gelegen Natura-2000 gebied zal uit een Aeriusberekening blijken dat geen sprake is van negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstof. Er ontstaat daarmee ook geen aanleiding een Wnb-vergunning aan te vragen vanwege mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden. 5.8.3 Soortenbescherming Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde soorten. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd waardoor voor vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan moet worden of er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat dan zijn. In Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Bij voorliggend plan zijn geen activiteiten noodzakelijk die een effect kunnen hebben op de fysieke leefomgeving ter plekke. Voorliggend plan voorziet primair in een planologisch-juridische functiewijziging

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

39

naar 'Wonen'. Hierbij zijn geen bouwwerkzaamheden noodzakelijk. Gelet op vorenstaande kan verstoring van (beschermde) plant- en diersoorten worden uitgesloten. Algemene zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de fysieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteiten (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. 5.8.4 Houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten.

Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting gescheidt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158). Binnen het plangebied worden geen houtopstanden gerooid. Derhalve is geen sprake van het vellen van houtopstanden. 5.8.5 Conclusie natuur Gelet op vorenstaande wordt in het kader van natuurbescherming voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.9

Water en watersystemen

5.9.1 Wettelijk kader In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan of buitenplanse Omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen gelden aanvullende instructieregels: Bescherming van primaire waterkeringen (5.33 Bkl); Behoud waterveiligheid (5.39 - 5.40 Bkl); Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 -5.47 Bkl); IJselmeergebied (5.48 - 5.49 Bkl). Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. 5.9.2 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een

40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor een goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water ontwikkeld de Rijksoverheid het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027. Het programma schrijft geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheersdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepsvaart, en de functies van de Rijkswateren. 5.9.3 ProvinciaalWaterplan Limburg 2022-2027 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid.

Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water: Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas; Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek; Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen. De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders vast voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend. Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.

5.9.4 Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet. Kort samengevat zijn de belangrijste speerpunten in het Waterbeheerprogramma: Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht; Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatigere afvoerdynamiek. Regenwater infilteren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

41

worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak. 5.9.5 Omgevingswaarde Ter plaatse van het plangebied is op grond van de Omgevingsverordening Limburg (OvL) de omgevingswaarde 'wateroverlast' van toepassing. Op grond hiervan is het plangebied gelegen in een gebied gekenmerkt als 'overstromingskansgebied C'. Voor overstromingskansgebied C geldt een gemiddelde overstromingskans van 1:25 per jaar. Deze instructieregel is een inspanningsverplichting voor het waterschap waarmee zij rekening moet houden. 5.9.6 Afvalwater en hemelwater Het plangebied is gelegen binnen de gemeente Peel en Maas en in het beheersgebied van Waterschap Limburg. Voorliggend plan voorziet primair in een planologisch-juridische functiewijziging. Derhalve is geen sprake van het toevoegen van nieuwe bebouwing en/of erfverharding ten opzichte van de situatie zoals vergund bij de omgevingsvergunning van 16 januari 2024. Ten aanzien van water in relatie tot het planvoornemen kan gesteld worden dat geen wijzigingen gaan plaatsvinden ten opzichte van de bestaande c.q. bij omgevingsvergunning van 16 januari 2024 vergunde situatie, zowel qua afvalwater niet als qua hemelwater. 5.9.7 Conclusie water en watersystemen Gelet op vorenstaande wordt in het kader van watersystemen voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10

Cultureel erfgoed

Ten aanzien van het uitvoeren van nieuwe activiteiten in de fysieke leefomgeving dient te worden aangegeven op welke wijze bij de beoogde activiteiten rekening is gehouden met binnen of buiten de locatie van de activiteit aanwezig cultureel erfgoed en werelderfgoed. Voorts dient aangewezen te worden op welke manier het plan landschappelijk of stedenbouwkundig wordt ingepast. 5.10.1 Wettelijk kader In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgvingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed (cultuurgoederen) als om immaterieel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artike 5.130 lid 2 Bkl).

Deze regels gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- of dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en instand houden van archeologische monumenten.

42

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

5.10.2

Beoordeling

5.10.2.1 Archeologie Voorliggend plangebied is op grond van het geldend planologisch-juridisch kader, het bestemmingsplan 'Buitengebied Peel en Maas', tevens aangewezen als 'Waarde - Archeologie - 4. De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde.

Uitsnede archeologische beleidskaart met aanduiding plangebied Op of in de voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: a. b. c. d.

het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diept reikt dan 40 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van minder dan 250 m2 ; een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter; gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

Voorliggend plan voorziet primair in een planologisch-juridische functiewijziging. Hierbij vinden geen (ver)bouwwerkzaamheden plaats die eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen aantasten. Kortom: archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

43

5.10.2.2 Overig cultureel erfgoed Voorliggend plangebied ligt op grond van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas niet in een 'Waarde - Cultuurhistorie'. De bedrijfswoning aan de Veldsehuizen 39 te Maasbree is niet aangewezen als monumentaal en/of karakteristiek pand. Gelet hierop hoeft met de aanwezigheid van cultureel erfgoed geen rekening te worden gehouden. 5.10.3 Conclusie cultureel erfgoed Gelet op vorenstaande wordt in het kader van cultureel erfgoed voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11

Bedrijven- en milieuzonering

5.11.1 Algemeen Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin milieucategorieën en richtafstanden uit 2009 komen te vervallen. De Omgevingswet bevat meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. In onderhavige situatie heeft de gemeente Peel en Maas een omgevingsplan waarin van rechtswege nog de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In deze bestemmingsplannen is over het algemeen wel nog uitgegaan van de eerder genoemde milieucategorieën en richtafstanden. De bestaande rechten van activiteiten in de omgeving zijn daarop ook veelal gebaseerd. Onder de Omgevingswet wordt het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) gehanteerd. Dit is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het gaat hierbij om de aspecten geur, geluid en trilling.

Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mba-begrip. 5.11.2 Beoordeling Bij het beoordelen van de bedrijfsmatige activiteiten in de omgeving van het plangebied is gebruik gemaakt van de kaart 'Bestemmingsplannen' van de Atlas Leefomgeving daar hierdoor verschillende bestemmingsplannen in één keer zichtbaar zijn. In het Omgevingsloket is het niet mogelijk om meerdere bestemmingsplannen tegelijkertijd te bekijken.

44

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

Uitsnede Atlas Leefomgeving - Bestemmingsplannen met aanduiding plangebied Vooropgesteld dient te worden dat binnen straal van 500 meter één bedrijf, één horecainrichting en een bedrijventerrein aanwezig zijn die mogelijk van invloed zijn op respectievelijk belemmerd kunnen worden door de planologisch-juridische functiewijziging ter plaatse van onderhavig plangebied. De bestaande bedrijfswoning is reeds een milieugevoelig object warmee omliggende bedrijvigheid in de bestaande situatie rekening mee moeten houden. Daarnaast liggen reeds woonbestemmingen op kortere afstand tot de bedrijvigheid. Deze bedrijvigheid dient derhalve reeds met de bestaande woonbestemmingen rekening te houden. Voorliggend plan impliceert primair een planologische functiewijziging zonder toevoeging van een nieuw milieugevoelige functie. Dientengevolge vormt eventuele bedrijvigheid in de (directe) omgeving geen belemmering voor onderhavig plan. Aardappelopslag valt onder SBI-code 016 nummer 2 (dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen (o.a. loonbedrijven: b.o. <= 500 m2 ) en betreft een bedrijf in de categorie 2. Hiervoor geldt een richtafstand voor geuren geluid van 30 meter en een richtafstand voor stof en gevaar van 10 meter.

De directe omgeving van het plangebied kan worden gekenmerkt als een gemengd gebied met als gevolg dat de genoemde richtafstand met één trap kan worden verlaagd naar 0 meter respectievelijk 10 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan ten opzichte van de woningen in de omgeving. De afstand van de aardappelloods tot de perceelgrens van het noordelijk gelegen woonperceel is circa 18 meter. Naast de bedrijfsvoering c.q. opslag in het plangebied is ook sprake van bedrijvigheid binnen een straal van 500 meter rondom het projectgebied. Adres

SBI-2008 Omschrijving

Richtaf Richtaf Richtaf- Richtaf- Catego Afstand -stand - stand stand stand -rie plangebied Geur stof geluid gevaar tot bouwperceel

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

45

Veldsehuizen 31 5221.1 Venloseweg 19

494.0

Venloseweg 21

4752

Hagelkruisweg 2 68.A Hagelkruisweg 5 493 Groesweg 11

466.2

Groesweg 14

466.2

Groesweg 17

451

Groesweg 22

494.0

Groesweg 31

473.3

Groesweg 33

451

Groesweg 37

451

Groesweg 43

41.2

Venloseweg 25

871

Voltaweg 1

451

Voltaweg 8a

4637

46

Autoparkeerterrein- 10 en, parkeergarages Goederenvervoer0 bedrijven (zonder schoonmaken tanks) b.o. > 1000 m2 Bouwmarkt, 0 tuincentra, hypermarkten Verhuur en handel in 0 onroerend goed Touringcarbedrijv10 en Groothandel in 0 machines en apparaten: overige Groothandel in 0 machines en apparaten: overige Handel in auto's en 10 motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven

0

30 0 continu 100 30 continu

2

151 meter

3.2

320 meter

0

30

10

2

251 meter

0

10

0

1

74 meter

0

3.2

238 meter

10

100 0 continu 50 0

3.2

340 meter

10

50

0

3.2

355 meter

0

30

10

2

283 meter

Goederenvervoer0 bedrijven (zonder schoonmaken tanks) b.o. > 1000 m2 Benzinetankstations: 30 zonder LPG Handel in auto's en 10 motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven Handel in auto's en 10 motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven Aannemersbedrijven 10 met werkplaats: b.o. > 1000 m2 Verpleeghuizen 10

0

100 30 continu

3.2

415 meter

0

30

10

2

236 meter

0

30

10

2

233 meter

0

30

10

2

251 meter

30

50

10

3.1

269 meter

0

2

48 meter

Handel in auto's en 10 motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven Groothandel in 30 koffie, thee, cacao en specerijen

0

30 0 continu 30 10

2

254 meter

10

30

2

305 meter

0

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

0

4638

Voltaweg 11

27.2

Voltaweg 16

255.B

Voltaweg 18

466.2

Groothandel in overige voedings- en genotmiddelen Machine- en apparatenfabrieken incl. reparatie: p.o. >= 2000 m2 Smederijen, lasinrichtingen, bankwerkerijen e.d. Groothandel in machines en apparaten: overige

10

10

30

10

2

305 meter

50

30

200

30

4.1

342 meter

50

30

100

30

3.2

287 meter

0

10

50

0

3.2

298 meter

Voor bovenstaande bedrijven op het bedrijventerrein geldt op grond van het vigerende omgevingsplan de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3'. Voor een bedrijf in deze categorie geldt tot een rustige woonwijk een richtafstand van 100 meter. Gelet hierop dient van deze maximale planologische mogelijkheden uitgegaan worden. Bij het meerendeel van de bedrijven in de omgeving van het plangebied wordt ruim voldaan aan de richtafstanden voldaan. Enkel bij Hagelkruis 2 wordt niet aan de richtafstand voldaan. Dit bedrijf is gelegen binnen een industrieterrein, waardoor de gegeven richtafstanden gelden. Daarbij dient opgemerkt te worden dat hierbij sprake is van een bedrijfsverzamelgebouw betreft waar meerdere bedrijven in gevestigd zijn. Zo zijn daar onder andere een schoonheidssalon, bouwmarkt en dierenwinkel in gevestigd. Van deze bedrijven heeft de bouwmarkt de hoogste richtafstand, namelijk een richtafstand voor geluid van 30 meter en een richtafstand voor gevaar van 10 meter. Deze bouwmarkt valt onder de SBI-code 4752 en betreft een bedrijf in de categorie 2. De geldende richtafstanden leveren voor onderhavige functiewijziging geen belemmeringen op. Deze functiewijziging leidt niet tot het toevoegen van een nieuwe woning. In de huidige situatie is een woning reeds toegestaan in een bedrijfswoning.

Dit betekent dat de omliggende bedrijven reeds in de huidige situatie rekening moeten houden met de gevolgen voor deze woning. Van een verandering van de feitelijke situatie is derhalve geen sprake. Voor de aspecten geluid, fijnstof en geur wordt verder verwezen naar het gestelde onder paragrafen 5.2, 5.3 en 5.4 van onderhavige motivering. Vorenstaande betekent dat ter plaatse van onderhavig plangebied, ten opzichte van de bedrijvigheid in de omgeving, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.11.3 Conclusie bedrijvigheid Vanuit het aspect bedrijvigheid is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12

M.e.r.-beoordeling

5.12.1 Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

47

Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage II, van de EU-richtlijn m.e.r.

De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. 5.12.2 Toepassing In Bijlag V bij de artikelen 11.6, 11.7 en 11.8 van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In deze lijst zijn zowel de m.e.r.-plichtige als de m.e.r.-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten. Bij voorliggend plan is geen sprake van een project met een daartoe benodigd besluit zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Om te bepalen of alsnog een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling een drempelwaarde uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Dempelwaarde Bijlage V Omgevingsbesluit Overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (201501297/1/R4) is gezien de zeer beperkte omvang met dit voornemen geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit en betreft dit project daarmee geen m.e.r.-plichtige activiteit. 2.

Ligging binnen een gevoelig gebied Als gevoelig object zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschapelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in Besluit m.e.r. 3. Belangrijke milieugevolgen In Hoofdstuk 5 van deze motivering zijn de verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit blijkt dat onderhavig planvoornemen geen negatieve effecten heeft op de fysieke leefomgeving. De locatie, aard en omvang van het voornemen leiden niet tot dusdanige omstandigheden of milieueffecten, op basis waarvan alsnog een nadere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. 5.12.3 Conclusie m.e.r.-beoordeling Uit de m.e.r-beoordeling is gebleken dat de gevolgen van het uitvoeren van de activitiet op de fysieke leefomgeving geen aanleiding geven tot het opstellen van een m.e.r.-rapportage en dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

48

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

5.13

Duurzaamheid, klimaat(adaptie)

5.13.1 Duurzaamheid Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit. Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's. Bij duurzaam bouwen en verbouwen wordt er rekening gehouden met de effecten op het milieu. Binnen het kader van de Omgevingswet worden al de nodige regels voorgeschreven met betrekking tot duurzaam (ver)bouwen.

5.13.2 Klimaat(adaptatie) Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden. Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en koppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Met inachtneming van onderhavig planvoornemen staat vast dat ten opzichte van de bestaande situatie niet wordt voorzien in het mogelijk maken van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Rondom het plangebied is veel open land en aan de achterzijde is één woning aanwezig. Onderstaande figuur geeft een inzicht in de gevoelstemperatuur op een zomerse dag op het plangebied.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

49

Uitsnede Atlas Leefomgeving - Stedelijk hitte-eiland effect (UHI) met aanduiding plangebied Uit bovenstaande kaart blijkt duidelijk dat onderhavig plangebied gelegen is in een gebied dat gekwalificeerd kan worden als zowel een gebied met gematigde hittestress, met extreme hittestress (niveau 1) en extreme hittestress (niveau 2). Dit betekent dat de mogelijkheid bestaat om binnen het terrein verkoeling op te zoeken op een warme zomerdag. Onderhavig planvoornemen gaat primair om een planologisch-juridische functiewijziging. Hierbij is geen sprake van bouwactiviteiten. Hierdoor ontstaat geen verandering in de hittestress die kan ontstaan in het plangebied. Gesteld kan worden dat derhalve sprake is van goed woon- en leefklimaat in het plangebied. 5.13.3 Conclusie duurzaamheid en klimaat(adaptatie) Gelet op vorenstaande wordt in het kader van duurzaamheid en klimaatadaptatie voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

50

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Participatie en omgevingsdialoog

6.1.1 Algemeen Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project. Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden. Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan: Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd.

In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn. Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken. 6.1.2 Omgevingsdialoog Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan.

Welke mate van participatie dient te worden toegepast is afhankelijk van de zwaarte van het initiatief. De gemeente Peel en Maas heeft in hun brief (zie Bijlage 1) geadviseerd een omgevingsdialoog te voeren met omwonenden. In het kader van participatie is een omgevingsdialoog gevoerd. Daarbij is het plan toegelicht aan de hand van de situatietekening van de bestaande situatie (zie Bijlage 2) en het landschappelijk inpassingsplan (zie Bijlage 3. Omwonenden waren allemaal positief over het plan en hebben geen opmerkingen of wensen kenbaar gemaakt.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

51

6.2

Financiële uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen Onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is (‘niet evident onuitvoerbaar’). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd. 6.2.2 Kostenverhaal Op grond van de Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf is het kostenverhaal verzekered en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde. Anterieure overeenkomst Als sprake is van een ontwikkeling die op eigendomsgronden van de overheid is gelegen dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow.

Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot de vaststelling van het TAM-Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken. Publiekrechtelijk kostenverhaal Naast het privaatrechtelijk spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijk spoor worden verzekerd in een omgevingsvergunning voor een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is ook aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijk spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn. Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal: Integrale gebiedsontwikkeling, mét tijdvak (artikel 13.14 Ow) Organische gebiedsontwikkeling, zónder tijdvak (artikel 13.15 Ow) Met betrekking tot voorliggend voornemen is geen sprake van een publiekrechtelijk kostenverhaal. De kosten worden verhaald middels de leges.

6.2.3 Financiële bijdragen Artikel 13.22 Ow biedt, in aanvulling op het kostenverhaal, een grondslag voor het maken van afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied. Het betreft andere kosten dan die verhaald worden via de anterieure overeenkomst over het kostenverhaal. De basis van deze bijdragen moet worden gelegd in een omgevingsvisie of programma. Dergelijke bijdragen dienen ter verbetering van de fysieke leefomgeving. In het kader van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn geen aanvullende financiële bijdragen aan de

52

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

orde. 6.2.4 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheden. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen: die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving. De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan), een omgevingsvergunning, een projectbesluit voor realistaie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en rechtstreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap. Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: het rechtstreeks gevolg zijn van het besluit of maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg; of het gevolg zijn van een feitelijke uitvoering van een activiteit. Bijvoorbeeld door een tijdelijke wegafsluiting; de schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt.

Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren. Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. Met betrekking tot onderhavig planvoornemen zal in het kader van nadeelcompensatie een nadeelcompensatieovereenkomst worden afgesloten tussen gemeente Peel en Maas en initiatiefnemer.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

53

54

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

Hoofdstuk 7 7.1

Artikelsgewijze toelichting

TAM-Omgevingsplan

7.1.1 Algemeen Een TAM-Omgevingsplan is een tijdelijk hulpmiddel om ervoor te zorgen dat ontwikkelingen door kunnen blijven gaan totdat de gemeente het Omgevingsplan volledig in STOP (Standaard voor officiële publicaties) kan opstellen. Het TAM-Omgevingsplan wordt later ondergebracht in STOP. Het TAM-Omgevingsplan is een wijziging van het Omgevingsplan van rechtswege, alleen wordt deze opgesteld met de techniek welke in gebruik is volgens de huidige (of oude) wetgeving. Juridisch moet een TAM-Omgevingsplan ook voldoen aan de regels van het Bkl en de provincie. Een TAM-Omgevingsplan wordt met een oude techniek (IMRO i.p.v. STOP/TP) opgesteld, bekend gemaakt en beschikbaar gesteld. Daardoor is het niet mogelijk om een TAM-Omgevingsplan en de tekst van de bruidsschat in één bestand samen te voegen. Omdat het juridisch wel één Omgevingsplan vormt, wordt in de praktijk het TAM-Omgevingsplan als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd na Hoofdstuk 22 en voor de slotbepalingen. De naam van een TAM-Omgevingsplan begint met 'TAM-Omgevingsplan' gevolgd door een spatie en de rest van de plannaam. De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofstuk kan gewijzigd worden, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen.

Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch genummerd worden en dat de nummering begint bij 'artikel 1'. Voor het doel is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering echter onhoudbaar, omdat het Omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en artike 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet. Om duidelijk te maken hoe een TAM-Omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het Omgevingsplan wordt met voorliggend plan na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstukken een preambule opgenomen. De Preambule geeft aan hoe het TAM-Omgevingsplan in samenhang met de rest van het Omgevingsplan gelezen moet worden. 7.1.2 Uitwerking in de regels Ter plaatse van het plangebied is het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas van toepassing. Dit Omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle bestemmingsplannen in de gemeente Peel en Maas van rechtswege omgezet naar één Omgevingsplan. Deze bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas. In het nieuwe deel van het Omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Hierom is op deze locatie het bestemmingsplan 'Buitengebied Peel en Maas' leidend. Voor het opstellen van onderhavig TAM-Omgevingsplan is dan ook aangesloten bij het bestemmingsplan 'Buitengebied Peel en Maas'.

Via dit TAM-Omgevingsplan wordt via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan gewijzigd. Het TAM-Omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar heeft technisch gezien het 'oude' format. De regels van het TAM-Omgevingsplan zijn onderverdeeld in diverse hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels met daaraan vooraafgaand een preambule, Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten, Hoofdstuk 3 Algemene regels en Hoofstuk 4 Overgangsregels. Hieronoder wordt een nadere toelichting gegeven op deze hoofdstukken.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22z Veldsehuizen 39, Maasbree

55

Preambule In de preambule is opgenomen dat het TAM-Omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het Omgevingsplan gemeente Peel en Maas en de artikelen als paragrafen van dat hoofstuk. Dit om onduidelijkheden met het Omgevingsplan van rechtswege te voorkomen. Inleidende regels (hoofdstuk 1) De algemene bepalingen zijn opgenomen in Hoofdstuk 1 van onderhavig TAM-Omgevingsplan. Hoofdstuk 1 bevat onder meer het toepassingsbereik, de toepassing van de begripsbepaling, aanvullende begripsbepalingen, de toepassing van de meet- en rekenbepalingen, aanvullende meet- en rekenbepalingen, de aanvraagvereisten en de zorgplicht. Functies en activiteiten (Hoofdstuk 2) In Hoofdstuk 2 van het TAM-Omgevingsplan is opgenomen welke functies en activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan. De in de regels opgenomen functies en activiteiten zijn in paragraaf 7.1.3 nader toegelicht. Algemene regels (Hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 van het TAM-Omgevingsplan bevat algemene regels die van toepassing zijn op het plangebied zoals de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene functieregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, en overige regels zoal de werking van wettelijke regelingen. Overgangsregels (Hoofstuk 4) In Hoofdstuk 4 van het TAM-Omgevingsplan zijn overgangsbepalingen opgenomen voor bouwwerken respectievelijk gebruik. 7.1.3

Functies en activiteiten

Onderstaand worden de voor het plangebied opgenomen functies, zoals deze zijn opgenomen in Hoofdstuk 2 van voorliggend TAM-Omgevingsplan kort toegelicht. 7.1.3.1 Wonen Voor het plangebied is de functie 'Wonen' opgenomen. Binnen het gehele plangebied is wonen voornamelijk toegestaan. Daarnaast zijn binnen het gehele plangebied bestaande mantelzorgvoorzieningen, groenvoorzieningen, tuinen, erven en terreinen, paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen en goven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Ook bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn binnen de functie 'Wonen' toegestaan. Naast vorenstaand toegestaan gebruik is ter plekke van de aanduidingen ander gebruik toegestaan in de vorm van de opslag van aardappelen. Deze opslag van aardappelen in een bijbehorend bouwwerk is alleen toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'uitsluitend opslag van aardappelen'. Tot slot hebben de bijbehorende bouwwerken in het plangebied achter de woning de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - vrijkomende agrarische bebouwing'. Deze aanduiding houdt verband met de de sloopbonusregeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=328a855d-e79f-4cd2-90a2-1b61a737b28f