CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-016 03 Ruimtelijke Motivering (geanonimiseerd)

Raad 10 maart 2026, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan Donk 9 te Kessel (2026-016)17.088 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

,

,

In categorie J11 staat een ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’ opgenomen. onder deze categorie vallen ook onder andere woningbouw de bouw van kantoren universiteiten bioscopen theaters woonboulevards ziekenhuizen en scholen. Ook stedelijke projecten in dorpen vallen eronder. ,

,

,

,

,

,

Opgemerkt wordt dat het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ in deze context verschilt van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ zoals dat wordt gehanteerd bij de Ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie Onderhavig plan voorziet in een functionele wijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning met daarbij stalling van ABC-goederen (oldtimers) als ondergeschikte activiteit. Deze activiteit komt niet voor in bijlage V Omgevingsbesluit. In dit geval is er geen sprake van een m. e. r. -beoordelingsplicht. ,

5. 2.

Bodem- en grondwaterkwaliteit

5. 2. 1.

Bodem

Het aspect bodem (-kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Indien sprake is van een planologische functiewijziging dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het beoogde gebruik. De regels met betrekking tot het aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 5 Bkl. Dit besluit bepaalt ook voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. ,

23 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid van mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28 lid 1 Ow). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c. q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functie. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan de daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage llA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j tweede lid van het Bkl niet worden overschreden. ,

,

,

Onderhavig planvoornemen betreft een functionele wijziging van een bedrijfswoning naar een burgerwoning met daarbij stalling van ABC-goederen (oldtimers) als ondergeschikte activiteit. Derhalve is reeds sprake van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Daarbij wordt opgemerkt dat in de gebouwen waarin de oldtimers gestald worden geen personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn.

,

,

Conclusie bodem Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor het planvoornemen. 5. 2. 2.

Grondwaterkwaliteit

Provincie Limburg monitort in heel Limburg het grondwater. Afhankelijk van het doel wordt de kwantiteit kwaliteit of beide gemonitord. Metingen zijn van belang om te bezien wat er ‘buiten’ gebeurt en om te zien of het opgestelde beleid effect heeft. Vervolgens kunnen de metingen worden gebruikt om het beleid te evalueren en indien nodig aan te passen. Maar er wordt ook gemonitord om aan de landelijke (wettelijke) verplichtingen te kunnen voldoen mede in verband met de rapportages aan het Rijk en de Europese Commissie.

,

,

,

,

,

Volgens het ‘Informatiehuis Water’ is het grondwater in de buurt van het plangebied van goede kwaliteit. Gezien de aard en omvang van het planvoornemen is het niet aannemelijk dat het planvoornemen de kwaliteit van het grondwater negatief beïnvloed. ,

Conclusie waterkwaliteit Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘grondwaterkwaliteit’ geen belemmering voor het planvoornemen.

5. 3.

Bedrijven en milieuzoneringen

Het begrip ‘inrichting’ uit de Wet milieubeheer bestaat onder de Omgevingswet niet meer; deze is vervangen door regels voor milieubelastende activiteiten. Een ‘milieubelastende activiteit’ is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Met ingang van de Omgevingswet worden het ruimtelijke en fysieke spoor verder geïntegreerd. Inhoudelijk zijn er weinig veranderingen wel is de systematiek gewijzigd. De rijksregels voor milieubelastende activiteiten staan opgenomen in hoofdstuk 3 in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). Voor activiteiten die niet in hoofdstuk 3 van het Bal zijn aangewezen kan een gemeente regels opnemen in het Omgevingsplan. De algemene zorgplicht (artikel 1. 7 Ow) en het algemene verbod (artikel 1. 7a Ow) uit de Omgevingswet zijn altijd van toepassing. ,

,

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen of andere gevoelige functies krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: • Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • Het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

24 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Ondanks het beschikbaar zijn van de nieuwe VNG-handreiking Activiteiten en milieuzonering is om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur stof geluid en gevaar. De grootste van de richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de richtafstand. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.

,

,

,

Omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype “rustige woonwijk” of daarmee vergelijkbaar. Wanneer sprake is van het omgevingstype “gemengd gebied” kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woonen leefklimaat. ,

Afstand meten De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Toets omgevingstype en milieucategorie Het plangebied is overeenkomstig de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” 2009 gelegen in gebiedstype “Rustige woonwijk en rustig buitengebied”. Ondergeschikte opslaggebouwen (SBI-code-52109) worden voor milieu aangemerkt als categorie 2 bedrijf. De richtafstand van het milieuaspect ‘geluid’ (deze richtafstand kent de grootste richtafstand) tot een milieugevoelige functie in het omgevingstype ‘rustige woonwijk/buitengebied’ bedraagt 30 meter. De afstand van de grens van de functie ‘wonen – met specifieke aanduiding vrijkomende agrarische bebouwing’ tot aan de grens van de functie ‘wonen’ aan Donk 7 bedraagt 0 meter. Er wordt niet aan de richtafstand van 30 meter voldaan. De afstand van de grens van de functie ‘wonen – met specifieke aanduiding vrijkomende agrarische bebouwing’ tot aan de grens van de functie ‘wonen’ aan Donk 11 bedraagt 0 meter. Er wordt niet aan de richtafstand van 30 meter voldaan. Tuinbouwbedrijf Een tuinbouwbedrijf (kassen) (SBI-code-011 012 en 013) wordt voor milieu aangemerkt als categorie 2 bedrijf.

De richtafstand van het milieuaspect ‘geluid’ (deze richtafstand kent de grootste richtafstand) tot een milieugevoelige functie in het omgevingstype ‘rustige woonwijk/buitengebied’ bedraagt 30 meter. ,

De afstand van de grens van de functie ‘wonen – met specifieke aanduiding vrijkomende agrarische bebouwing’ tot aan de grens van de functie ‘glastuinbouw’ aan Donk 5 bedraagt ca. 22 meter. Er wordt niet aan de richtafstand van 30 meter voldaan. Conclusie bedrijven en milieuzoneringen Gelet op vorenstaande kan geconcludeerd worden dat niet aan de richtafstanden wordt voldaan. Het aspect geluid wordt nader uitgewerkt in paragraaf 5. 4. Op basis daarvan kan ondanks dat er niet wordt voldaan aan de richtafstanden geconcludeerd worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,

,

25 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

5. 4.

Geluid

Geluid door activiteiten Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Het Bkl bevat geluidsregels die zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidbronnen zoals industrieterreinen wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. ,

,

Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan zijn de instructieregels voor activiteiten van toepassing (5. 59 Bkl) waarbij een omgevingsplan er onder andere in voorziet dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. ,

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan in het kader van de beoordeling of dat er bij woonbestemmingen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gebruik gemaakt worden van bijlage 5 uit de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” 2009. Deze omschrijft voor geluid het volgende stappenplan: 1. 2.

3.

Indien de richtafstand niet wordt overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven; Indien stap 1 niet toereikend is dient middels een geluidonderzoek (vanaf deze stap noodzakelijk) aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 2 als weergegeven in navolgende tabel. Indien voldaan wordt is buitenplanse inpassing mogelijk. Stappen 3 en 4 alleen bij buitenplanse inpassing. Indien stap 2 niet toereikend is dient middels een geluidonderzoek aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 3 als weergegeven in navolgende tabel. Indien voldaan wordt is buitenplanse inpassing mogelijk met dien verstande dat het bevoegd gezag moet motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. ,

,

,

4.

Tabel 5. 4. 1: Geluidgrenswaarden VNG brochure “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 [1] Exclusief piekgeluiden door aan- afrijdend verkeer

Stap en gebiedstype Stap 2 rustige woonwijk Stap 2 gemengd gebied Stap 3 rustige woonwijk Stap 3 gemengd gebied

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 45 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 55 dB(A)

Maximaal (piekgeluiden) 65 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A) [1]

Verkeersaantrekkende werking 50 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 65 dB(A)

Beoordeling geluid door activiteiten Uit de beoordeling in het kader van het omgevingsaspect ‘Bedrijven en milieuzoneringen’ (paragraaf 5. 3) blijkt dat er niet voldaan wordt aan de richtafstand voor geluid zijnde 30 meter. ,

Geluid t. b. v. tuinbouwbedrijf In paragraaf 5. 3 wordt geconcludeerd dat er niet aan de richtafstand van 30 meter wordt voldaan. In de nieuwe situatie wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De bestaande bedrijfswoning is voor het glastuinbouwbedrijf voor geluid nu ook al een te toetsen object. In de nieuwe situatie verandert dit niet. Tevens worden in de bijgebouwen géén geluidgevoelige gebouwen/ruimten toegestaan. Hierdoor vormen de bijgebouwen geen belemmering voor het tuinbouwbedrijf. Geluid vanuit ondergeschikte opslaggebouwen In paragraaf 5. 3 wordt geconcludeerd dat er niet aan de richtafstand van 30 meter wordt voldaan richting de woningen gelegen aan Donk 7 en 11. De ondergeschikte opslaggebouwen zijn bedoeld voor de stalling van 26 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

oldtimers. In de representatieve situatie zullen maximaal 6 oldtimers per dag (12 bewegingen) in de dagperiode in- en uitrijden waarbij de worst-case aanname van 1 beweging per uur geldt. Hierbij bestaat de kans dat de portieren van de oldtimer bij de opslaggebouwen open en dicht zullen worden gedaan waardoor een piekgeluid zou kunnen optreden. De afstand tussen de opslaggebouwen en de woningen bedraagt minimaal 45 meter. ,

,

Voor de afname van het geluidniveau door afstand is gebruik gemaakt van de halve bol-methode. Maximaal geluidniveau Uitgaande van een piekgeluid van dichtslaande autoportieren van 100 dB(A) neemt het geluid op een afstand van 45 meter met 42 dB(A) af. Hierdoor is op de dichtstbijzijnde woning (Donk 11) sprake van een geluidbelasting van 58 dB(A) op de gevel waarmee wordt voldaan aan de norm van 65 dB(A) voor het maximale geluidsniveau. Daarnaast is er bij de woningen sprake van afscherming door bestaande bijgebouwen bij deze woningen. ,

,

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau In de representatieve situatie is aan te nemen dat er maximaal één keer per dag in de dagperiode een oldtimer in- en uit zal rijden (worst-case). Gezien deze zeer gelimiteerde activiteit wordt middels een indicatieve berekening aangetoond dat deze activiteit passend wordt geacht. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de rekentool ‘Indicatieve rekenmethode wegverkeersgeluid’ van het RIVM. Hoewel deze rekentool formeel bedoeld is voor het berekenen van wegverkeerlawaai kan hiermee ook indicatief bepaald worden wat de geluidbelasting in de dagperiode is vanwege ‘industrielawaai’. Deze methode rekent volgens de formules van standaard rekenmethode I uit bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De emissies en wegdekcorrecties zijn aangepast aan de waarden uit bijlage IVe van de Omgevingsregeling. Omdat hier sprake is van een indicatieve berekening wordt gekozen om voor de variabele zoveel mogelijk (zeer) worst-case aannames te doen. Zie onderstaande figuur toegelicht.

voor

de ingevulde variabelen bij deze rekentool. Deze worden hieronder nader

Figuur 5. 4. 1 Indicatieve geluidsberekening (bron: https://www. rivm. nl/geluid/rekenmodellen-en-tools/wegverkeersgeluid

Verkeersgegevens: Voor het langsrijdende verkeer is gekozen lichte vrachtwagens vanwege de mogelijke hogere bronvermogens die oldtimers hebben in verhouding met recentere personenwagens. Er wordt gekozen voor 1 beweging per uur 27 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

,

wat neer komt dat er 6 oldtimers per dag heen- en terug kunnen rijden. Daarnaast is het wegdek genomen op

‘Elementverharding niet in keperverband’. Dit is een zéér ongunstig wegdek voor geluid. Voor de snelheid wordt 15 km/uur aangehouden. In de praktijk is te verwachten dat men rustiger langs deze locatie rijdt. Omgevingskenmerken: Voor de omgevingskenmerken zijn de waarde naar beneden afgerond zodat voor de indicatieve berekening de bron dichterbij berekend wordt. Er wordt gekozen voor een afstand van 2 meter met een waarneemhoogte van 1 meter én gerekend met een volledige zichthoek. Ook wordt een harde omgeving aangenomen. Aan de andere zijde zijn geen relevante reflecterende vlakken. Hier is dus niks voor ingevuld. Ook is hier geen sprake van kruispunten of minirotondes. ,

,

Resultaat: Hieruit volgt een geluidniveau van 34 dB L den Dit is echter niet hetzelfde als het geluidniveau gedurende de dagperiode. Voor het berekenen van L den geldt de formule: .

Hieruit volgt dat L dag gelijk is aan 37 dB omdat L avond en L nacht verwaarloosbaar zijn. Hieruit volgt dat naar alle waarschijnlijkheid geen hogere geluidbelasting dan 37 dB(A) te verwachten is op de woning vanwege een langsrijdende oldtimer. ,

Conclusie geluid Op basis van deze indicatieve worst-case berekening wordt er reëel geacht dat er wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden van stap 2 voor rustige woonwijk zijnde 45 dB(A) voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Nader akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. ,

5. 5.

Kwaliteit van de buitenlucht

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2. 1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. ,

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Volgens paragraaf 5. 1. 4. 1 gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO)2 en fijnstof (PM). 10 Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarde; • De activiteit leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • De activiteit draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar vaste bewoning is zoals akkerland de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. ,

geen

,

In de onderstaande tabel worden de te hanteren grenswaarden weergegeven. Daarbij wordt in de laatste kolom de grenswaarden van deze stoffen ter plaatse van het plangebied weergegeven. Daaruit kan geconcludeerd worden dat de grenswaarden zoals gesteld door de WHO binnen het plangebied niet worden overschreden. Volgens de kaarten van Atlas Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. 28 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

Tabel 5. 5. 1 Grenswaarden WHO en grenswaarden plangebied

Stof Stikstofdioxide (NO)2 Fijnstof (PM)10 Fijnstof (PM) 25 ,

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m 3 40 µg/m 3 25 µg/m 3

Waarde t. h. v. plangebied 118 µg/m 3 158 µg/m 3 86 µg/m 3 , ,

,

NIBM Tenslotte is de mate van verhoogde concentraties van bepaalde stoffen in de lucht van belang. Artikel 5. 53 en 5. 54 Bkl legt vast wanneer een activiteit 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een activiteit is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM)10 of stikstofdioxide (NO).2 Dit komt overeen met 12 microgram/m 3 voor zowel PM 10 als NO.2 ,

Daarnaast

zijn er een aantal categorieën bepaald voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren gebouwen met een woonfunctie tot ten hoogste 1. 500 woningen en het telen van gewassen in kassen artikel 5. 54 Bkl. aangenomen.

,

,

NIBM-tool Infomil Infomil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een 'worst-case' berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 3. 432 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Van een dergelijke toename van de hoeveelheid verkeersbewegingen is als gevolg van het plan geen sprake. Het plan voorziet in het omzetten een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Verder zijn de bedrijfsactiviteiten ter plaatse dusdanig kleinschalig dat geen sprake is van een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plekke. Conclusie luchtkwaliteit Gelet op vorenstaande wordt in het kader van ‘luchtkwaliteit’ voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

5. 6.

Geur

In de fysieke leefomgeving kunnen (bedrijfsmatige) activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1. 3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving'). Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels op voor geurbelasting (artikel 5. 91 Bkl) maar de gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Een verdere invulling van de plicht vloeit voort uit artikel 5. 92 Bkl op grond waarvan in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. ,

Rekening houden met geur werkt twee kanten op: • •

Bij het mogelijk maken van het verrichten van geuractiviteiten in de buurt van geurgevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven.

Het plan betreft een omzetting van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning met behoud van een aantal bijgebouwen. Deze gebouwen worden gebruikt t. b. v. stalling van ABC-goederen (met name oldtimers) als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie. Het plan voorziet niet in het verrichten van geuractiviteiten in de buurt van gevoelige gebouwen.

,

Het plan voorziet wel in het toelaten van een geurgevoelig gebouw. Om te bezien of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning is een berekening gemaakt. Uit deze berekening blijkt dat de milieukwaliteit ter plaatse kan worden aangemerkt als ‘zeer goed’. Hieruit kan geconcludeerd ,

29 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

worden dat het omzetten van de bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning passend is t. o. v. de milieukwaliteit. De gebruikte toetspunten voor deze berekening zijn bijgevoegd in bijlage 22q. 2 ‘Toetspunten berekening woon- en leefklimaat’ bij deze motivering. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven gelegen waar dieren worden gehouden zonder geuremissiefactor. Hiervoor gelden minimale vaste afstanden van 25 meter vanaf de gevel van een stal tot aan de grens van een geurgevoelige functie buiten de bebouwde kom. Op de locatie Donk 23 is een agrarisch grondgebonden bedrijf gevestigd meer specifiek een melkveehouderij. Voor deze diercategorie zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld. Hierdoor dient uitgegaan te worden van de vaste afstanden. ,

De afstand vanaf de gevel van stal op de locatie Donk 23 tot aan de grens van het nieuwe functievlak ‘wonen – met specifieke aanduiding vrijkomende agrarische bebouwing’ bedraagt ca. 360 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de vaste afstanden. ,

Conclusie geur Gelet op vorenstaande wordt in het kader van ‘geur’ voldaan evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving.

aan

de regels

en

is ter plekke sprake van een

Externe veiligheid

5. 7.

Externe veiligheid (ook wel omgevingsveiligheid genoemd) beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag productie gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor de omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 van het Bkl. De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 van het Bkl gaan over het toestaan van beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. ,

,

,

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in een gebied zijn er regels en voorschriften wanneer sprake is van een activiteiten met gevaarlijke stoffen. Zo zijn in de regelgeving verschillende afstanden gebieden benoemd. Het gaat hierbij om het plaatsgebonden risico de aandachtsgebieden en voorschriftengebieden. ,

•

Het plaatsgebonden risico (PR-contouren) c. q. veiligheidsafstanden is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor individuele burgers. Het plaatsgebonden risico houdt kort gezegd in dat (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties niet binnen een bepaalde afstand mogen komen te liggen van aangewezen activiteiten met externe veiligheidsrisico's. De grens- en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico zijn opgenomen in het Bkl. Deze waarden worden ruimtelijk vertaald in afstanden die tot gebouwen en locaties in acht genomen moeten worden of waarmee rekening gehouden moet worden.

•

Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar zich bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brandaandachtsgebieden) overdruk (explosieaandachtsgebieden) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolkaandachtsgebieden). De aard en omvang van aandachtsgebieden wordt bepaald door de effecten van een scenario en niet door de kans. De begrenzing van de aandachtsgebieden ligt daar waar mensen binnenshuis in een standaard gebouw beschermd zijn tegen de gevaren van brand explosie en gifwolk. Binnen elk aandachtsgebied geldt van rechtswege de verplichting om in het omgevingsplan rekening te houden met het groepsrisico. Het bevoegd gezag dient hierbij af te wegen welke maatregelen worden ingezet om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Een brandaandachtsgebied (BAG) of een explosieaandachtsgebied (EAG) (of een deel hiervan) kan worden aangewezen als voorschriftengebied. Binnen dit gebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van een bouwwerk. De aanvullende bouweisen hebben tot doel om mensen in een gebouw te beschermen tegen de gevolgen van een van buiten komende brand of explosie. ,

,

,

30 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

,

Op grond

van de

risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en om het plangebied.

Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen invloedsgebieden van enige risicobron. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op ca. 590 meter afstand. Hierdoor is een nadere motivering van de externe veiligheidsrisico’s niet noodzakelijk. Conclusie externe veiligheid Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering

5. 8.

voor het planvoornemen.

Trillingen

Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22. 3. 5 van de bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op gronden van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22. 88 van de bruidsschat en artikel 5. 87 Bkl. ,

Er zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken zoals spoorlijnen. Tevens veroorzaakt de stalling van oldtimers geen trillingen. Er wordt verondersteld dat trillingen op deze locatie geen problemen opleveren. ,

Conclusie trillingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘trillingen’ geen belemmering voor het planvoornemen.

5. 9.

Water

Bij het vaststellen van omgevingsplannen moeten gemeenten rekening houden met waterbelangen dit volgt uit paragraaf 5. 1. 3 Bkl. De gemeente moet hierbij voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn in het Bkl instructieregels opgenomen. Artikel 5. 37 Bkl stelt dat bij de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden met het waterbelang en de gevolgen voor het beheer van het watersysteem. Daarnaast is paragraaf 5. 1. 3 van het Bkl specifiek gericht op onderdelen van het rijksbelang. Voor Peel en Maas is hierin paragraaf 5. 1. 3. 4 ‘Grote Rivieren’ specifiek van belang. ,

,

5. 9. 1.

Waterbeleid

Relevante stukken op het gebied van water o. a. het ‘Waterbeheerplan 2022-2027’ van het waterschap de Omgevingsvisie Limburg het ‘Nationaal Waterplan’ ‘WB21’ ‘Nationaal Bestuursakkoord Water’ en de Europese ‘Kaderrichtlijn Water’. Al deze beleidsstukken hebben in de kern een belangrijk punt: water is een belangrijk sturend element in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekend drietrapsstrategieën zijn daarbij leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit); • Hergebruik-bergen-infiltreren. ,

,

,

,

Daarnaast staat in de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. De hierboven genoemde drietrapsstrategieën gelden hierbij ook. Het waterbeleid in de Omgevingsvisie Limburg sluit aan op de Europese doelen en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: • Herstellen van de sponswerking waarbij het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem anticiperend op veranderingen in het klimaat centraal staan; • Het herstellen van de natte natuur waarmee een ecologisch gezond watersysteem ontstaat en grondwaterafhankelijke natuur; • Schoon water door het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment. ,

,

31 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

•

Duurzame watervoorziening waarbij het beschermen van water voor menselijke consumptie centraal staat zodat er voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is. Een veilige Maas waarbij het streven is naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. ,

•

5. 9. 2.

,

Waterhuishoudkundige situatie (huidige situatie)

Op de bodemkaart van Nederland worden de gronden binnen het plangebied aangemerkt als ‘lemig fijn zand’. Conform de algemene gegevens van Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 045-075 m/dag. Conform de Omgevingsverordening Limburg is het plangebied ook niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Wel is op de leggerkaart van Waterschap Limburg te zien dat in de directe omgeving van het plangebied de ‘Bosbeek’ stroomt. Dit betreft een primaire watergang wat betekent dat de Keur van het waterschap van toepassing is. ,

,

,

Op basis van de Keur mag er binnen een zone van 5 meter van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Dit is in het bestemmingsplan geborgd door middel van de aanduiding ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’. Onderhavig initiatief voorziet niet in dergelijke activiteiten waardoor een vergunning van het Waterschap niet noodzakelijk is. ,

Voor wat betreft het afvalwater huishoudelijke aard is de locatie Donk 9 reeds aangesloten rioleringsstelsel van de gemeente. Dit blijft in de beoogde situatie ook het geval. ,

5. 9. 3.

op

het

Waterhuishoudkundige situatie (nieuwe situatie)

Vanuit het beleid van het waterschap dient sprake te zijn van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Dat wil zeggen dat de nieuwe watersituatie minimaal gelijk moet blijven aan de uitgangssituatie. Het hemelwater afkomstig van de nieuwe bebouwing dient in de gemeente Peel en Maas op eigen terrein te worden afgekoppeld. Voor het bufferen en infiltreren van het hemelwater eist het Waterschap dat minimaal een bui van T = 100 kan worden geborgen. ,

,

Binnen het plangebied wordt geen nieuwe bebouwing opgericht. Er wordt ca. 218 m 2 aan bebouwing gesloopt. Er wordt ca. 357 m 2 aan verharding aangebracht. Het hemelwater wat hierop terecht komt kan op een natuurlijke manier infiltreren in de bodem. Hiervoor is genoeg oppervlakte om buien op te vangen en te infiltreren op eigen terrein. Onderhavig plan voorziet daarmee niet in een wijziging van de waterhuishoudkundige situatie. Daarnaast wordt er geen industrieel water op het openbaar vuilwaterriool geloosd. ,

Conclusie water Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘water’ geen belemmering voor het planvoornemen.

5. 10.

Kabels , leidingen en straalpaden

Er kunnen planologisch relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige brandbare en/of ontplofbare stoffen zijn. Daarnaast zijn aardgasleidingen hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. De locaties van deze leidingen worden aangegeven in het omgevingsplan als ze voorkomen in het gebied. ,

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Op een afstand van ca. 830 meter bevindt zich de hoogspanningsverbinding ‘150 kV Belfeld- Buggenum’. Gezien de grote afstand vormt deze hoogspanningsverbinding geen belemmeringen voor het plan. Eveneens zorgt het plan niet voor belemmeringen voor deze hoogspanningsverbinding.

32 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

,

Conclusie kabels en leidingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering voor het planvoornemen.

5. 11.

Natuur

In de toelichting van een omgevingsplan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de wet- en regelgeving op het gebied van natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleids-neutrale overgang. Het normenkader de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. ,

,

,

5. 11. 1.

Gebiedsbescherming

Natura2000-gebieden De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 11 Besluit activiteiten leefomgeving. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als er naar aanleiding van projecten plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten mogelijkerwijs significante effecten optreden dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenaamde externe werking waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot effecten in de natuurgebieden. ,

,

,

,

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde (Nederlandse) Natura2000-gebied betreft het Swalmdal en ligt op een afstand van ca. 7 km ten zuiden van het plangebied. Doordat het plangebied buiten de begrenzing van Natura2000-gebieden ligt kunnen de directe negatieve effecten zoals oppervlakteverlies op voorhand worden uitgesloten. Verstorende effecten door bijvoorbeeld licht of geluid tijdens de (sloop)werkzaamheden zijn ook uitgesloten vanwege de ruime afstand en tussenliggende infrastructuur. ,

,

,

,

Significante negatieve effecten door stikstofdepositie zijn in principe nooit op voorhand uit te sluiten vanwege de overbelaste situatie in Nederland. Echter in dit geval betreft het een bestaande situatie die functioneel wordt omgezet van bedrijfswoning naar een burgerwoning. De ondergeschikte activiteit is van dusdanig kleine aard dat een toename van stikstof als gevolg van verkeersbewegingen niet aannemelijk is.1 ,

,

Om de stikstofdepositie n. a. v. verkeersbewegingen in de beoogde situatie in beeld te brengen is er een berekening gemaakt met AERIUS – Calculator 2023. 1. 2. De stikstofdepositie zal in de beoogde situatie op alle Natura2000-gebieden afnemen dan wel gelijk blijven ten opzichte van de referentiesituatie. Vanuit dit aspect zijn er daarom geen significant verstorende effecten te verwachten. De volledige berekeningen zijn bijgevoegd als bijlage 22q. 3 en bijlage 22c. 3a bij deze motivering. ,

Natuur Netwerk Nederland (NNN) Een andere vorm van gebiedsbescherming is het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Limburg uitgewerkt in de Omgevingsverordening Limburg. Binnen het NNN streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. ,

De dichtstbijzijnde grens met een NNN-gebied is gelegen op een afstand van ca. 330 meter ten westen van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat dit niet leidt tot een aantasting c. q. doorkruising van het NNN. 1

Opgemerkt wordt dat de sloop van overtollige bebouwing niet is meegenomen , daar dit voornamelijk handmatig gebeurt.

33 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

5. 11. 2.

Soortenbescherming

Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft en zo ja welke op beschermde soorten. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd waardoor vrijwel voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan moet worden of er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat dan zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wanneer een vergunning nodig is. ,

,

Algemene zorgplicht Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten dus bij (inter-)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. ,

,

,

Binnen het plangebied is een ecologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een QuickScan Flora en Fauna. Uit de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen en de daarbij behorende werkzaamheden naar verwachting geen negatief effect zullen hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfsplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. ,

Wel wordt geadviseerd om te slopen buiten het broedseizoen om aanwezige broedvogels niet te verstoren. Om verstoring van de eekhoorn zo veel mogelijk te beperken is aan te raden om de sloopwerkzaamheden te verrichten in de periode maart-april en juli t/m november. Dit is de minste kwetsbare periode. Het volledige rapport is bijgevoegd als bijlage 22q. 4 bij deze motivering. Conclusie natuur Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘natuur’ geen belemmering

5. 12.

voor het planvoornemen.

Archeologie , cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten gemeentelijke en provinciale monumenten en archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving de omgevingsverordening en het omgevingsplan. ,

Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Dit volgt uit artikel 5. 130 lid 1 van het Bkl. Deze instructie geldt nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige archeologische of historische informatie. ,

Om hieraan gevolg te kunnen geven maakt de gemeente een inventarisatie en analyse van het binnen de gemeente aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed. Voor het te behouden cultureel erfgoed moet de gemeente een toereikend beschermingsregime instellen. ,

Bij cultureel erfgoed kan het gaan om: • Monumenten zoals (bouw)werken. • Tuinen en parken. • Bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. • Stads- en dorpsgezichten en (delen van) cultuurlandschappen.

34 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

,

De gemeente legt de te beschermen gemeentelijke en provinciale monumenten vast in het omgevingsplan. De gemeente Peel en Maas heeft dit gedaan door voor het gehele grondgebied van de gemeente een archeologiekaart op te stellen. Archeologie

5. 12. 1.

Op grond van deze gemeentelijke archeologische kaart ligt het plangebied in zowel ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 5’. Dit betreffen gronden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en) c. q. functie(s) mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen in het bijzonder voor gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. ,

,

,

,

Waarde – Archeologie 4 Op of in de voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden

mag

niet worden gebouwd met uitzondering ,

van: • • • •

het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 40 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van minder dan 250 m²; een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter; gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. ,

Waarde – Archeologie 5 Op of in de voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden

mag

niet worden gebouwd met uitzondering ,

van: • • • •

het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 40 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van minder dan 2. 500 m²; een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3 meter; gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. ,

Conclusie archeologie De ontwikkeling behelst met name een functionele wijziging. Ter plaatse van de hoge verwachtingswaarde ligt de bestaande bedrijfswoning. De nieuwe situatie wijzigt niet t. o. v. de huidige situatie. De grond wordt hier dan ook niet geroerd. De grond in het overige gedeelte van het plangebied waarop de middelhoge verwachtingswaarde is gelegen wordt eveneens niet geroerd. Een gedeelte van de bestaande bebouwing wordt hergebruikt. Het te slopen gedeelte van de bebouwing wordt voornamelijk handmatig gesloopt. Daarbij wordt opgemerkt dat deze bebouwing niet dieper reikt dan 40 cm onder het maaiveld waardoor het niet aannemelijk is dat eventuele archeologische resten in de bodem worden geschaad als gevolg van het plan. De nieuw aan te leggen verharding zal niet dieper reiken dan 15 cm onder het maaiveld. ,

,

,

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling niet voorziet in grondwerkzaamheden die dieper reiken dan de genoemde ondergrenzen in het bestemmingsplan waardoor een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Wel wordt de archeologische waarde in het TAM-omgevingsplan gehandhaafd. ,

35 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

5. 12. 2.

Cultuurhistorie

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In artikel 5. 130 lid 2 Bkl staan hiervoor instructieregels. Deze regels gaan over: Ontsiering beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; Verplaatsing van beschermde monumenten; Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; Aantasting van de omgeving van een beschermd monument; Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

• • • •

,

• •

Deze instructieregels gelden nadrukkelijk ook voor bekende en aantoonbaar te verwachten cultuurhistorisch waardevolle monumenten (artikel 5. 130 lid 3 4 en 5 Bkl). Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige archeologische of historische informatie. Om hieraan gevolg te kunnen geven maakt de gemeente een inventarisatie en analyse van het binnen de gemeente aanwezige en te verwachten cultureel erfgoed. ,

,

,

Binnen het plangebied liggen geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Ook is geen sprake van een beschermd stads- of dorpsgezicht conform de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg. ,

Conclusie cultuurhistorie Gelet op vorenstaande vormt planvoornemen.

het aspect ‘archeologie

en

cultuurhistorie’

belemmering

geen

voor

het

Verkeersgeneratie , -afwikkeling & parkeren

5. 13.

Bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties hoort ook goed omgaan met verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast dienen er voldoende parkeerplaatsen voor de functies van de beoogde ontwikkeling aanwezig te zijn. 5. 13. 1.

Verkeer

Verkeersveiligheid is primair geregeld in de weg- en verkeerswetgeving deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Bekende richtlijnen van het CROW blijven ook bestaan. In de Omgevingsvisie van Peel en Maas wordt onder de opgave ‘een gezonde en veilige leefomgeving’ ingegaan op de ambitie voor een verkeersveilige infrastructuur. De parkeernormen zijn in het (tijdelijk) omgevingsplan en de ‘Parkeernota’ geregeld. ,

Middels het plan wordt een functie toegevoegd: het stallen van oldtimers voor derden maximaal 15 stuks. Deze worden 3 á 4 keer per jaar opgehaald. Voor het bepalen voor de verkeersgeneratie voor de functie ‘wonen’ is aansluiting gezocht bij de kengetallen van het CROW. Als gevolg van de nieuwe situatie op de locatie zijn de verkeersbewegingen als volgt: ,

,

• •

Licht verkeer t. b. v. wonen: Licht verkeer t. b. v. stalling:

86 verkeersbewegingen per dag; 066 verkeersbewegingen per dag; , ,

Bovenstaande leidt tot 3. 139 verkeersbewegingen per jaar t. b. v. de woonfunctie en 240 verkeersbewegingen per jaar voor het stallen van de oldtimers. De infrastructuur van de Donk is hiervoor voldoende geschikt om dit verkeer af te wikkelen. Daarbij wordt opgemerkt dat de woonfunctie al reeds aanwezig was in de bestaande situatie.

36 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

Parkeren

5. 13. 2.

De gemeente Peel en Maas heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeernota Peel en Maas’ vastgesteld op 18 juni 2018. Om de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie in kaar te brengen is aansluiting gezocht bij dit beleid. ,

,

Voor een woonhuis buiten de bebouwde kom geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Op de locatie Donk 9 is voor het woonhuis plaats voor twee parkeerplaatsen. Het woonhuis beschikt ook over een garage waardoor de auto binnen gestald kan worden. ,

Voor een arbeidsextensief/ bezoekersextensief bedrijf geldt een parkeernorm van 11 parkeerplaats per 100 m 2 bedrijfsvloeroppervlakte. De bebouwing die blijft behouden voor stalling bedraagt 899 m.2 Conform de parkeernota dienen er dan 9 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Echter wordt er in de bestaande bebouwing stallingsmogelijkheden gerealiseerd waardoor er voor de oldtimers geen parkeerplaatsen op het buitenterrein gerealiseerd hoeven te worden. Wanneer de oldtimers worden gebracht of gehaald is er voldoende plek voor bij het woonhuis. Mocht deze bezet zijn is er voldoende plek om op het terrein tijdelijk te parkeren. ,

,

,

,

Conclusie verkeer en parkeren Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering

voor het planvoornemen.

Duurzaamheid en gezondheid

5. 14.

Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik milieuvriendelijkheid veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem omgevingsinvloeden landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent dat in de praktijk gelet moet worden op het materiaalgebruik de vormgeving gebruik van alternatieve energiebronnen compact bouwen intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Voorts kan door tijdens de bouw zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. ,

,

,

,

,

,

,

,

Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dergelijke thema’s. De gemeente kan het beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan vastleggen in de vorm van omgevingswaarden. Indien deze omgevingswaarden van toepassing zijn moet het initiatief getoetst worden aan deze omgevingswaarden. ,

De gemeente Peel en Maas beschikt over een duurzaamheidsagenda en een zonneladder. De gemeente heeft dit beleid nog niet vastgelegd in het omgevingsplan zijnde als omgevingswaarden. De bruidsschat bevat wel een artikel over energiebesparende maatregelen (22. 52). ,

5. 14. 1.

Duurzaamheid

Het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ is in de Omgevingswet (Ow) als volgt gedefinieerd: ‘een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. ’ ,

In artikel 1. 3 Ow zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: ‘deze wet is met het oog op duurzame ontwikkeling de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en: b. doelmatig beheren gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter invulling van de maatschappelijke behoeften. ’ ,

,

,

,

,

Met deze bepaling wordt een duurzame ontwikkeling binnen de fysieke leefomgeving geborgd. Er wordt gezocht naar de samenhang van alle relevante belangen waaronder ruimte water natuur gezondheid en wonen. ,

,

,

,

37 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

Conclusie duurzaamheid Voorliggend plan betreft het omzetten van een (voormalige) bedrijfswoning naar een burgerwoning met behoud (en hergebruik) van een gedeelte van de bestaande bebouwing voor het stallen van oldtimers. De bestaande woning is daarbij energiezuinig uitgevoerd en op een gebouw zijn zonnepanelen gesitueerd. Deze zijn voldoende om te kunnen voorzien in eigen energiebehoefte. Met het aspect duurzaamheid wordt derhalve voldoende rekening gehouden in relatie tot onderhavig planvoornemen. ,

,

5. 14. 2.

Beschermen van de gezondheid

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1. 3 Ow). Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig nodigt uit tot gezond gedrag en beidt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. ,

Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een Omgevingsplan dan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 vierde lid Ow). Gelet hierop dient indien sprake is van wijziging van activiteiten in de fysieke leefomgeving te worden aangegeven op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Hierbij gaat het om zowel het beschermen alsook het bevorderen van de gezondheid. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. ,

,

,

,

In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. Regels met betrekking tot de 'gezondheid' is sterk afhankelijk van het gemeentelijke beleid. Conclusie gezondheid Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid door bijvoorbeeld instructieregels of omgevingswaarden voor geluid luchtkwaliteit geur en waterkwaliteit. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds beoordeeld. Hieruit kan geconcludeerd worden dat onderhavig plan voldoet aan alle omgevingswaarden en er ter plekke sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. ,

5. 14. 3.

,

Spuitzones

Doordat het plangebied in het buitengebied van Peel en Maas ligt is het in het kader van het aspect (volks)gezondheid wenselijk om te beschouwen of er sprake is van potentiële (onaanvaardbare) risico’s ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Indien gewasbeschermingsmiddelen op teeltgronden worden toegepast kan er sprake zijn van drift. Hierdoor kunnen deze gewasbeschermingsmiddelen bijvoorbeeld bij woningen en in tuinen terecht komen (verwaaien). Om een zonering te kunnen hanteren tussen bespuitingen en gevoelige functies wordt de term ‘spuitzones’ gehanteerd. ,

Hoewel in geen enkele wettelijke regeling aan te houden afstanden zijn opgenomen voor spuitzones tussen gevoelige bestemmingen c. q. functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt dient op basis van het criterium ‘evenredige toedeling van functies aan locaties’ door het bevoegd gezag een ruimtelijke afweging te worden gemaakt. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt als vuistregel dat een afstand van 50 meter tussen de gronden waar gewassen op worden geteeld en de te realiseren nieuwe gevoelige functie zoals een woning kan worden gehanteerd. Dit betreft meer een aandachtszone daar er tot op heden geen wetenschappelijke grondslag bestaat voor het vastleggen van de 50 meter. De directe noodzaak tot het opnemen van een vaste spuitvrije zone ontbreekt nog in de wetenschap. Afwijken van deze afstand is mogelijk mits daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Deze motivering moet op de locatie toegesneden zijn. ,

,

,

,

Voor het telen van gewassen in de openlucht gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De milieubelastende activiteit telen van gewassen in de openlucht staat in paragraaf 3. 6. 3 van het Bal. Alle activiteiten die in de openlucht plaats vinden en die het telen functioneel ondersteunen vallen ook onder het telen van gewassen in de openlucht. Dit geldt dus ook voor het spuiten van ,

38 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

gewasbeschermingsmiddelen. Artikel 3. 209 van het Bal verwijst voor wat betreft het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen naar paragraaf 4. 64 van het Bal. Deze paragraaf bevat de inhoudelijke regels voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op open teelten. Hierbij wordt zoveel mogelijk driftarme apparatuur voorgeschreven. Sinds 1 januari 2018 geldt hierbij een minimale vereiste driftreductie van 75% (artikel 4. 723c Bal) ten opzichte van de referentietechniek. Bovendien bevat het Bal regels voor teeltvrije zones in directe nabijheid van oppervlaktewateren (zoals sloten). Deze teeltvrije zones hebben een functie aangaande de vermindering van drift van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (en daarmee ook richting naastgelegen functies). Ook bevatten de regels een verbod op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen bij hogere windsnelheden. Het plan voorziet in het omzetten van een (voormalige) bedrijfswoning naar een burgerwoning met behoud van een deel van de bestaande bebouwing. Dit deel van de bebouwing wordt in gebruik genomen t. b. v. de opslag van oldtimers c. q. ABC-goederen welke geen nieuwe gevoelige functie betreft. Daarbij wordt opgemerkt dat het hier een bestaande (voormalige) bedrijfswoning betreft. Door de functiewijziging naar reguliere woonfunctie neemt het aantal blootgestelde personen niet toe ten opzichte van de eerdere situatie.

Daarmee blijft de blootstellingssituatie in feite ongewijzigd. ,

,

Het nieuwe bouwvlak krijgt de functie ‘wonen’ met aanduiding ‘vrijkomende agrarische bebouwing’. De gronden die buiten het bouwvlak vallen krijgen de functie agrarisch en zijn tevens in eigendom van initiatiefnemer. Dit gedeelte van het perceel is dusdanig begroeit met bomen met daaronder grasland. Daarbij komt dat initiatiefnemer geen agrarische activiteiten meer uitoefent. Op dit gedeelte van het perceel vindt daarom enkel nog onderhoud plaats aan de bestaande groenstructuren. ,

,

De afstand vanaf het beoogde nieuwe woonvlak tot aan de akkerbouwgronden ten westen en oosten van het plangebied bedraagt ca. 30 meter. Deze gronden zijn voornamelijk in gebruik voor de teelt van maïs en gras. Daarbij wordt opgemerkt dat ten westen van het plangebied tussen de akkerbouwgronden en het plangebied een bestaande groenstructuur ligt welke zorgt voor een functionele scheiding van dergelijke gronden. ,

,

Conclusie spuitzones Gelet op bovengenoemde omstandigheden waaronder de functiewijziging naar een reguliere woonfunctie (zonder toename van blootgestelde personen) de reeds aanwezige groenstructuur die een functionele scheiding biedt in combinatie met de geldende regels ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelten in het Bal kan worden geconcludeerd dat het verantwoord is om een afstand van minder dan 50 meter aan te houden. Met bovenstaande motivering is het planvoornemen ten aanzien van het aspect ‘spuitzones’ voldoende afgewogen en wordt aanvaardbaar geacht. ,

,

,

,

39 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22q , Donk 9 Kessel

6.

Uitvoerbaarheid

6. 1.

Financieel – economische uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid Uit voorliggende motivering blijkt dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kan worden bereikt en dat de beoogde functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aanvullend worden aangenomen dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de beoogde functies om financiële redenen op langere termijn niet zullen worden gerealiseerd.

,

Daaruit kan geconcludeerd worden dat met deze motivatie is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Kostenverhaal In hoofdstuk 13 Omgevingswet zijn de financiële bepalingen opgenomen. Afdeling 13. 6 gaat over “kostenverhaal bij bouwactiviteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen”. Op grond van artikel 13. 11 van de Omgevingswet zijn bestuursorganen verplicht om de kosten vanwege bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwactiviteiten of activiteiten vanwege gebruikswijzigingen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemer die hiervan profijt ondervindt. Als het niet mogelijk is een overeenkomst via privaatrechtelijke weg af te sluiten is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan een omgevingsvergunning of een projectbesluit. ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=ca29737e-6985-454b-b5b9-613776dcda92