2025-062 08 Bijlage 5 bij Toelichting - Aanvulling MER 3 juni 2024 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Zie pagina's 83 en 84 van het MER.
73
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website.
Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit:
Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan.
Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen
kunnen
hebben,
kan in Nederland
een MER vereist
zijn. Onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke
ac
eiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit ‘de
oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren” (categorieën C 14 en D 14). Daarom is een plan-MER opgesteld.
Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad
van
Peel en Maas.
Bevoegd gezag m.e.r.-procedure College van burgemeester en wethouders van Peel en Maas.
Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft alle zienswijzen en adviezen gelezen die het bevoegd gezag 2023
16 oktober
heeft toegestuurd. Ze heeft ze in haar advies verwerkt, voor zover relevant voor het MER.
Waar vind ik de stukken
die de Commissie
heeft beoordeeld?
U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.comm jectnummer
3751
in te vullen in het zoekvak.
mer.nl pro-
Commissie voor demilieueffectrapportage A.v. Schendelstraat 760
t e
030-2347666 mer@eia.nl
3511
w
commissiemer.nl
MK
Utrecht
PÄDEROYEN c?NNAER BIJLAGE
P218712.001.004
2: DIERTABELLEN
Dierbezetting en stalemissies bestaande situatie (gewijzigd t.0.v. het MER van 2023) (overeenkomstig de ontwerp-beschikking omgevingsvergunning 1%= fase van 24 april 2024}
Ravcode
_ Diersoort
Aantal
Ammoniak
Geur
Fijnstof
emissie
emissie
emissie
[Ou]
lar
[kgNH3]
_
PM10] De Horsten 20
Stallen2 De Horsten
D1.1.15.4
_ gespeende biggen
D1.3.12.4
g.endr. zeugen
12.960
_1.296
55.728
_
194400
835
526
8.600,5
_
18.410
_ 8480
17
Stal1
D1.2.17.4
_ kraamzeugen
265
345
40545
D3.2.15.4
_ opfokzeugen
150
68
1.905
dekberen
4
3
412
144
2.237
70.289
__ 266.084
D2.4.4
Totaal (afgerond)
4.650
* Alle stallen zijn voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem met watergordijn en biologische wasser met een emissiereductie van 85% ammoniak, 45% geur en 80% fijn stof (OW 2010.02).
Dierbezetting en stalemissies gewijzigde referentie MER (feitelijk, planologisch legale situatie) Ravcode
_
Diersoort
Aantal
Ammoniak
emissie [kg NH3]
_ Geur
_
Fijnstof
emissie _ emissie [ou lar PM10]
De Horsten
20
Stallen2
_
Totaal
D11.15.4
_ gespeende biggen
12.960
1.296
55.728
_ 194.400
1.296
55.728
_194.400
* Alle stallen zijn voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem met watergordijn en biologische wasser met een
emissiereductie van 85% ammoniak, 45% geur en 80% fijn stof (OW 2010.02).
P218712.001.004
Dierbezetting en stalemissies totaal ontwikkelplan (= Wnb vergund 2020} Ravcode
_
Diersoort
Aantal
Ammoniak
Geur
Fijnstof
emissie
emissie
emissie
[kg NH3]
[0u]
[ar PM10]
De Horsten 20 (biggenstallen 2-3-4-8 zijn hetzelfde uitgevoerd} Bestaand
D1.1.15.4
Gespeendebiggen
_ 12.960
1.296
55.728
194.400
D1.1.15.4
Gespeendebiggen
_ 20.160
2016
86.688
302.400
835
526,05
8.600,5
29.225
stal 142
Nieuw stal3-4-8
De Horsten 17 (alle zeugenstallen zijn hetzelfde uitgevoerd)
Bestaand
D1.3.12.4
stal 5 gewijzigd
Nieuw
Gusteendragende zeugen
D1.2.17.4
_ Kraamzeugen
265
344,5
4.054,5
8.480
D3.2.15.4
_ Opfokzeugen
150
67,5
1.905
4.650
D2.4.4
Dekberen
4
332
412
144
D13.12.4
Gusteendragende
2.505
1.578,15
25.801,5
87.675
stal6-7-9
zeugen 01.2.17.4
_ Kraamzeugen
795
1033,5
12.163,5
25.440
D3.2.15.4
_ Opfokzeugen
450
202,5
5.715
13.950
Dekberen
12
9,96
123,6
432
7.077
200.821
666.796
D2.4.4 Totaal (afgerond)
* Alle stallen zijn voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem met watergordijn en biologische wasser met een emissiereductie van 85% ammoniak, 45% geur en 80% fijn stof (huidige BWL 2010.02.V7)
Aanvuling
lan- MER Bestemmingsptan De Horsten Egchel
Pd€DEROYEN c?)NNAER BIJLAGE
3: PASSENDE
e BEOORDELING
MET
AERIUS
BEREKENING
Passende beoordeling Natura2000 gebieden Bestemmingsplan ‘De Horsten’ Gemeente
j
Peel en Maas
\ >
p
POUDEROYEN
c?NNAER
e Passende beoordeling Natura2000 gebieden Bestemmingsplan ‘De Horsten’ Gemeente
Peel en
Maas
Rapportnummer:
P218712.005
Naam opdrachtgever:
Gemeente Peel en Maas
Status:
Definitief
Datum:
24 mei 2024
PC/)DEROYEN J)NNAER Pouderoyen Tonnaer is een handelsnaam van Pouderoyen B.V.
St. Stevenskerkhof 2
6511 VZ Nijmegen
T(024) 3224579
Op onze dienstverlening zijn de DNR 2011 van toepassing die u vindt op
info@pouderoyentonnaer.nl pouderoyentonnaer.nl
pouderoyentonnaer.nl
Inhoud 1
Inleiding
2
Wettelijk kader …
3
2.1
Wet natuurbescherming en Omgevingswet.
2.2
Externe saldering en de plantoets..
2.3
Stikstofbeleid
Planbeschrijving . 3.1 Ligging plangebied..
4
3.2
Bestaande
situatie …
3.3
Planvoornemen
3.4
Natuurvergunning .
_ Natura2000 gebieden en natuurwaarden 411
_
Natura2000 gebieden
412
_
Gebiedsbeschrijving Leudal…
413
_
Gebiedsbeschrijving Swalmdal
414
_
Gebiedsbeschrijving Groote Peel..
415
_
Gebiedsbeschrijving Deurnesche Peel & Mariapeel
5 _ Werking luchtwassers
6
5.1
Onderzoeken en jurisprudentie.
5.2
Maatregelen voor goede werking …
Stikstofeffecten
6.1
Stikstofgebruiksruimte plangebied 611
_ stikstofgebruiksruimte ammoniak (NH3)
612
_ stikstofgebruiksruimte stikstofoxiden (NOx)
6.2
Referentiesituatie bestemmingsplan …
6.3
Gebruiksfase
6.4
Realisatiefasen
7
Conclusies…
8
Bijlagen.
2
Pasende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
PÂDEROYEN c?NNAER 1 Inleiding Deze passende beoordeling ziet toe op de beoordeling van effecten voor Natura2000-gebieden als gevolg van het bestemmingsplan ‘De Horsten’ in Egchel, gemeente Peel en Maas. Dit bestemmingsplan maakt uitbreiding van een intensieve varkenshouderij mogelijk. In deze passende
beoordeling wordt uitgegaan van hetgeen het kaderstellende bestemmingsplan maximaal mogelijk maakt.
De Wet natuurbescherming, het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming zijn per 1 januari 2024 vervallen en beleidsneutraal overgegaan naar de Omgevingswet via het aanvullingsspoor natuur. Het ontwerp-bestemmingsplan is vastgesteld voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de Omgevingswet en valt daardoor onder het overgangsrecht. Dit betekent dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld op basis van het oude recht, waaronder de voormalige Wet natuurbescherming. Omdat de Wet natuurbescherming beleidsneutraal is overgezet in de
Omgevingswet voldoet deze passende beoordeling zowel aan de voormalige Wet natuurbescherming als de nieuwe Omgevingswet.
Eris een kans op een significant, negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura2000-gebied als op grond van objectieve gegevens niet valt uit te sluiten dat het bestemmingsplan significante gevolgen kan hebben voor een Natura2000-gebied. Als de
planologisch toegestane activiteiten binnen het plangebied ‘per saldo' kunnen resulteren in significant nadelige effecten voor Natura2000 gebieden is voor het bestemmingsplan eveneens een passende beoordeling nodig. Een passende beoordeling is vormvrij, maar heeft wel een aantal vereisten. De passende beoordeling moet betrekking hebben op de maximale gevolgen van het bestemmingsplan waarvoor
de passende beoordeling wordt opgesteld. Er kan gebruik worden gemaakt van onderzoeken die niet specifiek voor het project zijn opgesteld, maar dan dient wel een individuele toets plaats te vinden om te bepalen of deze informatie ook toepasbaar is.
Passende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
3
2 Wettelijk kader 2.1
Wet natuurbescherming en Omgevingswet
De gebiedsbescherming in de voormalige Wet natuurbescherming en de huidige Omgevingswet
implementeert onder andere de Europese Vogelrichtlijn en de Europese Habitatrichtlijn. Gebieden die worden beschermd in het kader van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn vormen samen het Natura2000-netwerk in Nederland. De Natura2000-gebieden vormen de basis voor het behoud en
herstel van de biodiversiteit in Europa en herbergen soorten en habitats die op Europees niveau van belang zijn, bijvoorbeeld door de functie als schakel van internationale trekroutes van vogels. Onderdeel van de Nederlandse Natura2000-gebieden zijn de gebieden die zijn aangewezen als
Natuurnetwerk Nederland (NNN). Voor ieder Natura2000-gebied is een aanwijzingsbesluit opgesteld, waarin omschreven staat voor welke kwalificerende natuurwaarden (habitats en/of soorten) het betreffende gebied is aangewezen. Tevens staan in het aanwijzingsbesluit de
instandhoudingsdoelstellingen omschreven. Voor plannen en projecten die nadelige effecten kunnen hebben op een Natura2000-gebied, dienen de effecten op de kwalificerende natuurwaarden te worden onderzocht. Als uit de voortoets
volgt dat het plan mogelijk negatieve effecten heeft voor Natura2000-gebieden dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Artikel 2.7, eerste lid, van de voormalige Wnb regelt de
Natura2000-plantoets. Het bestemmingsplan is een plan als bedoeld in artikel 2.7 lid 1 Wnb, aangezien het bestemmingsplan ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt die significante effecten kunnen hebben op de waarden waarvoor een Natura2000-gebied is aangewezen (de natuurlijke
kenmerken van een Natura2000-gebied). De vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad van Peel en Maas vindt plaats volgens de plantoetsing aan artikel 2.7 en 2.8 Wnb. De bepalingen over de passende beoordeling uit artikel 2.8 van de voormalige Wet natuurbescherming
zijn nu opgenomen in artikel 16.53c van de Omgevingswet. Een omgevingsplan moet, net als het huidige bestemmingsplan, passend worden beoordeeld als de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied.
Deze passende beoordeling is bedoeld om te bepalen of de voorgestelde ontwikkelingen de instandhoudingsdoelstellingen — die zijn gesteld om Natura 2000-gebieden te beschermen — beïnvloeden (zoals volgt uit artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn). Ook in artikel 10.24 lid 1 van het
huidige Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat een plan (als bedoeld in artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn) alleen wordt vastgesteld als uit een passende beoordeling (als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 van de Ow) de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
In het planspoor moeten de effecten als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, afgezet worden tegen een referentiesituatie. Bij een bestemmingsplan betreft de referentiesituatie de feitelijk bestaande én planologisch legale situatie ten tijde van c.q. voorafgaand
aan de vaststelling van het (nieuwe) bestemmingsplan. Voor de referentiesituatie in het planspoor is de natuur- of milieuvergunde situatie niet relevant (zie AbRS 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3215, r.0. 12.1).
4
Pasende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
PÂDEROYEN c?NNAER Als uitzondering op de referentiesituatie van de plantoets kan een natuurvergunning één op één ingepast worden onder de voorwaarde dat voor deze vergunning een passende beoordeling is
uitgevoerd en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van het plan of project. Er hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt als sprake is van een zogenoemde één-op-één-inpassing (artikel
16.53c lid 2 van de Ow). Dit is een voortzetting van de mogelijkheid van de één-op-één-inpassing uit artikel 2.8 lid 2 van de Wet natuurbescherming (zie bijvoorbeeld ook AbRS 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3990, r.0. 4.3). De onherroepelijke natuurvergunning van 2020 geldt als omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, lid 1, onder e, van de Omgevingswet. Dit staat in artikel 2.4,
lid 1, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet. Deze natuurvergunning is verleend ten behoeve van het totale ontwikkelplan en bevat daarom nog niet gerealiseerde, vergunde ruimte. Om deze vergunning één op één in te kunnen passen in het bestemmingsplan, moet beoordeeld worden of
een nieuwe passende beoordeling tot andere inzichten kan leiden. Hier voorziet onderhavige passende beoordeling in.
2.2
Externe saldering en de plantoets
De onherroepelijke natuurvergunning van 2020 kan één op één worden ingepast in het bestemmingsplan als de onderhavige passende beoordeling niet leidt tot nieuwe inzichten. Deze natuurvergunning is niet verleend met toepassing van externe saldering. Dus bij de beoordeling of
voor de één op één inpassing van deze vergunning in het bestemmingsplan een nieuwe passende beoordeling tot nieuwe inzichten kan leiden is externe saldering niet aan de orde.
De onderliggende natuurvergunning van 2015 is wel verleend met toepassing van externe saldering, met het oog op het totale ontwikkelplan dat planologisch mogelijk wordt gemaakt in bestemmingsplan ‘De Horsten'’. Doordat de natuurvergunning 2020 onherroepelijk is hoeft de
externe saldering in de onderliggende natuurvergunning van 2015 niet opnieuw passend beoordeeld te worden. Omdat deze passende beoordeling ook onderdeel uitmaakt van de aanvulling op het MER en de externe saldering heeft plaatsgevonden ten behoeve van het totale ontwikkelplan wordt
kort ingegaan op hoe de externe saldering in de natuurvergunning van 2015 zich verhoudt tot de verschillende voorwaarden die uit de actuele lijn in jurisprudentie volgen en de effecten door deze externe saldering voor Natura2000 gebieden. Kortgezegd gaat het om de volgende voorwaarden:
e e
Directe samenhang tussen saldogevende activiteit en saldo-ontvangende activiteit. Dit moet blijken uit het intrekkingsbesluit en/of de koopovereenkomst. Saldogever moet beschikking hebben over een onherroepelijke natuurvergunning of een op
de referentiedata geldende milieuvergunning of melding Wet milieubeheer. Als op een later moment een vergunning is verleend of melding is ingediend dan moeten de toegestane
activiteiten die zorg dragen voor de laagste (stikstof)depositie als referentie worden aangehouden. e
Uitgegaan moet worden van de gerealiseerde of vergunde capaciteit. Bedrijven die niet
beschikken over een natuurvergunning, maar over een milieutoestemming moeten op het moment van intrekking of sluiting van de overeenkomst feitelijk nog aanwezig zijn. Dat is het geval als hervatting van het bedrijf mogelijk is, zonder dat daarvoor een
Passende beoordeling Natur32000 - Bestemmingsplan
De Hortenf
5
natuurvergunning nodig is. Dit betekent in ieder geval dat de stallen er op het moment van het sluiten van de overeenkomst of de intrekking er nog moeten staan. Bedrijven die wel
beschikken over een natuurvergunning hoeven in het geheel niet feitelijk aanwezig of gerealiseerd te zijn. Relevant is of de stikstofdepositie aanwezig was of kon zijn op het moment van intrekking of het sluiten van de overeenkomst. Dat is ook het geval als het
project op deze momenten alsnog kan worden gerealiseerd en in gebruik kan worden genomen op basis van de natuurvergunning. e
De externe salderingslocatie moet tijdig beëindigd zijn, voordat de negatieve effecten van
het besluit kunnen optreden. Dit kan worden geregeld door een daartoe strekkende voorwaardelijke verplichting op te nemen in de planregels van het nieuwe bestemmingsplan.
e
De emissie van een bedrijf dat wordt beëindigd en al gebruikt wordt in een passende beoordeling van een ander project of plan, mag niet nog een keer worden ingezet. Denk hierbij aan bedrijven die deelnemen of hebben deelgenomen aan een beëindigingsregeling.
e _ Er mag alleen rekening worden gehouden met de afname van stikstofdepositie, voor zover die plaatsvindt op de hexagonen waar een toename door het plan wordt berekend.
Als voor een bestemmingsplan een passende beoordeling moet worden opgesteld, dan mag het plan alleen worden vastgesteld als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van een betrokken Natura2000-gebied niet zullen worden aangetast.
Daarvoor mag in de passende beoordeling rekening worden gehouden met mitigerende maatregelen, waaronder externe saldering. Op 30 september 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) een belangrijke uitspraak gedaan
over de mogelijkheid van extern salderen in het planspoor (ECLI:NL:RVS:2020:2318). Uit jurisprudentie volgt dat bij (extern) salderen in het planspoor de provinciale beleidsregels voor intern en extern salderen niet van toepassing zijn, omdat deze beleidsregels uitsluitend zien op de
verlening van een natuurvergunning en niet op de vaststelling van een plan. Of de onherroepelijke natuurvergunning ook vandaag de dag met de huidige provinciale beleidsregels verleend kan worden kan niet via de band van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangekaart worden.
In de uitvoerbaarheidstoets kunnen de provinciale beleidsregels geen rol spelen in een beroepsprocedure tegen een bestemmingsplan. In de uitspraak over het Logistiek Park Moerdijk wijst de Afdeling er (in lijn met haar eerdere jurisprudentie op) dat de (voormalige) Wnb een
afzonderlijk toetsingskader kent voor plannen.
In deze plantoets / passende beoordeling hoeft dus
geen rekening te worden gehouden met de strengere voorwaarden uit de provinciale beleidsregels voor salderen (ECLI:NL:RVS:2021:1054, r.o0. 15.15.)
2.3
Stikstofbeleid
Na de PAS uitspraak van mei 2019 is er gewerkt aan een nieuw wettelijk kader om de stikstofproblematiek aan te pakken. Uitvloeisel daarvan is de Wet stikstofreductie en natuurherstel.
Met deze wet wordt voorzien in de wettelijke verankering van de door het kabinet aangekondigde structurele aanpak van de stikstofproblematiek. De wet is op 17 december 2020 aangenomen door de Tweede Kamer en op 9 maart 2021 aangenomen door de Eerste Kamer. Op 1 juli 2021 is de wet
in werking getreden. Met deze stikstofwet werd een bouwrijstelling voor stikstof ingevoerd. Daardoor was het niet langer nodig om de stikstofdepositie van tijdelijke activiteiten — de bouw,
5
Pasende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
PÂDEROYEN ?NNAER sloop en de aanleg — te berekenen in het kader van de toets aan de Wet Natuurbescherming. In de zogenaamde ‘Porthos-uitspraak' van 2 november 2022 oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State dat de bouwvrijstelling in strijd is met het Europese recht. In deze Passende beoordeling worden daarom de stikstofeffecten in de gebruiksfase én realisatiefase beoordeeld.
Wet stikstofreductie en Natuurverbetering De natuur versterken en het de kans geven
zich te herstellen, daar moet de stikstofaanpak aan
bijdragen. Dat is vastgelegd in de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering, die op 1 juli 2021 in
werking trad. Hiervoor zijn Europese stikstofreductiedoelen opgesteld. In het programma stikstofreductie en Natuurverbetering aan
het halen van onder meer
en het Nationaal Programma Landelijk Gebied wordt gewerkt
deze doelen.
Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) In juni 2022 heeft het Rijk de startnotitie van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG)
inclusief richtinggevende emissiereductiedoelen stikstof per gebied gedeeld. De landelijke stikstofreductiedoelen zijn richtinggevend aan provincies en belanghebbenden om in de gebieden aan de slag te gaan en een oplossing te vinden voor het stikstofprobleem. Bij de uitwerking van de
gebiedsprogramma's kunnen de doelen nog worden aangepast aan de hand van nieuwe inzichten. Van 16 januari tot en met 26 februari 2024 heeft het ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) ter inzage gelegen. Het Ontwerp NPLG helpt provincies en andere betrokkenen bij de
stappen naar een duurzaam landelijk gebied. Inmiddels zijn provincies al gestart met eigen gebiedsprogramma's.
Limburgs Programma Landelijk Gebied (LPLG) Op 30 juni 2023 is het eerste conceptplan Limburgs Programma Landelijk gebied ingediend bij het
ministerie van LNV. Het verder uitgewerkte LPLG wordt in augustus/september 2024 ingediend. Uitgangspunt is het behalen van de richtinggevende doelen vanuit het Rijk. In Limburg zijn daar vier doelen aan toegevoegd: perspectief voor sectoren, houdbare vergunningverlening, leefbaarheid en landschappelijke kwaliteit. De provincie wil Limburg indelen met voldoende natuurén ruimte voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Het Rijk kijkt daarbij naar de invloed van verkeer, de industrie en de agrarische sector. De provincie heeft vier deelgebieden aangewezen en gemeente Leudal valt binnen deelgebied De Peel. De doelen voor Limburg omvatten naast het herstel van
natuur en de doelen voor water en klimaat ook de leefbaarheid van het landelijk gebied en het perspectief voor diverse sectoren in Limburg.
Novex De Peel en gebiedsplan, project Peelvenen en GGA Vitale Peel De Peel is door het kabinet aangewezen als een van de zestien nationale aandachtsgebieden voor herinrichting. In NOVEX De Peel werken alle overheden, als één overheid, samen met de streek aan
een duurzame toekomst en ontwikkelperspectief voor De Peel. Dit gebeurt in samenwerking met ondernemers, organisaties en initiatiefnemers in de streek. Het project Peelvenen heeft tot doel om
de inrichting van het gebied te verbeteren. Het wordt uitgevoerd in een aantal deelprojecten, waaronder Deurnsche Peel en Mariapeel. Belangrijk is het herstel van het hoogveen naast ontwikkeling van de landbouw, recreatie en toerisme. Daarbijis er aandacht voor de leefbaarheid en
de cultuurhistorie van het gebied. Naast het project Peelvenen is in 2021 gebiedsgerichte aanpak (GGA) Vitale Peel gestart. Ook in deze GGA gaat het om de ontwikkeling van gewenste natuurdoelen en het daarbij horende watersysteem, maar ook het geven van een nieuwe economische impuls.
Passende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
7
3 Planbeschrijving 3.1
Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan De Horsten in Egchel en ligt in het agrarisch ontwikkelgebied tussen de
woonkern Egchel en het afwateringskanaal.
Figuur 1: Globale begrenzing plangebied - rood omkaderd (bron: ruimtelijke plannen)
Op 5,3 km afstand van het plangebied ligt Natura2000 gebied Leudal. Het plangebied ligt op 1,5 km
ten zuidwesten van de woonkern Egchel in het (voormalige) LOG Egchelse Heide. De omgeving van het plangebied bestaat overwegend uit agrarische gronden, veehouderijen en een enkele burgerwoning. Het plangebied wordt aan de zuidzijde begrensd door de Melkweg. De Horsten loopt
door het midden van het plangebied. Ten noordwesten van het plangebied en ten oosten van het plangebied zijn nog twee grote intensieve veehouderijen gelegen.
3.2
Bestaande
situatie
Op basis van de op 21 september 2012 verleende omgevingsvergunning heeft de varkenshouderij zich hier gevestigd met één biggenstal op De Horsten 20. Daarna is op 14 mei 2020 een eerste fase
omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik en oprichten/veranderen/in werking hebben van een inrichting verleend voor uitbreiding van het bedrijf op De Horsten 20 en 17. De tweede fase omgevingsvergunning (bouwvergunning) is op 22 oktober 2020 verleend. Deze vergunning heeft
betrekking op varkensstallen en bijbehorende voorzieningen die samen é&n inrichting vormen in de zin van de Wet milieubeheer.
De vergunde activiteiten zijn weliswaar gerealiseerd ‚ maar niet (volledig) overeenkomstig de vergunning. Door de ondernemer is ten behoeve van legalisatie een wijziging van de omgevingsvergunning 1® fase aangevraagd voor de milieubelastende - en bouwactiviteiten ('milieu en bouw’). Op 24 april 2024 is de ontwerp-beschikking gepubliceerd en voor 6 weken ter inzage gelegd.
3
Passende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten”
PÄDEROYEN c?NNAER De wijzigingen brengen de (milieu en bouw)vergunde situatie weer in overeenstemming met de bestaande
situatie:
° _ wijziging van de dierbezetting in bestaande zeugenstal stal 3; in het planvoornemen is dit stal 5. Deze bestaande zeugenstal is wel in overeenstemming met de dierbezetting in de natuurvergunning van 2020 en het totale ontwikkeplan.
e
ondergeschikte wijzigingen van de ep-hoogte, ep-diameter en ep-snelheid.
De planologische legalisatie wordt niet geregeld via deze omgevingsvergunning ter legalisatie, maar
vindt plaats bij vaststelling van het onderhavige kaderstellende bestemmingsplan De Horsten. Dit betekent dat zeugenstal 3 vanwege de wijziging van de dierbezetting geen onderdeel uitmaakt van de 'feitelijk, planologisch legale situatie’, maar van het planvoornemen.
_
A Figuur 2: Schets van de vergunde bouwvlakken en gerealiseerde stallen en voorzieningen
Deelgebied 1 (De Horsten 20): Op deze locatie zijn twee biggenstallen gerealiseerd. De eerste biggenstal voor 6.240 gespeende biggen is gebouwd in 2012 en is voorzien van een gecombineerde biologische luchtwasser
gesitueerd aan de achterzijde van de stal. Op basis van de omgevingsvergunning 2020 is een tweede biggenstal voor 6.720 gespeende biggen
gerealiseerd. Deze stal is ook voorzien van een gecombineerde biologische luchtwasser, maar om de afstand tot de woning Karissendijk 10 zo groot mogelijk te houden is deze luchtwasser gesitueerd aan de voorzijde van de stal (aan de kant van De Horsten). De biggen verlaten vanaf circa 25 kg de
biggenstallen als opfokzeug of als vleesvarken. De omliggende landbouwgronden worden gebruikt voor het telen van akkerbouwgewassen.
Passende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
3
A Figuur 3: Luchtfoto biggenstallen op De Horsten 20 in deelgebied 1 (Bron: App Slagboom en Peeters, obliekviewer, 18 april 2022}
Deelgebied 2:
Aan de overzijde van de bestaande biggenstallen zijn twee mestsilo's met verharding aanwezig. Deze zijn vergund in 2012. Deze verharding wordt gebruikt voor het bereiken van de silo's en de plaatsing van de gehuurde mestscheider. Voor deze locatie is vergunning verleend om maximaal 12x per jaar -
enkele aaneengesloten dagen- mest te scheiden in een dunne en dikke fractie. In totaal vindt het scheiden van mest ongeveer 30 dagen per jaar plaats. De mest is afkomstig van de biggenstallen en zeugenstal aan De Horsten en van de andere, eigen locatie aan de Jacobusstraat 42. Er wordt geen
mest van derden gescheiden op deze locatie. De dunne fractie wordt verpompt naar de mestsilo en de dikke, stapelbare fractie wordt tijdelijk opgeslagen in een opslagvoorziening op de verharding naast de mestsilo's. In de omgevingsvergunning van 2020 staat ook opgenomen dat alleen eigen
mest verwerkt mag worden, zijnde van De Horsten 20 en 17 én Jacobusstraat 42. Alleen mestscheiding is toegestaan. De aanwezige mestopslagcapaciteit is aanwezig conform de verleende omgevingsvergunning:
e
drijfmest: mestsilo maximaal 1.092 m?
e _ dunne fractie: silo maximaal 535 m?
e
dikke fractie: opslag op de verharding maximaal 250 m?
Selceertenpericde
Figuur 4: Luchtfoto mestsilo's met drijvende afdekking in deelgebied 2 (Bron: App Slagboom en Peeters, obliekviewer, 18 april 2022}
10
Passende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten”
P</U)DEROYEN <?>NNAER Deelgebied 3 (De Horsten 17): Even verderop in de straat De Horsten is op basis van de omgevingsvergunning van 2020 de eerste
zeugenstal gebouwd. Alle biggen gaan n de bestaande situatie na spenen vanuit deze stal naar de biggenstallen op De Horsten 20, maar n de omgevingsvergunning van 2020 zijn n deze stal ook
gespeende biggen vergund. Met de wijziging van de omgevingsvergunning 1!* fase die op 24 april 2024 in ontwerp is gepubliceerd wordt de dierbezetting (voor bouw en milieu) gelegaliseerd.
De
bestaande dierbezetting in deze zeugenstal al in overeenstemming met de dierbezetting in de natuurvergunning van 2020.
Figuur 5: Luchtfoto zeugenstal op De Horsten 17 in deelgebied 3 (Bron: App Slagboom en Peeters, obliekviewer, 18 april 2022}
Bestaande dierbezetting Tabel 1: Dierbezetting in de bestaande situatie
(overeenkomstigde ontwerp-beschikking omgevingsvergunning 1 fase van 24 april 2024)
Ravcode
Diersoort
Aantal
Ammoniak emissie [kg NH3]
Gespeende biggen
12.960
1.296
D3.2.15.4 D1.2.17.4
Opfokzeugen Kraamzeugen
150 265
68 345
01.3.12.4
Gusteendragende zeugen
_ 835
526
De Horsten
20
01.1.15.4 De Horsten
D2.4.4 Totaal
17
Dekberen
4
3 2.237
Alle stallen zijn voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem met watergordijn en biologische
wasser met een emissiereductie van 85% ammoniak, 45% geur en 80% fijnstof (voormalige BWL 2010.02.V7, huidige OW2010.02).
assende beoordelng Naturs2000 - Bestemmingsplan
De Horsten”
m
3.3
Planvoornemen
De ondernemer heeft een totaal bedrijfsontwikkelingsplan dat in de komende 10 jaar in fasen gerealiseerd zal worden. De huidige planologische kaders en regelingen bevatten hiervoor geen rechtstreekse mogelijkheden. Het voorgenomen bestemmingsplan biedt het planologisch kader voor
het totale ontwikkelplan. Voor het totale ontwikkelplan is in 2020 door de provincie Limburg een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) verleend. Er is nog geen uitgewerkt bedrijfsontwikkelingsplan, maar wel een plan op hoofdlijnen en een situatieschets aangeleverd door de ondernemer. Deze dient als basis voor het kaderstellend
bestemmingsplan. Het totale ontwikkelplan bevat de volgende stikstof relevante activiteiten: e _ Realisatie van 3 nieuwe biggenstallen en 3 nieuwe zeugenstallen;
e _ Uitbreiding van het aantal mestsilo's en een nieuw mestbassin. Mestscheiding van uitsluitend ‘eigen mest’ in een nieuw te bouwen mestverwerkingsloods
(mestverwerkingscapaciteit maximaal 35.000 m per jaar); e _ Realisatie van een nieuwe bedrijfswoning, voerloods; e
E amoene e
e
aa
Realisatie van het
r
landschappelijk inpassingsplan.
:
1e
m
:
,
L
z
h
:
e
:
Zm
| Agarisch bedrif aan de Horwen 20 / g @ Egchel
Figuur 6: Situatieschets van het globale beoogde bedrijfsontwikkelingsplan
Mestbe- en verwerking
De drijfmest die wordt geproduceerd in destallen wordt via pijpleidingen naar de mestopslagvoorzieningen gevoerd en tijdelijk opgeslagen tot de mest gescheiden wordt. Verder wordt hier ook de drijfmest van Jacobusstraat 42, de andere locatie van dezelfde ondernemer, met
vrachtwagens aangevoerd en tijdelijk opgeslagen. De opgeslagen mest wordt gescheiden in een dikke en dunne
12
fractie.
Pasende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
PÂDEROYEN ?NNAER Om drijfmest te kunnen scheiden, zijn aparte opslagen nodig voor de drijfmest en voor de beide fracties. Voor de dunne fractie is een mestkelder, mestbassin, mestzak of mestsilo nodig. Voor de
dikke fractie is een al dan niet overdekte mestdichte, veelal betonnen mestplaat of loods nodig. Als gevolg van de uitbreiding in stallen neemt de mestproductie toe en zal de mestopslagcapaciteit en mestverwerkingscapaciteit uitgebreid moeten worden. Hiervoor zijn een mestbassin, extra
mestsilo's en een loods voorzien. De mestbewerkingscapaciteit wordt uitgebreid tot maximaal
35.000 m?/jaar en moet inpandig plaatsvinden in een loods, waar ook de dikke fractie tijdelijk wordt opgeslagen. De risico's voor het optreden van emissies van ammoniak tijdens het scheiden van mest
wordt als beperkt ingeschat als de scheiding in een gesloten systeem wordt uitgevoerd. Op basis van metingen (Mosquera 2010 in een bedrijfsruimte waarin scheiding van varkensmest plaatsvond zijn bij een mestbewerkingsinstallatie lage ammoniak emissies gevonden ten opzichte van wat een stal met
een vergelijkbaar aantal varkens zou hebben geëmitteerd. Bij de ‘open’ scheiders is de verblijftijd van de mest in de installatie kort en bij de zeefbandpersen wordt de drijfmest verdund en aangezuurd, waardoor ammoniakemissies beperkt zullen blijven; desalniettemin zal enige emissie
plaatsvinden (Melse en Verdoes, 2005; Verdoes et al, 20029; Melse et al., 2002b, 2002c, 2002d). Bij langdurige opslag van de dikke fractie kan broei optreden (langzame vorm van composteren).
Dierbezetting totale ontwikkelplan op hoofdlijnen Het totale bedrijfsontwikkelingsplan op hoofdlijnen dat komende 10 jaar in fasen gerealiseerd zal
worden voorziet in de volgende dierbezetting. Alle stallen zijn voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem met watergordijn en biologische wasser met een emissiereductie van 85% ammoniak, 45% geur en 80% fijnstof (huidige BWL 2010.02.V7). Tabel 2: Dierbezetting en stalemissies totale ontwikkelplan op hoofdlijnen
Rav code
Diersoort
Aantal
Ammoniak emissie [kg NH3]
De Horsten 20 (biggenstallen 2-3-4-8 worden hetzelfde uitgevoerd) Bestaand
D1.1.15.4
Gespeende biggen
12.960
1.296
D1.1.15.4
Gespeende biggen
20.160
2.016
stal 1+2
Nieuw stal 3-4-8
De Horsten 17 (alle zeugenstallen worden hetzelfde uitgevoerd) Bestaand
D1.3.12.4
Gusteen dragende zeugen
835
526,05
stal 5 (= stal 3 in de
D1.2.17.4
Kraamzeugen
265
344,5
bestaande situatie)
D3.2.15.4
Opfokzeugen
150
67,5
D2.4.4
Dekberen
4
332
Nieuw
D1.3.12.4
Gusteen dragende zeugen
2.505
1.578,15
stal6-7-9
D1.2.17.4
Kraamzeugen
795
1.033,5
D3.2.15.4
Opfokzeugen
450
202,5
D2.4.4
Dekberen
12
9,96
Totaal (afgerond)
7.077,5
Passende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
Em
3.4
Natuurvergunning
Voor het totale ontwikkelplan is al een natuurvergunning in het kader van artikel 2.7 tweede lid van
de Wet Natuurbescherming verleend en deze is onherroepelijk. De vergunning Wet natuurbescherming is op 20 augustus 2020 verleend door de provincie Limburg (zaaknummer 2018206531 met kenmerk 2018-206531). In deze vergunning zijn stalemissies én verkeersbewegingen
vergund. Ook zijn in deze vergunning de buitenlandse Natura 2000-gebieden getoetst. In deze vergunning zijn geen stikstofemissies door mestverwerking betrokken.
Deze Wnb-vergunning is een wijziging op de onderliggende onherroepelijke natuurvergunning die op 1 oktober 2015 is verleend op grond van artikel 16/19d Natuurbeschermingswet 1998 voor het oprichten en exploiteren van een varkenshouderij aan De Horsten 20 te Egchel (zaaknummer 2014-
0012 met kenmerk 2015/71566). De externe saldering in 2015 voorziet in de stikstofruimte die nodig is om het totale ontwikkelplan te kunnen realiseren.
De besluiten van Gedeputeerde Staten zijn bijgevoegd in bijlage 1 en 2. Beide vergunningen zien toe op de oprichting en uitbreiding van de varkenshouderij aan De Horsten. Een deel van de natuurvergunning van 2020 is nog niet gerealiseerd. Dit is het gevolg van het lange traject voor het
LOG Egchelse Heide en de voorbereidingsperiode voor deze bestemmingsplanprocedure. De natuurvergunning van 2020 is één op é&n ingepast in het ontwerp-bestemmingsplan, waardoor
de natuurvergunning de uitgangssituatie vormt voor de stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan, in plaats van de feitelijke, planologisch legale situatie. Dit is mogelijk onder de voorwaarde dat voor deze natuurvergunning een passende beoordeling is uitgevoerd en een nieuwe
passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevensen inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van het plan of project, zoals wordt uitgelegd in paragraaf 2.1 en 6.2. Onderhavige passende beoordeling voorziet hierin. Zie verder de uitwerkingen in paragraaf 6.2.
1
Pasende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
E 4 Natura2000 gebieden en natuurwaarden 4.1.1
_ Natura2000 gebieden
De afstanden tot de dichtstbij gelegen Natura 2000-gebieden: e _ Leudal (Habitatrichtlijngebied) ca. 5,3 km. ° _ Swalmdal (Habitatrichtlijngebied) ca. 6,8 km
e _ Deurnsche peel & Mariapeel (Vogel- en Habitatrichtlijngebied) ca. 7,4 km e
Groote Peel (Vogel- en Habitatrichtlijngebied) ca. 8,3 km
e _ Sarsven en De Banen (Habitatrichtlijngebied) ca. 10,9 km
e _ Duitse Natura 2000 gebieden ca. 11,5 km
Figuur 7: Natura2000 gebieden in de omgeving
A jaren is er in Natura2000-gebieden een overschot aan stikstofdepositie. Dit is schadelijk voor de natuur. Herstelmaatregelen moeten er voor zorgen dat de instandhoudingsdoelen voor de
Natura2000-gebieden worden gerealiseerd. Een toename van stikstofdepositie is niet toegestaan op stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000 gebieden als het niet zeker is dat de toename in stikstofdepositie geen nadelige gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van het
gebied. Dit belemmert de vergunningverlening voor economische activiteiten.
assende beoordelng Naturs2000 - Bestemmingsplan De Horsten”
1
Daarom hebben het Rijk en de provincies het Programma Aanpak Stikstof (PAS) ontwikkeld. Het PAS is op 1 juli 2015 n werking getreden en op 29 mei 2019 onverbindend verklaard door de Raad van
State.
Deze stikstofuitspraak legde bouwprojecten en het verlenen van vergunningen stil. Het
kabinet kwam daarop in november 2019 met maatregelen om de stikstofuitstoot te verminderen. Bij minstens de helft van de stikstofgevoelige Natura2000 gebieden, moet de stikstofdepositie in 2030
onder de kritische depositiewaarden (KDW) liggen. In 2018 heeft circa 78% van de stikstofgevoelige natuurgebieden een te hoge stikstofdepositie, uitgaande van de KWD-norm (bron: Rijksoverheid). De benodigde uitstootdaling komt voor de helft van maatregelen die het kabinet al heeft genomen.
Circa 10% neemt het Klimaatakkoord voor zijn rekening. Aanvullende maatregelen moeten zorgen voor de andere 40%. Naast de maatregelen voor het verminderen van stikstofuitstoot aan de bron, zet het kabinet ook in op natuurbehoud en —herstel. (bron: RIVM) Geen ‘overige effecten’ voor Natura2000-gebieden Met behulp van de effectenindicator kan per Natura2000-gebied een verkenning worden uitgevoerd
naar kansen op mogelijke significante effecten. De effectenindicator geeft informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren. In totaal zijn 19 verstoringsfactoren te onderscheiden.
Uit de effectenindicator volgt dat voor de
voornoemde Natura2000 gebieden ‘verzuring door N-depositie uit de lucht’ een relevante verstoringsfactor is (= stikstofdepositie). Overig effecten (met name verstoring door licht, geluid, trillingen, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten, verdroging, vernatting en
versnippering) kunnen worden uitgesloten vanwege de afstand van het plangebied tot de Natura2000 gebieden. Dit is ook beoordeeld door de provincie Limburg in de onherroepelijke natuurvergunning van 2020.
41.2
Gebiedsbeschrijving Leudal
Natura 2000 Landschap: Beekdalen Status: Habitatrichtlijn Gemeente:
Leudal
Oppervlakte: circa 315 ha.
Gebiedsbeschrijving Leudal Bij brief van 19 mei 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het natuurgebied Leudal aangemeld bij de Europese Commissie als speciale beschermingszone in het
kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG. Het besluit Natura 2000-gebied Leudal, inhoudende de aanwijzing als speciale beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG, is per 7 mei 2013 definitief geworden. Het
Leudal
omvat
de dalen van een aantal
beken die vanuit de Roerdalslenk naar het dal van de
Maas stromen. Door het hoogteverschil zijn de beken diep ingesneden en is de stroomsnelheid van het water vrij groot. De kern van het beekdal wordt gevormd door twee meanderende beken, de Zelsterbeek of Roggelsebeek en de Leubeek of Tungelroysebeek. Met name de Zelsterbeek is voor
een groot deel aan kanalisatie ontkomen, dîtzelfde geldt voor het stroomafwaartse deel van de Leubeek. De genormaliseerde trajecten van beide beken zijn in 2000 weer meanderend gemaakt. De vegetatie rondom de beken i zeer gevarieerd. De afgesneden meanders van de beken herbergen
soortenrijke moerasvegetaties. Ten oosten van het klooster liggen veldrusschraallanden.
1
Pasende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
PÂDEROYEN ?NNAER De natte tot vochtige bossen behoren tot het elzenbos, vogelkers-essenbos en haagbeukenbos. Lokaal komen gagelstruwelen en berkenbroekbossen voor. Hoger op de gradiënt, op de flanken van de beekdalen, bestaan de bossen uit eiken-beukenbossen, eiken-berkenbossen en naaldbossen. Plaatselijk komen matig voedselrijke tot voedselrijke graslanden voor en zijn enkele heideterreintjes aanwezig.
Leudal is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen zoals opgenomen in bijlage | van
Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire typen zijn aangeduid met een sterretje (*): e _ H3260A Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels): uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. e
H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden): uitbreiding oppervlakte en
behoud kwaliteit Eiken-haagbeukenbossen. e
H91E0C* Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen): uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.
Leudal is aangewezen voor de volgende soort zoals opgenomen in bijlage I! van Richtlijn 92/43/EEG: e _ H1337 Bever: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.
4.1.3
Gebiedsbeschrijving Swalmdal
Natura 2000 Landschap: Beekdalen Status: Habitatrichtlijn Gemeente: Beesel, Roermond
Oppervlakte: circa 122 ha. Gebiedsbeschrijving Swalmdal Bij brief van 19 mei 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuuren Voedselkwaliteit het natuurgebied Swalmdal aangemeld bij de Europese Commissie als Speciale beschermingszone in het
kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206). Het besluit Natura 2000-gebied Swalmdal, inhoudende de aanwijzing als speciale beschermingszone
in het kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG, is per 4 juni 2013 definitief geworden. De Swalm is een meanderende beek in Midden-Limburg, diep ingesneden in het Maasterrassenlandschap. De beek ligt op de overgang van het plateau tussen Maas en Rijn naar het
Maasdal, Op diverse plaatsen aan de voet van de terrassen treedt kwel op en ontspringen bronnetjes. Hier zijn soortenrijke elzenbroekbossen ontstaan. In de beek komt de gemeenschap van
vlottende waterranonkel voor. Het gebied bestaat verder uit rietlanden, moeras, vochtige graslanden, plaatselijk inunderende hooilanden, bosjes en struwelen. Verder behoort ook een stroomdalgrasland nabij de Maas tot het gebied.
Het Swalmdal is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen zoals opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire habitattypen zijn aangeduid met een sterretje (*): e _ H3260A Beken en rivieren met waterplanten (Waterranonkels): behoud oppervlakte en kwaliteit.
Passende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
7
°
H6120* Stroomdalgraslanden: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.
e _ H9TEOC* Vochtige alluviale bossen (Beekbegeleidende bossen): uitbreiding oppervlakte en
verbetering kwaliteit. Het Swalmdal is aangewezen voor de volgende soorten zoals opgenomen in bijlage I! van Richtlijn 92/43/EEG: e _ H1016 Zeggekorfslak: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. e _ H1163 Rivierdonderpad:behoud omvang en kwaliteit Ieefgebied voor behoud populati
° _ H1337 Bever: behoud omvang en kwaliteit Ieefgebied voor uitbreiding populatie.
414
_ Gebiedsbeschrijving Groote Peel
Natura 2000 Landschap: Hoogvenen Status: Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Gemeente: Asten, Nederweert, Peel en Maas
Oppervlakte: circa 1.410 ha. Gebiedsbeschrijving Groote Peel Bij besluit van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 29 oktober 1986 (J.4755; Stcrt. 1986, nr. 214) is natuurgebied Groote Peel aangewezen als Speciale beschermingszone als
bedoeld in de Vogelrichtlijn, richtlijn 79/409/EEG. Bij brief van 19 mei 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuuren Voedselkwaliteit het natuurgebied Groote Peel aangemeld bij de Europese Commissie als Speciale beschermingszone in
het kader van de Habitatrichtlijn, richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206). Het besluit Natura 2000-gebied Groote Peel, inhoudende de aanwijzing als speciale
beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG en Vogelrichtlijn 79/409/EEG, is per 10 september 2009 definitief geworden. De Groote Peel vormt tezamen met de nabijgelegen Deurnsche Peel en Mariapeel het restant van wat eens een uitgestrekt oerlandschap was van levend hoogveen. Deze peelhoogvenen werden grotendeels afgegraven tot op de zandondergrond. De Groote Peel is samen met de Deurnsche Peel
en Mariapeel de zuidelijkste representant van de vlakke subatlantische hoogvenen, die elders en ook in de Peelregio door afgraving, ontginning en verveningen grotendeels zijn verdwenen. In de Groote Peel is in het verleden wel turf gewonnen, maar het gebied is vervolgens niet in cultuur gebracht.
Het Brabantse deel i machinaal verveend waardoor er nauwelijks een puttenstructuur aanwezig is. Het Limburgse deel is grotendeels met de hand verveend, waardoor een groot areaal veenputten aanwezig is. Door erosie van de resterende hoge delen is de puttenstructuur vaak onduidelijk.
1
Pasende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
PÂDEROYEN ?NNAER De Groote Peel is een open en uitgestrekt gebied dat wordt gekenmerkt door een complex van hogere horsten en lager gelegen slenken. Het gebied kent daardoor een grote landschappelijke
afwisseling van open vochtige en droge heideterreinen, pijpestrootjessavannen, struwelen en bosjes en moerassige laagten met veenputten en plaatselijk bossen en natte heiden. Door eerdere vernattingsmaatregelen zijn verschillende grote plassen ontstaan. In enkele veenputten vindt
veengroei plaats. Jaarlijks worden in het gebied van de Groote Peel circa 150 vogelsoorten waargenomen waarvan circa 95 soorten als broedvogel. Zeer belangrijk is het voorkomen van Zwarte stern. Kleinst en Klein Waterhoen, Porseleinhoen, Geoorde fuut. Roerdomp, Blauwborst,
Bruine kiekendief, Wespendief, Kwartel en Waterral. In winter- en trektijd wordt het gebied bevolkt door vele soorten steltlopers en eenden. Het gebied is bekend als pleisterplaats voor doortrekkende Kraanvogels terwijl in de winterperiode ca. 3.000 Rietganzen de Groote Peel als
overwinteringsgebied gebruiken. De Groote Peel is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen zoals opgenomen
in bijlage
I van Richtlijn 92/43/EE: © _ H4030 Droge heiden: behoud oppervlakte en kwaliteit. e _ H7120 Herstellende hoogvenen: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. De Groote Peel is aangewezen voor de volgende soorten zoals opgenomen in bijlage | van de Vogelrichtlijn:
e _ A119 Porseleinhoen: uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5 paren. e
A127 Kraanvogel: behoud omvang en kwaliteit leefgebied.
e _ A272 Blauwborst: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 200 paren.
Verder is de Groote Peel aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen biedt in hun trekzones (artikel 4.2):
e
004 Dodaars: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren.
e _ A0O8 Geoorde Fuut: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een
e _ populatie van ten minste 40 paren. ° _ A039 Taigarietgans: behoud omvang en kwaliteit Ieefgebied. e _ A039 Toendrarietgans: behoud omvang en kwaliteit leefgebied.
e _ AO41 Kolgans: behoud omvang en kwaliteit leefgebied. © _ A276 Roodborsttapuit: behoud omvang en kwaliteit Ieefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 80 paren.
Passende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
19
4.1.5
_ Gebiedsbeschrijving Deurnesche Peel & Mariapeel
Natura 2000 Landschap: Hoogvenen Status: Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Gemeente: Deurne, Horst aan de Maas, Venray
Oppervlakte: circa 2.736 ha Gebiedsbeschrijving Deurnsche Peel & Mariapeel
Bij brief van 19 mei 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuuren Voedselkwaliteit het natuurgebied Deurnsche Peel & Mariapeel aangemeld bij de Europese Commissie als Speciale
beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn, richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L206).
Bij besluit van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 12 mei 1992, kenmerk 1.927234 is natuurgebied 'Deurnese Peelgebieden' aangewezen als Speciale beschermingszone als
bedoeld in de Vogelrichtlijn, richtlijn 79/409/EEG. Bij besluit van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 29 oktober 1986, kenmerk 1.4755 is natuurgebied 'Mariapeel' aangewezen als Speciale beschermingszone als bedoeld in de
Vogelrichtlijn, richtlijn 79/409/EEG. Het besluit Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel, inhoudende de aanwijzing als speciale
beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG en Vogelrichtlijn 79/409/EEG, is per 10 september 2009 definitief geworden.
Het gebied bestaat uit de drie deelgebieden Deurnsche Peel, Mariapeel en Grauwveen. Tezamen met de nabijgelegen Groote Peel zijn het restanten van wat eens een uitgestrekt oerlandschap was van levend hoogveen. Deze peelhoogvenen werden grotendeels afgegraven tot op de
zandondergrond. Deze gebieden zijn de zuidelijkste representanten van de vlakke subatlantische hoogvenen, die elders en ook in de Peelregio door afgraving, ontginning en verveningen grotendeels zijn verdwenen. Door de verschillende verveningsgeschiedenis van de onderdelen van het gebied is
er een grote en fijnschalige variatie in vegetatie en landschap, met gradiënten naar iets mineraalrijker milieu. In de oudste veenputten is al lange tijd sprake van hoogveengroei op miniatuurschaal. Op de grote restveeneenheden is nog een relatief grote veendikte aanwezig,
waarop door herstelbeheer inmiddels ook op verschillende plaatsen ontwikkeling van hoogveenbegroeiingen plaats vindt.
In Noord-Brabant liggen de deelgebieden de 'eigenlijke' Deurnese Peel, Liesselse Peel (westelijk van het Kanaal van Deurne) en Helenapeel, en los daarvan een drietal kleinere deelgebieden de Bult in het noordwesten, de Heitrakse Peel en Het Zinkske in het zuiden. In de Deurnsche Peel is tot in de
jaren zeventig turf gewonnen, de sporen hiervan zijn nog duidelijk zichtbaar. In sommige oude turfputten zijn goed ontwikkelde hoogveenvegetaties te vinden. Het gebied bestaat uit een complex
van fragmenten levend hoogveen, beginstadia van regenererend hoogveen, natte heide op rustend hoogveen en droge heide op minerale gronden, opgaand loof- en naaldbos, grasen bouwlanden en open water (sloten, kanalen en plassen).
2
Pasende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
PÂDEROYEN ?NNAER Het gebied aan de Limburgse kant wordt ook de Mariapeel genoemd en bestaat uit vier complexen
(Grauwveen, Driehonderd Bunders, Horster Driehoek, Mariaveen). Het landschap kenmerkt zich door een rijke afwisseling van onder andere hogere, droge en lage, vochtige heideterreinen en moerasachtige gedeelten, open en gesloten bossen, veenputten, wijken, vennen en open water.
Het
Mariaveen is een open heidegebied met enkele zandruggen. Na herstelmaatregelen in de jaren negentig herstelt het hoogveen zich weer. Grauwveen bestaat uit een complex van fragmenten levend hoogveen, beginstadia van regenererend hoogveen, droge en
vochtige heide, moeras en opgaand loofbos. Er zijn turfgaten aanwezig. Het Mariaveen is een open heidegebied met enkele zandruggen. Na herstelmaatregelen in de jaren negentig herstelt het hoogveen zich weer. De Deurnsche Peel & Mariapeel is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen zoals
opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire habitattypen zijn aangeduid met en sterretje *): © _ H4030 Droge heiden: behoud oppervlakte en kwaliteit. e
H7110A% Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap): uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.
° _ H7120 Herstellende hoogvenen: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattype actieve hoogvenen,
hoogveenlandschap (H7110A), is toegestaan. De Deurnsche Peel & Mariapeel is aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden
beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 79/409/EEG: ©
A127 Kraanvogel: behoud omvang en kwaliteit eefgebied.
e _ A224 Nachtzwaluw: behoud omvang en kwaliteit Ieefgebied met een draagkracht voor een
populatie van ten minste 3 paren. e _ A272 Blauwborst: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 350 paren. Het gebied is aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op
grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG: e
A0O4 Dodaars: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 35 paren.
e _ A039 Toendrarietgans: behoud omvang en kwaliteit leefgebied.
e _ AO41 Kolgans: behoud omvang en kwaliteit leefgebied. © _ A276 Roodborsttapuit: behoud omvang en kwaliteit Ieefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 120 paren.
Passende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
E
5 Werking luchtwassers 5.1
Onderzoeken en jurisprudentie
In opdracht van de minister van LNV heeft Wageningen Livestock Research (WLR) een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen stikstofen fosfaat (N/P) in mest bij excretie en bij afvoer van het bedrijf. Dit rapport is een verificatie van een studie van Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uit 2019, waarbij het CBS op basis van de N/Pverhouding in de excretie en in de afgevoerde mest, de ammoniakemissie heeft geschat. De conclusie van het CBS was dat emissiearme stallen in de
melkveehouderij geen effect hebben en in de pluimveehouderij en varkenshouderij minder effect hebben dan verwacht in verhouding tot de Rav emissiefactoren. Over dit rapport is in 2020 advies
gevraagd aan de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM). De CDM heeft de conclusies van het CBS bevestigd en onder andere geadviseerd de gebruikte methode nog eens wetenschappelijk te toetsen en te beoordelen of naast uitspraken over de goede werking op sectorniveau ook uitspraken per staltype (en per werkingsprincipe) mogelijk Hierover heeft de Afdeling bestuursrechtspraak zich al uitgesproken in de uitspraak van 7 september
2022. Zij kwam toen tot het oordeel dat bij het verlenen van nieuwe natuurvergunningen voor emissiearme stallen met het type A1.13 en A1.28 geen gebruik meer mag worden gemaakt van de tot dan toe gebruikte emissiefactoren, omdat onzeker is of deze emissiearme melkveestallen in de
praktijk doen wat ze beloven. Later bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak nog eens dit oordeel. In vier van de zeven uitspraken gaat het ook om emissiearme melkrundveestallen van het type waar het in de uitspraak van 7 september 2022 ook om ging (202203797/1, 202203799/1, 202203800/1 en 202203805/1). Maar in drie uitspraken trekt de Afdeling bestuursrechtspraak dit
oordeel door naar emissiearme stallen voor varkens met stalsysteem D3.2.7.1.1. en emissiearme stallen voor pluimvee met stalsysteem E5.11 (202203794/1, 202203801/1 en 202203803/1). Dat betekent dus dat ook met de toepassing van de emissiefactoren voor deze stalsystemen de uitstoot
uit deze stallen niet met de vereiste zekerheid kan worden vastgesteld, omdat deze emissiefactoren de werkelijke stikstofuitstoot waarschijnlijk onderschatten.
In de op 25 november uitgebrachte kamerbrief geeft de Minister aan dat de Rav-factoren niet zondermeer kunnen worden toegepast bij de vergunningverlening op basis van de (voormalige) Wet
natuurbescherming en trekt dit door naar alle sectoren en emissiearme systemen, ook de meer traditionele systemen, zoals luchtwassers. Vergunningverlening voor emissiearme stalsystemen is volgens de Minister alleen mogelijk via een passende beoordeling.
n de Raad van State uitspraak van 31 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:371) oordeelt de Afdeling echter dat over de werking van luchtwassers geen twijfel hoeft te zijn. Naar het oordeel van de
Afdeling is uit het rapport 'Stikstofverlies uit opgeslagen mest’ van het CBS (CBS-rapport) en het advies van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet over dat rapport (CDM-advies) ‘stikstofverlies uit opgeslagen mest’ van het CBS en het advies van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet over dit rapport niet aannemelijk geworden dat luchtwassers niet zullen leiden tot
de in de (voormalige) Rav genoemde ammoniakemissiereductie. De Afdeling heeft in deze uitspraak ook het rapport ‘Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee' van WUR en het rapport
2
Pasende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
PÂDEROYEN ?NNAER ‘Evaluatie van emissiefactoren voor ammoniak, geur en fijn stof zoals opgenomen in het MER Richtlijnenboek Landbouwdieren — 2018' van ILVO betrokken. In deze rapporten hoeft het bevoegd
gezag volgens de Afdeling geen concrete aanknopingspunten te zien voor twijfel aan de juistheid van de Rav-emissiefactor voor de luchtwasser. Volgensde afdeling zijn de luchtwassystemen niet betrokken in de aangevoerde CBS en CDM publicaties. Uit WUR-onderzoek (Onderzoek naar verbeterpunten voor combi-luchtwassers in de praktijk, E. Maasdam,
R.W. Melse, N.W.M> Ogink, Wageningen Livestock Research Openbaar Rapport 1337,
november 2021) blijkt dat biologische, gecombineerde luchtwassers vaak een probleem hebben met een zuurgraad (pH) die niet stabiel is. Voor een goede werking van biologische gecombineerde luchtwassers moet het waswater een neutrale zuurgraad hebben tussen pH = 6,5 en pH = 7,5. Door
de luchtwasser goed te onderhouden en op tijd het waswater te spuien, is het mogelijk om de zuurgraad van het waswater binnen de bandbreedte te houden. Als door een bepaalde oorzaak de pH hoger wordt van 7,5 (basisch waswater) kan het ammoniakverwijderingsrendement lager liggen
dan de 85% waar in de (voormalige) Rav vanuit is gegaan. Technische nalatigheid, storingen en mankementen (slecht onderhoud, vervuiling van filterpakketten en druppelvangers, verkeerd afgestelde spuiwaterregeling etc.} en het ontbreken van een adequate monitoring en opvolging
hiervan (probleemoplossing) zijn hier vaak de oorzaak van. Gecombineerde luchtwassers kunnen in de praktijk 85% ammoniakreductie halen, wanneer de nodige maatregelen worden getroffen zoals aanbevolen in het voornoemde WUR-rapport 1337.
In dit onderzoek i op een aantal
bedrijfslocaties onderzoek gedaan naar verbetering van verwijderingsrendementen bij combiluchtwassers. Hierbij s eerst op basis van de bestaande situatie vastgesteld welke mogelijke technische verbeteringen bij deze luchtwassers konden worden toegepast. Deze verbeteringen zijn
vervolgens doorgevoerd waarna het effect van deze aanpassing op de rendementen werd gemeten. De technische maatregelen waren vooral effectief voor het verbeteren van het ammoniakrendement.
De verkregen informatie uit dit onderzoek kan volgens de onderzoekers
ingezet worden voor verbeteringen van de rendementen van gecombineerde luchtwassers op praktijkbedrijven.
De Rechtbank Oost-Brabant gaat in een uitspraak van 16 februari 2024 (ECLI:NL:RBOBR:2024:600) in op extra maatregelen voor luchtwassers om de goede werking en effectiviteit te waarborgen. Deze extra maatregelen moeten volgens de rechtbank opgenomen worden in het besluit op de
omgevingsvergunning en daar voor is instemming (voorheen was dit een verklaring van geen bedenkingen) van de provincie nodig, zodat de provincie als bevoegd gezag kan beoordelen of de extra maatregelen voldoende zijn. Er is geen noodzaak om de maatregelen te borgen in het
bestemmingsplan.
5.2
Maatregelen voor goede werking
In het totale ontwikkelplan worden biologische gecombineerde luchtwasser toegepast. De eisen voor luchtwassers staan in paragraaf 3.5.8 van het voormalige Activiteitenbesluit (artikelen 3.124, 3.125 en 3.126) en zijn overgenomen in het huidige Besluit activiteiten leefomgeving (artikelen 4.826, 4.827, 4.828, 4.829, 4.830).
Passende beoordelng Natur22000 - Bestemmingsplan
De Horsten
a
Het ontwerp-bestemmingsplan is vastgesteld voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet en valt daardoor onder het overgangsrecht. Dit betekent dat het bestemmingsplan
wordt vastgesteld op basis van het oude recht. De omgevingsvergunningen worden verleend onder de Omgevingswet.