2025-062 08 Bijlage 5 bij Toelichting - Aanvulling MER 3 juni 2024 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
7 Effecten geur en gezondheid 7.1
Advies Commissie voor de m.e.r.
Beoordeling toename geurbelasting
In het MER wordt de voorgrondbelasting geur getoetst aan de wettelijke grenswaarden. Bij het ontwikkelplan is daarbij sprake van een overschrijding van de geurnorm op een nabijgelegen woning. Bij het uitvoerbaar alternatief wordt een normoverschrijding op deze woning voorkomen.
Voor de beoordeling van de gezondheidsaspecten van het ontwikkelplan is ook de toename van de geurbelasting van belang, ook onder de grenswaarden. Uit het MER blijkt dat in beide alternatieven de voorgrondbelasting ter plaatse van woningen in het buitengebied ongeveer verdubbelt ten
opzichte van de bestaande situatie. De Commissie mist in de samenvatting en in hoofdstuk 7 van het MER de beoordeling en de
conclusie (negatieve score) over de sterke toename van de geurbelasting op omliggende woningen. Ook als geen sprake is van een normoverschrijding, is dit een relevant inzicht voor de besluitvorming. De achtergrondbelasting geur in de kern wordt getoetst aan milieukwaliteitsklassen. Het MER geeft aan, dat de geurbelasting met het ontwikkelplan nog in dezelfde klasse valt. De klassen die bij deze
beoordeling gehanteerd zijn, zijn erg ruim. Onduidelijk is hoe groot de toename in de achtergrondbelasting geur is en voor welke woningen.
Consistentie beoordeling geur en gezondheid Voor de Commissie is niet navolgbaar waarom beide alternatieven in de samenvattende tabellen gelijk zijn beoordeeld voor geuremissies, terwijl de emissies van het ontwikkelplan veel groter zijn dan de emissies van het uitvoerbare alternatief. In paragraaf 7.2.3 zijn de alternatieven wel onderscheidend beoordeeld op dit criterium. De Commissie merkt ook op dat de effectanalyse voor geur niet consistent is met de effectbeoordeling gezondheid in de beoordelingstabellen. Uit het MER blijkt dat het ontwikkelplan een negatieve impact heeft op geurhinder, terwijl de effecten op geur gezondheid positief zijn beoordeeld. De Commissie vraagt aandacht voor de consistentie tussen de effectanalyse en —beoordeling voor geur en gezondheid. De Commissie adviseert de volgende aanvullingen op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, ten aanzien van geur en gezondheid: e _ de toename van de voorgrondbelasting op omliggende woningen op te nemen in het beoordelingskader en in de conclusies van het MER; e _ de toename van de achtergrondbelasting en het aantal woningen inzichtelijk te maken. Neem dit ook op in het beoordelingskader en de conclusies van het MER; e
26
deeffectanalyses en -beoordelingen voor geur en gezondheid consistent te maken.
Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel
PÂDEROYEN JTONNAER
P218712.001.004
7.2
Aanvullende beoordeling
7.2.1
_ Wijziging referentie MER
De bestaande zeugenstal op De Horsten 17 heeft een gewijzigde dierbezetting ten opzichte van de omgevingsvergunning en is daarmee planologisch niet legaal. Het ontwerp-besluit voor legalisatie
‘milieubelastende- en bouwactiviteit’ s van april 2024 en het onderhavige bestemmingsplan moet voorzien in de planologische legalisering van de bestaande zeugenstal. Feitelijk is de zeugenstal al uitgevoerd als in het totale ontwikkelplan. Hierdoor is de bestaande zeugenstal niet planologisch
legaal ten tijde van vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan en daardoor geen onderdeel van de referentie MER. De milieugevolgen en effectscore voor geur worden hier niet wezenlijk anders van. Ten opzichte van zowel de bestaande situatie als de feitelijke, planologisch legale situatie is er
sprake van een toename van geur ten gevolge van de mogelijkheden in het bestemmingsplan. Tabel 3: Geuremissies
in scenario's
Feitelijk, planologischlegaal (referentie MER) Geur
Vergund 2020
(ontwerp-besluit __
55.728
(OU/m)
69.130
200.821
Uitvoerbaar scenario
Uitvoerbaar scenario
MER juni 2023
met standaard diameter 1m en
152.821
(OU/m*)
2024)
(70.289)
(indicatief)
Geur
Totaal
__ ontwikkelplan
_ (48.000Ou minder dan totaal plan)
wijziging bestaande stallen
(indicatief) * 176.924
(19.303 Ou minder dan totaal plan}
* Dit wordt toegelicht in paragraaf 7.2.2
7.2.2
_ Voorgrondbelasting geur scenario's
De voorgrondbelasting is aanvullend berekend voor de gewijzigde referentie MER. Verder is voor het maximale scenario (totale ontwikkelplan) en realistische scenario een extra berekening van de voorgrondbelasting uitgevoerd, uitgaande van een standaard emissiepunt-
diameter van 1,0 m overeenkomstig de gewijzigde invoerinstructie bij V-stacks Vergunning en de bestaande stallen overeenkomstig de legalisatie-aanvraag van april 2024.
Door een standaard emissiepunt-diameter van 1,0 meter i.p.v. de werkelijke diameter wijzigt de berekende geurbelasting. Het totale ontwikkelplan overschrijdt dan nog steeds de geurnorm van 14 OU op Karissendijk 10, maar ook de geurnorm van 3 Ou op de woonkern Egchel. Zoals al in het MER
van 2023 al is vastgesteld is dit niet vergunbaar. Karissendijk 10 is de bepalende woning. In het realistisch scenario wordt daarom de geurbelasting op basis van een fictieve situatie met minder emissies geoptimaliseerd tot 14 Ou op deze woning. In het MER van 2023 is gerekend met de werkelijke diameters en was de conclusie dat maximaal 152.821 OU vergunbaar is (theoretisch 48.000 Ou minder dan het totale ontwikkelplan: 11.163 biggen minder, ongeveer 15 biggenstal). Dit i een indicatief scenario. In de extra berekening is gerekend met een standaard diameter van 1m en
7
P218712.001.004
op basis hiervan is ongeveer 176.924 OU vergunbaar (theoretisch 19.303 OU minder dan het totale ontwikkelplan. Dat is ongeveer 4.500 biggen minder; ongeveer een halve stal minder).
Uit controleberekeningen blijkt wel dat de geurbelasting nog verder verlaagd kan worden door de emissiepunt-parameters verderte optimaliseren.
Dit is sowieso nodig, aangezien het een
ontwikkelplan op hoofdlijnen betreft en optimalisatie van emissiepunt-parameters ook noodzakelijk
vanwege stikstof. In de volgende tabel de rekenresultaten van alle scenario’s. De extra berekeningen zijn bijgevoegd in
bijlage 8. Tabel : Berekende voorgrondbelasting geur uit tallen in scenario's
Meest bepalende
geurgevoelige objecten per deelgebied
(V-stacks Vergunning v2020)
Berekende voorgrondbelasting geur (OU/m?)
Geumorm _ Referentie voorgrond MER
Bestaand Bestemmingsplan vergund maximaal {totale
Uitvoerbaar scenario (indicatief)
ontwikkeling) Karissendijk 10
Melkweg 11 Melkweg 12 Rongvenweg 8 Karissendijk 4 Jacobusstraat 37 Jacobusstraat 16
Doorbrand 2 Neer
14
14 14 55 5,5 3 3
10
88
17 18 16 a 0,9 10
13
10,2
23 24 24 14 12 13
45
(gem. Leudal)
16,4
14
162
14%
50
43
51*
47
52
45
537
48
55
48
56*
G
32
28
347
31
26
23
29%
26*
29
25
12
287
33
29
45
31*
* Controleberekening totaal plan met standaard ep-diameter 1m (gewijzigde invoerinstructie V-stacks
Vergunning) en wijziging ep-parameters bestaande stallen 0.b.v. legalisatieaanvraag april 2024 Ten aanzien van de voorgrondbelasting is op basis van de huidige geuremissiefactoren de burgerwoning Karissendijk 10 de beperkende woning, waardoor de voorgrondbelasting op de woningen in het buffergebied en in de woonkern Egchel wel toeneemt. Pas als de geuremissiefactoren van gecombineerde luchtwassers (voldoende) worden verlaagd in de Regeling geurhinderen veehouderij kan de laatste fase van het totale ontwikkelplan gerealiseerd worden. Aangezien er vanuit het Rijk concrete onderzoeken en trajecten lopen voor verbetering van de werking van gecombineerde luchtwassers en certificering is er wel zicht op mogelijkheden voor volledige realisatie binnen de komende 10 jaar. De ondernemer kan binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan voor een andere bedrijfsopzet kiezen met minder varkens per vierkante meter stal en (gefaseerd) voorsorteren op toekomstige dierwelzijnseisen, bijvoorbeeld
vrijloopkraamhokken of meer m? leefoppervlak per varken.
28
Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel
PÂDEROYEN ?NNAER
P218712.001.004
De gemeentelijke voorgrondnorm van 5,5 OU voor de bufferzone is vastgesteld op basis van het geuronderzoek in de geurgebiedsvisie die ten grondslag ligt aan de geurverordening (Geurgebiedsvisie bij ontwerp geurverordening, Grontmij, 13 juli 2015, rapport GM-0164972, vastgesteld door de Raad van Peel en Maas bij besluit van 15 september 2015).
De geurnorm van 5,5
OU zorgt er volgens dit geuronderzoek voor dat het leefklimaat door de achtergrondbelasting van geur in de woonkern Egchel niet kan verslechteren. In geval dat de landelijke, wettelijke geurnormen voor de voorgrondbelasting worden aangescherpt, wijzigt de gemeentelijke geurnorm van 5,5 OU
niet. Het buffergebied is onderdeel van het buitengebied en het is niet waarschijnlijk dat huidige landelijke grenswaarde van 35 OU onder de 5,5 OU komt te liggen.
De geurnormen voor de voorgrondbelasting kunnen niet opgenomen worden n de planregels van een bestemmingsplan, vanwege doorkruising met de (voormalige) Wet geurhinder en veehouderij. Dit volgt uit vaste jurisprudentie.
7.2.3
_ Achtergrondbelasting scenario’s
De achtergrondbelasting is aanvullend berekend voor de gewijzigde referentie MER en voor het realistisch scenario (fictief scenario waarbij wordt voldaan aan de voorgrond geurnormen). In de
volgende tabel de rekenresultaten voor bepalende woningen per deelgebied van alle scenario's. Tabel : Indicatieve achtergrondbelasting geur uit stallen in scenario's
Meest bepalende
geurgevoelige objecten per
deelgebied
Berekende achtergrondbelasting geur (OU/m?)
Geurnorm Referentie MER voorgrond feitelijk,
Vergund
planologisch legaal
Karissendijk 10
14
21,2
Maximaal scenario
totaal
(indicatief)
273
249
ontwikkelplan 217
Realistisch scenario
292°
Melkweg 12
14
299
30,5
317
314
330
Rongvenweg
8
55
19,8
20,1
210
20,7
211
Karissendijk 4
55
101
102
113
11
12°
Jacobusstraat 37
3
10,2
10,4
112
109
107
Jacobusstraat 16
3
94
95
10,7
105
10,3*
Doorbrand
2 Neer
10
(gem. Leudal)
74
73
91
38
91
* Met aanvraag omgevingsvergunning van 2022 voor uitbreiding Rongvenweg 14. Nog geen ontwerp-besluit, dus alleen voor de beeldvorming opgenomen.
Gegevens aanvraag kunnen afwijken van toekomstig (ontwerp-)besluit.
29
P218712.001.004
De gemeente Peel en Maas hanteert voor de toetsing van geur uit stallen bij plannen en vergunningaanvragen voor het buitengebied (woningen buiten de woonkern Egchel) een maximale achtergrondbelasting van 28 OU, tenzij de achtergrondbelasting in de vergunde situatie al hoger is.
In dat geval hanteert de gemeente het uitgangspunt dat het leefklimaat niet mag verslechteren. Dit is niet vastgelegd in gemeentelijk beleid, maar de gemeente gebruikt als grondslag hiervoor de geurgebiedsvisie bij de geurverordening van 2015 en de motivering achtergrondbelasting in de
considerans Mer-beoordeling van de RUD. In de actuele vergunde situatie is in het buitengebied alleen ter plaatse van de woning Melkweg 12
de achtergrondbelasting hoger dan 28 OU. Het totale ontwikkelplan (op hoofdlijnen) resulteert in een hogere achtergrondbelasting dan in de vergunde situatie en moet dus nog geconcretiseerd worden voor de achtergrondbelasting van geur. Een achtergrondbelasting van 28 OU is in lijn met de
voorgrondnorm van 14 OU en de gemeente Peel en Maas vindt dit nog steeds een aanvaardbaar leefklimaat voor woningen in een aangewezen landbouwontwikkelingsgebied.
g
a
Figuur 2: Indicatieve achtergrondbelasting geur uit stallen referentie MER (feitelijk, planologisch legale situatie)
E
Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel
peroegee
w
P(ÂDEROYEN
c?)NNAEII
P218712.001.004
Figuur 3: Indicatieve achtergrondbelasting geur uit tallen realistisch scenario
7.2.4
_ Geuren
leefklimaat
De achtergrondbelasting geur is getoetst aan milieukwaliteitsklassen met toepassing van Bijlage 6 en 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij. Het MER geeft aan, dat de geurbelasting in het dorp Egchel nog in dezelfde milieukwaliteitsklasse valt en dat het leefklimaat niet verslechtert.
Concreet betekent dit dat de achtergrondbelasting van geur in de woonkern Egchel niet hoger mag worden dan 13,1 OU. De aanwezige ‘geurgebruiksruimte’ is niet exclusief voor het onderhavige bestemmingsplan, maar kan ook benut worden door andere veehouderijen in de omgeving. Dit
betekent dat de ondernemer bij iedere aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van de op dat moment actuele vergunningengegevens moet aantonen dat het leefklimaat in het dorp Egchel niet verslechtert ten opzichte van de (milieu)vergunde situatie op peildatum 22 december 2008. Het is niet uitgesloten dat de aanwezige ‘geurgebruiksruimte' tussentijds geheel of gedeeltelijk is benut door een andere veehouderij. Dit is een ondernemersrisico. In het MER is al wel rekening
gehouden met de aangevraagde ontwikkeling van de naastgelegen varkenshouderij aan de Rongvenweg 14. Ook a is de uitbreiding van dit bedrijf nog niet vergund, uit het MER valt te concluderen dat de ontwikkelingen op De Horsten en Rongvenweg 14 uitvoerbaar zijn zonder dat
het leefklimaat in Egchel verslechtert. In een aanvraag om een omgevingsvergunning zal de ondernemer een eventueel genomen (ontwerp-)besluit voor Rongvenweg 14 mosten betrekken in de cumulatieve berekening van de achtergrondbelasting.
x
P218712.001.004
Tabel6:
Leefklimaat geur uit stallen in scenario’s
Meest bepalende
geurgevoelige objecten per deelgebied
Leefklimaat 0.b.v.
milieukwaliteitscriteria
lage 6 en 7 Handreiking Wgv _ Vergund _ Bestemmingsplan _ Realistisch feitelijk, maximaal scenario planologisch totaal (indicatief)
Geurnorm
Referentie MER
voorgrond
legaal Karissendijk 10
14
ontwikkelplan
tamelijkslecht
tamelijkslecht
_ tamelijkslecht
_ tamelijk slecht
slecht*
Melkweg 12
14
slecht
slecht
slecht
slecht
Rongvenweg 8
5,5
matig
tamelijkslecht
_
tamelijkslecht
_ tamelijk slecht
Karissendijk 4
55
redelijkgoed
_
redelijkgoed
_
redelijkgoed
_
redelijk goed
Jacobusstraat 37
3
redelijkgoed
_
redelijkgoed
_
redelijkgoed
_
redelijk goed
Jacobusstraat 16
3
redelijkgoed
_
redelijkgoed
_
redelijkgoed
_
redelijk goed
Doorbrand 2 Neer
10
goed
redelijkgoed
_
redelijk goed
goed
(gem. Leudal) * Met aanvraag omgevingsvergunning van 2022 voor uitbreiding Rongvenweg 14. Nog geen ontwerp-besluit, dus alleen voor de beeldvorming opgenomen.
5
Gegevens aanvraag kunnen afwijken van toekomstig (ontwerp-)besluit.
Effectvergelijking geur
De geurbelasting neemt toe ten opzichte van de referentiesituatie. Om de geuruitstoot uit stallen te
beperken worden zowel in de bestaande situatie als in het planvoornemen gecombineerde biologische luchtwassers met 45% geurreductie toegepast, wat aangemerkt kan worden als de best beschikbare technieken voor de reductie van geur uit stallen. De voorgrondbelasting neemt toe ten
gevolge van het bestemmingsplan, maar voldoet met de huidige geuremissiefactoren op alle geurgevoelige objecten aan de geldende geurnormen, behalve op burgerwoning Karissendijk 10. In het realistisch scenario, waarin de voorgrondbelasting op deze woning niet hoger is dan de
geurnorm van 14 Ou, bedraagt de geuremissie ongeveer 75% van de geuremissie van het totale ontwikkelplan.
De achtergrondbelasting van geur neemt toe ten gevolge van het totale ontwikkelplan, maar leidt ter plaatse van geurgevoelige objecten in de woonkern Egchel niet tot wijziging van het leefklimaat.
In cumulatie met de aangevraagde uitbreiding van de varkenshouderij op Rongvenweg 14 (gebaseerd op de aanvraag van 2022) kan het totale ontwikkelplan zonder extra waarborgen in het bestemmingsplan resulteren in een verslechtering van het leefklimaat ter plaatse van Karissendijk 10
en Doorbrand 2 Neer (gemeente Leudal), maar in theorie ook op andere woningen in het buitengebied. Ook ter plaatse van Melkweg 12, waar het leefklimaat weliswaar niet verslechterd, maar al wel sprake is van een slecht leefklimaat.
Geureffecten door de wijzigingen ten aanzien van de mestverwerking worden beoordeeld als licht positief. Bij mobiele mestscheiding is sprake van periodieke piekemissies in de buitenlucht. Het plan maakt een toename van de mestverwerkingscapaciteit mogelijk, maar daar staat tegenover dat de
mestscheiding inpandig en continu plaats gaat vinden, waardoor geen piekemissies meer optreden.
32
Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel
PÂDEROYEN ?NNAER
P218712.001.004
Tabel : Totale effectscores geur - leefklimaat t.0.v. referentie MER Planvoornemen Realistisch scenario
Maximaal
scenario
Voorgrondbelasting’: - woonkern Egchel
0/-
0/-
- buffergebied
G
s
- overig buitengebied
-
-
-overig buitengebied: Karissendijk 10
-
-
- woonkern Egchel
0/-
0/-
- buffergebied
0/-
0/-
Achtergrondbelasting
- overig buitengebied - overig buitengebied:
Karissendijk 10
&
5
-
=
Leefklimaat o.b.v. achtergrondbelasting””: - woonkern Egchel
Toepassen best beschikbare technieken
+00
Geuremissie
-
=
0/+
0/+
- buffergebied - overig buitengebied uit stallen
Geuremissie door mestscheiding * Uitgaande van gemeentelijke geurnormen
in de geurverordening
* Uitgaande van het raadsbesluit dat het Ieefklimaat in de kern Egchel niet mag verslechteren t,0.v. vergund 2008
++zeer positief +positief
7.2.6
/+ licht positiefO neutraal 0/- licht negatief - negatief -- zeer negatief
_ Aanbeveling voor het bestemmingsplan
Maximale achtergrondbelasting geur in de regels van het bestemmingsplan
Door in de regels van het bestemmingsplan een maximale achtergrondbelasting van maximaal 13,1 OU op te nemen voor de woonkern Egchel (door representatieve toetsingspunten opte nemen en/of aan te sluiten bij de begrenzing op de kaart bij de geurverordening) wordt in het bestemmingsplan gewaarborgd dat het leefklimaat in de woonkern Egchel niet kan verslechteren ten opzichte van het leefklimaat op de peildatum in 2008 en worden kaders uit het raadsbesluit van 2008 vertaald en juridisch geborgd in de planregels van het bestemmingsplan. Geadviseerd wordt om ook de woningen buiten de woonkern Egchel beschermingte bieden tegen onaanvaardbare geurhinder. Dit kan door een maximale achtergrondbelasting van 28,3 OU op te nemen in de planregels. Hiermee wordt de toetsingswijze van de gemeente Peel en Maas bij ontwikkelingen van veehouderijen geïmplementeerd en juridisch verankerd in het bestemmingsplan (in navolgend kader is een korte uitleg gegeven bij de huidige toetsingswijze van de gemeenten t.a.v. het leefklimaat en geur).
3
P218712.001.004
Voor Melkweg 12 moet een uitzondering worden opgenomen, omdat hier de vergunde
achtergrondbelasting boven de 28 OU zit. Advies is om voor Melkweg 12 de huidige, vergunde achtergrondbelasting zoals berekend in het MER op te nemen als maximum en dat is 30,5 OU. Dit is strenger dan de huidige toetsingswijze van de gemeente, die uitgaat van dezelfde
milieukwaliteitsklasse ofwel ‘geen verslechtering van het leefklimaat’ met als bovengrens 38,5 OU (zie navolgend kader). Het College kan ervoor kiezen om ook voor de bufferzone zoals aangewezen in de geurverordening
een maximale achtergrondbelasting op te nemen in het bestemmingsplan, maar dit is niet noodzakelijk voor het waarborgen van een aanvaardbaar leefklimaat in de
bestemmingsplanregeling. Het opnemen van een maximale achtergrondbelasting voor de woonkern, het buitengebied en
specifiek Melkweg 12 (zoals aanbevolen) waarborgt ook dat het leefklimaat ter plaatse van de woningen in de bufferzone niet zal verslechteren. De bufferzone met voorgrondnorm 5,5 OU is destijds vastgesteld als sturingsmiddel om verslechtering van het leefklimaat in de woonkern Egchel te voorkomen en dient een ander doel (dit staat toegelicht in de geurgebiedsvisie bij de
geurverordening). De woningen in deze bufferzone hebben een redelijk goed tot tamelijk slecht leefklimaat, afhankelijk van de ligging. Een redelijk goed leefklimaat heeft als bovengrens een achtergrondbelasting van 13,1 OU (dit betreft de woningen dichtbij de woonkern Egchel, onder andere Karissendijk 4 en een tamelijk slecht leefklimaat heeft als bovengrens een achtergrondbelasting van 28,3 OU (dit betreft woningen dichtbij het plangebied, met name Rongvenweg 8 en 5). Toetsingswijze geur en leefklimaat gemeente Peel en Maas
De gemeente hanteert de ‘Considerans mer-beoordeling’ van de RUD bij de beoordeling van het leefklimaat in relatie tot geur. Deze sluit aan bij de systematiek in de geurgebiedsvisie bij de
huidige gemeentelijke geurverordening van 2015. Deze toetsingswijze wordt omgekeerd ook gebruikt bij de beoordeling van het woon- en eefklimaat voor ruimtelijke plannen waarmee nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk worden gemaakt. Navolgend een korte uitleg hierbij (dit staat ook toegelicht in het MER van juni 2023): Om een oordeel te kunnen geven over de aanvaardbaarheid van de achtergrondbelasting van
geur wordt gebruik gemaakt van de Handreiking Wev (InfoMil). Aan de hand van deze handreiking is in de considerans van de RUD de wettelijke geregelde voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting ingedeeld in klassen met een milieukwaliteit. Op deze manier is een vergelijking mogelijk tussen de voor- en achtergrondbelasting, zie volgende tabel:
m
aantal gehinderden
voorgrondbelasting (oue/m3)
achtergrondbelasting [ milieukwaliteit (ous/m3)
< 5% 5-10%
<15 15-38
<3,1 31-7,4
zeer goed goed
10-15% 15 - 20%
3,8-6,6 6,6 - 10,0
7,4-13,1 13,1 - 20,0
redelijk goed ‘matig
20 - 25%
10,0 - 14,2
20,0 - 28,3
tamelijk slecht
25 - 30%
14,2-19,2
28,3-38,5
slecht
30 - 35%
19,2-25,3
38,5 - 50,7
zeer slecht
35 - 40%
25,3-32,8
>
50,7
Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel
extreem
slecht
P(ÂDEROYEN ?NNAER Met
P218712.001.004
behulp van een berekening uit het model V-Stacks gebied wordt de achtergrondbelasting
voor de bestaande en geplande situatie inzichtelijk gemaakt. De berekening moet laten zien dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten niet verslechtert,
van klasse naar klasse. Als in de bestaande situatie de milieukwaliteit ter plaatse een bepaalde klasse heeft, dn verandert het leefklimaat niet als een toename van de achtergrondbelasting door de voorgenomen activiteiten niet de bovengrens van de klasse overschrijdt en is de voorgenomen activiteit of voorgenomen plan aanvaardbaar ten aanzien van geur.
De geadviseerde aanvulling van de planregels is als volgt e _ Een maximale achtergrondbelasting van 13,1 OU voor geurgevoelige normobjecten in de woonkern Egchel; e _ Een maximale achtergrondbelasting van 28 OU voor geurgevoelige normobjecten buiten de woonkern Egchel; e
Een maximale achtergrondbelasting van 30,5 OU voor Melkweg 12;
e _ In geval een gemeentelijke beleidsregel wordt vastgesteld met strengere toetswaarden voor de achtergrondbelasting van geur dan zijn de toetswaarden in de beleidsregel van toepassing.
De geadviseerde maximale waarden voor de achtergrondbelasting van geur liggen hoger dan de gezondheidskundige advieswaarden die door de GGD worden geadviseerd. Onderzoeken uit 2014 en 2023 bevestigen volgens de GGD de signalen dat er bij een gegeven geurbelasting aanzienlijk meer
geurhinder voorkomt dan op basis van de Handreiking Wev (Wet geurhinder veehouderij) te verwachten zou zijn en geven volgens de GGD aanleiding tot een actualisatie en aanscherping van de
landelijke en gemeentelijke geurnormen. Voor de maximale achtergrondbelasting stelt de GGD voor uit te gaan van een maximaal hinderpercentage van 12% voor de bebouwde kom en 20% in het buitengebied, te vertalen als maximaal 5 Ou (bebouwde kom) respectievelijk 10 Ou (buitengebied)
achtergrondbelasting (= cumulatieve geurbelasting). De voorgestelde maximale waarden voor de achtergrondbelasting zijn hoger dan de gezondheidskundige advieswaarden, maar passen bij de eerder genomen
besluiten over het landbouwontwikkelingsgebied.
Als dit advies wordt overgenomen in het bestemmingsplan wijzigt de effectbeoordeling in voorgaande tabel ten aanzien van het leefklimaat, omdat dan voor alle deelgebieden (kern Egchel, buffergebied en overig buitengebied) wordt gewaarborgd dat er geen sprake mag zijn van verslechtering van het leefklimaat ten gevolge van geur (in het maximaal scenario ook voor het buffergebied en overig buitengebied wordt dan de effectbeoordeling 0). Geur mestverwerking De gemeente Peel en Maas heeft geen gemeentelijk (geur)beleidskader voor de toepassing van mestbe- en verwerking. In de planregels kan opgenomen worden dat de toetswaarden voor de maximale achtergrondbelasting gelden voor geur uit stallen én door mestverwerking. Dit zou betekenen dat de geurbelasting van de mestbewerking in samenhang met die van de stallen beoordeeld moet worden. Deze cumulatieve beoordeling is echter complex.
35
P218712.001.004
De beoordeling van geurbelasting door mestbewerking verschilt wezenlijk van de systematiek bij de
beoordeling van geur uit stallen onder de (voormalige) Wet geurhinder en veehouderij en de huidige Omgevingswet (Bruidsschat). De ondernemer zal in een aanvraag om een omgevingsvergunning ook zonder kaderstellende toetswaarden in het bestemmingsplan moeten onderbouwen n welke mate er geuremissie kan optreden ten gevolge van de mestverwerking.
Bij een gesloten systeem en inpandige
mestverwerking gaat het om lekverliezen uit de loods, met name bij openen van de loodsdeuren. Dit n beperkte (piekJemissies van geur. Hierop is al ingegaan in paragraaf 6.3.3 op pagina 112 van het PlanMER van juni 2023.
De risico's voor het optreden van emissies van geur tijdens het scheiden van mest worden als beperkt ingeschat als de scheiding in een gesloten systeem wordt uitgevoerd (Rapport 703, Inventarisatie emissies en geluidsoverlast van mestbewerkingsinstallaties en eventuele maatregelen,
september 2013, Wageningen UR Livestock Research, Melse, Verdoes, Mosquera en de Buisonjé). De meeste installaties voor het scheiden van mest zijn gesloten installaties, waarbij de
daadwerkelijke scheiding van de mest plaatsvindt in een metalen behuizing. Omdat de mestverwerking volgens de regels in het bestemmingsplan inpandig moet volstaan de afstandseisen uit het (voormalige) Activiteitenbesluit om geurhinder door mestverwerking te vooromen. Dat wil zeggen een minimale afstand van 50 meter tot geurgevoelige objecten. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om de mestverwerkingsloods op voldoende afstand van woningen van derden
te situeren.
In het totale ontwikkelplan van de ondernemer ligt de beoogde mestverwerkingsloods in het midden
van het plangebied op meer dan 100 meter van woningen van derden. Om de beste locatie binnen het plangebied te waarborgen wordt geadviseerd om in aanvulling op de ontwerp-planregels voor mestverwerking als extra regel opte nemen dat de mestverwerking op minimaal 100 meter van geurgevoelige objecten moet plaatsvinden.
36
Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel
PÂDEROYEN JTONNAER
P218712.001.008
8 Effecten waterhuishouding 8.1
Advies Commissie voor de m.e.r.
Het bestemmingsplan maakt een grote toename van het verhard oppervlak binnen het plangebied
mogelijk. In het MER zijn de effecten op de waterhuishouding als neutraal beoordeeld. Voor de onderbouwing van deze conclusie wordt verwezen naar een inventarisatie die in 2009 is uitgevoerd voor het bestemmingsplan LOG Egchelse Heide en naar de waterretentievoorziening die in dit kader
door de gemeente is aangelegd. Gesteld wordt daarbij dat deze waterretentievoorziening voldoende is om effecten op de waterhuishouding te voorkomen.
Voor de Commissie is neutrale beoordeling in het MER niet transparant en herleidbaar. Gezien beleidswijzigingen in de afgelopen jaren, nieuwe inzichten ten aanzien van klimaat en de relatief hoge grondwaterstand in het gebied, zijn de conclusies uit eerdere onderzoeken mogelijk verouderd.
Aannemelijk s dat bij het uitvoeren van een nieuwe effectanalyse, de waterberging onvoldoende blijkt.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER de maximaal mogelijke effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding in beeld te brengen. Toon aan dat de waterretentievoorziening voldoende is om de toename van het verhard oppervlakte compenseren
in een normale situatie en bij piekbuien. Maak daarbij gebruik van de meest recente inzichten ten aanzien van
8.2
klimaat.
Aanvullende beoordeling
Er is een waterplan gemaakt op basis van actuele inzichten. Deze is bijgevoegd als bijlage 5.
De bestaande waterbergingsvoorziening van de gemeente is aanvullend berekend op basis van T=100 (advies van het waterschap). Ook bij deze norm bevat de bestaande voorziening voldoende waterbergingscapaciteit voor de totale ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt.
Uitgaande van T=100 is de waterbergingsopgave 8.660,6 m3. De aanwezige waterbergingsvoorziening heeft een waterbergingscapaciteit van 9.525 m?. Alleen de kavels binnen het plangebied zijn en worden in de bestaande en beoogde situatie op deze waterbergingsvoorziening afgekoppeld. Hiermee wordt voldaan aan de actuele waterbergingsopgave.
Met natuurlijke poelen wordt er ook nog ruim 900 m? aan extra waterbergingscapaciteit op eigen terrein gerealiseerd. De realisatie van deze natuurlijke waterbufferpoelen zijn gewaarborgd in de planregels van het bestemmingsplan door middel van een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het landschappelijk inpassingsplan, plus de oplegnotitie voor de waterbufferpoelen (de oplegnotitie is opgenomen in het waterplan, zie bijlage 5).
+7
9 Samenvatting van de aanbevelingen In paragraaf 3.2 zijn de kaders in het ontwerp-bestemminsplan en aanvullende kaders voor vaststelling benoemd. In deze aanvulling op het MER worden ook aanbevelingen voor de planregels
in het bestemmingsplan gedaan om de maximale effecten ten gevolge van met name geur, ammoniak en geluid extra te waarborgen. Hierover zal het College van B&W een standpunt gaan innemen, rekening houdend met het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r. en in samenhang met
de beantwoording van de zienswijzen. De aanbevelingen voor het bestemmingsplan (voor vaststelling) samengevat:
1.
Een uiterste einddatum in de bouwregels voor bouwwerken opnemen, om te voorkomen dat er op de termijn latente bouwmogelijkheden blijven bestaan,
waar voor onbepaalde tijd
rekening mee gehouden moet worden bij andere ruimtelijke ontwikkelingen. Zie uitleg in paragraaf 1.2. 2.
Een maximale geluidsgrenswaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde op woningen. Zie uitleg in paragraaf 3.2.
3.
De actuele ammoniakemissie én stikstofdepositie op Natura2000-gebieden van de natuurvergunning van 2020 opnemen als maximum. Zie uitleg in paragraaf 4.3.
4.
Maximale waarden voor de achtergrondbelasting van geur: — _ Een maximale achtergrondbelasting van 13,1 OU voor geurgevoelige normobjecten in de woonkern Egchel; — _ Een maximale achtergrondbelasting van 28 OU voor geurgevoelige normobjecten buiten
de woonkern Egchel; — _ Een maximale achtergrondbelasting van 30,5 OU voor woning Melkweg 12; — _ In geval een gemeentelijke beleidsregel wordt vastgesteld met strengere toetswaarden
voor de achtergrondbelasting van geur dan zijn de toetswaarden in de beleidsregel van toepassing. Zie uitleg in paragraaf 7.2.6.
5.
Een minimale afstand van 100 meter tussen de mestverwerkingsinstallatie en geurgevoelige normobjecten. Zie uitleg in paragraaf 7.2.6.
38
Aanvalling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel
P218712.001.004
Bijlagen
Bijlage 1: Voorlopig toetsingsadvies Commissie m.e.r., 15 november 2023 Bijlage 2: Diertabellen Bijlage 3: Passende beoordeling met Aerius berekening Bijlage 4: Aerius berekening stikstofgevoelige vegetaties Natuurnetwerk
Bijlage 5: Waterplan (met oplegnotitie bij het landschappelijk inpassingsplan voor waterbufferpoelen)
Bijlage 6: Flora en fauna onderzoek Bijlage 7: Kaarten Bijlage 8: Bestanden geurberekeningen
Aanvuling
lan- MER Bestemmingsptan De Horsten Egchel
P218712001.004
BIJLAGE 1: VOORLOPIG TOETSINGSADVIES COMMIISSIE M.E.R., 15 NOVEMBER 2023
Aamvuling
lan- MER Bestemmingspan De Horsten Egchel
er Commissie voor de
milieueffectrapportage
De Horsten Egchel, gemeente Peel en Maas Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport 15 november 2023 / projectnummer: 3751
1
Advies
over
het MER
in het kort
De gemeente Peel en Maas stelt een bestemmingsplan op voor de uitbreiding van een intensieve veehouderij aan De Horsten, Egchel. Voordat de gemeenteraad
van Peel en Maas
besluit over het bestemmingsplan, zijn de milieugevolgen onderzocht in een milieueffectrapport (MER).! De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (de Commissie) gevraagd
het rapport te beoordelen.
In dit advies spreekt de Commissie zich
uit over de juistheid en de volledigheid van het MER Wat
staat in het MER?
In het MER zijn twee inrichtingsalternatieven onderzocht. Het eerste alternatief is het ontwikkelplan van de grondeigenaar (hierna ondernemer). Dit ontwikkelplan
is niet
uitvoerbaar, omdat de geurbelasting op omliggende woningen daarmee te veel toeneemt (geurnormen worden overschreden). Om
deze reden is in het MER ook een uitvoerbaar
alternatief verkend. In dit alternatief is een indicatieve geuremissie gehanteerd waarmee voldaan wordt aan de geurnormen. Uit het MER blijkt dat beide alternatieven negatieve gevolgen hebben voor natuur (door stikstofdepositie) en de leefomgeving (geur, geluid en fijnstof). Voor de beoogde bedrijfsuitbreiding van de ondernemer is in 2020 een natuurvergunning (Wnb-vergunning) afgegeven.
De uitbreidingsmogelijkheden uit de Wnb-vergunning worden in het
bestemmingsplan
ingepast. In het kader van die vergunning zijn de gevolgen voor Natura
2000-gebieden van de bedrijfsuitbreiding al beoordeeld en is door het bevoegd gezag geconcludeerd dat de bedrijfsuitbreiding toelaatbaar is binnen de vereisten van de Wet natuurbescherming. Het MER stelt dat deze beoordeling niet opnieuw hoeft en dat het bestemmingsplan Wat
past binnen de kaders van de natuurwetgeving.
is het advies van de Commissie?
Het MER is goed gestructureerd, prettig leesbaar en voorzien van bijlagen met achtergrondinformatie of een verdere verdieping van de milieu-informatie. De Commissie merkt op dat het MER een sterke focus heeft op het ontwikkelplan van de ondernemer.
De Commissie benadrukt echter dat een MER over een bestemmingsplan tot
doel heeft om de maximale milieueffecten van dat bestemmingsplan in beeld te brengen, het is een plan-MER. De gemeenteraad maakt een brede afweging op basis van de informatie uit het plan-MER,
met het oog op de goede ruimtelijke ordening.
De Commissie signaleert bij de toetsing van het MER dat belangrijke informatie ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over het bestemmingsplan door de gemeenteraad. Het MER kan om de volgende redenen niet ten grondslag liggen aan dit bestemmingsplan: «
Een duidelijke doelstelling ontbreekt. Een bestemmingsplan moet algemene kaders scheppen, terwijl het MER focust op het ontwikkelplan van de ondernemer. De doelstelling moet een kader voor
'
het bestemmingsplan vormen. Deze doelstelling
Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel, Gemeente Peel en Maas, Pouderoyen Tonnaer, 27 juni 2023.
kadert in welke ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, en welke (ocatie)alternatieven
«
in het MER
moeten
worden
onderzocht.
Onderbouwing locatie ontbreekt. Het MER bevat geen duidelijke onderbouwing van de locatie van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Dit wordt versterkt doordat de doelstelling voor het bestemmingsplan onduidelijk i.
* _ Effecten van maximale mogelijkheden bestemmingsplan niet in beeld. De alternatieven uit het MER brengen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan niet in beeld. Het voorliggende ontwerpbestemmingsplan
maakt
ook andere invullingen (zoals een grotere omvang, een ander type intensieve veehouderij of andere vormen van mestverwerking) mogelijk dan het ontwikkelplan. De milieueffecten hiervan zijn in het MER niet in beeld gebracht.
+ _ Mogelijk aanzienlijke effecten op Natura-2000 niet in beeld. Gesteld wordt dat een nieuwe Passende
beoordeling
geen nieuwe inzichten zou opleveren. Dit is echter niet
nader onderbouwd in het MER. Eventuele (aanzienlijke) negatieve effecten op Natura 2000-gebieden
*
zijn in het MER niet in beeld gebracht.
Effecten op flora en fauna zijn niet volledig in beeld. De effecten op beschermde soorten en hun leefgebied zijn niet herleidbaar in beeld gebracht. Bovendien
is het
onderzoek gebaseerd op verouderde data. Het MER geeft geen inzicht in mogelijke verzachtende maatregelen.
« _ Stikstofgevoeligheid Goudgroene natuurzone niet in beeld. Het MER stelt dat n de Goudgroene natuurzone geen stikstofgevoelige natuur aanwezig is. Uit het Natuurbeheerplan blijkt echter dat wel stikstofgevoelige natuurbeheertypen voorkomen. De effecten hierop zijn in het MER niet in beeld gebracht. e _ Inconsistenties en toename effecten op geur en gezondheid niet beoordeeld.
De
Commissie merkt inconsistenties op tussen de effectanalyses- en beoordelingen voor geur en gezondheid. Daarnaast ontbreken in het MER voor de besluitvorming relevante inzichten over de toename van de voor- en achtergrondgeurbelasting.
De
Commissie wijst erop dat toename van de geurbelasting relevante inzichten zijn voor de besluitvorming, ook als geen sprake is van een normoverschrijding. « _ Effecten op waterhuishouding niet navolgbaar in beeld gebracht. In het MER wordt geconcludeerd dat de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, geen effect hebben op de waterhuishouding. Deze conclusie is niet met een analyse onderbouwd
en daardoor niet navolgbaar. Niet uit te sluiten is dat door nieuwe
inzichten? en klimaatverandering
(piekbuien) de reeds aangelegde
waterretentievoorziening onvoldoende compenseert voor de toename van het verharde oppervlak.
De Commissie adviseert deze informatie n een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.
2
Zoals
de
KNMI
klimaatscenario's.
d
A\
/
N _
PA
/‘ DS
>
d
p
2 _
} Figuur 1: Kaart plangebied met het perceel
f
/ . 4 N e
aan De Horsten (bron:
|
MER, p. 6)
Aanleiding MER Gemeente Peel en Maas wil een bestemmingsplan vaststellen voor de doorontwikkeling van een intensieve veehouderij met mestbewerking naar een oppervlak van max ca 8,5 ha aan De Horsten
17 en
20 en aan de Melkweg. Het bestemmingsplan is kaderstellend voor m.e.r-(beoordelings)plichtige activiteiten, namelijk:
de
oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee
of varkens.3 Om die reden is voor besluitvorming over het bestemmingsplan een plan-MER opgesteld. Rol van de Commissie
De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen
milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag - in dît geval de gemeenteraad van Peel en Maas - besluit over het bestemmingsplan.
De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3751 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen
in een tekstkader. Naar het oordeel van de
Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeenteraad van Peel en Maas.
In de tekst wordt ook een aanbeveling gedaan ten aanzien van biodiversiteit (paragraaf 2.5.3). Deze
is bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst,
verbeteren.
Categorieën C 14 en D 14 van de bijlage bij het Besluit mil
te
2
Doelstelling en motivatie van geboden ontwikkelruimte Wie doet wat bij het vaststellen van een bestemmingsplan en de rol van het plan-MER Een plan-MER voor een bestemmingsplan heeft tot doel om de maximale milieueffecten van een bestemmingsplan en alternatieven hiervoor in beeld te brengen. Het college van Burgemeester en
Wethouders (B&W) heeft n het verleden een contractuele inspanningsverplichting met de ondernemer vastgelegd om deze uitbreiding planologisch mogelijk te maken. Deze verplichtingen zijn aangegaan in het kader van een Landbouwontwikkelingsgebied (LOG), waarbij bedrijven weg van woonkernen zouden worden verplaatst naar locaties waar ze zich, met minder hinder, wel kunnen ontwikkelen. Het bestemmingsplan
voor dit LOG is echter nooit onherroepelijk geworden en uitgevoerd en vormt daarmee
geen kader voor dit initiatief. Het LOG vormt voor de gemeenteraad dan ook geen kader voor het
vaststellen van het bestemmingsplan.+
Het MER onderbouwt onvoldoende de doelstelling van het bestemmingsplan.
Dit is een
essentieel onderdeel van het MER, omdat de doelstelling de maximale mogelijkheden van het plan, inclusief de benodigde omvang van de bouwvlakken, en de redelijkerwijs te onderzoeken
(locatie)alternatieven bepaalt.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de doelstelling van het bestemmingsplan duidelijk te definiëren. Maak daartoe inzichtelijk of en hoe de binnen het bestemmingsplan geboden ontwikkelruimte (ca 8,5 ha) past binnen het beleid van de gemeente.5 Licht daarnaast de (bedrijfseconomische) noodzaak en wenselijkheid van het ontwikkelplan toe.
22
Locatieafweging Een locatieafweging is een essentieel onderdeel van een plan-MER. In het MER wordt hiervoor verwezen naar de afweging die heeft plaatsgevonden voor het LOG
Egchelse Heide. Deze
afweging is circa 10jaar geleden gemaakt, overwegingen en inzichten kunnen in de loop van de tijd zijn veranderd. Bovendien is het LOG (bestemmingsplan) nooit onherroepelijk geworden. Uit het MER blijkt niet of en waarom de locatieafweging die voor het LOG is gemaakt
nog steeds relevant en actueel is.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, te onderbouwen waarom gekozen is voor deze locatie. Betrek daarbij ook milieu-overwegingen. Onderbouw daarnaast of andere locaties wellicht (ook) kunnen voldoen aan de doelstelling van het bestemmingsplan.
In verschillende zienswijzen die zijn binnengekomen
in reactie op het ontwerpbestemmingsplan, waaronder in de
zienswijze van Werkgroep Behoud de Peel, wordt aandacht gevraagd voor een onafhankelijke en brede besluitvorming over dit bestemmingsplan door de gemeenteraad. Op 29 september 2015 heeft de gemeenteraad nieuw op te stellen bestemmingsplan.
een maximaal
bouwvlak van 4 hectare meegegeven
als kader voor een
23
Effecten van de maximale mogelijkheden
bestemmingsplan
Maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan De maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan zijn niet volledig beoordeeld in de in het MER
beschreven
alternatieven.
De Commissie
ziet vier
inconsistenties
tussen
het
bestemmingsplan en de onderzochte alternatieven: 1.
De alternatieven gaan uit van een door de ondernemer aangeleverde situatieschets van het ontwikkelplan. De bouwlakken
in het bestemmingsplan bieden echter meer ruimte,
waardoor ook een andere invulling van de bouwvlakken (met meer stalruimte) mogelijk is. De alternatieven zijn daarmee geen goede afspiegeling van de maximale ruimtelijke bedrijfsgrootte die het bestemmingsplan mogelijk maakt. 2.
Het bestemmingsplan
staat op de locatie ‘intensieve veehouderij’ toe. Dit is in de regels
van het bestemmingsplan niet nader gespecificeerd naar een varkenshouderij.
Dit
betekent dat op de locatie ook andere vormen van intensieve veehouderij (zoals een
pluimveehouderij) zijn toegestaan. Het MER beschouwt alleen de milieueffecten van een varkensvermeerderingsbedrijf van een bepaalde omvang.
Daarmee zijn de effecten van
de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan niet volledig in beeld gebracht. Een pluimveebedrijf veroorzaakt in verhouding bijvoorbeeld meer fijnstofemissies en bij realisatie van een geitenhouderij bestaat een grotere kans op zoönosen. 3. _ In de alternatieven is uitgegaan van emissiepunten voor geur en geluid aan de oostkant van de stallen. Daarmee zijn de emissiepunten op relatief grote afstand gelegen ten opzichte van de dichtstbijzijnde woningen aan de Karissendijk. Het bestemmingsplan sluit een andere invulling van het plangebied, met emissiepunten dichter bij de woningen echter niet uit. De alternatieven brengen daarmee niet de maximale geur-, fijnstof- en geluidseffecten voor omwonenden
in beeld. Ook zijn in de alternatieven
effectbeperkende maatregelen als verticale uitstroomopeningen van luchtwassers opgenomen 4.
die niet geborgd zijn in de regels van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan
maakt alle vormen van mestbewerking en -verwerking (inclusief
mestvergisting) mogelijk, terwijl het in het MER onderzochte ontwikkelplan enkel uitgaat van mestscheiding.5 Het MER maakt niet inzichtelijk of een ander type mestbewerking en -verwerking dan voorzien in het ontwikkelplan van de ondernemer, leidt tot andere milieueffecten.
Uitvoerbaarheid van de alternatieven
Uit het MER blijkt dat het ontwikkelplan niet uitvoerbaar is, vanwege een overschrijding van de geurnormen. Naast het ontwikkelplan is in het MER een uitvoerbaar alternatief meegenomen.
Voor dit alternatief zijn alleen de geureffecten onderzocht.
De effecten van dit
alternatief zijn daarmee niet volwaardig in beeld gebracht. Hierdoor biedt het MER geen overzicht van de effecten
van een
uitvoerbaar alternatief.
Ook
als de effecten
van
het
uitvoerbaar alternatief beperkter zijn dan die van het ontwikkelplan, is dat een relevant inzicht voor de besluitvorming.
Normeringen, plafonds en voorwaardelijke verplichtingen in het bestemmingsplan In het MER wordt gesteld dat bij het aanvragen van de benodigde vergunningen getoetst moet worden aan normeringen, plafonds en voorwaardelijke verplichtingen die worden ©
“Het bestemmingsplan maakt mestbewerking en -verwerking mogelijk.
Het plan van de ondernemer gaat uit van fysische
mestscheiding (geen risicovole activiteit), echter planologisch worden alle vormen van mestbewerking en -verwerking toegestaan, waaronder mestvergisting, droging en compostering’ (bron:
pagina 22 van het MER).
opgenomen
in de regels van het bestemmingsplan. De regels in het bestemmingsplan
echter algemeen. Zo zijn geen specifieke bepalingen opgenomen
blijven
over bijvoorbeeld geur,
geluid en fijnstof. Dergelijke regels in het bestemmingsplan doen bovendien niet af aan de verplichting om in een MER de aanzienlijke milieueffecten van het plan te onderzoeken, en daarbij uit te gaan van de maximale
mogelijkheden van het bestemmingsplan.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de effecten van de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan te onderzoeken. Onderzoek daartoe het uitvoerbaar alternatief volwaardig in een aanvulling op het MER. Breng ook andere realistische alternatieven in beeld. De alternatieven moeten (gezamenlijk) aansluiten bij de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan. Analyseer en beoordeel de effecten van deze alternatieven. Geef daarbij ten minste aan of de alternatieven uitvoerbaar zijn en in welke mate effecten verschillen tussen de alternatieven.
24
Impact op Natura 2000-gebieden Eén-op-één inpassen Wnb vergunning Uitgangspunt van het MER is dat de uitbreidingsmogelijkheden van de in 2020 verleende Wnb-vergunning één-op-één kunnen worden ingepast in de regels van het bestemmingsplan. Voor de Commissie is niet duidelijk waarom één-op-één Wnb-vergunning
inpassen van de
in deze situatie tot de conclusie heeft geleid dat geen nieuwe Passende
beoordeling nodig is. Dit is in het MER niet navolgbaar toegelicht.7 Het MER geeft geen sluitende onderbouwing dat de Passende beoordeling die ten grondslag ligt aan de geldende Wnb-vergunning toereikend is en dat een nieuwe Passende beoordeling niet tot nieuwe inzichten zal leiden. De Commissie mist een onderbouwing op de volgende punten:
e
Voor de Commissie i niet navolgbaar of de verleende Wnb-vergunning
betrekking heeft
op alle maximale activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt. De vergunning heeft enkel betrekking op het houden van dieren en vervoersbewegingen.® Ontwikkelingen
met betrekking tot mestbewerking of -verwerking en voeropslag worden
niet genoemd, maar zijn wel onderdeel van het bestemmingsplan. Ook de (stikstof)effecten van deze activiteiten moeten in beeld zijn. e
De Wnb-vergunning
is afgegeven op De Horsten 20, maar wordt nu ook toegepast op De
Horsten 17 en de Melkweg. Maak inzichtelijk of en waarom
is uit te sluiten dat dit niet
leidt tot andere effecten op omliggende natuurgebieden (bijvoorbeeld vanwege andere afstanden tot deze gebieden) en dat het juridisch toegestaan is om in dit geval de reeds verleende Wnb-vergunning op een andere ocatie in te passen. e
De vergunning is verleend in 2020 en gebaseerd op onderzoeksinformatie uit 2015
(en
ouder). Inzichten en jurisprudentie op gebied van natuur en stikstof zijn wezenlijk veranderd in de afgelopen acht jaar. De volgende nieuwe inzichten en jurisprudentie kunnen
bijvoorbeeld relevant zijn:
7 _ Een groot aantal van de zienswijzen die zijn binnengekomen n reactie op het ontwerpbestemmingsplan, gaat ook in op dit onderwerp. 3
Zie hoofdstuk 3 van Bijlage 1 Natuurvergunning bij de regels van het bestemmingsplan.
o _ wijzigingsbesluiten aanwezige waardens en bijgestelde kritische depositiewaarden van habitattypen!® die ook verwerkt zijn in de aatste versie van AERIUS:
©
de staat van de ontwikkeling van de Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld uit natuurdoelanalyses en advies van de Ecologische Autoriteit;
© _ plannen en projecten waarvan de milieueffecten destijds konden cumuleren met het project, terwijl er inmiddels nieuwe plannen of projecten in de omgeving toegestaan zijn;
o _ emissiefactoren voor stalsystemen, omdat uit recentere wetenschappelijke rapporten blijkt dat de effectiviteit van deze systemen lager is dan destijds werd aangenomen;
o
extern salderen, omdat deze maatregel alleen als mitigatie kan worden
meegenomen
als deze niet al nodig is voor de verbetering of het behoud van de
betreffende Natura 2000-gebieden; o _ beleidsregels intern en extern salderen van de provincie Limburg.
Daarom is het belangrijk om in het MER te onderbouwen waarom wordt geconcludeerd dat het opnieuw uitvoeren van een Passende beoordeling niet tot nieuwe inzichten zou leiden.
Negatieve effecten op Natura 2000 De Commissie waardeert dat voor het MER een AERIUS-berekening is uitgevoerd. Uit de berekening blijkt een toename van stikstofdepositie op omliggende natuurgebieden ten opzichte van de huidige feitelijke situatie. De toename van stikstofdepositie is het grootst op Natura 2000-gebied Leudal, waar al meer stikstof op neerslaat dan goed is voor de natuur.!! De negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn in het MER niet beschreven. Het MER onderzoekt ook geen maatregelen om te voorkomen dat effecten optreden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn relevante inzichten voor de besluitvorming, ook als de effecten niet leiden tot risico's voor de vergunbaarheid. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, te motiveren waarom de geldende Wnb-vergunning één-op-één toepasbaar is en waarom een nieuwe Passende beoordeling niet tot andere inzichten zou leiden in het licht van nieuwe wetenschappelijke inzichten en milieugegevens.
Indien op basis hiervan niet
uitgesloten kan worden dat het bestemmingsplan toch significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden, moet een nieuwe Passende beoordeling worden opgesteld. De Commissie adviseert daarnaast de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000gebieden in beeld te brengen middels een kwalitatieve beschrijving, inclusief kaartmateriaal. Maak met de analyse inzichtelijk op welke (naderend) overbelaste delen van natuurgebieden extra stikstofdepositie plaatsvindt. Beschouw wat de gevolgen hiervan kunnen zijn. Onderzoek daarnaast extra bronmaatregelen als een toename van stikstofdepositie niet uit te sluiten is ten opzichte van het reeds vergunde project. Gebruik hiervoor de meest recente versie
3
van AERIUS.
Vastgesteld op 25 november 2022
'°
Datum bijstelling:
"I
Stichting Studiegroep Leudal heeft middels een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan
31 augustus 2023. haar zorgen hierover geuit.
25
Overige natuur
2.5.1
Quickscan flora en fauna Voor het MER is een quickscan flora en fauna, inclusief veldbezoek, uitgevoerd in 2019 en in 2023. De Commissie merkt op dat de rapportages bestaan uit een zeer beknopt briefverslag waaruit niet is op te maken of alle soortgroepen zijn beschouwd.!?
Daarnaast is alleen
gekeken naar het plangebied zeff, terwijl in de directe omgeving ook landschapselementen aanwezig zijn die mogelijk een functie vervullen voor beschermde soorten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de leegstaande nertsenfokkerij (in potentie geschikt voor steenmarter en steenuil) en bomenrijen (in potentie geschikt voor vleermuizen). Maar ook aan verstoring van broedvogels tijdens de aanlegfase. Verder is n het MER verouderde informatie betrokken (1983 - 2012) die geen actueel beeld schetsen van het voorkomen van beschermde soorten en Rode lijstsoorten. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de gevolgen voor flora en fauna te splitsen voor wettelijk beschermde soorten en overige soorten. De Commissie adviseert ook om nader te kijken naar het (mogelijk) voorkomen van (beschermde) soorten in een ruimer gebied dan het plangebied
alleen, te onderbouwen welke gevolgen de voorgenomen ontwikkeling
kan hebben op deze
eventuele leefgebieden en hoe eventuele negatieve effecten voorkomen
kunnen worden. De
conclusies
moeten
navolgbaar in het licht van de Wnb
in beeld gebracht worden,
waardoor
ook duidelijk is waarom het ontwikkelplan voor dit criterium positief (0/-+) scoort.
2.5.2
Stikstofgevoeligheid Goudgroene natuurzone In het MER is aangegeven, dat het nabijgelegen natuurreservaat Ophovense
Zandberg,
onderdeel van de Goudgroene natuurzone (Natuurnetwerk Nederland), niet gevoelig is voor stikstofdepositie, maar onderbouwt dit niet. De Commissie constateert dat deze informatie onjuist is en dat de relevante milieueffecten voor dit aspect onvolledig in beeld zijn
gebracht.
De wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied bestaan uit de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan. Uit de kaarten van het Natuurbeheerplan blijkt dat hier onder andere de Natuurbeheertypen N14.02 en laagveenbos,
N06.04 Vochtige heide en N07.01
Droge
heide voorkomt.
Hoog-
Deze
natuurbeheertypen zijn stikstofgevoelig. Extra stikstofneerslag op deze gebieden kan een aanzienlijk milieueffect zijn, zeker als het gebied nu al meer stikstofdepositie kent dan goed is voor de daar aanwezige natuurwaarden.
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de impact van de ontwikkeling op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone nader te onderbouwen.
2
In verschillende
geconstateerd.
zien
en die zijn binnengekomen
in reactie op het ontwerpbestemmingsplan wordt dit ook
25.3
Biodiversiteit In aansluiting bij het Coalitieakkoord van de gemeente Peel en Maas!>, ziet de Commissie kansen voor het bevorderen van de biodiversiteit. De aanleg van bloemrijke vegetaties rondom de stallen heeft bijvoorbeeld een meerwaarde voor onder andere insecten en insecteneters. Ook ziet de Commissie kansen voor natuurinclusief ontwerpen van de gebouwen waarbij bijvoorbeeld verblijfplaatsen voor vleermuizen, nestplaatsen voor de boerenzwaluw en/of huismus worden geplaatst. De Commissie beveelt aan om
bij het verder
uitwerken van het bouwplan dergelijke kansen te onderzoeken en mee te nemen.
26
Geur en gezondheid Beoordeling toename geurbelasting In het MER wordt de voorgrondbelasting geur getoetst aan de geldende geurnormen.!4 Bij het ontwikkelplan is daarbij sprake van een overschrijding van de geurnorm op een nabijgelegen woning. Bij het uitvoerbaar alternatief wordt een normoverschrijding op deze woning voorkomen.
Voor de beoordeling van de gezondheidsaspecten van het ontwikkelplan is ook de toename van de geurbelasting van belang, ook onder de grenswaarden. Uit het MER blijkt dat in beide alternatieven de voorgrondbelasting ter plaatse van woningen in het buitengebied ongeveer verdubbelt ten opzichte van de bestaande situatie.!5 De Commissie mist n de samenvatting en in hoofdstuk 7 van het MER de beoordeling en de conclusie (negatieve score) over de sterke toename van de geurbelasting op omliggende woningen. Ook als geen sprake is van een normoverschrijding, is dit een relevant inzicht voor de besluitvorming. De achtergrondbelasting geur in de kern wordt getoetst aan milieukwaliteitsklassen. Het MER geeft aan, dat de geurbelasting met het ontwikkelplan nog in dezelfde klasse valt. De klassen die bij deze beoordeling gehanteerd zijn, zijn erg ruim. Onduidelijk is hoe groot de toename in de achtergrondbelasting geur is en voor welke woningen.
Consistentie beoordeling geur en gezondheid Voor de Commissie is niet navolgbaar waarom beide alternatieven in de samenvattende tabellen gelijk zijn beoordeeld voor geuremissies!, terwijl de emissies van het ontwikkelplan veel groter zijn dan de emissies van het uitvoerbare alternatief. In paragraaf 7.2.3 zijn de alternatieven wel onderscheidend
beoordeeld op dit criterium.
'Op pagina 13 van het Coalitieakkoord 2022 - 2026 spreekt gemeente Peel en Maas de volgende ambitie uit: We moedigen de agrarische sector aan om een zo duurzaam mogelijk beleid te voeren, waarbij de onderneming aanvullend aan de omgeving is. Met de agrarische sector onderzoeken we waar volgende stappen gezet kunnen worden in het duurzaam en met aandacht voor biodiversiteit beheren van het buitengebied.” De gemeente
Peel en Maas heeft in een geurverordening geurnormen vastgelegd voor daartoe op kaart aangewezen
gebieden, waaronder een bufferzone tussen de kern Egchel en het LOG Egchel, en voor de bebouwde kom
en het
buitengebied (buiten deze gebieden) de landelijke geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij geldig verklaard. In verschillende zienswijzen die zijn binnengekomen in reactie op het ontwerpbestemmingsplan worden hierover zorgen geuit.
Het gaat om
de tabel op pagina 23 en om tabel 33 op pagina
161 van het MER.
De Commissie merkt ook op dat de effectanalyse voor geur niet consistent is met de effectbeoordeling gezondheid in de beoordelingstabellen. Uit het MER blijkt dat het ontwikkelplan een negatieve impact heeft op geurhinder, terwijl de effecten op geur en gezondheid positief zijn beoordeeld. De Commissie vraagt aandacht voor de consistentie tussen de effectanalyse en -beoordeling voor geur en gezondheid. De Commissie adviseert de volgende aanvullingen op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, ten aanzien van geur en gezondheid: e _ de toename van de voorgrondbelasting op omliggende woningen op te nemen
in het
beoordelingskader en in de conclusies van het MER;: e _ de toename van de achtergrondbelasting en het aantal woningen inzichtelijk te maken. Neem dit ook op in het beoordelingskader en de conclusies van het MER; e _ de effectanalyses en -beoordelingen voor geur en gezondheid consistent te maken.
2.7
Waterhuishouding Het bestemmingsplan maakt een grote toename van het verhard oppervlak binnen het plangebied mogelijk. In het MER zijn de effecten op de waterhuishouding als neutraal beoordeeld. Voor de onderbouwing van deze conclusie wordt verwezen
inventarisatie die in 2009 is uitgevoerd voor het bestemmingsplan
naar een
LOG Egchelse Heide en
naar de waterretentievoorziening die in dit kader door de gemeente is aangelegd.7 Gesteld wordt daarbij dat deze waterretentievoorziening voldoende is om effecten op de waterhuishouding te voorkomen. Voor de Commissie is neutrale beoordeling
in het MER niet transparant en herleidbaar.
Gezien beleidswijzigingen in de afgelopen jaren, nieuwe inzichten ten aanzien van klimaat en de relatief hoge grondwaterstand in het gebied, zijn de conclusies uit eerdere onderzoeken mogelijk verouderd. Aannemelijk is dat bij het uitvoeren van een nieuwe effectanalyse, de waterberging onvoldoende blijkt. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voorafgaand aan de besluitvorming, de maximaal
mogelijke effecten van het bestemmingsplan op de
waterhuishouding in beeld te brengen. Toon aan dat de waterretentievoorziening voldoende is om de toename van het verhard oppervlak te compenseren in een normale situatie en bij piekbuien. Maak daarbij gebruik van de meest recente inzichten ten aanzien van klimaat.