CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-062 07 Bijlage 4 bij Toelichting - MER bijlagen 27 juni 2023 (geanonimiseerd)

Raad 28 oktober 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan De Horsten (2025-062)29.473 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

D1.3.124

-

835

063

62605

Dekberen

D2.4.4

=

4

0,83

3,32

Opfokzeugen Kraamzeugen

D3.2.15.4 D1.2.17.4

-

150 265

0,45 1,30

67,50 344,50

Guste en dragende zeugen

D1.3.124

-

835

0,63

526,05

Dekberen

D244

-

4

0,83

3,32

Kraamzeugen

D1.2.17.4

*

265

1,30

344,50

_

9 zeug

Opfokzeugen

011154 Di1154 Di1154 Di1154

D32154

-

-

dieren

6240 6720 6720 6720

150

Jear)

Totaal (kg

Gespeende biggen

Sbig

7 zeug

ì';'ï:; e

Bijlage 2

_ Gespeende biggen _ Gespeende biggen _ Gespeende biggen _ Gespeende biggen

6 zeug

Code RAV Aantal

Bijlage 1

1big 2big 3big 4big

5 zeug

Code RAV

0,10 0,10 0,10 0,10

NH3 / jaar)

0,45

624,00 672,00 672,00 672,00

67,50

Guste en dragende zeugen

D1.3.124

-

835

0,63

526,05

Dekberen

D244

-

4

0,83

3,32

Opfokzeugen

D3.2.15.4

0,45

67,50

Tabel 1 beoogde situatie

De in de tabel en volgende vermelde ‘Code RAV’ alsmede de ammoniakemissiefactoren die zijn gehanteerd bij het berekenen van de (totale) emissie, zijn ontleend aan de bijlagen behorende bij de

meest actuele Regeling ammoniak en veehouderij.

DOC-00086446

9

provincie limburg a

Type

Emissie kg NOx / jaar

Diversen vervoer

Tabel 1a

13,58

Beoogde situatie onderdeel NOx

7.2

Referentiesituatie Nederlandse Natura 2000-gebieden

721

_

Habitatrichtlijngebieden

De Habitatrichtlijngebieden welke betrekking hebben op de aanvraag zoals aangegeven in de AERIUS-

bijlage 1 zijn op 7 december 2004 aangewezen als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn en tevens op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, Wnb is de referentiedatum met betrekking tot stikstofdepositie op de betreffende

habitatrichtlijngebieden 7 december 2004. 7.2.2 _ Vogelrichtlijngebieden De Vogelrichtlijngebieden welke betrekking hebben op de aanvraag zoals aangegeven in de AERIUSbijlagen 1 en 2 zijn op 10 juni 1994, 24 maart 2000 en 8 mei 2013 aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogerichtlijn. Mede gezien de uitspraak van de Afdeling

bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 september 2011 (zaaknummer 201003301/1/R2), geldt als referentiedatum met betrekking tot stikstofdepositie op de betreffende vogelrichtlijngebieden de datums van 10 juni 1994, 24 maart 2000 en 8 mei 2013. 7.2.3

_

Uitgangssituatie Habitatrichtlijn- en Vogelricht

gebieden

De referentiesituatie is conform de bij besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg van 1 oktober 2015 (zaaknummer 2014-0012 met kenmerk 2015/71566) krachtens artikel 19d van de Nb-wet 1998 verleende vergunning voor het oprichten en exploiteren van een varkenshouderij aan De Horsten 20 te Egchel. Deze beschikking dient als uitgangspunt voor onderhavige aanvraag zoals weergegeven in tabel 2.

Stalnummer Type

Code RAV Bilagel

Code Aantal _ Emissie Emissiecf. _ Totaal (kg NHa/ RAV dieren (kgNH3/dier Besluit jaar) Bilage [jaar) emissiearme 2

11

Gespeende

_

huisvesting

D1.1154

-

6.240

0,10

021

624,00

Opfokzeugen

D32.154

-

300

Kraamzeugen

D1.2174

-

150

0,45

1,10

135,00

1,30

2,50

195,00

Dekberen

D2.4.4

=

Guste en

013124

-

2

0,83

nvt.

1,66

490

063

130

308,70

biggen 224

dragende

DOC-00086446

10

provincie limburg a zeugen

220

Kraamzeugen

D1.2.174

-

150

1,30

250

Dekberen

D244

Guste en

013124

195,00

-

2

0,83

nyt

1,66

-

490

0,63

1,30

308,70

dragende zeugen

3-3a

Vleesvarkens

_ D32154

-

3120

0,45

1,10

1.404,00

330

Vleesvarkens

_D32154

-

3.120

0,45

1,10

1.404,00

442

Vleesvarkens

_D32154

-

3.120

0,45

1,10

1.404,00

Vleesvarkens

_ D3.2.15.4

3.120

0,45

1,10

1.404,00

-——--——— Tabel2

__

vergunde situatie

De in de voornoemde tabel 2 beschreven activíteiten zijn aantoonbaar feitelijk gerealiseerd en de aanvraag voldoet daarmee aan de voorwaarden die de Beleidsregels ‘inten en extern salderen Limburg december

2019' stellen.

Vanwege de aanvrager is een met behulp van de naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling geüpdate AERIUS Calculator gemaakte (verschil)berekening overgelegd (zie bijlage 1), welke inzicht verschaft in de stikstofdepositie die door de aangevraagde (bestaande) activiteit na wijziging wordt

veroorzaakt op de voor stikstof gevoelige habitattypen n één of meer Natura 2000-gebieden. Uit deze berekening blijkt dat de voorliggende aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb ten opzichte van de stikstofdepositie die op grond van het door ons op 1 oktober 2015

(zaaknummer 2014-0012 met kenmerk 2015/71566). zijnde de verleende vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 genomen besluit mag worden veroorzaakt, niet voorziet in een toename van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelig habitattype in een Natura 2000-gebied. Aldus is

genoegzaam gewaarborgd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden in zoverre niet zullen worden aangetast door de aangevraagde wijziging van de bestaande activiteit. Reden waarom in zoverre kan worden ingestemd met de aangevraagde wijziging/activiteit.

7.3

Buitenlandse Natura 2000-gebieden

Zoals in paragraaf 5.3 nader is toegelicht, vallen buitenlandse Natura 2000-gebieden onder de reikwijdte van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Daarnaast geldt voor aangevraagde projecten op Nederlands

grondgebied die stikstofdepositie veroorzaken op stikstofgevoelige Duitse en Belgische Natura 2000gebieden dat de effecten van stikstofdepositie dienen te worden beoordeeld overeenkomstig de daarvoor geldende toetsingskaders in Duitsland respectievelijk Vlaanderen en Wallonië. De aanvraag voorziet voor de Duitse Natura 2000-gebieden als opgenomen in de AERIUS bijlage niet in een toename van stikstofdepositie van 0,1 kg N/ha/jaar (7,14 mol/ha/jaar) of meer. Op basis van de

Duitse toetsingsmethode voor de beoordeling van effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-

DOC-00086446

1

provincie limburg a gebieden, kan er derhalve vanuit worden gegaan dat significante negatieve effecten op deze gebieden in zoverre zijn uitgesloten.

Daarnaast voorziet de aanvraag ten opzichte van de Belgische Natura 2000-gebieden als opgenomen AERIUS bijlage niet in een toename van 21,42 mol/ha/jaar of meer. Op basis van de Vlaamse toetsingsmethode voor de beoordeling van effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, kan

er bijgevolg vanuit worden gegaan dat significante negatieve effecten op de Belgische Natura 2000gebieden in zoverre zijn uitgesloten.

74

Beoordeling overige effecten op de beschermde natuurgebieden

Uit de aanvraag blijkt dat er als gevolg van de voorgenomen activiteit geen andere - niet aan stikstofdepositie gerelateerde - negatieve effecten (zoals geluid, trilingen, licht, grondwaterstands- en/of grondwaterkwaliteit veranderingen etc.) te verwachten zijn die de natuurlijke kenmerken van voornoemde beschermde gebieden kunnen aantasten.

7.5

Conclusie

Op grond van bovenstaande beoordeling concluderen wij dat onderhavige door aanvrager aangevraagde

activiteit geen (significante) negatieve effecten zal veroorzaken op de betrokken Nederlandse, Belgische en Duitse Natura 2000-gebieden, mits deze vergunning en de daaraan verbonden voorschriften worden nageleefd. Tegen deze achtergrond is vergunningverlening voor de aangevraagde activiteiten in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens de Wet natuurbescherming.

DOC-00086446

12

provincie limburg a 8.

Afschriften

Een afschrift van dit besluit hebben wij verzonden aan: Aanvrager, als beschikking op de aanvraag; Van

Dun Advies B.V., Postel 8, 5711

ET te Someren, ter kennisname;

Burgemeester en Wethouders van de gemeente Peel en Maas, Postbus 7088 5980 AB te Panningen, ter kennisname; Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant, p.a. Omgevingsdienst Brabant-Noord, t.a.v. Groene Wetten Vergunningverlening, Postbus 88, 5430 AB te Cuijk, ter kennisname; Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, Postbus 9090, 6800 GX te Arnhem, ter kennisname;

Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel, Postbus 10078, 8000 GB te Zwolle, ter kennisname;

Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht, Postbus 80300, 3508 TH te Utrecht, ter kennisname;

Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe, Postbus 122, 9400 AC te Assen, ter kennisname;

Gedeputeerde Staten van de provincie Friesland, Postbus 20120, 8900 HM te Leeuwarden, ter kennisname;

Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, Postbus 610, 9700 AP te Groningen, ter kennisname;

Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, Postbus 3007, 2001 DA te Haarlem, ter kennisname:

Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland, Postbus 6001, 4330 LA te Middelburg, ter kennisname:

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, Postbus 90602, 2509 LP te Den Haag, ter kennisname;

DOC-00086446

13

provincie limburg a

.

.

Vlaamse Overheid, Vlaams Administratief Centrum, Koningin Astridlaan 50, Afdeling Agentschap voor Natuur en Bos, busnummer 5, 3500 Hasselt België, ter kennisname: Bezirksregierung Düsseldorf, Dezernat 32, Postfach 30 08 65, 40408 Düsseldorf Deutschland, ter kennisname.

DOC-00086446

14

provincie limburg

Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg

Vergunning Artikel 16/19d Natuurbeschermingswet 1998

gche Zaaknummer:

Kenmerk:

Verzonden:

2014-0012

2015/71566

d.d.

US OKT. 2015

1 oktober

2015

&

1.

Aanvraag

Bijbrief van 24 december 2013, ontvangen op 24 december 2013, heeft FarmConsuit namens n vergunning ex artikel 16/19d van de

Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) aangevraagd voor het oprichten en exploiteren van een varkenshouderij, op de locatie De Horsten 20 te Egchel. De inrichting is gelegen nabij de Natura 2000gebieden "Leudal”, “Swalmdal’, "Groote Peef’ en “Deumsche Peel en Mariapeel’. De aanvraag is geregistreerd onder nummer 2014-0012. Op 30 juni 2015 zijn aanvullende gegevens ontvangen.

2.

Procedure en zienswijze

24.

Procedure

De aanvraag wordt afgehandeld met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanvraag om vergunning en een ontwerp van dit

besluit hebben van 5 augustus 2015 tot en met 15 september 2015 voor een ieder ter inzage gelegen in het gouvernement te Maastricht (bibliotheek) en het gemeentehuis van de gemeente Peel en Maas.

Gedurende deze termijn kon een ieder bij het bestuursorgaan schriftelijk dan wel mondeling zienswijzen inbrengen. Het ontwerpbesluit en de kennisgeving konden in genoemde periode tevens worden geraadpleegd via de internetsite van de Provincie Limburg (www.limburg.nl). Binnen de termijn waarin de

aanvraag en het ontwerpbesluit ter inzage hebben gelegen zijn geen zienswijzen ingediend. Op grond van artikel 2, vijfde lid, en/of artikel 2a, vierde lid, van de Nbw 1998, is voor het besluit op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, overeenstemming vereist met het/de

college(s) van Gedeputeerde Staten van alle provincies waarin (delen van) Natura 2000-gebieden zijn gelegen waarvoor het aangevraagde project/de aangevraagde andere handeling gevolgen kan hebben. Het aangevraagde project/de aangevraagde andere handeling kan gevolgen hebben voor (delen van)

Natura 2000-gebieden gelegen in de provincies Noord-Brabant. Met het college van Gedeputeerde Staten van voornoemde provincie bestaat overeenstemming over het voorliggende besluit. 22.

_

Zienswijzen ten aanzien van de aanvraag

Ter voldoening aan het bepaalde in artike! 44, tweede en derde d, van de Nbw 1998 hebben wij het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Peel en Maas in de gelegenheid gesteld hun zienswijze naar voren te brengen over de aanvraag. De gemeente Peel en Maas heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een zienswijze naar

voren te brengen met betrekking tot deze aanvraag.

Zaaknummer:

2015/71566

2

3.

Beoordelingskader en de beschermde gebieden

31.

Natuurbeschermingswet 1998

Artikel 19d van de Nbw 1998 heeft betrekking op de vergunningplicht in verband met Natura 2000-

gebieden (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden) binnen en buiten Nederland. Op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor de uitvoering van projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van

soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een signíficant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten.

Bij het beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw

1998 dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 19e van de Nbw 1998 rekening te worden gehouden met de gevolgen die een project of andere handeling kan hebben gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken Natura 2000-gebied. Tevens kan rekening worden

gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, alsmede met regionale en lokale bijzonderheden.

Voor zover een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw voorziet in een project of andere handeling welke stikstofdepositie veroorzaakt op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, is van belang dat op 1 juli 2015 de Programmatische Aanpak

Stikstof (PAS) in werking is getreden. De PAS bestaat uit een wijziging van de Nbw 1998, alsmede uit het Besluit grenswaarden programmatische aanpak stikstof, de Regeling programmatische aanpak stikstof en het desbetreffende programma. Doel van de PAS is het vinden van evenwicht tussen

ecologie en economie. Daartoe bevat de PAS enerzijds maatregelen die leiden tot een (verdere) afname van stikstofdepositie en het op een redelijke termijn behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de in de PAS opgenomen Natura 2000-gebieden. Anderzijds komt

via de PAS een gedeelte van de met de maatregelen bereikte afname van stikstofdepositie weer beschikbaar voor nieuwe economische ontwikkelingen die stikstofdepositie veroorzaken op voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden. De PAS voorziet voor aanvragen om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 die zijn ingediend vóór 1 juli 2015, in overgangsrecht. Zo volgt uit artikel 67a van de Nbw 1998 dat de artikelen 19km, 19kn en 19ko onder omstandigheden niet van toepassing zijn op deze categorie vergunningaanvragen. Daarnaast kent het vierde lid van 19km van de Nbw 1998 voor deze aanvragen een specifieke uitzondering op het in het derde lid van dezelfde bepaling opgenomen externe salderingsverbod voor projecten en andere handelingen die betrekking hebben op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer en stikstofdepositie veroorzaken op een

in de PAS opgenomen Natura 2000-gebied. Als resultaat van een en ander is het regime van de PAS voor een belangrijk gedeelte niet van toepassing op vergunningaanvragen als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 die weliswaar voorzien in het veroorzaken van stikstofdepositie op een in

de PAS opgenomen Natura 2000-gebied, maar zijn ingediend vóór 1 juli 2015.

Zaaknummer:

2015/71566

3

Met inachtneming van het vorenstaande en de huidige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geldt voor de beoordeling van aanvragen om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 die voorzien in het veroorzaken van

stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige Natura 2000-gebieden én vallen onder het overgangsrecht van de PAS, in zoverre het volgende. Voor zover een zodanige vergunningaanvraag voorziet in het veroorzaken van stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Habitatrichtlijngebied, kan de vergunning in zoverre worden verleend indien voor de

exploitatie van de inrichting niet eerder een vergunning op grond van de Nbw 1998 of de Natuurbeschermingswet (oud) is verleend én de aanvraag niet voorziet in een toename van stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats ten opzichte van de situatie met de laagst toegestane ammoniak/NOx-emissie op grond van de Wet milieubeheer of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de periode tussen 7 december 2004 en de datum waarop wordt besloten op de

aanvraag (= de referentiesituatie). Voorziet bedoelde aanvraag ten opzichte van voornoemde referentiesituatie (wel) in een toename van stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Habitatrichtlijngebied en is sprake van een project, dan dient ingevolge artikel 19f van de Nbw 1998 een

passende beoordeling te worden overgelegd. In een zodanige situatie kan de aangevraagde vergunning

in zoverre uitsluitend worden verleend indien door middel van een rechtsgeldige externe saldering, andere mitigerende (beheer)maatregelen of een adequate ecologische onderbouwing uit deze passende beoordeling blijkt dat significante effecten op het betreffende Habitatrichtlijngebied zijn uitgesloten casu quo de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zullen worden aangetast. Voor zover een vergunningaanvraag als hier bedoeld voorziet in het veroorzaken van stikstofdepositie op een Vogelrichtlijngebied, dan is het hiervoor gestelde in relatie tot Habitatrichtlijngebieden van overeenkomstige toepassing. Dit laatste met dien verstande dat als referentiesituatie geldt de situatie met de laagst toegestane ammoniak/NOx-emissie op grond van de Hinderwet, de Wet milieubeheer of de Wet

algemene bepalingen omgevingsrecht in de periode tussen de datum waarop het desbetreffende gebied ter uitvoering van de Vogelrichtlijn is aangewezen en de datum wordt besloten op de

vergunningaanvraag. Let wel: in voorkomend geval dat een Vogelrichtlijngebied is aangewezen vóór 10 juni 1994, dient 10 juni 1994 als begindatum van de bij de referentiesituatie aan te houden periode te worden gehanteerd.

Overigens kán bij de beoordeling van vergunningaanvragen als bedoeld in de artikelen 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 die (mede) voorzien in het veroorzaken van stikstofdepositie op een Limburgs Vogelrichtlijngebied, de door ons college bij besluit van 27 november 2012 vastgestelde Beleidslijn

“Toetsing stikstofdepositie bij Limburgse Vogelrichtlijngebieden” (verder: de beleidslijn) n aanmerking worden genomen. Voorziet de betreffende vergunningaanvraag in een project en wordt deze beleidslijn in aanmerking genomen, dan dient aan de hand van een aan deze beleidslijn gerelateerde passende beoordeling te worden aangetoond dat voor zover de vergunningaanvraag voorziet in een (tijdelijke) toename van stikstofdepositie op één of meer Limburgse Vogelrichtlijngebieden bedoelde toename in de

vorm van een externe saldering of anderszins wordt gemitigeerd. Volgens de beleidslijn geldt daarbij in de regel als toetsmoment 7 december 2004, hetgeen tevens veronderstelt dat in voorkomend geval dat extern wordt gesaldeerd, dit dient plaats te vinden met ammoniak/NOx-rechten die op deze datum bij de saldogevende locatie(s) aanwezig waren op grond van de Hinderwet of de Wet milieubeheer.

Zaaknummer:

2015/71566

4

De beleidslijn “Toetsing stikstofdepositie bij Limburgse Vogelrichtlijngebieden” maakt als bijlage 2 onderdeel

uit van dit besluit.

Wordt een vergunningaanvraag (mede) beoordeeld op grond van de artikelen 19e U/m 19h van de Nbw

1998, dan dient er verder op grond van huidige jurisprudentie vanuit te worden gegaan dat bij wijziging of uitbreiding van een bestaande inrichting — waarvoor nog niet eerder een vergunning krachtens de Nbw

1998 is verleend — de aanvraag betrekking dient te hebben op de exploitatie van de gehele inrichting na uitbreiding of wijziging. Daarnaast kan aan de hand van recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraken van 5 november 2014, zaaknummer

201401834/1/R6, 19 december 2014, zaaknummers 201110075/4/R4 en 201201853/3/R4) en 11 maart 2015, zaaknummers 201207642/1 en 201307354/1) worden afgeleid, dat in voorkomend geval dat de kritische depositiewaarden reeds worden overschreden een toename van stikstofdepositie niet per

definitie betekent dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000-gebied worden aangetast. Of van een zodanige aantasting sprake is casu quo het aangevraagde project het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen belemmert, dient ook in een dergelijke situatie beoordeeld te worden

aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. Ingevolge artikel 15a, tweede lid, van de Nbw 1998 vervalt een besluit houdende de aanwijzing van een Beschermd Natuurmonument voor zover en met ingang van het tijdstip waarop dat Beschermd Natuurmonument deel uitmaakt van een aangewezen Natura 2000-gebied (Vogelrichtlijngebied of

Habitatrichtlijngebied). Indien met toepassing van artikel 15a, tweede lid, van de Nbw 1998 een besluit ‘houdende de aanwijzing van een natuurmonument als Beschermd Natuurmonument geheel of gedeeltelijk is vervallen, heeft de instandhoudingsdoelstelling voor het op grond van artikel 104, eerste lid, aangewezen Natura 2000-gebied mede betrekking op de doelstellingen ten aanzien van het behoud, herstel en ontwikkeling van het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het gebied zoals bepaald in het vervallen besluit (zie artikel 15a, derde lid, van de Nbw 1998). 32.

3.21.

De kenmerken van de beschermde gebieden

_ Gebiedsbeschrijving Leudal

Natura 2000 Landschap

:Beekdalen

Status Gemeente

:Habitatrichtlijn :Leudal

Oppervlakte

:circa 315 ha.

Gebiedsbeschrijving

Bij brief van 19 mei 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het natuurgebied Leudal aangemeld bij de Europese Commissie als speciale beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG. Het besluit Natura 2000-gebied Leudal, inhoudende de aanwijzing als speciale

beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG, is per 7 mei 2013 definitief geworden. Het Leudal omvat de dalen van een aantal beken die vanuit de Roerdalslenk naar het dal van de Maas

stromen. Door het hoogteverschil zijn de beken diep ingesneden en is de stroomsnelheid van het water vrij groot. Zaaknummer:

2015/71566

5

De kern van het beekdal wordt gevormd door twee meanderende beken, de Zelsterbeek of Roggelsebeek en de Leubeek of Tungelroysebeek. Met name de Zelsterbeek is voor een groot deel aan kanalisatie ontkomen, ditzelfde geldt voor het stroomafwaartse deel van de Leubeek. De genormaliseerde trajecten van beide beken zijn in 2000 weer meanderend gemaakt. De vegetatie rondom de beken is zeer gevarieerd. De afgesneden meanders van de beken herbergen soortenrijke moerasvegetaties. Ten oosten van het klooster liggen veldrusschraallanden. De natte tot vochtige bossen behoren tot het elzenbos, vogelkers-essenbos en haagbeukenbos. Lokaal komen gagelstruwelen en

berkenbroekbossen voor. Hoger op de gradiënt, op de flanken van de beekdalen, bestaan de bossen uit eiken-beukenbossen, eiken-berkenbossen en naaldbossen.

Plaatselijk komen matig voedselrijke tot

voedselrijke graslanden voor en zijn enkele heideterreintjes aanwezig. Aangewezen habitattypen en -soorten met bijbehorende instandhoudingsdoelen Leudal is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen zoals opgenomen in bijlage I van

Richtljn 92/43/EEG; prioritaire typen zijn aangeduid met een sterretje (*): »

_H3260A Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels): uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

- _ H9160A Eiken-haagbeukenbossen (hogere zandgronden): uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit Eiken-haagbeukenbossen.

-

H91E0C *Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen): uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Leudal is aangewezen voor de volgende soort zoals opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG: =

H1337 Bever: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

3.2.2.

_ Gebiedsbeschrijving

Swalmdal

Natura 2000 Landschap

:Beekdalen

Status

:Habitatrichtlijn

Gemeente

:Beesel, Roermond

Oppervlakte

:circa 122 ha.

Gebiedsbeschrijving

Bij brief van 19 mei 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het natuurgebied Swalmdal aangemeld bij de Europese Commissie als Speciale beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206). Het besluit Natura 2000-gebied Swalmdal, inhoudende de aanwijzing als speciale beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG, is per 4 juni 2013 definitief geworden. De Swalm is een meanderende beek in Midden-Limburg, diep ingesneden in het Maasterrassenlandschap. De beek ligt op de overgang van het plateau tussen Maas en Riijn naar het Maasdal. Op

diverse plaatsen aan de voet van de terrassen treedt kwel op en ontspringen bronnetjes. Hier zijn soortenrijke elzenbroekbossen ontstaan

Zaaknummer:

2015/71566

6

In de beek komt de gemeenschap van vlottende waterranonkel voor. Het gebied bestaat verder uit rietlanden, moeras, vochtige graslanden, plaatselijk inunderende hooilanden, bosjes en struwelen. Verder

behoort ook een stroomdalgrasland nabij de Maas tot het gebied. Aangewezen habitattypen en —soorten met bijbehorende instandhoudingsdoelen Het Swalmdal s aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen zoals opgenomen in bijlage | van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire habitattypen zijn aangeduid met een sterretje (*): = _ H3260A Beken en rivieren met waterplanten (Waterranonkels): behoud opperviakte en kwaliteit. - _ H6120 *Stroomdalgraslanden: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. = _ H91E0C *Vochtige alluviale bossen (Beekbegeleidende bossen): uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Het Swalmdal is aangewezen voor de volgende soorten zoals opgenomen in bijlage I! van Richtlijn 92/43/EEG:

= * =

H1016 Zeggekorfslak: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. _ H1163 Rivierdonderpad:behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie. H1337 Bever: behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.

3.2.3.

_ Gebiedsbeschrijving Groote Peel

Natura 2000 Landschap

:Hoogvenen

Status

:Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn

Gemeenten

:Asten, Nederweert, Peel en Maas

Oppervlakte

:circa 1.410 ha.

Gebiedsbeschrijving

Bij besluit van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 29 oktober 1986 (J.4755; Stcrt. 1986, nr. 214) is natuurgebied Groote Peel aangewezen als Speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogelrichtlijn, richtlijn 78/409/EEG.

Bij brief van 19 mei 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het natuurgebied Groote Peel aangemeld bij de Europese Commissie als Speciale beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn, richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992

inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206). Het besluit Natura 2000-gebied Groote Peel, inhoudende de aanwijzing als speciale beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG en Vogelrichtlijn 79/409/EEG, i per 10 september 2009 definitief geworden. De Groote Peel vormt tezamen met de nabijgelegen Deurnsche Peel en Mariapeel het restant van wat

eens een uitgestrekt oerlandschap was van levend hoogveen. Deze peelhoogvenen werden grotendeels afgegraven tot op de zandondergrond. De Groote Peel is samen met de Deurnsche Peel en Mariapeel de

zuidelijkste representant van de vlakke subatlantische hoogvenen, die elders en ook in de Peelregio door afgraving, ontginning en verveningen grotendeels zijn verdwenen. In de Groote Peel is n het verleden wel turf gewonnen, maar het gebied is vervolgens niet n cultuur gebracht. Het Brabantse deel is machinaal verveend waardoor er nauwelijks een puttenstructuur aanwezig is. Het Limburgse deel is grotendeels met de hand verveend, waardoor een groot areaal veenputten aanwezig is. Door erosie van de resterende hoge delen is de puttenstructuur vaak onduidelijk. Zaaknummer:

2015/71566

4

De Groote Peel is een open en uitgestrekt gebied dat wordt gekenmerkt door een complex van hogere horsten en lager gelegen slenken. Het gebied kent daardoor een grote landschappelijke afwisseling van open vochtige en droge heideterreinen, pijpestrootjessavannen, struwelen en bosjes en moerassige laagten met veenputten en plaatselijk bossen en natte heiden. Door eerdere vernattingsmaatregelen zijn verschillende grote plassen ontstaan. In enkele veenputten vindt veengroei plaats.

Jaarlijks worden in het gebied van de Groote Peel circa 150 vogelsoorten waargenomen waarvan circa 95 soorten als broedvogel. Zeer belangrijk is het voorkomen van Zwarte stern, Kleinst en Klein Waterhoen, Porseleinhoen, Geoorde fuut, Roerdomp, Blauwborst, Bruine kiekendief, Wespendief,

Kwartel en Waterral. In winter- en trektijd wordt het gebied bevolkt door vele soorten steltlopers en eenden. Het gebied is bekend als pleisterplaats voor doortrekkende Kraanvogels terwijl in de

winterperiode ca. 3.000 Rietganzen de Groote Peel als overwinteringsgebied gebruiken. Aangewezen habitattypen en -soorten en bijbehorende instandhoudingsdoelen De Groote Peel is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen zoals opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG: = _ H4030 Droge heiden: behoud oppervlakte en kwaliteit.

= _ H7120 Herstellende hoogvenen: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. De Groote Peel is aangewezen voor de volgende soorten zoals opgenomen in bijlage I van de Vogelrichtlijn: = _ A119 Porseleinhoen: uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 5 paren.

A127 Kraanvogel: behoud omvang en kwaliteit Ieefgebied. A272 Blauwborst: behoud omvang en kwaliteit Ieefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 200 paren.

Verder is de Groote Peel aangewezen voor de volgende andere geregeld voorkomende trekvogels waarvoor het gebied van betekenis is als broed-, rui- en/of overwinteringsgebied en rustplaatsen biedt in hun trekzones (artikel 4.2): = A004 Dodaars: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren. * AO08 Geoorde Fuut: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 40 paren.

A039 Taigarietgans: behoud omvang en kwaliteit leefgebied. = _ AO39 Toendrarietgans: behoud omvang en kwaliteit Ieefgebied. A041 Kolgans: behoud omvang en kwaliteit leefgebied. = A276 Roodborsttapuit: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 80 paren.

Zaaknummer:

2015/71566

Beschermd

Natuurmonument

Het voormalig Beschermd Natuurmonument en staatsnatuurmonument Groote Peel valt in het geheel binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied Groote Peel. Ingevolge artikel 15a, tweede en derde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 vervalt van rechtswege de status van de benoemde natuurmonumenten.

Het Beschermd Natuurmonument Groote Peel is aangewezen op 13 november 1990 (NMF-90-8848;

Stcrt. 1990, nr. 235). Het Staatsnatuurmonument Groote Peel is aangewezen op 13 november 1990 (NMF-90-8858; Stcrt. 1990, nr. 235).

3.2.4.

_ Gebiedsbeschrijving Deurnsche Peel en Mariapeel

Natura 2000 Landschap

:Hoogvenen

Status

:Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn

Gemeenten

:Deurne, Horst aan de Maas, Venray

Oppervlakte

:circa 2.736 ha.

Gebiedsbeschrijving Bij brief van 19 mei 2003 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het natuurgebied Deurnsche Peel en Mariapeel aangemeld bij de Europese Commissie als Speciale beschermingszone in het kader van de Habitatrichtljn, richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen

van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206). Bij besluit van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 12 mei 1992, kenmerk J. 927234

is natuurgebied ‘Deurnese Peelgebieden’ aangewezen als Speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogelrichtlijn, richtlijn 79/409/EEG. Bij besluit van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 29 oktober 1986, kenmerk J. 4755 is natuurgebied ‘Mariapeel’ aangewezen als Speciale

beschermingszone als bedoeld in de Vogelrichtlijn, richtlijn 79/409/EEG. Het besluit Natura 2000-gebied Deurnsche Peel en Mariapeel, inhoudende de aanwijzing als speciale beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn 92/43/EEG en Vogerichtlijn 79/409/EEG, is per 10 september 2009 definitief geworden. Het gebied bestaat uit de drie deelgebieden Deurnsche Peel, Mariapeel en Grauwveen. Tezamen met de nabijgelegen Groote Peel zijn het restanten van wat eens een uitgestrekt oerlandschap was van levend

hoogveen.

Deze peelhoogvenen werden grotendeels afgegraven tot op de zandondergrond. Deze

gebieden zijn de zuidelijkste representanten van de vlakke subatlantische hoogvenen, die elders en ook in de Peelregio door afgraving, ontginning en verveningen grotendeels zijn verdwenen. Door de

verschillende verveningsgeschiedenis van de onderdelen van het gebied is er een grote en fijnschalige variatie in vegetatie en landschap, met gradiënten naar iets mineraalrijker milieu. In de oudste veenputten

is al lange tijd sprake van hoogveengroei op miniatuurschaal. Op de grote restveeneenheden is nog een relatief grote veendikte aanwezig, waarop door herstelbeheer inmiddels ook op verschillende plaatsen ontwikkeling van hoogveenbegroeiingen plaats vindt.

Zaaknummer:

2015/71566

9

In Noord-Brabant liggen de deelgebieden de ‘eigenlijke’ Deurnese Peel, Liesselse Peel (westelijk van het Kanaal van Deurne) en Helenapeel, en los daarvan een drietal kleinere deelgebieden de Bult in het noordwesten, de Heitrakse Peel en Het Zinkske in het zuiden.

In de Deurnsche Peel is tot in de jaren zeventig turf gewonnen, de sporen hiervan zijn nog duidelijk

zichtbaar. In sommige oude turfputten zijn goed ontwikkelde hoogveenvegetaties te vinden. Het gebied bestaat uit een complex van fragmenten levend hoogveen, beginstadia van regenererend hoogveen, natte heide op rustend hoogveen en droge heide op minerale gronden, opgaand loof- en naaldbos, graseen bouwianden en open water (sloten, kanalen en plassen). Het gebied aan de Limburgse kant wordt ook de Mariapeel genoemd en bestaat uit vier complexen

(Grauwveen, Driehonderd Bunders, Horster Driehoek, Mariaveen). Het landschap kenmerkt zich door een rijke afwisseling van onder andere hogere, droge en lage, vochtige heideterreinen en moerasachtige gedeelten, open en gesloten bossen, veenputten, wijken, vennen en open water. Het Mariaveen is een

open heidegebied met enkele zandruggen. Na hersteimaatregelen in de jaren negentig herstelt het hoogveen zich weer. Grauwveen bestaat uit een complex van fragmenten levend hoogveen, beginstadia

van regenererend hoogveen, droge en vochtige heide, moeras en opgaand loofbos. Er zijn turfgaten aanwezig. Het Mariaveen is een open heidegebied met enkele zandruggen. Na herstelmaatregelen in de jaren negentig herstelt het hoogveen zich weer. Aangewezen habitattypen en -soorten en bijbehorende instandhoudingsdoelen De Deurnsche Peel en Mariapeel is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen zoals

opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire habitattypen zijn aangeduid met en sterretje : = _ H4030 Droge heiden: behoud oppervlakte en kwaliteit. = H7110A ‘Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap): uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. - _ H7120 Herstellende hoogvenen: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. Enige achteruitgang in

oppervlakte ten gunste van habitattype actieve hoogvenen, hoogveenlandschap (H7110A), is toegestaan.

De Deurnsche Peel en Mariapeel is aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 79/409/EEG: = A127 Kraanvogel: behoud omvang en kwaliteit leefgebied. = _ A224 Nachtzwaluw: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 3 paren. = _ A272 Blauwborst: behoud omvang en kwaliteit Ieefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 350 paren.

Het gebied is aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG: =

_ A004 Dodaars: behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van ten minste 35 paren.

- _ AO39 Toendrarietgans: behoud omvang en kwaliteit eefgebied. =

A041 Kolgans: behoud omvang en kwaliteit leefgebied.

= _ A276 Roodborsttapuit:

behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een

populatie van ten minste 120 paren.

Zaaknummer:

2015/71566

10

Beschermde

Natuurmonumenten

De voormalige Beschermde Natuurmonumenten en Staatsnatuurmonumenten Deurnse Peel, Grauwveen en Mariapeel vallen geheel binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Ingevolge artikel 15a, tweede en derde lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 vervalt van rechtswege de status van de genoemde natuurmonumenten.

Het Beschermd Natuurmonument Deurnse Peel is aangewezen op 11 december 1980 (NLB/N-43947; Stcrt. 1981, nr. 21). Het Beschermd Natuurmonument Grauwveen is aangewezen op 26 maart 1984 (NLB/GS/GA-586; Stort. 1984, nr. 65).

Het Staatsnatuurmonument Deurnse Peel is aangewezen op 8 mei 1981 (NLB/BB/GA-41654; Stcrt. 1981, nr. 103). Het Staatsnatuurmonument Mariapeel is aangewezen op 21 september 1976 (NLB/N22663; Stcrt. 1976, nr. 188).

Zaaknummer:

2015/71566

11

4.

Overwegingen

41.

Aanvraag

Wakking op het oprichten en exploiteren van een varkenshouderij van

Iegen op de locatie De Horsten 20 te Egchel. Er wordt vergunning gevraagd voor de situatie als weergegeven in tabel 1. Emissie

Type Code Stal Biggenopfok (gesp. biggen) D1.1.15.4.2 Opfokzeugen D3.2.1542 Kraamzeugen (inc!. biggentotspenen) _ D 1.2.17.4 Dekberen, 7 maanden en ouder D244 Guste en dragende zeugen D1.3.124 Vleesvarkens D3.215.4.2

(kgNHs/dier/

Aantaldieren _ jaar) 6.240 300 300 4 980 12.480 Totaal

01 0,53 125 0,83 0,63 0,53

_ Totaal (kg NHs/

jaar)

686,4 159,0 375,0 33 617,4 66144 8.455,5

Tabel 1 aangevraagde situatie

De ‘Code Stal' in tabel 1 en volgende betreft de code zoals opgenomen in de bijlage behorende bij de Regeling ammoniak en veehouderij, zoals laatstelijk gewijzigd 8 juni 2015 (Staatscourant 2015, nr. 15020). 42.

_

Habitatrichtlijngebieden

De Habitatrichtlijngebieden “Leudal”, “Swalmdal’, “Groote Peel" en “Deurnsche Peel en Mariapeel” zijn op 7 december 2004 aangewezen als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn en tevens op de

lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. 42.1. _ Uitgangssituatie Habitatrichtlijngebieden “Leudal”, “Swalmdal”, “Groote Peel” en “Deurnsche Peel en Mariapeel” De situatie op 7 december 2004 was zodanig dat nog geen bedrijfsactiviteiten plaatsvonden op de locatie Horsten 20 te Egchel. Daarom geldt een emissie van O kg NH:/ jaar als referentiesituatie. 42.2.

_ Externe saldering Habitatrichtlijngebieden

Uit de overgelegde passende beoordeling blijkt dat de aanvrager ter mitigatie van de in de aanvraag voorziene toename van stikstofdepositie op de Habitatrichtlijngebieden “Leudal”, “Swalmdal”, “Groote Peel en “Deumsche Peel en Mariapeel” ten opzichte van de op 7 december 2004 voor de inrichting

vigerende vergunning verleend onder de Wet milieubeheer, ammoniakrechten heeft opgekocht van de locaties Keup 3 te Helden, Visdijk 3 te Nederweert-Eind, Hub 1 te Egchel en Melkweg 11 te Egchel

Zaaknummer:

2015/71566

12

Voor de opgekochte ammoniakrechten van de saldogevende locaties, zoals weergegeven in tabel 2, bestond blijkens de bij besluiten van 17 maart 1998, 1 juli 1997, 21 mei 2002 en 29 augustus 2000 onder de Wet milieubeheer verleende vergunningen, toestemming op 7 december 2004. Ook sinds 7 december 2004 heeft voor deze opgekochte ammoniakrechten onverkort toestemming bestaan bij of krachtens de Wet milieubeheer of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Tussen de in de aanvraag voorziene toename van stikstofdepositie op voornoemde

Habitatrichtlijngebieden en de afname van stikstofdepositie op deze gebieden als gevolg van de voorgestelde saldering, bestaat directe samenhang. Relevant in dit verband is mede dat de onder de Wet milieubeheer verleende vergunningen, voor de saldogevende locaties, ter hoogte van de opgekochte ammoniakrechten daadwerkelijk zijn ingetrokken ten gunste van de voorliggende aanvraag. Dit blijkt uit de desbetreffende intrekkingsbesluiten, van 6 november 2012, 28 juni 2015, 28 december 2012, 16 juni 2015, en de tussen aanvrager en de exploitanten van de saldogevende locaties op 11 september 2012, 26 juni 2015, 23 december 2013, 20 mei 2015 gesloten overeenkomsten, waarin de ter mitigatie van de toename opgekochte ammoniakrechten zijn vastgelegd. Emissie

Type

(kg NH3/dier/

_ Totaal (kg NH3/

Code Stal

Aantaldieren _ jaar)

jaar)

D321.1

2.000

3,00

6.000,0

D1.1.10.2

1.720

0,23

395,6

120 236 184

2,50 2,50 1,30

300,0 590,0 239,2

Keup 13 te Helden

Vleesvarkens Hub 1 te Egchel Biggenopfok (gesp. biggen)

Kraamzeugen (incl. biggentot spenen) _ D 1.2.11 Guste en dragende zeugen 0133 Guste en dragende zeugen 0137 Dekberen, 7 maanden en ouder

D22

2

1,70

34

Opfokzeugen

D3.2.92

10

1,10

110

03214

398

3,00

1.194,0

F4.100

2.059

0,68

1.400,1 10.133,3

Melkweg 11 te Egchel

Vleesvarkens Visdijk 3 te Nederweert-Eind

Vleeskalkoenen Intrekking 4 saldogevende locaties

Totaal

Tabel 2 intrekking/vervallen ammoniakrechten Keup 3 te Helden, Visdijk 3 te Nederweert-Eind, Hub

1 te

Egchel en Melkweg 11 te Egchel

Zaaknummer:

2015/71566

13

43. _ Vogelrichtlijngebieden Het Vogelrichtlijngebied ‘Deurmnsche peel en Mariapeel' is op 29 oktober 1986 (Mariapeel) en op 12 mei

1992 (Deurnsche Peelgebieden) en het Vogelrichtlijngebied 'Groote Peel is op 29 oktober 1986 aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn. Mede gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 september

2011 (zaaknummer 201003301/4/R2), geldt als referentiedatum met betrekking tot stikstofdepositie op voornoemde gebieden 10 juni 1994. 43. _ Uitgangssituatie Vogelrichtlijngebieden “Groote Peel” en “Deurnsche Peel en Mariapeel”

De situatie op 10 juni 1994 en op 7 december 2004 was zodanig dat nog geen bedrijfsactiviteiten plaatsvonden op de locatie Horsten 20 te Egchel. Daarom geldt een emissie van 0 kg NH:/ jaar als referentiesituatie.

Vastgesteld dient te worden dat de aanvraag voorziet in een toename van stikstofdepositie op de

Vogelrichtlijngebieden “Groote Peel” en ‘Deurnsche Peel en Mariapeel” ten opzichte van de situatie op 10 juni 1994 alsmede de situatie op 7 december 2004 voor de beoogde locatie van aanvrager. Gezien de bij

de aanvraag behorende passende beoordeling en de betrokken beleidslijn “Toetsing stikstofdepositie bij Limburgse Vogelrichtlijngebieden”, kan met betrekking tot Vogelrichtlijngebied “Deurnsche Peel en Mariapeel” de situatie op 7 december 2004 als referentiesituatie worden genomen en bestaat — mede

gelet op onderstaande saldering - de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van voornoemde Vogelrichtlijngebieden niet zullen worden aangetast. 43.2. _ Externe saldering Vogelrichtlijngebied Uit de overgelegde passende beoordeling blijkt dat de aanvrager ter mitigatie van de in de aanvraag voorziene toename van stikstofdepositie op de Vogelrichtlijngebieden “Groote Peel” en “Deurnsche Peel

en Mariapeel ten opzichte van de bedrijfssituatie op 7 december 2004, ammoniakrechten heeft opgekocht. 44.

_

Deze saldering is beschreven onder paragraaf 4.2.2. Effecten op de beschermde natuurgebieden

De inrichting ligt nabij onderstaande beschermde gebieden: Naam gebied

Afstand in km

Leudal

56

Swalmdal

74

Groote Peel

80

Deumsche Peel en Mariapeel

74

Tabel 3 afstand tot de beschermde gebieden

Zaaknummer:

2015/71566

14

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag wordt getoetst of het project dan wel de andere handeling, gelet op de instandhoudingsdoelstelling(en), de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van

soorten kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor de gebieden zijn aangewezen. Zure depositie leidt in voedselarme milieus, zoals die aanwezig zijn in de nabij gelegen natuurgebieden, tot verrijking van het milieu (vermesting). Tevens neemt de zuurgraad toe (verzuring). Deze processen hebben een negatieve invloed op de natuurwaarden. Het verspreidingsmodel Pluim Plus (versie 4.4), waarmee de stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden kan worden berekend, houdt rekening met de feitelijke omstandigheden van de veehouderijbedrijven en de windrichting. Door de invoer van de feitelijke gegevens van de gebouwen (stallen), zoals onder andere staltype, gebouwhoogte, uittreedsnelheid en het aantal dieren, kan het rekenmodel een (relatief) nauwkeurige weergave maken van de stikstofdepositie op de nabij gelegen natuur.

Om een goed beeld te krijgen van de depositie op de Natura 2000-gebieden is, gebruikmakend van het computermodel Pluim Plus (versie 4.4), de depositie berekend op verschillende punten. Het dichtstbijzijnde punt per gebied hebben wij overgenomen in tabel 4 (zie ook bijlage 1). Weergegeven is de depositie in de bestaande en aangevraagde situatie. Depositie

Depositie

aangevraagde

uitgangssituatie

_ situatie

(molN/ha/jaar)

Afname

Naam

X-coördinaat

Y-coördinaat

(molN/ha/ jaar)

Leudal

193 752

363 163

23

14

09

Swalmdal

198662 _ 363288

19

11

08

Groote Peel

187 841

373575

18

12

06

Deumsche Peel en Mariapeel

190 367

375 226

21

13

08

Tabel 4 depositie op de beschermde gebieden

Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van de aangevraagde situatie n voornoemde beschermde gebieden niet toeneemt. Uit de aanvraag blijkt verder dat er geen andere - niet aan stikstofdepositie gerelateerde - negatieve effecten (zoals geluid, trilingen, licht, grondwaterstand-/grondwaterkwaliteitveranderingen etc.) te

verwachten zijn die de natuurlijke kenmerken van voornoemde beschermde gebieden kunnen aantasten.

Zaaknummer:

2015/71566

15

45.

Conclusie

‘Op grond van bovenstaande beoordeling concluderen wij dat gelet op de instandhoudingdoelstellingen

onderhavige door

laangevraagde

activiteiten voor d

veroorzaken op de betrokken Natura 2000-gebieden.

Het natuurschoon en de natuurwetenschappelijke

betekenis zullen geen negatieve gevolgen ondervinden, mits deze vergunning en de daaraan verbonden voorschriften worden nageleefd. Tegen deze achtergrond is vergunningverlening voor de aangevraagde activiteiten in overeenstemming met het bepaalde in de Natuurbeschermingswet 1998.

Zaaknummer:

2015/71566

16

5.

Besluit

Gelet op het bepaalde in de Natuurbeschermingswet 1998 en voorgaande overwegingen, besluiten wij

1.

aan —

een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 te

verlenen voor het n de nabijheid van de Natura 2000-gebieden “Leudal”, “Swalmdal’, “Groote

Peel’ en “Deumsche Peel en Mariapeel” oprichten en exploiteren van een varkenshouderij zoals aangevraagd d.d. 24 december 2013 met kenmerk 2014-0012 op de locatie De Horsten 20 te Egchel;

2.

aan de vergunning de beperkingen te stellen en voorschriften te verbinden, zoals opgenomen onder hoofdstuk 7;

3.

6.

dat de aanvraag en de bijbehorende stukken ontvangen op 24 december 2013, aangevuld op 30 juni 2015, deel uitmaken van deze vergunning, behoudens en voor zover daarvan bij dit besluit niet wordt afgeweken.

_ Rechtsbescherming

Als dit besluit uw belang rechtstreeks raakt en u het met de inhoud van dit besluit niet eens bent, kunt u, tegen betaling van de verschuldigde griffierechten, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak

van de Raad van State. U moet dan binnen zes weken na de dag waarop dit besluit ter inzage is gelegd een beroepschrift indienen. Op deze procedure is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het beroepschrift moet worden ondertekend en ten minste bevatten: de naam en het adres van de indiener; de datum; een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht alsmede de redenen van het beroep (motivering). Het beroepschrift moet worden gericht aan: Raad van State; Afdeling

bestuursrechtspraak; Postbus 20019; 2500 EA Den Haag. Als u een beroepschrift heeft ingediend, dan kunt u tevens de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken een voorlopige voorziening te treffen. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de internetpagina van de

Raad van State, www.raadvanstate.nl. Klik op 'ONZE WERKWIJZE'. Klik op ‘Bestuursrechtspraak'

Gedeputeerde Statên van Limburg

istermanager Vergunningen

Zaaknummer:

2015/71566

17

7.

Voorschriften

Aan deze vergunning worden de volgende voorschriften verbonden: .

De vergunning heeft betrekking op het houden van de dieraantallen op de stalsystemen op de locatie De Horsten 20 te Egchel zoals weergegeven in onderstaande tabel: Type

Code

Biggenopfok (gesp. biggen)

D1.1.1542

6.240

Opfokzeugen

D3.21542

300

Kraamzeugen (incl. biggen tot spenen)

D1.2.174

300

Dekberen, 7 maanden en ouder3

D244

Guste en dragende zeugen

D1.3.124

Vleesvarkens

D3.2.15.4.2

stal

Aantal dieren

4

980 12.480

De ‘Code Stal in bovenstaande tabel betreft de code zoals opgenomen in de bijlage behorende bij de Regeling ammoniak en veehouderij, zoals laatstelijk gewijzigd 8 juni 2015 (Staatscourant 2015, nr. 15020).

.

De vergunning heeft betrekking op de emissie van 8.455,5 kg NH; / jaar, resulterend in een stikstofdepositie op de beschermde natuurgebieden, zoals weergegeven in onderstaande tabel: Depositie Naam

X-coördinaat

Y-coördinaat

Leudal

193752

363

163

14

Swalmdal

198 662

363 288

11

Groote Peel

187841

373575

12

Deumsche Peel en Mariapeel

190 367

375

13

Zaaknummer:

2015/71566

226

(mol N/ha/ jaar)

18

8.

_ Afschriften

Een afschrift van dit besluit hebben wij verzonden aan:

s

FarmConsult, Postbus 1, 5830 MA Boxmeer, ter kennisname;

.

Burgemeester en Wethouders van de gemeente Peel en Maas, Postbus 7088, 5980AB Panningen, ter kennisname;

.

Ministerie van Economische Zaken, DG Regio, Postbus 20401, 2500 EK te Den Haag, ter kennisname;

.

Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant, p.a. Omgevingsdienst Brabant-Noord, tLa.v. Groene Wetten Vergunningverlening, Postbus 88, 5430 AB te Cuiijk.

Zaaknummer:

2015/71566

19

Bijlage 1 - Ligging bedrijf en natuurgebieden Legenda

M

Bedrijf

@

Rand natuurgebied

—

Rijsgrens

aser

—— Provinciegrens

B IE

e scherm natuurmonument Vogerichtijngebied

C

Hobtatrihtijngebied

D

Voger on habittrichtijngebied Habtatrihtijngebied

tm

e

e

H Hintelior ? e

#

HargnoorDer

Someren

190367,375226

87841,373575 |

en

D beschermd natuurmonument

D

e D

Oper

Hedeweert

/T

Vogelectzgetief cm Nete

E

(weenzden Busdetergen 8AE

|n

z

| De Horsten20 aanvrager ©

Dess

J di3 sakdegever |

Sorvenen de Boren

e

m

Dietes s

1970712

A

Stanery

5

Vides

|

CR [ e"m waptanp KÒBTbeek __ Welgveg

provincie limburg fi Zaaknummer:

2015/71566

20

j

Bijlage 2

Toetsing stikstofdepositie bij Limburgse vogelrichtlijngebieden

Zaaknummer:

2015/71566

21

Toetsing stikstofdepositie bij Limburgse vogerrichtlijngebieden Provincie Limburg 2012 Versiebeheer: versie p1.0 Datum: 27 november

2012

Disclaimer: Dt rapport s uitsluitend bedoeld als huipmiddel bj het toetsen van stikstofdepositi in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtbij Vogelrichtijngebieden in Limburg. Dit rapport zal worden aangepast als er nieuwe of verbeterde

(welenschappelijke) inzichten ontstaan . De gebruiker van di rapportis zelf verantwoordelijk voor het gebruik van de meest recente versie van dít rapport.

2 Toetsing stkstofdepositie bij vogelichtljngebieden

Deel 1: Beschrijving en onderbouwing toetsing 1. Algemene informatie Deze

notitie

is

gemaakt

als beleidsuitwerking

vogelrichtijnsoorten in Limburg die gebruikt kan

van

het

rapport

Stikstofgevoeligheid

worden bij toetsing van stikstofdepositie

effecten hiervan op Limburgse Vogelchtijngebieden.

van en de

Tevens kan deze notie gehanteerd worden als

bouwsteen, indien een passende beoordeling is vereist stikstofdepositie op één of meer Limburgse Vogelrichtljngebieden.

vanwege

het

veroorzaken

De nofitie geeft per soort aan of en hoe getoetst moet worden en of er mitigerende

van

maatregelen, zoals

saldering, nodig zijn. Deze informatie kan worden gehanteerd b het aanvragen en beoordelen van aanvragen om een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998) en een

omgevingsvergunning in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarbij de natuurtoestemming aanhaakt. Hieronder wordt eerst besproken algemene

welke relatie er Ís {ussen vogels en de stikstofdepositie en volgt

informatie over stikstofdepositie.

Uiteindelik wordt er per soort aangegeven of en hoe

gesaldeerd moet worden, als e niet op andere wijze wordt gemitigeerd.

2. Nuancering gevoeligheid leefgebied Het staat niet ter discussie dat sommige vogelsoorten gevoelig kunnen zijn voor stikstofdepositie in hun leefgebied. Het is echter van belang te beseffen dat de relatie tussen depositie en de kwaliteit van een

gebied

voor

stkstofdeposiie.

een

habitatype

en

De reactiesnelheid van het leefgebied op wijzigingen in de depositi

de soort,

en daarmee

op

de populatie zijn ook traag. vaak langere

veel minder

direct is

dan

de relatie

tussen

Kleine wijzigingen in de depositie zijn niet direct merkbaar maar hebben

tjd nodig om als effect zichtbaar te worden.

Tevens

worden

op dit moment door het

beheer van de terreinen de effecten van stikstofdepositie geheel of grotendeels weggenomen. Het aanwijzingsbesuit geeft aan welke instandhoudingsdoelstelingen

voor de vogelsoorten voor het

betreffende Vogelrchtljngebied worden nagestreefd. Deze zijn geformuleerd als doelsteling voor het leefgebied

“behoud

broedparen" Gekeken

van

omvang

moet dus

en kwalieit

van

daadwerkelijke aantalen zijn een afgeleide daarvan. mede

gekeken

e worden

het

worden of er volioende

leefgebied

met een

dreagkracht

voor

x

leefgebied voor de soort aanwezig is; de

Bij toetsing van Vogelrichtljngebieden dient dus

naar de kwalieit van het leefgebied. Echter als de doelstelingen met

betrekking tot het aantal broedparen gehaald

word,

kan alleen maar geconciudeerd

worden dat er

voldoende leefgebied aanwezig is.

Toetsingstikstofdepositie bi vogelrichtljngebieden

3

In veel gevallen bljkt dat deze instandhoudingsdoelen gehaald

worden

ondanks dat de kriische

depositiewaarde voor het leefgebied wordt overschreden. Het overschrijden van deze waarden kan dus

-in theorie- wel invloed hebben

op de populetiegrootte,

maar de

doelstelingen voor het

betreffende vogelrichtlijngebied zijn meestal zodanig dt ondanks dat de populatie kleiner is dan deze in theorie zou kunnen zijn, de doelen toch gehaald binnen Natura 2000 gebieden ook

worden. Hierbij moet worden opgemerkt dat er

keuzen gemaakt zijn.

Soorten kunnen elkaar

qua leefgebied

uisluiten, dus de doelstelingen zijn tot op zekere hoogte ook het resultaat van een afweging tussen

belangen van verschilende soorten’. geranderen, ondanks

da

Ook kan beheer van het terrein de geschiktheid voor de soort

de kriische depositiewaarde wordt overschreden. Fettlijk is dit een soort

mitgatie (eitelik "passende maatregelen") door beheersmaatregelen. Hiermee is dus aangetoond dat het niet noodzakelijk is om de kriische depositewaarde 1e behalen om toch de

instandhoudingsdoelstelingen uit de aanwijzingsbesluiten?e halen. Bij vogelsoorten is een aantal andere factoren die de geschiktheid van een leefgebied bepalen minstens zo belangrjk. Vaak hebben deze ook een veel grotere en directere impact op de kwaliteit van

het leefgebied. Te denken valt bivoorbeeld aan verstoring

door recreatie (loslopende honden)

tjdens het broedseizoen. Andere belangrijke factoren zijn de Kimatologische omstandigheden. Droogte of strenge winters kunnen een directe weerslag hebben op het aantal broedparen dat n een gebied wordt aangetroffen en n sommige gevallen nog jeren zichtbaar bliven in de populatieomvang, terwij de kwalieit van het Ieefgebied niet veranderdis. Soms

ziet een beheerder zich ook gesteld voor beheerskeuzes die op kort termijn welicht tdelik

ongunstige gevolgen hebben

voor vogelsoorten,

maar die hel leefgebied

op langere termijn wel op

orde houden. Dit kan schommelingen in de aantalen teweegbrengen.

Tot slot vermekden we dat het vaak gaat om trekkende vogelsoorten, afhankeljk zijn van situaties in andere gebieden, ook in het buitenland,

waardoor aantallen ook

waar geen invloed op uit te

oefenenis

l

deze

leefgebied

zaken

kunnen

voldoende

er voor zorgen

op orde is om

dt

binnen

de benodigde

een

Vogefrichtijngebied

aantallen te halen,

de kwalteit van

het

maar dat er toch wisselende

aantalen vogels voorkomen.

Dit benadrukt het belang om niet alleen naar de eantallente kijken maar

ook

geschikt Ieefgebied voorhanden is om de benodigde aantalien te kunnen

vooral of er voldoende

Dit laaste bljkt in alle Limburgse

Vogelichtijngebieden het geval te zijn. Dit valt af te leiden uit

telingen.

Er zijn over het algemeen voor alle soorten

(recente) jaren geweest dat de

aantalen

gehaald

kan

worden.

(miieu)omstandigheden

‘A)

Als

er vanuit

gegaan

worden

dat

voor

niet signifcant verslechterd zijn sinds deze jaren kan du

‚eon zwarle spechisaan bosen gebonden. Hetlalen.

gewenste

de sooren worden

van heide zou daaro gunstigzin

voor deze soort. Echter dt zou ten koste gaan van het Ieefgebied van heide bewoners, zoals de nachtzwal.

7 Ale Lmburgse vogelrichtijngebieden zin defnitef angewezen, de besiuten z

Natura 2000 beslen. Voor de Peelgebieden i dt reeds gebeurd

4 Toetsing stikstofdepositie bij vogelrichtlijngebieden

de

gesteld det

of worden overgenomen in de

aan het vereiste uit het aanwijzingsbesluit voldaan wordt. Om

dit bljvend te garanderen dient er wel

verzekerd te worden dat er geen significante verslechtering van het leefgebied door verhoging van de stkstofdepositie ontstaal In een aantal gevallen zin daarom miigerende maatregelen, bjvoorbeeld in de vorm van saldering,

noodzakelijk.

3. Trends stikstofdepositie De

landelik

verzurende

gehaiveerd.

gemiddelde

deposiie

van

stoffen

is

sinds

1981

het

begin

In

van

de

jaren

—

s

tachig bedroeg de zure depostie, gemiddeld over Nederland, nog 5600 mol per heciar, in 2000 was d

al gedaald naar

3300

2500

en

in

2010

naar

mol

per

hectare. De depositie van verzurende stoffen is de afgelopen dertigjaar vooral afgenomen door de

sterke

reductie

zwaveldioxide.

van

de

_De

uistoot

emissies

en

sterk gedaald.

Het relatieve belang van de

stkstofoxiden)

_

zin

van

stkstofoxiden

stikstofverbindingen

ammoniak

van _

(ammoniak

_

en

in de zuurdepositie, is door

deze onwikelingen toegenomen van 52% ïn

1881

Figuur 1: Landelijk emissieverioop diverse stoffen

minder

naar

70%

in

2010.

e

(bron:

Compendium voor de leefomgeving)

i

e

Er zjn geen redenen om aan te nemen dat in Noord-en Midden-Limburg deze trends wezenlik anders zin veriopen. Welzal het zo zijn dat deze regio in de jaren 80 een hogere depositie had dan het landelijk

gemiddelde, omdat de dichtheid vee, een gevolg van de grofe

aantalen intensieve

veehouderien, n deze regio veel hoger was.

Figuur 1 Landelijk gemiddelde stikstofdeposilie (Bron: RIVM2011)

Het loepassen van

emissiereducerende technieken zal n deze omgevng ook gezorgd hebben voor een snellere daling. Ui de nieuwste depositieberekeningen blkt dat de stistofdeposite n Limburgse

Vogelrichtijngebieden hoger If dan landeljk gemiddeid, maar ook dat deze sterk gedaaid s

? Let op dt is de gemiddekde deposiie over et hele and en beirefldus iet de deposiie n Natura 2000 gebieden Toetsing stikstofdepositie

vogerictljngebieden

5

4, Significantie en passende beoordeling van stikstofdepositie op Limburgse Vogelrichtlijngebieden Bij de toetsing is het van belang om te bepalen of er mogelijk sprakeis van "significante verslechtering van de habitat van

de soort’.

Is dit

het geval,

dan

dient

op basis

van artikel

Natuurbeschermingswet 1998 een passende beoordeling gemaakt e worden.

19f van

de

De ‘leidraad bepaling

signifcante" gaat hier diepgaand op in.

Fetelijk moeten er verscheidene zaken bekeken worden. De genoemde leidraad gaat erin navolging van het Europese Hof vanuit da er sprake is van significante effecien als er bi vogels sprake is van

1% additionele sterfte.‘ Daarbij is het begrip “veerkracht’ van belang. Vraag die gesteld moet worden is of de popuiatie van de soort en hetleefgebied eerkrachtig genoeg om eveniuele extra sterfte op Ie vangen.

De veerkracht

die het systeem

kent

is op

het gebied

van

effecten

verbeteringen die optreden door de dalng in deposiie gaan dus ook langzaam.

van stistof traag, Aangenomen

mag

worden dat door de dalng in depositie n het vereden en de voorspelde daling in de toekomst deze

verbetering wel zal optreden,

mits het leefgebied voor de soort ook daadwerkelik gevoelig is voor

stikstofdeposiie. 200

2200

2000

100

9-

GrootePeel

-

Weerter e budelerbergen

4

1600

-m 1400

18-

Maasduinen

e Oeurnsepeel Mariapeel

1200

sss

ssNseeres

Figuur 2 Depositieontwikkeling in de VR gebiedenin molhair berekend met AERIUS v 1.4.2 Bij stkstofdepositie zal e geen sprake zijn van direce extra sterfie.Bi stkstofdepositie zal er mogelijk sprake zijn van veranderingen in opperviakte van het leefgebied, of kwaliteit daarvan, wat op langere termijn gevolgen kan hebben voor de populatiegrootte. Deze veranderprocessen gaan zeer geleidelijk Zowel verslechtering door meer depositie als verbetering door verlaging van de depositie gaat zeer

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=45becf53-7167-4c23-ad6c-99d292fccb9f