2025-062 07 Bijlage 4 bij Toelichting - MER bijlagen 27 juni 2023 (geanonimiseerd)
Tekst van het document
geleideljk. Veerkracht moet daarom vooral in het herstellend vermogen van het leefgebied gezocht worden.
“ Norm ondikkeld door het Orris commité
© Toetsing stikstofdepositie bij vogelrichtijngebieden
Uit de rekenmoduie AERIUS
(v 1.42) blikt dat de stikstofdeposiie sinds 2004
Vogelrichtijngebieden is afgenomen.
Uit andeljke
In alle Limburgse
cifers (zie £ 3) bljkt dat in de periode daaraan
voorafgaand ook een daling van deposiie heeft plaatsgevonden. Daamaast blikt det op basis van
scenario's ook in de toekomst de deposiie naar verwachting zal blijven dalen.* Feitelij is daarmee in de scenario's ook rekening gehouden
met de ontwikkelingen in de veehouderisector
gepaard
Er kan dus gesteid worden dat volgens de huidige inzichten er
gaande deposiieonwikkeling.
en de daarmee
sprake is van een langarige daling in deposiie, diein de toekomst door zal gaan. In het rekenmodel AERIUS bedrijven
en
wordt
zitten voor Limburg en Brabant alle bestaande individuele (agrarische)
gerekend
met
omgevingsvergunningen, toegestane een
de
in
de
mileuvergunningen,
Hinderwetvergunningen
of
miieuruimte. D betekent dat as bljkt dat onder de depositie in
bepaald jaar geen significante effecten optreden
(de instandhoudingsdoelsteilingen worden
gehaald), het bestaande gebruik in dat jaar van het bedrif in kwestie is meegenomen en als onderbouwd
beschouwd
kan
worden.
In ale Limburgse Vogelrchtijngebieden zijn in
één of
meerdere jaren de volgens de
instandhoudingsdoelen benodigde aantallen voge!s gehaald. Daarnaast daalt overal de deposite, ook al vindt er economische groei plasts. De
Habiatrichtijn
en daarmee de Natuurbeschermingswet 1998 gaan uit van een strikt preventief
gericht regime. Voorkomen moet worden dat er (significante) negatieve effecten optreden op een Natura 2000. Om dî te bepalen dient de best beschikbare wetenschappelike kennis
gebruikt te zijn.
Als er onvokdoende wetenschappelijke zekerheid is dat effecten niet optreden, dient deze onzekerheid teworden ondervangen. Dit kan bijvoorbeeid door het nemen van miigerende maatregelen. Gelet op bovenstaande gaan wij er, behoudens een {weelal hieronder te vermelden uizonderingen, vanuit dat er sprake is van mogelike
significante effecten door stkstofdepositie als een soort gevoelig
is voor stistofdeposttie en de depostie
door het uitvoeren van het project (tidelik) toeneemt. De
reden hiervan is dat het onderzoek naar de rlatie tussen stkstofdeposttie
en aantalsontwkkeling van
de vogelsoorten nog in de kinderschoenen staat. Derhalve is er geen wetenschappelijk zeker verband 1e geven tussen een bepaalde toename van de deposiie en de (direcie) gevolgen hiervan voor de popuiatie.
Het voorspellen van precieze effecten van stjging van depositie is derhalve op dit moment
niet mogelijk. Uiteraard speelt hierbij ook mee dt er rekening gehouden moet
worden met cumulatie
‚met andere projecten. Het voorzorgsbeginsel noopt er daarom toe om, bj soorten die gevoelig kunnen zijn voor stikstofdepositie,
n principe
n alle gevallen waarin
stikstofdeposiie miigerende maatregelen in de vorm
sprake is van een
loename
van de
van saldering te eisen. Dit geldt ook in de
situaties dat de vogelaantalien ruim gehaald worden. Uiteraard staat het een infiatiefnemer vrij om via een passende beoordeling en eventueel wetenschappelik onderzoek de projecteffecten in beeld 1e brengen en deze op een andere wijze te miigeren.
Aangetoond dient te worden dt er als er sprake is van uibreiding van emissie en deposiie, sprake is van significante verslechiering. Det
kan slechts door
het doen van
een
geen
passende
* AERIUS reken met de bovenramingen van het PBL Dat wi zeggen Gat er igegaan wordt van 2£% econonische groel per aar n de daarmee gepaard gaande stastderisci 'economische groetweel ager igt De
DE betren een wors-case scenan ondet de
utkoensten van het made'zij
een GFPuiabe van de deposiie van ale
NEhcen NOx bronnen.
Toetsing stkstofdepositie bij ogelrichtijngebieden
7
‘beoordeling, omdat mitigerende maatregelen niet b het bepalen van de mogelike signiicantie meegenomen mogen worden. Deze passende beoordeling kan echter bondig gebeuren als wordt aangetoond dat door mitigatie bivoorbeeld in de vorm van saldering de depositie van het bedijf niet z
stjgen. Immers dan wordt voldaan het voorzorgsbeginsel
Bij deze passende beoordeling kan ook gebruik gemaakt worden van andere mitigerende maatregelen ‘dan sakdering. Het kan dan bijvoorbeeld gaan
om (beheer)maatregelen
instandhoudingsdoel (aantallen van een soort) niet in het geding kom
die er voor zorgen dat het
Hierbij s het echter van belang
dat wordt aangetoond dat deze de beoogde effecten hebben en dat er een relatie is met het uitte voeren project.
In een aantal gevalen ligt de popultiegrootte fink boven het gewenste doel. Er zou derhalve betoogd kunnen worden dat een verslechtering met als gevolg een daling van de populatie niet significant hoeft te zijn, zolang het aantal niet daalt onder de doelstelingen uit het aanwijzingsbesluit. Zoals al opgemerkt is de wetenschappelijke kennis over de relatie tussen verandering n stistofdepositie en wizigingen
in de vogelpopuiaties beperkt. De wetenschappelijke zekerheid over deze materie is te
gering om te kunnen stelen dat mitigerende maatregelen
in bovenomschreven situaties overbodig
zin. Slechts
in twee siluaies
bestaat er een
uitzondering
op het uigangspunt dat er sprake is van
mogelike signficante effecten door stkstofdepositie als een soort gevoelig is voor stixstofdepositie en de depositje door het uitvoeren van het project (delk) toeneemt. Het betreft de volgende situaties: 1. de aangevraagde activiteit/wijziging leidt niet tot een toename ten opzichte van de stikstofdepositie waarvoor op de zanwijzingsdatum van het Vogelrichtlijngebied toestemming bestond op grond van de Hinderwet of de Wet miieubeheer (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State van 7 september 2011, zaaknummer 201003301/1/R2); 2. de stikstofdeposttie bedraagt na het uitvoeren van de aangevraagde activiteit/wijziging minder dan de kriische depositiewaarde van het leefgebied van de betreffende soort. s sprake van één
van
deze
uitzonderingen,
dan wordt
er
vanuit
gegaan
dat
geen
spreke is
signifcante effecen en bijgevolg geen noodzaek bestaat tot het opstellen van een passende ‘beoordeling. Dit betekent tevens dat n situaties als deze een uizondering bestaat op de hiervoor toegelichte verplichting om, bij soorten die gevoelig kunnen zijn voor stikstofdepositie, een loename van de stikstofdepositie te mitigeren n de vorm van salderen of anderszins
5. Hoe salderen Indien volgens paragraaf 4 een toename van sikstofdepositie moet worden gemiigeerd, zal dt veelal (moeten) plaatsvinden via saideren. Hieronder wordt daar nader op ingegaen.
8 Toetsing stikstofdepositie bij vogelrichtijngebieden
Rekenmodel
Indien sprake is van een agrarische (punt)bron die ammoniak uitstoot, dient de depositieberekening plaats te vinden met AAgrostacks. Berekeningen ten behoeve van saldering dienen met hetzelfde ‘model plaats te vinden. Mocht er sprake zijn van een ljnbron (wegen) of puntbronnen van NOx dan kan met andere hiervoor
geschikte modellen gerekend worden. Ook hier dient zowel de emissie als de eventuele saldering met dezelfde rekenmodellen gedaan te worden. In het kader van de Programmatische Aanpak Stistof wordt een nieuwe rekenmodule "AERIUS ontwikkeld.
Dit model zal de standaard worden voor stikstofdepositieberekeningen.
I°
Op dit moment is
het model echter nog onvoldoende doorontwikkeld om vergunningsaanvragen mee door te rekenen. Als het model voor deze taken uitontwikkeld en gevalideerd i, zal het AAgrostacks vervangen. Toetslocatie
Voor
een
aantal soorten
wordt
aangegeven
dat het n
principe
nodig
is om
de
toename
van
stkstofdeposii te salderen. Indien voor een soort wordt gemiigeerd in de vorm van saldering kan dit p een van de volgende manieren. 1.
Aangetoond kan worden dat via een saldering op geen enkel punt in het betreffende N2000 gebied een stging van stkstofdepositie plaatsvindt
2.
Meer specifiek kan op het (potentiee!)eefgebied van de betreffende soort worden aangetoond
da er via een saldering geen stiging plaatsvindt. Shapebestanden met de leefgebieden zijn hiertoe beschikbaar Toetsmoment
Omdat in alle gebieden sprake is van een sterk verbeterde depositiesituatie ten opzichte van het
moment van
aanwijzing van het Vogetrichtlijngebied, de cumulatieve deposttie i immers aantoonbaar
ager, kan worden uilgegaan van een toetsmoment dat niet meer op het moment van aanwijzen ligt, maarop een later moment. Terugkijken naar het moment van aanwijzen zou betekenen dat terug
gegaan kan worden naar een hogere depositie. Hiermee zou een verbetering van de natuurijke kenmerken van een gebied teniet gedaan kunnen worden. Toetsen aan een recenter moment wordt ook door de Europese commissie als mogelikheid genoemd n het rapport Beheer van Natura 2000 gebieden” Men stelt dat als er sprakeis van een ‘verbeterde
staat van instandhouding' hier rekening mee gehouden moet worden. Het ligt daarmee voor de hand det als er sprake is van verbetering van factoren die de leefomgeving van soorten mede bepalen, in
dit geval een daling van de stikstofdepositie, hier ook rekening mee gehouden wordt. Voor de Vogelrichtljngebieden kan dît door het kiezen van een recentere toetsingsdatum, waarop sprake was van een lagere stikstofdepositie. Door de onzekerheid rond de precieze effecten en reactietiden van de habiattypen i in feite is elke keuze voor een toetsmoment tot op zekere hoogte arbitrair. Gelet op de beschikbare tel- en trendgegevens is voor de volgende redeneerlijn gekozen.
Toetsing tistofdeposhtie bij vogelrichtijngebieden
9
We gaan uit van 2004 (7 december) als jaar waaraan getoetst moet worden en waaraan
salderingen
gereiateerd moeten worden. Het hanteren van de datum 7 december 2004 als toetsmoment heeft het voordeel dat geen verschillen optreden met toetsing aan de Habitatrichtijndoelen. Dit is met name Televant wanneer een Natura 2000-gebied zowel volgens de Habitatrichtijn als de Vogelichtijn is aangewezen. Daamaast kan het hanteren van 2004 als toetsmoment op onderstaande wijze worden onderbouwd.
In een periode van 5 jaar voor tot 8 jaar na 2004 zij voor alle soorten goede uitspraken te doen over de aantallen brosdparen..
Deze zijn gebaseerd
aanwijzingsbesluiten, die weer gebaseerd karteringen of op gegevens
op de omschriingen uit de (ontwerp)
zijn op het doelendocument, op provinciale (vakdekkende)
van SOVON in sommige
gevallen ondersteund
door andere karteringen of
expertjudgement. Daarmee kan, rekening houdend met natuurljke populatiefiuctuaties en de reactietjd van het Ieefgebied op depositie, een voldoende betrouwbare uitspraak gedaan worden over de beschikbaarheid van leefgebied voor de betreffende soort. Immers als de aantallen gehaald
worden, kan worden gesteld dt voldoende leefgebied aanwezig i in het jaar 2004 In onderstaande tabel zijn voor alle broedvogelsoorten de aantallen in de periode rond 2004 op een r gezet. Op basis van deze tabel concluderen we dat voor alle soorten in 2004 voldoende leefgebied aanwezig was.
Gobied
Soor
Doet; voorx
betgebied
Onderbouwing sanwiingsbesluit
Gemisdeid | Aanvuttendeinto
1992, 1098 316 paren, schattrg voo 10992003 gemiddeld 200
2001 91 paen p Unbrgs grondgetied (geen
| (ontwerp}
20062010
|
mot broedperen
broedparen
Grwieree
|mm
|200
cers voor Brabant dekeng
GrootePee | Dossars
“
Sinds 1000 stoede 40 paren, 2000 en 2008
48n 20072011
“
Grooteree
| Geoorerua
|40
Geparenimiooenas
Groceree
|
|s
Max9
Poreenoen
2008
parenin1991,in
| 14
|0
goede pren S GosePee
| Roodorstapat
| 80
12opaeomiosr,
‘schating voor 1999-
2003,
10 Toetsing stikstofdepostie bij vogerihtljngebieden
00
|169
18
201
s
12008
2007 -