CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-062 06 Bijlage 3 bij Toelichting - MER 27 juni 2023

Raad 28 oktober 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan De Horsten (2025-062)36.830 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Doel van de realisatie van het landbouwontwikkelingsgebied Egchelse Heide is om intensieve veehouderijen binnen de gemeente Peel en Maas meer ontwikkelruimte te geven, door intensieve veehouderijen die op de huidige locatie een knelpunt vormen te verplaatsen naar het LOG. Op 1 juli 2014 is de Reconstructiewet concentratiegebieden komen te vervallen. Tevens is het bestemmingsplan dat is opgesteld ten behoeve van het LOG gestrand bij de Raad van State in 2015. De doelstelling van de provincie Limburg en gemeente Horst aan de Maas om in het landbouwontwikkelingsgebied intensieve veehouderij te concentreren en meer ontwikkelingsruimte te geven dan in de overige gebieden in de gemeente blijft echter bestaan. Daarom is hieronder nader ingegaan op de beleidskeuzes die in de loop der jaren zijn gemaakt in de diverse beleidsdocumenten ten behoeve van het landbouwontwikkelingsgebied. Raadsbesluit 22 december 2008 In de raadsvergadering van 22 december 2008 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Helden de beleidskaders vastgesteld voor de gebiedsontwikkeling in Egchel. Middels het raadsbesluit is onder meer geregeld dat de gronden in het LOG werden verworven om meer sturing te hebben op de vestiging van IV-bedrijven in het LOG Egchelse Heide. Hiermee kon het LOG concreet begrensd worden.

Voor de vestiging en ontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven is bepaald dat het woon- en leefklimaat in Egchel er niet op achteruit mag gaan. Structuurvisie ‘Intensieve veehouderij en Glastuinbouw buitengebied’ De Structuurvisie IV en Glastuinbouw bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijke beleid voor de sectoren intensieve veehouderij en glastuinbouw en dient als beleidskader voor het stimuleren en toetsen van bestaande en toekomstige initiatieven voor nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen en glastuinbouw. De insteek van het IV en Glastuinbouwbeleid is om ontwikkelingsruimte te geven aan bestaande bedrijven op duurzame locaties op afstand van de kernen. Draagvlak in de samenleving is daarbij een belangrijk aandachtspunt. Nieuwvestiging van intensieve veehouderij wordt toegestaan in een LOG als er een knelpunt wordt opgelost op een ongewenste locatie. Specifiek voor de intensieve veehouderij wordt in het landbouwontwikkelingsgebied ruimte voor intensivering en schaalvergroting geboden. Vanuit het provinciaal beleid, het reconstructieplan, zijn hiervoor zoekgebieden aangeduid.

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

47

P218712.008

De gemeente Peel en Maas heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het LOG Egchelse Heide nader te begrenzen en als extra sturingsinstrument gronden aangekocht. Structuurvisie gebiedsontwikkeling Egchel Op 7 februari 2012 is de Structuurvisie Gebiedsontwikkeling Egchel door de gemeenteraad vastgesteld. Deze komt voort uit de wens om in de directe omgeving van het dorp Egchel zowel een LOG te ontwikkelen als een woongebied. In de structuurvisie is wat betreft de ontwikkeling van het LOG bepaald dat een aantal van de eerdere beleidskeuzes opnieuw worden vastgesteld en aangevuld met enkele nieuwe inzichten. De volgende uitgangspunten worden genoemd:  Bij het verplaatsen van bedrijven naar het Landbouwontwikkelingsgebied Egchelse Heide dient de milieugebruiksruimte voor de nieuw te vestigen bedrijven op een zodanige wijze te worden vastgesteld dat het woon- en leefklimaat minimaal gelijk blijft.  De leefbaarheid in het dorp Egchel staat voorop; het woon- en leefklimaat moet minimaal gelijk blijven (uitgaande van de milieuvergunningen met peildatum 22 december 2008).  De milieugebruiksruimte geeft de informatie weer over de deelaspecten geur, ammoniak, fijnstof, geluid en licht.

 Bedrijven die zich in het LOG vestigen moeten op een andere locatie een knelpunt oplossen in de gemeente Peel en Maas en dienen op de huidige locatie geen of onvoldoende ontwikkelingsmogelijkheden te hebben. Er is ruimte voor maximaal zes nieuw te vestigen intensieve veehouderijen. Nieuwvestiging van een pelsdierenhouderij in dit LOG is uitgesloten.  Ontwikkelmogelijkheden bieden aan ondernemers met een IV bedrijf met een innovatieve ontwikkelwens.  Ondersteuning voor het behoud en de toekomst van de leefbaarheid van het dorp Egchel door woningbouw.  Realisering van de duurzame woonwijk Giel Peetershof, waarin Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) uitgangspunt is.  Ontwikkelingen in het overige gebied mogen de uitvoering van Giel Peetershof en LOG Egchelse Heide niet in gevaar brengen.  Het dorp Egchel is actief betrokken bij de gebiedsontwikkeling Egchel. Bestemmingsplan LOG Egchelse Heide en uitspraak Raad van State Om ontwikkeling van het LOG planologisch mogelijk te maken is in 2013 een PlanMER opgesteld en een bestemmingsplan voorbereid. Het bestemmingsplan LOG Egchelse Heide is op 25 juni 2013 door de raad vastgesteld. Bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is op 1 april 2015 dit bestemmingsplan geheel vernietigd.

Mede door veranderende omstandigheden in de agrarische sector (veel agrarische bedrijven gaan stoppen of zijn al gestopt) heeft de grondverkoop in het gebied lang stil gelegen. De Raad heeft om die reden op 29 september 2015 ingestemd met het te zijner tijd opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor het LOG met verbrede kaders om meer aansluiting te vinden bij de behoefte van de agrarische sector, waaronder nieuwvestiging of uitbreiding van intensieve veehouderijbedrijven uit de gemeente Peel en Maas en maximaal 4 ha bouwvlak per kavel.

48

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P218712.008

Ten aanzien van het plan: Het onderhavige bedrijf heeft zich in 2012 op basis van de beleidskeuzes zoals verwoord in de diverse beleidsdocumenten gevestigd binnen het landbouwontwikkelingsgebied. Aanvankelijk was uitbreiding op de Jacobusstraat 42 beoogd. Naar aanleiding hiervan is bekeken of de varkenshouderij aan de Jacobusstraat 42 niet beter in het LOG kon door ontwikkelen, op grotere afstand van de kern. Met deze ontwikkeling wordt dus een bestaande varkenshouderij uitgebreid met extra stallen en het uitbreiding van mestbewerking. Binnen het LOG wordt volgens de diverse beleidsdocumenten volop ruimte gegeven aan de ontwikkeling van intensieve veehouderijen, mits het woon- en leefklimaat in de kern van Egchel aanvaardbaar blijft. Uit de diverse berekeningen omtrent geur, fijnstof en gezondheid, die onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan, blijkt dat het leefklimaat in de kern van Egchel niet verslechtert en aanvaardbaar blijft. De beoogde functieaanduiding voor intensieve veehouderij is gelijk aan het bouwvlak en bedraagt circa 2,8 ha voor de biggenlocatie op De Horsten 20 (deelgebied 1), circa 2,6 ha voor de zeugenlocatie op De Horsten 17 (deelgebied 2) en circa 3,3 ha voor mestverwerking en overige voorzieningen (deelgebied 3).

3.7

POL 2014 (Provinciaal omgevingsplan Limburg 2014)

Het POL 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld. In het POL staat de ambitie voor de provincie Limburg weergeven voor wat betreft de (fysieke) kwaliteit van het leef- en vestigingsklimaat en hoe deze behouden en versterkt kan worden. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op klimaatverandering. Het POL 2014 is opgebouwd uit verschillende hoofdstukken. De belangrijkste hoofdstukken waar de beoogde ontwikkeling mee te maken heeft zijn hoofdstuk 2 (Ruimte) en hoofdstuk 3 (Natuur). In hoofdstuk 2 zijn regels opgenomen voor ruimtelijke ontwikkelingen die worden verankerd in een bestemmingsplan of omgevingsvergunning. Er zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen, ontwikkelingen nabij natuurgebieden en ontwikkelingen voor de intensieve veehouderij en glastuinbouwbedrijven. In paragraaf 3.1 zijn de provinciale regels voor bescherming van de Natura 2000-gebieden opgenomen. In deze paragraaf zijn met name verplichtingen gesteld voor stalsystemen bij nieuwe stallen.

Door te verplichten dat nieuwe stallen worden voorzien van emissiearme systemen die verdergaan dan de nationale regels wordt de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden beperkt, wat een positief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van habitats binnen de gebieden. Voor varkenshouderijen is opgenomen dat nieuwe stallen een minimale ammoniakreductie moeten bewerkstellingen van 85%. De overige paragrafen in hoofdstuk 3 zijn niet relevant voor de beoogde ontwikkelingen en worden om deze reden niet nader toegelicht. - Beleid land- en tuinbouw In het POL krijgt de aanpak ‘schone stallen’ in het POL de nodige aandacht. De Verordening veehouderijen en Natura2000 is opgenomen in het POL2014. De opgaven voor de Limburgse landen tuinbouw zijn als volgt:

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

49

P218712.008

    

Als onderdeel van duurzame productie worden de emissies naar lucht, water en bodem, in het bijzonder ammoniak, geur, fijnstof, nitraat en gewasbeschermingsmiddelen, teruggedrongen. Ruimte bieden aan doorgroei van bestaande land- en tuinbouwbedrijven in een goede balans met omgevingswaarden. Ruimte bieden voor de vestiging van nieuwe bedrijven: bij intensieve veehouderij- en glastuinbouwbedrijven wordt gefocust op (een beperkt aantal) daarvoor geschikte locaties in het landelijk gebied. Een perspectief bieden voor de ontwikkeling van agglomeratielandbouw (zie uitleg in het kader) op daarvoor geschikte locaties. Kwaliteitsslag in het landelijk gebied voor verduurzaming van bestaande agrarische bedrijven, hergebruik van leegkomende (beeldbepalende) gebouwen en sloop van leegkomende bebouwing waar geen passend alternatief voor aanwezig is.

Wat is agglomeratielandbouw? Met agglomeratielandbouw wordt bedoeld: intensieve productie van vlees, eieren en kasgroenten, dáár waar de productieomstandigheden optimaal zijn. Dicht bij de afzetmarkt en dichtbij logistieke en multimodale knooppunten waar de grondstoffen en producten efficiënt kunnen worden vervoerd. Maar ook grootschalig, zodat industriële mestverwerking en efficiënte luchtreinigingstechnieken economisch haalbaar zijn.

Het is van groot belang dat de agrarische sector en overheden samen werken aan het vergroten van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in de land- en tuinbouwsector. Dat moet tot uiting komen in concepten waarin ondernemers extra maatregelen nemen om de effecten op de omgeving te reduceren: minder hinder, minder bodem- en (grond)waterbelasting, minder water- en energieverbruik, gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing. De algemene stelregel is dat ontwikkelruimte geboden wordt op basis van een integrale kwaliteitsverbetering van de omgeving. Een ondernemer die duurzaam onderneemt, beperkt zich niet enkel tot milieu- en ruimtelijke componenten in zijn bedrijfsvoering, maar heeft nadrukkelijk aandacht voor duurzaam ondernemerschap en duurzame bedrijfsvoering. nadrukkelijk geeft de provincie aandacht aan de voorlopers in de agrarische sector. De ontwikkeling in de veehouderij manifesteert zich voor het overgrote deel in de vorm van doorgroei van bestaande bedrijven. De doorgaande schaalvergroting, de milieueisen, de combinaties met energieopwekking of mestverwerking maken dat er bij veel bedrijven een behoefte bestaat om uit te breiden. Regelgeving voor ammoniak, fijn stof en geur zijn in hoge mate bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij, evenals de maatschappelijke inbedding van de veehouderij in zijn omgeving.

Er wordt ontwikkelruimte geboden op basis van een integrale kwaliteitsverbetering in de omgeving. Er wordt daarmee niet gestuurd op dieraantallen. Integrale kwaliteit is de maatstaf, maar dan wel kwaliteit ruim boven de wettelijke basis. Rode draad is dat innovaties worden gestimuleerd hetgeen voortschrijdend tot verbeterde emissiereducties zal leiden. Het stimuleren van koplopers neemt daarbij een belangrijke rol in. - Zonering Binnen Limburg maakt de provincie allereerst onderscheid tussen bebouwd gebied en landelijk gebied. Dit onderscheid hangt samen met de ambities gericht op enerzijds vitale en sterke steden, leefbaarheid van kernen en bereikbaarheid van voorzieningen in zijn algemeenheid, en anderzijds het behoud van een goede landbouwstructuur, veerkrachtige watersystemen en robuuste natuurnetwerken. Het buitengebied is in het POL2014 verdeeld in 4 type zones ‘goudgroene natuurzone’, ‘zilvergroene natuurzone’, ‘bronsgroene landschapszone’ en ‘buitengebied’

50

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P218712.008

Afhankelijk van de bestemmingen en aanduidingen op de kaarten van het POL, kan een bepaalde locatie zich ontwikkelen. De volgende thematische kaarten zijn opgenomen in het POL: Zonering Limburg, Limburg Regionaal, Economie, Infrastructuur en bereikbaarheid, energie, Wonen en leefbaarheid, Natuur, Maasvallei, Regionaal water, Landschap en cultuurhistorie, Landbouw en Ondergrond. Ten aanzien van het plan: Het plangebied is gelegen in het 'Landelijk gebied' in de zone 'Buitengebied'. Op de kaart 'Landbouw' heeft de projectlocatie de aanduiding 'Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij' gekregen, zie onderstaande afbeelding. Binnen de andere kaarten zijn er geen specifieke aanduidingen opgenomen.

Figuur 9: Kaart thema 'Landbouw' POL2014

Binnen het 'Landelijk gebied' in de zone 'Buitengebied' wordt ruimte geboden aan de doorontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven, mits deze buiten extensiveringsgebieden zijn gelegen en dit zorgvuldig gebeurt en hierbij wordt voldaan aan de overige wet- en regelgeving. Binnen het ‘Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij’ staat de ontwikkeling van de intensieve veehouderij voorop. In deze zone is nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen mogelijk. Regels omtrent ontwikkeling van veehouderijen zijn opgenomen in de omgevingsverordening Limburg 2014. Uitbreiding van het bedrijf past in de beleidsdoelstelling van de provincie om een duurzame ontwikkeling van de Limburgse land- en tuinbouw na te streven. De provincie biedt ruimte aan doorgroei voor bestaande bedrijven, mits dit in goede balans is met de omgevingswaarden. In het POL2014 is geen maatvoering opgenomen voor de maximale omvang van agrarische bedrijven. Uitbreiding van de varkenshouderij op de beoogde locaties aan De Horsten past binnen de uitgangspunten van het POL2014. In het landelijk gebied van Limburg zijn verschillende functies vaak nabij elkaar gelegen. Dit kan leiden tot aantasting van leefbaarheid in dorpen, aantasting van natuur en landschap, maar ook veehouderijen die niet kunnen uitbreiden.

Streven is om de intensieve veehouderijen rondom dorpen en natuurgebieden op termijn af te bouwen. Daarnaast moeten intensieve veehouderijen worden geconcentreerd op duurzame locaties z odat bedrijven op deze plek ontwikkelingsruimte krijgen. Op deze manier ontstaat een afwaartse beweging: intensieve veehouderijen komen verder van kwetsbare gebieden te liggen en daardoor vermindert de negatieve invloed van de veehouderijen op de omgeving.

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

51

P218712.008

Door clustering van nieuwe met bestaande bebouwing in het landbouwconcentratiegebied worden andere, minder geschikte gebieden gevrijwaard. In het ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij zijn geen te beschermen omgevingskwaliteiten aanwezig. Bij inpassing van het bedrijf in het ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij is aandacht voor landschappelijke inpassing en de waterhuishouding en vindt de uitbreiding in goede balans met de omgeving plaats. Mestverwerking In het POL 2014 is in het hoofdstuk land- en tuinbouw onder de paragraaf bevorderen innovaties ook een gedeelte gewijd aan de mestverwerking. Daarin wordt aangegeven dat uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven met een mestbewerkingsinstallatie of een biomassa-installatie (in samenwerkingsverband met andere agrarische bedrijven) op bedrijfsniveau onder voorwaarden mogelijk is. In alle gevallen dient er aandacht te zijn voor:  de schaal en locaties van de ontwikkeling dient te passen bij gebiedskwaliteiten;  bijdrage aan verbetering leefomgeving (emissies, transport, ruimtelijke kwaliteit);  indien samenwerkingsverband /meerdere bedrijfslocaties: beste locatiemethode;  dialoog met belanghebbenden. Ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij en grootschalige clusters land- en tuinbouwbedrijven lenen zich voor regionale mestverwerking.

De koppeling tussen mestverwerking en energievragers biedt kansen en speelt mee bij de locatiekeuze. In de 'Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014, 20 december 2016' is aanvullend beleid opgenomen voor mestverwerking (aanvullend op de POL 2014). De regio Noord-Limburg (waar de gemeente Peel en Maas ook onder valt) heeft in overleg met de provincie verschillende land- en tuinbouwonderwerpen regionaal uitgewerkt. Beleidsuitgangspunten voor mestverwerking in de Regionale visie Land- en Tuinbouw Noord-Limburg van april 2019:  Uitgangspunt is dat in de regio niet meer ruimte voor mestverwerking wordt geboden dan nodig is om de hoeveelheid mest die in de regio wordt geproduceerd te verwerken.  Mestverwerking is een vorm van agglomeratielandbouw. De beleidsuitgangspunten van agglomeratielandbouw zijn ook van toepassing op mestverwerking: in het buitengebied alleen acceptabel in gebieden waar de ontwikkeling ruimtelijk inpasbaar is en er sprake is van een toekomstbestendige locatie.  Bij nieuwe grootschalige initiatieven wordt in eerste instantie ingezet op vestiging op bedrijventerreinen. Indien dit niet haalbaar is, wordt gezocht naar bestaande toekomstbestendige locaties in het landelijk gebied.

Ten aanzien van het plan: Het plan voldoet ten aanzien van de mestverwerking aan de beleidsuitgangspunten van de provincie Limburg en de Regionale visie Land- en tuinbouw Noord-Limburg Het plangebied ligt in het (voormalige) LOG Egchelse Heide en is een toekomstbestendige locatie. Alleen de drijfmest van eigen bedrijven wordt verwerkt, verwerken van mest van derden wordt niet rechtstreeks toegestaan in het bestemmingsplan. Maximaal mag er 35.000 m3 mest per jaar worden verwerkt. Dit zijn het bedrijf aan De Horsten, maar ook de thuislocatie Jacobusstraat 42. Het van de Jacobusstraat afvoeren van mest en verwerken op De Horsten heeft een positief effect op de woonkern Egchel. De mest wordt op De Horsten via pijpleidingen vanuit de stallen afgevoerd naar de mestsilo’s, waardoor er minder transportbewegingen plaatsvinden. Alleen de mest van de Jacobusstraat 42 wordt met een vrachtwagen aangevoerd.

52

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P218712.008

Arbeidsmigranten Het POL2014 geeft geen concrete beleidslijnen voor huisvesting van arbeidsmigranten. Er is uitsluitend in artikel 2.5.3 een verbod op huisvesting short stay arbeidsmigranten op recreatieterreinen opgenomen. Ten aanzien van het plan: Het POL 2014 bevat geen relevant beleid voor de voorgenomen short-stay huisvesting voor arbeidsmigranten.

3.8

Omgevingsvisie en omgevingsverordening Limburg (2021)

Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsvisie en omgevingsverordening nodig passend binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Provinciale Staten hebben op 21 oktober 2021 de Omgevingsvisie Limburg en op 17 december 2021 de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. In de Omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-)water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, woon- en werklocaties, agrarische bedrijven). Omdat de Omgevingsverordening is gebaseerd op de Omgevingswet kan deze niet eerder in werking treden dan de Omgevingswet zelf. Het Rijk heeft de inwerkingtreding van de Omgevingswet uitgesteld tot 1 januari 2024. Daarmee wordt automatisch de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Limburg ook uitgesteld tot die datum. Tot die tijd blijven de regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden.

Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Gedeputeerde Staten hebben op 19 juli 2022 een ontwerp-wijzigingsverordening vastgesteld, waarmee zowel de Omgevingsverordening Limburg 2014 als de Omgevingsverordening Limburg (2021) gewijzigd en aangevuld worden. De regels die worden toegevoegd aan de Omgevingsverordening Limburg 2014 kunnen direct na vaststelling en publicatie in werking treden. Relevant voor het bestemmingsplan De Horsten is de nieuwe instructieregel die gemeenten verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met het veranderende klimaat. En er is een toelichting opgenomen over het dwingende karakter van de instructieregel om voor huisvesting van arbeidsmigranten de SNF-norm (Stichting Normering Flexwonen) toe te passen, met het alternatief om de AKF-norm (Agrarisch Keurmerk Flexwonen) gemotiveerd toe te passen.

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

53

P218712.008

Volgens de Omgevingsverordening 2021 ligt het gebied niet in een extensiveringsgebied intensieve veehouderij. De artikelen 10.1, 10.2 en 10.3 bieden een grondslag voor de uitbreiding. Uit deze artikelen volgt ook dat de ontwikkeling per saldo geen negatieve invloed kan hebben op de aspecten die bij een integrale afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, woon-, werk- en leefklimaat en economische structuur. De algemene stelregel van de provincie is dat voor ontwikkelingen op kleine en grote schaal ontwikkelruimte geboden wordt op basis van een integrale kwaliteitsverbetering van de omgeving, passend bij de draagkracht van het gebied en passend binnen wet- en regelgeving. Een ondernemer die duurzaam onderneemt, beperkt zich niet enkel tot milieu- en ruimtelijke componenten in zijn bedrijfsvoering, maar heeft nadrukkelijk aandacht voor duurzaam, excellent ondernemerschap en een duurzame bedrijfsvoering. De ondernemer werkt aan het behoud van maatschappelijke acceptatie en draagvlak door een dialoog met de omgeving aan te gaan. Het oorspronkelijke idee van verplaatsing van intensieve veehouderijbedrijven naar de ontwikkelingsgebieden IV heeft in sommige gevallen effect gehad, maar is in algemene zin (financieel) niet haalbaar gebleken.

Bovendien blijkt dat ondernemers eerder kiezen voor meerdere locaties, wat de noodzaak voor bedrijfsverplaatsingen minder noodzakelijk maakt. Om meer sturing te hebben op hervestiging van IV-bedrijven op toekomstbestendige locaties, schrapt de provincie de ontwikkelingsgebieden IV uit het provinciale beleid. In de Omgevingsverordening behoudt de provincie de mogelijkheid voor kwalitatieve incidentele nieuwvestiging voor IV-bedrijven op een toekomstbestendige locatie. Kwaliteitswinst zoals sloop, het wegbestemmen van latente ruimte en de afname van emissie- kwetsbare gebieden wordt hierbij als randvoorwaarde gesteld. Daarbij biedt de provincie de mogelijkheid voor gefaseerde afbouw op de niet-toekomstbestendige locaties. Dit biedt een alternatief voor het schrappen van de ontwikkelingsgebieden IV. In sommige situaties kan geuroverlast een aandachtspunt vormen. De aandacht is daarnaast gericht op mogelijke risico’s die de land- en tuinbouw op de gezondheid van bewoners heeft. De provincie beziet vanuit de bestaande locaties hoe de omgevingskwaliteit verbeterd kan worden, onder andere via sturing met een integrale gebiedsaanpak op de kwaliteitsverbetering van bestaande knelsituaties.

Conform afspraak in het beleidskader ‘Koers naar de toekomst, provinciaal beleidskader voor de Limburgse landbouw en agrifoodsector 2020 – 2023’ handhaaft de Provincie het beleid van het uitvoeringsprogramma vitale veehouderij (2018). De aanpak beschrijft hoe de veehouderij - met aandacht voor omgevingsvraagstukken - ook in de toekomst een belangrijke rol kan blijven spelen in de Limburgse economie. Met de gemeenten is een traject in gang gezet om te komen tot duidelijkere afspraken over de inzet van provinciaal en gemeentelijk instrumentarium om de gestelde beleidsdoelen te realiseren en te komen tot vermindering van de ammoniakemissie, het aantal mensen dat geuroverlast ondervindt en het aantal knelpunten fijnstof. Ten aanzien van het plan: Omdat de beoogde ontwikkeling betrekking heeft op uitbreiding van een varkenshouderij wordt getoetst aan de voorwaarden en is de kaart met thema Landbouw, veehouderij van toepassing.

54

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P218712.008

Op deze kaart ligt het plangebied binnen de aanduiding ‘ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij’. Binnen deze aanduiding is uitbreiding van een intensieve veehouderij toegestaan. De beoogde uitbreiding is een vervolgstap op een reeds in 2012 ingezet traject en met de ondernemer gemaakte afspraken om verslechtering in Egchel te voorkomen, waarbij geen sprake van een contractuele verplichting is voor het afbouwen van de locatie Jacobusstraat 42. Doordat bestaande en nieuwe stallen zijn/worden voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem met 85% ammoniakreductie wordt op stalniveau aan de provinciale ammoniakreductie verplichting voldaan. Het gemeentelijk beleid voor tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten schrijft de toepassing van de SNF-normen voor en is in lijn met de provinciale instructieregels.

3.9

Natuurbeleid

Wet natuurbescherming (Wnb) In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Gebiedsbescherming Alleen de Natura2000 gebieden worden in de Wet natuurbescherming worden beschermd. Bij de besluitvorming rond plannen en projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden is het beschermingskader van toepassing dat de Wet natuurbescherming aan deze gebieden geeft. Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming bevat de procedures die moeten worden gevolgd bij besluitvorming over deze plannen en projecten. De vaststelling van het bestemmingsplan door vindt plaats volgens de plantoetsing aan artikel 2.7 Wnb: “Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid. Daartoe maakt het bestuursorgaan alvorens het plan vast te stellen een Voortoets/Passende Beoordeling van de gevolgen voor het gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Een besluit wordt alleen genomen indien het bestuursorgaan zich op grond van de Voortoets/Passende Beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast”. Met name stikstofdepositie ten gevolge van ammoniakemissie door veehouderijen heeft negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Om grip te krijgen op de kritische depositieruimte kan een depositiegrens per veehouderijbedrijf worden vastgelegd. Dit kan gedaan worden door het vastleggen van een aanwezige onherroepelijke Wnb-vergunning (alleen Wnb-vergunningen die niet met toepassing van het PAS zijn verleend). Zonder toereikende Wnb-vergunning dient de feitelijke situatie die vergund is met een milieuvergunning vastgelegd te worden.

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

55

P218712.008

Ten aanzien van het plan: Voor de plantoetsing een Voortoets/Passende Beoordeling uitgevoerd. Hierin is in kaart gebracht wat de effecten (kunnen) zijn van het bestemmingsplan op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden en welke verzachtende (mitigerende) maatregelen eventueel genomen kunnen worden om deze natuurlijke kenmerken niet aan te tasten (ook wel significant negatieve gevolgen genoemd). In het bestemmingsplan is een stikstofregeling opgenomen, op basis waarvan een toename van de stikstof-/ammoniakemissie en stikstofdepositie niet is toegestaan. Deze regeling zorgt ervoor dat voor ontwikkelingen die binnen de gebruiksregel passen (geen toename van de emissie van stikstof), geen aparte procedures nodig zijn. Bijvoorbeeld als er wordt ontwikkeld in combinatie met het toepassen van technieken om de emissies extra te beperken. Voor ontwikkelingen die dit zogenaamde stikstofplafond overschrijden, is een aparte procedure noodzakelijk, zodat de mogelijk negatieve effecten op de omliggende natuurgebieden nader beoordeeld kunnen worden. Op deze manier zijn negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op ca. 5,2 km afstand, zie ook par. 6.2.2. Gezien de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebieden zijn alleen (mogelijke) effecten door stikstofdepositie relevant.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming bevat ook de regels ter bescherming van inheemse dier- en plantensoorten. Op het gebied van soortenbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen.

De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: 1. Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is.

56

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P218712.008

2. Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid. 3. Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort. Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing. Ten aanzien van het plan: In 2019 is door IVN ter plaatse van de bestaande stallen een flora en fauna quickscan met veldbezoek uitgevoerd.

In februari 2023 is opnieuw door IVN een quickscan met veldbezoek uitgevoerd, maar nu ter plaatse van de nog onbebouwde percelen binnen het plangebied. Voor dit bestemmingsplan is ook een bureaustudie uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat beschermde soorten niet zullen worden aangetast door de realisatie van het totale planvoornemen en dat het planvoornemen een positief effect heeft op de ecologische waarde en de biodiversiteit binnen het plangebied.

Beleidsregels intern en extern salderen in Limburg december 2019 Voor vergunningverlening voor stikstofdeposities moet in de meeste gevallen worden teruggevallen op het voorkomen van toename van depositie via intern of extern salderen. De provincie Limburg heeft beleidsregels vastgesteld voor de beoordeling van aanvragen voor natuurvergunningen waarbij gebruik wordt gemaakt van intern of extern salderen, of een combinatie daarvan. Om intern te kunnen salderen moet er sprake zijn van één project of één locatie. Intern salderen kan gaan om het treffen van maatregelen aan een bestaand project of kan worden toegepast op nieuwe projecten op de locatie van een bestaand project. Bij extern salderen vinden de saldogevende activiteit en de saldo-ontvangende activiteit op verschillende locaties plaats. Het gaat hierbij om verschillende projecten of plannen. Externe saldering wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling. Ten aanzien van het plan: Voor het totale ontwikkelingsplan is een rechtsgeldige, onherroepelijke vergunning art. 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming aanwezig (Besluit van Gedeputeerde Staten van Limburg van 20 augustus 2020, zaaknummer 2018-206531).

Deze vergunning is passend beoordeeld en verleend op basis van de 1 oktober 2015 verleende, onherroepelijke Nbwet-vergunning voor De Horsten 20 (zaaknummer 2014-0012 met kenmerk 2015/71566).

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

57

P218712.008

Beide vergunningen zien toe op de beoogde uitbreidingen, waarvoor een lang traject van voorbereiding en procedures is doorlopen, en zijn daarom voor een deel nog niet gerealiseerd. De in de vergunning gehanteerde emissiefactoren zijn nog steeds actueel. Deze rechtsgeldige natuurvergunning kan zogenaamd één op één ingepast worden in het bestemmingsplan in combinatie met een planregel op basis waarvan een toename in stikstofemissie en -depositie ten opzichte van deze vergunning niet wordt toegestaan, waardoor op dit moment geen nieuwe passende beoordeling meer nodig is, omdat deze geen nieuwe inzichten zal opleveren. Kanttekening: De Rijksoverheid heeft op 10 juni 2022 de “Startnotitie Nationaal Programma Landelijk Gebied” gepresenteerd. De eventuele gevolgen van deze startnotitie en het Limburgse Aanpak Stikstofreductie en Natuurherstel voor het bestemmingsplan zijn nog niet duidelijk. In de kamerbrief van 10 februari 2023 wordt door het Kabinet aangegeven dat in de eerste helft van 2023 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer wordt ingediend om intern salderen (weer) vergunningplichtig te maken. Beleidswijzigingen kunnen ervoor zorgen dat een nieuwe passende beoordeling mogelijk wel tot nieuwe inzichten kan leiden. Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering De natuur versterken en het de kans geven zich te herstellen, daar moet de stikstofaanpak aan bijdragen.

Dat is vastgelegd in de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering, die op 1 juli 2021 in werking trad. Hiervoor zijn Europese stikstofreductiedoelen opgesteld. In het programma Stikstofreductie en Natuurverbetering en het Nationaal Programma Landelijk Gebied wordt gewerkt aan het halen van onder meer deze doelen. Startnotitie Nationaal Programma Landelijk Gebied In juni 2022 heeft het Rijk de startnotitie van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) inclusief richtinggevende emissiereductiedoelen stikstof per gebied gedeeld. In oktober 2022 volgt een regionale uitwerking van de doelen natuur, water en klimaat. De stikstofreductiedoelen zijn richtinggevend. Het kabinet geeft hiermee richting aan provincies en belanghebbenden om in de gebieden aan de slag te gaan en een oplossing te vinden voor het stikstofprobleem. Bij de uitwerking van de gebiedsprogramma’s kunnen de doelen nog worden aangepast aan de hand van nieuwe inzichten, denk aan samenloop met andere doelstellingen. In het voorjaar van 2023 is het Ontwerpprogramma Nationaal Programma Landelijk Gebied beschikbaar. Het streven is om het programma medio 2023 definitief vast te stellen. De nieuwe, richtinggevende stikstofdoelen staan weergegeven op een kaart met globale emissiereductiegebieden. Het kabinet is gekomen tot deze verdeling na een proces waarbij de provincies zijn geconsulteerd.

Het betreft een doorvertaling van de landelijke doelstelling van 74% van het areaal onder de Kritische Depositie Waarde (KDW) in 2030, waarbij in de maatvoering van de richtinggevende stikstofdoelen al zoveel mogelijk is geanticipeerd op de verwachte opgave voor het halen van de klimaat- en waterdoelstellingen. Limburgse Aanpak Stikstofreductie en Natuurherstel De 'Limburgse Aanpak Stikstofreductie en Natuurherstel' bestaat uit drie actielijnen: 1. Natuurverbetering en biodiversiteitsherstel. 2. Inzet op de reductie van stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur. 3. Het weer eenvoudiger mogelijk maken van economische en maatschappelijke ontwikkelingen.

58

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P218712.008

De essentie van dit plan is om de stikstofproblematiek aan te pakken met het versnellen van natuurherstel in 21 stikstofgevoelige Natura2000-gebieden, een wijze om stikstofemissie bij de bron aan te pakken én tegelijkertijd ruimte te bieden voor nieuwe bedrijvigheid. De Provincie zal hier samen met het Rijk, de Limburgse gemeenten, natuurorganisaties, ondernemers en alle belanghebbenden voor de korte én middellange termijn werk van maken. In de periode 2022/2023 worden vijf gebiedsplannen geschreven die samen worden gevoegd tot één gebiedsplan voor heel Limburg. Dit gebiedsplan wordt op 1 juli 2023 aangeboden aan het Rijk. Ten aanzien van het plan: De gevolgen van de uitwerking van de startnotitie NPLG en de Limburgse Aanpak Stikstofreductie en Natuurherstel voor het bestemmingsplan De Horsten zijn nog niet bekend. Vanwege de gunstige ligging ten opzichte van Natura2000 gebieden en de aanwezigheid van een toereikende onherroepelijke natuurvergunning worden geen beperkingen voor het bestemmingsplan verwacht. Wet ammoniak en veehouderij Op 1 mei 2007 is de gewijzigde Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav is bedoeld ter bescherming van de zeer kwetsbare gebieden tegen de effecten van ammoniakdepositie. Provinciale Staten wijzen deze zeer kwetsbare gebieden aan op basis van criteria die in de wet staan vermeld.

De Wav bevat regels met betrekking tot de ammoniakemissie uit dierenverblijven. Het bevoegd gezag moet die regels toepassen bij beslissingen over de verlening van milieuvergunningen voor veehouderijen. De wet geeft regels voor veehouderijen die in een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom zo’n kwetsbaar gebied liggen. Hoofdlijn hierbij is dat vestiging in deze zones niet mogelijk is en dat uitbreiding slechts mogelijk is binnen een bedrijfsemissieplafond. Alleen voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daarvan, die zijn gelegen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) kunnen als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen (art. 2, lid 2 Wav). Alle voor verzuring gevoelige gebieden, die in Beschermde Natuurmonumenten of Natura 2000-gebieden liggen, moeten worden aangewezen als zeer kwetsbaar gebied, op voorwaarde dat ze binnen het NNN liggen. Provinciale Staten zijn hiertoe verplicht (art. 2, lid 3 Wav). Ten aanzien van het plan: Het plangebied ligt op circa 2,4 km afstand van het dichtstbij gelegen Wav-gebied. Dit betekent dat de Wet ammoniak en veehouderij geen beperkende werking heeft voor de veehouderijen binnen het plangebied.

Natuur Netwerk Nederland (NNN) Om de natuur in Nederland tot een goed functionerend ecologisch netwerk te maken, is het NNN (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS) begrensd en aangelegd als netwerk van bestaande en nieuwe natuur. Het wettelijke kader voor het aanwijzen (begrenzen) en beschermen van het NNN zijn de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR) en Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (Barro). Op basis van dit rijksbeleid geldt de verplichting om de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB in stand te houden en te beschermen.

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

59

P218712.008

Het NNN wordt op provinciaal niveau uitgewerkt in provinciale structuurvisies ende provinciale omgevingsverordening en natuurbeheerplannen. Op het NNN is ook de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) van toepassing. Het Natuur Netwerk bestaat uit:  bestaande natuur- en bosgebieden;  gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere nietnatuurbestemming is verdwenen;  nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig;  ecologische verbindingszones. Het provinciale beleid is erop gericht om het netwerk in 2027 gereed te hebben. Dit wordt in het algemeen bereikt door:  het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNN behoren en het vastleggen van de natuurdoelen (bepalen);  voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer (deelname);  inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden (inrichting);  realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid (uitvoering).

Ten aanzien van het plan: Het dichtstbijzijnde natuurgebied wat deel uitmaakt van het Natuurwerk ligt op circa 1,1 km van het plangebied. Gezien de relatief grote afstand tussen het plangebied en het Natuurnetwerk beperken de mogelijke effecten zich tot stikstofdepositie.

3.10 Geurbeleid Wet geurhinder een veehouderij Bij het verlenen van vergunningen voor veehouderijen en in de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met geuroverlast van veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt hiervoor het beoordelingskader. Deze wet geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit veehouderijstallen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden meegenomen. Daarnaast heeft deze wet consequenties voor de wijze waarop in ruimtelijke plannen het aspect geurbelasting door veehouderijen een rol speelt. Voor veehouderijbedrijven met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (geen intensieve veehouderij, zoals melkrundveebedrijven) geldt een vaste minimum afstand die in acht genomen dient te worden. Deze afstand bedraagt ten aanzien van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom 100 meter en voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom 50 meter.

60

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P218712.008

Voor veehouderijen met dieren waarvoor wel geuremissiefactoren zijn vastgesteld (intensieve veehouderij) wordt de norm niet uitgedrukt in een afstandsnorm, maar in een geurcontour, die een grillige vorm kan hebben. De geuremissiefactoren zijn vastgelegd in de Regeling geurhinder en veehouderij. Op 20 juli 2018 is de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: Rgv) gewijzigd in verband met een onderzoek naar de effectiviteit van gecombineerde luchtwassystemen. Bepaalde typen luchtwassers verwijderen minder geur dan gedacht. De emissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers en één biologische luchtwasser zijn hierop verhoogd (o.b.v.30% en 45% reductie i.p.v. 85% reductie). De Wgv stelt eisen aan de maximale geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op een gevoelig object zoals een woning. De geuremissie en -belasting worden uitgedrukt in zogenaamde Odour Units (OU’s). De in de wet opgenomen “standaard waarden” voor de maximale geurbelasting zijn maximaal 14 OU/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en maximaal 3 OU/m³ voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (dit bij 98% percentiel, oftewel 98% van de tijd). Als veehouderijen een geurbelasting hebben die hoger is dan de geurnorm, hoeven ze niet aan de norm te voldoen.

Via de zogenaamde 50% regeling moet een uitbreiding van het aantal dieren wel gepaard gaan met een gedeeltelijke afname van de geurbelasting. Eerder opgebouwde rechten t.a.v. de maximale geurbelasting zijn in die regelgeving op deze wijze beschermd. Gemeenten kunnen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten door af te wijken van de wettelijke waarden. Omgekeerd vraagt een omgeving ook om bescherming tegen geurhinder. Voor alle normen en afstanden geldt dat deze alleen bij ontwikkelingen van veehouderijen of nieuwe ruimtelijke functies aan de orde zijn als toetsingscriterium. Er is in de huidige wet- en regelgeving geen verplichting opgenomen voor bedrijven om aan de geurnormen te gaan voldoen.

Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Peel en Maas De gemeente Peel en Maas heeft sinds 1 oktober 2015 de Verordening op grond van de Wet geurhinder en veehouderij voor Egchel en woonwijk Giel Peetershof in werking. Deze verordening is op 29 september 2015 door de gemeenteraad vastgesteld en legt normen op die betrekking hebben op de voorgrondbelasting van geur. Deze verordening is opgesteld voor het gebied rondom de kern Egchel, om het woon- en leefklimaat in deze kern en het aansluitende ontwikkelgebied te borgen. Deze geurverordening stelt een geurnorm van 5,5 Ou voor een bufferzone tussen de kern Egchel en het LOG Egchel. Deze bufferzone is aangeduid op een bijbehorende kaart. Verder gelden de landelijke geurnormen van 3 Ou voor de bebouwde kom en 14 Ou in het buitengebied.

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

61

P218712.008

Figuur 10: Kaart bij Verordening op grond van de Wet geurhinder en veehouderij voor Egchel en Giel Peetershof

Aan deze geurverordening ligt de Gebiedsvisie geur in het kader van de gebiedsontwikkeling Egchel ten grondslag. Bij het instemmen met de gebiedsontwikkeling Egchel in 2008 heeft de toenamalige gemeenteraad al de randvoorwaarde gesteld dat de leefbaarheid in het dorp voorop staat en dat door de gebiedsontwikkeling Egchel (in het bijzonder het LOG) het woon- en leefklimaat niet mag verslechteren (peildatum is 22 december 2008): een milieukwaliteit van ‘redelijk goed’. Dit uitgangspunt is opgenomen in de Structuurvisie Gebiedsontwikkeling Egchel van 2012 en komt ook terug in de gebiedsvisie geur Egchel van 2015 als onderbouwing bij de geurverordening. Tabel 4: Milieukwaliteitscriteria voor geurhinder (gebaseerd op Bijlage 6 en 7 Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij)

Via een systematiek van het percentage geurgehinderden (kolom 2) is een indeling gemaakt in milieukwaliteiten (kolom 1). Om gevoel te krijgen welke waarden hangen aan de milieukwaliteit/percentage geurgehinderden is een koppeling gemaakt met de voor- en achtergrondbelasting van de locatie (kolom 3 en 4).

62

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P218712.008

Ten aanzien van het plan: De beoogde bedrijfsontwikkeling die met het bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is uitvoerbaar binnen de randvoorwaarden die gesteld worden aan geur, echter met de huidige geuremissiefactoren voor de gecombineerde luchtwassers (45% geurreductie) zal het aantal varkens dat gehouden kan worden (de maximale geuremissie) tegen beperkingen aanlopen. Zoals in de NRD is beschreven voldoet het totale ontwikkelplan aan de voorgrondnormen voor de kern Egchel en de bufferzone, maar wordt ter plaatse van de burgerwoning Karissendijk 10 de geurnorm voor het buitengebied overschreden. Deze woning is hierdoor bepalend voor het maximaal te houden varkens op basis van de huidige geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers. In dit MER wordt als scenario onderzocht wat het maximaal aantal te houden varkens is op basis van de huidige beleidskaders en geurnormen, wat de ontwikkelingen rondom het verbeteren van de effectiviteit van luchtwassers zijn en wat dit kan betekenen voor de uitvoerbaarheid van het totale ontwikkelplan op de langere termijn. Tenslotte wordt het ontwikkelplan fasegewijs gerealiseerd binnen een periode van ongeveer 10 jaar.

3.11 Beleid huisvesting arbeidsmigranten 2021 In april 2019 is het ‘Beleid huisvesting short stay arbeidsmigranten’ vastgesteld. Dit beleid liet een verruiming van huisvestingsmogelijkheden toe om te voorkomen dat de economische ontwikkeling afremt door gebrek aan arbeidskrachten. Daarnaast wordt gestimuleerd dat de arbeidsmigrant zich voor langere tijd of permanent hier vestigt. Deze beleidsregels zijn na een evaluatie gewijzigd en in mei 2021 is het ‘Beleid huisvesting arbeidsmigranten 2021’ vastgesteld. Nieuwe initiatieven zijn welkom voor vooral lokale bedrijven, voor de werknemers die in hoofdzaak in die bedrijven werken. De gemeente beoordeelt of een concreet initiatief om arbeidsmigranten te huisvesten in alle redelijkheid op de juiste plek terechtkomt. Het is aan de initiatiefnemer om te motiveren dat dit zo is. De passende schaal is maximaal 80 plaatsen en de ideale locatie is buiten de kernen. Kleinere initiatieven tot 8 personen kunnen wel in de kern plaatsvinden, indien het gebouw, de omgeving en het woon- en leefklimaat gegarandeerd is. Huisvesting van arbeidsmigranten is niet gewenst op industrieterreinen, locaties voor verblijfsrecreatie en recreatiewoningen. De gemeente wil voorkomen dat binnen een agrarisch of lokaal bedrijf alleen voor derden wordt gehuisvest.

Daarom wordt alleen meegewerkt aan initiatieven als de reden voor het aantal te huisvesten arbeidsmigranten is gemotiveerd en als tenminste 75% van de te huisvesten werknemers gedurende tenminste 4 maanden op of voor het eigen bedrijf werkzaam is. De huisvesting mag permanent gebruikt worden, zodat in de tijd dat er geen eigen werknemers zijn gehuisvest er personeel van derden mogen zijn gehuisvest. De maximale verblijfsduur voor arbeidsmigranten in short stay huisvesting is 18 maanden. Als de arbeidsmigrant langer wil verblijven op dezelfde locatie moet gekeken worden naar een meer permanente woonvorm. Daarbij houden we rekening met de omstandigheden van de individuele arbeidsmigrant. Permanent verblijven in short stay huisvesting is niet wenselijk. De initiatiefnemer moet altijd motiveren hoe lang de arbeidsmigranten nodig zijn voor het werk dat ze doen.

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

63

P218712.008

In de ruimtelijke toestemmingen wordt vastgelegd dat de huisvesting ongedaan gemaakt moet worden als de huisvesting gedurende 1 jaar niet wordt gebruikt. Er is een nieuwe ruimtelijke toestemming nodig als de huisvesting in dezelfde of een andere vorm hervat gaat worden. In de ruimtelijke toestemming moet deze uitsterfconstructie een plaats krijgen. De Gemeente Peel en Maas sluit in beginsel geen locaties uit. De ene locatie is beter geschikt dan de andere, maar nadelen of beperkingen van een bepaalde locatie zijn met specifieke voorschriften of eisen te ondervangen, te compenseren of te beperken. Een geschikte locatie: • zorgt voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor buurtbewoners én arbeidsmigranten; • is in alle redelijkheid de juiste plek voor dit concrete initiatief; • is aantoonbaar afgestemd met de omgeving (bedrijven en omwonenden die wat kunnen gaan merken van de huisvesting) voordat de aanvraag voor de huisvesting wordt ingediend; • levert geen beperking op voor bedrijven binnen wiens invloedssfeer de huisvesting plaatsvindt; • past in het ruimtelijk beleid van de provincie dan wel het Rijk.

Enkele uniforme basisbeginselen voor de kwaliteit van de huisvesting zijn:  het gebruik van bestaande bebouwing staat voorop;  nieuwbouw alleen als aangetoond kan worden dat in bestaande bebouwing geen ruimte is;  permanente woonunits alleen als nieuwbouw niet haalbaar of rendabel is;  tijdelijke woonunits alleen voor seizoensarbeid/piekmomenten (zie hoofdstuk 6);  de huisvesting moet kwalitatief goed zijn: voldoen aan de op het moment van de aanvraag actuele SNF-norm (norm voor huisvesting van arbeidsmigranten van de Stichting Normering Flexwonen, ook wel de norm voor het reguliere SNF-register genoemd);  de Gemeente Peel en Maas streeft naar een minimaal gebruiksoppervlakte van 15 m 2 met een minimum van 12 m2 GBO per persoon voor iedere verblijfsvorm genoemd in de SNF;  2-persoonskamers zijn wenselijk voor arbeidsmigranten die daar behoefte aan hebben. Initiatiefnemer moet zorgen voor voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein en als dat niet lukt, moet motiveren waarom. De initiatiefnemer dient daarbij aansluiting te zoeken bij de parkeernorm van de functie die past bij de huisvestingsvorm en de locatie waar de huisvesting gaat plaatsvinden. Indien geen norm passend is, wordt een norm van 0,6 parkeerplaats per 2 personen in de huisvesting gehanteerd.

Als de huisvesting nieuwe bebouwing betreft of als de ruimtelijke uitstraling ter plaatse verandert, dan moet dit op een goede manier in de omgeving worden ingepast. Het huisvestingsinitiatief moet daarom voldoen aan de regels en kaders voor landschappelijke inpassing die op het moment van de ruimtelijke toestemming gelden. Indien de landschappelijke inpassing reeds op orde is, en toevoeging van landschapselementen overbodig wordt bevonden, kan ook een donatie in het kwaliteitsfonds worden gedaan. De gemeente beoordeelt bij elke aanvraag voor een ruimtelijke toestemming hoe de initiatiefnemer het toezicht en beheer heeft georganiseerd. Er moet bekend zijn wie de exploitatie op zich neemt en welke maatregelen er komen om overlast voor zowel de arbeidsmigranten (onderling) als omwonenden te voorkomen.

64

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P218712.008

Ten aanzien van het plan: De ondernemer wil binnen het plangebied aan maximaal 8 arbeidsmigranten die werken op het varkensbedrijf aan De Horsten tijdelijke huisvesting (short stay) kunnen bieden. Er kan voldaan worden aan het gemeentelijke beleidskader. Dit MER maakt inzichtelijk of op de beoogde plek binnen de inrichting een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gewaarborgd.

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

65

P218712.008

4 Referentiesituatie 4.1

Inleiding

In een milieueffectrapport worden de milieueffecten van de alternatieven vergeleken met een referentiesituatie. Dit is in een MER de situatie die in de toekomst ontstaat als het plan niet doorgaat. De referentiesituatie wordt gevormd door de feitelijke situatie rekening houdend met autonome ontwikkelingen. Niet-gerealiseerd gebruik en illegale situaties horen vanzelfsprekend niet bij de referentiesituatie, maar bij het voornemen. De effecten op de Natura 2000-gebieden worden beoordeeld ten opzichte van de feitelijk, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan (= referentie Wnb). Referentie MER = huidige situatie + autonome ontwikkelingen Referentiesituatie: situatie in het plangebied tijdens de planperiode (10 jaar) zonder de ontwikkelingen in het bestemmingsplan Huidige situatie: bestaande / feitelijke situatie in het plangebied Autonome ontwikkelingen: ontwikkelingen in het plangebied dan de ontwikkelingen die deel uitmaken van het bestemmingsplan

4.2

Geldend planologisch regime

In paragraaf 3.2 is al ingegaan op het geldend planologisch regime. Onderstaande afbeelding laat de vergunde situatie zien. Deze vergunde situatie is gerealiseerd en komt overeen met de feitelijke situatie. Het enige verschil is dat in de bestaande situatie minder mest wordt verwerkt dan is vergund (zie de toelichting in pararaaf 3.2).

Figuur 11: Situatieschets vergunde, feitelijk gerealiseerde situatie (omgevingsvergunning 2020)

66

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

P218712.008

4.3

Feitelijke situatie met autonome ontwikkeling (referentie MER)

Voor het beoordeling van de daadwerkelijke milieueffecten in het MER, moeten in de feitelijke situatie ook voorzienbare ontwikkelingen (waarover al besluitvorming heeft plaatsgevonden) worden betrokken. Hiermee wordt de referentie vastgelegd als uitgangspunt voor het bepalen van de maximale effecten die mogelijk zijn bij het vaststellen van de ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderij binnen het plangebied.

4.3.1 Woningen en gevoelige functies In de omgeving van het plangebied liggen burgerwoningen, (voormalige) bedrijfswoningen bij veehouderijen, een camping en de kern Egchel. Tabel 5: Afstand plangebied tot bestemmingsvlak gevoelige bestemmingen

Woningen / gevoelige bestemming Karissendijk 10 Rongvenweg 8 Rongvenweg 5 Melkweg 12 Melkweg 5 Melkweg 4a Melkweg 4 Camping T Vosseveld Roggelseweg 131 Woonkern Egchel

Afstand bestemmingsvlak wonen tot plangebied in meters 145 m (de woning ligt op 220 m) 550 m 680 m 550 m 840 m 910 m 990 m 1,15 km 1,15 km

Tabel 6: Afstand plangebied tot agrarische bedrijfswoningen bij veehouderijen

Bedrijfswoningen bij veehouderijen Karissendijk 7 en 9 (nertsenhouderij) Karissendijk 11 (rundveehouderij) Melkweg 18 (varkenshouderij) Overige bedrijfswoningen bij veehouderijen

Afstand woning tot plangebied in meters 88 m 158 m 165 m > 300 m

Karissendijk 7 en 9 is een beëindigde nertsenhouderij. Het is tijdens het opstellen van dit MER nog niet bekend welke functiewijziging(en) op deze locaties gaat plaatsvinden, waardoor de toekomstige functiewijziging nog niet betrokken kan worden als autonome ontwikkeling, maar nog uitgegaan wordt van de vergunde rechten.

4.3.2 Veehouderij binnen het plangebied De vigerende omgevingsvergunning van 2020 vormt het uitgangspunt bij het bepalen van de referentiesituatie, uitgaande van het feit dat de vergunde stallen met mestsilo’s conform deze vergunning in de bestaande situatie opgericht en in werking zijn. Zie paragraaf 2.3 voor de actuele luchtfoto’s.

Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel

67

P218712.008

De bestaande situatie bestaat uit drie deelgebieden met een totaal oppervlak van 26.500 m 2 :  Deelgebied 1: twee biggenstallen aan De Horsten 20-18, zie figuur 4 in par. 2.2.  Deelgebied 2: twee mestsilo’s met verharding, zie figuur 5 in par. 2.2.  Deelgebied 3: Een zeugenstal aan De Horsten 17, zie figuur 6 in par. 2.2. Rondom de gerealiseerde stallen en mestsilo’s zijn de gronden nog in gebruik als landbouwgrond. Tussen deelgebied 2 en 3 ligt een onbebouwd stuk grond met een ven. Dit perceel is eigendom van de gemeente en fungeert als waterbergingsvoorziening en heeft voldoende capaciteit voor het bestaand verhard oppervlak. In de gebiedsvisie LOG Egchelse Heide staat deze retentievoorziening beschreven. Dieraantallen en stalemissies De dierbezetting en stalemissies in de bestaande situatie, conform de omgevingsvergunning van 2020 is opgenomen in tabel 7. Alle stallen zijn voorzien van een gecombineerde luchtwasser (BWL 2010.02.V7) met watergordijn en biologische wasser met een emissiereductie van 85% ammoniak, 45% geur en 80% fijn stof. Tabel 7: Stalemissies in de bestaande situatie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=91ffbbac-6950-4557-a510-434ef0a349b4