2025-062 04 Bijlage 1 bij Toelichting - Nota van zienswijzen en wijziging (geanonimiseerd)
Tekst van het document
op locaties waar voldaan kan worden aan alle regels, vooral op gunstig gelegen veehouderijlocaties. De gemeenteraad beslist over de vaststelling van het bestemmingsplan en zal dit doen op basis van een belangenafweging en eerdere politieke standpunten die zijn ingenomen over de ontwikkeling van het landbouwontwikkelingsgebied De voormalige gemeente Helden heeft in 2008 in het gebied Egchelse Heide ruim 22 ha grond gekocht voor de ontwikkeling van een landbouwontwikkelingsgebied (LOG Egchelse Heide). De doelstelling was aanvankelijk om te voorzien in de mogelijkheid van nieuwvestiging van intensieve veehouderijen die elders binnen de gemeente een knelpunt vormden. De gemeente heeft destijds alle gronden opgekocht om maximale sturing te houden op milieuaspecten, met
name geur vanwege afspraken die zijn gemaakt met de inwoners van Egchel. In 2017 heeft de laatste grondtransactie plaatsgevonden. Bij de verkoop van de gronden zijn tussen ondernemer en gemeente afspraken vastgelegd in een overeenkomst over de ontwikkelmogelijkheden op de aangekochte gronden. Aanvankelijk voor de twee kavels aan De Horsten 20 en 17 en later kwam de kavel van Melkweg 22 hier nog bij. Het bestemmingsplan geeft invulling aan de vastgelegde afspraken, en dat binnen de mogelijkheden die de huidige wet- en regelgeving vandaag de dag biedt. b.
Volgens indiener worden er nog onderzoeken verricht naar de schadelijke invloeden van de veehouderij op de volksgezondheid.
Inhoudelijke reactie: Het bestemmingsplan is kaderstellend voor later te nemen besluiten over de omgevingsvergunning en sluit aan bij de actuele wet- en regelgeving, omdat op basis hiervan besluitvorming moet plaatsvinden. Het bedrijfsontwikkelingsplan zal binnen de kaders verder uitgewerkt worden en waar nodig worden bijgestuurd, als hiervoor aanleiding is vanwege gewijzigde wet- en regelgeving. De ondernemer kan binnen de gestelde planologische kaders gefaseerd de benodigde omgevingsvergunningen aanvragen. Deze aanvragen zullen worden getoetst aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving. Het is niet de verwachting dat de vervolgonderzoeken naar gezondheidseffecten door
veehouderijen voor specifiek de varkenshouderij tot wezenlijk andere inzichten zullen leiden dan in het planMER beschreven staan. Daarbij geldt dat deze locatie in een landbouwontwikkelingsgebied is gesitueerd, omdat hier weinig (burger)woningen of andere gevoelige objecten aanwezig zijn (het aantal blootgestelden is vanwege de gunstige ligging van het plangebied beperkt, met daardoor voldoende ruimte voor de veehouderij om te ontwikkelen).
20
c
Intiatiefnemer geeft aan dat het dierhouderijsysteem niet voldoet en niet zal voldoen aan de weten regelgeving omtrent het houden van dieren en verwijst hiervoor naar: motie De Groot, het derde amendement Vestering en het Convenant dierwaardige veehouderij. Indiener geeft ook aan dat het initiatief niet voldoet aan het EU- cage free initiatief.
Inhoudelijke reactie: Het bestemmingsplan is kaderstellend voor later te nemen besluiten op de omgevingsvergunning. Het totale bedrijfsontwikkelingsplan gaat uit van de huidige dierwelzijnseisen en actuele inzichten omtrent varkenshouderij. De uitbreidingsplannen waarvoor vergunningaanvragen moeten worden ingediend, zullen moeten voldoen aan alle wet-
en regelgeving die op dat moment geldt. Ook de dierwelzijnswetgeving. De ondernemer heeft de ruimte om naar eigen inzicht het bedrijfsontwikkelingsplan binnen de gestelde planologische kaders
d.
verder
uit te werken.
Indiener geeft aan dat in de MER- beoordeling wordt aangegeven het initiatief niet voldoet aan de geldende geurnormen (voorgrondbelasting), op basis van de huidige geuremissiefactoren.
Inhoudelijke reactie: Het bestemmingsplan is kaderstellend voor later te nemen besluiten op de
omgevingsvergunning. In het MER staat uitvoerig toegelicht dat op basis van de huidige geurnorm voor de woning Karissendijk 10 en 45% geurreductie door de biologische gecombineerde luchtwassers niet het gehele bedrijfsontwikkelingsplan gerealiseerd kan worden. Uit de tweede aanvulling MER volgt dat ook Rongvenweg 8 met geurnorm 5,5 Ou een beperkende factor kan vormen (als uitgegaan wordt van een standaard emissiepunt-diameter van 1,0m conform de invoerinstructie V-stacks Vergunning). Pas als de geurreductie van de gecombineerde luchtwassers weer wettelijk verhoogd wordt ontstaat er de benodigde geurruimte voor de laatste uitbreidingsfase. Momenteel lopen er onderzoeken om de goede werking van de gecombineerde luchtwassers te verbeteren en van voldoende waarborgen te kunnen voorzien, met als doel de wettelijke geuremissiefactoren te verlagen. Dit staat onder andere toegelicht bij de leemten in kennis in het planMER. Omdat intern salderen van stikstof niet is toegestaan vanwege de één-op-één inpassing van de natuurvergunning, zal de
ondernemer bij wijzigingen om de geurbelasting te verlagen een buitenplanse omgevingsvergunning (bopa) moeten aanvragen in verband met strijdigheid met de stikstofregeling. e.
Indiener is van mening dat de beoordeling in de MER rapportage omtrent de luchtwassers niet voldoet, omdat de gemeente in de MER rapportage aangeeft dat de beoogde luchtwassers niet voldoen en alleen oplossingen worden aangedragen die in de omgevingsvergunningen komen te staan; extra voorschriften voor maatregelen, onderhoud en monitoring wordt opgenomen. Indiener is van mening dat de voorgestelde emissievrije stalsystemen onvoldoende instaat zijn
om de reductie van de emissies te bewerksteligen. Indiener verwijst naar de volgende rapportages: CBS- rapport Stikstofverlies uit opgeslagen mest oktober 2019, advies Commissie Deskundige Meststoffenwet, artikel stichting Mineral Valley Twente en Stichting Agri Facts Emissiearme vloeren overtuigen niet in de praktijk. Nieuwsbericht Rijksoverheid over stikstofaanpak. En, de uitspraken ECLI:NL:RBOVE:2022:1238, ECLI:NL:RBOBR:2022:4210, ECLI:NL:RBZWB:2023:1532,
ECLI:NL:RBOBR:2023:968,
ECLI:NL:RVS:2023:3699.
Inhoudelijke reactie: De Raad van State oordeelt in een uitspraak van 18 september 2024 dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan twijfels aan de effectiviteit van emissiearme stalsystemen niet relevant zijn (ECLI:NL:RVS:2024:3758) en geen rol hoeven te spelen bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Het idee hierachter is dat wanneer een toename van stikstofdepositie wordt uitgesloten in de planregels, het aan de gebruiker van het emissiearme stalsysteem is om bij de uitvoering van het project (of bij het aanvragen van een vergunning) aan te tonen dat het systeem naar behoren functioneert. De discussie over de effectiviteit van emissiearme stallen 21
wordt naar het vergunningenspoor verschoven. Dat dit mogelijk is oordeelde de voorzieningenrechter ook al eerder in een uitspraak van 18 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2735).
Ten aanzien van het onherroepelijke karakter van de natuurvergunning van 2015 en 2020 wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1. Zie ook de voortoets die als bijlage 10 bij de toelichting is gevoegd. De omgevingsvergunningen worden verleend op basis van de op dat moment actuele leaflet (versienummer) van de betreffende luchtwasser. Ook worden binnen de Omgevingswet aanvullende wettelijke eisen voorgeschreven waaraan voldaan moet worden. f
Volgens indiener is door de externe saldering bij het verkrijgen van de natuurvergunning de stikstofruimte in 2015 ingekocht. Volgens indiener is deze uitstoot is dus al 10 jaar verdwenen, volgens indieneer mogelijk 20 jaar bij de realisering van het project. Volgens indiener betekent dit dat de nieuwe
stallen een
netto
toename
van stikstof zal betekenen.
Inhoudelijke reactie: Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 1. Conclusie:
De gronden genoemd
in zienswijze 4 leiden niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
De voortoets in bijlage 10 bij de toelichting en Aanvulling MER in bijlage 7 bij de toelichting geven aanvullende uitleg ten aanzien van deze zienswijzen.
22
Zienswijze 5 a. Indiener verzoekt dat artikel 7 van de regels van het ontwerp bestemmingsplan; Leiding - Hoogspanning als volgt kan worden aangepast, dit om het hoogspanningsnet te beschermen tegen omgevingsaspecten: a
i weghaien
Rood e oevoegen 12 Boumregeis
722
Bouwwerken, geen gebouw zijnde, aanwulen met de volgende tekst:
Indlen bestaande gebouwen en/of bouwwerken worden vervangen.
vernieuwd of veranderd s dt loegestaan
inden de opperviakte en Noogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande tundering 13 Atuiken
Het bevoegd gezag kan door middei van een omgevingsvergunring afwijken voor he bepaaldein artkei 72 1 en behoeve van het bouwen van gebouwen, m 2
geen onevenredige aantasting plaatsindt v:r aan hef
veiig.
betrouwbaar en duurzaamn
doelratg
unctoneren van de noogsparrgsleiding. geen one aan de andere aade gronden gegeven gen wordt ofkan worden toegebracht vooraf postiefschritelik advies wordt Ingewonnen bi de desbetrefiende leidingbeheerder
b <
714 Omgevingsvergunning voor he uivoeren van werken, geen bouwwerk ijnde, f van werkzaamheden ‘3 het veranderen van het huidige maaiveldniveau door otginnen, boderweriagen, agalseren, afgraven, depploegen. ndrjven of ophogen: b hof aanleggen van walergangen, net ergraven, verruimen f dempen van eeds bestaande walergangen, aismece net verhogen of verlagen van het waterpel; < net aanleggen, verbreden, of verrarden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden: . not prmanent opslaan van goederen (brandbare)stoflen en of materialen; e
het aandrengen daarmee
verband
van
gesloten oppervakteverharding
houdende
het aanleggen
van kabeis
en/ofeidngen en
constructes
het aanleggen eniof slopen van bovengrondse opstallen, constructes, straatmeubiair, instalaties of apparatuur anders dan ten dienste van dein d .1 omschreven bestemrring: het aanbrengen, vllen en/ofrooien van opgaande beplantng er bomen en/of diepwortelende
f
beplaningen: 9.
Het aanleggen van zonneparken
b.
Indiener verzoekt of het volgende artikel kan worden overgenomen in het ontwerpbestemmingsplan, bij artikel 7 van de regels, dit om gevaarlijke situaties bij de
hoogspanningsmasten te voorkomen: 42
Utzondering 3
normale
b c
werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik: werken of werkzaamheden die verband houden met de aanieg. 2anpass:ng of onderhoud van de betreffende ondergrondsefovengrondse hoogspanningsieding werken of werkzaamneden, weike op het dstip van inwerkingtreding van het pla n uivoering zijn dan welkrachtens een voor dat tjdstip verleende (omgevings)vergunning mogen worden uitgevoerd.
d
143
onderhoudswerkzaamheden
Toetaatbaarheid
De werken of werkzaamheden als bedoeid n 7 4.1 z slechts toelaatbaar, mits: 2 de betreffende werken en'of werkzaamheden n srjdig z met de belangenvan veligheid van de erbirging hierdoor geen onevenredige afbreuk wort gedaan aan een veiig. betrouwbaarer duurzaam unctoneren van de bereffende noogspanningsverbinding en niet eerder dan nadat de
leidingbeheerder postief schrftlijk advies heoft uitgebracht Specitieke gebruiksregels Tot een gebruk strijdig met deze bestemming als bedoeid n arkel 2.1,
eerste d onder c, van de Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht wordt n ieder geval gerekend a een gebruik dat geen rekening houd! met een ongestoorde werking van de bovengrondse hoogspanningsleiding en de nsic's die ermee verbonden z
Inhoudelijke reactie en conclusie De voorgestelde toevoegingen en aanpassingen worden onverkort overgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Voor een overzicht van de aangepaste regels wordt verwezen naar
de Nota van wijzigingen in hoofdstuk 4 van dit document.
23
Zienswijze 6 a.
b.
Indiener van de zienswijze adviseert om bij nieuwe ontwikkelingen, het plangebied klimaatneutraal / klimaatadaptief in te richten. Specifiek gaat het advies over: om de waterberging (infitratiesysteem) te dimensioneren op 100mm in 24 uur. Indiener geeft in de zienswijze aan dat in het gebied meer ontwikkelingen gaande zijn die besproken kunnen worden: ontwikkelingen rondom Melkweg 16 en 18.
Inhoudelijke reactie: In het bestemmingsplan en aanvulling op het MER is een waterplan toegevoegd. Hierin is de bestaande centrale waterbergingsvoorziening opnieuw doorgerekend op basis van 100 mm in 24 uur conform de zienswijze. Er is berekend hoeveel waterbergingscapaciteit nog resteert voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Hieruit volgt dat de centrale waterberging ook bij 100 mm in 24 uur voldoende bergingscapaciteit heeft voor de waterbergingsopgave van het totale ontwikkelplan waarvoor het kaderstellende
bestemmingsplan wordt vastgesteld. Aanvullend kunnen de poelen n het landschappelijk inpassingsplan uitgevoerd worden als waterbergingsvoorziening. Conclusie:
Naar aanleiding van de zienswijze onder a is een nieuwe berekening gemaakt en verwerkt in een waterplan. Dit waterplan is tot stand gekomen in afstemming met het waterschap, de indiener van de zienswijze. Het waterplan is als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen en als bijlage in de aanvulling MER opgenomen. De aanvullende waterbergingscapaciteit s uitgewerkt in een oplegnotitie bij het landschappelijk inpassingsplan en bijgevoegd als bijlage bij de regels.
24
Zienswijze 7 a.
Indiener geeftin de zienswijze aan dat Nederlandse en Europese wetgeving ertoe zullen leiden dat het intensieve huisvestingssysteem niet zal passen binnen de wettelijke regels.
b.
Volgens indiener is het niet mogelijk om dieren te huisvesten in een systeem dt dieren permanent de mogelijkheid ontneemt om hun natuurljk gedrag te vertonen.
Inhoudelijke reactie a en b: Het bestemmingsplan is kaderstellend voor later te nemen besluiten op de omgevingsvergunning. Het totale bedrijfsontwikkelingsplan gaat uit van de huidige dierwelzijnseisen en actuele inzichten omtrent intensieve varkenshouderij. De uitbreidingsplannen waarvoor vergunningaanvragen moeten worden ingediend, zullen moeten voldoen aan alle wet- en regelgeving die op dat moment geldt, dus ook aan de dierwelzijnswetgeving. De ondernemer heeft binnen de wettelijke kaders de ruimte om het bedrijfsontwikkelingsplan verder uit te werken. Het plan voorziet in volledige nieuwbouwstallen
met daglicht toetreding, waarin een optimaal stalklimaat gerealiseerd kan worden. Deelname aan keurmerken die gericht zijn op ‘verdergaand verbeterd dierwelzijn’ is een ondernemerskeuze.
c.
Het initiatief heeft volgens indiener geen alternatief voor de gevaarlijke en onbetrouwbare luchtwassers. Indiener maakt zich zorgen over de brandveiligheid; dieren kunnen niet ontsnappen bij een calamiteit.
Inhoudelijke reactie:
Het bestemmingsplan is kaderstellend voor later te nemen besluiten en regelt niet de brandveiligheidseisen. De ondernemer wil gefaseerd realiseren en moet voor
iedere fase een
omgevingsvergunning aanvragen. De omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit (bouwvergunning) moet voldoen aan alle bouwregels en strenge brandveiligheidseisen. Van iedere aanvraag wordt het bouwplan voor advies voorgelegd aan de brandweer. Ook de verzekeraars stellen strenge eisen. Om het aantal stalbranden en dierlijke slachtoffers te beperken werken LTO Nederland, de Dierenbescherming, het Verbond van Verzekeraars en Brandweer Nederland in nauw overleg met de direct betrokken Ministeries van LNV en BZK samen en hebben het Actieplan Stalbranden opgezet (2012-2016 en 2018-2022). Het Actieplan Stalbranden 2012-2016 is medio 2017 afgerond en ziet toe op brandveilige bedrijfsvoering, brandveilige stallen en brandpreventie. Het resultaat van dit actieplan is dat de kans op brand met dierlijke slachtoffers in nieuwbouwstallen aantoonbaar is afgenomen. Dit komt onder andere door strengere bouwvoorschriften in het Bouwbesluit (sinds april 2014), extra eisen van de verzekeraars en een groter bewustzijn bij veehouders en aanverwante adviseurs, leveranciers en erfbetreders.
Het is vaak moeilijk te achterhalen hoe een stalbrand is ontstaan maar kortsluiting en problemen met elektra lijken de belangrijkste oorzaak te zijn. Luchtwassers zijn op zich niet
brandgevaarlijk vanwege de grote hoeveelheid water in de luchtwassers. Te kleine bouwvlakken (waardoor stallen dicht op elkaar staan) hebben ook aantoonbaar invloed op het ontstaan, verloop en de gevolgen van stalbranden. Omdat in dit bestemmingsplan toeziet op volledige nieuwbouw met nieuwe technische installaties kunnen de brandveiligheidsmaatregelen optimaal betrokken worden in het ontwerp van de stallen en opzet
van het bedrijf. De bouwvlakken zijn ruim aangehouden, zodat er voldoende ruimte tussen de varkensstallen wordt aangehouden
met het oog op brandveiligheid.
25
d.
Indiener maakt zich zorgen over de volksgezondheid; luchtwegklachten. Indiener wijst op een zorgplicht en het voorzorgprincipe.
Inhoudelijke reactie: De effecten voor de volksgezondheid zijn beschreven en onderzocht in het planMER op basis van de gezondheidskundige advieswaarden en GGD-adviezen. In de planregels van het bestemmingsplan zijn vanuit voorzorg randvoorwaarden opgenomen, zoals het uitsluitend toestaan van varkenshouderij, het maximaliseren van dieraantallen per diercategorie, maximaliseren van de achtergrondbelasting geur en van de geluidsbelasting. Voor een overzicht van de aanvullende regels wordt verwezen naar de tweede aanvulling MER en de Nota van wijzigingen in hoofdstuk 4 van dit document.
In de woonkern van Egchel is vanwege de relatief grote afstand geen sprake van een verslechtering van het leefklimaat en geen sprake van verhoging van gezondheidsrisico's. In de directe nabijheid van het plangebied is wel sprake van een verslechtering van het leefklimaat, maar wordt voldaan aan alle wettelijke vereisten. e.
Indiener geeft aan dat het type luchtwasser, die wordt gebruikt in het initiatief onvoldoende geuruitstoot reduceert. Indiener geeft ook aan dat de ammoniakreductie via dt type luchtwasser onvoldoende is. Initiatiefnemer verwijst naar rapport van de Wageningen universiteit. Indiener
verwijst hiervoor naar de rapportages van de GGD (GGD richtlijn Medische milieukunde, veehouderij en gezondheid en het RIVM rapport 2020-0092).
Inhoudelijke reactie: De Raad van State oordeelt in een uitspraak van 18 september 2024 dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan twijfels aan de effectiviteit van emissiearme stalsystemen niet relevant hoeft te zijn (ECLI:NL:RVS:2024:3758) en geen rol hoeven te spelen bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Het idee hierachter is dat wanneer een toename van stikstofdepositie wordt uitgesloten in de planregels, het aan de gebruiker van het emissiearme stalsysteem is om bij de uitvoering van het project (of bij het aanvragen van een vergunning) aan te tonen dat het
systeem naar behoren functioneert. De discussie over de effectiviteit van emissiearme stallen kan (en wordt) naar het vergunningenspoor verschoven. Dat dit mogelijk is oordeelde de voorzieningenrechter ook al eerder in een uitspraak van 18 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2735). Ten aanzien van het onherroepelijke karakter van de natuurvergunning van 2015 en 2020 wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1 onder a. Zie ook de voortoets die als bijlage bij de toelichting is gevoegd. f_
Indiener geeft aan dat de varkens, bloot worden gesteld aan schadelijke gassen (zoals ammoniak), als zij in de stallen verblijven. Deze gassen ontstaan volgens indiener door de put waar de uitwerpselen worden verzameld.
Inhoudelijke reactie: Het ventilatiesysteem in de stallen wordt gedimensioneerd op basis van ventilatienormen van het Klimaatplatform. Een optimaal klimaat in de stallen is van belang voor het dierwelzijn en het personeel, en resulteert ook in goede productieresultaten. In nieuwbouwstallen is het klimaat in
de stallen optimaal. In de gekozen bedrijfsopzet wordt daarbij de mest uit de putten via pijpleidingen naar de mestsilo en mestverwerkingsinstallatie afgevoerd, waardoor de hoeveelheid mest in de mestputten beperkt blijft en de emissies die ontstaan in de mestput beperkt worden.
26
9.
Volgens indiener zijn de Peelgebieden door grondwateronttrekking, bodemverzuring, stikstofdepositie en door de gevolgen van klimaatverandering niet meer te redden. Indiener vraat zich af of dit initiatief goed is voor de Natura 2000 gebieden.
h.
Indiener kan zich niet verenigen met de MER- beoordeling, waar volgens indiener wordt gesteld dat de negatieve gevolgen van de stikstofdepositie op de Wet ammoniak en veehouderij gebieden worden geaccepteerd.
i
Indiener is van mening dat de gemeenteraad van Peel en Maas zich zal schuldig maken aan ecocide indien het initiatief wordt goedgekeurd.
Inhoudelijke reactie g t/m i: In het planMER zijn de gevolgen voor beschermde natuurgebieden en soorten onderzocht. Voor vaststelling is door een ecologisch adviesbureau een actueel onderzoek uitgevoerd naar effecten voor beschermde soorten. Ten aanzien van Natura2000 gebieden is voor vaststelling een voortoets uitgevoerd (deze wordt bijgevoegd als bijlage bij de aanvulling op het MER en als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan). In de aanvulling op het MER wordt ingegaan op de effecten door de stikstoftoename op de nabij gelegen (voormalige) Wavgebieden en het Natuurnetwerk.
Op de stikstofgevoelige habitats in Natura2000 gebieden ontstaat ten gevolge van de externe saldering die al heeft plaatsgevonden in 2015 en onherroepelijk is geen toename in stikstofdepositie. Op de dichterbij gelegen Wav-gebieden en het Natuurnetwerk ontstaat wel een depositietoename, aangezien één van de vier saldogevers niet in de nabijheid van het plangebied is gelegen. De Wav-gebieden zijn komen te vervallen met het in werking treden van de Omgevingswet. De vervallen Wet ammoniak en veehouderij (Wav) stelde echter geen wettelijke eisen of beperkingen aan de stikstofdepositie op Wav-gebieden, maar stelde alleen eisen en beperkingen aan veehouderijen binnen 250 meter van een Wav-gebied. Het plangebied logt op grotere afstand. In de aanvulling op het MER is ook de stikstofdepositie op het Natuurnetwerk (buiten de Natura2000 gebieden) inzichtelijk gemaakt. Voor het Natuurnetwerk gelden geen wettelijke eisen of beperkingen ten aanzien van stikstofdepositie. Het provinciaal stikstofbeleid richt zich uitsluitend op Natura2000 gebieden. De Raad kan op
basis van de resultaten in het MER de depositietoename op de voormalige Wav-gebieden en op het Natuurnetwerk betrekken in de belangenafweging. Het landschappelijk inpassingsplan zorgt daarbij voor een aanzienlijke verbetering van de ecologische waarden binnen het plangebied, dat in de bestaande situatie voornamelijk bestaat uit intensief bewerkte landbouwgrond en braakliggende grond. j.
Volgens indiener is het initiatief niet te verenigen met de nodige eiwittransitie. Indiener geeft aan dat de verleende vergunningen ingetrokken kunnen worden.
Inhoudelijke reactie: Het bestemmingsplan stelt de planologische kaders voor later te verlenen omgevingsvergunningen. De reeds verleende vergunningen zijn onherroepelijk en ambtshalve intrekking betekent dat de ondernemer schadeloos gesteld moet worden. Er is gezien de ligging in een landbouwontwikkelingsgebied geen noodzaak om tot intrekking van de vergunningen over te gaan. Conclusie:
De gronden genoemd
in zienswijze 7 leiden niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
De passende beoordeling die is toegevoegd als bijlage bij de toelichting en Aanvulling MER geeft aanvullende toelichting ten aanzien van de zienswijzen.
27
Zienswijze 8 a.
Indiener geeft aan dat in de quick-scan geen informatie staat over wel/niet aanwezige flora en fauna.
Inhoudelijke reactie: Voor vaststelling is een actueel ecologisch onderzoek uitgevoerd ten aanzien van beschermde soorten (flora en fauna) inclusief veldbezoek (datum onderzoek noemen)?.
Dit onderzoek
maakt deel uit van de aanvulling op het MER en wordt als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan (voor vaststelling) bijgevoegd. Dit onderzoek resulteert niet tot nieuwe inzichten op basis waarvan het bestemmingsplan moet worden aangepast. b.
Indiener geeft aan dat bij de realisatie van het landschapsplan geen nulmeting of effectstudie is verricht naar de eventuele meerwaarde van het landschaps- en beplantingsplan. Daarbij maakt de indiener een verwijzing naar de (negatieve) effecten van de stikstofneerslag op het plangebied en het bijhorend landschap die via het landschapsplan wordt ingericht.
Inhoudelijke reactie: In het planMER is de bestaande situatie beschreven en voorzien van foto's. De landschappelijke en ecologische waarde van het gebied is klein, aangezien de percelen vooral uit agrarische landbouwgrond en braakliggende grond bestaat. De beplanting die is aangeplant door de gemeente t.b.v. inrichting van het LOG en door de ondernemer rondom de bestaande stallen betreft nog vrije
jonge aanplant.
Het hele plangebied moet landschappelijk ingepast worden. Hiervoor is een landschappelijk
inpassingsplan opgesteld door een specialist en deze is getoetst door de gemeente Peel en Maas. In de planregels is voorgeschreven wanneer de landschappelijke inpassing gerealiseerd moet zijn en dat deze onderhouden en behouden blijft. Stikstofeffecten zijn niet relevant voor de landschappelijk inpassing, want dit heeft geen nadelige effecten voor de gekozen beplantingen. Het oppervlak te realiseren aan landschappelijke inpassing bedraagt 10% van het oppervlakte
bouwvlak; dit komt overeen met 8.661 m? . Met dit landschappelijke inpassingsplan wordt kwantitatief invulling gegeven aan waarbij is aangesloten bij de uitgangspunten van het Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas en kwalitatief wordt de ecologische waarde vergroot met een meerwaarde voor de biodiversiteit in het gebied.
©.
Indiener geeft in de zienswijze aan dat de neerslag van fijnstof toeneemt na de beoogde uitbreiding in de kern Egchel. De indiener verwijst 0.a. naar de uitstoot PM10. Indiener geeft aan dat de huidige uitstoot in Midden — Limburg ver boven de door de WHO geadviseerde grens ligt en verwijst naar het rapport: GGD Limburg, Luchtkwaliteit en gezondheid, november 2022.
Inhoudelijke reactie: Uit het MER en de aanvulling op het MER volgt dat de fijnstofconcentratie in de omgeving van
het plangebied en in het verlengde hiervan in en rondom Egchel rond de 16 ug/m? ligt. Op kortere afstand van het plangebied is de fijnstof belasting wat hoger rond de 17-18 ug/m3. De WHO-gezondheidskundige waarde van 15 ug/ms wordt licht overschreden, echter dit is een advieswaarde en geen toetswaarde. De bronbijdrage van het planvoornemen is klein.
28
d.
Indiener geeft n de zienswijze aan dat de na de realisatie van het initiatief de hoeveelheid neerslag van stikstof en ammoniak in Egchel drie keer zoveel worden.
Inhoudelijke reactie: Dat in de toekomstige bestaande situatie na realisatie vanuit de varkenshouderij aan De Horsten een toename in ammoniak-/stikstofemissie en -depositie ontstaat dient in samenhang met de externe saldering in 2015 bezien te worden. Drie saldogevers bevinden zich in de omgeving van Egchel. Ten aanzien van de onherroepelijkheid van de natuurvergunningen van
2015 en 2020 wordt verwezen wordt naar de beantwoording onder zienswijze 1a. De externe saldering ten behoeve van de natuurvergunning maakt de beoogde uitbreiding van de varkenshouderij op De Horsten mogelijk, zonder een toename van stikstofdepositie op Natura2000 gebieden. Drie van de vier saldogevende veehouderijen waren rondom Egchel gevestigd (Keup, Hub en Melkweg ). Waardoor de externe saldering (het stoppen van de saldogevende veehouderijen) voor het grootste deel ook ten goede is gekomen aan de leefbaarheid in en rondom Egchel. De aspecten die relevant zijn voor de leefbaarheid in en rondom Egchel (met name geur en fijnstof) zijn beoordeeld in het MER (inclusief aanvulling op
het MER). Uit deze milieubeoordeling volgt dat de leefbaarheid in en rondom de woonkern Egchel niet verslechtert ten gevolge van het plan, ondanks de toename van varkens en stalemissies binnen het plangebied aan De Horsten. Dit heeft met name te maken met de afstand van het plangebied tot de woningen in en rondom Egchel, maar ook doordat de drie saldogevende veehouderijen dichterbij Egchel gevestigd waren en een bijdrage hebben geleverd aan met name de afname van geur en fijnstof in en rondom Egchel. De toename van ammoniak-/stikstofemissie binnen het plangebied heeft niet dezelfde factor als
de toename van neerslag in Egchel. Gezien de relatief grote afstand tot de woongebieden van Egchel zal de ammoniak-/ stikstofemissie verdunnen en verspreiden in de buitenlucht. De eventuele toename van de neerslag wordt bepaald door meerdere factoren zoals afstand, windrichting en emissiepunt-parameters (uittredesnelheid en emissiepunt hoogte) e.
Indiener geeft aan dat de geurbelasting in het gebied zal toenemen als het initiatief wordt gerealiseerd en verwijst naar de parameters die zijn gegeven in het MER rapport, die volgens indiener niet voldoen.
Inhoudelijke reactie: In het planMER is de toename van de geurbelasting (voorgrondbelasting en achtergrondbelasting) onderzocht op basis van het totale ontwikkelplan dat de ondernemer op hoofdlijnen heeft aangeleverd en waarvoor het bestemmingsplan de kaders stelt. De emissiepunt-parameters zijn gewaarborgd door de één-op-één inpassing van de natuurvergunning. In lijn met de RvS-uitspraken van 18 december 2024 waarin interne saldering van stikstof vergunningplichtig is geworden, wordt in het bestemmingsplan geen interne saldering toegestaan. Dit betekent dat wijziging van emissiepunt-parameters in strijd is
met het bestemmingsplan (voor vaststelling). Uit het MER volgt dat de laatste uitbreidingsfase beperkt wordt door de geurnorm voor voorgrondbelasting door de woning Karissendijk 10. Omdat interne saldering voor stikstof niet mogelijk is binnen het bestemmingsplan (voor vaststelling) kan de ondernemer zijn bedrijfsopzet en emissiepunt-parameters alleen optimaliseren via een buitenplanse omgevingsvergunning (bopa). De ondernemer kan binnen het kaderstellende bestemmingsplan wel kiezen voor minder varkens en meer leefoppervlakte per varken en/of deelname aan een keurmerk voor verbeterd dierwelzijn.
29
f.
Indiener geeft aan dat de relatie tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden in ‘het MER rapport onvoldoende is afgewogen. Volgens indiener wordt de gezondheidsrisico's wel benoemd maar bestaan volgens indiener nog veel vragen over de effecten die
veehouderijen geven op de volksgezondheid. Indiener verwijst naar het advies van de GGD om gezondheid expliciet mee te wegen (rapport GGD Limburg Noord en Limburg Zuid, Luchtkwaliteit en gezondheid in Limburg nov. 2022).
Inhoudelijke reactie:
Het bestemmingsplan is kaderstellend voor later te nemen besluiten over de omgevingsvergunning en sluit aan bij de actuele wet- en regelgeving, omdat op basis hiervan besluitvorming moet plaatsvinden. De ondernemer kan binnen de gestelde planologische kaders gefaseerd de benodigde omgevingsvergunningen aanvragen. Deze aanvragen zullen worden getoetst aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving. Het is niet de verwachting dat de vervolgonderzoeken naar gezondheidseffecten door veehouderijen voor specifiek de varkenshouderij tot wezenlijk andere inzichten zullen leiden dan in het planMER beschreven staan. Daarbij geldt dat deze locatie in een landbouwontwikkelingsgebied is gesitueerd, omdat hier weinig (purger)woningen of andere gevoelige objecten aanwezig zijn (het aantal blootgestelden is vanwege de gunstige ligging van het plangebied beperkt, met daardoor voldoende ruimte voor de veehouderij om te ontwikkelen).
Conclusie:
De gronden genoemd in zienswijze 8 leiden niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
30
Zienswijze 9 a.
Indiener kan zich niet verenigen met het initiatief. Indiener geeft aan dat er landelijke ontwikkelen zijn waarbij geld wordt geïnvesteerd om het leefklimaat te verbeteren en de gezondheidsrisico's te minimaliseren.
Inhoudelijke reactie: De voormalige gemeente Helden heeft in 2008 in het gebied Egchelse Heide ruim 22 ha grond gekocht voor de ontwikkeling van een landbouwontwikkelingsgebied (LOG Egchelse Heide). De doelstelling was aanvankelijk om te voorzien in de mogelijkheid van nieuwvestiging van intensieve veehouderijen die elders binnen de gemeente een knelpunt vormden. De gemeente heeft destijds alle gronden opgekocht om maximale sturing te houden op milieuaspecten, met name geur vanwege afspraken die zijn gemaakt met de inwoners van Egchel. In 2017 heeft de laatste grondtransactie plaatsgevonden. Bij de verkoop van de gronden zijn tussen ondernemer en gemeente afspraken vastgelegd in een overeenkomst over de ontwikkelmogelijkheden op de aangekochte gronden. Aanvankelijk voor de twee kavels aan De Horsten 20 en 17 en later kwam de kavel van Melkweg 22 hier nog bij. Het bestemmingsplan geeft invulling aan de
vastgelegde afspraken, maar binnen de mogelijkheden die de huidige wet- en regelgeving vandaag de dag biedt. b.
Volgens indiener bevindt zich in de nabije afstand van 1km van De Horsten twee rundveebedrijven die hun veestapel moeten reduceren. Indiener kan niet begrijpen waarom een uitbreiding via dit initiatief mogelijk Ís.
Inhoudelijke reactie:
Er wordt in de zienswijze niet aangegeven wat de aanleiding is voor de noodzakelijke krimp van de rundveebedrijven, maar mogelijk zijn dit zogenaamde PAS-melders en moeten deze bedrijven inkrimpen in geval hun PAS-melding niet gelegaliseerd kan worden én er geen geschikte emissiearme stalsystemen beschikbaar zijn. Veehouders die een PAS-melding hebben gedaan hadden in theorie de optie om ammoniakrechten te kopen voor een uitbreiding in plaats van gebruik te maken van de PAS-ontwikkelruimte (waar de Raad van State later een streep door heeft gehaald). Het planvoornemen op De Horsten is mogelijk doordat deze ondernemer in 2015 al heeft geïnvesteerd in de aankoop van ammoniakrechten en op basis daarvan in 2015 een onherroepelijk natuurvergunning heeft verkregen, welke is gewijzigd in 2020. De mogelijkheden voor uitbreiding van de varkenshouderij aan De Horsten worden gevormd door een combinatie van meerdere factoren: een zeer gunstige ligging van het plangebied (daarom is het gebied ook aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied), de
mogelijkheid bij varkensstallen om gecombineerde luchtwassers toe te passen waarmee de stalemissies aanzienlijk worden gereduceerd en de aanwezigheid van een rechtsgeldige, onherroepelijk natuurvergunning waarvoor de ammoniakrechten van vier stoppende veehouderijen door de ondernemer zijn aangekocht. c.
Indiener geeft in de zienswijze aan dat de fijnstofdepositie significant hoger is dan de norm die de WHO voorstelt. Indiener verwijst naar de aankondiging van de gemeente Nederweert om de slechte luchtkwaliteit te verbeteren en de uitstoot van fijnstof terug te brengen. Indiener geeft aan dat de fijnstofdeposítie in ons leefklimaat hoger ís dan de normen die
Wereld Gezondheidsorganisatie stelt, waarbij het oppervlaktewater niet voldoet aan de EUrichtiijnen.
Inhoudelijke reactie: Uit het MER en de aanvullingen op het MER volgt dat de fijnstofconcentratie in de omgeving
van het plangebied en in het verlengde hiervan in en rondom Egchel rond de 16 ug/m3 ligt. Op kortere afstand van het plangebied is de fijnstof belasting wat hoger rond de 17-18 ug/m?. De WHO-gezondheidskundige waarde van 15 ug/m? wordt overschreden, echter dit is een 31
advieswaarde en geen toetswaarde. De bronbijdrage van het planvoornemen aan de achtergrondconcentratie is klein. d.
Indiener is van mening dat het intiatief is getoetst aan achtergestelde normen: bij het initiatief
is onvoldoende rekening gehouden met de actuele fijnstofdepositie, het effect van emissievrijstallen voldoet niet, waarbij de overlast van geur wordt berekend aan de hand van theoretische rekenmodellen, uit berekeningen blijkt dat luchtwassers onvoldoende de lucht zuiveren.
Inhoudelijke reactie: Het effect van de biologische gecombineerde luchtwassers is beoordeeld op basis van de actuele inzichten en een ammoniakreductie van 85%, geurreductie van 45% en fijnstof reductie van 80%. Over 80% fijnstof reductie is bij gecombineerde luchtwassers geen enkele wetenschappelijke twijfel. Dit komt door de grote hoeveelheden (was)water die continue door de luchtwasser loopt. Over de 45% geurreductie is ook geen enkele wetenschappelijke twijfel. In de voormalige Regeling geurhinder en veehouderij en de huidige Bijlage V en VI bij de Omgevingsregeling zijn per diercategorie geuremissiefactoren en reductiepercentages vastgesteld. Uit de toelichting bij de eerdere wijziging van de geuremissiefactoren in de Rgv blijkt dat destijds besloten is om de geurreductiepercentages van gecombineerde luchtwassystemen (voorlopig) gelijk te stellen aan
die van enkelvoudige luchtwassystemen (45% geurreductie voor een biologische luchtwasser), in verband met de uitkomsten van onderzoek van de Wageningen Universiteit (WUR). Het geurreductie-percentage van 45% is het niveau dat aantoonbaar in de praktijk kan worden gehaald. Er is geen wetenschappelijke twijfel dat dit rendement met een gecombineerde biologische luchtwasser kan worden behaald. De gemeente is dan ook van mening dat vertrouwd kan worden op de wettelijk gestelde emissiefactor voor de biologische gecombineerde luchtwassers. De discussie over de effectiviteit van gecombineerde luchtwassers wordt naar het vergunningenspoor verschoven. Dit is in lijn met actuele jurisprudentie. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2 onder e en de voortoets die als bijlage 10 bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd.
De rekenmodellen zijn wettelijk voorgeschreven. e.
Indiener is van mening dat de huisvesting van arbeidsmigranten op deze locatie de rechten van de mens schendt, í.v.m. de stankoverlast en de slechte luchtkwaliteit.
Huisvesting van arbeidsmigranten op de veehouderijlocatie is onderzocht in het MER, maar wordt niet planologisch mogelijk gemaakt in het (ontwerp)bestemmingsplan. Huisvesting van arbeidsmigranten is dus op deze locatie niet toegestaan.
f
Indiener is van mening dat door het initiatief de concentratie en neerslag van stikstof in Egchel toeneemt waardoor het leefbaarheid in Egchel afneemt. Indiener kan zich niet verenigen met een toename van de stikstofdepositie rondom Egchel terwijl - door het intrekken van andere vergunningen — de uitstoot in de Peel afneemt
Inhoudelijke reactie: De externe saldering die heeft plaatsgevonden in 2015 ten behoeve van de onherroepelijke
natuurvergunning (van 2015, gewijzigd in 2020) maakt de beoogde uitbreiding van de varkenshouderij op De Horsten mogelijk zonder een toename van stikstofdepositie op Natura2000 gebieden. Drie van de vier saldogevende veehouderijen waren rondom Egchel gevestigd (Keup, Hub en Melkweg). Het stoppen van de saldogevende veehouderijen is ook 32
ten goede gekomen aan de leefbaarheid in en rondom Egchel. De aspecten die relevant zijn voor de leefbaarheid in en rondom Egchel (met name geur en in mindere mate fijnstof) zijn
beoordeeld in het MER (inclusief aanvullingen). Uit deze milieubeoordeling volgt dat de Ieefbaarheid in en rondom de woonkern Egchel niet verslechtert ten gevolge van het plan, ondanks de toename van varkens en stalemissies binnen het plangebied aan De Horsten. Dit heeft met name te maken met de afstand van het plangebied tot de woningen in en rondom Egchel, maar ook doordat de drie saldogevende veehouderijen dichterbij Egchel gevestigd waren en een bijdrage hebben geleverd aan met name de afname van geur en fijnstof in en rondom Egchel. g.
Indiener geeft in zijn zienswijze aan dat de Raad van State natuurvergunningen voor drie veehouders met een emissiearme stal heeft ingetrokken. En, naar een uitspraak van de
Raad van State waarin negen natuurvergunningen zijn ingetrokken in Overijssel. Indiener wijst op het risico dat de natuurvergunning die afgegeven is in 2015 kan worden ingetrokken. Omdat deze vergunningen volgens indiener achterhaald zijn.
Inhoudelijke reactie: Het gaat hier om nog niet-benutte (natuur)vergunde ruimte voor een ontwikkelplan, waarvoor
deze bestemmingsplanprocedure wordt doorlopen en navolgend nog de noodzakelijke vergunningen moeten worden verkregen. Er is geen grond om deze onherroepelijke natuurvergunning in te trekken. Er zijn ook geen signalen waaruit blijkt dat de provincie over zal gaan tot intrekking van de natuurvergunning.
Intrekking is niet mogelijk zonder de schade voor
de ondernemer te vergoeden in de vorm van nadeelcompensatie. De ondernemer heeft tenslotte geïnvesteerd in de aankoop van ammoniakrechten van stoppende veehouderijen in de omgeving voor externe saldering om daarmee de beoogde bedrijfsontwikkeling mogelijk te maken. Dat na het verkrijgen van de natuurvergunning (die veelal als eerste stap in een
bedrijfsontwikkelingsplan doorlopen wordt) er nog jaren overheen gaat voordat alle benodigde toestemmingen zijn verkregen is het gevolg van de procedures die de nodige tijd in beslag nemen. Voor de onherroepelijkheid van de natuurvergunning wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1 onder a.
h.
Indiener geeft aan dat op basís van een uitspraak door de Raad van State de bouwrijstelling niet mag worden gebruikt; uitspraak van 2 november 2022.
Inhoudelijke reactie: Aangezien sprake is van een kaderstellend bestemmingsplan is er nog geen concrete opgave of realistische inschatting te maken van de realisatiefasen en zullen hiervoor in de plantoets aannames moeten worden gedaan. Concretisering van de stikstofbronnen in de realisatiefase is pas mogelijk bij de aanvraag om een bouwvergunning. De stikstofplafondregeling in het bestemmingsplan geldt echter ook voor de realisatiefase(n) en voorkomt dat er significant nadelige effecten op Natura2000 gebieden kunnen optreden. De stikstofdepositie ten gevolge
van het gebruik van de stallen is vele malen groter dan de stikstofdepositie ten gevolge van de tjdelijke realisatiefasen. Verwezen wordt naar de voortoets die is bijgevoegd als bijlagen bij de toelichting van het bestemmingsplan (voor vaststelling). i.
Indiener wijst op het risíco voor schadevergoedingen door stankoverlast.
Inhoudelijke reactie: Op 14 september 2022 heeft rechtbank Den Haag een uitspraak gedaan over de vraag of de Staat onrechtmatig handelt vanwege de huidige geurnormen in de voormalige Wet geurhinder 33
en veehouderij (ECLI:NL:RBDHA:2022:9119). Daarbij is onder andere artikel 8 van het EVRM van belang. Dat betekent dat als er milieuoverlast (zoals geuroverlast) is die een directe en
serieuze impact heeft op de kwaliteit van het leven, mensen hierin beschermd moeten worden door de overheid. Het kan daarbij gaan om milieuoverlast die de overheid zelf veroorzaakt of om milieuoverlast die een gevolg is van, kort gezegd, niet toereikende milieuregelgeving. De overheid moet namelijk ‘redelijke en passende’ maatregelen nemen om mensen te beschermen tegen milieuoverlast die hun welzijn kan aantasten. De rechtbank Den Haag had een voorgrondbelasting van 19,4 Ou als grenswaarde gesteld voor een acceptabele geurbelasting. In hoger beroep is dit door het gerechtshof Den Haag bijgesteld naar een grenswaarde van 25 Ou voorgrondbelasting (‘minimum level of severity’), wat schattenderwijs correspondeert met
35% geurgehinderden (ECLI:NL:GHDHA:2025:431). Dit wil nog niet zeggen dat onder de 25 Ou voorgrondbelasting geen ‘minimum level of severity’ wordt bereikt. Als vuistregel geldt dat als de voorgrondbelasting meer dan helft van de achtergrondbelasting bedraagt de voorgrondbelasting dominant (en andersom). Ook bij een hoge achtergrondbelasting kan het ‘minimum level of severity’ bereikt worden en leiden tot onaanvaardbare geurhinder. Maximaal
35% geurgehinderden correspondeert met een achtergrondbelasting van maximaal 50 Ou. Uit het MER volgt dat de door het gerechtshof gestelde grenswaarde ten gevolge van dit bestemmingsplan (totale ontwikkelplan) op geen enkele woning in de omgeving zal worden overschreden. Bij toepassing van de gemeentelijke geurnormen wordt de voorgrondbelasting op Karissendijk 10 maximaal 14 Ou en op overige woningen in het buitengebied 4-5 Ou en op de woningen in en rondom Egchel 2-3 Ou. Op basis van de gemeentelijke geurverordening kan een verdere toename van de geurbelasting niet plaatsvinden. Omdat het bestemmingsplan niet leidt tot onacceptabele geurbelasting en het gemeentelijk geurbeleid voorkomt dat een verdere toename van geur kan plaatsvinden is er geen risico op schadevergoeding door stankoverlast.
Conclusie:
De gronden genoemd in zienswijze 9 leiden niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
34
Zienswijze 10 a.
Indiener geeft in het algemeen aan dat de gemeenteraad tegen dit iniatief dient te zijn en geeft aan dat de raad een beleidsrijheid heeft om datgene te doen wat past binnen de regels van een goede ruimtelijke ordening.
Inhoudelijke reactie: De gemeenteraad beslist over de vaststelling van het bestemmingsplan en zal dit doen op basis van een goede ruimtelijke ordening, belangenafweging, eerdere politieke standpunten die zijn ingenomen over de ontwikkeling van het landbouwontwikkelingsgebied, Alle belangen worden door de gemeenteraad tegen elkaar afgewogen om te komen tot een gedegen besluitvorming. b.
Indiener is van mening dat het initiatief slecht is voor de milieukwaliteit, grondkwaliteit en Iuchtkwaliteit. Indiener geeft aan dat een intensieve veehouderij bijdraagt aan de verwoesting van de biosteer. Indiener verwijst in zijn zienswijze naar de stikstofcrisis.
c.
Indiener is van mening dat het initiatief niet past binnen de actuele stikstofcrisis.
d.
Indiener geeft aan dat de waterkwaliteit in Nederland de slechtste is van alle EU- lidstaten. Doordat volgens indiener teveel meststoffen bevatten zoals nitraat, fosfaat en resten van bestrijdingsmiddelen.
e.
Indiener wijst n zijn zienswijze op het belang van de krimp van de veestapel.
{
Initiatiefnemer i van mening dat het initiatief niet past vanwege de geringe BNP bijdrage, de bijdrage in werkgelegenheid en de milieuschade die het initiatief geeft.
g.
Indiener is van mening dat de milieuschade door het initiatief wordt afgewenteld op de inwoners van Peel en Maas.
h.
Indiener wijst naar het belang van de dierenwelzijn.
Inhoudelijke reactie: Het bestemmingsplan is kaderstellend voor later te nemen besluiten op de omgevingsvergunning. Het totale bedrijfsontwikkelingsplan gaat uit van de huidige dierwelzijnseisen en actuele inzichten omtrent intensieve varkenshouderij. De uitbreidingsplannen waarvoor vergunningaanvragen moeten worden ingediend, zullen moeten voldoen aan alle wet- en regelgeving die op dat moment geldt, dus ook aan de dierwelzijnswetgeving. De ondernemer heeft binnen de wettelijke kaders de ruimte om het bedrijfsontwikkelingsplan verder uit te werken. Het plan voorziet in volledige nieuwbouwstallen
met daglicht toetreding, waarin een optimaal stalklimaat gerealiseerd kan worden. Doordat de mest vanuit de putten via leidingen naar de mestopslag wordt afgevoerd ontstaan er minder emissies in de mestputten en dat komt ook ten goede aan het stalklimaat. i.
Indiener geeft aan dat de mate van fijnstof in Nederland de WHO norm overschrijdt; indiener verwijst met name naar de blootsteliing van fijnstof PM10.
Inhoudelijke reactie: Uit het MER en de aanvulling op het MER volgt dat de fijnstofconcentratie in de omgeving van
het plangebied en in het verlengde hiervan in en rondom Egchel rond de 16 ug/m? ligt. Op kortere afstand van het plangebied is de fijnstof belasting wat hoger rond de 17-18 ug/m3. De WHO-gezondheidskundige waarde van 15 ug/m? wordt licht overschreden, echter dit is een advieswaarde en geen toetswaarde. De bronbijdrage van het planvoornemen aan de achtergrondconcentratie ter plaatse van woningen is klein, vanwege het feit dat fijnstof PM10
overwegend in de directe omgeving neerslaat en de afstand tot woningen relatief groot is. 35
j.
Indiener geeft in zijn zienswijze aan dat dat de fijnstofuitstoot wordt vergroot en geeft aan dat het initiatief het woon en leefklimaat verslechtert rondom Egchel.
Inhoudelijke reactie: De effecten voor de volksgezondheid zijn beschreven en onderzocht in het MER op basis van de gezondheidskundige advieswaarden en GGD-adviezen. In de planregels van het bestemmingsplan zijn vanuit voorzorg randvoorwaarden opgenomen, zoals het uitsluitend toestaan van varkenshouderij en maximalisering van dieraantallen per diercategorie, maximalisering van de achtergrondbelasting van geur en van de geluidsbelasting. In de woonkern van Egchel is vanwege de relatief grote afstand geen sprake van een verslechtering van het leefklimaat en geen sprake van verhoging van gezondheidsrisico's. In de directe nabijheid van het plangebied is wel sprake van een verslechtering van het leefklimaat, maar
wordt voldaan aan alle wettelijke vereisten. Deze locatie ligt tenslotte in een landbouwontwikkelingsgebied, omdat in de omgeving weinig (burger)woningen of andere gevoelige objecten aanwezig zijn. Het aantal blootgestelden is vanwege de gunstige ligging van het plangebied beperkt, met daardoor voldoende ruimte voor de veehouderij om te ontwikkelen. k.
Indiener verwijst naar het GGD rapport waarin volgens indiener wordt aangegeven dat de huidige wetgeving onvoldoende rekening is gehouden met het cumulatieve effect als een gevoelige bestemming omgeven is/wordt door meerdere veehouderijen.
Inhoudelijke reactie: In het MER zijn ten aanzien van gevoelige objecten ook de cumulatieve effecten beoordeeld. Met name de achtergrondbelasting van geur, de fijnstof achtergrondconcentratie en geluid door wegverkeer.
l _ Indiener verwijst ook dat een toename van de fijnstof in strijd is met het Schone Lucht Akkoord.
Inhoudelijke reactie: Het Rijk heeft sinds januari 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) afgesloten met een groot aantal gemeenten en alle provincies. Het doel van het SLA is om in 2030 minimaal 50 procent minder gezondheidsschade te behalen ten opzichte van 20186, voor zover die schade veroorzaakt wordt door binnenlandse
bronnen.
Het Schone
Lucht Akkoord
stelt echter niet dat
een toename van fijnstof emissie niet mogelijk is. Het SLA richt zich op het oplossen van hoogbelaste locaties waar de fijnstof concentratie ten gevolge van een veehouderij boven de wettelijke grenswaarden ligt of de grenswaarde benaderd, op het beperken van gezondheidseffecten bij hooggevoelige groepen, het toepassen van de best beschikbare technieken en op kennisdeling en innovatie. Het planvoornemen zorgt niet voor onaanvaardbare fijnstof concentraties ter plaatse van
woningen en andere gevoelige objecten. In de kern Egchel en de bufferzone rondom Egchel is geen sprake van een significante toename van de fijnstof concentratie, vanwege de relatief grote afstand. In de omgeving van het plangebied is wel sprake van een toename van de fijnstof concentratie, maar hier bevinden zich geen hooggevoelige groepen (in grote lijnen zijn dit mensen met gezondheidsproblemen, ouderen en kinderen). Met gecombineerde biologische luchtwassers op alle stallen worden de best beschikbare technieken (BBT) om fijn stof te reduceren toegepast.
36
m.
Indiener geeft aan dat de luchtwassers niet voldoen aan de normen om stikstof te reduceren en geeft aan dat de rekenmodellen voor de gebruikte reductiefactoren in de praktijk niet haalbaar
blijken te zijn. Indiener verwijst naar een uitspraak van de Raad van State van 4 oktober 2023, waarbij natuurvergunningen voor veehouderijen in Overijssel werden vernietigd. Volgens indiener sprak de Raad van State zijn twijfels uit over de effectiviteit van emissiearme stallen voor melkvee, varkens en pluimvee.
Inhoudelijke reactie:
De Raad van State oordeelt in een uitspraak van 18 september 2024 dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan twijfels aan de effectiviteit van emissiearme stalsystemen niet relevant zijn (ECLI:NL:RVS:2024:3758) en geen rol hoeven te spelen bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Het idee hierachter is dat wanneer een toename van stikstofdepositie wordt uitgesloten in de planregels, het aan de gebruiker van het emissiearme stalsysteem is om bij de uitvoering van het project (of bij het aanvragen van een vergunning) aan te tonen dat het systeem naar behoren functioneert. De discussie over de effectiviteit van emissiearme stallen kan (en wordt) naar het vergunningenspoor verschoven. Dat dit mogelijk is oordeelde de voorzieningenrechter ook al eerder in een uitspraak van 18 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2735). Ten aanzien van het onherroepelijke karakter van de natuurvergunning van 2015 en 2020 wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1 onder a. Zie ook de voortoets die als bijlage bij de toelichting is gevoegd.
n.
Indiener geeft aan dat het opgeloste spoelwater (waar ammoniak inzit) van de luchtwassers, een vorm van waterverspilling is. Het spuiwater wordt volgens indiener over het land uitgereden waardoor dit water in het milieu terecht komt. Indiener verwijst naar de hoge ammoniakwaarden in Nederland.
Inhoudelijke reactie: Om luchtwassers goed te laten werken is water nodig. Het proceswater wordt in de luchtwassers gecirculeerd tot het moment er verzadiging optreedt en een deel van het proceswater gespuid wordt, zodat er nieuw water toegevoegd kan worden. En een deel van het proceswater verdampt in het luchtwasproces. Het spuiwater wordt afgevoerd om elders op landbouwgrond uitgereden te worden als meststof. De Meststoffenwet stelt eisen aan het uitrijden van meststoffen. 0.
Indiener geeft aan dat de willens en wetens de mensenrechten van arbeidsmigranten kan worden geschonden door dit initiatief. En, verwijst naar de uitspraak van de Rechtbank Den Haag
(14 september 2022) waarin de rechtbank heeft aangegeven dat als gevolg van stankoverlast door intensieve veehouderijen, artikel 8 EVRM, kan worden geschonden en dat bij cumulatieve stankbelasting als onrechtmatig handelen kan worden beschouwd.
Inhoudelijke reactie: In het MER is huisvesting voor arbeidsmigranten onderzocht en geconcludeerd dat op de door de ondernemer beoogde plek geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. In het (ontwerp)bestemmingsplan wordt huisvesting van arbeidsmigranten niet
planologisch mogelijk gemaakt. Op de locatie is geen huisvesting van arbeidsmigranten toegestaan en wordt met het bestemmingsplan ook niet planologisch mogelijk gemaakt. p.
Indiener wijst op het risico dat het initiatief tekort doet voor de bescherming tegen infectieziekten.
Inhoudelijke reactie: De beoogde bedrijfsomvang en -opzet maakt een nagenoeg gesloten bedrijfsvoering mogelijk. Een ruim bouwblok met alleen biggenstallen en een ruim bouwblok met alleen zeugenstallen
maakt een hoge gezondheidsstatus op het bedrijf mogelijk. 37
Volledige nieuwbouw maakt een optimaal stalklimaat mogelijk en komt de gezondheid van de dieren ten goede. Daarbij vindt op De Horsten alleen diertransport plaats ten behoeve van dit
bedrijf. Het plangebied ligt in een gebied met weinig woningen op korte afstand in de directe omgeving. Er zijn geen pluimveehouderijen op korte afstand aanwezig en er is voldoende afstand tot de andere grootschalige varkenshouderijen in de omgeving. Op varkensbedrijven gelden altijd strenge hygiënemaatregelen en er is binnen de bouwblokken voldoende ruimte voor het toepassen van het ‘schone-vuile weg’ principe. De ligging van het plangebied en de mogelijkheden tot het realiseren van een bedrijfsopzet met een hoge gezondheidsstatus zorgt ook voor bescherming tegen infectieziekten. q.
Indiener is van mening dat de monitoring te vrijblijvend is beschreven in het MER- rapport. Indiener is van mening dat de ondernemer onomstotelijk moet kunnen bewijzen dat zijn installatie op en continue basis presteert zoals die zou moeten presteren. Indiener moet een
uitstootgarantie geven over geur, fjnstof, stikstof en geluid.
Inhoudelijke reactie: Voor een goede werking van luchtwassers is monitoring, goed onderhoud en opvolging (adequaat ingrijpen bij storingen of afwijkende parameters) belangrijk. Dit wordt geregeld in de voorschriften van de omgevingsvergunning.
Conclusie:
De gronden genoemd in zienswijze 10 leiden niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
38
Zienswijze 11 a.
Indiener ervaart stankoverlast van veehouderactiviteiten. Indiener is van mening dat het initiatief onvoldoende rekening houdt met de negatieve gevolgen voor de omgeving.
Inhoudelijke reactie:
In het MER zijn de gevolgen voor de omgeving onderzocht. Het bestemmingsplan is een uitwerking van de ontwikkeling van een landbouwontwikkelingsgebied, waar aan veehouderijen uitbreidingsmogelijkheden kunnen worden geboden. Het bestemmingsplan bevat randvoorwaarden die ervoor zorgen dat de planologische mogelijkheden die geboden worden niet kunnen leiden tot een verslechtering van het leefklimaat in de kern Egchel. In de directe omgeving blijft het leefklimaat aanvaardbaar, er vanuit gaande dat in een primair agrarisch gebied de bescherming van woningen lager is dan in woongebieden. b.
Indiener is van mening dat het ontwerp bestemmingsplan niet door het bevoegd gezag is vastgesteld omdat het ontwerp bestemmingsplan door het college ter inzage is gelegd.
Inhoudelijke reactie: Het college van burgemeester en wethouders bereidt het bestemmingsplan voor en besluit over het ontwerp. De basis hiervoor ligt in artikel 160, lid 1, onder b, Gemeentewet. Zie in het verlengde hiervan artikel 1.2.1 Besluit ruimtelijke ordening. De gemeenteraad stelt het
bestemmingsplan vast. Dit volgt uit artikel 3.1, lid 1 en artikel 3.8, lid 1, onder e, Wet ruimtelijke ordening. c.
Indiener is van mening dat de bekendmaking over de gedeeltelijke verplaatsing van de varkenshouderijactiviteiten aan de Jacobusstraat niet juist is. Omdat volgens indiener uit de Plan- MER blijkt dat het alleen gaat om de mestverwerking.
Inhoudelijke reactie: In de bekendmaking staat: “In 2012 en 2020 zijn voor de oprichting en het uitbreiden van de varkenshouderij aan De Horsten 20 en 17 in Egchel omgevingsvergunningen verleend. Deze omgevingsvergunningen maakten onder andere de realisatie van drie varkensstallen en een gedeeltelijke verplaatsing van de varkenshouderijactiviteiten aan de Jacobusstraat in Egchel mogelijk.” Deze zin heeft betrekking op de reeds gerealiseerde varkensstallen op De Horsten en niet op het planvoornemen. d.
Indiener geeft in de zienswijze aan dat in het ontwerp bestemmingsplan en de plan MER
niet is vastgesteld of en hoe wordt voldaan aan het door het bevoegd gezag vastgestelde advies inzake de reikwijdte en het detailniveau van het Plan MER.
Inhoudelijke reactie: Het MER is opgesteld conform de NRD en in lijn met het advies reikwijdte en detailniveau. Het MER is door een extern adviesbureau opgesteld in opdracht van de gemeente. De gemeente heeft het MER beoordeeld aan de hand van het vastgestelde advies reikwijdte en detailniveau. De Commissie m.e.r. heeft het MER ook getoetst aan de hand van het vastgestelde advies inzake reikwijdte en detailniveau.
e
Volgens indiener is in het ontwerp bestemmingsplan niet vastgesteld of de Plan MER en de daarin beschreven miieueffecten aanvaardbaar zijn dan welke onderdelen onvolkomenheden bevatten en aanleiding hebben gegeven tot het stellen van (aanvullende) planregels.
39
Inhoudelijke reactie:
Het MER inclusief eerste aanvulling is beoordeeld door de Commissie m.e.r. en bevatte nog tekortkomingen die noodzaken tot een aanvulling. Het voorlopig toetsingsadvies is opgenomen
in de eerste aanvulling op het MER. Het definitieve toetsingsadvies is opgenomen als Bijlagen bij de toelichting van het bestemmingsplan (voor vaststelling). Op basis van het definitieve toetsingsadvies is een tweede aanvulling op het MER opgesteld (ook bijgevoegd als bijlage bij de toelichting). In de aanvullingen op het MER en in de toelichting van het bestemmingsplan
wordt beschreven op welke wijze invulling is gegeven aan het toetsingsadvies (extra onderzoek en aanpassingen in het bestemmingsplan). Met de doorgevoerde wijzigingen zijn de maximale mogelijkheden van het plan verder ingeperkt dan hetgeen is onderzocht in het MER en daarmee is invulling gegeven aan het toetsingsadvies, maar ook aan de actuele stikstof-
jurisprudentie. Verwezen wordt naar de Nota van wijzigingen in hoofdstuk 4 van dit document.
{
Volgens indiener zijn in het plan geen alternatieven (technieken, methodes en locatie) inzichtelijk gemaakt.
Inhoudelijke reactie: Het MER betreft een plan-MER en geen project-MER. Dus hoeven er geen inrichtingsalternatieven onderzocht te worden. Het totale ontwikkelplan voor het varkensbedrijf aan De Horsten is het planvoornemen waarop het kaderstellende bestemmingsplan is gebaseerd. Ten gevolge van het doorlopen plan-m.e.r. traject zijn de planologische