2025-062 04 Bijlage 1 bij Toelichting - Nota van zienswijzen en wijziging (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Nota van zienswijzen en wijzigingen 1.
Inleiding
Op 18 juli 2023 is het ontwerp bestemmingsplan De Horsten voor zes weken ter inzage gelegd. Het ontwerp bestemmingsplan is gepubliceerd in de plaatselijke huis- aan- huisbladen en digitaal gepubliceerd op de website: www. ruimtelijkeplannen.nl. Eveneens is het ontwerp bestemmingsplan op papier in het gemeentehuis ter inzage gelegd.
2. Ontvangen zienswijzen Gedurende de tijd dat het ontwerp ter inzage heeft gelegen was het voor iedereen mogelijk om
een zienswijze in te dienen. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door:
1. Stichting Studiegroep Leudal e.o. Stichting Werkgroep Behoud de Peel Stichting Natuur en Milieufederatie Limburg Stichting Animal Rights
SNPON 202zb (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) … (geanonimiseerd)
Tennet
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Waterschap Limburg
(geanonimiseerd)
Inhoud
1.
Inleiding..
2.
_ Ontvangen
3.
_ Samenvatting en beantwoording zienswijzen…
zienswijzen…
Zienswijze 1 … Zienswijze 2 . Zienswijze 3 . Zienswijze 4 (pro forma zienswijze) . Zienswijze 5 . Zienswijze 6 . Zienswijze 7 . Zienswijze 8 . Zienswijze 9 . Zienswijze 10 … Zienswijze 11 … 4.
Nota van wijzigingen . 4.1 Wijzigingen in de verbeelding . 4.2 Wijzigingen in de regels … 4.3 Wijzigingen in de bijlagen bij de regels… 4.4 Wijzigingen in de toelichting. 4.5 Wijzigingen in de bijlagen bij de toelichting …
4.6 Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan .
N
3. Samenvatting en beantwoording zienswijzen Deze notitie bevat een weergave van de ingekomen zienswijzen en een standpuntbepaling naar aanleiding van die zienswijzen. Voor zover bij de samenvatting van zienswijzen onderdelen van de betreffende reactie niet of niet geheel worden genoemd, betekent dit niet dat deze buiten beschouwing zijn gebleven. De ingekomen zienswijzen zijn als geheel beoordeeld. Hieronder zijn de ingediende zienswijzen beoordeeld, samengevat en per onderdeel beantwoord. Vervolgens volgt een overzicht van de wijzigingen in het plan. Tenslotte staat in de conclusie het voorstel aan de raad hoe met de zienswijzen rekening gehouden zou kunnen
worden bij vaststelling van het bestemmingsplan . Daar waar zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan (regels, verbeelding, toelichting of bijlagen) is dit bij de beantwoording vermeld. Aan het eind van deze nota worden onder punt 4 alle wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen samengevat en onder punt 5 de ambtshalve wijzigingen benoemd.
Zienswijze 1 a.
b.
Indiener geeft aan dat door de uitbreiding, het natura 2000 gebied 'Leudal’ en andere natura 2000 gebieden geen profijt hebben van extern salderen. Er ontstaat volgens indiener een sterke toename van de stikstofdepositie op deze natura 2000 gebieden. Indiener geeft aan dat via extern salderen de natuurvergunning in 2015 is afgegeven. Door deze methode is volgens de indiener de uitbreiding mogelijk gemaakt. Indiener geeft aan dat de
c
natuurgebieden echter geen profijt hebben van deze methodiek. Indiener geeft hierbij aan dat bij Leudal een sterke toename van de stikstofdepositie is te verwachten. Indiener geeft aan dat het ontwerp bestemmingsplan niet hoeft te worden vastgesteld en refereert
d.
naar de actuele natuursituatie en naar het actuele regeringsbeleid waarin volgens indiener een einde van de groei wordt verwacht en gekozen wordt voor herinrichting van het landelijk gebied. Indiener geeft in de zienswijze aan dat de gemeente Peel en Maas niet moet meewerken aan dit
e.
initiatief. Voor het belang van het natuurgebied Leudal. Indiener verwijst naar de huidige herstructurering van de agrarische sector en de gekoppelde herinrichting van het landelijk gebied. Volgens indiener bestaat het risíco dat een besluit wordt gemaakt die op oude rechten ís gebaseerd. Indiener geeft aan dat de regering en de provincie Limburg nieuw beleid maakt. Een besluit van de gemeente, dat geen rekening houdt met die aankondiging, is volgens indiener niet zorgvuldig
voorbereid en daardoor volgens de AWB vernietigbaar. Geleden schade, die gebaseerd is op dat besluit, kan worden afgewenteld op de gemeente Peel en Maas. Indiener geeft aan dat dit isico in de planMER staat beschreven.
Inhoudelijke reactie a t/m e: De onherroepelijke Wnb-vergunning van 20 augustus 2020 is een wijziging van de onherroepelijke Nbwet-vergunning van 1 oktober 2015. Voor het onderhavige bestemmingsplan hoeft niet extern gesaldeerd te worden. Intern salderen is ook niet (meer) mogelijk binnen het bestemmingsplan voor vaststelling. De natuurvergunningen van 2015 en 2020 zijn onherroepelijk en vormen samen het rechtsgeldige (natuur)vergund recht. Deze natuurvergunningen zijn één-op-één ingepast in het bestemmingsplan voor vaststelling en het bestemmingsplan biedt in lijn met actuele RvS-uitspraken van 18 december 2024 geen mogelijkheden meer voor interne saldering. De ondernemer heeft voor het verkrijgen van de natuurvergunning van 2015 geïnvesteerd in de aankoop van ammoniakrechten van vier stoppende veehouderijen (waarvan drie in de directe omgeving van Egchel) ten behoeve van externe saldering om daarmee de beoogde
bedrijfsontwikkeling mogelijk te maken. In de koopovereenkomsten en de intrekkingsbesluiten bij saldogevers is de directe samenhang tussen de intrekking van de ammoniakrechten en de beoogde bedrijfsontwikkeling aan De Horsten vastgelegd. Dat na het verkrijgen van de natuurvergunningen er nog jaren overheen kan gaan voordat alle benodigde toestemmingen
zijn verkregen is het gevolg van de plan- en vergunningprocedures die veel tijd in beslag nemen; met name door steeds nieuwe (stikstof)jurisprudentie en complexe wet- en regelgeving. De gemeente heeft voor dit bestemmingsplan zorgvuldigheid boven snelheid verkozen.
De externe saldering met de saldogevers ten behoeve van de natuurvergunning van 2015 komt feitelijk al jarenlang ten goede aan de natuur, aangezien de saldogevers (nadat de saldering
heeft plaatsgevonden) feitelijk gestopt zijn en de ondernemer de aangekochte ammoniakrechten pas kan benutten nadat alle toestemmingen zijn verkregen en de beoogde uitbreiding (in fasen) is gerealiseerd. Het moment van realisatie is niet relevant voor de vraag of er significant nadelige effecten kunnen optreden voor Natura2000-gebieden. De uitgangssituatie in de zin van de wet is relevant en dat is de onherroepelijke natuurvergunning (van 2015, gewijzigd in 2020). De
onherroepelijke gewijzigde natuurvergunning van 2020 én de onderliggende natuurvergunning van 2015 zijn allebei verleend met inachtneming van de Vogel- en Habitatrichtlijn. In beide natuurvergunningen is hieraan getoetst met als conclusie dat de vergunning niet n strijd is met
de Vogel- en Habitatrichtlijn. Dat de toetsing van deze vergunningen vandaag de dag wellicht anders of indringender uitgevoerd zou worden doet geen afbreuk aan het onherroepelijke
karakter van de natuurvergunningen van 2015 en 2020. Dit volgt uit jurisprudentie (ECLI:NL:RBOVE:2022:1277 en ECLI:NL:RBOVE:2024:1533).
De onherroepelijkheid van de natuurvergunning betekent niet automatisch dat de natuurvergunning één-op-één ingepast kan worden in het bestemmingsplan. Dit kan alleen als een nieuwe passende beoordeling niet tot andere inzichten zal leiden. Om dit te beoordelen is
voor het bestemmingsplan voor vaststelling een voortoets Natura2000-gebieden uitgevoerd. In deze voortoets wordt geconcludeerd dat aan de natuurvergunning (van 2015, gewijzigd in 2020) een passende beoordeling ten grondslag ligt en een nieuwe passende beoordeling niet tot andere inzichten zal leiden. De gewijzigde natuurvergunning van 2020 komt overeen met het
planvoornemen en de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan zijn hierop afgestemd. Intern salderen is niet toegestaan binnen dit bestemmingsplan. Een uitgebreide toelichting is te lezen in de voortoets van maart 2025 die als Bijlage 10 bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd. Het bestemmingsplan bevat extra waarborgen die ervoor zorgen dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan geen significant nadelige effecten kunnen veroorzaken voor stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000 gebieden en de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000 gebieden. Bovenop de ‘stikstofplafondregeling’ die in het ontwerp-bestemmingsplan is opgenomen (kortgezegd: een verbod op toename van stikstofemissie en -depositie ten opzichte van de situatie voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan, met als enige uitzondering hierop de één-op-één ingepaste natuurvergunning (van 2015, gewijzigd in 2020) worden voor vaststelling aanvullende regels opgenomen, waaronder:
« «
De emissiepunten moeten gesitueerd worden overeenkomstig de situatieschets in de bijlagen (dit is dezelfde situering als in de natuurvergunning 2020); Maximale dieraantallen per diercategorie waarvoor de natuurvergunning 2020 is verleend;
e
De vergunde stikstofemissies (NH3 en NOx) uit de natuurvergunning van 2020 wordt als maximum opgenomen.
Bij een toekomstige aanvraag om een omgevingsvergunning moet de ondernemer op basis van de op dat moment actuele kennis en inzichten (en dus ook het op dat moment geldende stikstofbeleid) aantonen dat de aangevraagde situatie aan de planregels voldoet. Als op dat moment sprake zou zijn van bijvoorbeeld verhoging van ammoniakemissiefactoren of
bijvoorbeeld hogere stikstofdeposities door een gewijzigd rekenmodel, dan is het aan de ondernemer om zijn aanvraag aan te passen indien nodig. Omdat de gewijzigde natuurvergunning van 2020 toeziet op de totale beoogde varkenshouderij, zal naar verwachting dit mogelijke ‘probleem voor de ondernemer’ pas ontstaan bij de laatste ontwikkelingsfase. Conclusie:
Deze zienswijze leidt (in samenhang
met de andere zienswijzen over stikstof en nieuwe
stikstof-jurisprudentie) tot aanpassingen: Eris een voortoets uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 10 bij de toelichting. - _ In de planregels worden het aantal varkens per diercategorie, de situering van de emissiepunten én de totale stikstofemissies overeenkomstig de natuurvergunning van 2020 in het bestemmingsplan vastgelegd als maximum.
Zienswijze 2 a.
Volgens indiener past het initiatief iet in de kaders van een goede ruimtelijke ordening. Indiener geeft aan dat de besluitvorming rondom dít initiatief niet voldoet aan de kaders van het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair play beginsel. Volgens indiener kan de gemeenteraad geen besluit nemen zonder vooringenomenheid of partijdigheid. Indiener is van mening dat de gemeenteraad niet in alle vrijneid het initiatief kon beoordelen en verwijst naar de
resultaatsverplichting die de gemeente Peel en Maas heeft om de vereiste planologische maatregelen te treffen voor het initiatief; de indiener geeft aan dat belangen worden verstrengeld in het besluitvormingsproces.
Inhoudelijke reactie:
De gemeenteraad beslist over de vaststelling van het bestemmingsplan en doet dit op basis van een belangenafweging, actuele wet- en regelgeving, beleid en jurisprudentie en eerdere politieke standpunten die zijn ingenomen over de ontwikkeling van het landbouwontwikkelingsgebied op deze locatie. b.
Volgens de indiener past het initiatief niet binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening en is het initiatief onwenselijk. Indiener verwijst naar de overbelasting op Natura 2000 gebieden; de stikstofdepositie en de depositie van ammoniak. De Natura 2000 gebieden waar de initiatiefnemer naar verwijst zijn: Deurnesche Peel & Mariapeel en Groote Peel. Indiener geeft aan dat de volgens de projectberekening de emissie van Nh3 zal toenemen (verdrievoudigen).
Inhoudelijke reactie: Zie de beantwoording van zienswijze 1 en de voortoets Natura2000-gebieden in bijlage 10 bij de toelichting van het bestemmingsplan. ©.
Indiener verwijst naar jurisprudentie van rechtbanken en de Raad van State. Indiener geeft aan dat in de jurisprudentie wordt aangegeven, dat de toepassing van emissiefactoren op basis van de RAV (Regeling Ammoniak en Veehouderij) niet met de vereiste zekerheid kan worden vastgesteld; de
d. e.
stikstofreductie wordt onderschat. Indiener geeft aan, dat uit diverse rapporten is gebleken dat gecombineerde luchtwassystemen niet de gepretendeerde reducties geven. Indiener is van mening dat bij de voortoets onvoldoende rekening ís gehouden met de onzekerheden en resultaten van onderzoeken naar de emissiereductie van stalsystemen. Indiener geeft aan dat het initiatief niet voldoet aan de Wet natuurbescherming; artikel 2.7 juncto 2.8 Wet natuurbescherming. Omdat de gehanteerde uitganspunten in de afgegeven natuurvergunning achterhaald zijn in vergelijking met recente onderzoeken die zijn uitgevoerd.
Inhoudelijke reactie: De Raad van State oordeelt in een uitspraak van 18 september 2024 dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan twijfels aan de effectiviteit van emissiearme stalsystemen niet relevant zijn (ECLI:NL:RVS:2024:3758) en geen rol hoeven te spelen bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Het idee hierachter is dat wanneer een toename van stikstofdepositie wordt uitgesloten in de planregels, het aan de gebruiker van het emissiearme stalsysteem is om bij de uitvoering van het project (of bij het aanvragen van een vergunning) aan te tonen dat het systeem naar behoren functioneert. De discussie over de effectiviteit van emissiearme stallen
kan (en wordt) naar het vergunningenspoor verschoven. Dat dit mogelijk is oordeelde de voorzieningenrechter ook al eerder in een uitspraak van 18 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2735). Ten aanzien van het onherroepelijke karakter van de natuurvergunning van 2015 en 2020 wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1. Zie ook de voortoets die als bijlage 10 bij de toelichting is gevoegd. f.
Indiener geeft in de zienswijze aan dat in het ontwerp bestemmingsplan een stikstofregeling is opgenomen die niet handhaafbaar is. Want in het ontwerp bestemmingsplan is een stikstofregeling opgenomen, op basis waarvan een toename van de stikstof- en ammoniakemissie en stikstofdepositie niet is toegestaan.
Inhoudelijke reactie: De stikstofplafondregeling is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp. De stikstofplafondregeling
in het bestemmingsplan regelt in de basis dat de feitelijk bestaande, planologisch legale activiteiten voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan de referentiesituatie vormt voor de plantoets en mogen worden voortgezet. Dit betreft met name de mestscheidingsactiviteit. Alleen de feitelijke, planologisch legale mestscheidingsactiviteit mag worden voortgezet op basis van dit bestemmingsplan. Uitbreiding van de mestscheidingscapaciteit is niet toegestaan in het bestemmingsplan voor vaststelling. De enige uitzondering op de hoofdregel is de één-op-één ingepaste onherroepelijke natuurvergunning (van 2015, gewijzigd in 2020). Deze natuurvergunning ziet toe op stallen en verkeer. Interne saldering is niet toegestaan. Zie ook de beantwoording van zienswijze 1. Op de stikstofplafondregeling kan door de gemeente gehandhaafd worden (in geval van strijdigheid). Interne saldering is niet toegestaan binnen dit bestemmingsplan. g.
Volgens de indiener voldoet het initiatief niet aan de provinciale en landelijke doelstelingen om
stikstof te reduceren. Indiener verwijst naar correspondentie van de Minister voor Natuur en Stikstof. Waarin wordt aangegeven dat in De Peel een depositievermindering moet plaatsvinden van meer dan 70% om aan de Habitatrichtlijn te voldoen. Het initiatief voldoet niet aan depositiereductie doelstelingen.
Inhoudelijke reactie:
In dit bestemmingsplan wordt niet extern gesaldeerd en interne saldering is ook niet mogelijk op basis van dit bestemmingsplan. De onherroepelijke natuurvergunning (van 2015, gewijzigd in 2020) wordt één-op-één ingepast en vormt het kader voor de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor de varkenshouderij-activiteiten. Verder staat het bestemmingsplan toe dat de feitelijk bestaande, vergunde en planologisch legale activiteiten worden voortgezet. Dit betreft met name de bestaande mestscheiding. Het bestemmingsplan staat geen wijziging van de mestscheidingsactiviteit en geen uitbreiding van de mestscheidingscapaciteit toe. Een depositietoename ten opzichte van de referentie plantoets en de één-op-één ingepaste onherroepelijke natuurvergunning kan met zekerheid worden uitgesloten. Ten aanzien van het onherroepelijke karakter van de natuurvergunning wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1. Conclusie:
Deze zienswijze leidt niet tot andere aanpassingen dan onder de conclusie onder zienswijze 1 staan
vermeld.
Zienswijze 3 a.
Indiener geeftin de zienswijze aan dat er geen contractuele verplichtingen zijn voor het afbouwen van de locatie Jacobusstraat 42. Daardoor, is volgens de indiener geen harde garantie dat het Ieefklimaat in de kern verbetert. Tegelijkertijd neemt het aantal dieren, de hoeveelheid mest en daarmee de stikstuitstoot exponentieel toe. En, de overlast t.a.v. geur, geluid en gezondheid. Volgens indiener zou een publieksrechtelijke en privaatrechtelijke borging van de gegarandeerde
afbouw van overlastgevende activiteiten aan de Jacobusstraat 42 een voorwaarde moeten zijn voor een uitbreiding elders.
Er waren aanvankelijk uitoreidingsplannen voor de bouw van een biggenstal op de locatie aan de Jacobusstraat. Door deze stal in het LOG te realiseren, alle gespeende biggen van de Jacobusstraat naar het LOG te verplaatsen en de mogelijkheden aan de Jacobusstraat te
begrenzen was er sprake van een verbetering van de geursituatie aan de Jacobusstraat en in de woonkern Egchel. De geursituatie voldoet aan de wettelijke grenswaarden en mag conform het Raadsbesluit van 2008 niet verslechteren ten opzichte van de situatie in 2008. In het bestemmingsplan is aangetoond dat hieraan wordt voldaan en om ook te waarborgen dat het woon- en leefklimaat voor geur niet kan verslechteren zijn voor vaststelling maximale geurnormen voor de achtergrondbelasting van geur opgenomen in de regels (niet alleen voor de woonkern Egchel, maar ook voor de bufferzone en het overige buitengebied). b.
Indiener geeft in de zienswijze aan dat het initiatief een forse uitbreiding geeft van de veestapel, terwijl op landelijk niveau wordt ingezet op een verlaging van de veestapel.
Inhoudelijke reactie: Het bestemmingsplan voorziet in de invulling van het landbouwontwikkelingsgebied. Dit sluit aan bij de doelstelling van de provincie Limburg en gemeente Peel en Maas om in het landbouwontwikkelingsgebied intensieve veehouderij te concentreren en meer ontwikkelingsruimte te geven dan in de overige gebieden in de gemeente Peel en Maas. c.
De indiener geeft aan dat het initiatief niet past binnen de actuele doelen om stikstof reduceren. De indiener verwijst naar de Wet stikstofreductie en natuurherstel. In Limburg wordt een reductie gevraagd van 50 procent voor het jaar 2030. In de gemeente Peel en Maas worden volgens indiener
d.
e.
om verschillende vormen van uikoop gevraagd. De indiener geeft aan, dat door het initiatief de stikstofemissie (NO2 en NH3) zal toenemen. Dit, vanwege de toename van het aantal dieren en verkeersbewegingen. Hierdoor neemt de stikstofdepositie op de dichterbij gelegen Wav gebieden (Wet ammoniak en veehouderij gebieden) en op Natura 2000 gebieden toe. Indiener verwijst naar pagina 99 Plan-Mer. Indiener geeft aan dat de gemeenteraad het ontwerp bestemmingplan dient te weigeren. Het initiatief
zorgt volgens indiener ervoor dat stikstofuitstoot op overbelaste gebieden zal toenemen. Het initiatief voldoet volgens indiener niet aan de Wet stikstofreductie en natuurverbetering en de EUHabitatrichtlijn.
Inhoudelijke reactie c t/m e: Ten aanzien van stikstof en Natura2000-gebieden wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 1 en naar de voortoets in bijlage 10 bij toelichting van het bestemmingsplan. De Wav-gebieden zijn komen te vervallen met het in werking treden van de Omgevingswet. De
vervallen Wet ammoniak en veehouderij (Wav) stelde geen wettelijke eisen of beperkingen aan de stikstofdepositie op Wav-gebieden, maar stelde alleen ammoniakemissie-eisen en beperkingen aan veehouderijen binnen 250 meter van een Wav-gebied. Het plangebied ligt op grotere afstand. Voor de voormalige Wav-gebieden en het Natuurnetwerk gelden ten aanzien van dit bestemmingsplan geen wettelijke eisen of beperkingen ten aanzien van een toename van stikstofdepositie. Het provinciaal stikstofbeleid richt zich ook uitsluitend op Natura2000 gebieden.
De provincie Limburg geeft aan dat de omgevingsverordening beschermingsregels bevat die alleen gelden voor ontwikkelingen in het Natuurnetwerk. Het bestemmingsplan De Horsten
maakt geen ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk mogelijk en dus gelden de beschermingsregels niet voor dit bestemmingsplan. In de eerste en de tweede aanvulling op het MER (die als bijlagen 5 en 7 bij de toelichting van het bestemmingsplan voor vaststelling zijn bijgevoegd) wordt nader ingegaan op de beoordeling van de toename van stikstofdepositie op het Natuurnetwerk. f.
Het initiatief zorgt volgens indiener ervoor dat geuroverlast op overbelaste gebieden zal toenemen Volgens de indiener worden de gezondheidskundige advieswaarden voor de achtergrondbelasting overschreden. De indiener verwijst hiervoor naar de Plan-Mer p.189. Volgens indiener geldt dit voor de kern, de bufferzone als de buitengebieden Leudal en Peel
en Maas. Door het initiatief neemt deze belasting toe.
Inhoudelijke reactie: De achtergrondbelasting overschrijdt in de bestaande situatie weliswaar de gezondheidskundige advieswaarden, maar het planvoornemen leidt niet tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat in de woonkern van Egchel. Het plan voldoet daarmee aan het beleidsstandpunt van de gemeente. De gemeente en de provincie hebben geen beleidsregel
die toeziet op de achtergrondbelasting van geur. Er is geen wettelijke verplichting om de achtergrondbelasting in en rondom Egchel te laten dalen. In een Raadsbesluit van 2008 is vastgelegd dat het woon- en leefklimaat in Egchel niet mag verslechteren ten opzichte van peildatum 2008. Het bestemmingsplan is kaderstellend, maar reserveert geen milieugebruiksruimte ten behoeve van het planvoornemen. Om te waarborgen dat het woon- en leefklimaat in de kern Egchel, in de bufferzone en in het overige buitengebied niet kan verslechteren zijn voor vaststelling van het bestemmingsplan maximale geurnormen voor de achtergrondbelasting van geur opgenomen in de regels (als doorvertaling van het raadsbesluit waarin is besloten dat het Ieefklimaat niet mag verslechteren).
De gemeente toetst vergunningaanvragen aan de gemeentelijke geurnormen voor de voorgrondbelasting. De voorgrondbelasting op de bepalende woningen, met name Karissendijk 10 en Rongvenweg 8, wordt daardoor nooit hoger dan de gemeentelijk geurnorm. Hierdoor wordt de voorgrondbelasting op de woonkern Egchel maximaal 2 tot 3 Ou. Het deel van het ontwikkelingsplan dat niet binnen de geurnormen past kan niet gerealiseerd worden. In ieder geval niet zolang uitgegaan moet worden van een geurreductie van 45% voor de gecombineerde luchtwassers. Wel kan het bouwvlak bijvoorbeeld gebruikt worden om bebouwing uit te breiden vanwege bijvoorbeeld verbeterd dierenwelzijn (meer staloppervlak per dier). Doordat de bouwvlakken (waar stallen toegestaan) zijn gekoppeld voorkomt het bestemmingsplan dat er twee afzonderlijke veehouderijen met ieder een maximale voorgrondbelasting van 14 Ou op Karissendijk 10 en/of 5,5 Ou op Rongvenweg 8 kunnen ontstaan. Met één bedrijf moet in het geheel voldaan worden aan de geurnormen en dit is gewaarborgd in het bestemmingsplan.
g.
Indiener geeft aan dat de wet- en regelgeving achterloopt en verwijst naar de Kaderrichtlijn Water. Indiener geeft aan dat in 2015 al duidelijk werd gemaakt dat in Limburg de normen voor gewasbeschermingsmiddelen en nitraat overschreden werden. Indiener geeft aan dat de adviesnormen van de WHO en GGD ten aanzien van geur en luchtkwaliteit nog níet zijn overgenomen in lokale wet- en regelgeving.
Inhoudelijke reactie: De gezondheidskundige advieswaarden zijn niet overgenomen in de lokale wet- en regelgeving,
omdat dit niet alleen agrarische ontwikkelingen kan blokkeren, maar ook woningbouwontwikkelingen (of andere gevoelige functies). Het is wenselijk dat de gemeenteraad beleidsvrijheid heeft en maatwerk kan toepassen. De gemeenteraad betrekt de gezondheidskundige advieswaarden in de beoordeling van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening (onder de Omgevingswet een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties) en maakt op basis daarvan een belangenafweging. .
Indiener geeft aan dat de natuurvergunning niet voldoet aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Want, in de Plan-Mer wordt volgens indiener aangegeven dat een stikstoftoename zal plaatsvinden, luchtwassers werken volgens indiener onvoldoende om ammoniak te reduceren en bij de afgifte van
de natuurvergunning is 2015 als referentie gebruikt, volgens indiener is hier een PAS methode gebruik die in mei 2019 nietig is verklaard.
Inhoudelijke reactie: Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 1, zienswijze 2 en de voortoets die als bijlage 10 bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd. De Raad van State oordeelde recentelijk (ECLI:NL:RVS:2024:3758) dat bij de vaststelling van
een bestemmingsplan twijfels aan de effectiviteit van emissiearme stalsystemen geen rol spelen bij het vaststellen van een bestemmingsplan. De discussie over de effectiviteit van emissiearme stallen kan (en wordt) naar het vergunningenspoor verschoven. Dit oordeelde de voorzieningenrechter ook al eerder in een uitspraak van 18 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2735). Bijlage: i Indiener verwijst in zijn zienswijze naar een toegevoegde bijlage. Deze bijlage zal onder punt j1 tm j19 worden samengevat: j1. Indiener geeft aan dat in het initiatief de mestverwerking wordt verplaatst van de
Jacobusstraat 42 naar De Horsten 20. De milieueffecten (geur, volksgezondheid en geluid) van deze mestverweking zijn niet meegenomen.
Inhoudelijke reactie: Doordat de mestverwerking (al sinds 2019) op grotere afstand van de woonkern Egchel plaatsvindt, is er sprake van een positief effect ten aanzien van geur, geluid en gezondheid in en rondom de woonkern Egchel. Het scheiden van de mest van Jacobusstraat 42 én van De Horsten is vergund voor zowel milieu als afwijken van het bestemmingsplan en is dus onderdeel van de bestaande, planologisch legale situatie (referentiesituatie plantoets). Het planvoornemen ziet toe op voortzetting van feitelijk bestaand, planologisch legaa!l gebruik.
Uitbreiding van de mestscheidingscapaciteit wordt niet mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan voor vaststelling. J2. Indiener geeft aan dat de mestverwerking aan de locatie Jacobusstraat 42 in het plan en in de 'Plan- MER beoordeling meegenomen moet worden. Indiener vindt dat minimaal dat de mestverwerking aan de Jacobusstraat 42 (00k planologisch) moet vervallen.
De locatie Jacobusstraat 42 maakt geen onderdeel uit van het (ontwerp-)bestemmingsplan, waardoor planologisch uitsluiten van de mobiele mestscheiding op deze locatie niet mogellijk is
in dit bestemmingsplan. Voor de scheiding van de mest van Jacobusstraat 42 aan De Horsten is een onherroepelijke omgevingsvergunning voor ‘milieu’ en afwijken van het bestemmingsplan aanwezig en dus betreft dit een feitelijke bestaande, planologisch legale activiteit op De Horsten die wordt voortgezet in het bestemmingsplan. Deze omgevingsvergunning is ter waarborg toegevoegd als bijlage bij de regels van het bestemmingsplan.
10
1B Indiener geeft aan dat ten onrechte wordt gesteld dat voor het veranderen van de ‘mestverwerking geen m.e.r. beoordeling geldt. Een mestverwerkingsinstallatie is volgens de indiener aan te merken als een ‘installatie voor de verwijdering van afval’. Indiener verwijst voor
deze conclusie naar een uitspraak van de Raad van State (ECL!:NL:RVS:2016:3057). Een mededeling op grond van 7.16 Wet milieubeheer, met een beoordeling van de (cumulatieve) milieugevolgen ontbreekt.
Inhoudelijke reactie:
In de Raad van State uitspraak ECLI:NL:RVS:2016:3057 heeft de Afdeling geoordeeld dat mest van derden moet worden aangemerkt als een afvalstof. Verwerken van mest van derden is in het ontwerp-bestemmingsplan niet toegestaan. Omdat het bestemmingsplan plan-m.e.r-plichtig is vanwege de uitbreiding in varkens, is het ook niet relevant of het bestemmingsplan ook nog plan-m.e.r.(-beoordelingsplichtig) is vanwege mestverwerking. Genoemd artikel 7.16 Wm ziet toe op projecten (omgevingsvergunning) en niet op plannen (bestemmingsplan). Door middel van publicatie van de NRD is mededeling gedaan van het m.e.r.-plichtige (bestemmings)plan, zie paragraaf 1.3 van het MER. In het bestemmingsplan (voor vaststelling) wordt geen wijziging van de mestscheidingsactiviteit en ook geen uitbreiding van de mestscheidingscapaciteit meer mogelijk gemaakt. Alleen de bestaande, vergunde en planologisch legale mestscheiding kan nog maar worden voortgezet in dit bestemmingsplan.
J4. Volgens indiener is het niet duidelijk wat de maximale omvang is van de activiteiten en bijhorende milieubelasting van het plan en de Plan MER. Indiener geeft aan dat in de planschets tuimte en gelegenheid wordt geboden om extra stallen te bouwen binnen de plangrenzen. Volgens indiener wordt noch In de regels bij het plan, noch bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de inrichting, dit beperkt of vastgesteld. Anderzijds wordt volgens indiener erkent, dat niet de gewenste maximale bedrijfsomvang kan worden gerealiseerd
vanwege het overschrijden van de geurnorm (volgens de geurverordening) ter plaatse van de woning aan de Karissendijk 10.
Inhoudelijke reactie: Het bestemmingsplan is kaderstellend, hetgeen betekent dat onder voorwaarden planologische ruimte wordt geboden ten behoeve van de totale beoogde bedrijfsopzet van de ondernemer. De ondernemer moet vervolgens ervoor zorgdragen dat voor iedere uitbreidingsfase de benodigde vergunningen worden verkregen. Daarbij geldt de wet- en regelgeving op het moment van de aanvraag. Toekomstige wijzigingen in wet- en regelgeving kunnen er toe leiden dat de
bedrijfsopzet kleiner wordt dan waarvoor het bestemmingsplan is vastgesteld, maar kan er ook toe leiden dat de totale bedrijfsopzet wel gerealiseerd kan worden. Om te zorgen dat in het MER de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan zijn onderzocht zijn er kaders en beperkingen toegevoegd aan de planregels. Deze worden toegelicht in paragraaf 2.2 van de tweede aanvulling op het MER; deze is bijgevoegd als bijlage 7 bij de toelichting van het bestemmingsplan. De aanvullende regels worden ook opgesomd de nota van wijzigingen in hoofdstuk 4. Dit zijn beperkende regels ten aanzien van onder andere varkens en stallen, mestscheiding, stikstof, ammoniak, geur en geluid. Verder zijn er beperkende regels ten aanzien van de hoogspanningsleiding en watergangen en voor landschappelijke inpassing. Door de genoemde planregels zijn de maximale mogelijkheden het bestemmingsplan in overeenstemming gebracht op de milieueffecten die zijn onderzocht in het MER inclusief aanvullingen. Hiermee wordt volledig invulling gegeven aan het toetsingsadvies van de commissie
m.e.r.
J5. Indiener geeft aan het verbeterde geurverwijderingsrendement (45%) niet onderbouwd en gewaarborgd is. Volgens indiener is niet duidelijke gemaakt waarop de gehanteerde geur- en ammoniakemissiefactoren van de luchtwassers van de stallen zijn gebaseerd. Voorwaardelijke bepalingen voor emissierelevante parameters of het vastleggen van emissieniveaus ontbreken in het onderdeel Monitoring en evaluatie van de plan MER.
1
Inhoudelijke reactie:
Het effect van de biologische gecombineerde luchtwassers is beoordeeld op basis van de actuele inzichten en een ammoniakreductie van 85%, geurreductie van 45% en fijnstof reductie van 80%. Over 80% fijnstof reductie is bij gecombineerde luchtwassers geen enkele wetenschappelijke twijfel. Dit komt door de grote hoeveelheden (was)water die continue door de luchtwasser loopt. Over de 45% geurreductie is ook geen enkele wetenschappelijke twijfel. In de voormalige Regeling geurhinder en veehouderij en de huidige Bijlage V en VI bij de Omgevingsregeling zijn per diercategorie geuremissiefactoren en reductiepercentages vastgesteld. Uit de toelichting bij de eerdere wijziging van de geuremissiefactoren in de Rgv blijkt dat destijds besloten is om de geurreductiepercentages van gecombineerde luchtwassystemen (voorlopig) gelijk te stellen aan die van enkelvoudige luchtwassystemen (45% geurreductie voor een biologische luchtwasser),
in verband met de uitkomsten van onderzoek van de Wageningen Universiteit (WUR). Het geurreductie-percentage van 45% is het niveau dat aantoonbaar in de praktijk kan worden gehaald. Er is geen wetenschappelijke twijfel dat dit rendement met een gecombineerde biologische luchtwasser kan worden behaald. De gemeente is dan ook van mening dat vertrouwd kan worden op de wettelijk gestelde emissiefactor voor de biologische gecombineerde luchtwassers. De discussie over de effectiviteit van gecombineerde luchtwassers ten aanzien van ammoniak wordt naar het vergunningenspoor verschoven. Dit is in lijn met actuele jurisprudentie. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 2 onder e en de voortoets die als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd.
J6. Indiener geeft aan dat de feitelijke bedrijfssituatie in het plangebied niet overeenkomt met de vigerende Wnb-vergunning. Volgens indiener is de Wnb- vergunning onjuist vastgesteld omdat de passende beoordeling ontbrak. Niet gerealiseerde stallen kunnen niet worden gebruikt voor inter salderen, indiener verwijst naar de uitspraak (ECLI :NL:RBOBR:2021:6389).
Inhoudelijke reactie: De essentie van aangehaalde uitspraak is dat voor intern salderen geen gebruik kan worden
gemaakt van een natuurvergunning, voor zover een onderdeel daaruit niet meer aanwezig is en ook niet langer milieuvergund is, en betreft een andere casus. In dit bestemmingsplan (voor vaststelling) is intern salderen niet mogelijk. Het plan moet gerealiseerd worden overeenkomstig de onherroepelijke natuurvergunning (van 2015, gewijzigd in 2020). Aan beide natuurvergunningen lag een passende beoordeling ten grondslag. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 1 en van zienswijze 2 onder e, en naar de voortoets die als bijlage 10 bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd. J7. Voor de indiener is het niet duidelijk of de overige stikstofbronnen (zoals de mestverwerking) n de vigerende WNB
vergunning zijn opgenomen,
volgens indiener moet dit inzichtelijk worden
gemaakt bij het intern salderen. JB. Volgens de indiener is de stikstofemissíe van de mestverwerking afgeleid van een niet vergelijkbare installatie. Voor de indiener is daarom onvoldoende duidelijk gemaakt waarom van een andere installatie meetgegevens zijn gebruikt.
Inhoudelijke reactie: In de voortoets (bijlage 10 bij de toelichting van het bestemmingsplan) wordt ingegaan op de bestaande, planologisch legale situatie, de natuurvergunde situatie en het planvoornemen in
het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan (voor vaststelling) staat geen interne saldering toe.
12
De natuurvergunning wordt één-op-één ingepast en omvat de varkenshouderij (stalemissies) en vervoersbewegingen die verbonden zijn aan de varkenshouderij (aan en afvoer van met name
voer, dieren en mest). De mestscheidingsactiviteit is niet vergund in de natuurvergunningen van 2015 en 2020, maar is wel een feitelijke, planologisch legale activiteit (tevens vergund) die mag worden voortgezet in het bestemmingsplan. Wijziging van de mestscheidingsactiviteit en uitbreiding van de mestscheidingscapaciteit is niet (meer) toegestaan in het bestemmingsplan. De natuurvergunning die één-op-één wordt ingepast vormt het kader voor de uitbreiding van de varkenshouderij die het bestemmingsplan planologisch mogelijk maakt. Hiervoor zijn ook nog extra waarborgen opgenomen in de planregels. Verwezen wordt naar de beantwoording van zienswijze 1 en zienswijze 2 onder e. De berekening van de ammoniakemissie door de mestscheidingsactiviteit in het MER is gebaseerd op een wetenschappelijk onderzoek voor een overeenkomstige
mestscheidingsinstallatie. Er is in het MER bij het ontwerp wel een fout geconstateerd in de omrekening naar tonnen te verwerken mest per jaar. In de tweede aanvulling MER is deze berekening gecorrigeerd en is de geraamde ammoniakemissie (voor de bestaande mestscheiding) hoger geworden. Het bestemmingsplan (voor vaststelling) maakt alleen nog voortzetting van de feitelijke bestaande, planologisch legale mestscheiding mogelijk en voorziet niet meer in een uitbreiding. Hierdoor is de raming van de ammoniakemissie slechts onderdeel van het MER (voor inzicht in milieueffecten van de referentiesituatie) en wordt dus niet meer gebruikt om een uitbreiding planologisch te maken. j9. Volgens de indiener is het niet duidelijk gemaakt waarop de invoerparameters van de Aerius-
‘berekening op gebaseerd is. Indiener geeft aan dat bij de geurberekeningen rekening moet worden gehouden met de defaultwaarden voor niet ronde uitstroomopeningen van de luchtwassers.
Inhoudelijke reactie: De invoerparameters van de Aerius-berekening (en de geurberekeningen) zijn gebaseerd op de dimensionering van het type luchtwasser dat de ondernemer wil gaan toepassen. De
uitstroomopening die is aangehouden in de berekeningen volgt uit de standaard systeembeschrijving met bijbehorende maatvoering van de luchtwasser (de leaflet). De emissiepunt diameter (en de daaraan gekoppelde uittredesnelheid) in de berekeningen komt voort uit een berekening voor een ‘niet ronde uitstroomopening’ conform de invoerinstructies en gebruikershandleidingen van de verspreidingsmodellen Aerius (stikstof) en V-Stacks (geur). Zie hiervoor de uitleg in het MER. In de eerste aanvulling op het MER is ook gerekend met de defaultwaarden waar naar verwezen wordt in de zienswijze (zie tabel 4). De verschillende scenario's in het MER zijn voor de voorgrondbelasting ook berekend met een standaard emissiepuntdiameter van 1,0 m overeenkomstig de gewijzigde invoerinstructie bij V-stacks Vergunning. Bij defaultwaarden komt de berekende voorgrondbelasting iets lager uit dan met de werkelijke parameters. In de tweede aanvulling op het MER zijn de geurberekeningen ook aangepast op basiss van de emissiepunt-parameters van de één-op-één ingepaste natuurvergunning (van 2015, gewijzigd in 2020), omdat intern salderen binnen dit
bestemmingsplan niet meer mogelijk wordt gemaakt. De berekende waarden zijn hierdoor gewijzigd, maar de conclusies ten aanzien van geur wijzigen hierdoor niet.
13
J10. Indiener is van mening dat de Aerius- beoordeling gemaakt moet worden aan de hand van ‘de meest recente versie van dit rekenprogramma.
Inhoudelijke reactie: De Aerius-berekeningen in het MER en het ontwerp-bestemmingsplan zijn uitgevoerd met de actuele versie die ten tijde van besluitvorming over het ontwerp-bestemmingsplan beschikbaar was. Voor vaststelling van het bestemmingsplan zijn deze Aerius-berekeningen geactualiseerd op basis van de op dit moment actuele Aerius Calculator versie 2024.0.1. (zie de voortoets in bijlage 10 bij de toelichting van het bestemmingsplan). Als de ondernemer een vergunningaanvraag voor de (gefaseerde) beoogde uitbreiding gaat indienen zal hij opnieuw stikstofberekeningen moeten uitvoeren met de op dat moment actuele versie van Aerius Calculator.
j11. Volgens de indiener wordt de overschrijding van de aanvaardbare geurbelasting niet
inzichtelijk gemaakt. In het Plan MER wordt de aanvaardbare geurbelasting gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij. Volgens indiener zijn de normen die in deze wet staan een overschatting en verwijst naar de rapportages: van de GGD en RIVM.
Inhoudelijke reactie:
Zolang de gemeente geen beleidsregels heeft vastgesteld ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de geurbelasting in relatie tot het woon- en leefklimaat moet de aanvaardbaarheid per plan of project steeds opnieuw beoordeeld worden. Ten aanzien van de voorgrondbelasting mag er vanuit gegaan worden dat als voldaan wordt aan de geurnormen er ook sprake is van een aanvaardbare geursituatie. De rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2022:9119, 22 september 2022) had een voorgrondbelasting van 19,4 Ou als grenswaarde gesteld voor een acceptabele geurbelasting. In hoger beroep is dit door het
gerechtshof Den Haag bijgesteld naar een grenswaarde van 25 Ou voorgrondbelasting (‘minimum level of severity’), wat schattenderwijs correspondeert met 35% geurgehinderden
(ECLI:NL:GHDHA:2025:431). Dit wil nog niet zeggen dat onder de 25 Ou voorgrondbelasting geen ‘minimum level of severity’ wordt bereikt. Als vuistregel geldt dat als de voorgrondbelasting meer dan helft van de achtergrondbelasting bedraagt de
voorgrondbelasting dominant (en andersom). Ook bij een hoge achtergrondbelasting kan het ‘minimum level of severity’ bereikt worden en leiden tot onaanvaardbare geurhinder. Vanwege de gemeentelijke geurnormen voor de voorgrondbelasting en de in de regels van het bestemmingsplan opgenomen maximale waarden voor de achtergrondbelasting van geur, zal het ‘minimum level of severity’ niet worden bereikt en zal het bestemmingsplan niet leiden tot een onacceptabel woon- en leefklimaat (dit wordt hierna nader toegelicht).
De achtergrondbelasting in relatie tot het woon- en leefklimaat wordt beoordeeld op basis van Bijlage 6 en 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij. De normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en de relatie tussen de berekende geurbelasting en de te verwachten hinder aan de hand van de toelichting en handreiking Wgv komen niet overeen met de strengere gezondheidskundige advieswaarden van de GGD en de verwachte mate van geurhinder op basis van GGD-IRAS onderzoek. GGD-Nederland heeft in het kader van het
uitgevoerd onderzoek uit 2014 (GGD en IRAS) en de landelijke evaluatie van de geurregelgeving een advies gegeven m.b.t. de maximale hoogte t.a.v. de achtergrondbelasting van geur. In woongebieden vindt de GGD meer dan 12% geurgehinderden onacceptabel: dit komt overeen met een voorgrondbelasting van maximaal 2 Ou en een achtergrondbelasting van maximaal 5 Ou. In het buitengebied vindt de GGD meer dan 20% geurgehinderden: dit komt overeen met een voorgrondbelasting van maximaal 5 Ou en achtergrondbelasting van maximaal 10 Ou in het buitengebied.
14
Uit de effectbeoordeling in het MER en aanvullingen blijkt dat in de bestaande situatie de voorgrondbelasting overal voldoet aan de gezondheidskundige advieswaarden (Karissendijk 10
uitgezonderd), maar dat de achtergrondbelasting de gezondheidskundige advieswaarden in de bestaande situatie al wel overschrijdt. Het planvoornemen leidt echter niet tot een verdere verslechtering van het leefklimaat in de woonkern van Egchel (een belangrijk uitgangspunt dat is vastgelegd in de Structuurvisie gebiedsontwikkeling Egchel van 7 december 2012). Uit het MER en aanvullingen volgt dat ten gevolge van het planvoornemen geen wijziging van de milieukwaliteit optreedt voor de woningen in de woonkern Egchel én in de bufferzone. Ter plaatse van twee burgerwoningen in het buitengebied (Karissendijk 10 en Melkweg 12) is de achtergrondbelasting in de bestaande situatie al hoger dan 20 Ou (tamelijk slecht tot slecht leefklimaat). Voor Melkweg 12 is de geurbelasting van het voorgenomen plan niet bepalend voor het Ieefklimaat, maar is Rongvenweg 14 de bepalende veehouderij (de voorgrondbelasting van
deze veehouderij is dominant). Alleen ter plaatse van Karissendijk 10 ontstaat zonder extra waarborgen een verslechtering van het leefklimaat ten gevolge van het beoogde plan, maar dit is niet strijdig met wet- en regelgeving en gemeentelijk beleid. De Raad moet deze informatie (die ook in het MER staat opgenomen) voor vaststelling van het bestemmingsplan betrekken in de overwegingen en in de belangenafweging en beslissen over de aanvaardbaarheid. Om te waarborgen dat het woon- en leefklimaat in de kern Egchel, in de bufferzone én in het overige buitengebied niet verder zal verslechteren zijn voor vaststelling maximale geurnormen voor de achtergrondbelasting van geur opgenomen in de regels (als doorvertaling van het raadsbesluit waarin is besloten dat het leefklimaat in de kern Egchel niet mag verslechteren, naar de woningen in het buffergebied en overig buitengebied). j12 Indiener is van mening dat de gemeentelijke geurverordening niet gebaseerd is op de
‘cumulatieve geurbelasting van alle veehouderijen die relevant zijn. Indiener geeft aan dat in de gebruikte geurverordening alleen rekening is gehouden met dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld op grond van de Regeling geurhinder en veehouderij. Volgens indiener zijn melkvee en paarden niet in de Regeling opgenomen De geurverordening voldoet daarom niet aan artikel 7.7 Wet milieubeheer t.a.v. het inzichtelijk maken van de (cumulatieve) gevolgen voor het milieu; indiener verwijst naar het rapport van de Wageningen
universiteit 296 Fijnstofemissie uit stallen: melkvee van maart 2010, waarin bijvoorbeeld ook aan melkrundvee geuremissies kunnen worden toegekend.
Inhoudelijke reactie: Voor veehouderijen met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld (0a. melkrundvee en paarden) gelden conform de voormalige Wgv en de huidige Omgevingswet alleen vaste afstanden. Voor veehouderijen waarvoor emissiefactoren zijn vastgesteld (0a. varkens en pluimvee) gelden geurnormen. Aanleiding hiervoor is dat de geur van intensieve veehouderijen vaker als hinderlijk wordt ervaren dan de geur afkomstig van melkrundvee, paarden, schapen e.d. De gemeente heeft in de geurverordening gebruik gemaakt van de
wettelijke mogelijkheid om afwijkende geurnormen (voor de voorgrondbelasting) vast te stellen. De geurverordening ziet echter niet toe op de achtergrondbelasting (cumulatie van geur) en is reeds vastgesteld beleid waartegen geen zienswijze ingediend kan worden. Een gemeente kan wel in een beleidsregel waarden/normen opnemen voor de beoordeling van de achtergrondbelasting (cumulatieve geurhinder) in relatie tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij ruimtelijke ontwikkelingen, echter de gemeente Peel en Maas heeft hiervoor geen beleidsregels vastgesteld. Onderzoeksrapport 296 van de WUR betreft een onderzoek met als doel het vaststellen van fijnstof emissiefactoren voor melkveestallen. De emissie van geur is in dit onderzoek alleen gemeten om een totale meetset per bedrijf te krijgen en is gebaseerd op metingen van slechts vier bedrijven. De spreiding binnen en tussen de vier bedrijven is groot, er is geen duidelijk
trend zichtbaar en de bedrijven waar gemeten is kunnen volgens de onderzoekers moeilijk met 15
elkaar vergeleken worden. Dit onderzoek en de gemeten geuremissies zijn onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd om toe te kennen aan willekeurige melkveehouderijen. Daarbij is
de geurbeleving die wordt ervaren bij een melkveehouderij anders dan de geurbeleving bij een varkenshouderij, waardoor je niet zomaar geuremissies van melkvee en varkens bij elkaar kunt optellen om de cumulatieve geurbelasting in relatie tot woon- en leefklimaat te bepalen. j13. Volgens indiener moet de cumulatieve geurbelasting vanwege veehouderijen worden ‘berekend voor alle geurgevoelige objecten die binnen 4 kilometer van het plangebied zijn gelegen. Indiener verwijst hiervoor naar de Gebruikershandleiding V- Stacks gebied.
Inhoudelijke reactie: Het onderzoeksgebied (de te onderzoeken woningen) moet volgens de handleiding 2 km rondom het plangebied zijn, maar daaromheen een bufferzone van 2 km omdat hier bedrijven liggen die ook een bijdrage hebben op de woningen in het onderzoeksgebied. Dit komt erop neer dat binnen een straal van 4 km rondom het plangebied alle veehouderijen betrokken moeten worden in de berekening. Voor de berekeningen van de achtergrondbelasting is een receptorbestand van de gemeente Peel en Maas gebruikt met hierin alle woningen binnen de gemeente Peel en Maas (woonkern, bufferzone en buitengebied) en daaraan toegevoegd de dichtstbij gelegen woningen in het buitengebied van de gemeente Leudal. De berekeningen zijn uitgevoerd conform met de gebruikershandleiding. In de bijlagen bij de tweede aanvulling op het MER zijn bestanden van
de berekening voor vaststelling bijgevoegd (bijlage 7 bij de toelichting van het bestemmingsplan). Hierin zijn de berekeningsresultaten weergegeven voor 105 woningen met de hoogst berekende geurbelasting per deelgebied. De berekeningsresultaten op alle overige woningen levert niet alleen een hele lange lijst met data op, maar is daarbij ook niet relevant voor de beoordeling van milieueffecten en de uitvoerbaarheid van het plan. jt4. Indiener ís van mening dat er geen rekening is gehouden met de overige geurbronnen (dierenverblijven en overige bronnen zoals mestverwerking, voeropslag, stookinstalaties). Volgens de indiener is dit gegeven niet inzichtelijk gemaakt.
Indiener verwijst naar de
toetsingsmogelijkheden voor Hedonisch gewogen geuremissies (ECLI:NL:RVS:2022:2753). Ook de piekemissies van geur zijn volgens indiener niet inzichtelijk gemaakt en getoetst.
Inhoudelijke reactie: Uitsluitend voortzetting van de feitelijke bestaande, planologisch legale mestscheiding wordt toegestaan in het bestemmingsplan (voor vaststelling), dus andere vormen van mestbe- en verwerking worden niet (meer) planologisch mogelijk gemaakt. In het algemeen kan worden gesteld dat er relatief weinig bekend is over de geuremissies die optreden bij mestbewerkingsinstallaties en mestopslagen. Met het oog op geur staat de overslag van (potentieel) geurende goederen en de mestbewerkingsinstallatie zelf centraal.
De gemeente Peel en Maas heeft geen gemeentelijk (geur)beleidskader voor de toepassing van mestbe- en verwerking. Mestscheiding op boerderijniveau past binnen de gemeentelijke visie voor het ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij en het plangebied ligt op een duurzame, toekomstgerichte locatie waar het aantal blootgestelden aan geur zeer beperkt is. De risico's voor het optreden van emissies van geur tijdens het scheiden van mest worden als
beperkt ingeschat als de scheiding in een gesloten systeem wordt uitgevoerd (Rapport 703, Inventarisatie emissies en geluidsoverlast van mestbewerkingsinstallaties en eventuele maatregelen, september 2013, Wageningen UR Livestock Research, Melse, Verdoes, Mosquera en de Buisonjé). De meeste installaties voor het scheiden van mest zijn gesloten installaties zonder emissiepunt. Dat wil zeggen dat de daadwerkelijke scheiding van de mest plaatsvindt in een metalen behuizing. Voor een dergelijke gesloten installatie (waar kleine 16
geurbronnen, bijvoorbeeld bij vul- en aftappunten, nooit uitgesloten zijn) wordt geadviseerd bij de afstandseisen uit het Besluit Activiteiten leefomgeving (voorheen uit het Activiteitenbesluit)
aan te sluiten om geurhinder te beperken. Dat wil zeggen een afstand van minimaal 100 meter tot geurgevoelige objecten die in de bebouwde kom liggen en 50 meter tot geurgevoelige objecten die daarbuiten liggen. Geurhinder door mestscheiding in de omgeving wordt voorkomen, door een minimale afstand van 50 meter tot omliggende woningen in het buitengebied aan te houden De mestsilo's en het mestbassin zijn afgedekt en ook hier is een afstand van minimaal 100 meter tot de bebouwde kom en 50 meter tot geurgevoelige objecten daarbuiten genoeg om geurhinder te voorkomen. (Karissendijk 10 ligt op circa 400 meter afstand) en minimaal 100 meter tot woningen in de bebouwde kom (de woonkern Egchel ligt op ongeveer 1,5 km afstand).
j1S. Indiener is van mening dat de maximale geluidsbelasting en de maximale gevolgen voor luchtkwaliteit (fijnstof) niet inzichtelijk genoeg zijn gemaakt conform de Handreiking
industrielawaai en de Regeling beoordeling luchtkwaliteit.
Inhoudelijke reactie: Het bestemmingsplan is kaderstellend voor het totale bedrijfsontwikkelingsplan dat op hoofdlijnen door de ondernemer is aangeleverd. In het MER is het planvoornemen als maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan beschouwd, ook voor luchtkwaliteit. Omdat het een plan-toets betreft voor een kaderstellend bestemmingsplan kan volstaan worden met het beoordelen van de achtergrondconcentratie, de bronbijdragen door veehouderijen en het
planvoornemen (in de tweede aanvulling op het MER van januari 2025 is een actuele fijnstofberekening opgenomen voor het planvoornemen uitgevoerd met ISL3A, en de NIBM-tool 2024 gebruikt voor de beoordeling van de bijdrage door extra verkeer. Zie bijlage 7 bij de toelichting van het bestemmingsplan). Hieruit kan geconcludeerd worden dat fijnstof geen beperkende factor is voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Ten aanzien van geluid (industrielawaai) is geen akoestisch onderzoek uitgevoerd, omdat het planvoornemen nog niet concreet is uitgewerkt. Daarom is ook gekozen om maximale geluidswaarden op te nemen in de regels van het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan (voor vaststelling) zijn extra beperkende regels opgenomen en deze staan beschreven in de tweede aanvulling op het MER, de toelichting bij het bestemmingsplan voor vaststelling en in de nota van wijzigingen in hoofdstuk 4 van dit document.
j16. Indiener is van mening dat de cumulatieve endotoxinenbelasting in het initiatief niet inzichtelijk is gemaakt en Ís beoordeeld.
Inhoudelijke reactie In het MER van 27 juni 2023 (bijlage 3 bij de toelichting van het bestemmingsplan) en paragraaf 5.2.8 van de toelichting bij het (ontwerp)bestemmingsplan zijn de individuele én de cumulatieve endotoxine risicocontouren inzichtelijk gemaakt en de gezondheidsrisico's beoordeeld. Hieruit volgt dat ter plaatse van woningen -vanwege de relatief grote afstanden- geen verhoogde gezondheidsrisico's ontstaan ten gevolge van de toename van uitstoot van endotoxinen in het planvoornemen. De risicocontouren zijn een worstcase benadering vanuit het voorzorgprincipe. Deze toets is geen wettelijke verplichting, maar een hulpmiddel bij de beoordeling of de
gezondheidskundige advieswaarde van 30 EU/m3 niet overschreden wordt ten gevolge van het bestemmingsplan. J17. Indiener is van mening dat de gevolgen voor de volksgezondheid en de maatregelen ter beperking van de risico's voor de volksgezondheid niet inzichtelijk zijn gemaakt.
Indiener verwijst
voor een beoordeling naar: Handreiking veehouderij en gezondheid en de Handreiking veehouderij en gezondheid 2.0. 17
Inhoudelijke reactie:
Gemeenten hebben ondersteuning in de belangenafweging gekregen in de vorm van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid’. Hierin staan de betrokken adviezen van de GGD
opgenomen en wanneer een GGD-advies gevraagd moet worden. De GGD-adviezen kunnen als handvatten dienen bij de besluitvorming door het bevoegd gezag. In paragraaf 6.6 van het MER van 27 juni 2023 (bijlage 3 bij de toelichting van het bestemmingsplan) en paragraaf 5.2.11 van de toelichting bij het (ontwerp-)bestemmingsplan is het aspect gezondheid beoordeeld op basis van de actuele VGO-onderzoeken. En ook zijn de gezondheidskundige adviezen van de GGD betrokken. De GGD is in de NRD-fase al door de gemeente gevraagd om advies uit te brengen. Dit is in lijn met de handreiking. Het GGD advies is betrokken in het MER en opgenomen in bijlage 2 van het planMER.
J18. Indiener vraagt zich af waarom in dit initiatief geen aansluiting wordt gevonden met de ‘nieuwe milieuhygiënische inzichten en voorzienbare ontwikkelingen in wet- en regelgeving; Wet
stikstofreductie en natuurherstel, Wet geurhinder en veehouderij en de verplichting tot beoordeling van cumulatieve milieueffecten op grond van de Omgevingswet van geur.
Inhoudelijke reactie: Het kaderstellende bestemmingsplan en MER met aanvullingen sluiten aan bij de actuele wet-
en regelgeving en autonome ontwikkelingen, omdat op basis hiervan besluitvorming moet plaatsvinden. De ondernemer kan binnen de gestelde planologische kaders gefaseerd de benodigde vergunningen aanvragen en deze aanvragen zullen worden beoordeeld op basis van de op dat moment geldende wet- en regelgeving. Het bedrijfsontwikkelingsplan op hoofdlijnen zal binnen de kaders uitgewerkt worden. In het MER en aanvullingen op het MER (bijgevoegd als bijlagen 3, 4, 6, en 7 bij de toelichting) is ingegaan op de (beleids)ontwikkelingen ten aanzien van stikstof en geur en de werking van luchtwassers. In de paragraaf ‘leemten in kennis' wordt ingegaan op te verwachten ontwikkelingen die nog onvoldoende concreet zijn. Het is een politieke afweging om al dan niet strengere voorwaarden te stellen in het bestemmingsplan vooruitlopend op ontwikkelingen in wet- en regelgeving die nog niet voldoende zeker zijn.
Voor het vast te stellen bestemmingsplan is vanwege de één-op-één inpassing van de onherroepelijke natuurvergunning een voortoets uitgevoerd ten aanzien van de effecten op de Natura2000 gebieden. Hierin is ook ingegaan op de actualiteit en de te verwachten ontwikkeling van het stikstofbeleid. De voortoets is bijgevoegd als bijlage 10 bij de toelichting van het bestemmingsplan. De cumulatie van geur betreft de achtergrondbelasting van geur uit intensieve veehouderijen berekend conform de voorgeschreven berekeningswijze (handleiding V-stacks gebied). De cumulatieve effecten ten aanzien van geur door dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld zijn uitgebreid onderzocht in het MER en de aanvullingen MER en betrokken in de toelichting bij het (ontwerp-)bestemmingsplan. Ook wordt ingegaan op de mestscheiding en opslag, waarvoor vaste afstanden gelden. Er zijn geen andere geurbronnen in de omgeving
waarmee cumulatieve effecten kunnen optreden. In de berekeningen in het MER is wel het uitbreidingsplan van het naastgelegen Rongvenweg 14 betrokken (conform de aanvraag die in procedure is d.d. april 2023). In het bestemmingsplan (voor vaststelling) zijn maximale waarden opgenomen voor de achtergrondbelasting van geur om te waarborgen dat het woon en leefklimaat ten aanzien van geur niet mag verslechteren; overeenkomstig het Raadsbesluit van 2008.
18
j19 Indiener geeft aan dat de rapportage over flora en fauna in het ontwerpplan ontbreekt.
Inhoudelijke reactie: Voor vaststelling is een actueel ecologisch onderzoek uitgevoerd ten aanzien van beschermde soorten (flora en fauna) inclusief veldbezoek. Dit onderzoek van 15 april 2024 maakt deel uit van de aanvulling op het MER en is als bijlage 11 bij de toelichting van het bestemmingsplan bijgevoegd. Dit onderzoek resulteert niet tot nieuwe inzichten op basis waarvan het bestemmingsplan moet worden aangepast. Conclusie:
De gronden genoemd in zienswijze 3 j4 en j15 leiden tot aanvullende regels: —
Binnen de bestemming ‘Agrarisch - intensieve veehouderij’ wordt uitsluitend het houden van
—
varkens toegestaan. In de regels worden de maximale dieraantallen per diercategorie voorgeschreven, overeenkomstig het planvoornemen; Alleen mestscheiding in een dunne en dikke fractie is toegestaan.
—
Erwordt geen uitbreiding van de mestscheidingscapaciteit mogelijk gemaakt.
— —
De situering van de emissiepunten van de stallen (luchtwassers) is vastgelegd; De achtergrondbelasting van geur, de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden, de ammoniakemissie en de geluidsbelasting worden gemaximaliseerd in de planregels. Voor een volledig overzicht van de wijzigingen in de regels wordt verwezen naar de Nota van wijzigingen in hoofdstuk 4 van dit document. De zienswijze onder j19 leidt tot actualisatie van het flora en fauna onderzoek door een erkend
ecologisch adviesbureau. De rapportage is toegevoegd als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan (voor vaststelling). Dit aanvullende onderzoek is al in april 2024 uitgevoerd naar aanleiding van het voorlopig toetsingsadvies van de Commissie m.e.r.
19
Zienswijze 4 (pro forma zienswijze) Door indiener van deze proforma zienswijze is geen aanvullende zienswijze meer ingediend. a.
Indiener geeft aan het onwenselijk is dat een grote varkensfokkerij wordt gerealiseerd en benadrukt dat het noodzakelijk is dat de veestapel wordt ingekrompen.
Inhoudelijke reactie: De noodzaak om de veestapel te laten krimpen is een politiek agendapunt van de landelijke overheid. Vanwege opkoopregelingen en wet- en regelgeving op alle bestuurlijke niveau's zorgen ervoor dat veel veehouderijen gaan stoppen en zorgt daarmee ook voor verkleining van de landelijke veestapel. Dit neemt niet weg dat veehouderijen hun veestapel mogen uitbreiden