CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-062 03 Toelichting Bestemmingsplan De Horsten

Raad 28 oktober 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan De Horsten (2025-062)39.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Handreiking industrielawaai en vergunningverlening De geluidsbelasting door de varkenshouderij aan De Horsten moet aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening worden getoetst. Volgens deze handreiking worden bij het vaststellen van grenswaarden drie elementen onderscheiden: De richtwaarde welke afhankelijk is van de aard van de omgeving; De grenswaarde van 50 dB(A) waarboven in het algemeen in toenemende mate hinder zal optreden; De ontheffingen van bovengenoemde waarden op grond van een bestuurlijk afwegingsproces.

46

vastgesteld

Voor zowel nieuwe als bestaande inrichtingen geldt dat bij een eerste toetsing de aanbevolen richtwaarden gehanteerd dienen te worden. Het plangebied kenmerkt zich als 'landelijke omgeving'. Hiervoor zijn de volgende richtwaarden van toepassing: Langtijdgemiddeld geluidsniveau Lar,LT

Dag

Avond

Landelijke omgeving

40 dB(A) 35 dB(A) 30 dB(A)

Maximaal geluidsniveau Lmax

Dag

Landelijke omgeving

70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A)

Avond

Nacht

Nacht

Tabel 5: Richtwaarden Handreiking industrielawaai en vergunningverlening Overschrijding van de richtwaarde is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Dit referentieniveau wordt ter plaatse door metingen bepaald of berekend uit de optredende geluidbelasting door het wegverkeer. De hoogste van de beide waarden is maatgevend voor het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Ook moeten beperkingen gesteld worden aan het optredende maximale geluidsniveau. Gestreefd dient te worden naar het voorkomen van incidentele verhogingen van het geluid groter dan 10 dB(A) ten opzichte van het equivalente niveau over de betreffende periode. Lagere maximale geluidsniveaus worden, gezien de van nature aanwezige geluiden, niet als hinderlijk beschouwd. In die gevallen waarbij niet aan de grenswaarden kan worden voldaan, kunnen op basis van de afwijkingsbevoegdheid wegens bijzondere omstandigheden hogere maximale geluidsniveaus worden vergund.

Circulaire beoordeling geluidhinder wegverkeer (indirecte hinder) De verkeersaantrekkende werking van de inrichting kan geluidshinder tot gevolg hebben voor woningen die zich langs de aan- en afrijroutes van de desbetreffende inrichting bevinden. Verkeersaantrekkende werking wordt ook indirecte hinder genoemd. Dit verkeer dient, volgens de circulaire Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening Wet Milieubeheer (Minister van VROM, Staatscourant 29 februari 1996, nr. 44 / Schrikkelcirculaire), beoordeeld te worden op basis van de equivalente geluidsniveaus door de berekende etmaalwaarde te toetsen aan de voorkeurgrenswaarde van 50 dB(A) en indien noodzakelijk geacht na bestuurlijke afweging aan de maximale grenswaarde van 65 dB(A). Dit houdt in dat aan het geluidsniveau uitsluitend een maximum wordt gesteld in de vorm van een gemiddelde geluidsbelasting in een etmaal. Er is geen maximum meer gesteld aan het piekniveau. 5.2.3.2 Betekenis voor het plan Bij de begrenzing van het LOG is rekening gehouden met een grote afstand tot woonkernen en andere geluidsgevoelige objecten, om het ontstaan van (nieuwe) hindersituaties te voorkomen. Industrielawaai (directe hinder) Voor de bestaande, vergunde situatie is in 2020 een akoestisch onderzoek uitgevoerd.

In dit onderzoek zijn het gemiddelde geluidsniveau en het piekgeluidsniveau berekend op de woningen die in de omgeving van het bedrijf liggen. Verder is aandacht besteed aan de geluidsbelasting door het verkeer van en naar het bedrijf. In het onderzoek is rekening gehouden met alle relevante geluidsbronnen die tijdens een drukke dag kunnen voorkomen. Het gaat onder andere om de stalventilatie, het lossen van voer, het laden en lossen van vee en het in werking hebben van een mestscheidingsinstallatie (bron: Akoestisch onderzoek 2019-3111-0, Sain Milieuadvies, 16 okt 2019). In de dag- en avondperiode zit het geluidsniveau ruim onder de wettelijke richt- en grenswaarden. In de nachtperiode is het berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de RBS gelijk aan de richtwaarde op de woningen Karissendijk 9 en Melkweg 18. De geluidsemissie in de nacht wordt veroorzaakt door laden van biggen voor 7:00 uur, het periodiek gedurende enkele dagen lossen van drijfmest en laden van dunne en dikke fractie in de periode dat de mobiele mestscheider in werking is, de mobiele mestscheider zelf (in de buitenlucht) en de ventilatoren van de dichtstbij gelegen stallen. Voor deze activiteiten is een geldende omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan

vastgesteld

47

aanwezig. Het bestemmingsplan staat alleen voortzetting van de bestaande mestscheidingsactiviteit toe. In het geluidsonderzoek (RBS) is uitgegaan van een worst case benadering waarin alle geluidsrelevante activiteiten tegelijk plaatsvinden en met name de mobiele mestscheider het gehele etmaal in werking is inclusief laden en lossen van drijfmest en dunne fractie. Feitelijk vindt deze worst case situatie periodiek gedurende een aantal achtereenvolgende dagen plaats. Op dagen dat er geen mestscheiding plaatsvindt zal het geluidsniveau onder de richt- en grenswaarden blijven en is het laden van biggen in de nachtperiode maatgevend. De luchtwassers en ventilatoren op de stallen worden gedempt door het filterpakket van de luchtwasser en worden op zo groot mogelijke afstand van de woningen gesitueerd (= aan de oostzijde van de stallen). Aangezien sprake is van nieuwbouw zullen nieuwe ventilatoren toegepast worden en deze zijn over het algemeen een stuk stiller dan de oudere typen in bestaande stallen. Uiterraard is de geluidsemissie van de ventilatoren afhankelijk van de ventilatorkeuze van de ondernemer (merk en type).

De transporten zullen toenemen, dus ook de diertransporten, echter de biggen komen van de zeugenstallen naar de biggenstallen en worden niet meer van buiten de inrichting aangevoerd, waardoor deze activiteit ook niet noodzakelijkerwijs in de nachtperiode hoeft plaats te vinden. Het laden van biggen voor afvoer van het bedrijf in de nachtperiode (vroege ochtend voor 7u) kan niet uitgesloten worden en toenemen als het aantal biggenplaatsen wordt uitgebreid. Wel kunnen de schaalvoordelen maximaal benut worden en meer biggen per vracht afgevoerd worden. Dit kan aangemerkt worden als een incidentele bedrijfssituatie; maximaal 12 keer per jaar. De bebouwing (stallen) tussen de Karissendijk en geluidsbronnen binnen de inrichting kan ook een afschermende werking hebben, afhankelijk van de situering. Ten aanzien van het planvoornemen wordt geconcludeerd dat er voldoende milieugebruiksruimte aanwezig is ten aanzien van geluid en voldoende mogelijkheden om aan de geluidsnormen te voldoen. Als extra waarborg zijn maximale geluidsnormen opgenomen in de regels, zodat de geluidsbelasting op woningen niet kan worden overschreden. Dit waarborgt dat, ongeacht de locatie van geluidsbronnen, er geen geluidhinder kan optreden ten gevolge van het bestemmingsplan.

Gekozen is om voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau aan te sluiten bij de geluidsvoorschriften die zijn opgenomen in de geldende omgevingsvergunning van 14 mei 2020. Deze geluidsvoorschriften zijn opgenomen in artikel 4.4.6 van de regels. Bij iedere aanvraag om een omgevingsvergunning zal de bedrijfsopzet specifiek uitgewerkt worden. Om dat het bedrijf een IPPC-inrichting is (valt onder de werking van de Richtlijn industriele emissies) mag iedere uitbreiding pas in bedrijf worden genomen als er een omgevingsvergunning is. Hiervoor is een akoestisch onderzoek verplicht. De omgevingsvergunning moet voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT). Voor IPPC-installaties staan de beste beschikbare technieken in BBT-conclusies. In geval van IPPC-installaties zijn controle- of monitoringsvoorschriften verplicht met als voorwaarde dat de monitoringseisen worden gebaseerd op voor die IPPC-installatie relevante BBT-conclusies en bijbehorende informatiedocumenten over beste beschikbare technieken.

Aan- en afrijdend verkeer (indirecte hinder) Indirecte hinder door verkeer is niet aan de orde, aangezien op De Horsten en aan de splitsing met de Melkweg geen woningen van derden of andere geluidsgevoelige objecten aanwezig zijn. Op de Melkweg gaat het inrichtingsgebonden verkeer op in het heersende verkeersbeeld. Bij de eerste woning van derden onderscheidt het inrichtingsgebonden verkeer zich niet er in snelheid en rij- en stopgedrag van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden.

Wegverkeerslawaai De nieuwe bedrijfswoning is een nieuw geluidsgevoelig object en ligt binnen een geluidzone van wegverkeer. In een akoestisch onderzoek is ten behoeve van de nieuwe bedrijfswoning de gevelbelasting onderzocht (Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting De Horsten te Egchel, rapportnummer

48

vastgesteld

M218712.001.002/JME, Aelmans ROM BV, 1 februari 2023). Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 9 bij de toelichting. De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op De Horsten overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet ter plaatse van de specifieke aanduidingen voor de bedrijfswoning.

Het plan is voor het aspect geluid uitvoerbaar. 5.2.4

IPPC

5.2.4.1 Wettelijk kader

RIE-richtlijn De Richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU) is een Europese richtlijn inzake de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreinigingen. Bijlage 1 van deze richtlijn geeft aan wanneer sprake is van een IPPC-installatie (= installatie voor industriële activiteiten). IPPC is enkel van toepassing bij vergunningverlening aan grote varkens- en pluimveebedrijven (op dit moment is dit >40.000 plaatsen voor pluimvee, >2000 plaatsen voor vleesvarkens of >750 plaatsen voor zeugen. Er is een herziening van de RIE voorzien en dit zal waarschijnlijk resulteren in een verlaging van deze drempelwaarden en een verbreding van de scope van type veehouderijen die onder de werking van de RIE vallen). Het doel van de RIE-richtlijn is om door middel van maatregelen emissies in lucht, water, bodem te voorkomen of te beperken om zo afwenteling van emissies tussen de milieucompartimenten te voorkomen en tot een zo hoog mogelijke bescherming van het milieu in zin geheel te komen. Dit houdt in dat de Best Beschikbare Technieken (BBT) toegepast moeten worden, een omgevingstoets uitgevoerd moet worden en belangrijke verontreinigingen voorkomen moeten worden. 5.2.4.2 Betekenis voor het plan Het bestemmingsplan maakt een IPPC-installatie voor het houden van varkens mogelijk. De totale ammoniakemissie van het planvoornemen (totale ontwikkelplan) bedraagt afgerond 7.078 kg NH3/jaar.

Op alle stallen worden gecombineerde luchtwassers met 85% ammoniakreductie toegepast, hetgeen wordt beschouwd als BBT++. Hiermee wordt automatisch voldaan aan de IPPC-omgevingstoets. Het plan is op dit aspect uitvoerbaar. 5.2.5

Ammoniak

5.2.5.1 Wettelijk kader

Wet ammoniak en veehouderij (Wav) De Wav bevat regels met betrekking tot de ammoniakemissie uit dierverblijven. Dit ter bescherming van zeer kwetsbare natuurgebieden (Wav-gebieden). Deze regels in de Wav moeten worden toegepast bij de verlening van omgevingsvergunningen voor veehouderijen. De Wav heeft geen beperkende werking voor veehouderijen die niet in een Wav-gebied of een zone van 250 meter eromheen liggen. De Wav en de aangewezen zeer kwetsbare gebieden komen te vervallen bij het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2024. De provincie kan onder de Omgevingswet opnieuw te beschermen zeer kwestbare gebieden aanwijzen in de provinciale omgevingsverordening, maar zoals het er nu uitziet is de provincie niet voornemens dit te gaan doen. Besluit emissiearme huisvesting dierenverblijven (Beh) Het Beh bepaalt dat dierenverblijven, waar emissiearme huisvestings-systemen voor beschikbaar zijn, emissiearm moeten zijn uitgevoerd. Het Beh bevat maximale emissiewaarden voor ammoniak en fijn stof. Op grond van het Beh mogen alleen nog stalsystemen toegepast worden met een emissiefactor lager dan of gelijk aan de maximale emissiewaarde(n) welke gebaseerd is op BBT.

vastgesteld

49

Rapport Stallucht en Planten: gevolgen van directe ammoniakschade aan gewassen. Het effect van de ammoniakemissie op gevoelige planten in de directe omgeving van stallen wordt beoordeeld aan de hand van het rapport “Stallucht en planten” dat in 1981 is opgesteld door het Instituut voor Plantenziektekundig Onderzoek (IPO). Dit rapport is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniakschade veroorzaakt door ammoniakemissie bij intensieve varkens- en pluimveehouderijen op gevoelige gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt, boomteelt). Andere gewasgroepen lopen een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie blijkt dat minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend. 5.2.5.2 Betekenis voor het plan Binnen 250 m van het plangebied liggen geen Wav-gebieden. De locatie ligt niet in een zeer kwetsbaar natuurgebied (Wav-gebied) of in een zone van 250 meter daaromheen. De Wav heeft hierdoor geen beperkingen voor het planvoornemen. De zeer kwetsbare gebieden liggen op ca. 2,4 km (gebiedsnummer 362) en 2,8 km afstand (gebiedsnummer 303). Deze vallen in de categorie 'overige zeer kwetsbare gebieden'.

Er kan uitgesloten worden dat binnen 250 m van het provinciaal aangewezen Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij een (nieuw) zeer kwetsbaar gebied wordt aangewezen door de provincie onder de Omgevingswet. De zeer kwetsbare Wav-agebieden hebben geen beperkende werking voor het planvoornemen. Op alle stallen worden gecombineerde luchtwassers met 85% ammoniakreductie toegepast, hetgeen wordt beschouwd als BBT. Hiermee wordt automatisch voldaan aan de maximale emissiewaarden in het Besluit emissiearme huisvesting. Van directe ammoniakschade bij gevoelige gewassen is geen sprake aangezien binnen 50 / 25 meter rondom het plangebied geen gevoelige gewasgroepen aanwezig zijn. 5.2.6

Geur

5.2.6.1 Wettelijke kader

Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) Bij het verlenen van vergunningen voor veehouderijen en in de ruimtelijke ordening moet rekening worden gehouden met geuroverlast van veehouderijen. De op 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt hiervoor het beoordelingskader. Deze wet geeft aan hoe bij een aanvraag voor een milieuvergunning de geuremissies uit veehouderijstallen en de geurbelasting op geurgevoelige objecten moet worden meegenomen. Daarnaast heeft deze wet consequenties voor de wijze waarop in ruimtelijke plannen het aspect geurbelasting door veehouderijen een rol speelt. Gemeenten kunnen op grond van de Wet geurhinder en veehouderij binnen een bepaalde bandbreedte variëren met de bescherming van geurgevoelige objecten. Als een gemeente geen gebruik maakt van deze bevoegdheid of besluit geen eigen, afwijkende waarde, vast te stellen, gelden de vaste wettelijke waarden. De Wgv stelt eisen aan de maximale geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken op een gevoelig object zoals een woning. De geuremissie en -belasting worden uitgedrukt in zogenaamde Odour Units (OU's).

De in de wet opgenomen standaard waarden voor de maximale geurbelasting zijn voor het concentratiegebied maximaal 14 OU/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom en maximaal 3 OU/m³ voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom (dit bij 98% percentiel, oftewel 98% van de tijd). Voor bepaalde veehouderijbedrijven (geen intensieve veehouderij, zoals melkrundveebedrijven) geldt een vaste afstand die in acht genomen dient te worden. Deze afstand bedraagt ten aanzien van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom 100 meter en voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom 50 meter. Voor intensieve veehouderijen wordt de norm niet uitgedrukt in een afstandsnorm, maar in een geurcontour, die een grillige vorm kan hebben. Een afwijkende gemeentelijke normering dient vastgelegd te worden in een verordening, een

50

vastgesteld

gebiedsvisie moet deze verordening onderbouwen. De gebiedsvisie moet aantonen dat een - van de wet afwijkende - gemeentelijke normstelling nodig is om de gewenste ruimtelijke visie te realiseren. Bij het vaststellen van de norm, die dus de maximale belasting van een individuele bron bepaalt (de zogenaamde voorgrondbelasting), dient er rekening te worden gehouden met de geurhinder die meerdere bronnen samen (de cumulatieve belasting of de achtergrondbelasting) veroorzaken. Deze onderbouwing staat in de geurgebiedsvisie uitgewerkt.

Gemeentelijke geurverordening De gemeente Peel en Maas heeft sinds 1 oktober 2015 de Verordening op grond van de Wet geurhinder en veehouderij voor Egchel en woonwijk Giel Peetershof in werking. Deze verordening is opgesteld voor het gebied rondom de kern Egchel, om het woon- en leefklimaat in deze kern en het aansluitende ontwikkelgebied te borgen. Deze geurverordening stelt een geurnorm van 5,5 Ou voor een bufferzone tussen de kern Egchel en het LOG Egchel. Deze bufferzone is aangeduid op een bijbehorende kaart. Verder gelden de landelijke geurnormen van 3 Ou voor de bebouwde kom en 14 Ou in het buitengebied. Aan deze geurverordening ligt de Gebiedsvisie geur in het kader van de gebiedsontwikkeling Egchel ten grondslag.

Structuurvisies In de Structuurvisie ‘Intensieve veehouderij en Glastuinbouw buitengebied’ en 'Structuurvisie IV en Glastuinbouw' is voor de kern Egchel vastgelegd dat bij de beoogde gebiedsontwikkeling in het landbouwontwikkelingsgebied de leefbaarheid in het dorp voorop staat en dat het woon- en leefklimaat minimaal gelijk moet blijven (peildatum is 22 december 2008): een milieukwaliteit van 'redelijk goed' op basis van de actuele inzichten en het rekenmodel in 2023.

Geen geurbeleid voor mestscheiding Geur ten gevolge van mestscheiding valt niet onder de reikwijdte van de Wgv. De gemeente Peel en Maas heeft geen (geur)beleidskader voor de toepassing van mestscheiding. Lokale mestscheiding op boerderijniveau past binnen de gemeentelijke visie voor het ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij, aangezien hier sprake is van een duurzame, toekomstgerichte locatie waar het aantal blootgestelden aan geur zeer beperkt is. 5.2.6.2 Betekenis voor het plan

Aanwezige geurruimte voor het planvoornemen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) verbiedt het overschrijden van de geurnorm bij gevoelige objecten en beperkt daarmee de milieugebruiksruimte voor (intensieve) veehouderijen. In het plangebied is in 2012 gestart met nieuwvestiging van de varkenshouderij aan De Horsten, die in fasen verder wordt ontwikkeld in een gunstig gelegen stuk van het buitengebied met weinig woningen of andere gevoelige functies in de directe omgeving. Binnen het plangebied is hierdoor nog voldoende geurruimte aanwezig om de varkenshouderij uit te breiden. Een toename in geuremissie en -belasting is binnen de wettelijke kaders toegestaan, zolang de geldende geurnormen niet worden overschreden en voldaan wordt aan het gemeentelijk geurbeleid. Het is dan ook toegestaan om de voorgrondbelasting toe te laten nemen tot aan de geurnormen. In het plangebied wordt de milieugebruiksruimte echter niet alleen bepaald door de geldende normen voor de voorgrondbelasting (individuele milieugebruiksruimte), maar ook door het beleidsstandpunt dat is vastgesteld door de Raad dat bij ontwikkelingen in het landbouwontwikkelingsgebied het woon- en leefklimaat ten aanzien van geur in de kern Egchel niet mag verslechteren ten opzichte van de situatie op peildatum 22 december 2008 (cumulatieve, 'gedeelde' milieugebruiksruimte).

De gemeentelijke geurnormen voor de kern Egchel en de bufferzone hebben hierin een sturende functie.

vastgesteld

51

In de omgeving van het plangebied zijn meerdere intensieve veehouderijen aanwezig die nog zullen ontwikkelen en mogelijk de cumulatieve milieugebruiksruimte benutten. Als de varkenshouderij aan De Horsten in fasen verder zal uitbreiden en voor de laatste fase(n) over enkele jaren pas een omgevingsvergunning gaat aanvragen, dan is de achtergrondbelasting geur van dat moment bepalend en kan het op voorhand niet uitgesloten worden dat door tussentijdse uitbreiding van andere bedrijven de achtergrondbelasting van geur in de kern Egchel dusdanig is toegenomen, dat bij iedere volgende toename het woon- en leefklimaat verslechterd t.o.v. 2008. In de bepaling van de achtergrondbelasting is ook de beoogde ontwikkeling van de naastgelegen varkenshouderij aan de Rongvenweg 14 betrokken. Dit bedrijf heeft namelijk een lopende vergunningaanvraag voor uitbreiding van de varkenshouderij, maar er is nog geen ontwerp-beschikking. De uitbreiding is nog niet concreet genoeg, maar aangenomen kan worden dat de aangevraagde geurbelasting qua orde van grootte vergelijkbaar zal zijn met de ingediende aanvraag. Ook dit bedrijf heeft te maken met de voorgrondnormen en de (verhoogde) geuremissiefactoren voor combiwassers. Een ander bedrijf in de omgeving zijn de nertsenhouderij op Karissendijk 7 en 9.

Het bestemmingsplan staat op deze locatie omschakeling naar andere vormen van intensieve veehouderij toe. Als hier een varkenshouderij gevestigd wordt dan mag ook hier de geuremissie en geurbelasting toenemen. De milieugebruiksruimte t.a.v. de achtergrondbelasting geur kan dus (op)gebruikt worden door een ander bedrijf. In theorie kan op dat moment iedere uitbreiding in geur ervoor zorgen dat het woon- en leefklimaat verslechterd van 'matig' naar 'redelijk slecht' en dat is niet toegestaan. Daar staat tegenover dat er ook intensieve veehouderijen beëindigd kunnen worden, bijvoorbeeld als de nertsenhouderij wijzigt naar een 'niet-veehouderij' functie en de milieuvergunning voor het houden van vee wordt ingetrokken. Dan ontstaat er ten aanzien van de achtergrondbelasting van geur juist nieuwe milieugebruiksruimte voor onder andere het varkensbedrijf aan De Horsten. En uiteindelijk heeft de initiatiefnemer zelf nog de geurruimte van de thuislocatie Jacobusstraat 42 die ingezet kan worden door deze locatie aan de rand van de woonkern te beëindigen ten behoeve van uitbreiding van de veehouderij aan De Horsten. Ook de situering van de emissiepunten ten opzichte van geurgevoelige objecten is belang voor de geurbelasting ter plaatse van woningen. De emissiepunten worden zover mogelijk van woningen gesitueerd, uitgezonderd de eerste biggenstal die is gebouwd in 2012.

De situering van emissiepunten is gewaarborgd in de situatieschets die is bijgevoegd als Bijlage 4 bij de regels. De emissiepunt-parameters kunnen nog geoptimaliseerd worden om de geurbelasting verder te verlagen, maar ten gevolge van de gerechtelijke uitspraken over stikstof staat de stikstofregeling in dit bestemmingsplan geen interne saldering toe ten opzichte van de één-op-één ingepaste natuurvergunning (2015, gewijzigd in 2020). Op basis van de provinciale eis van minimaal 85% ammoniakreductie en de vergunde natuurvergunning moeten de stallen voorzien worden van luchtwassers met minimaal 85% ammoniakreductie. Daarbij is met meer dan 750 fokzeugen sprake van een RIE-inrichting (IPPC-installatie), waardoor de BBT-Conclusies voor intensieve veehouderijen (Beste beschikbare Technieken) toegepast moeten worden. De vergunde gecombineerde, biologische luchtwasser wordt beschouwd als BBT (alle luchtwassers met 85% of 95% ammoniakreductie worden beschouwd als BBT, echter de gecombineerde biologische luchtwasser heeft een hoge reductie van 85% ammoniak, 45% geur én 80% fijnstof) en biedt het planvoornemen de meeste geurruimte.

De geurruimte was ten tijde van het opstellen van de beleidskaders voor het LOG Egchelse Heide voor zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting groter, aangezien op dat moment de geuremissiefactoren voor gecombineerde luchtwassers nog gebaseerd waren op 85%.

52

vastgesteld

Emissiefactoren gecombineerde luchtwassers Op 20 juli 2018 is de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) gewijzigd (Staatscourant 2018, nr 39679, 19 juli 2018). Deze wijziging hield verband met een onderzoek naar de effectiviteit van gecombineerde luchtwassystemen (Evaluatie geurverwijdering door luchtwassystemen bij stallen: Deel 1 Oriënterend onderzoek naar werking gecombineerde luchtwassers en verschillen tussen geurlaboratoria (rapport 1081) en Deel 2 Steekproef rendement luchtwassers in de praktijk (rapport 1082), Wageningen Livestock Research 2018). Bepaalde typen luchtwassystemen verwijderen minder geur dan gedacht. De emissiefactoren voor alle gecombineerde luchtwassers en één biologische luchtwasser zijn hierop verhoogd (o.b.v. 30% en 45% geurreductie i.p.v. 85% geurreductie). Gevolg is dat de geuremissie van een vergunde veehouderij met betreffende luchtwassers groter is dan waarvoor vergunning is verleend. Dit heeft tot gevolg dat de omgeving zwaarder belast wordt dan aanvankelijk is aangenomen en de milieugebruiksruimte ten aanzien van geur kleiner is geworden. De Rijksoverheid heeft aangeven dat bij voldoende waarborg van reductiepercentages de emissiefactoren in de Rgv worden bijgesteld.

Momenteel loopt vanuit het Rijk, de provincie Noord-Brabant en Wageningen UR een vervolgonderzoek naar maatregelen om het verwijderingsrendement van deze luchtwassers te verbeteren en ook wordt samen met enkele leveranciers van luchtwassers gewerkt aan certificering. Op basis van een certificaat zou dan in de toekomst mogelijk erkenning van gecombineerde luchtwassystemen met een hoger reductiepercentage kunnen plaatsvinden, waardoor er in het plangebied weer meer milieugebruiksruimte ontstaat. Dit is echter geen voorziene ontwikkeling voor de korte termijn, maar mogelijk wel voor over een paar jaar.

Geuremissie uit stallen De bestaande geuremissie bedraagt 69.130 OU en de geuremissie van het planvoornemen bedraagt 200.821 OU. Het bestemmingsplan maakt uitbreiding in het aantal varkens mogelijk en daardoor neemt de geuremissie toe. Met toepassing van gecombineerde, biologische luchtwassers wordt de geuremissie 45% gereduceerd. Dit type luchtwasser wordt als geurreducerende maatregel aangemerkt als Best Beschikbare Techniek (BBT).

Geuremissie door mestscheiding en mestopslag Het bestemmingsplan staat alleen voortzetting van de bestaande, planologisch legale mestscheiding toe. In het algemeen kan worden gesteld dat er relatief weinig bekend is over de geuremissies die optreden bij mestscheiding. De risico's voor het optreden van emissies van geur tijdens het scheiden van mest worden als beperkt ingeschat als de scheiding in een gesloten systeem wordt uitgevoerd. In de feitelijke situatie wordt een gesloten mestscheidingsinstallatie toegepast. Voor een gesloten installatie wordt geadviseerd bij de afstandseisen uit het Activiteitenbesluit aan te sluiten. Dat wil zeggen een afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten die in de bebouwde kom liggen en 50 meter tot objecten die daarbuiten liggen. Hier wordt ruim aan voldaan. De mestsilo's en het mestbassin zijn afgedekt en ook hier is een afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten in de bebouwde kom en 50 meter tot objecten daarbuiten genoeg om geurhinder te voorkomen.

Voorgrondbelasting geur uit stallen In de bestaande vergunde situatie wordt ruim voldaan aan de gemeentelijke geurnormen voor de woonkern Egchel 3 Ou en het buffergebied 5,5 Ou. De geurbelasting benaderd op Karissendijk 10 al wel de landelijke geurnorm voor het buitengebied van 14 Ou. In het planvoornemen overschrijdt de voorgrondbelasting alleen ter plaatse van Karissendijk 10 de geldende geurnorm van 14 Ou, zie tabel 7. Dit betekent dat met de huidige geuremissiefactoren en emissiepuntparameters het totale planvoornemen niet vergunbaar is. Zodra de geurreductie van gecombineerde luchtwassers verhoogd wordt ontstaat er mogelijk alsnog ruimte om het totale plan te realiseren. Aangezien er vanuit het Rijk

vastgesteld

53

concrete onderzoeken en trajecten lopen voor verbetering van de werking van gecombineerde luchtwassers en certificering, is er wel zicht op mogelijkheden voor volledige realisatie binnen de komende 10 jaar. In het PlanMER is onderzocht wat met de huidige geuremissiefactoren de maximale geuremissie kan zijn om binnen de geldende geurnormen te blijven. Dit is ongeveer 140.427 Ou (indicatief) en daarmee 60.394 Ou minder dan het totale planvoornemen.

Figuur 18 : Geurcontouren voorgrondbelasting totaal ontwikkelplan (indicatief)

Tabel 7: Berekende voorgrondbelasting (V-stacks Vergunning v2020)

De Rechtbank Den Haag had in haar vonnis van 22 september 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:9119) 2over

54

vastgesteld

de rechtmatigheid van de Wet geurhinder en veehouderij een voorgrondbelasting van 19,4 Ou als grenswaarde gesteld voor een acceptabele geurbelasting. In hoger beroep is dit door het Gerechtshof Den Haag bijgesteld naar een grenswaarde van 25 Ou voorgrondbelasting ('minimum level of severity'), wat schattenderwijs correspondeert met 35% geurgehinderden (ECLI:NL:GHDHA:2025:431; uitspraak van 25 maart 2025). De voorgrondbelasting ten gevolge van de maximale mogelijkheden van het bestemnmingsplan ligt ruim onder deze grenswaarde. Dit wil nog niet zeggen dat onder de 25 Ou voorgrondbelasting geen 'minimum level of severity' kan worden bereikt. Als vuistregel geldt dat als de voorgrondbelasting meer dan helft van de achtergrondbelasting bedraagt de voorgrondbelasting dominant (en andersom). Ook bij een hoge achtergrondbelasting kan het 'minimum level of severity' bereikt worden en leiden tot onaanvaardbare geurhinder. Maximaal 35% geurgehinderden correspondeert met een achtergrondbelasting van maximaal 50 Ou (een 'extreem slecht leefklimaat' volgens de systematiek van het RIVM). Hiervan is geen sprake ten gevolge van de maximale mogelijkheden van dit bestemmingsplan. Navolgend wordt nader ingegaan op de achtergrondbelasting in relatie tot het woonen leefklimaat.

Achtergrondbelasting geur uit stallen en woon- en leefklimaat Voor de kern Egchel is vastgelegd dat bij de beoogde gebiedsontwikkeling in het (voormalige) LOG de leefbaarheid in het dorp voorop staat en dat het woon- en leefklimaat niet mag verslechteren en minimaal gelijk moet blijven ten opzichte van peildatum is 22 december 2008. Op de peildatum was het woon- en leefklimaat (milieukwaliteit bepaald op basis van Bijlage 6 en 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij) ten aanzien van de achtergrondbelasting van geur 'redelijk goed' (in de volgende alinea wordt dit nader toegelicht). De bestaande vergunde situatie is bij de vergunningverlening in 2020 aan dit beleidstandpunt getoetst en had ten aanzien van de milieukwaliteit in de woonkern Egchel geen verslechtering ten gevolg ten opzichte van de peildatum. In de beoordeling voor het totale planvoornemen kan daarom worden volstaan met de vergunde situatie als uitgangssituatie. De berekende achtergrondbelasting is indicatief en kan cijfermatig beperkt toenemen door een toename in geuremissie, zonder dat het woon- en leefklimaat verslechtert. Het rekenmodel V-Stacks gebied kunnen gemeenten als hulpmiddel gebruiken om de achtergrondbelasting van geur te berekenen. Hiervan zijn drie versies: v2007, v2010 en v2020.

De milieukwaliteit 'matig' voor de woonkern Egchel op peildatum 22 december 2008 is vastgesteld op basis van berekening met een verouderde V-stacks gebied versie. Voor dit bestemmingsplan is de nieuwste, actuele versie v2020 van dit rekenprogramma gebruikt (v2020 heeft als publicatiedatum februari 2022), met toepassing van bijbehorende gebruikshandleiding en invoerinstructies. Uit de berekeningsresultaten volgt dat in de bestaande, vergunde situatie (en dus ook op de peildatum) de milieukwaliteit in de woonkern Egchel aan te merken is als 'redelijk goed'.

vastgesteld

55

Figuur 19a: Indicatieve achtergrondbelasting referentiesituatie vergund 2020 (V-stacks gebied v2020)

Figuur 19b: Indicatieve achtergrondbelasting totaal ontwikkelplan (V-stacks gebied v2020)

56

vastgesteld

Tabel 8: Achtergrondbelasting geur naar classificatie woon- en leefmilieu in absolute aantallen verblijfsobjecten, voor zover niet behorend bij (voormalige) veehouderij, o.b.v. woningenbestand afkomstig van gemeente Leudal.

vastgesteld

57

Tabel 9: Indicatieve achtergrondbelasting geur uit stallen

Tabel 10: Leefklimaat door achtergrondbelasting geur uit stallen Uit voorgaande tabellen kan geconcludeerd worden dat ten gevolge van het onderhavige bestemmingsplan geen verslechtering van het woon- en leefklimaat door geur uit stallen optreedt, in het bijzonder voor de woningen in de woonkern Egchel. Ten aanzien van geur in relatie tot leefklimaat is het

58

vastgesteld

bestemmingsplan uitvoerbaar.

Maximale achtergrondbelasting geur uit stallen in de regels van het bestemmingsplan De achtergrondbelasting van geur uit stallen neemt toe ten gevolge van het totale ontwikkelplan, maar leidt ter plaatse van de woonkern Egchel niet tot verslechtering van het woon- en leefklimaat. Door in de regels van het bestemmingsplan een maximale achtergrondbelasting van maximaal 13,1 OU op te nemen voor de woonkern Egchel (overeenkomstig de begrenzing van de woonkern in de geurverordening) wordt in het bestemmingsplan gewaarborgd dat het leefklimaat in de woonkern Egchel niet kan verslechteren ten opzichte van het leefklimaat op de peildatum in 2008 en worden de kaders uit het raadsbesluit van 2008 vertaald en juridisch geborgd in de planregels van het bestemmingsplan. Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van geur ter plaatse van woningen in het buitengebied is geen lokaal toetsingskader aanwezig en dit betekent dat bij iedere ruimtelijke ontwikkeling de gemeenteraad de aanvaardbaarheid van geur moet beoordelen aan de hand van de kenmerken van het betreffende gebied. Dit geldt ook voor onderhavig bestemmingsplan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen van veehouderijen beoordeelt de gemeente Peel en Maas het leefklimaat door de achtergrondbelasting van geur op basis van de systematiek in Bijlage 6 en 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij.

Dit gebeurt niet alleen voor de woonkern Egchel, maar ook voor woningen in het buitengebied. Voor woningen in het buitengebied die conform de Wgv beschermd worden door wettelijke normen wordt op basis van deze systematiek een achtergrondbelasting van maximaal 28,3 Ou als aanvaardbaar beschouwd, dus is gekozen om in onderhavig bestemmingsplan deze waarde als maximale achtergrondbelasting voor woningen in het buitengebied op te nemen in de planregels. Voor Melkweg 12 is als enige uitzondering de huidige vergunde achtergrondbelasting van 30,5 Ou opgenomen als maximum, zodat vergund recht gerespecteerd wordt in dit bestemmingsplan. De voorgrondbelasting ten gevolge van het bestemmingsplan (totale planvoornemen) bedraagt met maximaal 7 Ou minder dan de helft van de achtergrondbelasting. Op de woning Melkweg 12 is de voorgrondbelasting van Rongvenweg 14 dominant en bepalend voor het woon- en leefklimaat. Het volstaat voor dit bestemmingsplan om voor Melkweg 12 te waarborgen dat de achtergrondbelasting niet mag toenemen ten opzichte van de huidige vergunde achtergrondbelasting. Door het opnemen van maximale waarden voor de achtergrondbelasting van geur wordt de huidige toetsingswijze van de gemeente Peel en Maas bij ontwikkelingen van veehouderijen geïmplementeerd en juridisch verankerd in het bestemmingsplan.

Bedrijfswoning De nieuwe bedrijfswoning is een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en wordt alleen beschermd tegen geur van omliggende veehouderijen door middel van een minimale afstand van 50 meter. De bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen geur vanuit de eigen veehouderij. De specifieke aanduiding voor de bedrijfswoning is op grotere afstand dan 50 meter van geurbronnen gesitueerd en beperkt andere veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden. De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is niet in het geding.

5.2.7

Lucht

5.2.7.1 Wettelijk kader

Wet milieubeheer De Wet milieubeheer bevat regels en grenswaarden voor o.a. stikstofdioxide en fijnstof. De Europese Richtlijn luchtkwaliteit van 2008 is in deze wet geïmplementeerd. Jaarlijks wordt een lijst met fijnstofemissiefactoren voor dierenverblijven uitgebracht.

vastgesteld

59

Fijnstof wordt gezien als één van de meest schadelijke stoffen van luchtverontreiniging. Tot fijnstof worden in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 micrometer (PM10) gerekend. Fijnstof blijft in de lucht zweven en bestaat uit deeltjes van verschillende grootte, van verschillende herkomst, met een verschillende chemische samenstelling. Vooral een sterke concentratie van veehouderijen kan de kans op overschrijding van de fijnstofnorm voor PM10 verhogen. Het primair fijnstof afkomstig van de veehouderij is meestal organisch van samenstelling. Dit zijn deeltjes afkomstig van vooral mest, huidschilfers, veren, voer, haren en strooisel. Bijdragen van natuurlijke bronnen aan de concentraties van fijnstof, waaronder zeezout, mogen in mindering worden gebracht op overschrijdingen van grenswaarden. Dit staat in de 'Regeling beoordeling luchtkwaliteit' opgenomen. Deze aftrek bedraagt voor de jaargemiddelde concentratie PM10 in de gemeente Peel en Maas 1 µg/m3. De aftrek voor het aantal overschrijdingsdagen boven een 24-uurgemiddelde concentratie PM10 van 50 µg/m³ bedraagt in de provincie Limburg 2 dagen.

Niet in Betekenende Mate (NIBM) Ruimtelijke projecten of (te vergunnen) activiteiten hoeven geen uitgebreid luchtkwaliteitsonderzoek uit voeren, als ze “niet in betekenende mate” (NIBM) voor een verslechtering van de luchtkwaliteit zorgen. NIBM is maximaal 3% van de jaargemiddelde concentratie PM10, ofwel maximaal 1,2 µg/m3 PM10. In de 'Regeling NIBM' zijn gebieden aangewezen waar de NIBM-grondslag niet van toepassing is voor veehouderijen die meer dan 800 kg fijnstof per jaar emitteren, maar dit heeft geen betrekking op de gemeente Peel en Maas. Medio 2008 is het verspreidingsmodel ISL3a uitgekomen, aangevuld met de handreiking en per 24 december 2008 is ook het te hanteren toetsingskader vastgelegd in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. In het toetsingskader is opgenomen dat de concentratie van fijnstof uitsluitend wordt beoordeeld op woonlocaties en op locaties die voor het publiek toegankelijk zijn. Een bedrijfswoning van een veehouderij wordt ook beschermd tegen de belasting van fijnstof afkomstig van veehouderijen in de omgeving. De eigen bedrijfswoning wordt alleen niet beschermd tegen de belasting van fijnstof afkomstig van de eigen veehouderij.

Wettelijke grenswaarden en gezondheidskundige advieswaarden Wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit komen uit Europese richtlijnen en zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (titel 5.2 en bijlage 2). Deze grenswaarden zijn bedoeld om de volksgezondheid te beschermen en vormen een compromis tussen wat vanuit gezondheidsperspectief wenselijk is, wat technisch mogelijk is en wat economisch en politiek haalbaar is. Ten aanzien van luchtkwaliteit (oa. fijnstof) betekent dat de concentratie mag toenemen (mag worden 'opgevuld') tot aan de grenswaarden. Beleidsnormen en wetenschappelijke advieswaarden zijn wat vrijblijvender dan de wettelijke grenswaarden. Het gaat om richtwaarden waarop het beleid zich moet richten (inspanningsplicht). Bij wetenschappelijke advieswaarden staat gezondheidsbescherming centraal. Bronnen van beleidsnormen en wetenschappelijke advieswaarden zijn o.a.: Bijlage 2 van de Wet milieubeheer (richtwaarden, echter niet voor PM10) Wereldgezondheidsorganisatie (WHO): Air Quality Guidelines (sept 2021 geactualiseerd) RIVM-rapport: Luchtnormen geordend (2010) 40 µg/m3

PM10

Jaargemiddelde concentratie

PM10

24-uurgemiddelde (mag maximaal 35 keer per 50 µg/m3 jaar worden overschreden) 31,2 µg/m3 Vertaling EU-norm max. 35 overschrijdingsdagen 24-uurgemiddelde naar jaargemiddelde

60

EU-grenswaarde Wet milieubeheer EU-grenswaarde Wet milieubeheer

vastgesteld

PM10

Jaargemiddelde concentratie

15 µg/m3 (was 20 µg/m3)

WHO advieswaarde (verlaagd in sept 2021)

PM10

24-uurgemiddelde (3 a 4 overschrijdingen per jaar)

45 µg/m3

WHO advieswaarde

Tabel 11: Toetsingskaders en normstellingen fijnstof (PM10)

- Fijnstof (PM10) In de EU richtlijn luchtkwaliteit van 2008 zijn normen opgenomen voor fijnstof (PM10). Deze zijn in de Wet milieubeheer overgenomen. De Europese grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) van 40 µg/m³ moet bescherming bieden tegen de langetermijneffecten. De grenswaarde voor het daggemiddelde (niet meer dan 35 dagen met een gemiddelde concentratie boven 50 µg/m³) moet bescherming bieden tegen effecten door acute blootstelling aan fijnstof.

- Zeer fijn stof (PM2,5) In de EU richtlijn luchtkwaliteit van 2008 zijn ook normen opgenomen voor zeer fijn stof (PM2,5). Deze zijn in de Wet milieubeheer overgenomen. PM2,5 is naar huidige inzichten schadelijker voor de gezondheid dan PM10. De Europese aanpak van PM2,5 richt zich op een algemene vermindering van concentraties in stedelijke achtergrondgebieden. Dit bereikt men via een nationale streefwaarde en een nationale blootstellings- concentratieverplichting, in combinatie met een streef- en grenswaarde. Voor de vergunningverlening van veehouderijen is alleen de jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie belang. De grenswaarde voor PM2,5 vraagt geen aanvullende toetsing voor de agrarische sector. De emissie van primair PM2,5 uit veehouderijen is beperkt in verhouding tot de emissie van PM10. Als de luchtkwaliteit aan de PM10 normen voldoet, dan geldt dit ook voor de PM2,5 normen. Daarbij ligt de achtergrondconcentratie voor PM2,5 in Nederland ruimschoots onder de grenswaarde. Uit onderzoek van RIVM blijkt dat bij een PM10-concentratie lager dan 32,5 µg/m3 de kans op een overschrijding van de PM2,5 norm kleiner dan 1% is. Uit informatie van de Commissie voor de m.e.r. volgt dat de emissie voor primair PM2,5 grofweg gelijkgesteld kan worden aan 20% van de PM10 emissies.

Daarnaast is er nog een geringe bijdrage van secundair PM2,5 dat ontstaat door de omzetting van geëmitteerd NH3 in NH4-deeltjes.

PM2,5 PM2,5

Jaargemiddelde concentratie

20 µg/m3

EU-grenswaarde/ Wm

Jaargemiddelde concentratie

5 µg/m3

WHO advieswaarde

Tabel 12: Wettelijke grenswaarde en WHO-advieswaarden zeer fijn stof (PM2,5)

- Secundair fijnstof door ammoniak Stofdeeltjes die gevormd worden door chemische reacties in de atmosfeer worden secundair fijnstof genoemd. Ammoniak uit de veehouderij wordt omgezet in ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat. Deze bestanddelen worden in de lucht gevormd uit zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx ) en ammoniak (NH3). Omdat deze deeltjes gevormd worden uit gassen worden ze secundair fijnstof genoemd. De belangrijkste bron van NH3 is de veehouderij. De belangrijkste bronnen van SO2 zijn de industrie, de energieproductie, raffinaderijen en zeescheepvaart. De belangrijkste bronnen van NOx zijn de verbrandingsprocessen van automotoren (verkeer), industrie, energieproductie, raffinaderijen en de zeescheepvaart. Secundair fijnstof bevindt zich vooral in de fractie die kleiner is dan 2,5 micrometer, terwijl de primaire fijnstofemissies van landbouw vooral in de fractie 2,5-10 micrometer zit. Vanwege de geringere afmeting en omdat secundair fijnstof pas in de lucht gevormd wordt, kan het over grote afstanden verspreiden. Er zijn geen specifieke kaders of grenswaarden voor secundair fijnstof, maar wel is het landelijk en

vastgesteld

61

provinciaal beleid gericht op vermindering van emissies van ammoniak.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is het samenwerkingsprogramma tussen de Rijksoverheid, provincies en gemeenten waarbinnen de concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 worden gemonitord en maatregelen worden geregistreerd, met als doel om te voldoen aan de Europese grenswaarden. Met het NSL kreeg Nederland uitstel voor het behalen van de grenswaarden oa. voor PM10. Het NSL bevat een reeks van maatregelen die door de overheden uitgevoerd moeten worden en een monitoringsstelsel. Het NSL liep oorspronkelijk door tot 1 augustus 2014, maar is voor een deel van Nederland verlengd tot het invoeren van de Omgevingswet. Gebieden die met het verlengde NSL meedoen zijn Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland, Noord-Holland, Noord-Brabant en Limburg. De gemeente Peel en Maas heeft in 2021 het Schone Lucht Akkoord (SLA) ondertekend. Voor terreinen die in Peel en Maas een belangrijke rol spelen bij schone lucht, zoals landbouw en mobiliteit, hoeft er weinig veranderd te worden. De gemeente kan in het decentrale uitvoeringsplan voor het SLA voortbouwen op bestaand beleid. Intensieve veehouderij, met de bijbehorende uitstoot van fijnstof en ammoniak, is in de gemeente Peel en Maas als plattelandsgemeente volop aanwezig, maar ook sterk in beweging.

Veel intensieve veehouderijen denken na over het toekomstperspectief van hun bedrijf en gaan daarover met de gemeente in gesprek en opzoek naar wat past. Dat kan omschakeling zijn, maar sanering is in veel gevallen ook een serieuze optie. De gemeente speelt met de 'win-win-regeling' in op deze ontwikkeling. Met deze regeling kunnen varkens- of pluimveebedrijven vlak bij woonkernen toestemming krijgen om een extra woning te bouwen als ze hun bedrijf saneren. De gemeente doet daarnaast actief mee aan de landelijke stoppersregelingen. De gemeente geeft aan intensieve veehouderijen op duurzame locaties op afstand van de kernen ontwikkelingsruimte, met als doelstelling behoud van de leefbaarheid van het dorp Egchel. Dit is ook aan de orde bij onderhavig bestemmingsplan. 5.2.7.2 Betekenis voor het plan De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ligt volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) 2020 in en rondom het plangebied rond de 17-18 µg/m3. In 2020 lag de achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) in en rondom het plangebied en de kern Egchel (naar boven afgerond) op 16 µg/m3. In 2020 is er een positief effect zichtbaar door minder verkeer ten tijde van de Covid19 lockdowns.

Tussen 2019 en 2022 is lokaal de fijnstofbelasting van de twee nieuwste stallen binnen het plangebied bijgekomen en zijn ook andere grootschalige varkenshouderijen in de directe omgeving ontwikkeld. Verder zijn in 2020/2021 de nertsenhouderijen gestopt, onder andere direct ten noordwesten van het plangebied en zijn er elders in de gemeente meerdere veehouderijen gestopt met ook een positief effect op de woonkern van Egchel. De achtergrondconcentratie fijnstof is in 2023 en in 2024 gedaald en deze daling zet zich komende jaren verder voort volgens de prognoses van het RIVM. De cumulatieve bronbijdrage van veehouderijen aan de achtergrondconcentratie fijnstof is beperkt. De achtergrondconcentraties liggen in het hele plangebied ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 en benaderen de gezondheidskundige WHO-advieswaarde van 15 ug/m3. Voor het buitengebied is dit een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het MER volgt dat de cumulatieve bijdrage van veehouderijbedrijven aan de achtergrondconcentratie is zowel in de bestaande, vergunde situatie als ten gevolge van het planvoornemen beperkt is tot <1 µg/m3 ter plaatse van de burgerwoningen in de omgeving, woonkern Egchel en de agrarische bedrijfswoning Karissendijk 11.

Ook op het deel binnen het plangebied aan de Melkweg, waar de aanduiding voor de nieuwe bedrijfswoning gesitueerd is, is de cumulatieve bronbijdrage beperkt tot <1 µg/m3. Ter plaatse van bestaande bedrijfswoningen bij veehouderijen Karissendijk 9 en Melkweg 18, 11, 7 en 9, Huiskensweg 10 en 8 en de burgerwoning Melkweg 12 ligt de cumulatieve bronbijdrage iets hoger in de range 1 - 2,5 µg/m3. In de tweede aanvulling op het MER (Bijlage 7) is ter indicatie van de fijnstof-concentratie ten gevolge van het bestemmingsplan (alleen de fijnstof emissies van De Horsten 20 en 17) een ISL3A-berekening bijgevoegd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de bronbijdrage PM10 uit stallen in het planvoornemen maximaal 0,1 µg/m3 bedraagt op de woningen Karissendijk 9 en 11. Op overige woningen is geen sprake van een bronbijdrage ten gevolge van het planvoornemen. Dit is het gevolg van het lokale karakter

62

vastgesteld

van de verspreiding van fijn stof (PM10) en de relatief grote afstand tussen emissiepunten van stallen en woningen.

Figuur 20: Achtergrondconcentratie fijnstof PM10 in 2023 (bron: RIVM) De achtergrondconcentratie zeer fijn stof (PM2,5) ligt volgens de GCN binnen het plangebied en in de omgeving rond de 8 ug/m3 (jaar 2023) en ligt daarmee ruim onder de wettelijke grenswaarde van 25 µg/m3 en boven de WHO-advieswaarde van 5 µg/m3. De invloed van veehouderijen op de achtergrondconcentratie PM2,5 is klein. Met name verkeer is relevant voor de PM2,5 achtergrondconcentratie. Ook bij PM2,5 is sprake van een dalende trend van de achtergrondconcentratie. Gezien voorgaande informatie is ten aanzien van fijnstof binnen het plangebied en in de omgeving ruime milieugebruiksruimte aanwezig, aangezien de concentratie fijnstof mag toenemen tot aan de wettelijke grenswaarden. De milieuaspecten geur en ammoniak (stikstof) zijn beperkende factoren voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij, niet fijnstof. De emissiereducerende maatregelen en best beschikbare technieken ten aanzien van ammoniak en geur zorgen ook voor een maximale reductie van fijnstof-emissies uit stallen.

Planvoornemen - stallen Het planvoornemen geeft een toename van fijnstof emissie uit stallen. In de bestaande, vergunde situatie bedraagt de fijnstofemissie afgerond 235 kg PM10/jaar. In het planvoornemen bedraagt de fijnstofemissie afgerond 667 kg PM10/jaar. Er is een vuistregel opgesteld waarmee men aan kan tonen dat een uitbreiding NIBM bijdraagt. Deze vuistregel is bedoeld als een hulpmiddel voor de motivering en heeft als uitgangspunt de 3% NIBM grens. In de tabel staat bij welke afstand tot de stallen een fijnstof emissie per definitie NIBM bijdraagt. Daarbij geldt, hoe groter de afstand des te groter de kans dat de veehouderij NIBM bijdraagt. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen met een veiligheidsmarge:

vastgesteld

63

Binnen de 200 meter van het plangebied zijn geen woonbestemmingen aanwezig. De dichtstbij zijnde bedrijfswoning bij een veehouderij is Karissendijk 9 en ligt op 88 meter van het plangebied. In de bestaande, vergunde situatie draagt de veehouderij aan De Horsten NIBM bij, maar in het planvoornemen draagt de veehouderij volgens de vuistregel mogelijk wel IBM bij. Daarom is de bronbijdrage van de veehouderij aan De Horsten in cumulatie met omliggende veehouderijen in beeld gebracht, voor zowel de bestaande situatie als het planvoornemen. De invloed van het planvoornemen op de concentratie fijnstof in de omgeving, rekening houdend met cumulatieve effecten, beperkt zich tot de directe omgeving van de veehouderij aan De Horsten en met name het noord/noordwestelijke deel van het plangebied. De bijdrage van de veehouderijbedrijven aan de achtergrondconcentratie is beperkt tot < 1 µg/m3 ter plaatse van de burgerwoningen in de omgeving, woonkern Egchel en de agrarische bedrijfswoning Karissendijk 11. Ter plaatse van bestaande bedrijfswoningen bij veehouderijen Karissendijk 9 en Melkweg 18, 11, 7 en 9, Huiskensweg 10 en 8 en de burgerwoning Melkweg 12 ligt de cumulatieve bronbijdrage in de range 1 2,5 µg/m3.

Figuur 21: Indicatieve cumulatieve belasting PM10 - planvoornemen In het planvoornemen worden alle stallen voorzien van gecombineerde, biologische luchtwassers met 80% fijnstofreductie. Dit is ten aanzien van fijnstofreductie in varkensstallen de Best Beschikbare techniek (BBT). Vanwege de beperkte ruimte ten aanzien van de geurbelasting en het stikstofplafond dat in het bestemmingsplan wordt opgenomen is er voor het planvoornemen geen ander emissiearm stalsysteem toepasbaar en is ten aanzien van de reductie van fijnstof de toepassing van BBT gegarandeerd.

Planvoornemen - verkeer

64

vastgesteld

De verkeersgeneratie neemt toe ten gevolge van het planvoornemen. Schatting aantal verkeersbewegingen per jaar worst case, zie par. 6.1: Bestaande situatie: 5.322 verkeersbewegingen per jaar, aandeel zwaar = 47% Weekdaggemiddelde: 14,6 verkeersbewegingen Planvoornemen:

8.912 verkeersbewegingen per jaar, aandeel zwaar = 53% Weekdaggemiddelde: 24 verkeersbewegingen

Toename plan: 3.590 verkeersbewegingen per jaar. Weekdaggemiddelde: 10 verkeersbewegingen Om te bepalen of de NO2- en PM10-emissie ten gevolge van de toename in verkeersbewegingen aan te merken is als 'Niet In Betekenende Mate', maar ook voor het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de NIBM-grens, kan de NIBM-tool versie 2024 van het Ministerie van I&M gebruikt worden. De rekentool rekent met worstcase gegevens.

NIBM-Tool 2024, Ministerie van I&M i.s.m. Infomil

Het omslagpunt waarbij de concenratietoename groter is dan de NIBM-grens ligt voor het jaar 2024 op 182 extra voertuigbewegingen en voor het jaar 2030 op 202 extra voertuigbewegingen gemiddeld per weekdag.

NIBM-Tool 2024, Ministerie van I&M i.s.m. Infomil (berekening omslagpunt jaar 2024)

Hieruit kan geconcludeerd worden dat de verkeersbewegingen ten gevolge van het hele planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie fijnstof en ook niet leidt tot een toename die groter is dan de NIBM-grens. De emissies door verkeer zijn te verwaarlozen ten opzichte van de emissies uit stallen. Mestscheiding Bij transport en opslag van (vloeibare) drijfmest en dunne fractie en het gesloten mestscheidingsproces treedt geen emissie van fijnstof op. Bij opslag van dikke fractie in de buitenlucht kan wel (fijn)stofemissie plaatsvinden, maar dit is bij de bestaande toepassing van mobiele mestscheiding en opslag van dikke fractie in de buitenlucht incidenteel en tijdelijk (afvoer na mestscheiding,uiterlijk binnen twee tot vier

vastgesteld

65

weken) en is lokaal van aard. Indien nodig kan de dikke fractie worden afgedekt om inregenen te voorkomen of worden bevochtigd om verstuiving te voorkomen. Nieuwe bedrijfswoning Ter plaatse van de specifieke aanduiding voor de nieuwe bedrijfswoning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit en in het bijzonder fijnstof (PM10). Daarnaast moet voldaan worden aan de wettelijke grenswaarden van de Wet milieubeheer (vanwege de doorwerking van de Europese richtlijn Luchtkwaliteit). Binnen de aanduiding voor de bedrijfswoning ligt de bestaande cumulatieve bronbijdrage van veehouderijen <1 µg/m3. In de beoogde situatie zal deze rond de 1-2,5 µg/m3 liggen.

De emissie van fijnstof neemt toe, aangezien uitbreiding van het aantal varkens mogelijk wordt gemaakt. Ten aanzien van fijnstof is binnen het plangebied voldoende milieugebruiksruimte aanwezig, aangezien de concentratie fijnstof mag toenemen tot aan de wettelijke grenswaarden. De milieuaspecten geur en ammoniak (stikstof) zijn de bepalende factoren voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderijen, niet fijnstof. Er is geen noodzaak om voor fijnstof maatwerkregels op te nemen in het bestemmingsplan. Een gecombineerde biologische luchtwasser is noodzakelijk vanwege de provinciale emissie-eis van 85% voor ammoniak, waardoor ook sprake is van 80% fijnstofreductie. Dit is ten aanzien van fijnstofreductie in varkensstallen de Best Beschikbare techniek (BBT). Vanwege de beperkte ruimte ten aanzien van de geurbelasting en het stikstofplafond dat in het bestemmingsplan wordt opgenomen is er voor het planvoornemen geen ander emissiearm stalsysteem toepasbaar en is ten aanzien van de reductie van fijnstof de toepassing van BBT gegarandeerd. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect fijnstof. 5.2.8

Endotoxinen

5.2.8.1 Wettelijk kader Uit onderzoek van de GGD blijkt dat endotoxinen een betere parameter is dan fijnstof. Fijnstof afkomstig uit stallen bevat endotoxinen en micro-organismen. Van endotoxinen is bekend dat deze deeltjes bij een te hoge concentratie schadelijk zijn voor de gezondheid. Door de Gezondheidsraad is een grenswaarde voorgesteld van 30 EU/m3. In haar advies "Gezondheidsrisico's rond veehouderijen" (2012; publicatienr. 2012/27) concludeert de Gezondheidsraad dat concentraties van endotoxinen en micro-organismen, over het algemeen zullen afnemen met toenemende afstand tot een bedrijf en eveneens afhangen van de mate van emissie vanuit een bedrijf. Wageningen UR Livestock Research (WLR) en het /RAS instituut van de Universiteit Utrecht hebben in 2014 een literatuurstudie uitgevoerd waarin geschat werd dat de regels voor fijnstof en geur mogelijk niet voldoende beschermen tegen te hoge endotoxineconcentraties. Blijkens een recent uitgevoerd Nederlands onderzoek werden verhoogde endotoxineniveaus gemeten tot boven de advieswaarde bij stallen van varkens tot zo'n 200 meter. Voor varkensbedrijven geldt dat op basis van het onderzoek gesteld kan worden dat het toetsingskader voor geur ook voldoende beschermend werkt ten aanzien van endotoxinen. Dit laat onverlet dat de omgevingsconcentratie op korte afstand van dit type bedrijven wel overschreden kan worden.

Daarnaast hebben de berekeningen betrekking op geïsoleerd liggende stallen. Wanneer er sprake is van meerdere bronnen kan dit anders uitpakken. Voor endotoxinen gelden in de gemeente Peel en Maas geen wettelijke normen of lokale toetsingskaders, alleen de gezondheidskundige WHO-advieswaarde van 30 EU/m3. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet beoordeeld worden of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en deze advieswaarde kan hiervoor gebruikt worden. Voor het omrekenen van de fijnstofemissie naar endotoxinen-risicocontour (afstand) is het 'Brabantse' Endotoxine toetsingskader 1.0 als hulpmiddel gebruikt. In volgend figuur zijn deze contouren weergegeven rondom het midden van de inrichting, rondom de stallen (= nagenoeg gelijk aan de grens van het bouwblok) en rondom de emissiepunten zoals opgenomen in het planvoornemen.

66

vastgesteld

5.2.8.2 Betekenis voor het plan In volgend figuur zijn de indicatieve endotoxine risicocontouren weergegeven rondom het midden van de inrichting, rondom de stallen (= nagenoeg gelijk aan de grens van het bouwblok) en rondom de emissiepunten zoals opgenomen in het planvoornemen. De ruimte ten aanzien van endotoxinen wordt bepaald door de (bedrijfs)woningen Karissendijk 9 en 11 en net als bij het aspect geur is het voor de woningen aan de Karissendijk van belang dat de emissiepunten van de biggenstallen niet aan de achterzijde van de stallen, maar aan de zijde van De Horsten worden gesitueerd. Gevolg hiervan is wel dat de beoogde bedrijfswoning binnen de endotoxine-risicocontouren van de eigen stallen komt te liggen. De bedrijfswoning hoeft, net als bij de luchtkwaliteitstoets, niet beschermd te worden tegen de emissies vanuit de eigen stallen. Er is ten aanzien van endotoxinen in relatie tot gezondheid en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende milieugebruiksruimte aanwezig.

Figuur 22: Endotoxine-risicocontouren o.b.v. gezondheidskundige advieswaarde – planvoornemen Voor een beoordeling op basis van de werkwijze uit het rapport 'Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a)' zijn de afstandsgrafieken toegepast op dezelfde manier als in het voornoemde rapport en de daarin opgenomen tabel, welke aangeeft voor welke diersoort welke grafiek gebruikt moet worden.

vastgesteld

67

Bron: Rekentool behorend bij afstandsgrafieken varkens rapport 'Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a)'

In volgende figuur zijn de individuele en de indicatieve, cumulatieve endotoxinen cirkels weergegeven. In het planvoornemen is sprake is van beperkte cumulatie met de naastgelegen varkenshouderijen ten oosten aan de Rongvenweg. Rongvenweg 14 is ook in ontwikkeling, maar de aangevraagde uitbreiding vindt in noordelijke richting plaats, waardoor de risicocontouren weliswaar groter kunnen worden, maar zullen verschuiven in afwaartse beweging van (bedrijfs)woningen.

Figuur 23: Indicatieve endotoxine-risicocontouren vanuit veehouderijen in het planvoornemen Vanuit het voorzorgbeginsel kan worden uitgegaan dat buiten de indicatieve risicocontouren (30 EU/m3) geen verhoogde gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen zijn. De individuele risicocontouren zijn bepaald op basis van de totale fijnstofemissie en dient voor een worst case benadering toegekend te worden aan de rand van het bouwblok; feitelijk zullen dit de emissiepunten van de luchtwassers zijn. Daarbij is er feitelijk sprake van twee inrichtingen met ieder een individuele risicocontour: die van de biggenstallen op De Horsten 20 en die van de zeugenstallen op De Horsten 17. De contouren rondom de zeugenstallen ligt op relatief grote afstand van woningen, ook de indicatieve, cumulatieve contour. In het planvoornemen zijn de emissiepunten van de nieuwe biggenstallen aan de kant van De Horsten gesitueerd, met name vanwege de vergunbaarheid t.a.v. het aspect geur. Ook is feitelijk sprake is van

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=bcbad204-f5aa-47eb-9bcf-64bcc02bf31e