CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-062 03 Toelichting Bestemmingsplan De Horsten

Raad 28 oktober 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan De Horsten (2025-062)39.865 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Het betreft de volgende nationale belangen uit de SVIR: 1) Rijksvaarwegen, 2) Project Mainportontwikkeling Rotterdam, 3) Kustfundament, 4) Grote Rivieren, 5) Waddenzee en waddengebied, 6) Defensie, 7) Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, 8) Elektriciteitsvoorziening, 10) Ecologische hoofdstructuur, 11) Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, 12) IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte) en 13) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De opname van het nationale belang 9) 'Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen' in het Barro is uitgesteld in afwachting van de behandeling van de Structuurvisie Buisleidingen. Betekenis voor het plan In de directe omgeving van de projectlocatie is een hoogspanningslijn aanwezig. Deze is opgenomen in het Barro, zie onderstaande afbeelding. Andere aanduidingen zijn niet opgenomen in het Barro.

30

vastgesteld

Figuur 15. Ligging hoogspanningslijn In de regels van het Barro is opgenomen dat deze hoogspanningsverbinding dient te worden opgenomen in een vast te stellen bestemmingsplan zodat deze verbinding planologisch is verankerd. Andere voorwaarden zijn er voor deze hoogsspanningsverbinding niet opgenomen in het Barro. Verdere regels binnen de Barro zijn niet van toepassing voor deze ontwikkeling. 4.1.3

Ladder duurzame verstedelijking

Daarnaast is ook het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) per 1 oktober 2012 op onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6 van het Bro is de 'ladder voor duurzame verstedelijking' opgenomen. Deze ladder stelt eisen aan de onderbouwing in bestemmingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. Hiervoor moeten dan 3 stappen worden doorlopen: 1. Er wordt beschreven dat een voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte (trede 1); 2. Er wordt beschreven in hoeverre de behoefte zoals beschreven in trede 1 binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2); 3. Indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen wordt aanvullend beschreven in hoeverre locaties buiten bestaand stedelijk gebied passend ontsloten zijn of zodanig worden ontwikkeld, gebruik makend van verschillende middelen van vervoer. De ladder van duurzame verstedelijking is van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als een “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.

Betekenis voor het plan In de voorliggende situatie is sprake van een uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij op een locatie die is aangewezen als landbouwontwikkelingsgebied. Deze ontwikkeling geldt niet als ‘stedelijke ontwikkeling’. Derhalve hoeft onderhavige ontwikkeling niet te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Provinciale omgevingsverordening Limburg

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 geldt er een nieuwe omgevingsverordening die past binnen de regels van de Omgevingswet. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is per 1 januari 2024 ingetrokken.

vastgesteld

31

De Omgevingsverordening Limburg kent voor een aantal onderwerpen andere regels, of regels onder een andere benaming dan de omgevingsverordening die geldend was op moment van vaststelling van het ontwerp-bestemmingsplan voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (POL2014). Met name de natuur- en landschapsbescherming. De zones 'Goudgroene natuur', 'Zilvergroene natuur' en de 'Bronsgroene Landschapszone' zijn gewijzigd. De Goudgroene natuurzone is onderdeel geworden van het Natuurnetwerk Nederland (Natuurnetwerk Limburg) en de Zilvergroene en Bronsgroene zones zijn samengevoegd tot de 'Groen-Blauwe Mantel'. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, naijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. In de provinciale omgevingsverordening staat de ambitie voor de provincie Limburg weergeven voor wat betreft de (fysieke) kwaliteit van het leef- en vestigingsklimaat en hoe deze behouden en versterkt kan worden.

Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. In de omgevingsverordening zijn ook provinciale regels voor bescherming van de Natura 2000-gebieden opgenomen. Er worden verplichtingen gesteld voor stalsystemen bij nieuwe stallen. Door te verplichten dat nieuwe stallen worden voorzien van emissiearme systemen die verdergaan dan de nationale regels wordt de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden beperkt, wat een positief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van habitats binnen de gebieden. Voor varkenshouderijen is opgenomen dat nieuwe stallen een minimale ammoniakreductie moeten bewerkstelligen van 85%. Omdat het bestemmingsplan in ontwerp is vastgesteld voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt dit bestemmingsplan nog vastgesteld onder het oude recht en daarmee ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 (POL2014). Navolgende betekenis van het plan is gebaseerd op het POL2014. Beleid voor de land- en tuinbouw In de omgevingsverordening krijgt de aanpak 'schone stallen' de nodige aandacht.

De opgaven voor de Limburgse land- en tuinbouw zijn: Als onderdeel van duurzame productie worden de emissies naar lucht, water en bodem, in het bijzonder ammoniak, geur, fijn stof, nitraat en gewasbeschermingsmiddelen, teruggedrongen. Ruimte bieden aan doorgroei van bestaande land- en tuinbouwbedrijven, in een goede balans met omgevingswaarden. Ruimte bieden voor de vestiging van nieuwe bedrijven; bij intensieve veehouderij- en glastuinbouwbedrijven wordt gefocust op (een beperkt aantal) daarvoor geschikte locaties in het landelijk gebied. Een perspectief bieden voor de ontwikkeling van agglomeratielandbouw op daarvoor geschikte locaties. Met agglomeratielandbouw wordt bedoeld: intensieve productie van vlees, eieren en kasgroenten, dáár waar de productieomstandigheden optimaal zijn. Dicht bij de afzetmarkt en dichtbij logistieke en multimodale knooppunten waar de grondstoffen en producten efficiënt kunnen worden vervoerd. Maar ook grootschalig, zodat industriële mestverwerking en efficiënte luchtreinigingstechnieken economisch haalbaar zijn. Kwaliteitsslag in het landelijk gebied voor verduurzaming van bestaande agrarische bedrijven, hergebruik van leegkomende (beeldbepalende) gebouwen en sloop van leegkomende bebouwing waar geen passend alternatief voor aanwezig is.

Het is van groot belang dat de agrarische sector en overheden samen werken aan het vergroten van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap in de land- en tuinbouwsector. Dat moet tot uiting komen in bedrijfsvoeringsconcepten waarin ondernemers extra maatregelen nemen om de effecten op de omgeving te reduceren: minder hinder, minder bodem- en (grond)waterbelasting, minder water- en energieverbruik, gecombineerd met een goede landschappelijke inpassing. De algemene stelregel is dat ontwikkelruimte geboden wordt op basis van een integrale kwaliteitsverbetering van de omgeving. Een

32

vastgesteld

ondernemer die duurzaam onderneemt, beperkt zich niet enkel tot milieu- en ruimtelijke componenten in zijn bedrijfsvoering, maar heeft nadrukkelijk aandacht voor duurzaam ondernemerschap en duurzame bedrijfsvoering. Nadrukkelijk geeft de provincie aandacht aan de voorlopers in de agrarische sector. De ontwikkeling in de veehouderij manifesteert zich voor het overgrote deel in de vorm van doorgroei van bestaande bedrijven. De doorgaande schaalvergroting, de milieueisen, de combinaties met energieopwekking of mestverwerking maken dat er bij veel bedrijven een behoefte bestaat om uit te breiden. Regelgeving voor ammoniak, fijn stof en geur zijn in hoge mate bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de veehouderij, evenals de maatschappelijke inbedding van de veehouderij in zijn omgeving. Er wordt ontwikkelruimte geboden op basis van een integrale kwaliteitsverbetering in de omgeving. Er wordt daarmee niet gestuurd op dieraantallen. Integrale kwaliteit is de maatstaf, maar dan wel kwaliteit ruim boven de wettelijke basis. De rode draad is dat innovaties worden gestimuleerd, hetgeen voortschrijdend tot verbeterde emissiereducties zal leiden. Het stimuleren van koplopers neemt daarbij een belangrijke rol in. Zonering Binnen Limburg maakt de provincie onderscheid tussen bebouwd gebied en landelijk gebied.

Dit onderscheid hangt samen met de ambities gericht op enerzijds vitale en sterke steden, leefbaarheid van kernen en bereikbaarheid van voorzieningen in zijn algemeenheid, en anderzijds het behoud van een goede landbouwstructuur, veerkrachtige watersystemen en robuuste natuurnetwerken. Het buitengebied is in het POL2014 verdeeld in 4 type zones 'goudgroene natuurzone', 'zilvergroene natuurzone', 'bronsgroene landschapszone' en 'buitengebied'. De Goudgroene natuurzone is vanaf 1 januari 2024 onderdeel geworden van het Natuurnetwerk Nederland (Natuurnetwerk Limburg) en de Zilvergroene en Bronsgroene zones zijn samengevoegd tot de 'Groen-Blauwe Mantel'. Afhankelijk van de bestemmingen en aanduidingen op de kaarten kan een bepaalde locatie zich ontwikkelen. Betekenis voor het plan Op de kaart met thema 'Landbouw, veehouderij' ligt het plangebied binnen de aanduiding ‘Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij’. Dit is een indicatieve begrenzing van het gebied waarbinnen nieuwvestiging en uitbreiding van een intensieve veehouderij toegestaan.

Figuur 16: Kaart thema 'landbouw, intensieve veehouderij', POL 2014

vastgesteld

33

Binnen het 'Landelijk gebied' in de zone 'Buitengebied' wordt ruimte geboden aan de doorontwikkeling van intensieve veehouderijbedrijven, mits deze buiten extensiveringsgebieden zijn gelegen, dit zorgvuldig gebeurt en hierbij wordt voldaan aan de overige wet- en regelgeving. Binnen het 'Ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij' staat de ontwikkeling van de intensieve veehouderij voorop. In deze zone is nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen mogelijk. Uitbreiding van het bedrijf past in de beleidsdoelstelling van de provincie om een duurzame ontwikkeling van de Limburgse land- en tuinbouw na te streven. De provincie biedt ruimte aan doorgroei voor bestaande bedrijven, mits dit in goede balans is met de omgevingswaarden. Er is geen maatvoering opgenomen voor de maximale omvang van agrarische bedrijven. Uitbreiding van de varkenshouderij op de beoogde locaties aan De Horsten past binnen de uitgangspunten van het POL2014 (en ook van de huidige Omgevingsverordening). In het landelijk gebied van Limburg zijn verschillende functies vaak nabij elkaar gelegen. Dit kan leiden tot aantasting van leefbaarheid in dorpen en aantasting van natuur en landschap, maar ook veehouderijen die niet kunnen uitbreiden. Het streven is om de intensieve veehouderijen rondom dorpen en natuurgebieden op termijn af te bouwen.

Daarnaast moeten intensieve veehouderijen worden geconcentreerd op duurzame locaties zodat bedrijven op deze plek ontwikkelingsruimte krijgen. Op deze manier ontstaat een afwaartse beweging: intensieve veehouderijen komen verder van kwetsbare gebieden te liggen en daardoor vermindert de negatieve invloed van de veehouderijen op de omgeving. Door clustering van nieuwe met bestaande bebouwing in het landbouwconcentratiegebied worden andere, minder geschikte gebieden gevrijwaard. In het ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij zijn geen te beschermen omgevingskwaliteiten aanwezig. Bij inpassing van het bedrijf in het ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij is aandacht voor landschappelijke inpassing en de waterhuishouding en vindt de uitbreiding in goede balans met de omgeving plaats. In de omgevingsverordening wordt aangegeven dat uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven met een mestbewerkingsinstallatie op bedrijfsniveau onder voorwaarden mogelijk is. Het plan maakt alleen nog voortzetting van de bestaande, planologisch legale mestscheiding mogelijk. Dit omvat drijfmest die is geproduceerd op De Horsten en op Jacobusstraat 42. Het scheiden van mest van derden en uitbreiding van de mestscheidingscapaciteit wordt niet toegestaan binnen dit bestemmingsplan. De mestscheidingsactiviteit voldoet aan de beleidsuitgangspunten van de provincie Limburg. 4.2.2

Omgevingsvisie Limburg (2021)

Provinciale Staten hebben op 21 oktober 2021 de Omgevingsvisie Limburg. De Omgevingsvisie Limburg is op 25 oktober 2021 in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en langetermijnvisie (2030-2050) op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen. In de Omgevingsverordening legt de Provincie regels vast voor onder meer natuur, milieu, (grond-)water, ontgronding, wegen, ruimte (verstedelijking, woon- en werklocaties, agrarische bedrijven). Conform het beleidskader 'Koers naar de toekomst, provinciaal beleidskader voor de Limburgse landbouw en agrifoodsector 2020-2023' handhaaft de provincie het beleid van het uitvoeringsprogramma vitale veehouderij (2018). De aanpak beschrijft hoe de veehouderij - met aandacht voor omgevingsvraagstukken - ook in de toekomst een belangrijke rol kan blijven spelen in de Limburgse economie.

Met de gemeenten is een traject in gang gezet om te komen tot duidelijkere afspraken over de inzet van provinciaal en gemeentelijk instrumentarium om de gestelde beleidsdoelen te realiseren en te komen tot vermindering van de ammoniakemissie, het aantal mensen dat geuroverlast ondervindt en het aantal knelpunten fijnstof. Betekenis voor het plan Omdat de beoogde ontwikkeling betrekking heeft op uitbreiding van een varkenshouderij wordt getoetst aan de voorwaarden en is de kaart met thema 'Landbouw, veehouderij' van toepassing. Op deze kaart ligt het plangebied binnen de aanduiding 'ontwikkelingsgebied intensieve veehouderij'. Binnen deze aanduiding is uitbreiding van een intensieve veehouderij toegestaan.

34

vastgesteld

De beoogde uitbreiding is een vervolgstap op een reeds in 2012 ingezet traject en met de ondernemer gemaakte afspraken om verslechtering in Egchel te voorkomen, waarbij geen sprake van een contractuele verplichting is voor het afbouwen van de locatie Jacobusstraat 42. Doordat bestaande en nieuwe stallen zijn en worden voorzien van een gecombineerd luchtwassysteem met 85% ammoniakreductie wordt op stalniveau aan de provinciale ammoniakreductieverplichting voldaan. 4.2.3

Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu

De beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) uit 2010 regelt de 'extra' condities en voorwaarden waaronder bepaalde ontwikkelingen mogelijk zijn. Het LKM geeft aan hoe een type ontwikkeling moet bijdragen aan kwaliteitsverbetering. Daarbij wordt duidelijk verschil gemaakt tussen gebiedseigen en niet gebiedseigen ontwikkelingen. Waar sprake is van gebiedseigen ontwikkelingen is in principe inpassing en maatwerk leidend. Ook de niet-gebiedseigen ontwikkelingen dienen goed ruimtelijk en landschappelijk te worden ingepast, maar voor deze ontwikkelingen geldt daarnaast een kwaliteitsbijdrage die in het LKM als richtlijn of als drempelwaarde is aangegeven. Het LKM richt zich op relatief kleinschalige ontwikkelingen vanuit het particulier initiatief. De essentie van het LKM is dat de beoogde ontwikkelingen gepaard moeten gaan met landschappelijke kwaliteitsverbetering, natuurontwikkeling en ontstening. Dit ter compensatie van het door de ontwikkeling optredende verlies aan omgevingskwaliteit. Het doel van dit kwaliteitsmenu is dat gemeenten en provincie een instrument in handen hebben om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied kunnen combineren met kwaliteitsverbetering in het buitengebied, zogenaamde ontwikkelingsplanologie.

Dat betekent dat, als er ontwikkelingen plaatsvinden die niet passen in het omgevingsplan, er een tegenprestatie geleverd moet worden. Gemeenten dienen het kwaliteitsmenu op gemeentelijk niveau uit te werken en in een structuurvisie vast te leggen. De tegenprestatie dient te bestaan uit landschappelijke inpassing. Daarnaast is er in veel gevallen een aanvullende kwaliteitsverbetering van toepassing. Deze kwaliteitsverbetering dient te bestaan uit fysieke maatregelen die bijdragen aan het versterken van het landschap waarbinnen de maatregelen genomen worden. Dat kan sloop, aanleg van natuur, versterking van het landschap of extra investering in architectonische kwaliteit zijn. Betekenis voor het plan De provincie vraagt de gemeenten om het beleid uit het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) over te nemen en uit te werken zodat een gemeentelijk kwaliteitsmenu ontstaat. Het LKM heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in het 'Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas'. Dit kwaliteitskader is beschreven in paragraaf 4.4.5.

4.3

Regionaal beleid

4.3.1

POL-uitwerking Regionale visie Land- en tuinbouw Noord-Limburg (2019)

In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014) heeft de provincie de ambitie vastgelegd om in Limburg een leef- en vestigingsklimaat van voortreffelijke kwaliteit te realiseren. Het creëren van een nog aantrekkelijker landelijk gebied is van belang voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving in de hele provincie. Bewust van de regionale verschillen in Limburg heeft de provincie de gemeenten uitgedaagd om op regionaal niveau bepaalde POL-thema's verder uit te werken. In de regionale visie Land- en Tuinbouw is de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting voor de land- en tuinbouw in de acht gemeenten in de regio Noord-Limburg vastgelegd. De visie heeft betrekking op de afstemming van de beleidsprincipes, van de werkwijze ingeval van nieuwe initiatieven, van initiatieven met een bovenlokaal/regionaal effect en over een uitvoeringsprogramma met lokale en regionale acties. Het doel is dat de land- en tuinbouw in de regio Noord-Limburg een sterke economische sector is en kan blijven. Dit is alleen mogelijk indien de ontwikkeling van agrarische bedrijven blijft bijdragen aan de

vastgesteld

35

(ruimtelijke) kwaliteit van het landelijk gebied. De regio Noord-Limburg zet namelijk ook in op het behouden en versterken van een aantrekkelijk landelijk gebied. Kwaliteit staat in alle opzichten voorop. Het gaat hierbij om kwaliteit van wonen, werken én recreëren. Alle aanwezige of toe te voegen functies moeten in balans met elkaar kunnen functioneren, zodat er ook voor de toekomst ontwikkelingsruimte voor de land- en tuinbouw in Noord-Limburg blijft. Ook dat is een belangrijke kwaliteit van de regio. - Land- en tuinbouw krijgt de ruimte, maar kent ook zijn grenzen Door de regionale en lokale verschillen én de dynamiek van een breed pallet aan ontwikkelingen zijn de effecten van agrarische ontwikkelingen op gebieds- en locatieniveau minder goed te voorspellen. Om die reden wordt naast de algemene kaders ook sterk ingezet op het sturen op gebiedskwaliteit als leidend principe. Maatwerkoplossingen komen hier uit voort. Dit vraagt een grotere interactie tussen ondernemer, omgeving en overheid. Voor agrarische bedrijven betekent dit dat ze omgevingsbewust moeten acteren. - Andere manier van werken gevraagd Een omgevingsbewuste land- en tuinbouwsector vraagt om een andere manier van werken. Niet alleen door de agrarisch ondernemers, maar zeker ook door omwonenden, belangenorganisaties én overheid. Het gaat om een integrale procesaanpak om te komen tot maatwerkoplossingen.

Dit vraagt om een omgevingsdialoog en om een kwalitatief beoordelingskader als hulpmiddel voor het aangaan van deze dialoog. - Toekomstbestendigheid kan per locatie verschillen Niet elke bedrijfslocatie heeft dezelfde ontwikkelingsruimte voor de verschillende agrarische bedrijfsactiviteiten, op de korte dan wel lange termijn. Het toekomstperspectief voor een agrariër wordt dan ook voor een belangrijk deel bepaald door de kwaliteit van de locatie. Idealiter liggen alle agrarische bedrijven op 'toekomstbestendige locaties'. Dit zijn locaties waar ondernemers voor de langere termijn hun agrarisch bedrijf passend bij de omgeving kunnen door ontwikkelen. In een dialoog met de ondernemer wordt de toekomstbestendigheid van een locatie belicht vanuit een drietal invalshoeken: 1) beleid, 2) gebied, waarbij het regionaal ruimtelijk kwaliteitskader als hulpmiddel en inspiratiebron wordt gebruikt en 3) locatie, waarbij aan de hand van aspecten als landschap, infrastructuur, woon- en klimaat enz. de effecten van het initiatief worden beschreven. Betekenis voor het plan Het plangebied ligt in een gebied dat specifiek is aangewezen als gebied waarin de intensieve veehouderij uitbreidingsmogelijkheden heeft. Het betreft een gebied met een goed toekomstperspectief voor veehouderijen. Veehouderijbedrijven zijn passend bij de omgeving en kunnen hier ontwikkelen.

Gezien het type gebied en type bedrijf past het planvoornemen binnen de POL-uitwerking Regionale visie Land- en tuinbouw Noord-Limburg (2019).

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Perspectievennota Toekomst in beeld; perspectieven voor Peel en Maas

In het kader van de fusie van de gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel, is op 17 september 2008 de gezamenlijke perspectievennota ‘Toekomst in beeld, perspectieven voor Peel en Maas’ vastgesteld. In deze nota wordt aangegeven dat Peel en Maas een bepalende economische speler is, profiterend van de kleinschalige en gevarieerde structuur als plattelandsgemeente. De kenmerken van de omgeving en de inwoners, de ligging in de Regio Venlo en de nabijheid van de Technologische Top Regio Zuid Oost Nederland vormen de basis voor een zeer aantrekkelijk woon-, werk- en leefmilieu. In de perspectievennota worden drie principes genoemd die richting geven aan de ontwikkeling van Peel en Maas en tevens de strategische kaders voor beleid vormen: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing. Peel en Maas laat zich kenschetsen als een plattelandsgemeente. De agrarische sector is prominent aanwezig. Met de verplaatsing van productiecapaciteit komt het accent ook hier meer en meer te liggen op de kennisintensieve werkgelegenheid, de “green life sciences”.

36

vastgesteld

Door in te zetten op variatie van economische dragers versterkt Peel en Maas de robuustheid van de economische structuur. Peel en Maas zet in op de doorontwikkeling van de aanwezige sectoren met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, MKB, recreatie en toerisme en dienstverlening, door middel van een afgestemd arbeidsmarkt, productiemilieu- en structuurbeleid. De agrarische sector inclusief transport en logistiek - blijft een onmisbaar onderdeel van de economische structuur van Peel en Maas. De primaire sector heeft goede perspectieven en is druk doende de langetermijnontwikkeling van schaalvergroting, innovatie en verbreding vorm te geven. Betekenis voor het plan Het plangebied ligt in een gebied dat specifiek is aangewezen als gebied waarin de intensieve veehouderij passend is. Ontwikkeling van het bedrijf op deze locatie sluit aan bij het doel om de economische structuur in het gebied te versterken. Gezien het type gebied en type bedrijf past het planvoornemen binnen de beleidsdoelstellingen. 4.4.2

Structuurvisie Buitengebied

Op 20 december 2011 is door de gemeenteraad van Peel en Maas de structuurvisie ‘Buitengebied Peel en Maas’. Deze structuurvisie is een overkoepelend document bestaande uit verschillende deelaspecten. In het structuurplan is de locatie gelegen in grootschalig open ontginningslandschap. De motivering wordt gevonden in het feit dat deze activiteiten op geen andere locatie mogelijkheden hebben dan in het buitengebied. Voor alle vormen zal bij uitbreidingen of vestigingen (bijvoorbeeld bij vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing) een tegenprestatie geleverd moeten worden. In dit gebied is voor wat betreft toekomstige ontwikkelingen sprake van versterking van verschillende grondgebonden agrarische functies en verbrede landbouw op bestaande locaties, versterking van de intensieve veehouderij en glastuinbouw in daarvoor aangeduide gebieden, versterking van (kleinschalige) bedrijvigheid in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen, binnen de landbouw een ruime toelating van lage, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en hoge, permanente teeltondersteunende voorzieningen, welke goed mogelijk zijn als de openheid maar zoveel mogelijk behouden blijft. Bepaalde ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt aan de hand van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zijn niet of onder strengere voorwaarden toegestaan in deze gebiedstypologie. Dit is verankerd in de bestemmingsplanregels.

Binnen dit landschap kan een intensieve veehouderij doorgroeien tot een oppervlakte van maximaal 2,5 ha. Binnen het landbouwontwikkelingsgebied, waarbinnen de locatie ook is gelegen, zijn de ontwikkelingsmogelijkheden primair gericht op agrarische bedrijvigheid. In de Structuurvisie ‘Intensieve veehouderij en Glastuinbouw buitengebied’ is het beleid voor intensieve veehouderijen uit de 'Structuurvisie Buitengebied' nader uitgewerkt. een afwijkende maatvoering opgenomen voor het landbouwontwikkelingsgebied. Betekenis voor het plan Het betreft hier een veehouderij die voor uitbreiding geen andere locatiemogelijkheden heeft dan in het buitengebied. Het landschap is door haar grootschaligheid geschikt voor het versterken van de agrarisch sector en het mogelijk maken van veehouderijen met een grote omvang. In paragraaf 4.4.3 is nader ingegaan op de nadere uitwerking van de Structuurvisie Buitengebied zoals verwoord in de Structuurvisie ‘Intensieve veehouderij en Glastuinbouw buitengebied’. Het archeologiebeleid is ook opgenomen binnen de structuurvisie. Het plangebied is in dit beleid opgenomen binnen een gebied met lage archeologische verwachting. Nader archeologisch onderzoek is voor de beoogde ontwikkeling niet nodig.

vastgesteld

37

4.4.3

Omgevingsvisie Peel en Maas

Op 5 juli 2022 is de Omgevingsvisie Peel en Maas vastgesteld. Dit is een instrument in het kader van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. De omgevingsvisie is een dynamisch document. Op dit moment is een eerste versie van de omgevingsvisie vastgesteld, met het bestaande beleid als uitgangspunt. Bestaande structuurvisies waaronder die voor het buitengebied blijven dan ook als onderliggend (buitenwettelijk) beleid gehandhaafd. De omgevingsvisie is een visie over de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen voor de hele gemeente. De land- en tuinbouw in Peel en Maas blijft een belangrijke economische drager van het buitengebied. Dit is alleen mogelijk onder de voorwaarde dat ontwikkeling van agrarische bedrijven blijft bijdragen aan de (ruimtelijke) kwaliteit van het landelijk gebied en gepaard gaat met een verdere verduurzaming van de landbouw. Uitbreiding is mogelijk op toekomstbestendige locaties. Dit zijn locaties waar ondernemers voor de langere termijn hun agrarisch bedrijf passend bij de omgeving kunnen ontwikkelen. Ontwikkeling van grootschalige agrarische bedrijvigheid wordt alleen toegestaan in gebieden waar het passend is op basis van de gebiedsgerichte aanpak en op toekomstbestendige locaties.

In het kader van behoud en versterking van het woon- en leefklimaat van de kernen wordt de afwaartse beweging van intensieve veehouderij van de kernen gestimuleerd. Voor de uitbreiding van agrarische bedrijven wordt een tegenprestatie gevraagd bestaande uit een bijdrage aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en vooral het inzetten op sloop van niet-toekomstbestendige locaties. Betekenis voor het plan Het plan betreft de (door)ontwikkeling van een grootschalig agrarisch bedrijf in een gebied waar het passend is op basis van de gebiedsgerichte aanpak en toekomstbestendige locaties. Het plan sluit aan bij de hoofdlijnen van deze visie. Zie verder de toelichting bij de structuurvisie Buitengebied in paragraaf 4.4.2. Bij de landschappelijke inpassing ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit wordt aansluiting gezocht bij het kwaliteitskader buitengebied, zie toelichting bij paragraaf 4.4.5. 4.4.4

Beleidsdocumenten Landbouwontwikkelingsgebied

Het plangebied ligt in het landbouwontwikkelingsgebied. Aanleiding voor het aanwijzen van het gebied ten zuiden van de kern Echel als landbouwontwikkelingsgebied was het Reconstructieplan Noord- en Midden Limburg dat haar basis vindt in de Reconstructiewet. Het Reconstructieplan was onderdeel van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg en had als doel om conflicterende belangen, zoals de leefbaarheid van de dorpen versus milieueffecten als gevolg van intensieve veehouderijen, ruimtelijk te scheiden. Dat betekent dat de intensieve veehouderij in kwetsbare gebieden (rond dorpen en natuurgebieden) op termijn wordt afgebouwd. Door de jaren heen zijn diverse beleidsdocumenten opgesteld ten behoeve van de ontwikkeling van het landbouwontwikkelingsgebied. LOG Egchelse Heide is een gebied van ruim 20 hectare gelegen tussen Karissendijk/De Horsten, Melkweg en Rongvenweg. Het is een gebied met nu al een sterk agrarisch karakter en geen belemmerende factoren in de directe omgeving. De begrenzing van het LOG is vastgelegd in de structuurvisie intensieve veehouderij en glastuinbouw (IV en glas), als onderdeel van de structuurvisie buitengebied Peel en Maas.

Doel van de realisatie van het landbouwontwikkelingsgebied Egchelse Heide is om intensieve veehouderijen binnen de gemeente Peel en Maas meer ontwikkelruimte te geven, door intensieve veehouderijen die op de huidige locatie een knelpunt vormen te verplaatsen naar het LOG. Op 1 juli 2014 is de Reconstructiewet concentratiegebieden komen te vervallen. Tevens is het bestemmingsplan dat is opgesteld ten behoeve van het LOG gestrand bij de Raad van State in 2015. Echter de doelstelling van de provincie Limburg en gemeente Peel en Maas om in het landbouwontwikkelingsgebied intensieve veehouderij te concentreren en meer ontwikkelingsruimte te geven dan in de overige gebieden in de gemeente blijft bestaan. Daarom is hieronder nader ingegaan op de beleidskeuzes die in de loop der jaren zijn gemaakt in de diverse beleidsdocumenten ten behoeve van het landbouwontwikkelingsgebied.

Raadsbesluit 22 december 2008

38

vastgesteld

In de raadsvergadering van 22 december 2008 heeft de gemeenteraad van de voormalige gemeente Helden de beleidskaders vastgesteld voor de gebiedsontwikkeling in Egchel. Middels het raasbesluit is onder meer geregeld dat de gronden in het LOG werden verworven om meer sturing te hebben op de vestiging van IV-bedrijven in het LOG Egchelse Heide. Hiermee kon het LOG concreet begrensd worden. Voor de vestiging en ontwikkeling van IV bedrijven is bepaald dat het woon- en leefklimaat er in Egchel er niet op achteruit mag gaan.

Structuurvisie ‘Intensieve veehouderij en Glastuinbouw buitengebied’ De Structuurvisie IV en Glastuinbouw bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijke beleid voor de sectoren intensieve veehouderij en glastuinbouw en dient als beleidskader voor het stimuleren en toetsen van bestaande en toekomstige initiatieven voor nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen en glastuinbouw. De insteek van het IV en Glastuinbouwbeleid is om ontwikkelingsruimte te geven aan bestaande bedrijven op duurzame locaties op afstand van de kernen. Draagvlak in de samenleving is daarbij een belangrijk aandachtspunt. Nieuwvestiging van intensieve veehouderij wordt enkel toegestaan in een LOG als er een knelpunt wordt opgelost op een ongewenste locatie. Specifiek voor de intensieve veehouderij wordt de meeste ruimte voor intensivering en schaalvergroting geboden in de LOG’s. Vanuit het provinciaal beleid, het reconstructieplan, zijn de zoekgebieden voor de landbouw ontwikkeling aangeduid. De gemeente Peel en Maas heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het gebied Egchelse Heide nader te begrenzen en als extra sturingsinstrument gronden aangekocht.

Structuurvisie gebiedsontwikkeling Egchel Op 7 februari 2012 is de Structuurvisie Gebiedsontwikkeling Egchel door de gemeenteraad vastgesteld. Deze komt voort uit de wens om in de directe omgeving va het dorp Egchel zowel een LOG te ontwikkelen als een woongebied. In de structuurvisie is wat betreft de ontwikkeling van het LOG bepaald dat een aantal van de eerdere beleidskeuzes opnieuw worden vastgesteld, aangevuld met enkele nieuwe inzichten. De volgende uitgangspunten worden genoemd: Bij het verplaatsen van bedrijven naar het Landbouwontwikkelingsgebied Egchelse Heide dient de milieugebruiksruimte voor de nieuw te vestigen bedrijven op een zodanige wijze te worden vastgesteld dat het woon- en leefklimaat minimaal gelijk blijft; De leefbaarheid in het dorp Egchel staat voorop; het woon- en leefklimaat moet minimaal gelijk blijven (uitgaande van de milieuvergunningen met peildatum 22 december 2008); De milieugebruiksruimte geeft de informatie weer over de deelaspecten geur, ammoniak, fijnstof, geluid en licht; Bedrijven die zich in het LOG vestigen moeten op een andere locatie een knelpunt oplossen in de gemeente Peel en Maas en dienen op de huidige locatie geen of onvoldoende ontwikkelingsmogelijkheden te hebben. Er is ruimte voor maximaal zes nieuw te vestigen intensieve veehouderijen.

Nieuwvestiging van een pelsdierenhouderij in dit LOG is uitgesloten; Ontwikkelmogelijkheden bieden aan ondernemers met een IV bedrijf met een innovatieve ontwikkelwens; Ondersteuning voor behoud en toekomst van de leefbaarheid van het dorp Egchel door woningbouw; Realisering van een duurzame woonwijk (Giel Peetershof) waarin (Collectief) Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) uitgangspunt is; Het dorp Egchel is actief betrokken bij de gebiedsontwikkeling Egchel; Ontwikkelingen in het overige gebied mogen de uitvoering van Giel Peetershof en LOG Egchelse Heide niet in gevaar brengen. Betekenis voor het plan Het onderhavige bedrijf heeft zich in 2012 op basis van de beleidskeuzes zoals verwoord in de diverse beleidsdocumenten gevestigd binnen het landbouwontwikkelingsgebied. Met deze ontwikkeling wordt een bestaande varkenshouderij uitgebreid met extra stallen en het uitbreiding van mestbewerking. Binnen het LOG wordt volgens de diverse beleidsdocumenten volop ruimte gegeven aan de ontwikkeling van intensieve veehouderijen, mits het woon- en leefklimaat in de kern van Egchel aanvaardbaar blijft. Uit

vastgesteld

39

de diverse berekeningen omtrent geur, fijnstof en gezondheid, die onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan, blijkt dat het leefklimaat in de kern van Egchel aanvaardbaar blijft. 4.4.5

Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas

Binnen de gemeente Peel en Maas dienen ruimtelijke ontwikkelingen ook bij te dragen aan de kwaliteit van het buitengebied. Om hiervoor handvatten te geven is het kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas vastgesteld. Bij iedere ontwikkeling dient ook een bijdrage te worden geleverd aan het omliggende landschap en milieu. Het kwaliteitskader bevat geen nieuw beleid. Het is een uitwerking van vaststaand beleid uit het structuurplan buitengebied Peel en Maas. Net als in het provinciaal beleid wordt er bij kwaliteitsverbeteringen onderscheid gemaakt in 3 soorten kwaliteitsverbeteringen: 1. Basiskwaliteit (B): B is van toepassing bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding daarvan tot de referentiemaat in een agrarisch gebied. B wil zeggen dat nieuwe bebouwing en verharding goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en het erf komt. 2. Basiskwaliteit Plus (B+): B+ is van toepassing bij ontwikkelingen waar sprake is van een uitbreiding boven de referentiemaat. Als basis voor de omvang van de landschappelijke inpassing geldt dat sprake moet zijn van een oppervlakte landschappelijke inpassing dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak. 3.

Aanvullende Kwaliteitsverbetering (AK): AK dient te bestaan uit fysieke maatregelen die bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van het landschap waarbinnen de maatregelen genomen worden. Per gebiedstype zijn er andere landschapskwaliteiten typerend en van belang. Betekenis voor het plan De projectlocatie is gelegen in grootschalig open ontginningslandschap. De inrichting bestaat uit rationele landschapsstructuren met grotendeels parallelle wegen. Met name ter plaatse van de Egchelse Heide (waar de projectlocatie is gelegen) is er sprake van een open landschap. Het plangebied ligt in een gebied waarvoor het bestemmingsplan Buitengebied niet geldt, formeel gezien is daarmee het gemeentelijk Kwaliteitskader uit de Structuurvisie niet aan de orde. Voor het LOG is namelijk een apart landschapsplan opgesteld. Bedrijven in dit gebied dienen nog hun eigen locatie landschappelijk in te passen. Bij de landschappelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij het kwaliteitskader buitengebied. Dat wil zeggen dat een oppervlak van 10% van het bouwvlak landschappelijk ingepast dient te worden. Binnen het aanwezige landschapstype dient de openheid zo veel mogelijk behouden te blijven. Door concentratie van de bebouwing is de versnippering beperkt.

Om invulling aan het kwaliteitskader te geven is voor het hele plangebied is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en als Bijlage 2 bij de regels gevoegd. In paragraaf 3.2 wordt een nadere toelichting gegeven op de landschappelijke inpassing van het plangebied.

40

vastgesteld

Hoofdstuk 5

Milieu- & omgevingsaspecten

5.1

Milieueffectrapportage

5.1.1

Aanleiding opstellen MER

Op 1 juli 2010 is de Wet Modernisering m.e.r. in werking getreden. Deze wet wijzigt de Wet milieubeheer daar waar het gaat om de procedures en de wettelijke bepalingen aangaande het (al dan niet verplicht) opstellen van een milieueffectrapport (MER) en heeft tot doel de regelgeving te vereenvoudigen. Samenhangend hiermee is op 1 april 2011 het besluit tot wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. In de Wet milieubeheer is opgenomen in welke gevallen het maken van een MER verplicht is. Het opstellen van een milieueffectrapport (MER) is verplicht wanneer een bestemmingsplan ruimte biedt voor activiteiten die zijn genoemd in het Besluit m.e.r. en/of wanneer een Passende beoordeling op basis van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Voorafgaand aan het ontwerp-bestemmingsplan is een milieueffectrapport opgesteld (Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel, Pouderoyen Tonnaer, 27 juni 2023). Dit MER is bijgevoegd als Bijlage 3 (rapport) en Bijlage 4 (bijlagen) bij de toelichting. Dit MER is samen met het ontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd. De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (afgekort: commissie m.e.r.) gevraagd te adviseren over het MER en hierbij de ingekomen zienswijzen op het ontwerp-bestemmingsplan te betrekken. In het voorlopig toetsingsadvies van 15 november 2023 (projectnummer 3751) stelt de Commissie m.e.r.

dat er nog belangrijke informatie ontbreekt die essentieel is om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad. Op 3 juni 2024 is in navolging op het voorlopig toetsingsadvies een eerste aanvulling op het MER opgesteld (Aanvulling PlanMER Bestemmingsplan De Horsten Egchel, Pouderoyen Tonnaer, 3 juni 2024) en wederom voorgelegd aan de Commissie m.e.r. voor aanvullende toetsing. Deze aanvulling is bijgevoegd als Bijlage 5 bij de toelichting. Op 29 augustus 2024 heeft de commissie m.e.r. over het MER inclusief aanvulling een definitief toetsingsadvies (projectnummer 3751) uitgebracht. Dit advies is bijgevoegd als Bijlage 6 bij de toelichting van het bestemmingsplan. De Commissie signaleert dat belangrijke informatie over de milieugevolgen beschikbaar is gekomen, maar desondanks ontbreekt volgens oordeel van de commissie nog steeds belangrijke informatie. Naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie m.e.r., de ingekomen zienswijzen en nieuwe stikstof-jurisprudentie is het bestemmingsplan aangepast en zodanig ingeperkt dat de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan geen grotere milieueffecten hebben dan in het MER plus aanvullingen is onderzocht.

Hiervoor is een tweede aanvulling opgesteld (Tweede aanvulling Plan-MER Bestemmingsplan De Horsten Egchel, Pouderoyen Tonnaer, 10 januari 2025). Deze is bijgeoegd als Bijlage 7 bij de toelichting. Het is niet verplicht om de tweede aanvulling in combinatie met een gewijzigde versie van het bestemmingsplan opnieuw te laten toetsen door de commissie. Dit wordt ook niet noodzakelijk geacht. Het toetsingsadvies is duidelijk en uitvoerig doorgesproken met de commissie m.e.r. en Pouderoyen Tonnaer heeft als onafhankelijk adviesbureau de benodigde expertise om op de juiste wijze invulling te geven aan het toetsingsadvies. De commissie benoemt in haar advies de juridische onzekerheden rondom het aspect stikstof en Natura2000-gebieden. Na het toetsingsadvies zijn belangrijke Raad van State uitspraken gedaan en in navolging hierop heeft de gemeente aanvullend juridisch advies ingewonnen om het aspect stikstof op de juiste wijze juridisch te borgen in het bestemmingsplan.

Veehouderij Het voorgenomen planologisch beleid in het bestemmingsplan maakt oprichting, uitbreiding en wijzigingen van een veehouderij mogelijk en is kaderstellend voor latere m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten voor veehouderijen met een omvang boven de m.e.r.-beoordelingsdrempel, zie navolgend

vastgesteld

41

tekstkader. M.e.r.-plichtig bestemmingsplan Op grond van de Bijlage van het Besluit m.e.r., categorie C14, is het bestemmingsplan m.e.r.-plichtig als sprake is van een kaderstellend bestemmingsplan dat de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens mogelijk maakt voor meer dierplaatsen dan: - 85.000 stuks mesthoenders (Rav1 cat. E 3 t/m 5), - 60.000 stuks hennen (Rav cat. E 1 en E2), - 3.000 stuks mestvarkens (Rav cat. D3) of - 900 stuks zeugen (Rav cat. D 1.2, D 1.3 en D 3 voor zover het opfokzeugen betreft). M.e.r.-beoordelingsplichtige besluiten Op grond van de Bijlage van het Besluit m.e.r., categorie D14, zijn besluiten voor een omgevingsvergunning voor veehouderijbedrijven m.e.r.-(beoordelings)plichtig in gevallen met meer dierplaatsen dan: - 40.000 stuks pluimvee; - 2.000 stuks mestvarkens; - 750 stuks zeugen; - 3.750 stuks gespeende biggen; - 5.000 stuks pelsdieren; - stuks voedsters of 6.000 vlees- en opfokkonijnen; - 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar; - 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar; - 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar; - 1.200 stuks vleesrunderen; - 2.000 stuks schapen of geiten; - 100 stuks paarden of pony's; - 1.000 stuks struisvogels.

Het bestemmingsplan omvat het totale bedrijfsontwikkelingsplan van de gevestigde varkenshouderij (in hoofdstuk 2 volgt een uitgebreidere beschrijving van het planvoornemen) en maakt een uitbreiding met drie nieuwe biggenstallen (3 x 6.720 gespeende biggen) en drie nieuwe zeugenstallen (3x 1.250 (op)fokzeugen) mogelijk en is vanwege de kaderstelling plan-m.e.r.plichtig. Het bestemmingsplan staat geen oprichting, wijziging of uitbreiding van de mestscheidingsactiviteit toe (alleen voortzetting van de feitelijke, planologisch legale mestscheiding is toegestaan), dus hieruit volgt geen m.e.r.-(beoordelingsplicht). Ook het uitvoeren van een passende beoordeling kan een aanleiding vormen voor de verplichting om een MER op te stellen. Voor dit bestemmingsplan is een voortoets opgesteld en daaruit volgt de conclusie dat er geen passende beoordeling nodig is. 5.1.2

M.e.r. procedure

De gemeente is verantwoordelijk voor het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure inclusief het opstellen van een MER t.b.v.het bestemmingsplan. De veehouders zijn verantwoordelijk voor de vergunningaanvraag inclusief het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling, gekoppeld aan de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Het startdocument van de m.e.r.-procedure is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). Het eindproduct van de procedure is het voorliggende milieueffectrapport (MER). Voor het bestemmingsplan is de uitgebreide m.e.r.-procedure verplicht. De m.e.r.-procedure bestaat uit de volgende stappen: Openbare kennisgeving van het voornemen; Raadpleging van de betrokken bestuurlijke organen en adviseurs over de reikwijdte en het detailniveau van de m.e.r.; Bieden van de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen;

42

vastgesteld

Opstellen milieueffectrapport (MER); Openbaar maken MER en opsturen aan wettelijke adviseurs & Commissie m.e.r; Bieden van de mogelijkheid om zienswijzen op het MER in te dienen; Toetsingsadvies Commissie m.e.r; Besluit nemen inclusief motivatie hoe de milieueffectrapportage (m.e.r.) in de planvorming is betrokken en bekendmaking besluit; Evaluatie van effecten tijdens en na realisatie. De Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie m.e.r.) is een onafhankelijk instantie die het MER op volledigheid en juistheid toets en een toetsingsadvies uitbrengt. Notitie reikwijdte en detailniveau Voor het bestemmingsplan is een Notitie reikwijdte en detailniveau (NRD) opgesteld. Deze notitie beschrijft de opzet en inhoud van het op te stellen MER. Bij het bepalen van de reikwijdte en detailniveau van dit MER raadpleegt het bevoegd gezag minstens de wettelijk voorgeschreven bestuursorganen (artikel 7.11b Wet milieubeheer). Burgemeester & wethouders van de gemeente Peel en Maas hebben op 22 augustus 2022 ingestemd met de ter inzage legging van de NRD. De NRD heeft vervolgens ter inzage gelegen van 14 september 2022 tot en met 25 oktober 2022. Iedereen kon een zienswijze geven op de inhoud van de NRD en aangeven wat in het milieueffectrapport moet worden onderzocht.

De wettelijke adviseurs en betrokken overheids- en maatschappelijke organisaties (onder andere provincie, waterschap, buurgemeenten en de GGD) zijn apart geraadpleegd. In het MER van 27 juni 2023 is als bijlage een reactienota bijgevoegd waarin de binnengekomen reacties en adviezen op de NRD zijn samengevat en waarbij wordt aangegeven of en hoe de reacties over de reikwijdte en het detailniveau van het MER zijn verwerkt in het milieuonderzoek. Het MER en het bestemmingsplan De gemeente heeft het ontwerp bestemmingsplan samen met het MER ter inzage gelegd en iedereen in de gelegenheid gesteld om binnen 6 weken een zienswijze naar voren te brengen. De gemeente heeft de wettelijke adviseurs en enkele betrokken overheids- en maatschappelijke organisaties gevraagd om een advies uit te brengen. De Commissie m.e.r. is gevraagd het MER te toetsen en de zienswijzen op het MER te betrekken. De Commissie m.e.r. toetst de kwaliteit en juistheid van het MER en beoordeelt of alle essentiële informatie aanwezig is om het besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan te kunnen nemen. Op basis van de zienswijzen en ontvangen adviezen heeft de gemeente een Nota van zienswijzen opgesteld, waarin wordt beschreven hoe de inspraak en adviezen zijn meegenomen in het definitief vast te stellen bestemmingsplan.

Een aanvulling op het MER is opgesteld en er zijn wijzigingen doorgevoerd in het bestemmingsplan voor vaststelling. Deze staan beschreven in de Nota van wijzigingen. De Nota van zienswijzen en wijzigingen is opgenomen in Bijlage 1 bij de toelichting.

5.2

Milieu

5.2.1

Bodem

5.2.1.1 Wettelijk kader Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting bij een bestemmingsplan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht.

vastgesteld

43

5.2.1.2 Betekenis voor het plan Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling waar sprake is van het toevoegen van woningen of andere verblijfsplaatsen waar personen langere tijd kunnen verblijven dient onderzocht te worden of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde ontwikkeling. Het bestemmingsplan staat nieuwbouw van een bedrijfswoning rechtstreeks toe op het perceel van de (voormalige) locatie Melkweg 22. In opdracht van de gemeente zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd voor het LOG Egchelse heide en de voormalige locatie Melkweg 22. De bodemonderzoeken zijn bijgevoegd als Bijlage 8 bij de toelichting. Een overzicht van alle uitgevoerde bodemonderzoeken: Vooronderzoek Melkweg 22, Egchel. Het Milieubureau, rapport 98-050-06, d.d. 2 februari 1998. Dit onderzoek heeft betrekking op ± 700 m2 waar een stal gebouwd gaat worden. Hoewel verwezen wordt naar verdachte locaties elders op het terrein (ondergrondse HBO tank van 3.000 L en bovengrondse dieseltank van 1.200 L) wordt de onderzoekslocatie als onverdacht aangewezen en de uitvoering van een bodemonderzoek is niet noodzakelijk. Verkennend bodemonderzoek Melkweg 22, Egchel. HMB BV, rapport 08250101A, d.d. 9 december 2008. Dit onderzoek op perceel H 245 heeft alleen betrekking op het bebouwde deel en directe omgeving. Er zijn geen boringen binnen geplaatst.

Plaatselijk worden in de bovengrond een zwakke tot matige bijmenging met beton en baksteen aangetroffen. Zintuiglijk is op het maaiveld en in de grond geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Uit de analyses volgt dat plaatselijk een lichte verontreiniging met PAK aanwezig is. Alleen in boring 30 ter plaatse van de ondergrondse HBO-tank onder de oprit bij het woonhuis is op 2,0-2,5 m-mv een sterke verontreiniging met minerale olie aangetroffen (2.500 mg/kgds). Geadviseerd wordt hier een nader bodemonderzoek uit te voeren. Vooronderzoek Landbouwontwikkelingsgebied Egchelse Heide. Grontmij, rapport 284016, d.d. 24 december 2009. Dit vooronderzoek is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Helden in het kader van een projectbesluit/MER voor herinrichting van de onderzoekslocatie en enkele aangrenzende percelen (totaal ± 22 ha).De conclusie is dat de agrarische oppervlakte (onverhard) onverdacht is. De locatie van de brandstoftank, welke in het rapport van HMB in 2008 is vermeld met de aanwezigheid van een sterke olieverontreiniging dient nader onderzocht te worden, alsmede de verdachte inpandige locaties welke nog niet onderzocht zijn. Nader bodemonderzoek bij ondergrondse tank, Melkweg 22 te Egchel. HMB B.V. rapport 08250102B, d.d. 18 juni 2012. Hierin is vastgesteld dat bij de inmiddels verwijderde tank ± 5 m3 sterk is verontreinigd met minerale olie (2.500 mg/kgds).

In een geplaatste peilbuis zijn in het grondwater geen verontreinigingen met minerale olie of vluchtige aromaten (BETXN) aangetroffen. Deze verontreiniging (vermoedelijk ontstaan vóór 1987) dient gesaneerd te worden, maar betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Evaluatierapport bodemsanering Melkweg 22, Egchel. HMB B.V. rapport 08250103F, d.d. 6 november 2012. In dit rapport is beschreven dat de ingekaderde olieverontreiniging geheel is ontgraven en afgevoerd naar Theo POUW in Weert (8,38 ton). Bij de ontgraving is echter in de zuidoosthoek van de ontgravingsput op 0,7 m-mv een tyleenleiding aangetroffen, die aan de bovenzijde is afgedekt met asbestverdachte golfplaten. Deze asbestverontreiniging is nog niet ingekaderd. Inspectierapport VTH, gemeente Peel en Maas, d.d. 16 januari 2014. Tijdens en de sloop heeft de gemeente de locatie meerdere malen bezocht en de waarnemingen gerapporteerd. In het najaar van 2013 is de woning en zijn de stallen gesloopt. Hierbij is in de woning nog asbest aangetroffen welke niet in het inventarisatierapport is vermeld. Hier is vervolgonderzoek naar gedaan waarmee in de verdere sloop rekening is gehouden. Ook is een melding gedaan van het brengen van meststoffen op of in de bodem. Nadat de opstallen en funderingen zijn gesloopt is in januari 2014 de puin ter plaatse gebroken.

Op 6 februari 2014 is melding gedaan dat alles is gesloopt en alle puin is afgevoerd. Vooronderzoek Melkweg (voormalig nr. 22), nummer 201081.BKK, BKK Bodemadvies, d.d. 15 februari 2021. Dit betreft een bodemonderzoek conform de NEN 5752 en bestaat uit een historisch onderzoek en locatiebezoek. Op basis van de historische gegevens en de waarnemingen tijdens het locatiebezoek op 21 januari 2021 zijn er geen aanleidingen een bodemverontreiniging op de locatie te verwachten. De onderzoekslocatie kan als 'onverdacht' worden aangemerkt. Feitelijk bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie achterwege blijven.

44

vastgesteld

Sinds uitvoering van deze onderzoeken zijn de onbebouwde en onverharde gronden alleen landbouwkundig in gebruik geweest. De kwaliteit van de bodem kan dan ook als onveranderd worden beschouwd. Met name ter plaatse van het perceel van de voormalige Melkweg 22, waar de nieuwe bedrijfswoning is voorzien. Binnen de huidige bedrijfsvoering vinden bodembedreigende activiteiten plaats. Deze activiteiten hebben met name betrekking op opslag van mest, kadavers en kleine gebruikshoeveelheden medicijnen- en reinigingsmiddelen. De dikke mestfractie uit de mestscheider wordt opgeslagen op een vloeistofkerende vaste mestopslag met een opslagcapaciteit van 250 m³. De dunne fractie wordt teruggeleid naar de mestsilo's. Het gevaar van bodemverontreiniging kan in voldoende mate worden beperkt door een vloeistofkerende voorziening op de plaatsen waar de installatie wordt opgesteld. Door het toepassen van de hiervoor beschreven maatregel wordt de bodem in voldoende mate beschermd en is in de bestaande situatie sprake van verwaarloosbaar bodemrisico. Er zijn ten aanzien van het aspect bodem geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van het plan. 5.2.2

Milieuzonering

5.2.2.1 Beleidskader Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave "Bedrijven en milieuzonering, editie 2009" (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten.

Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. 5.2.2.2 Betekenis voor het plan Richtafstanden milieubelastende activiteiten planvoornemen Het plangebied ligt in omgevingstype 'rustig buitengebied', er zijn voornamelijk veehouderijen aanwezig, met daartussen enkele verspreid liggende burgerwoningen in het buitengebied. Voor een varkenshouderij (fokken en houden van varkens) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst een richtafstand van 200 m voor geur, 30 m voor stof, 50 m voor geluid en 0 m voor gevaar in acht moet worden genomen ten opzichte van milieugevoelige functies, met name woningen. Omdat voor geur afkomstig van varkenshouderijen een specifiek toetsingskader geldt (en wordt toegelicht in volgende paragraaf) wordt dit aspect buiten beschouwing gelaten ten aanzien van milieuzonering.

vastgesteld

45

De dichtstbij liggende woning van derden (Karissendijk 9) bevindt zich op een afstand van ca. 170 meter van de gebouwen en voorzieningen ten behoeve van het bedrijf. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de minimale richtafstanden voor milieuzonering. 5.2.3

Geluid

5.2.3.1 Wettelijk kader Bij het aspect geluid in het ruimtelijk spoor gaat het om bescherming van mensen tegen geluidhinder, maar ook tegen gezondheidseffecten door geluid. In de ruimtelijke ordening wordt voor functies deels bescherming tegen geluid geboden door de Wet geluidhinder (Wgh) en deels door de Wro/Wabo (in het kader van een goede ruimtelijke ordening). Door de gemeente Peel en Maas is geen gemeentelijk geluidbeleid vastgesteld. De geluidsbelasting in het buitengebied wordt in het algemeen voornamelijk bepaald door de agrarische bedrijven, bestemmingsverkeer en doorgaand verkeer. De geluidbelasting van agrarische bedrijven (vooral ventilatoren en laden/lossen bij intensieve veehouderijen) wordt gereguleerd via de vergunningverlening. Hierdoor wordt voorkomen dat op gevoelige objecten en terreinen (met name woningen) geluidhinder boven de gestelde grenswaarde komt. Volgens het VNG-handboek Bedrijven en Milieuzonering (2009) bedraagt voor het thema geluid de aan te houden afstand minimaal 50 meter tussen een inrichting en een gevoelige functie (met name woningen van derden). Is de afstand groter, dan wordt de kans op directe geluidhinder (uit ventilatoren en dergelijke) snel kleiner. Indirecte hinder door verkeer kan optreden als de extra verkeersbewegingen vlakbij een woning van derden of ander geluidsgevoelig object of terrein plaatsvinden.

Wet geluidhinder De Wet geluidhinder biedt het wettelijk kader voor de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen (oa. woningen) en geluidsgevoelige terreinen tegen het geluid van wegverkeer (niet 30 km wegen), spoorwegen en gezoneerde industrieterreinen. In situaties waarop de Wgh niet van toepassing is (bijvoorbeeld bij bedrijven die niet op Wgh-gezoneerd bedrijventerrein liggen) vind de bescherming tegen geluid via de invulling van 'een goede ruimtelijke ordening' plaats (Wro/Wabo). Bij het realiseren van een geluidsgevoelige bestemming nabij een bedrijf (niet gelegen op een gezoneerd industrieterrein) is de Wgh niet van toepassing. In deze situatie zijn in de ruimtelijke onderbouwing voor het aspect geluid de volgende punten van belang: Een aanvaardbaar akoestisch klimaat bij de nieuwe geluidsgevoelige bestemming. De planologische rechten (akoestische mogelijkheden) van het bestemmingsplan voor het perceel waarop het bestaande bedrijf is gevestigd. Worden deze niet onredelijk ingeperkt? De akoestische milieubelangen van het bestaande bedrijf in de omgevingsvergunning of op basis van het Activiteitenbesluit. In de beoordeling van een aanvaardbaar akoestisch klimaat kan aangesloten bij bestaande toetsingskaders voor vergunningverlening. Cumulatieve effecten moeten ook bij de beoordeling betrokken worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=bcbad204-f5aa-47eb-9bcf-64bcc02bf31e