2025-042 08 Toelichting
Tekst van het document
Hier werken inwoners, ondernemers en organisaties samen aan een Peel en Maas waarin het goede leven nu en in de toekomst beleefd kan worden door iedereen die in de gemeente verblijft. Een Peel en Maas waarin gemeenschappen zelf vorm en inhoud geven aan hun eigen leefwereld. De gemeente is pas effectief wanneer zij op een respectvolle manier om weten te gaan met al het waardevolle dat inwoners, ondernemers en organisaties met elkaar samen doen. Dat vraagt om een overheid die zich ervan bewust is wanneer ze wel en wanneer ze niet aan zet is. Een overheid die zich in het denken en doen laat inspireren door drie kernwaarden: diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing. Het concept van de meervoudige overheid, met daarin de rollen van de autoritaire, regel gestuurde en communicatieve overheid helpt ons hierbij. Vanuit deze rolopvatting heeft de gemeente Peel en Maas beleid gemaakt. De manier waarop we als gemeente in de wereld staan hebben we vertaald in de manier waarop we in Peel en Maas tot kaderstellend beleid komen. Om te komen tot de kaderstelling heeft de gemeente de volgende stappen gezet: 1. We hebben een zogenaamd ‘Omgevingsbeeld’ opgesteld. Dit is een document waarin we zo feitelijk mogelijk een aantal trends en ontwikkelingen hebben benoemd die relevant zijn voor deze kaderstelling. Dit omgevingsbeeld hebben we als bijlage aan deze kaderstelling toegevoegd.
20
2.
3.
Vervolgens organiseerden we enkele zogenaamde ‘ambitiegesprekken’. Tijdens deze gesprekken gingen mensen die ontwikkelgericht denken met elkaar in gesprek over actuele onderwerpen die binnen het thema spelen. Op basis van deze gesprekken – en uiteraard op basis van de gesprekken die we dagelijks hebben met inwoners, ondernemers en organisaties en allerlei andere bronnen – kwamen we tot een gedeelde ambitie op dit thema. Deze ambitie wordt onderschreven door inwoners en organisaties die met ons willen werken aan deze gedeelde ambitie. Daarna stelden we op programmaniveau een aantal doelen op die ons als gemeente helpen om onze bijdrage te leveren aan de gedeelde ambitie. Onze drie kernwaarden vormen hierbij een waardevolle bron van inspiratie.
Deze kaderstelling kijkt 10 jaar vooruit en geldt daarmee voor de periode 2024 – 2034. Zoals gebruikelijk herijken we deze kaderstelling na 5 jaar. Het initiatief heeft betrekking op het beëindigen van een detailhandelszaak en het herontwikkelen van deze locatie voor woningbouw. In dat kader is de kaderstelling ‘Ruimte’ van toepassing. In de kaderstelling ‘Ruimte’ heeft de gemeente de volgende programmadoelen opgenomen: - Versterking van de ruimtelijke kwaliteit is het uitgangspunt, met extra aandacht voor natuurinclusiviteit - Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving zijn vitale gemeenschappen een belangrijk uitgangspunt - De economische ontwikkeling is ondersteunend aan vitale gemeenschappen, in balans met ruimtelijke waarden en stimuleert een gezonde arbeidsmarkt - De fysieke leefomgeving draagt bij aan een gezond leven en is klimaatadaptief en klimaatbestendig - Peel en Maas is energieneutraal in 2050 - Gezonde, veilige, toegankelijke en slimme(re) (collectieve) mobiliteit is beschikbaar in Peel en Maas - In Peel en Maas zijn per doelgroep voldoende betaalbare duurzame woningen beschikbaar - Een kwalitatief goede, duurzaam ingerichte en onderhouden openbare ruimte die rekening houdt met de karakteristieke eigenschappen van (de kernen in) Peel en Maas - De openbare ruimte is van en voor iedereen, is veilig en toegankelijk en nodigt uit om te ontmoeten en te bewegen -
De openbare ruimte is klimaatbestendig - Afval is grondstof De gemeente stuurt op hergebruik van bestaande bebouwing, daar dit een positieve bijdrage levert aan vitale gemeenschappen. Hergebruik gaat daarbij boven uitbreiding en nieuwvesting. Initiatieven die bijdragen aan het verminderen van leegstand ondersteunt de gemeente omdat deze bijdragen aan de vitaliteit van de kernen. Worden de gebouwen niet hergebruikt, is de kans reëel dat de locatie op termijn verloedert. Ook dient voorkomen te worden dat leegstaande gebouwen gebruikt worden voor activiteiten die niet gewenst zijn. Afweging Met onderhavig initiatief wordt een agrarische bedrijfslocatie gesaneerd, de aanwezige bedrijfswoningen worden om gezet naar burgerwoningen en een bestaande mantelzorgwoning wordt gewijzigd in een reguliere woning. De woningen en bijgebouwen blijven in het kader van het initiatief behouden en hiervoor is een toekomstbestendige invulling gevonden. Aangezien de gemeente inzet op het hergebruiken van bestaande gebouwen is het initiatief passend binnen de Kaderstelling Ruimte en Economie van de gemeente Peel en Maas. 4.3.5 Beleidsregel woningbouw Peen en Maas In november 2024 heeft de gemeente de Beleidsregel woningbouw Peel en Maas vastgesteld. In deze beleidsregels is het Woning- en woonkavelsplitsing beleid verankerd.
In deze beleidsregel heeft de gemeente Peel en Maas uitgangspunten vastgesteld waaraan in het geval van woning- en woonkavelsplitsing dient te voldoen.
21
De gemeente heeft de volgende uitgangspunten opgesteld voor woning- en woonkavelsplitsing: 1. Woonbehoefte Een splitsing draagt bij aan de woonbehoefte van een dorp of kern, dan wel voorziet in de woonbehoefte van een concrete woningzoekende en/of de huidige eigenaar/bewoner van de te splitsen woning of woonkavel. De initiatiefnemer is bereid hier bindende afspraken over te maken. 2. Locatie Woningsplitsing is in heel Peel en Maas mogelijk, uitgezonderd de concentratiegebieden glastuinbouw en landbouwontwikkelingsgebied Egchelse heide. Woonkavelsplitsing is alleen mogelijk in de bebouwde omgeving. 3. Klaar voor het leven Bij woonkavelsplitsing is de nieuwe woning direct toekomstbestendig. 4. Duurzaam wonen a. Voldoende onbebouwde oppervlakte Bij woonkavelsplitsing blijft tenminste 50% van het oppervlak van het nieuw ontstane woonkavel onbebouwd en onverhard of zijn maatregelen mogelijk die een vergelijkbaar resultaat opleveren. b. Bij voorkeur een nieuw leven voor bestaande materialen Te gebruiken (bouw)materialen zijn bij voorkeur afkomstig uit of van een bron die niet ‘opdroogt’ en/of hernieuwbaar is. 5. Het goede gesprek Uit de aanvraag omgevingsvergunning moet blijken of de omgeving is geraadpleegd over het splitsingsinitiatief, wat uit de raadpleging naar voren is gekomen en wat er met die input is gedaan. 6.
Etfal Er is altijd sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 7. Kosten Peel en Maas vraagt bij elk formeel aangevraagd splitsingsinitiatief een financiële bijdrage die ten goede komt aan ons huisvestingsfonds, ons herstructureringsfonds en ons fonds infrastructurele werken. Onderhavig initiatief voorziet in het afsplitsen van een deel van een woonperceel om vervolgens een bestaande mantelzorgwoning om te zetten naar een reguliere burgerwoning. Het initiatief voldoet aan de gestelde uitgangspunten. Hieronder wordt per uitgangspunt een nadere motivatie gegeven: Ad. 1. In een deel van de woningen De Brentjes 81, is recentelijk een mantelzorgwoning gerealiseerd (te weten De Brentjes 81a). Hier woont de zoon van de initiatiefnemers met zijn gezin. De zoon en zijn gezin verlenen dan ook mantelzorg aan de (schoon)ouders. Initiatiefnemers zijn voornemens om de mantelzorgwoning formeel af te splitsen van de woning De Brentjes 81 zodat dit een zelfstandige woning wordt. De zoon en zijn gezin kunnen de woning dan blijven bewonen, ook als de mantelzorg is beëindigd. Het initiatief draagt daarmee bij aan de woningbehoefte van de zoon van de initiatiefnemers en zijn gezin. Ad. 2. De te splitsen woning of woonkavel ligt in de bebouwde omgeving. Onder de bebouwde omgeving wordt verstaan binnen de kernen of binnen bebouwingslinten of clusters.
Het projectgebied is gelegen aan de rand van Koningslust, binnen een bestaande bebouwingslint. De locatie is derhalve gelegen binnen de bebouwde omgeving. Ad. 3. De beoogde nieuwe woning (De Brentjes 81a) betreft een levensloopbestendige woning. Alle voorzieningen (woonkamer, keuken, badkamer en slaapkamer) zijn daarbij beoogde op de begane grond vloer zodat initiatiefnemer hier een leven lang in kan wonen. Ad. 4. Sub. a. Het woonperceel behorende bij de nieuwe woning heeft een oppervlakte van 4.845 m2. Het woonperceel is in de huidige situatie bebouwd met een achteraanbouw van 200 m2. De locatie is daarnaast voorzien van circa 240 m2 aan erfverharding. In de beoogde situatie is in totaliteit 440 m² aan verharding aanwezig. Het perceel van de bestaande woning is zodoende voor meer dan 50% onbebouwd en onverhard. Sub. b. Initiatiefnemers zijn voornemens om duurzame materialen te gebruiken zoals CLT/HSB hout, duurzame isolatiematerialen, fermacell gipsplaten en een warmte terugwin installatie.
22
Ad. 5.
Ad. 6.
Ad. 7.
De initiatiefnemers hebben gesproken met de directe omwonenden. Daarnaast is het initiatief kenbaar gemaakt in grotere gezelschappen doormiddel van het dorpsoverleg. Iedereen staat positief tegenover de plannen en zien geen bezwaar in de splitsing. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordeling zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten aan de orde. Het initiatief is in hoofdstuk 4 getoetst aan het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid en is passend binnen het beleid. Daarnaast is het initiatief in hoofdstuk 5 getoetst aan de aspecten voor de fysieke leefomgeving en milieu. Het initiatief voldoet aan alle aspecten voor de fysieke leefomgeving en milieu. Gesteld kan worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Initiatiefnemers zijn voornemens om de financiële bijdrage te betalen.
23
5. FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU Met de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de invloed op de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en er dient sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.1
Milieueffectrapportage
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Om te bepalen of m.e.r. noodzakelijk is dient bepaald te worden of de activiteit voor komt in de tabel in bijlage V Ob. Bijlage V heeft als ingang (1e kolom) de omschrijving van een project. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaan dan om besluiten waarmee toestemming voor een project wordt verleend. Of voor een besluit een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt volgt uit de tweede en derde kolom als het project voldoet aan de voorwaarde uit kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Op grond van categorie J11 geldt een m.e.r-beoordelingsplicht voor een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Onder deze categorie vallen ook onder andere woningbouw, de bouw van kantoren, universiteiten, bioscopen, theaters, woonboulevards, ziekenhuizen en scholen. Ook dergelijke stedelijke projecten in “dorpen” vallen eronder.
Hiertoe moeten ook alle voorzieningen worden gerekend die moeten worden getroffen voor dat project, zoals de aanleg van infrastructuur. Opgemerkt wordt dat het begrip verschilt van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’, zoals dat wordt gehanteerd bij de Ladder van duurzame verstedelijking. Afweging Onderhavige ontwikkeling voorziet slechts in een functiewijziging van reeds bestaande woningen. Deze activiteit komt niet voor in bijlage V Ob. Aangezien in dit geval slechts sprake is van het omzetten van twee bedrijfswoning naar burgerwoningen en het omzetten van een mantelzorgwoning naar burgerwoning is er geen sprake van een m.e.r.beoordelingsplicht.
5.2
Bodem- en grondwaterkwaliteit
Uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is voor de beoogde activiteiten en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem opgenomen in paragraaf 5.1.4.5. Hierin wordt bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. In het kader van de beoogde ontwikkelingen is een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd (zie bijlage 1).
1 HMB, Verkennend bodemonderzoek De Brentjes 81, 81a en 85 Koningslust, 5 november 2024, kenmerk: 24260601A
24
(Mogelijke) puinhoudende funderingslaag (deellocatie A) Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ ten aanzien van de (mogelijke) puinhoudende funderingslaag geen stand houdt. Op de locatie is onder de aanwezige verhardingslagen geen puinhoudend funderingsmateriaal aangetroffen. Overig (voormalig) erf Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van het overig (voormalig) erf stand houdt. In de bovengrond zijn verhoogde gehalten kobalt, cadmium, kobalt, koper, zink, minerale olie, PAK en PCB boven de normwaarden landbouw/natuur aangetoond. Daarnaast zijn in het grondwater een sterke verontreiniging met nikkel en lichte verontreinigingen met barium, kobalt, xylenen, naftaleen en minerale olie aangetoond. De verhoogde gehalten in de grond kunnen waarschijnlijk deels aan de aangetroffen baksteen- en puinresten worden gerelateerd. Daarnaast kunnen ze mogelijk gerelateerd worden aan het decennialange gebruik van de onderzoekslocatie. Verkennend bodemonderzoek De lichte verontreinigingen met xylenen, naftaleen en minerale olie in het grondwater uit peilbuis PBA02 kunnen waarschijnlijk gerelateerd worden aan de voormalige opslag van petroleum (of smeerolie) op de onderzoekslocatie. Voor de lichte tot sterke verontreinigingen met zware metalen in het grondwater zijn geen duidelijke oorzaken of bronnen aan het licht gekomen.
De oorzaak voor de verontreinigingen met zware metalen in het grondwater moet waarschijnlijk gezocht worden in regionale omstandigheden. Het aantreffen van zware metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de regio Noord-Limburg. De verhoogde gehalten zware metalen worden derhalve gezien als verhoogde achtergrondgehalten. Voormalige ondergrondse HBO-tank (3.000 liter) Brentjes 81/81A (deellocatie C) Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ ten aanzien van de voormalige ondergrondse HBO-tank (3.000 liter) geen stand houdt. Zowel in de grond als het grondwater zijn geen verhoogde gehalten minerale olie en BTEXN aangetoond. Voormalige bovengrondse HBO-tank (1.000 liter) Brentjes 81/81A (deellocatie D) Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ ten aanzien van de voormalige bovengrondse HBO-tank (1.000 liter) bij het pand aan de Brentjes 81/81A (deellocatie D) geen stand houdt. In de grond zijn geen verhoogde gehalten minerale olie en BTEXN aangetoond. Voormalige bovengrondse petroleumtank (600 liter) en de voormalige opslag smeerolie (60 liter) Brentjes 81/81A (deellocaties E en F) Geconcludeerd wordt dat de hypotheses ‘verdachte locatie’ ten aanzien van de voormalige bovengrondse petroleumtank (600 liter) en de voormalige opslag smeerolie (60 liter) op het terrein aan de Brentjes 81/81A (deellocaties E en F) stand houden.
In zowel de grond als het grondwater zijn verhoogde gehalten minerale olie, ethylbenzeen, xylenen en/of naftaleen aangetoond, waarbij het gehalte minerale olie in de grond de interventiewaarde overschrijdt. De verhoogde gehalten aan minerale olie, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen kunnen waarschijnlijk gerelateerd worden aan de voormalige opslag van petroleum en/of smeerolie. Gelet op de fractieverdeling en het chromatogram van het aangetoonde gehalte minerale olie boven de interventiewaarde zijn de verontreinigingen zeer waarschijnlijk te relateren aan de opslag van petroleum. Voormalige bovengrondse HBO-tank (600 liter) De Brentjes 85 (deellocatie G) Geconcludeerd wordt dat de hypothese ‘verdachte locatie’ ten aanzien van de voormalige bovengrondse HBO-tank (600 liter) bij het pand aan de Brentjes 85 geen stand houdt. Zowel in de grond als het grondwater zijn geen verhoogde gehalten minerale olie en BTEXN aangetoond.
25
De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de deellocaties A, B, C, D en G vormt geen directe belemmering of beperking voor de wijziging van het bestemmingsplan. De milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plekke van de deellocatie E en F c.q. de voormalige bovengrondse opslagen van petroleum en smeerolie op het terrein aan de Brentjes 81/81A vormt mogelijk wel een belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met enkele gebruiksbeperkingen ten aanzien van het gebruik van het (freatisch) grondwater. De aanwezigheid van metalen in verhoogde gehalten in het (freatisch) grondwater maakt dit minder geschikt om het op te pompen en te gebruiken voor het besproeien van consumptiegewassen of voor het drenken van vee dan wel voor menselijke consumptie. Het is dan ook aan te bevelen het (freatisch) grondwater niet zelf op te pompen en voor een van de genoemde of daarop gelijkende doelen te gebruiken. Daarnaast dient er rekening mee gehouden te worden dat eventueel op de onderzoekslocatie vrijkomende grond buiten de onderzoekslocatie niet overal toepasbaar is. In het kader van het initiatief is een nader bodemonderzoek2 uitgevoerd (zie bijlage 2). De (sterke) verontreiniging met minerale olie is waarschijnlijk veroorzaakt door de voormalige bovengrondse opslag van petroleum.
De bovengrondse petroleumtank staat aangegeven op de situatietekening behorende bij de in 1968 verleende Hinderwetvergunning. De schuur waarnaast de tank was geplaatst, is in de jaren '90 afgebroken, zodat wordt aangenomen dat de tank uiterlijk in de jaren ’90 is verwijderd. Aangezien de grootste gebruiksperiode vóór 1987 is geweest, is het aannemelijk dat de verontreiniging (grotendeels) is ontstaan vóór 1987. Dergelijke gevallen worden ook wel benoemd als ‘historische verontreinigingen’ of ‘oude gevallen’. Uit de resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat de verontreiniging in de grond aangetoond wordt over een oppervlakte van circa 35 m 2 . De verontreiniging bevindt zich op een diepte van ongeveer 1,0 tot 1,8 m-mv. De omvang van de grondverontreiniging (gehalten>normwaarde landbouw/natuur) bedraagt naar schatting 30 m³. Van de betreffende verontreiniging is 10 à 15 m³ sterk verontreinigd (gehalten>interventiewaarden) met minerale olie. In de verontreinigde grond zijn geen verhoogde gehalten PFAS boven de normen ‘landbouw/natuur’ voor toepassing van op landbodem aangetoond. Gelet op het feit dat de hoeveelheid sterk verontreinigde grond (gehalten>interventiewaarde) 10 à 15 m³ bedraagt, wordt de maximale toelaatbare kwaliteit bodem (>25 m³ boven de interventiewaarden) niet overschreden.
Uit de risicobeoordeling blijkt dat er voor de aangetoonde bodemverontreiniging geen onaanvaardbare humane, ecologische en verspreidingsrisico’s aanwezig zijn. De verontreiniging met minerale olie (en vluchtige aromatische koolwaterstoffen) ter plaatse van de voormalige bovengrondse opslag van petroleum vormt geen directe belemmering of beperking voor het gebruik van de locatie (wonen) en de voorgenomen wijziging.
5.3
Bedrijven en milieuzoneringen
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Met ingang van de Omgevingswet worden het ruimtelijke en fysieke spoor verder geïntegreerd. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. 2 HMB, Nader bodemonderzoek De Brentjes 81 Koningslust, 26 november 2024, kenmerk: 24294901B.2
26
In het licht van de Omgevingswet is deze indicatieve bedrijvenlijst niet meer geschikt. De lokale praktijk vraagt om maatwerk en een lokale afweging. Derhalve is in oktober 2024 de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ uitgebracht. De Lijst van bedrijfsactiviteiten in bijlage A5 van de VNG-handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten, aan de hand van de SBI-codes (2008). Deze lijst is geactualiseerd in de publicatie ten behoeve van het functiemenging en het mogelijk maken van maatwerk. Daarnaast zijn de toetsbare aspecten geur en geluid (gevaar en stof komen te vervallen). Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect dat in de lijst is genoemd. Het projectgebied is te typeren met het omgevingstype ‘rustig buitengebied’. De woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving.
Wel kunnen de woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het projectgebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. In de omgeving van het projectgebied (250 meter) liggen de volgende milieubelastende functies: Functie
SBI2008
Pluimveehouderij
0147
Akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren (grondgebonden agrarisch bedrijf*)
0150
Caravanstalling
52109
Adres
Aan te houden afstanden (meter) Geluid Geur
De Brentjes 88 Poorterweg 96 Poorterweg 94 Poorterweg 121
50
100
30
100
30
10
Afstand tot De Brentjes 81. 100 meter 185 meter
De Brentjes 81a 80 meter 200 meter
De Brentjes 85 8 meter
160 meter 230 meter
200 meter 260 meter
270 meter 360 meter
280 meter
* Onder een grondgebonden bedrijf wordt verstaan een bedrijf voor het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf met een omvang van minimaal 12 NGE.
Afweging De locaties De Brentjes 81a en 85 zijn gelegen binnen de richtafstand van geur afkomstig van de pluimveehouderij aan De Brentjes 88. Daarnaast is De Brentjes 85 ook nog gelegen binnen de richtafstand van geluid afkomstig van de pluimveehouderij aan De Brentjes 88. Ter plaatse van De Brentjes 81a is sprake van het omzetten van een mantelzorgwoning naar een reguliere burgerwoning. De afstand is gemeten vanaf de grens van het beoogde woonperceel tot aan de grens van het agrarische bouwvlak. In het geval van De Brentjes 88 loopt het bouwvlak tot aan de wegzijde waardoor de inrit reeds onderdeel uitmaakt van het bestaande bouwvlak en hier zodoende rekening mee is gehouden. De woning is echter niet op de grens van het woonperceel gelegen maar ligt op verdere afstand. De feitelijke afstand tussen de woning en het agrarische bouwvlak bedraagt dan ook 160 meter. Gezien bovenstaande is er geen hindercontour die deze woning overlapt. In de beoogde woning kan derhalve een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Tevens vormt de woning geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven omdat reeds bestaande woningen dichter bij de inrichtingen zijn gelegen.
27
Ter plaatse van De Brentjes 85 is geen sprake van het realiseren van een nieuwe milieugevoelige functie. De bestaande woning betreft reeds een milieugevoelige functie voor de omliggende bedrijven. De omliggende bedrijven dienen met hun bedrijfsvoering dan ook al reeds rekeningen te houden met de geluids- en geurbelasting op deze woning. Daarnaast geldt voor het aspect geur de bijzondere regeling in het kader van de Omgevingswet, in paragraaf 5.6 wordt hier verder op in gegaan. Omliggende milieubelastende functies vormen in dat kader geen belemmering voor het garanderen van een goed woonen leefklimaat in de woningen. Daarnaast leidt het initiatief niet tot negatieve consequenties voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze agrarische bedrijven.
5.4
Geluid
Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak tot een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet). Het bevoegd gezag beoordeelt in het omgevingsplan het geluid bij toelaten van een geluidgevoelig gebouw. Instructieregels die deze algemene taak invullen, staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Toelaten kan ook een aanpassing zijn van bestaande regels in het omgevingsplan, zoals bijvoorbeeld het wijzigen van het beschermingsniveau of de functie van een gebouw. De waarden en eisen gelden op een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegestaan. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied rekening met het belang van het beschermen van gezondheid en milieu. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op een geluidgevoelig object gelegen binnen het aandachtsgebied van een geluidbronsoort.
Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, dan is het geluid in ieder geval aanvaardbaar (hoofdregel Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar toelaten. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluid boven de grenswaarde is, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan. De eisen uit het Bkl zijn van toepassing op het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Artikel 5.78r van het Bkl stelt dat de eisen niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen voor zover die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan. Geluid door activiteiten Artikel 5.1.4.2 kent een splitsing tussen geluid door activiteiten en geluid door specifieke activiteiten, dit artikel is dan ook van toepassing op alle denkbare activiteiten, met uitzondering van geluid van woonactiviteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. Het staat echter de gemeenteraad vrij om hier geluidwaarden aan te stellen. Wegverkeerslawaai Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) bevat de geluidsgegevens van heel Nederland.
Aan de hand van de CVGG kan worden afgelezen of een bepaalde locatie binnen een geluidsaandachtsgebied is gelegen. Momenteel is de CVGG nog niet volledig en ontbreken er nog gegevens. Op grond van het overgangsrecht (art. 17.5 Or) geldt in dat geval aan weerszijde van de weg een geluidsaandachtsgebied op basis van richtafstanden.
28
Beschrijving Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid van ≤ 30 km/u Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid > 30 km/u, of; Een spoorweg bestaand uit 1 of 2 sporen Een weg bestaande uit 3 of meer rijstroken, of; Een spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen
Aandachtsgebied 100 meter 200 meter 350 meter
In het kader van het initiatief is een akoestisch onderzoek uitgevoerd3 (zie bijlage 3). Uit het onderzoek volgt: • dat het geluid op huisnummer 81a als gevolg van gemeentewegen hoger is dan de standaardwaarde, maar wel voldoet aan de grenswaarde. Op grond van art. 5.78u uit het Bkl kan een bestemmingsplan geluid tot aan de grenswaarde toelaten. In onderhavige situatie wordt voldaan aan de voorwaarden die het Bkl daarvoor stelt; • dat de waardes uit het Bkl niet van toepassing zijn op huisnummers 81 en 85; • dat geen aanvullende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de eisen aangaande de binnenwaarde; • dat de nieuwe woonfunctie geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; • dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Afweging Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling.
5.5
Luchtkwaliteit
Het gebruik van de fysieke leefomgeving kan ongewenste bijwerkingen met zich meebrengen op het gebied van luchtkwaliteit. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Hier worden de grenswaarden beschreven voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 25 µg/m3 Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het toestaan van de activiteit: a.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
3 HMB, Akoestisch onderzoek, De Brentjes 81, 81a en 85 Koningslust, 4 september 2024, kenmerk: 24260602N
29
Rondom het projectgebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Afweging Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,6 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,8 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,0 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Het Besluit NIBM Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) aan de concentratie van een bepaalde stof. Voor deze activiteiten is dan ook geen toetsing noodzakelijk De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (artikel 5.53 en 5.54 Bkl) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.
Een project is in NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Onderhavig initiatief voorziet in het saneren van een agrarische bedrijfslocatie, het omzetten van twee bedrijfswoningen naar burgerwoningen en het omzetten van een mantelzorgwoning naar een reguliere burgerwoning. Uitgaande van een worst-case scenario is er sprake van 8,6 verkeersbewegingen per woning per etmaal. (nadere toelichting aantal verkeersbewegingen paragraaf 5.13). In totaal genereert het initiatief 25,8 verkeersbewegingen. Met behulp van de NIBM-tool 2022 is bepaald of dit extra verkeer in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer ruimschoots onder NIBM valt.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie
2024
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
25,8
Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,01
PM10 in μg/m3
0,00
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer 3
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie
1,2
De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 10. Uitsnede NIBM-tool
Afweging Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen conform Ow en Bkl en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.
30
5.6
Geur
Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Rijksregels zouden zorgen voor het relatief vaak moeten vaststellen van maatwerkvoorschriften. Daarom is uitgangspunt dat geurhinder vooral in decentrale instrumenten zoals in het omgevingsplan wordt geborgd. Artikel 5.92 Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Artikel 5.91 geeft aan dat geurgevoelige gebouwen in ieder geval gebouwen met een woon-, onderwijs-, of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang betreffen.
Ondanks dat geur vooral een lokaal aspect is, is het voorkomen of beperken van geurhinder één van de oogmerken van de rijksregels artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over het verplicht binnen uitvoeren van activiteiten en beperkingen van emissies naar lucht die indirect ook een positief effect hebben op geuremmissies. De regels over geur in paragraaf 5.1.4.6 zijn een voortzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en voor zover het gaat om de geurregels voor het houden van landbouwhuisdieren zijn deze regels ook een voortzetting van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurregels beogen eenzelfde beschermingsniveau te bieden en voorzien in een beleidsneutrale omzetting. Gemeenten leggen in het omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijke omgevingsplan dan gelden, indien van toepassing de gemeentelijke geurverordening, of op grond van artikel 22.1 en 22.2 Ow de geurregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat en maken deze deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege.
Veehouderijen Conform artikel 5.1.4.6 sub artikel 5.109 van het Bkl geldt dat de geur op een geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied, niet meer mag bedragen dan 14,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouderij 14,0 Ou/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste van 25 meter (gevel stal) en 50 meter (emissiepunt stal). De woningen binnen het projectgebied kunnen geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de omgeving.
Binnen een straal van 500 meter rondom het projectgebied bevinden zich de volgende (intensieve) veehouderijen: ▪ Een pluimveehouderij aan De Brentjes 88, afstand tot het projectgebied 8 meter; ▪ Een varkenshouderij aan de Poorterweg 110, afstand tot het projectgebied 320 meter; ▪ Een melkveehouderij aan De Remer 4, afstand tot het projectgebied 330 meter; ▪ Een pluimveehouderij aan de Zandstraat 8a, afstand tot het projectgebied 490 meter; ▪ Een paardenhouderij aan de Zandstraat 9a, afstand tot het projectgebied 490 meter.
31
De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden (paarden en melkvee), tot het projectgebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Bkl voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Bij de pluimveehouderijen en de varkenshouderij worden dieren met geuremissiefactoren gehouden. Van deze veehouderij is de geurbelasting op het projectgebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning” (zie bijlage 4). Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het projectgebied meest nabij gelegen hoek van het beoogde bouwvlak. Nummer
X-
Y
De Brentjes 88
De Brentjes 81 (hoek 1) De Brentjes 81 (hoek 2) De Brentjes 81 (hoek 3) De Brentjes 81 (hoek 4) De Brentjes 81 (hoek 5) De Brentjes 81 (hoek 6) De Brentjes 81a (hoek 1) De Brentjes 81a (hoek 2) De Brentjes 81a (hoek 3) De Brentjes 81a (hoek 4) De Brentjes 85 (hoek 1) De Brentjes 85 (hoek 2) De Brentjes 85 (hoek 3) De Brentjes 85 (hoek 4)
197 113 197 149 197 171 197 154 197 176 197 160 197 154 197 208 197 243 197 175 197 201 197 224 197 259 197 242
374 808 374 847 374 834 374 810 374 777 374 758 374 811 374 897 374 860 374 776 374 904 374 923 374 882 374 860
0,8 0,9 1,0 1,0 1,4 1,3 1,0 1,4 1,9 1,4 1,4 1,8 2,5 1,9
Poorterweg 110 5,0 4,8 4,5 4,5 4,0 4,0 4,5 4,4 3,8 4,0 4,5 4,3 3,8 3,8
Zandstraat 8a 0,9 0,9 0,8 0,8 0,7 0,8 0,8 0,8 0,7 0,7 0,8 0,8 0,7 0,7
Afweging De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 5,0 OU/m3. Op basis van artikel 5.1.4.6 sub artikel 5.109 van het Bkl is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De woningen binnen het projectgebied, welke verder van de intensieve veehouderijen zijn gepositioneerd dan bestaande woningen, hebben derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen.
5.7
Externe veiligheid
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid, ofwel omgevingsveiligheid. Regels omtrent externe veiligheid zijn gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico die op een locatie is toegestaan.
32
In het Bkl (bijlage VII) is een lijst opgenomen met activiteiten die aangewezen zijn als risicobron. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels omtrent het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; ▪ Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ▪ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen; ▪ Windturbines. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico (GR) Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten (zie afbeelding 10). Het projectgebied is dan ook niet gelegen binnen een beschermingszone van mogelijke omliggende risicovolle activiteiten.
33
Afbeelding 11. Uitsnede risicokaart met De Brentjes 81 rood omlijnd, De Brentjes 81a blauw omlijnd en De Brentjes 85 groen omlijnd
Afweging Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.
5.8
Trillingen
Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Afweging Het projectgebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Derhalve vormt het aspect trillingen geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
5.9
Water
Bij het realiseren van nieuwe bebouwing en/of het toestaan van nieuwe activiteiten kan er sprake zijn van wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie binnen het projectgebied. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen in het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat bij de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden met het waterbelang. Het is van belang om bij ruimtelijke ontwikkelingen duiding te geven aan het waterbelang en de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.
34
De opvattingen van het bestuursorgaan (of de bestuursorganen) dat is belast met het beheer van het watersysteem moeten bij de planvorming betrokken worden. Daarnaast gaat paragraaf 5.1.3 van het Bkl specifiek in op onderdelen van het watersysteem die van rijksbelang zijn. Voor Peel en Maas is hierin paragraaf 5.1.3.4, grote rivieren specifiek van belang. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen. 5.9.1 Waterbeleid Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de provinciale omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. 5.9.2 Waterhuishoudkundige situatie projectgebied (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het projectgebied deels aangeduid als veldpodzolgronden bestaande uit lemig fijn zand en deel als veldpodzolgronden bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand.
Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het projectgebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45-0,75 m/dag. Grondwaterbescherming Het projectgebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2021. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat in de nabijheid van het projectgebied de Koningslust stroomt. Op deze watergangen is de Keur van het waterschap van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het projectgebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. Afvalwater De locaties De Brentjes 81, 81a en 85 zijn reeds aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel.
35
5.9.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) De gemeente Peel en Maas heeft in januari 2024 de verordening afvoer hemelwater en grondwater vastgesteld. In de verordening is opgenomen dat de gemeente streeft naar het afkoppelen van hemelwater van het vuilwaterriool. Het is dan ook niet toegestaan dat het hemelwater afkomstig van nieuwe bebouwing wordt afgekoppeld op de aanwezige (druk)riolering. Onderhavig initiatief voorziet niet in een wijziging van de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van De Brentjes 81, 81a en 85 aangezien geen nieuwe bebouwing wordt opgericht waarbij het volume op de locatie toeneemt. Deze locaties zijn daardoor waterhuishoudkundig gezien niet relevant. Daarnaast zijn de woningen reeds afgekoppeld van het gemeentelijke rioleringssysteem.
5.10 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen worden middels een planologische beschermingszone vastgelegd. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Afweging Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het projectgebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.11 Natuur De Europese natuurwetgeving was in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. De Wnb gaat in het kader van de Omgevingswet op in het Aanvullingsbesluit natuur en Aanvullingsregeling Natuur. Deze overgang is beleidsneutraal, de thans geldende normenkaders, instrumenten en bevoegdheidsverdeling blijven dan ook ongewijzigd. 5.11.1 Flora en fauna Ter plaatse van De Brentjes 81 en 85 wordt een bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Daarnaast wordt ter plaatse van De Brentjes 81a een mantelzorgwoning omgezet naar een reguliere burgerwoning. Het plangebied is onderzocht op het voorkomen van beschermde flora en fauna4 (zie bijlage 5). Floristisch gezien trof het onderzoeksbureau geen bijzonderheden aan. De huidige situatie is erf, tuin en hierin komt weinig verandering. Faunistisch heeft het onderzoeksbureau gecontroleerd op aanwezigheid van vogelnesten en vleermuizen. Beide trof het onderzoeksbureau fysiek niet aan. Er wordt vooralsnog niet gesloopt. Aan de overzijde van De Brentjes 81 en 81a ligt een stal. Initiatiefnemers zijn voornemens om deze stal binnen 10 jaar te slopen.
Voor de sloop van de stal dienen initiatiefnemers te zijner tijd een sloopmelding of vergunning aan te vragen. Bij deze aanvraag dienen initiatiefnemer aan te tonen dat de sloop van de stal geen negatieve effecten heeft op eventueel aanwezige dier- of plantensoorten.
4 IVN, Flora en fauna quickscan, De Brentjes 81, 81a en 85 Koningslust, 15 september 2024
36
5.11.2 Natura2000 Sommige projecten hebben mogelijk significant negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Voor die projecten moet eerst een passende beoordeling plaatsvinden (artikel 16.53c, Ow). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In artikel 8.76b zijn de boordelingsregels omtrent Natura2000-activiteiten opgenomen. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is, mits uitgesloten kan worden dat een project geen merkbaar c.q. negatief effect heeft voor wat betreft de stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura2000-gebieden. Een mogelijk negatief effect komt voort door verzuring en/of vermesting, van het initiatief, op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOX of NH3 ), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Stikstofdepositie kan plaatsvinden, afhankelijk van het beoogde project, gedurende de (ver)bouw-/aanlegfase, sloopfase en gebruiksfase. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Deurnsche- en Mariapeel, ligt op circa 5,5 km van het projectgebied.
Over een afstand van 5,5 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het projectgebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Afweging De feitelijke situatie verandert in het kader van de voorgenomen ontwikkeling niet. Het initiatief voorziet uitsluitend in een functionele wijziging van de woningen De Brentjes 81, 81a en 85. Het initiatief leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de woningen. Daarnaast is er geen sprake van extra stikstofuitstoot aangezien er geen nieuwe stookinstallaties worden gerealiseerd. Voorgenomen ontwikkeling heeft zodoende geen gevolgen voor de stikstofdepositie op dit Natura 2000-gebied. Er zijn dus geen nadelige consequenties voor de natuur- en landschappelijke waarden en de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. 5.11.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit.
Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden. Afweging Op een afstand van ruim 550 meter van het projectgebied is het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Limburg gelegen. Daar de ontwikkeling niet plaats vindt binnen het Natuur Netwerk vormt het initiatief derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding hiervan.
5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het culture erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving.
37
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen. 5.12.1 Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Gedurende de overgangsfase zijn de regels omtrent het aspect archeologie nog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Deze zijn opgenomen in het gemeentelijke archeologiebeleid, op termijn worden deze regels opgenomen in het Omgevingsplan. Ook zijn er in de bruidsschat enkele bepalingen opgenomen over de aanvraagvereisten bij het slopen van bouwwerken in een gemeentelijke of rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld.
Conform deze advieskaart is het projectgebied gelegen in een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Conform het omgevingsplan is aan het projectgebied dan ook de functie ‘Waarde – Archeologie 5’ toegekend. Binnen de functie ‘Waarde – Archeologie 5’ zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 2.500 m² oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 250 m² bedraagt. Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in grondwerkzaamheden, het betreft louter een functiewijziging van reeds bestaande bebouwing. Derhalve worden de ondergrenzen voor archeologisch onderzoek niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is niet benodigd. Wel wordt de archeologische functie in dit TAM-omgevingsplan gehandhaafd. 5.12.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).