2025-042 08 Toelichting
Tekst van het document
Noorderhof 16 | 5804 BV Venray | (+31) 077 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl | www.bureauleefomgeving.nl
TAM-omgevingsplan
Concept: Ontwerp: Vastgesteld:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22[k] [De Brentjes 81, 81a en 85 Koningslust] NL.IMRO.1894.TAMOPH22k-VG01
15 oktober 2024 13 januari 2025 24 juni 2025
COLOFON
Projectnaam: Identificatienummer:
INHOUDSOPGAVE 1.
INLEIDING............................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding ....................................................................................................................................................................................................... 3
1.2
Ligging van het projectgebied ................................................................................................................................................................ 3
1.3
Vigerend omgevingsplan .......................................................................................................................................................................... 5
2.
HUIDIGE SITUATIE ...........................................................................................................................................7
3.
BEOOGDE SITUATIE........................................................................................................................................8
4.
5.
6.
3.1
Functionele ontwikkeling en doelstellingen van het plan .......................................................................................................... 8
3.2
Ruimtelijke inpassing............................................................................................................................................................................... 10
BELEIDSKADER ............................................................................................................................................... 11 4.1
Rijksbeleid ................................................................................................................................................................................................... 11
4.2
Provinciaal beleid...................................................................................................................................................................................... 14
4.3
Gemeentelijk beleid................................................................................................................................................................................ 18
FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU ..................................................................................................... 24 5.1
Milieueffectrapportage........................................................................................................................................................................... 24
5.2
Bodem- en grondwaterkwaliteit....................................................................................................................................................... 24
5.3
Bedrijven en milieuzoneringen........................................................................................................................................................... 26
5.4
Geluid............................................................................................................................................................................................................ 28
5.5
Luchtkwaliteit ............................................................................................................................................................................................ 29
5.6
Geur............................................................................................................................................................................................................... 31
5.7
Externe veiligheid..................................................................................................................................................................................... 32
5.8
Trillingen ...................................................................................................................................................................................................... 34
5.9
Water............................................................................................................................................................................................................ 34
5.10
Kabels, leidingen en straalpaden........................................................................................................................................................ 36
5.11
Natuur .......................................................................................................................................................................................................... 36
5.12
Archeologie, cultuurhistorie en landschap ................................................................................................................................... 37
5.13
Verkeersgeneratie, - afwikkeling & parkeren .............................................................................................................................. 40
5.14
Duurzaamheid en gezondheid ........................................................................................................................................................... 41
UITVOERBAARHEID...................................................................................................................................... 44 6.1
Financieel - economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................................... 44
6.2
Juridische aspecten .................................................................................................................................................................................. 44
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................................................................... 46
1
7.
PROCEDURE..................................................................................................................................................... 47
BIJLAGEN: Bijlage 1: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2: Nader bodemonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Bijlage 4: Geuronderzoek Bijlage 5: Flora en fauna quickscan Bijlage 6: Landschappelijke inpassing Bijlage 7: Omgevingsdialoog
2
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Ten noorden van de kern Koningslust, aan De Brentjes 81 ligt een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De locatie is al sinds begin jaren ‘00 niet meer in agrarisch gebruik. De locatie is echter nog steeds voorzien van een agrarische functie en voorzien van een bouwvlak met een oppervlakte van 9.500 m2. Het agrarische bouwvlak is in de huidige situatie bebouwd met een woning met aanpandige achteraanbouw, garage en een loods. Opvallend is dat het bouwvlak is bebouwd met een tweede woning, de woning De Brentjes 85, samen met garage en loods. Op basis van het omgevingsplan is maar één bedrijfswoning per bouwvlak is toegestaan. Beide woningen zijn echter legaal aanwezig. Bij de herziening van het bestemmingsplan is dan ook een omissie ontstaan waarbij beide locaties onderdeel zijn van een bouwvlak en waar ook nog maar één bedrijfswoning is toegestaan. Initiatiefnemers zijn voornemens om enerzijds de agrarische bedrijvigheid formeel te beëindigen en anderzijds de omissie van de twee bedrijfswoningen te herstellen. Om de agrarische bedrijvigheid formeel te beëindigen en om te voorkomen dat op deze locaties nieuwe agrarische activiteiten wordt geëxploiteerd dient de agrarische functie van deze locatie te worden verwijderd en hiervoor in de plaats dient een woonfunctie aan de locatie te worden toegekend.
Hiermee worden agrarische bedrijfsactiviteiten voor de toekomst formeel uitgesloten en worden de bedrijfswoningen feitelijk omgezet naar burgerwoningen. Beide woningen zullen worden voorzien van een eigen woonfunctie zodat beide locaties in planologisch opzicht van elkaar zullen worden gescheiden, zoals feitelijk al sinds 1987 is.
Afbeelding 1. Ligging en omgeving van de locaties met De Brentjes 81, 81a en 85 rood omlijnd
Een deel van het agrarische bouwvlak bevindt zich aan de overzijde van De Brentjes en is bebouwd met een stal van circa 350 m2. Het voornemen bestaat om het bouwvlak van deze locatie te verwijderen, de stal op termijn te slopen en hiervoor in de plaats een schuilgelegenheid van circa 40 m2 te realiseren.
3
Ten slotte is recentelijk in het achterste gedeelte van de woning De Brentjes 81 (te weten een voormalig stal/werkplaats) een mantelzorgwoning gerealiseerd. Deze mantelzorgwoning heeft huisnummer 81a gekregen. Initiatiefnemers zijn tevens voornemens om de mantelzorgwoning om te zetten in een volwaardige burgerwoning met behulp van het woon- en woonkavelsplitsing beleid. Om dit mogelijk te maken dient de mantelzorgwoning afgesplitst te worden van het woonperceel van De Brentjes 81 en te worden voorzien van een eigen woonperceel. Om de beoogde ontwikkelingen te kunnen realiseren is een wijziging van het omgevingsplan (van rechtswege) noodzakelijk, conform de Omgevingswet.
1.2
Ligging van het projectgebied
Het projectgebied betreft de locaties De Brentjes 81, 81a en 85 en een deel van het agrarische perceel aan de overzijde van De Brentjes 81 en 81a. De locatie De Brentjes 81 staat kadastraal bekend als gemeente Helden, sectie R, perceelnummer 526 (gedeeltelijk). Dit deel van het projectgebied beslaat een oppervlakte van 2.080 m2 en is bebouwd met een woning, garage en een loods. Rondom de bebouwing is de locatie voorzien van erfverharding. De onbebouwde en onverharde delen van het projectgebied zijn deels in gebruik als tuin en deels in gebruik als weiland. De locatie De Brentjes 81a staat kadastraal bekend als gemeente Helden, sectie R, perceelnummer 525. Dit deel van het projectgebied beslaat een oppervlakte van 4.585 m2 en is bebouwd met een mantelzorgwoning welke thans is gerealiseerd binnen een bestaande aanbouw behorende bij de woning De Brentjes 81. Rondom de mantelzorgwoning is de locatie voorzien van erfverharding. Een deel van de locatie is ingericht met een paardenrijbak. Overige delen van het projectgebied zijn in gebruik als tuin of weiland.
Afbeelding 2. Ligging en omgeving van de locaties met De Brentjes 81 rood omlijnd, De Brentjes 81a blauw omlijnd, agrarisch perceel tegenover De Brentjes 81/81a oranje omlijnd en De Brentjes 85 groen omlijnd
4
Een deel van het huidige agrarische bouwvlak bevindt zich aan de overzijde van de weg. Dit deel van het projectgebied staat kadastraal bekend als gemeente Helden, sectie U, perceelnummer 34 (gedeeltelijk). Dit deel van het projectgebied beslaat een oppervlakte van 880 m2 en is bebouwd met een voormalige stal. De locatie De Brentjes 85 staat bekend als gemeente Helden, sectie R, perceelnummers 311 en 504. Dit deel van het projectgebied beslaat een oppervlakte van 1.668 m2 en is momenteel bebouwd met een woning, garage en loods. Rondom de woning, garage en loods is de locatie voorzien van erfverharding. De overige delen van het projectgebied zijn in gebruik als tuin.
1.3
Vigerend omgevingsplan
Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan en de bruidsschat. Op dit moment geldt voor het gehele projectgebied het bestemmingsplan “Buitengebied Peel en Maas” (vastgesteld d.d. 24 december 2014). Op grond van het omgevingsplan is het projectgebied voorzien van de functie ‘Agrarisch – Grondgebonden’ en voorzien van een bouwvlak met een oppervlakte van circa 9.500 m2. Een deel van het bouwvlak bevindt zich aan de overzijde van De Brentjes, waar nog een voormalige stal staat. Dit deel van het bouwvlak is voorzien van de functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’. Met een relatieteken is deze locatie planologisch verbonden met de locaties De Brentjes 81, 81a en 85. Ter plaatse van De Brentjes 85 is de locatie tevens voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – persoonsgebonden overgangsrecht 1’. De locatie is daarnaast deels voorzien van de functie ‘Waarde – Archeologie – 5’ en van de gebiedsaanduidingen ‘ontwikkelingszone bebouwingslinten’, ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en ‘wro-zone – wijzigingsgebied 2 ko’.
Afbeelding 3. Uitsnede vigerend omgevingsplan met De Brentjes 81 rood omlijnd, De Brentjes 81a blauw omlijnd, agrarisch bouwvlak tegenover De Brentjes 81/81a oranje omlijnd en De Brentjes 85 groen omlijnd
5
Een voor ‘Agrarisch – Grondgebonden’ aangewezen locatie is bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig gebruik in de vorm van een grondgebonden bedrijf met als nevenactiviteit een niet-grondgebonden bedrijfstak. Onder een grondgebonden bedrijf wordt verstaan een akkerbouwbedrijf, een boomkwekerij, een melkveehouderij en een productiegebonden paardenhouderij. Per bouwvlak is één grondgebonden bedrijf en één bedrijfswoning toegestaan. Bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend worden gerealiseerd binnen een bouwvlak waarbij het gehele bouwvlak mag worden bebouwd. Strijdigheden in relatie tot het omgevingsplan Op een voor ‘Agrarisch - Grondgebonden’ aangewezen locatie zijn woondoeleinden niet toegestaan. Daarnaast is het wonen in een bedrijfswoning uitsluitend toegestaan voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de agrarische bedrijfsvoering, noodzakelijk is. Burgerbewoning wordt uitgesloten in een bedrijfswoning. Het gebruiken van de bedrijfswoningen aan de Brentjes 81 en 85 en de mantelzorgwoning aan De Brentjes 81a als burgerwoningen is zodoende strijdig met het omgevingsplan. Daarnaast is per bouwvlak één bedrijfswoning toegestaan. In de huidige situatie zijn er binnen het bouwvlak echter al twee legale bedrijfswoningen aanwezig. Ook dit is in strijd met het omgevingsplan.
Ten slotte is een derde woning, ter plaatse van de mantelzorgwoning, ook niet toegestaan.
6
2. HUIDIGE SITUATIE De omgeving van het projectgebied kenmerkt zich als een kleinschalig halfopen ontginningslandschap. De kleinschalige halfopen ontginningslandschappen zijn ontstaan op gronden die van oudsher natter en minder gunstig waren voor de landbouw. Er was door ontginning en bosaanplant in de tweede helft van de 19e eeuw een kleinschalig landschap ontstaan met veel bos, heideterreintjes, velden en daar doorheen veel paden. Cruciaal voor deze gronden is dat de ontginning in de 20e eeuw minder grootschalig is geweest dan in de grote heideontginningen, zoals dat bijvoorbeeld ten zuiden van Koningslust wel heeft plaatsgevonden. Het patroon van wegen is afwisselend recht en gebogen. Er zijn afwisselend weilanden en akkers. De kleinschaligheid in de omgeving is mede een gevolg van de vele bebouwing.
Afbeelding 4. Impressie De Brentjes 81
Afbeelding 5. Impressie van de stal aan de overzijde van De Brentjes 81 / 81a
Het projectgebied is gelegen aan De Brentjes. De Brentjes vormt de verbindingsweg tussen de kern van Koningslust en het zuidelijke deel van de Sevenumsedijk (N275). Deze weg vormt zodoende een van de belangrijkste structuurdragers in de omgeving. De Brentjes betreft een oud bebouwingslint waarbij de bebouwing verspreid over de weg is gelegen. Oudere en nieuwe bebouwing wisselen elkaar af in het bebouwingslint en verwijzen naar verschillende ontwikkelingsperioden. Het bebouwingslint kent van oorsprong een agrarische functie. In de loop der jaren heeft de agrarische functie grotendeels ruimte gemaakt voor de woonfunctie. De (intensieve) veehouderijen en agrarische bedrijven zijn in de loop der jaren grotendeels beëindigd waarbij de bedrijfswoningen in gebruik zijn genomen als burgerwoningen. Momenteel overheerst de woonfunctie samen met de agrarische functie.
Afbeelding 6. Impressie De Brentjes 85
Afbeelding 7. Impressie De Brentjes 81a
Het projectgebied is gelegen op korte afstand van de bebouwde kom van Koninglust. In de bebouwde kom van Koningslust overheerst de woonfunctie. Het dorpscentrum van Koningslust wordt gevormd door de voormalige basisschool, het gemeenschapshuis en de kerk. Verspreid over de kern zijn nog twee horecavoorzieningen en enkele maatschappelijke voorzieningen gelegen. In de kern zijn geen (zelfstandige) winkels aanwezig, voor winkelvoorzieningen moeten inwoners van het dorp uitwijken naar de plaatsen Maasbree of Panningen.
7
3. BEOOGDE SITUATIE 3.1
Functionele ontwikkeling en doelstellingen van het plan
De Brentjes 81 en 85 Aan De Brentjes 81 ligt een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Op betreffende locatie was voorheen een varkenshouderij gevestigd. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn echter al lange tijd geleden gestaakt en de voormalige varkensstallen zijn begin jaren ’00 reeds grotendeels gesloopt. Daarnaast is begin 2000 ook de milieuvergunning voor het houden van varkens ingetrokken. Sindsdien vinden er geen agrarische bedrijfsactiviteiten meer plaats. Ondanks dat er geen sprake meer is van een actief agrarisch bedrijf is de agrarische functie nog niet van de locatie verwijderd. Initiatiefnemers willen de agrarische functie nu formeel beëindigen door de agrarische functie om te wisselen door een woonfunctie. Het agrarische bouwvlak behorende bij De Brentjes 81 loopt in de huidige situatie over het perceel van De Brentjes 85. De Brentjes 81 en 85 betreffen echter aparte locaties en worden dan ook afzonderlijk gebruikt en bewoond. In het huidige omgevingsplan is dan ook een omissie ontstaan waarbij de beide locaties zijn voorzien van een gedeeld bouwvlak. Verreweg het grootste gedeelte van de locatie c.q. het bouwvlak behoort bij de woning De Brentjes 81. Bij deze woning behoren een garage (oppervlakte 85 m2), achteraanbouw, loods (oppervlakte 240 m2) en de voormalige stal aan de overzijde van de weg (oppervlakte 350 m2).
Tegen het bosje aan in noordoostelijke richting ligt de tweede woning; De Brentjes 85. Bij deze woning (met een inhoud van 624 m3) behoren een garage (oppervlakte 32 m2) en een loods (oppervlakte 120 m2).
5
Kadastrale grens
4
De Brentjes 85
2 De Brentjes 81a
1
3
De Brentjes 81 Afbeelding 8. Luchtfoto van de huidige situatie
Initiatiefnemers zijn voornemens om de agrarische functie van beide locaties te verwijderen en aan beide locaties een eigen woonfunctie toe te kennen. Beide woningen zullen daarbij worden voorzien van een eigen bouwvlak. Door beide woningen te voorzien van een eigen bouwvlak wordt de onderlinge relatie tussen deze locaties verwijderd waarmee de omissie is hersteld en de situatie planologisch-juridisch overeenkomt met het feitelijke gebruik.
8
De bestaande bijgebouwen wensen de bewoners van De Brentjes 81 en 85 grotendeels te behouden. Deze bijgebouwen zijn benodigd voor het woongenot en onderhoud van omliggende gronden. De bebouwing kan dan ook niet worden aangemerkt als overtollige bebouwing. In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de bebouwing op betreffende locaties en wat voor functie deze bebouwing heeft. Aanwezige bebouwing Garage (afbeelding 8 gebouw 1) Loods (afbeelding 8 gebouw 2)
Behorende bij
Oppervlakte
De Brentjes 81
85 m2
De Brentjes 81
240 m2
Stal (afbeelding 8 gebouw 3) Garage (afbeelding 8 gebouw 4) Loods (afbeelding 8 gebouw 5)
De Brentjes 81
350 m2
De Brentjes 85
32 m2
De Brentjes 85
120 m2
Functie Het stallen van de auto’s en fietsen en in gebruik als opslagruimte. In gebruik als hobbyruimte / werkplaats, voor het hobbymatig houden van paarden en ten behoeve van het stallen van landbouwmachines die zijn benodigd voor het onderhouden van het eigen perceel. In gebruik als opslagruimte en als schuilgelegenheid. Het stallen van de auto’s en fietsen en in gebruik als opslagruimte In gebruik als bedrijfsruimte c.q. werkplaats ten behoeve van het eigen bedrijf (het repareren van landbouwmachines)
De voormalige stal aan de overzijde van de weg wordt momenteel nog gebruikt als opslagruimte en schuilgelegenheid. Initiatiefnemers zijn voornemens om deze stal te slopen. Het is de bedoeling om deze voormalige stal binnen 10 jaar te slopen en hiervoor in de plaats een schuilgelegenheid van 40 m2 te realiseren. Om te borgen dat de voormalige stal binnen 10 jaar wordt gesloopt is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Ter plaatse van De Brentjes 81 is momenteel sprake van het hobbymatig houden van maximaal 5 paarden. Ten behoeve van dit gebruik is de locatie ingericht met een weiland en paardrijbak. Daarnaast zijn in de bestaande loods enkele stallen gerealiseerd en is ten oosten van de loods een mestvaalt aanwezig. Dit gebruik wensen de initiatiefnemers voort te zetten. De mestvaalt dient conform de algemene plaatselijke verordening (apv) op minimaal 50 meter afstand van woningen af gesitueerd te worden. De mestvaalt zal in de beoogde situatie verplaatst worden zodat deze op 50 meter afstand van de omliggende woningen is gelegen. De Brentjes 81a In het achterste gedeelte van de woning De Brentjes 81 (te weten een voormalig stal/werkplaats) is recentelijk een mantelzorgwoning gerealiseerd (te weten De Brentjes 81a). Hier woont de zoon van de initiatiefnemers met zijn gezin. De zoon en zijn gezin verlenen dan ook mantelzorg aan de (schoon)ouders.
Initiatiefnemers zijn voornemens om de mantelzorgwoning formeel af te splitsen van de woning De Brentjes 81 zodat dit een zelfstandige woning wordt. De zoon en zijn gezin kunnen de woning dan blijven bewonen, ook als de mantelzorg is beëindigd. Initiatiefnemers zijn tevens voornemens om de mantelzorgwoning om te zetten in een volwaardige burgerwoning met behulp van het woon- en woonkavelsplitsing beleid. Om de splitsing te kunnen regelen dient de agrarische functie ook van deze locatie te worden verwijderd en hiervoor in de plaats dient een woonfunctie te worden toegekend. Deze locatie dient vervolgens te worden voorzien van een eigen bouwvlak zodat de woning De Brentjes 81a niet meer in verbinding staat met de woning De Brentjes 81. De woning De Brentjes 81a kan vervolgens worden beschouwd als een zelfstandige burgerwoning.
9
Afweging Kortom het initiatief voorziet in het omzetten van de agrarische functie ter plaatse van De Brentjes 81, 81a en 85 naar een woonfunctie. Vervolgens zal elke woning worden voorzien van een eigen bouwvlak zodat er drie zelfstandige woningen ontstaan. Daarnaast zal de voormalige stal, aan de overzijde van De Brentjes, worden afgesplitst. Deze stal zal op termijn (binnen 10 jaar) worden gesloopt en worden vervangen door een schuilgelegenheid van 40 m2.
Bouwvlak De Brentjes 85
Bouwvlak De Brentjes 81a
Bouwvlak De Brentjes 81
Af te splitsen stal die wordt gesloopt binnen 10 jaar en wordt vervangen door een schuilgelegenheid.
Afbeelding 9. Beoogde situatie De Brentjes 81, 81a en 85
3.2
Ruimtelijke inpassing
Stedenbouwkundig en ruimtelijk wijzigt er ten opzichte van de huidige situatie amper iets. Aan de Brentjes 81 en 85 is namelijk geen sprake van de realisatie of sloop van bebouwing. Fysiek gezien vinden er dan ook geen wijzigingen plaats. Aan de overzijde van De Brentjes 81 en 81a staat momenteel een voormalige stal. Deze stal zal binnen 10 jaar worden gesloopt en worden vervangen door een schuilgelegenheid van 40 m2. Verouderde bebouwing wordt gesloopt en hiervoor in de plaats wordt er een nieuw en kleinschalige schuilgelegenheid gerealiseerd. Ter plaatse van deze locatie is zodoende sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat verouderde bebouwing wordt gesloopt en op dezelfde plek een kleiner gebouw voor terugkomt.
10
4. BELEIDSKADER 4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en water robuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
11
2.
3.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Afweging Alhoewel de NOVI zich niet specifiek uit laat over dergelijke kleinschalige initiatieven betreft het een initiatief waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en waarbij er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. 4.1.2
Instructieregels Rijk (AMvB’s)
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor het omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). De instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl). Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen: ▪ Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); ▪ Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); ▪ Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; ▪ Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; ▪ Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; ▪ Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart,
fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; ▪ Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In enkele bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
12
Instructieregels van afdeling 5.1 Bkl gelden, zoals gezegd, alleen voor de omgevingsplanregels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het grootste deel van de Bkl-instructieregels is dus niet van toepassing op omgevingsplanregels met een ander oogmerk. Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders natuurlijk. Het Rijk hanteert verschillende typen instructieregels, die meer of minder afwegingsruimte bieden: 1. Betrekken bij: de gemeente moet aandacht schenken aan feiten of verwachtingen over feiten, maar heeft daarbij veel keuzeruimte; 2. Rekening houden met: deze formulering stuurt inhoudelijk de belangenafweging; als de gemeente daar goede redenen voor heeft, is afwijken gemotiveerd toegestaan; 3. In acht nemen of een vergelijkbare dwingende formulering: de gemeente moet zich bij de uitoefening van de bevoegdheid aan de achterliggende norm houden. Een belangrijke verbeterdoelstelling van de Omgevingswet is dat decentrale overheden meer bestuurlijke afwegingsruimte krijgen. Deze afwegingsruimte is in de instructieregels van het Bkl vormgegeven door voor een aantal thema´s (geluid, geur en trillingen) standaardwaarden en grenswaarden op te nemen.
Overname van de standaardwaarde kan in beginsel zonder aanvullende motivering. Gebruikmaking van de ruimte tussen standaard- en grenswaarde vergt wel een aanvullende motivering. Samenvattend is de afwegings- of beslisruimte afhankelijk van: 1. het type instructieregel (zie hierboven); 2. de aard van de norm (open of gesloten); en 3. flexibiliteitsopties die binnen de instructieregel worden geboden. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) Als het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor een bepaalde activiteit geen regels stellen, heeft de gemeente in principe de beleidsvrijheid om in het omgevingsplan daar zelf regels over te stellen. Daarbij gelden uiteraard grenzen: ▪ het moet de fysieke leefomgeving betreffen; ▪ als het al uitputtend geregeld in wetgeving die niet opgaat in de Omgevingswet, kan het niet in het omgevingsplan geregeld worden, tenzij het met een ander oogmerk gebeurt; ▪ de instructieregels van het Bkl kunnen bepalen dat voor een bepaald onderwerp regels moeten worden gesteld in het omgevingsplan en daarbij ook hoe. Als het Bal of Bbl voor bepaalde activiteiten of bouwwerken wel regels stellen, in het mogelijk dat er maatwerkregels worden opgenomen in het omgevingsplan.
Maatwerkregels zijn gebiedsgerichte algemene regels in het omgevingsplan waarmee wordt afgeweken van Bal- of Bbl-regels. Bij de regels uit het Bal is generiek maatwerk mogelijk, tenzij er specifieke uitzonderingen worden aangegeven. Bij de regels in het Bbl is dat andersom: maatwerkregels zijn alleen mogelijk als dat specifiek wordt toegestaan. Als maatwerkregels mogelijk zijn, geven Bal en Bbl aan binnen welke grenzen daarmee kan worden afgeweken of nader worden ingevuld ten opzichte van de Bal-/Bbl-regels. De gemeente heeft op grond van het Bal en Bbl vaak ook de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften landen niet in het omgevingsplan, maar zijn afzonderlijke besluiten die gericht zijn tot één initiatiefnemer. Toch zijn ook verleende maatwerkvoorschriften van belang bij het opstellen van het omgevingsplan. In ieder geval moet de gemeente, bij het beoordelen of maatwerkregels zullen worden gesteld, ook nagaan of over het betreffende onderwerp al eerder maatwerkvoorschriften zijn gesteld. Die maatwerkvoorschriften kunnen mogelijk worden geïntegreerd in de maatwerkregels, en dan (na inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan) worden ingetrokken.
Met name als er voor een bepaald onderwerp in het verleden veel maatwerkvoorschriften zijn gesteld, is het aan te raden om te bekijken of maatwerkregels in het omgevingsplan niet tot een evenwichtiger en toekomstbestendiger resultaat kunnen leiden.
13
4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Conform artikel 5.129g Bkl geldt dat bij een wijziging van het omgevingsplan en buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de ladder van toepassing is, dit om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen. De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Het begrip “stedelijke ontwikkeling” is daarbij als volgt gedefinieerd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL: RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Afweging De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL: RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is met onderhavig initiatief sprake. Onderhavig initiatief heeft immers betrekking op een functiewijziging van drie bestaande woningen.
Er hoeft in het kader van dit initiatief dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). In de Omgevingsvisie wordt de lange termijnvisie (2030-2050) beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.
In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid.
14
b.
2.
3.
In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen.
Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad.
Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil.
15
Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Samen met hun partners wil de provincie een voortreffelijk woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn.
De provincie faciliteert daarbij flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diversere groep mensen tegemoet gekomen kan worden, in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw. Afweging In de POVI geeft de provincie aan dat ze alle woonwensen willen vervullen, waarbij een voortreffelijke woon- en leefomgeving leidend zijn. Door middel van onderhavig initiatief wordt een agrarische bedrijfslocatie gesaneerd wat in het algemeen bijdraagt aan een beter woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de woonwensen van de bewoners van De Brentjes 81, 81a en 85 initiatiefnemers ingewilligd, zonder daarbij fysiek een nieuwe woning te realiseren. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de omgevingsvisie.
4.2.2 Omgevingsverordening 2021 In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Groenblauwe mantel; ▪ Wonen, werken en recreëren. Groenblauwe mantel In de Omgevingsverordening is opgenomen dat in de Groenblauwe mantel inzichtelijk moet worden gemaakt wat de betekenis van een ontwikkeling in een ‘projectgebied’ is voor de natuurwaarden in aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. De provincie geeft daarbij aan dat het belangrijk is dat dit niet meer is dan een motiveringsplicht en geen gebodsbepaling. De verwachting is dat deze motiveringsplicht in veel situaties weinig extra inspanning (motivering) vergt omdat verbindings- of bufferfuncties niet geraakt worden. Het projectgebied is volgens de provinciale kaart gelegen in een beekdal en ligt binnen een gebied dat is aangewezen als ‘Groenblauwe mantel’ derhalve is een motiveringsplicht benodigd.
In het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg kaart 4 worden de verschillende landschapstypen ruimtelijk geduid en in hoofdstuk 4 worden de kernkwaliteiten groene karakter (landschapsecologie/natuurlijk), visueel-ruimtelijke karakter, cultuurhistorisch erfgoed en reliëf van de diverse landschapstypen beschreven.
16
Tevens wordt per landschapstype inspiratie gegeven voor een gewenste ontwikkelingsrichting. Bij de beschrijving van de verschillende landschapstypen wordt min of meer uitgegaan van het ideaaltype. In werkelijkheid zullen uitzonderingen voorkomen die met aanvullend (veld)onderzoek uitgewerkt kunnen worden. De kernkwaliteit cultuurhistorisch erfgoed heeft in het Landschapskader vooral betrekking op historische geografie. Daarom zijn voor deze kernkwaliteit een aantal generieke aspecten toegevoegd. Omdat de kernkwaliteit reliëf in het Landschapskader niet altijd specifiek uitgewerkt is, is een aantal generieke aspecten toegevoegd. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de groenblauwe mantel, bevat een beschrijving van de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Blijkens de bij het Landschapskader behorende kaart is het landschap te typeren als ‘droge heideontginning’. De droge heideontginningen zijn de jongste ontginningen op zandgronden en vormen het grootste oppervlak landbouwgronden. de droge heideontginningen worden gekenmerkt door het vlakke landschap met her en der een lichte welving met een regelmatige blokverkaveling.
De bebouwing bestaat overwegend uit losse boerderijen die her en der een lint vormen. Door de voornamelijk grootschalige landbouwkundige inrichting is de natuurwaarde vaak beperkt. Binnen de linten is enige mate van verdichting mogelijk, waarbij zorgvuldig omgegaan moet worden met het zicht naar de achterliggende landbouwgronden. Onderhavig initiatief voorziet in een functionele wijziging van drie woningen aan de Brentjes in Koningslust. De bestaande bebouwing blijft daarbij zoveel mogelijk behouden. Binnen de droge heideontginningen is verdichting mogelijk mits wordt omgegaan met het zicht. Gesteld kan worden dat de beoogde ontwikkelingen de landschapskarakteristiek van de droge heideontginning niet aantasten. Wonen, werken en recreëren In de Omgevingsverordening is opgenomen dat de motivering bij een plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. Sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. Over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg.
De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. Het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. Realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Onderhavig initiatief voorziet in het saneren van een agrarische bedrijfslocatie en op een functiewijziging van drie reeds bestaande woningen. Onderhavig initiatief is hierboven getoetst aan het rijksbeleid en het provinciaal beleid en wordt hieronder getoetst aan het gemeentelijk beleid. Uit de toetsing blijkt dat de beoogde ontwikkelingen passend is. Afweging Het initiatief is passend binnen de Omgevingsverordening 2021.
17
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1 Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 Op 10 juli 2018 is de Beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 in werking getreden. In dit beleid is vastgelegd dat geen medewerking wordt verleend aan de bouw van nieuwe woningen op locaties waar dit juridisch-planologisch niet is geregeld en waarbij sprake is van een toename van het aantal woningen ten opzichte van de woningbouwaantallen in de Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. De gemeente Peel en Maas maakt een gelimiteerde uitzondering voor: 1. Zogenaamde win-win situaties; 2. Woningbouwinitiatieven die een belangrijke maatschappelijke meerwaarde hebben en een bijdrage leveren aan het behoud/versterken van vitale gemeenschappen; 3. Verzoeken die passen binnen de Ruimte voor Ruimteregeling; 4. Tijdelijke woonconcepten voor de duur van maximaal 10 jaar, tot uiterlijk 2030, voor de huisvesting van woonurgente doelgroepen; 5. Woningsplitsing binnen het buitengebied met als doel behoud en versterking van cultuurhistorische waarden; 6. Positieve principebesluiten en/of privaatrechtelijke afspraken. Onderhavige ontwikkeling voorziet enerzijds in een functiewijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning en anderzijds in het planologisch toevoegen van een woning op de locatie waar momenteel sprake is van een mantelzorgwoning.
De beleidsregel woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018 is daarom voor onderhavig initiatief niet van toepassing. 4.3.2 Omgevingsvisie Peel en Maas De gemeente Peel en Maas heeft op 5 juli 2022 de Omgevingsvisie Peel en Maas vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft een visie over de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen voor de gehele gemeente. De visie gaat over de woon- en leefomgeving en de mensen die daarin samenleven, werken, ondernemen en verblijven. De omgevingsvisie blijft een dynamisch document. Op dit moment is de eerste versie van de omgevingsvisie opgesteld, met het bestaande beleid als uitgangspunt. De komende jaren werkt de gemeente verder waar dat nodig is en evalueert of aanpassing nodig of wenselijk is. De gehele gemeente is opgedeeld in deelgebieden met ieder hun eigen waarden en kenmerken. Aanvullend aan deze waarden hanteert de gemeente een aantal overkoepelende waarden die niet gebiedsafhankelijk zijn. Dit zijn de waarden die de basis vormen; zelfsturing, diversiteit en duurzaamheid. Conform de waardenkaart is het projectgebied gelegen in een gebied aangeduid als ‘kleinschalig half open ontginningslandschap’. Het kleinschalig half open ontginningslandschap kenmerkt zich door afwisselend weiden, akkers, bos en heideterreintjes met daar doorheen (onverharde) paden.
Het versterken van de waarden kan gezocht worden in onder andere: • het versterken van de (cultuur)historische elementen en identiteit; • het werken aan architectonische en stedenbouwkundige samenhang in de verdichte gebieden; • het zorgen voor contrast tussen verdichte en open stukken; • Behoud en maken van doorzichten vanuit linten naar akkercomplexen; In de Omgevingsvisie wordt geen nieuwe koers vastgelegd. De reeds ingezette koers uit de kaderstellingen en de beleidsdocumenten wordt samen in één document gevoegd. Dit alles is samengebracht in 6 opgaven van beleid, waarvan de eerste 3 overkoepelend zijn: 1. Zo worden we duurzamer; Het realiseren van een duurzame toekomstig bestendige gemeente, duurzaamheid wordt opgesplitst in de deelonderwerpen: klimaatadaptie, energietransitie en circulariteit.
18
2.
3.
4.
5.
6.
Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling en bij nieuwe initiatieven dient gekeken te worden naar de mogelijke adaptieve maatregelen op het gebied van onder andere hittestress of wateroverlast. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het (lokaal) opwekken van duurzame energie en het inzetten op circulariteit. Een gezonde en veilige leefomgeving; De gemeente zet in op gezondheid en veiligheid als belangrijke afwegingsfactoren bij ruimtelijke plannen. Het gaat hierbij om aspecten zoals luchtkwaliteit, hittestress, gezondheid maar ook het stimuleren van de bewoners tot meer bewegen en ontmoeten. Het versterken van natuur en biodiversiteit; Een groene en gezonde leefomgeving draagt bij aan een positieve gezondheid en het goede leven. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen gerealiseerd te worden met een meerwaarde voor de natuur en de biodiversiteit, waarbij natuurinclusief bouwen de norm is. Goed wonen voor iedereen; De gemeente zet in op het in balans brengen van de vraag en het aanbod van woningen ten behoeve van vitale gemeenschappen. De juiste woning op de juiste plek en met de juiste kwaliteit. De gemeente blijft in gesprek met het dorpsoverleg, initiatiefnemers en ontwikkelaars over het thema wonen. Het doel is een leefomgeving te creëren die rekening houdt met het veranderde klimaat en daarnaast bijdraagt aan de gezondheid, biodiversiteit en veiligheid van de inwoners.
Woningen worden in principe toegevoegd in de kernen, bij voorkeur op herstructureringslocaties, alsmede het faciliteren van passende woonruimte voor diverse doelgroepen. Toekomstgericht ondernemen; Uitgangspunt is ondersteunen in de transitie naar een circulaire, waarden gedreven economie en kenniscirculatie. Een toekomstbestendige economie zorgt voor welvaart en draagt bij het goede leven in Peel en Maas. Gemeente faciliteert lokale bedrijven, die geworteld zijn in de samenleving, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, het MKB en recreatie en toerisme. Daarnaast wordt ingezet op herstructurering boven uitbreiding en het hergebruik van leegstaand agrarisch vastgoed voor recreatie/toerisme en bedrijvigheid. Balans in het buitengebied. Een van de belangrijkste economische dragers van het buitengebied is de land- en tuinbouw binnen Peel en Maas. De gemeente stimuleert het faciliteren van kringloop- en natuurinclusieve landbouw dat leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Het doorontwikkelingen van grootschalige agrarische bedrijvigheid is toegestaan in gebieden waar dit passend in op basis van een gebiedsgerichte aanpak, uitbreiding gaat gepaard met een tegenprestatie. Ook wordt gestimuleerd op hergebruik c.q.
herbestemming van leegstaand/leegkomend agrarisch vastgoed onder voorwaarde dat er sprake is van kwaliteitswinst in de vorm van een bijdrage aan de doelen/speerpunten. Via de win-win regeling zijn er ook beperkte mogelijkheden voor de inzet van woningbouw om leegstand tegen te gaan. Bij hergebruik c.q. herbestemming is de sloop van overtollige gebouwen een belangrijk uitgangspunt.
De opgaven dienen in samenhang van elkaar gezien te worden, waarbij met name de eerste drie overkoepelende opgaven als leidende principes gelden. Bij elke ontwikkeling dient bekeken te worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaves geleverd kan worden. Afweging In de omgevingsvisie komt naar voren dat de gemeente Peel en Maas zich inzet om een balans te vinden tussen de vraag en aanbod van woningen en dat zij graag een balans in het buitengebied willen. Het voornemen bestaat om een agrarische bedrijfslocatie te saneren en de twee aanwezige bedrijfswoningen om te zetten naar burgerwoningen. De voormalige bedrijfsbebouwing c.q. bijgebouwen blijven daarbij volledig behouden. Daarnaast heeft het initiatief betrekking op het omzetten van een mantelzorgwoning naar een reguliere woning. Het initiatief draagt bij aan de behoefte van de bewoners van de desbetreffende woningen. Daarnaast zijn in de omgeving diverse woningen gelegen waardoor het gebruiken van de woningen als burgerwoningen geen belemmering vormt voor de omliggende functies. Het initiatief sluit zodoende aan bij opgave 2, ‘Een gezonde en veilige leefomgeving’, 4 ‘Goed wonen voor iedereen’ en opgave 6 ‘Balans in het buitengebied’ zoals vastgesteld in de Omgevingsvisie Peel en Maas.
19
4.3.3 Kwaliteitskader De omgevingsvisie blijft een dynamisch document. Op dit moment is de eerste versie van de omgevingsvisie opgesteld, met het bestaande beleid als uitgangspunt. Momenteel is de gemeente bezig met de twee versie Omgevingsvisie, hierin zal de kwaliteitsbijdrage zoals nu vastlegt in het Kwaliteitskader ook een plaats krijgen. Tot op dat moment is het kwaliteitskader nog van toepassing. Het kwaliteitskader is de gemeentelijke vertaling van het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM). Het kwaliteitskader biedt een houvast voor ontwikkelingsgericht beleid in het buitengebied. Ontwikkelingen in het buitengebied worden als kans gezien voor zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Het doel van het kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbetering. Bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding van het bouwvlak tot de referentiemaat in een agrarisch gebied zonder waarden, is Basiskwaliteit van toepassing.
Ook bij functiewijziging van een gebouw zoals de vestiging van een kleinschalige logeerinrichting of huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestaande bebouwing is er sprake van Basiskwaliteit. Basiskwaliteit wil zeggen dat de nieuwe bebouwing of functie goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt. Ook bestaand groen mag voor deze landschappelijke inpassing worden gebruikt. Afweging Voor alle locaties is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij invulling gegeven is aan de gevraagde kwaliteitsbijdragen c.q. minimale oppervlakte te realiseren groen. Voor een nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar paragraaf 5.12.3. Derhalve wordt er voldaan aan de eisen uit het Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas. 4.3.4 Kaderstelling ‘Ruimte en Economie’ De gemeenteraad van Peel en Maas heeft in de raadsvergadering van 17 april 2024 de zogenoemde kaderstellingen Ruimte, Sociaal Domein, Vitale Gemeenschappen en Economie vastgesteld. Met deze kaderstellingen bepaalt de gemeenteraad de koers die Peel en Maas de komende jaren wil varen op deze thema’s. De gemeente Peel en Maas is een gemeente van gemeenschappen.