CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-024 05 Toelichting TAMOP Pius Park vastgesteld

Commissie 1 april 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen ‘TAM-IMRO Omgevingsplan Pius Park Panningen’ (2025-024)19.040 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

1 Milieutechnisch onderzoek, BKK Bodemadvies, (kenmerk: 220444.BKK)

18

Omgevingswet. De aangetoonde verontreinigingen vormen echter geen belemmering voor het vaststellen van het omgevingsplan.

5.3

Bedrijven en milieuzoneringen

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Met ingang van de Omgevingswet worden het ruimtelijke en fysieke spoor verder geïntegreerd. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In het licht van de Omgevingswet is deze indicatieve bedrijvenlijst niet meer geschikt. De lokale praktijk vraagt om maatwerk en een lokale afweging. Derhalve is in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet’. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De Lijst van bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten, aan de hand van de SBI-codes (2008). Deze lijst is geactualiseerd in de publicatie ten behoeve van het functiemenging en het mogelijk maken van maatwerk.

Daarnaast zijn de toetsbare aspecten geur en geluid (gevaar en stof komen te vervallen). Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de omgeving van het Piuspark liggen geen functies die van invloed zijn op het Piuspark, wel worden er enkele nieuwe functies mogelijk gemaakt die een impact op de omgeving kunnen hebben, zoals het skatepark en de padelbanen. Gezien de huidige situatie van het Pius Park waarin reeds diverse functies en voorzieningen samenkomen en de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van grote impact op de omgeving. Er is sprake overwegend sprake van een opwaardering van de reeds aanwezige openbare ruimte. Voor wat betreft de nieuwe functies, deze zijn niet opgenomen in de VNG handreiking. De eventuele hinder vanuit deze functies heeft betrekking op het aspect geluid.

Deze aspecten worden nader toegelicht in paragraaf 5.4 Geluid.

5.4

Geluid

Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Het Bkl bevat geluidsregels die zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied rekening met het belang van het beschermen van gezondheid en

19

milieu. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op een geluidgevoelig object gelegen binnen het aandachtsgebied van een geluidbronsoort. Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, dan is het geluid in ieder geval aanvaardbaar (hoofdregel Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar toelaten. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluid boven de grenswaarde is, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan. De eisen uit het Bkl zijn van toepassing op het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Artikel 5.78r van het Bkl stelt dat de eisen niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen voor zover die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan. Geluid door activiteiten Artikel 5.1.4.2 kent een splitsing tussen geluid door activiteiten en geluid door specifieke activiteiten, dit artikel is dan ook van toepassing op alle denkbare activiteiten, met uitzondering van geluid van woonactiviteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. Het staat echter de gemeenteraad vrij om hier geluidwaarden aan te stellen.

Wegverkeerslawaai Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) bevat de geluidsgegevens van heel Nederland. Aan de hand van de CVGG kan worden afgelezen of een bepaalde locatie binnen een geluidsaandachtsgebied is gelegen. Momenteel is de CVGG nog niet volledig en ontbreken er nog gegevens. Op grond van het overgangsrecht (art. 17.5 Or) geldt in dat geval aan weerszijde van de weg een geluidsaandachtsgebied op basis van richtafstanden. Beschrijving

Aandachtsgebied

Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid van ≤ 30 km/u

100 meter

Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid > 30 km/u, of;

200 meter

Een spoorweg bestaand uit 1 of 2 sporen Een weg bestaande uit 3 of meer rijstroken, of;

350 meter

Een spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen

Akoestisch onderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is akoestisch onderzoek2 uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het beoordelen van de geluidsemissie van de bestaande en beoogde activiteiten van het Pius Park, waarmee beoordeeld kan worden wat het te verwachten akoestisch woon- en leefklimaat in de omgeving is. In het onderzoek is de geluidsbelasting berekend op basis van de maximaal representatieve bedrijfssituatie, aangevuld met (akoestische) ervaringscijfers. Conclusie Op basis van het uitgevoerde akoestische onderzoek kan concluderend gesteld worden dat het gecumuleerde langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen in de directe omgeving van het Pius Park bedraagt ten hoogste 55 dB(A) in de dag- en 55 dB(A) avondperiode. De hoogste geluidniveaus worden berekend ter plaatse van de woningen Aan de Wietel 30-32 en 34-36. Het stemgeluid vanwege de activiteiten op het beach terrein (beoogd op circa 20 meter van deze woningen) is hierbij veruit maatgevend. De openbare weg waaraan deze woningen zijn gelegen wordt alleen door plaatselijk bestemmingsverkeer gebruikt. Aangezien het daarbij naar verwachting slechts gaat om enkele tientallen voertuigen per etmaal, zal het geluid vanwege wegverkeer geen relevante bijdrage aan de geluidemissie vanwege het Pius Park hebben.

Cumulatie met wegverkeer is om die reden dan ook niet aan de orde. 2 Akoestisch onderzoek, Kragten

20

Het hoogste maximale geluidniveau wordt berekend ter plaatse van de woningen Aan de Wietel 30-32 en 34-36. Deze geluidimmissie is toe te schrijven aan het gebruik van de scheidsrechterfluit op het beach terrein. Bij het voorgaande dient te worden opgemerkt dat deze niveaus in belangrijke mate worden bepaald door het menselijk stemgeluid en maximale geluidniveaus vanwege sportactiviteiten. Uitgaande van de gevelgeluidwering van de meest relevante woningen Aan de Wietel, zal, op basis van de berekende gecumuleerde geluidimmissies, inpandig een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Dit geldt voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) als het maximaal geluidniveau (LAmax ). Volgens de Bruidsschat worden deze bepalende geluidniveaus – conform het vroegere Activiteitenbesluit – niet getoetst aan de geluidnormering. Zonder deze geluidsoorten voldoet de geluidimmissie (LAr,LT en LAmax ) ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen (woningen en school) vanzelfsprekend ook aan de geluidnormering aangaande het binnen niveau uit de Bruidsschat. Ten aanzien van de in het stappenplan, als genoemd in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’, zal echter in zowel stap 3 (langtijdsgemiddelde) als in stap 4 (maximaal geluidsniveau) een afweging gemaakt moeten worden waarom de berekende geluidsniveaus in het Pius Park als aanvaardbaar beoordeeld worden.

Bij de afweging of de berekende geluidsniveaus aanvaardbaar zijn moet worden opgemerkt dat de berekende niveaus uitgaan van een worst-case berekening. Hierbij is rekenkundig uitgegaan van (semi-) professionele geluidsniveaus (al dan niet in wedstrijdverband), die in de situatie van het Pius Park bij sport en spel op amateurniveau en/of ongeorganiseerd niet (vaak) voor zullen komen. In praktijk is de verwachting dat de werkelijke geluidsniveaus lager zullen uitpakken dan berekend. Desondanks wordt geoordeeld dat het belang van het realiseren van het Pius Park zwaarwegend is, waardoor ook de berekende geluidsniveaus als aanvaardbaar worden geacht. Het Pius Park draagt namelijk op veel verschillende manieren bij aan de doelstellingen van de gemeente Peel en Maas. Met het opwaarderen en vergroenen van het plangebied wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt. De ingrepen die in het Pius Park gedaan worden staan in het teken van gemeenschapsvorming en (mentale en fysieke) gezondheid. Het uitgangspunt is om een plek te creëren die uitnodigt voor bewegen en ontmoeten, wat bijdraagt aan een gezond leven en klimaatadaptief is. Gemeente staat een openbare ruimte voor die voor iedereen is, veilig en toegankelijk is en uitnodigt om te ontmoeten en te bewegen.

Daarnaast draagt de herontwikkeling ook sterk bij aan de doelstellingen en kaderstellende uitspraken van de gemeentelijke kaderstelling Vitale Gemeenschappen. Het zelfsturende karakter van deze gebiedsontwikkeling, waarbij de verschillende verenigingen de handen ineen gestoken hebben draagt mooi bij aan de doelstelling van de gemeente om gemeenschappen hun eigen ambities te laten ontwikkelen. Er wordt een campusachtige omgeving gecreëerd waar onderwijs en sport zich mengen in een uitnodigende omgeving. De inrichting van het Pius Park draagt bij aan een goede, gezonde en stimulerende fysieke leeromgeving voor het voorgezet onderwijs ter plaatse. In het Pius Park worden nieuwe vormen van sport gestimuleerd en is ruimte voor minder bekende vormen van sporten en bewegen. Dit draagt bij aan de diversiteit van de gemeenschap, die vervolgens ook zelf “eigenaar” wordt van de omgeving. De gemeente zet in het op het verbinden, behouden en versterken van functies en kwaliteiten. Het Pius Park is hier een goed voorbeeld van, de huidige voorzieningen worden behouden en versterkt waar nodig met nieuwe activiteiten. In het park staat ontmoeten en bewegen centraal en komen onderwijs, cultuur, de wijk en sport samen in een groene, klimaatadaptieve omgeving.

Concluderend kan gesteld worden dat de ontwikkeling van het Pius Park bijdraagt aan een veelvoud van opgaven, programma’s en doelen van de gemeente. Het gebied wordt opgewaardeerd en de openbare ruimte krijgt een grote kwaliteitsimpuls. De berekende (worst-case) geluidsniveaus worden aanvaardbaar geacht in het licht van de grotere gebiedsontwikkeling die een meerwaarde voor de gemeente biedt.

5.5

Luchtkwaliteit

Het gebruik van de fysieke leefomgeving kan ongewenste bijwerkingen met zich meebrengen op het gebied van luchtkwaliteit. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen 21

in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Hier worden de grenswaarden beschreven voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het toestaan van de activiteit: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 10,3 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,8 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 13,8 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Het Besluit NIBM Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) aan de concentratie van een bepaalde stof.

Voor deze activiteiten is dan ook geen toetsing noodzakelijk De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (artikel 5.53 en 5.54 Bkl) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is in NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is niet tot nauwelijks sprake van een toename van verkeersbewegingen. De huidige voorzieningen blijven behouden en ongewijzigd, er worden slechts enkele (kleinschalige) nieuwe functies gerealiseerd. Deze dragen niet bij aan een significante toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast wordt in het kader van de ontwikkeling juist autoverkeer beperkt tot een minimum. Conclusie

22

Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen conform Ow en Bkl en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.

5.6

Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Rijksregels zouden zorgen voor het relatief vaak moeten vaststellen van maatwerkvoorschriften. Daarom is uitgangspunt dat geurhinder vooral in decentrale instrumenten zoals in het omgevingsplan wordt geborgd. Artikel 5.92 Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Artikel 5.91 geeft aan dat geurgevoelige gebouwen in ieder geval gebouwen met een woon-, onderwijs-, of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang betreffen.

Ondanks dat geur vooral een lokaal aspect is, is het voorkomen of beperken van geurhinder één van de oogmerken van de rijksregels artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over het verplicht binnen uitvoeren van activiteiten en beperkingen van emissies naar lucht die indirect ook een positief effect hebben op geuremmissies. De regels over geur in paragraaf 5.1.4.6 zijn een voortzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en voor zover het gaat om de geurregels voor het houden van landbouwhuisdieren zijn deze regels ook een voortzetting van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurregels beogen eenzelfde beschermingsniveau te bieden en voorzien in een beleidsneutrale omzetting. Gemeenten leggen in het omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijke omgevingsplan dan gelden, indien van toepassing de gemeentelijke geurverordening, of op grond van artikel 22.1 en 22.2 Ow de geurregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat en maken deze deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege.

Veehouderijen Conform artikel 5.109 Bkl geldt dat geur op een geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied, niet meer mag bedragen dan 3,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouderij 3,0 Ou/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste van 50 meter (gevel stal) en 100 meter (emissiepunt stal). Conclusie In de nabijheid van het Piuspark zijn geen veehouderijen gelegen, de dichtstbijzijnde veehouderij ligt op een afstand van 800 meter het plangebied. In het kader van onderhavige ontwikkeling worden er geen nieuwe geurgevoelige objecten opgericht.. Daarnaast voorziet het Piuspark ook niet in activiteiten welke geur uitstoten op omliggende geurgevoelige objecten. Derhalve vormt het aspect geur geen belemmering in het kader van de ontwikkeling.

23

5.7

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid, ofwel omgevingsveiligheid. Regels omtrent externe veiligheid zijn gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico die op een locatie is toegestaan. In het Bkl (bijlage VII) is een lijst opgenomen met activiteiten die aangewezen zijn als risicobron. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels omtrent het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; ▪ Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ▪ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen; ▪ Windturbines. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico (GR) Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

24

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen een beschermingszone van mogelijke omliggende risicovolle activiteiten. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.8

Trillingen

Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name (spoor)wegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. De voorgenomen herontwikkeling zorgt eveneens niet voor een toename van trillingen op de omliggende woningen. Derhalve vormt het aspect trillingen geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Water

Bij het realiseren van nieuwe bebouwing en/of het toestaan van nieuwe activiteiten kan er sprake zijn van wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen in het Bkl. Artikel 5.37 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen.

5.9.1

Waterbeleid Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);

25

▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de provinciale omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de Provinciale Omgevingsvisie Limburg gelden er voor de projectlocatie geen waterkundige waarden.

5.9.2

Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie)

Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het projectgebied aangeduid als hoge zwarte enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand. In het plangebied ligt het maaiveld op circa NAP +34,80 m in het westen en NAP +34,02 m in het noordoosten. Uit het infiltratieonderzoek blijkt dat de waterdoorlatendheid van de bodem op circa 0,9 m-mv tot 1,0 m-mv in het gebied kan variëren van 0,85 tot 5,14 m/dag. Dit is beoordeeld als voldoende goed tot zeer goed. De gemiddelde hoogste grondwaterstand is NAP +30,2. Dit is 3,8 – 4,6 m onder maaiveld. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2021. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Ook in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig. Afvalwater Niet aan de orde in het kader van onderhavige ontwikkeling.

5.9.3

Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) De gemeente Peel en Maas streeft naar het afkoppelen van hemelwater. Het hemelwater afkomstig van de nieuwe bebouwing dient dan ook op eigen terrein te worden opgevangen. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een wateropgave3 opgesteld. Om te voorkomen dat de beoogde ontwikkeling leidt tot wateroverlast, is het noodzakelijk om de waterberging in het park aan de passen conform de eisen van de gemeente. In de wateropgave wordt het plangebied opgedeeld in 3 delen, te weten: centraal, zuid en oost. In totaal komt de toename aan (afstromend) verhard oppervlakte neer op: 3 Wateropgave, Kragten (d.d. 12 november 2024)

26

▪ Centraal: 5.983 m² ▪ Zuid: 6.724 m²; ▪ Oost: 545 m² Totale toename verhard oppervlakte: 13.252 m² Voor een toename aan verhard oppervlakte dient 100 mm te worden gebufferd en voor bestaande verharding 50 mm. Dit komt neer op een bergingsopgaven van: ▪ Centraal: 526 m³; ▪ Zuid: 499 m³; ▪ Oost: 55 m³. Totale bergingsopgave: 1.080 m³. Voorzieningen Verdeeld over het plangebied worden diverse voorzieningen gerealiseerd ten behoeve van waterinfiltratie: ▪ Waterbergende fundering (zuid): 315 m³; ▪ Wadi 1-2 (centraal) 193 m³; ▪ Wadi 3 (centraal-zuid) 405 m³; ▪ Wadi 4 (oost) 395 m³. Daarnaast wordt een regenwaterstructuur aangelegd. De gebieden centraal en zuid worden met elkaar verbonden door middel van een infiltratiesysteem. Ledigingstijd De waterbergende voorzieningen dienen na afloop weer voldoende snel beschikbaar te zijn voor de volgende regenbui. De gemeente stelt dat een waterbergende voorzieningen binnen 72 uur weer volledig beschikbaar moet zijn. De beoogde wadi’s voldoen ruimschoots aan deze ledigingstijd. Conclusie en oplossingsrichtingen Voor wat betreft de waterberging in het oostelijke deelgebied, hier wordt ruimschoots aan voldaan. Voor de gebieden centraal en zuid geldt een gezamenlijk tekort van 112 m³ aan berging. Er zijn verschillende opties om dit tekort te minimaliseren. Er kan bij de verdere uitwerking worden gekozen om de wadi’s dieper te maken.

Hier zit immers een leemlaag die doorbroken moet worden. Daarnaast is er nog restcapaciteit in de watergang langs de Raadhuisstraat. Dit wordt in de uitvoeringsfase nader bepaald.

5.10 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen worden middels een planologische beschermingszone vastgelegd. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Conclusie Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.11 Natuur De Europese natuurwetgeving was in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. De Wnb gaat in het kader van de

27

Omgevingswet op in het Aanvullingsbesluit natuur en Aanvullingsregeling Natuur. Deze overgang is beleidsneutraal, de thans geldende normenkaders, instrumenten en bevoegdheidsverdeling blijven dan ook ongewijzigd.

5.11.1 Flora en fauna Om het voorkomen van mogelijk beschermde flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de herontwikkeling en de daarmee gepaard gaande werkzaamheden hierop te onderzoeken is een quickscan flora & fauna4 uitgevoerd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan concluderend gesteld worden dat floristisch gezien geen bijzonderheden aangetroffen zijn. Het terrein is grotendeels verhard middels wegen en parkeerplaatsen. Faunistisch gezien is gecontroleerd op de aanwezigheid van bewoonde vogelnesten en vleermuizen. Beiden zijn niet fysiek aangetroffen. Raadzaam is zoveel mogelijk bomen en struiken te laten staan en indien gekapt moet worden dit te doen buiten het broedseizoen of na zg. schouw. Het aspect flora en fauna vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. Naast het feit dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn heeft de gemeente Peel en Maas de ambitie om de biodiversiteit te versterken en te ondersteunen door een inrichting en beheer van het gebied die de biodiversiteit bevordert. Concrete maatregelen zijn o.a.

het behouden en inpassen van waardevolle bomenstructuren en individuele bomen, het toepassen van laagfrequent (maai-) beheer op locaties waar dat qua gebruiksfuncties mogelijk is (zoals in en rondom de wadi’s) en het realiseren van natuur inclusieve maatregelen in de (bestaande) bebouwing zoals het plaatsen van nestelmogelijkheden voor vogels en vleermuizen, zo mogelijk gelijktijdig met het verduurzamen/ isoleren van gebouwen.

4 Quickscan flora & fauna, IVN Helden (d.d. 27 november 2023)

28

5.11.2 Natura2000 Sommige projecten hebben mogelijk significant negatieve gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Voor die projecten moet eerst een passende beoordeling plaatsvinden (artikel 16.53c, Ow). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In artikel 8.76b zijn de boordelingsregels omtrent Natura2000-activiteiten opgenomen. Regels omtrent stikstofdepositie zijn geregeld in artikel 22.20 Ow. Hierin staat vermeld dat de regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven geleden tot bij een koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is, mits uitgesloten kan worden dat een project geen merkbaar c.q. negatief effect heeft voor wat betreft de stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura2000-gebieden.

Een mogelijk negatief effect komt voort door verzuring en/of vermesting, van het initiatief, op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOX of NH3 ), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Stikstofdepositie kan plaatsvinden, afhankelijk van het beoogde project, gedurende de (ver)bouw-/aanlegfase, sloopfase en gebruiksfase. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Deurnsche & Mariapeel, ligt op circa 7,5 km van het plangebied. Over een afstand van 7,5 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. In het kader van onderhavige ontwikkeling zijn de aanleg- en gebruiksfase van belang. Gebruiksfase Onderhavig initiatief voorziet in een herinrichting van de openbare ruimte. Derhalve vindt de uitstoot vanuit de locatie uitsluitend plaats door verkeer van en naar de locatie. In feite veranderd de verkeersgeneratie niet tot nauwelijks. De bestaande activiteiten, zoals tennis e.d. blijven behouden. Er zal gerekend worden met het aantal parkeerplaatsen (304) dat in de toekomstige situatie aanwezig is, waarbij ieder voertuig 2 verkeersbewegingen veroorzaakt (heen- en terug).

Dit betreft echter een worst-case scenario daar het aannemelijk is dat het merendeel van de bezoekers met de fiets of te voet het plangebied aan zal doen. Het park is volledig autovrij, uitgezonderd hulpdiensten, leveranciers en mindervaliden) derhalve zal gerekend worden vanaf de beoogde parkeervoorzieningen. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden. Aanlegfase Ook tijdens de aanlegfase is er sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de locatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp etc.). Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van kengetallen en de gegevens van de architect. Uitgaande van een worst-case scenario zijn zowel fase 1 als 2 tezamen berekend. De werkzaamheden worden uitgevoerd door machines, voorzien van AdBlue (7%) om het stikstofdioxide (NOx) uitstoot te verlagen.

29

Belasting (%)

Liters diesel per uur*

Liters per jaar

Diesel Diesel Diesel Diesel

100 200 70 75

50 50 60 40

20 24 12,85 28,5

1920 4320 2313 2736

134 302 161 191

Draaiuren

Vermogen (kW)

2015 2014 2014 2014

AdBlue

Brandstof

Mobiele hijskraan Wiellader Graafmachine Wals

Bouwjaar

Werktuig

96 180 180 96

Ten tijde van de bouw vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Daarnaast kunnen ook nog overige bezoekers naar de locatie komen. Er is uitgegaan van 10 bedrijfsbusjes per etmaal. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het aan- en afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 4 vrachtwagens aanwezig zijn. Gezien de ligging van het plangebied is het aannemelijk dat verkeer dat gedurende de bouwfase de locatie aan doet, de locatie uitsluitend in zuidelijke richting verlaat. De aanlegfase leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief. Conclusie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofberekening uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Op basis van de uitgevoerde berekeningen kan concluderend gesteld worden dat er in zowel de realisatie als in de gebruiksfase geen sprake is van een relevante bijdrage aan de stikstofdepositie op de omliggende Natura2000-gebieden.

5.11.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden. Conclusie Het plangebied is niet gelegen op gronden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het culture erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving.

30

Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen.

5.12.1 Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling een archeologisch adviesdocument5 opgesteld voor dit plan. In verband met de hoge archeologische verwachting binnen grote delen van het plangebied is geadviseerd om een archeologisch verkennend booronderzoek6 te laten uitvoeren binnen enkele zones van het plangebied. De aangewezen zones betreffen de delen van het plangebied waar vanwege de voorgenomen inrichtingswerkzaamheden bodemingrepen dieper kunnen reiken dan 40 cm beneden maaiveld. Op basis van de resultaten van het archeologisch booronderzoek wordt in een adviesmemo7 opgesteld met een vervolgadvies gegeven voor het aspect archeologie. Het advies luidt: Op basis van de bovengenoemde gegevens wordt geadviseerd om in het westelijke en oostelijke deel van het plangebied een archeologische dubbelbestemming op te nemen, met per deelgebied eigen diepte-ondergrens onderzoeksplicht vertaald in de planregels: ▪ In het westelijke deel van het plangebied wordt geadviseerd om een diepte-ondergrens onderzoeksplicht op te nemen van 50 cm beneden maaiveld.

▪ In het oostelijke deel van het plangebied wordt geadviseerd om een diepte-ondergrens op te nemen van 90 cm beneden maaiveld. Een archeologisch onderzoek is verplicht indien in deze plangebieden dieper wordt gegraven dan de genoemde buffers. Wordt niet dieper gegraven dan de buffers, dan kan worden ingestemd met de werkzaamheden zonder nader archeologisch onderzoek. Het centrale deel van het plangebied kan worden vrijgegeven voor het aspect archeologie. De zones met een lage archeologische verwachting op de gemeentelijke archeologische beleidskaart kunnen worden gehandhaafd. In deze zones kan de dubbelbestemming komen te vervallen.

5.12.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen omtrent het beschermen en behouden van cultureel erfgoed. Deze gaan over: ▪ Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; ▪ Verplaatsing van beschermde monumenten; ▪ Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; ▪ Aantasting van de omgeving van een beschermd document; ▪ Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; ▪ Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

5 Archeologische adviesdocument, Kragten-ArchAeO (d.d. 20 maart 2024) 6 Archeologische booronderzoek, RAAP (kenmerk: PAPIU) 7 Adviesmemo Archeologie, Kragten-ArchAeO (d.d. 1 november 2024

31

De gemeente Limburg heeft de cultuurhistorisch waardevolle objecten opgenomen in de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’. Het is van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op omliggende of nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle objecten. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart zijn een nabij het plangebied geen waardevolle objecten gelegen. Het aspect cultuurhistorisch vormt dan ook geen belemmering in het kader onderhavige ontwikkeling.

5.13 Verkeer en parkeren Het realiseren of toevoegen van functies zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen. Er dient daarom te worden aangetoond dat met het initiatief de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

5.13.1 Verkeer In het kader van de voorgenomen ontwikkeling wordt de verkeerssituatie in het park gewijzigd. Er is gekozen voor een inrichting waarbij de aandacht voor de fietsen en voetganger centraal staat en de auto te gast is. Ter hoogte van het hart van het park, bij de sporthal en het Bouwens van der Boije college is een knip voorzien. Doel van deze knip is dat autoverkeer via de entree aan de Raadhuisstraat het gebied binnen komt, via de ‘hoofdentree’. Op die manier wordt het hart van het gebied autovrij en hierdoor een prettige omgeving om te verblijven, te sporten en te ontmoeten. Ook wordt de woonomgeving van het Piushof en het zorgcomplex minder belast met autoverkeer waardoor ook hier het leefklimaat versterkt wordt. De hoofdentree is voorzien aan de zuidzijde van het plangebied, hier is ook de centrale parkeervoorziening beoogd. Met uitzondering van speciaal vervoer, kan de rest van het park middels voet- of fiets bereikt worden over een van de vele groene paden door het park. Daarnaast wordt in het kader van de voorgenomen ontwikkeling een gedeelte van de thans aanwezige wegen te onttrekken van de openbaarheid. Hiervoor is een separaat onderzoek8 uitgevoerd, daarnaast is deze weg bij wijze van proef reeds enkele maanden afgesloten.

De resultaten van deze verkeersproef zijn aanleiding geweest voor het genomen raadsbesluit van 21 november 2023 om de onttrekking van de wegen goed te keuren en te koppelen aan de herontwikkeling van het Pius Park. Ten aanzien van het aspect verkeer is het in onderhavige wijziging van het omgevingsplan relevant dat enkele wegen aan de openbaarheid worden onttrokken en dat de ontsluitingsroute van het Pius Park wordt gewijzigd. Ten aanzien van de nieuw toe te voegen functies zoals het skatepark en de padelbanen kan geoordeeld worden dat het aantal verkeersbewegingen weliswaar zullen toenemen, maar dat dit geen significante stijging zal zijn. Het verkeersonderzoek heeft aangetoond dat de voorgenomen herontwikkeling nauwelijks tot geen negatieve effecten op de omgeving zal hebben. Het aspect verkeer is derhalve goed onderbouwd en vormt geen belemmering voor de herontwikkeling.

5.13.2 Parkeren In het kader van de ontwikkeling wordt autoverkeer in het park geweerd, gemotoriseerd verkeer zal aan de zuidzijde van het park parkeren op centrale parkeergelegenheden. Daarnaast zullen er bij de voorzieningen enkele gehandicaptenparkeerplaatsen gerealiseerd worden ten behoeve van speciaal vervoer. Ook zijn er verdeeld over het park op verschillende plekken fietsparkeerplaatsen aanwezig.

8 Verkeersonderzoek, Exante (Kenmerk: 120189.001)

32

In de huidige situatie zijn er in totaal 283 parkeerplaatsen in het plangebied aanwezig. Dit wordt als ruim voldoende ervaren, waarbij enkel bij grootschalige evenementen of bijvoorbeeld een ouderavond op de middelbare school het gevoel heerst dat het zoeken is naar een parkeerplaats. In de nieuwe situatie worden er in totaal 304 parkeerplaatsen gerealiseerd (excl. de 4 aanwezige vrachtwagenparkeerplaatsen nabij de moskee, incl. de minder- valide parkeerplaatsen). Deze zijn op enkele minder- valide (MIVA) parkeerplaatsen na gealloceerd aan de zuidzijde van het plangebied, ontsloten via de Raadhuisstraat en de Grootveldweg. Vanuit de noordelijk gelegen straten Piushof, Aan de Wietel en de 8 Oktoberstraat wordt het plangebied niet voor auto’s ontsloten. In de parkeeronderbouwing9 is een overzichtstekening opgenomen van het aantal parkeerplaatsen en de zonering van de parkeerplaatsen gegeven. Parkeernota In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een analyse gemaakt van het benodigde aantal parkeerplaatsen, op basis van het Parapluplan Parkeernota Peel en Maas. Hierin zijn o.a. ten behoeve van de functienaam enkele aannames gemaakt die het beste aansluiten bij de aard van de activiteit. Op basis van de parkeernota geldt, op basis van een worst-case scenario, een parkeerbehoefte van 385,1 parkeerplaatsen.

De aanwezige (en beoogde) parkeerplaatsen worden door meerdere functies gebruikt, derhalve is er sprake van dubbelgebruik. De parkeernota biedt de mogelijkheid om maatwerk te verrichten op basis van dubbelgebruik. De parkeerbehoefte op basis van dubbelgebruik bedraagt 307 parkeerplaatsen op zaterdagmiddag (bijlage parkeeronderbouwing). Feitelijk gebruik Naast de theoretische benadering is het ook van belang te kijken welke parkeerbehoefte/ gebruik er feitelijk aanwezig is in het gebied. In samenwerking met de Pius Park Partners is een analyse gemaakt van de feitelijke parkeerbehoefte op normale momenten, als bij evenementen. Hieruit blijkt dat er (bijna) nooit meer dan 185 parkeerplaatsen nodig zijn, uitzondering hierop is bij een mogelijk event op een zaterdag. De behoefte komt dan uit op 420, echter is bij de inventarisatie niet gekeken naar dubbelgebruik van de locaties. De twee functies die voor deze parkeerbehoefte bepalend zijn zitten gevestigd in hetzelfde pand, waardoor slechts één van de twee partijen een event kan houden. Derhalve kan de behoefte met 150 verminderd worden en bedraagt de maximale behoefte (bij een event op zaterdag) 270 parkeerplaatsen. Dit is dus gebaseerd op de eigen inventarisatie van de partners. Daarnaast wordt de berekening op basis van de parkeernota niet geheel betrouwbaar geacht.

In de kolom parkeereis (bijlage parkeeronderbouwing, onderdeel parkeernota) zijn enkele waardes groen en rood gearceerd, die ofwel (te) laag (groen) ofwel (te) hoog (rood) worden ingeschat op basis van het te verwachten gebruik als de analyse van de partners zelf. Conclusie In de huidige situatie telt het Piuspark 283 parkeerplaatsen. in de toekomstige situatie zijn 304 parkeerplaatsen voorzien. De vrachtwagenparkeerplaats (4 plaatsen) blijft ongewijzigd. Op basis van de parkeernota is er theoretisch gezien sprake van een tekort van drie parkeerplaatsen, enkel op de zaterdagmiddag. De parkeereis die voortvloeit uit de parkeernota lijkt op sommige punten echter onbetrouwbaar, zeker als de feitelijke situatie in ogenschouw wordt genomen die voortkomt uit een analyse van de partners van het Pius Park zelf. Op basis van deze eigen analyse wordt geoordeeld dat er sprake is van een ruim overschot aan parkeerplaatsen, waarbij enkel in geval van een groot evenement op een zaterdag(middag) de parkeerbezetting circa 80% kan zijn. Daarnaast blijkt ook uit het uitgevoerde verkeersonderzoek (zie bijlage) door dat er in de huidige situatie nooit problemen waren rondom de parkeersituatie. Het behoeft ook de aandacht te vermelden dat het Piuspark volledig autovrij is, en 9 Parkeeronderbouwing (d.d. november 2024)

33

uitsluitend middels voet- of fiets bereikbaar. Het is dan ook aannemelijk dat het aandeel van de bezoekers wat met de fiets of te voet komt zal stijgen ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op bovenstaande is het dan goed te onderbouwen dat de te realiseren 304 parkeerplaatsen ruimschoots voorzien in de parkeerbehoefte van het Pius Park.

5.14 Duurzaamheid en gezondheid Conform artikel 1.3 sub a Ow is het bereiken en in stand houden van een veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Het gaat daarbij om het beschermen van de gezondheid maar ook het bevorderen van de gezondheid (sport, beweging, positieve gezondheid). Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het beoordelingskader kan dus per gemeente sterk verschillen. De gemeente kan het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezond in het omgevingsplan vastleggen in de vorm van omgevingswaarden. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. De gemeente Peel en Maas beschikt over een duurzaamheidsagenda ‘Peel en Maas Beleef samen Duurzaamheid, 2020’. Gemeente Peel en Maas werkt aan een duurzame samenleving. Een gemeente waar mensen graag, gezond, veilig en prettig kunnen wonen, werken, verblijven en recreëren. Niet alleen nu, maar ook in de toekomst. In de duurzaamheidsagenda ligt de focus in eerste instantie op energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptie.

Planspecifiek Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen ten aanzien van klimaatadapatie. Het vergroenen van de omgeving (en scholen) en het verminderen van verstening draagt bij aan het tegengaan van hittestress. Ook wordt in het kader van onderhavige ontwikkeling waardevol groen behouden en wordt de biodiversiteit waar mogelijk versterkt.

5.14.1 Duurzaamheid In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Artikel 2.1 Ow geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd.

Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

34

In onderhavige motivering wordt onderbouwd waarom er in het kader van onderhavige ontwikkeling sprake is van een goede fysieke leefomgeving en daarmee een duurzame ontwikkeling.

5.14.2 Gezondheid Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Daarnaast is gemotiveerd dat het Pius Park een gebiedsontwikkeling is die gericht is op het stimuleren van een veilige en gezonde leefomgeving. Bewoners en bezoekers worden gestimuleerd om te bewegen, te leren, te ontmoeten en te ontspannen. Ondanks dat dit niet meetbaar is kan gesteld wordt dat het Pius Park een fysieke leefomgeving creëert die positief bijdraagt aan gezondheid. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd.

35

6 UITVOERBAARHEID 6.1

Financieel - economische uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid Met deze plantoelichting is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan, in de vorm van een TAM-omgevingsplan, een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en de toegedachte functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan in het verlengde daarvan aangenomen worden dat realisatie economisch uitvoerbaar is. Daarbij heeft de raad bij besluit van 6 juni 2023 krediet beschikbaar gesteld voor de uitvoeringsfase van het Pius Park. Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna "een aangewezen bouwactiviteit"). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte dan wel, of in combinatie met, een anterieure overeenkomst, cofinanciering, subsidies, gemeentelijk krediet de kosten die het vanwege artikel 8.15 Ob maakt anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Ob.

Nadeelcompensatie In artikel 8.15 Ob worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie. Voor de gemeente Peel & Maas is dit uitgewerkt in de Verordening nadeelcompensatie Peel & Maas 2024.

6.2

Juridische aspecten

6.2.1

Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn alle bestemmingsplannen opgegaan in één gemeentelijk ‘Omgevingsplan van rechtswege’ oftewel het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het omgevingsplan bestaat verder uit de Bruidsschat en een aantal gemeentelijke verordeningen. De Bruisschat betreft een aantal regels die van het rijk zijn overgegaan naar de gemeente. Deze regels zijn geland in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente. Het gaat onder andere om regels over bouwwerken en over milieubelastende activiteiten. Het omgevingsplan van rechtswege kan door de gemeente gewijzigd worden. De voorliggende wijziging beperkt zicht tot een locatiegericht deel van het omgevingsplan.

6.2.2

Wijziging omgevingsplan van rechtswege Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bestaat uit drie delen. In het eerste deel wordt gemotiveerd om welke redenen het omgevingsplan wordt gewijzigd. De voorliggende motivering betreft het eerste deel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=730de6b9-8ff5-44b2-b259-fd62cd4bf18c