CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-016 03 Motivering

Raad 18 maart 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan Giel Peetershof fase 2a (2025-016)33.007 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

52

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

Contourberekeningen op 7,5 meter hoogte, geluidbelasting t.g.v. provinciale weg

De Jacobusstraat en Gielenhofweg De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de gemeentelijke wegen overschrijdt de standaardwaarde van 53 dB op geen van de geprojecteerde woningen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

53

Contourberekeningen op 7,5 meter hoogte, geluidbelasting t.g.v. gemeente wegen Gezamenlijk geluid Het gezamenlijk geluid dient te worden bepaald indien er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron met een geluidbelasting boven de standaardwaarde. De gemeentewegen leiden niet tot een overschrijding van de standaardwaarde. In onderhavige situatie is dit niet aan de orde waardoor dit niet beschouwd is. Daarmee is in dit geval het niet nodig om het gezamenlijke geluid en gecumuleerde geluid te berekenen. De provinciale weg valt nog onder de Wgh, waardoor deze dus ook op een andere manier beoordeeld en getoetst dient te worden. De karakteristieke geluidwering van de gevels dient dan ook bepaald te worden; zijnde de hogere waarde zonder aftrek van Art. 110 Wgh minus 33 dB binnenniveau. Dit komt erop neer dat, als de geluidbelasting op de woningen meer dan 53 dB (excl aftrek art 110g wgh) bedraagt, aanvullende eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de gevels. Deze geluidscontouren is buiten het plangebied gelegen dat voor woningbouw is gereserveerd, oftewel voor de woningen binnen het plangebied zijn geen aanvullende eisen benodigd voor de geluidwering van de gevels. Omdat de contour wel het projectgebied deels overlapt, is hiervoor een extra toetsingsvoorschrift opgenomen in dit plan.

Karakteristieke geluidwering van de gevel De maximaal benodigde geluidwering van de gevel (GA;k), bedraagt volgens het Bouwbesluit 2012 de geluidbelasting exclusief aftrek Artikel 110g minus 33 dB met een minimum van 20 dB. Het is aannemelijk dat een gevel van een nieuwbouwwoning een grotere geluidwering heeft dan de minimale 20 dB uit het Bouwbesluit. Derhalve is ter waarborging van een binnenniveau van 33 dB een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet nodig.

54

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

4.4.4 Conclusie Om een aanvaardbaar binnenniveau te borgen, zijn geluidcontouren opgenomen op de verbeelding met de aanduiding 'geluidzone - weg'. Deze contouren werken door in de regels onder 6.6 Beoordelingsregels gebruik. Op basis van het bovenstaande vormt het aspect 'Geluid' geen belemmering voor het voornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Bedrijven en milieuzonering

Om aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, toetsen wij in onderstaande paragraaf de Bedrijven- en milieuzonering via de oude methode op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en mileuzonering' (2009). 4.5.1 Beleid Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met geluid en geur door industrieterreinen en bedrijfslocaties. Daarbij kan het rapport 'Milieuzonering nieuwe stijl' van de VNG gehanteerd worden alsook de staalkaart voor bedrijfsmatige activiteiten. Bij de milieuzonering nieuwe stijl wordt per bedrijfsmatige activiteit een gebruiksruimte opgenomen, die wordt begrensd door concrete milieunormen op een standaard afstand van de activiteit. Toepassing van dit toedelingsprincipe leidt tot milieunormen die niet primair worden gesteld vanuit het belang van de bescherming van het milieu, maar vanuit een ruimtelijk belang, om te komen tot een goede ruimtelijke ordening c.q. een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Er wordt gewerkt met een milieuzonering aan de hand van een gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen. Deze ruimtelijke milieunormen bestaan náást de normen in het milieuspoor.

Het reguleren van gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor de milieuzonering. De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf op grond van het Omgevingsplan mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening/veilige en gezonde fysieke leefomgeving, is het uitgangspunt: functiescheiding en het aanhouden van voldoende afstand tot gevoelige gebouwen en locaties. De nieuwe systematiek limiteert de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Hiermee krijgt ieder bedrijf zijn eigen gebruiksruimte. Dit kan per zone zijn vastgelegd, of bij bedrijven buiten een bedrijventerrein, specifiek per bedrijf. 4.5.2 Toepassing In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang, dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen, ter plaatse van de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast dient er rekening gehouden te worden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van mogelijk aanwezige bedrijven. Onder de Omgevingswet wordt een bepaalde mate van gebruiksruimte per bedrijf toegestaan. Deze gebruiksruimte is in de regels van het Omgevingsplan opgenomen.

In het Omgevingsplan van de gemeente Peel en Maas zijn nog geen zoneringen in de vorm van interactieve kaarten opgenomen. Om aan te tonen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, wordt in onderstaande paragraaf getoetst aan de Bedrijven- en milieuzonering via de oude methode op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009).

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

55

4.5.3 Toetsing Om het effect van mogelijke bedrijven te beoordelen is er onderzocht of de locatie binnen een zone van een bedrijf is gelegen of andersom of de ontwikkeling leidt tot een zone over een gevoelige locatie. Voor het project aan de Gielenhofweg is onderzocht of er voldaan wordt aan de richtafstanden van de VNG-brochure en aanwezige bedrijven mogelijk worden beperkt door de ontwikkeling. Langs de Gielenhofweg is een trafostation gesitueerd. De meest nabij gelegen woningen zullen op circa 30 meter van dit trafostation gerealiseerd worden. Voor elektriciteitsdistributiebedrijven, met een transformatorvermogen onder de 10 MVA, geldt op basis van de VNG een richtafstand van 30 meter. De richtafstand van 30 meter tot aan het trafostation wordt hiermee aangehouden. Voor de overige niet-agrarisch verwante bedrijven wordt ook voldaan aan de richtafstanden. De dichtstbijzijnde niet-agrarisch verwante bedrijfsfunctie is gelegen op minimaal 400 meter ten zuidoosten. Dit betreft een nutsvoorziening in de vorm van het Hoogspanningsstation Helden. Op meer dan 450 meter ten oosten van het projectgebied is een niet-agrarisch verwant bedrijf gelegen. Dit betreft een bedrijf dat gespecialiseerd is in aanhangwagens. Rondom de projectlocatie zijn verder alleen agrarisch(-verwante) bedrijven gelegen.

In zuidwestelijke richting van het plangebied is aan de Jacobusstraat 42 een intensieve veehouderij gelegen die gericht is op het houden van varkens. Op deze locatie worden op basis van I-Go veehouderijen circa 1343 zeugen, 4 beren, 355 opfokzeugen gehouden. Deze locatie is gelegen op minder dan 200 meter van het plangebied. Voor dit bedrijf is er sprake van een geurcontour. Het aspect 'Geur' wordt behandeld in paragraaf 4.7 Geur. 4.5.4

Conclusie

In eerste instantie vormt de intensieve veehouderijlocatie wel een mogelijke belemmering. De situatie moet daarom middels geurberekeningen worden gemotiveerd. Dit wordt in 4.7 Geur uitgewerkt. Op basis van het bovenstaande kan echter wel worden geconcludeerd dat in de directe omgeving van het plangebied géén niet-agrarische bedrijven voorkomen met een hindercontour die een overlap kennen met het projectgebied. Op basis hiervan vormt het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' op basis van niet-agrarische bedrijven geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1 Inleiding Bij een evenwichtige toebedeling van functies in het Omgevingsplan dient ook rekening gehouden te worden met het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belangrijk om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. De voorliggende wijziging van het Omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van deze wijziging van het Omgevingsplan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het Omgevingsplan beoordeeld. De beoordeling hiervan is uitgevoerd aan de hand van de instructieregels vermeld in paragraaf 5.1.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bkl). De resultaten hiervan zijn navolgend beschreven.

56

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

4.6.2 Toepassing In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is. In het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM1 0). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Hiervoor kan het ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft. 4.6.3

Toetsing

4.6.3.1 Aandachtsgebieden NO2 en PM10 en aandachtsbiedenPM10 De aandachtsgebieden NO2 en PM1 0 en de aandachtsgebieden PM1 0 staan in artikel 5.51, lid 2 & 3 van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. De aandachtsgebieden PM1 0 worden elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast naar de actuele inzichten over de luchtkwaliteit.

Beoordeling De projectlocatie is gelegen in de gemeente Peel en Maas. Deze gemeente is niet opgenomen in de lijst met aandachtsgebieden die opgenomen is het in Bkl en valt niet onder de agglomoratie. De wijziging van het Omgevingsplan maakt geen negatieve activiteiten mogelijk en zorgt bovendien niet voor een verhoging van de concentratie fijnstof (en stikstofdioxide) in de aandachtsgebieden. 4.6.3.2 Milieubelastende activiteiten Voor enkele activiteiten moet de overheid de luchtkwaliteit altijd beoordelen (artikel 5.50 Bkl). Dus binnen én buiten de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende situaties: bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. bij het toelaten in omgevingsplan: 1. de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter 2. een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt 3. de aanleg van een autoweg of een autosnelweg Toetsing De eindsituatie van het project bestaat uit de toevoeging van 34 nieuwe woningen aan de woonwijk Giel Peetershof. Bij de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van milieubelastende activiteiten waarbij een verplichte beoordeling van de luchtkwaliteit aan de orde is.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

57

4.6.3.3 Niet in betekende mate (NIBM) Tenslotte is de mate van de verhoogde concentratie van belang. Toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit (stikstofdioxide en PM1 0) is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit wordt ook 'niet in betekende mate' (NIBM) genoemd. Er is sprake van NIBM wanneer de concentratie stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM1 0) niet hoger is dan 1,2 µg/m3 . Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Of een activiteit zorgt voor een concentratieverhoging van NIBM wordt bepaald met de NIBM-toets. Daarnaast zijn er een aantal categorieën bepaalt voor standaardgevallen waarbij NIBM kan worden aangenomen. Deze standaardgevallen betreffen onder andere kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Deze zijn terug te vinden in artikel 5.54 van het Bkl. De beoogde activiteit betreft de realisatie van woningen en valt dus onder de standaardgevallen. Woonwijken zijn NIBM als het gaat om maximaal: 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg 3.000 woningen bij 2 of meer ontsluitingswegen Beoordeling In de eindsituatie van dit project is sprake van 34 woningen met een uitrit op de openbare weg. De beoogde activiteit betreft de realisatie van 34 woningen en kan dus geclassificeerd worden als de standaardgevallen.

De ontwikkeling blijft ruim onder de grens van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg, waardoor de NIBM-regeling van toepassing is. Het project draagt op basis hiervan niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. 4.6.3.4 Verantwoording In de ruimtelijke motivering wordt omschreven waarom er geen onderzoek nodig is naar de luchtkwaliteit. De gemeente Peel en Maas maakt geen onderdeel uit van de bovenstaande aandachtsgebieden. Daarnaast omvat het voornemen geen activiteiten zoals hierboven genoemd. Het beoogde aantal van circa 49 woningen in de tijdelijke situatie kan qua omvang als niet in betekende mate worden omschreven. Het aantal woningen in de eindsituatie zal 34 woningen bedragen. Een onderzoek naar de luchtkwaliteit is hierdoor niet aan de orde.

NIBM Onderhavig project kan beoordeeld als NIBM, aangezien het plan betrekking heeft op de bouw van een beperkt aantal nieuwe woningen. Het plan voldoet hiermee aan de in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gestelde luchtkwaliteitsnormen en heeft geen nadelig effect op de huidige luchtkwaliteit. Hiermee is er voldoende invulling gegeven aan de motiveringsplicht volgens de instructieregels volgens het Bkl. Er is om deze reden sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.6.4 Conclusie Gezien het feit dat het een kleine ontwikkeling betreft, waarbij in de tijdelijke situatie 49 woningen en in de eindsituatie maar 34 woningen worden gerealiseerd, wordt er niet in betekenende mate bijgedragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling vormt.

58

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

4.7

Geur

4.7.1 Wettelijk kader Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geurveroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving'). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. De gemeenten moet in het Omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw 'aanvaardbaar' moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen Omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Daarbij dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. In het Bkl is opgenomen welke geurgevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen en ziekenhuizen, altijd geurgevoelig zijn. Een gemeentelijk omgevingsplan kan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder een geurgevoelig gebouw wordt onder de Omgevingswet ook verstaan een gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning mag worden gerealiseerd. 4.7.2 Toetsing Geur Bij voorliggend plan is sprake van realisatie van nieuwe geurgevoelige gebouwen in de vorm van woningen. Uitgangspunt van de beoordeling is dat de nieuw te bouwen woningen onderdeel uitmaken van de (toekomstige) bebouwde kom, dus gelegen zijn binnen de bebouwingscontour geur zoals omschreven is in het Bkl. Met voorliggend plan worden géén nieuwe milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Bij de toetsing van de geurbelasting wordt een onderscheid gemaakt tussen voor- en achtergrondbelasting.

De voorgrondbelasting is de geurbelasting veroorzaakt door één veehouderij. Bij de vergunningverlening van veehouderijen wordt getoetst op de hoogte van de voorgrondbelasting en/of de afstand tussen een stal waar dieren worden gehuisvest en de gevel van een geurgevoelig gebouw. De achtergrondbelasting bestaat uit de geurbelasting van alle veehouderijen samen op een geurgevoelig gebouw en wordt gebruikt als belangrijke maat om de effecten van geurhinder uit stallen op het woon- en leefklimaat te kunnen beoordelen, zoals in dit omgevingsplan. 4.7.2.1 Aanwezige agrarische geurhinder Voor de locatie is middels I-GO Veehouderijen bepaald welke veehouderijen er in de nabij omgeving zijn gelegen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

59

Ligging veehouderijen in de nabije omgeving Op basis van de kaart blijkt dat de meest dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan de Jacobusstraat 42. Op deze locatie worden circa 1343 zeugen, 4 beren, 355 opfokzeugen gehouden. De locatie aan de Jacobusstraat 42 wordt gevolgd door de locatie aan de Roggelseweg 89. Op deze locatie is er sprake van een paardenhouderij met circa 42 dieren. Gezien de afstand van meer dan 250 meter en de vaste afstand die voor een paardenhouderij is opgenomen in het Bkl (100 meter tussen stal en geurgevoelig gebouw binnen bebouwingscontour) wordt er ruimschoots voldaan aan deze afstand en is deze paardenhouderij niet relevant voor dit omgevingsplan. De eerstvolgende intensieve veehouderij betreft de locatie aan de Roggelseweg 112, waar circa 740 vleesvarkens worden gehouden. Deze locatie ligt op een afstand van meer dan 800 meter. Op ruim een kilometer afstand van de projectlocatie zijn aan de Roggelseweg 117 en 121 nog twee paardenhouderijen gelegen.

60

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

4.7.2.2 Beoordeling geurbelasting Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet is er voor voorliggend project reeds een geuronderzoek uitgevoerd in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en goede ruimtelijke ordening. Regels omtrent geur uit stallen van veehouderijen waren vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit en zijn bij de introductie van de Omgevingswet meegenomen in de bruidsschat. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente een tijdelijk omgevingsplan met regels die eerst in de rijksregels stonden. Regels uit een gemeentelijke geurverordening (Wgv) zijn bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het tijdelijk deel van het gemeentelijk omgevingsplan. Net zoals onder de Wgv het geval was, biedt het Bkl gemeenten de mogelijkheid afwijkende geurnormen en andere afstanden vast te stellen, waarbij gemeenten de instructieregels uit het Bkl moeten volgen. Vanwege het feit dat de regels en normen van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn overgenomen in het Bkl, is ervoor gekozen om de bestaande rapportage op hoofdlijnen te handhaven. De inwerkintreding van de Omgevingswet vormt geen aanleiding voor een andere beoordeling van de onderzoeksresultaten.

4.7.2.2.1 Regelgeving Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente een omgevingsplan met regels die eerst in de rijksregels stonden. Dit heet de bruidsschat. Hierin staan voor de gemeente Peel en Maas ook de geurregels voor veehouderijen vanuit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) opgenomen. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Bkl is de standaardnorm voor een geurgevoelig object in de vorm van een woning binnen de bebouwde kom (c.q. bebouwingscontour geur) van een gemeente in een concentratiegebied vastgesteld op 3 ouE/m³ (odourunits per m³) en de standaardnorm voor een geurgevoelig object in de vorm van een burgerwoning buiten de bebouwde kom van een gemeente in een concentratiegebied is vastgesteld op 14 ouE/m³. Verordening op grond van de Wet geurhinder en veehouderij voor Egchel en Giel Peetershof Op 1 oktober 2015 heeft de gemeente Peel en Maas op grond van de Wet geurhinder en veehouderij voor Egchel en Giel Peetershof een geurverordening vastgesteld. Op basis van deze verordening geldt dat binnen daartoe aangewezen gebieden een andere waarde van toepassing is dan de bovengenoemde waarden in het Omgevingsplan, zoals overgenomen in artikel 3, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij. Het betreft de volgende gebieden binnen de gemeente Peel en Maas: 1. 2.

Bufferzone: 5,5 ouE/m³ (zowel binnen als buiten de bebouwde kom); Giel Peetershof: 3,0 ouE/m³ (zowel binnen als buiten de bebouwde kom).

Op basis van de geurverordening geldt dat voor het gehele gebied van het Giel Peetershof, een voorgrondnorm van 3,0 ouE/m³ van toepassing is.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

61

Kaart Geurverordening Giel Peetershof omcirkeld De gemeente Peel en Maas hanteert de 'Considerans mer-beoordeling' van de RUD bij de beoordeling van het leefklimaat in relatie tot geur. Deze sluit aan bij de systematiek in de geurgebiedsvisie bij de gemeentelijke geurverordening van 2015 voor Egchel en Giel Peetershof. Om een oordeel te kunnen geven over de aanvaardbaarheid van de achtergrondbelasting van geur wordt gebruik gemaakt van de Handreiking Wgv en de daarin opgenomen relatie tussen de geurbelasting en de milieukwaliteit, zoals hierna beschreven. Voor de kern Egchel is in een Raadsbesluit vastgelegd dat bij de beoogde gebiedsontwikkeling in het LOG de leefbaarheid in het dorp Egchel voorop staat en dat het woon- en leefklimaat minimaal gelijk moet blijven (peildatum is 22 december 2008). Concreet betekent dit een milieukwaliteit van 'redelijk goed' uitgaande van de milieukwaliteitscriteria van de Handreiking Wgv: een maximale achtergrondbelasting van 13,1 Ou en een maximale voorgrondbelasting van 6,5 Ou. Deze waarden t.b.v. de beoordeling van het woon- en leefklimaat wijken af van de waarden die gehanteerd worden in de vergunningverlening van veehouderijen.

4.7.2.2.2 Toetsing geurcontour veehouderij Ten tijden van bestemmingsplanprocedure ten behoeve van het Giel Peetershof is een onderzoek naar achteren voorgrondbelasting van de aanwezige intensieve veehouderij aan de Jacobusstraat 42 uitgevoerd. Ten behoeve van de realisatie van Giel Peetershof fase 2 is door Pouderoyen Tonnaer een aanvullend geuronderzoek (rapportnummer J230091.003.R1; d.d. 10 september 2024; Bijlage 10) uitgevoerd. De bevindingen uit dit onderzoek zijn hieronder weergegeven.

62

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

Nadere toelichting De ligging van het plangebied en de veehouderijen in de omgeving is weergeven in figuur 2 (aan de hand van het milieuarchief is een check gedaan naar de actuele situatie per 13 oktober 2023). Giel Peetershof fase 2 sluit aan bij de bestaande bebouwde kom van Egchel en voor het gebied is in 2015 een geurnorm vastgesteld van 3 ou (voorgrondbelasting) middels een geurverordening. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere grote varkenshouderijen aanwezig, waarbij het bedrijf op Jacobusstraat 42 in directe nabijheid van het plangebied ligt. De overige varkenshouderijen liggen op grotere afstand (± 1km of meer). Al deze bedrijven dragen bij een de achtergrondbelasting m.b.t. geur. De overige bedrijven zijn bedrijven met dieren waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld en leveren geen bijdrage aan de geurbelasting. Aan de minimale vaste afstanden die voor deze veehouderijen gelden, wordt ruimschoots voldaan. De achtergrondbelasting geur is berekend met Vstacks-gebied 2020. Daarbij zijn de veehouderijen binnen 3 km van het plangebied meegenomen in de berekening. Voor de belangrijkste bronnen zijn gegevens gebruikt op stal-/emissiepuntniveau (indien voorhanden), voor verder weg gelegen bronnen zijn gegevens op bedrijfsniveau gebruikt.

De voorgrondbelasting geur is berekend met Vstacks-vergunning 2020, de contouren middels interpolatie van het rekenresultaat. Het leefklimaat is beoordeeld op basis van bijlage 6 en 7 van de Handreiking Wet geurhinder en veehouderij, voor objecten in concentratiegebieden, zoals weergegeven in onderstaande tabel.

Figuur: Beoordeling leefklimaat t.a.v. geurhinder

Beoordeling leefklimaat Toets achtergrondbelasting De achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder en de beoordeling leefklimaat is weergegeven op onderstaande kaarten. De achtergrondbelasting op het plangebied loopt uiteen van 5,8 ou in het oostelijke deel tot 12,2 ou in het westelijke deel van het plangebied. Daarbij hoort een beoordeling leefklimaat van “goed” in het oostelijke deel van het plangebied en “redelijk goed” in het westelijk deel. De kans op geurhinder loopt uiteen van ca 8% tot ca 14%.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

63

Beoordeling leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder

64

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

Beoordeling leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder Bij een gefaseerde ontwikkeling is het oostelijk deel van het plangebied vanuit het aspect achtergrond geurbelasting het meest geschikt. Hoewel de achtergrondbelasting geur met name in het westelijk deel aan de hoge kant is, kan deze op grond van de beoordeling die de gemeente tot op heden hanteert, als acceptabel beschouwd worden. Het plan is voor dit aspect dus uitvoerbaar. Worst-case benadering Op De Horsten 20 en 17 en op de Rongvenweg 14 is uitbreiding van de betreffende twee varkenshouderijen voorzien. Deze varkenshouderijen mogen alleen uitbreiden onder de voorwaarde dat het leefklimaat in de bestaande woonkern Egchel niet verslechtert. Hierdoor kan de achtergrondbelasting van geur op de planlocatie maar beperkt toenemen. Hoewel de beoogde uitbreidingen van beide varkenshouderijen nog niet vergund zijn, kunnen deze ontwikkelingen in een worstcase situatie resulteren in een toename van de achtergrondbelasting van geur op de planlocatie.

Op onderstaande kaart is de worstcase (indicatieve) achtergrondbelasting van geur weergegeven, waarbij voor Rongvenweg 14 de aanvraag om een omgevingsvergunning is aangehouden (situatie oktober 2023) en voor De Horsten 20 en 17 is het totale ontwikkelplan dat het kaderstellende ontwerp-bestemmingsplan mogelijk maakt aangehouden (op basis van actuele geurregels kan het ontwikkelplan op De Horsten 20 en 17 niet volledig gerealiseerd worden, waardoor de berekende indicatieve achtergrondbelasting als worstcase beschouwd moet worden). In deze worst-case berekening is geen rekening gehouden met de verplaatsing/beëindiging van de varkenshouderij aan de Jacobusstraat 42, terwijl het ontwikkelplan voor De Horsten 20 en 17 daar juist voor bedoeld is. Hoewel er dan sprake is van een toename van de achtergrondbelasting (0,6 – 0,8 ou) is er in deze worst-case benadering in het oostelijk deel nog steeds sprake van een als “goed” beoordeeld leefklimaat en in het westelijk deel van “redelijk goed”. Wel schuift de grens iets op in oostelijke richting. De mogelijke ontwikkelingen hebben daarmee weinig effect op de eerdere conclusie t.a.v. de aanvaardbaarheid van de achtergrondbelasting.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

65

Beoordeling leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder; situatie met aanvragen De Horsten 20 en Rongvenweg 14

Toets voorgrondbelasting Het plangebied ligt deels binnen de geurcontour (3 ouE/m³) van de veehouderij aan de Jacobusstraat 42. De 3 ouE/m³ contour van dit bedrijf loopt ongeveer tot halverwege het plangebied fase 2a en 2b. De betreffende contouren zijn weergegeven in onderstaande figuur. De achtergrondbelasting is de cumulatieve geurbelasting veroorzaakt door de bedrijven in de omgeving te samen. De bijdrage van één individueel bedrijf, de voorgrondbelasting, wordt volgens de bijlage 6 en 7 van de Wgv als twee keer zo hinderlijk beoordeeld als de achtergrondbelasting (zie tabel 1). Zoals blijkt uit de bevindingen hierboven wordt de grootste bijdrage aan de achtergrondbelasting geleverd door het bedrijf aan de Jacobusstraat 42. In onderstaande figuren is voorgrondbelasting weergegeven zoals die wordt veroorzaakt door Jacobusstraat 42. De voorgrondbelasting op het plangebied loopt uiteen van 1,7 tot 8 ouE/m³. Daarbij hoort volgens bijlage 6 en 7 van de Wgv een beoordeling “goed” of “redelijk goed“ en in de uiterste westelijke punt “matig”. Voor verreweg het grootste deel van het plangebied is de voorgrondbelasting lager dan 6,5 Ou (minimaal een redelijk goed woon- en leefmilieu). Voor het deel van het plangebied dat nabij de varkenshouderij aan de Jacobusstraat 42 is gelegen is de voorgrond geurbelasting hoger.

Maar in dat deel worden er geen woningen mogelijk gemaakt met dit omgevingsplan. Het plan is voor dit aspect dus uitvoerbaar.

Beoordeling leefklimaat op basis van de voorgrondbelasting ten aanzien van geurhinder

66

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

Beoordeling leefklimaat op basis van de voorgrondbelasting ten aanzien van geurhinder

Toets omgekeerde werking Op onderstaande kaart zijn de 3 ouE/m³ contouren weergegeven van de veehouderijen in de omgeving van het plangebied. De contouren zijn indicatief berekend op basis van één emissiepunt per bedrijf. Zoals aangegeven is er sprake van “omgekeerde werking” indien bestaande rechten van veehouderijen beperkt worden door de ontwikkelingen. Dit vertaalt zich in het recht van een veehouderij om het hele bouwblok te mogen benutten voor het emitteren van geur, het recht om met de emissiepunten te schuiven. Indien dit recht wordt beperkt door de ontwikkelingen kan er sprake zijn van omgekeerde werking. Zoals te zien op het kaartje zijn er twee bedrijven waarvan de contouren in de buurt komen van het plangebied dan wel daarmee overlappen. De 3 ouE/m³ contour van Rongvenweg 15 komt in de buurt van het plangebied maar ligt nu al tegen de bestaande objecten kern Egchel aan. Dat betekent dat de eerste belemmering altijd de bestaande kern Egchel zal zijn en dat de ontwikkeling in het plangebied geen extra belemmering oplevert. Dit zou overigens ook gelden voor de andere varkenshouderijen in het zuidwesten. De 3 ouE/m³ contour van Jacobusstraat 42 overlapt met het plangebied en deze situatie vraagt om een nadere analyse.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

67

Indicatieve geurhindercontouren 3 ouE/m³ Op onderstaande kaart is de 3 ouE/m³ en de 14 ouE/m³ geurhindercontour van Jacobusstraat 42 weergegeven. De 3 ou overlapt met bestaande objecten in de kern van Egchel en met het plangebied. Een toename van de geuremissies is daarmee uitgesloten aangezien er nu al sprake is van overbelaste situaties. Ook het verschuiven van emissiepunten is niet zo maar mogelijk. Uitbreiding in dieren kan alleen plaatsvinden indien de geurbelasting afneemt. Dan mag 50% van de reductie in geuremissie door maatregelen gebruikt worden voor uitbreiding in dieren.

68

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

Geurhindercontouren Jacobusstraat 42 Indien de situatie bereikt zou zijn dat er geen sprake meer is van overbelasting op bestaande voor geurhinder gevoelige objecten maar wel op nieuw te realiseren objecten in Giel Peetershof fase 2, zou er sprake kunnen zijn van een belemmering door de ontwikkelingen in het kader van de “omgekeerde werking”. Deze situatie is overigens vooral een theoretische; de voorgrondbelasting op het meest relevante object, Linskesweg 33, bedraagt 5,9 ou. Om niet langer belemmerd te worden door bestaande voor geurhinder gevoelige objecten zou de geurbelasting op dat object gehalveerd moeten worden. Met de huidige stalsystemen en gezien het feit dat een groot deel van de veestapel al gehuisvest is op een gecombineerde luchtwasser met een lage geuremissiefactor is een dergelijke reductie in de praktijk niet mogelijk zonder reductie in dieraantallen. Op onderstaande kaart is de situatie nader geanalyseerd. Naast de bestaande geurhindercontouren is een contour berekend op basis van het dichtst bij de Giel Peetershof gelegen hoekpunt van het te benutten deel van het bouwblok van Jacobusstraat 42. Daarbij is uitgegaan van default stalparameters en één emissiepunt (het hoekpunt). De donkerrode stippellijn geeft de contour weer.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

69

Geurhindercontouren analyse Jacobusstraat 42 In theorie zou de ontwikkeling Giel Peetershof een probleem kunnen opleveren als de situatie bereikt is dat er geen sprake meer is van overbelasting op bestaande voor geurhinder gevoelige objecten. Die situatie is weergegeven door de groene contour. Het rood gearceerde deel van het plangebied zou dan een belemmering voor de veehouderij Jacobusstraat 42 kunnen betekenen met betrekking tot het niet meer kunnen schuiven van emissiepunten en daarmee met betrekking tot de omgekeerde werking. Zoals gemeld is de geurbelasting op bestaande objecten op dit moment al dusdanig veel hoger dan de voorgrondnorm, dat dit voornamelijk een theoretisch-juridische beperking betreft. Desondanks is er in dit omgevingsplan voor gekozen om in het rood gearceerde deel van het plangebied de realisatie van woningen (geurgevoelige gebouwen) niet mogelijk te maken. Hiermee worden bestaande rechten van de varkenshouderij gerespecteerd en is het omgevingsplan uitvoerbaar. Conclusies Voor wat betreft geurhinder is er m.b.t. zowel de achtergrond- als de voorgrondbelasting sprake van een als “redelijk goed” tot “goed” beoordeelde situatie. De gemeente beschouwt dit als aanvaardbaar. Het oostelijk deel van het plangebied is v.w.b. de geurbelasting en het woon- en leefmilieu het meest geschikt.

Dit is het gebied waar in dit omgevingsplan woningbouwontwikkeling is voorzien. In het westelijk deel van het plangebied wordt in dit omgevingsplan geen mogelijkheid opgenomen voor de realisatie van geurgevoelige gebouwen omdat er rekening wordt gehouden met de bestaande rechten van de varkenshouderij gelegen aan de Jacobusstraat 42. 4.7.2.2.3 Projectie op het ontwerp In het stedenbouwkundig plan is rekening gehouden met de geurlijn welke is ingetekend aan de hand van het geuronderzoek m.b.t. de omgekeerde werking . De hierboven vastgestelde contour in het kader van de toets op de omgekeerde werking is hieronder als paarse lijn geprojecteerd op het ontwerp ten behoeve van het Giel Peetershof fase 2a.

70

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

Ontwerp inclusief geurcontour 4.7.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande vormt het aspect 'Geur' geen belemmering van het planvoornemen en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze conclusie is echter nog niet overeenkomstig met het tot nu toe uitgevoerde beoordelingskader. Hiervoor wordt een beleid opgesteld zoals eerder vermeld. Voordat voorliggende omgevingsplan definitief kan worden vastgesteld, moet er beleid zijn vastgesteld over de beoordeling van aanvaardbaar woon-leefklimaat voor geur.

4.8

Omgevingsveiligheid (Externe Veiligheid)

4.8.1 Inleiding Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de “feitelijke” risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren. Ten behoeve van deze afwijking van het Omgevingsplan zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze afwijking van het Omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

71

mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening. 4.8.2

Toetsing

4.8.2.1 De plaatsgebonden risicocontour Het plaatsgebonden risico betreft de kans per jaar dat iemand, die continu en onbeschermd op een plek verblijft, overlijdt als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Daarvoor geldt (nog steeds) een grenswaarde van 10-6, ofwel een kans van maximaal 1 op één miljoen. Deze grenswaarde dient volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in het Omgevingsplan in acht te worden genomen voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties geldt dat slechts rekening moet worden gehouden met de grenswaarde.

Brand-, gifwolk- en explosieaandachtsgebied: Groepsrisico Binnen deze aandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. De contour van een gifwolkaandachtsgebied bedraagt ten hoogste 1,5 kilometer conform artikel 5.12, lid 4 van het Bkl.

Toetsing De te realiseren woningen worden beschouwd als kwetsbare gebouwen. Doordat het agrarische perceel voorheen nog niet werd bewoond, resulteert het voornemen in een toename van het aantal personen in het plangebied. Middels de realisatie van het Giel Peetershof fase 2a, worden uiteindelijk 34 woningen gerealiseerd. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek wonen er gemiddeld 2,12 mensen in een Nederlands huishouden. Uitgaande van een ruime 2,5 personen per woning zullen in de eindsituatie naar schatting 85 personen op de locatie worden gehuisvest. Het plan resulteert hiermee in een toename van circa 85 personen.

72

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

In de beginperiode zal er sprake zijn van tijdelijke woningen. Ter plaatse van 5 vrije kavels, worden 20 tijdelijke woningen gerealiseerd. Het aantal woningen in de beginperiode bedraagt hierdoor 49 woningen. Uitgaande van een ruime 2,5 personen per woning zullen in de beginfase naar schatting 122,5 personen op de locatie worden gehuisvest. Het plan resulteert hiermee tijdelijk in een toename van circa 123 personen. 4.8.2.2 Atlas Leefomgeving aspect veiligheid De 'Atlas Leefomgeving aspect veiligheid' geeft een overzicht van de huidige risico's in de directe omgeving van het betreffende project. milieubelastende activiteiten met extreme veiligheidsrisico's; het vervoer van gevaarlijke stoffen over het basisnet via wegen, spoorwegen en waterwegen; buisleidingen met gevaarlijke stoffen; bovengrondse hoogspanningslijnen.

Uitsnede Atlas Leefomgeving - projectlocatie t.p.v. blauwe stip (Bron: AtlasLeefomgeving) 4.8.2.3 Toetsing Na raadpleging van de Kaart Veilige Omgeving (Bron: Atlasleefomgeving.nl) kan worden geconcludeerd dat in of nabij het plangebied geen risicobronnen (zoals bijvoorbeeld tankstations, transportroutes of buisleidingen) aanwezig zijn. Hieronder is een toelichting gegeven over het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoorweg en water.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

73

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het basisnet via wegen, spoorwegen en waterwegen Op ruim vijf kilometer ten oosten van de locatie ligt het stroomgebied van rivier de Maas. Over deze waterweg vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Nog verder naar het oosten is de A73 gelegen. Risicovolle milieubelastende activiteiten (MBA's) Op circa 1,6 kilometer ten westen van het projectgebied bevindt zich een opslagtank voor propaangas aan de Rootsdijk. Op circa 1,8 kilometer ten zuiden van de locatie bevindt zich de dichtstbijzijnde windturbine langs de Haambergweg. Alle overige winturbines zijn op een grotere afstand van de projectlocatie gelegen. Alle overige risicovolle inrichtingen zijn op een grotere afstand van het projectgebied gelegen. Buisleidingen met gevaarlijke stoffen Ten noorden van het projectgebied is op een afstand van bijna 5 kilometer een ondergrondse buisleiding ten behoeve van aardgastransport (Gasunie) gelegen. De afstand tot het brandaandachtsgebied van deze leiding is op circa 4,4 kilometer afstand gelegen. 4.8.3 Conclusie Duidelijk is dat er in de omgeving van het plangebied geen objecten of transportroutes via wegen, spoorwegen en waterwegen zijn gelegen die in het kader van omgevingsveiligheid dienen te worden beschouwd. Het plangebied ligt niet binnen een brand-, explosie- en/of gifwolkaandachtsgebied.

Aangezien het plangebied/projectgebied niet gelegen is binnen een brand-, explosie- en/of gifwolkaandachtsgebied is het vanuit het oogpunt van externe veiligheid niet nodig om advies te vragen aan de Veiligheidsregio Limburg Noord. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het Omgevingsplan en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9

Water

4.9.1 Wettelijk kader In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels: Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl); Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl); Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl); IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl). Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water.

74

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

4.9.1.1 Europese Kaderrichtlijn Water (2000) Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. In de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichtingen per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewater binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een ‘goede ecologische toestand’ (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een ‘goede ecologisch potentieel’(GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. 4.9.1.2 Nationaal Water Programma 2022-2027 In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering: Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027. Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast.

De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. 4.9.1.3 ProvinciaalWaterplan Limburg 2022-2027 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water: Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas; Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek; Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen. De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders voor het regionale watersysteem.

Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

75

4.9.1.4 Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet. Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma: Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zin natuurlijk ingericht; Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatiger afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak.

Waterschapsverordening en onderhoudsregeling van het Waterschap Limburg Naast het Omgevingsplan is de Waterschapsverordening en onderhoudsregeling (voorheen de Keur) van het Waterschap Limburg van toepassing. De waterschapsverordening bevat regels over: Het gebruikmaken van waterstaatswerken Het lozen van water op het oppervlaktewater Het onttrekken van oppervlaktewater of grondwater Het uitvoeren van activiteiten in een beperkingengebied 4.9.1.5 Gemeentelijk waterbeleid De gemeente Peel en Maas beschikt over een gemeentelijke rioleringsplan. In het 'Gemeentelijk Rioleringsplan Peel en Maas 2022-2026', geeft de gemeente invulling aan haar zorgplicht voor rioolwater, hemelwater en grondwater. Het gemeentelijk waterbeleid is met name gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. Op grond het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) heeft de gemeente een zorgplicht voor inzameling en verwerking van overtollig hemel- en grondwater. Perceeleigenaren dienen hemelwater op eigen perceel te verwerken. Indien dit redelijkerwijs niet kan worden verlangd treedt de gemeentelijke zorgplicht in werking.

Daarnaast heeft de gemeente een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied om structureel de gevolgen van grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming (functie) te voorkomen c.q. te beperken, tenzij dit niet doelmatig is of de verantwoordelijkheid van de provincie of het waterschap. Aandachtspunt bij de gemeente Peel en Maas blijft dat water altijd naar het laagste punt stroom. Het kan zijn dat er locatiespecifieke omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat vaker overlast of schade optreedt. Een voorbeeld zijn laaggelegen bouwwerken waarvan het vloerpeil onder of nauwelijks boven het niveau ligt van het wegprofiel of het maaiveld. Om de voorgenoemde redenen blijft altijd maatwerk nodig bij het beperken van overlast.

76

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

4.9.2 Weging van waterbelang: Voorheen Watertoets De watertoets is het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De Watertoets is bedoeld om plannen meer waterbestendig te maken, doordat waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet worden meegewogen. Voor het voornemen moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishoudingen -voorzieningen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het Omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. De gemeente moet de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het Omgevingsplan. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn: watercompensatie in verband met toenemende verharding bebouwing niet wenselijk in verband met waterwinning Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Digitale Watertoets Voor dit plan is er op dewatertoets.nl een digitale watertoets uitgevoerd, de resultaten hiervan zijn toegevoegd als Bijlage 11 bij deze motivering. Op basis van het resultaat van de digitale watertoets dient het waterschap Limburg betrokken te worden bij de planvorming.

Het waterschap kan de onderdelen die in onderstaande waterparagraaf zijn besproken bij de beoordeling betrekken. 4.9.3

Waterparagraaf

4.9.3.1 Klimaatadaptatie De ontwikkeling mag geen negatieve gevolgen hebben voor de waterhuishouding. En omgekeerd mag het watersysteem geen negatieve gevolgen hebben voor de aan de grond gegeven bestemming (functie). Dit moet zijn onderzocht en gemotiveerd. Klimaatbestendigheid Uitgangspunt is het plangebied klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. De gevolgen van klimaatverandering (hevigere perioden van neerslag, hitte en droogte) binnen het plangebied opvangen. Wateroverlast (hemelwater en grondwater) in gebouwen voorkomen. Zorgen voor voldoende ontwateringsdiepte en drooglegging. Beperken verharding. Bij een klimaatbui mag geen hemelwater in de gebouwen komen. Hemelwater binnen plangebied in de infiltreren of bergen. Zorgen voor voldoende infiltratie- en bergingscapaciteit. Zo mogelijk combineren waterberging en groen. Verontreiniging van bodem, water en lucht en uitputting van grondstoffen voorkomen. Toegepaste materialen en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn niet uitlogend, energiezuinig, gerecycled of recyclebaar. Natuurlijke grondwaterstanden behouden. Onttrekking of stuwing van grondwater is niet toegestaan. Toepassen drinkwaterbesparing. Hitte-eilanden voorkomen en schaduwplekken creëren. Geen kwetsbare functies of groepen op hitte-eilanden projecteren. Vegetatie afstemmen op hitte/droogte en natte perioden.

Watersysteem zo mogelijk zichtbaar en beleefbaar maken.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

77

De waterparagraaf beschrijft de wijze waarop rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en vice versa. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en –opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. In de waterparagraaf is tevens het advies van de waterbeheerder verwerkt. 4.9.3.2 Beschrijvingvan het watersysteem De projectlocatie is gelegen aan de rand van de kern van Egchel. Het maaiveld van het gehele projectgebied varieert iets qua hoogt. Aan de noordoostelijke zijde langs de Gielenhofweg heeft het nog open veld een hoogte van circa 32,8 m+NAP. Aan de zuidwestelijke zijde heeft het terrein een hoogte van circa 31,2 m+NAP. De gemiddelde hoogte van het maaiveld ligt dus op 32 m+NAP. De wegen Catharinahof en Klaassenhof en de bijbehorende woonwijk van Giel Peetershof fase 1 hebben een NAP-hoogte van circa 32,5 meter. De Gielenhofweg heeft een hoogte van 32,8 m+NAP. Op basis hiervan is de projectlocatie iets lager gelegen dan de omgeving. Op onderstaande afbeelding is dit goed zichtbaar.

Weergave hoogteverschil De aanwezige bodemsoort De bodem ter plaatse van de locatie kent drie classificaties. Laarpodzolgronden; lemig fijn zand (cHn23) Dit zijn humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en met een matig dikke humushoudende bovengrond. De bovengrond bestaat uit lemig fijn zand. Hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (zEZ23)

78

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

Dit zijn dikke eerdgronden met een esdek bestaande uit zand, een hoge ligging ten opzichte van het grondwater (Gt IV en hoger) en een zwarte minerale eerdlaag. De bovengrond bestaat uit lemig fijn zand. Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21) Dit zijn humuspodzolgronden zonder ijzerhuidjes en met een dunne humushoudende bovengrond. De bovengrond bestaat uit leemarm of zwak lemig fijn zand. In alle drie de categorieën bestaat de bovengrond uit fijn zand.

Figuur: Bodemsoort ter plaatse (Bron: Bodemdata.nl) De verschillende gronden zijn hieronder kort omschreven. De enkeerdgronden zijn de oudste bouwlanden (essen of enken), de laarpodzolgronden de overige oude ontginningen, de veldpodzolgronden de jonge ontginningen of niet ontgonnen percelen. De zwarte enkeerdgronden komen voor op de hellingen van de Lochemer berg, in enige aaneengesloten complexen bijvoorbeeld rond het dorp Ruurlo en verder als kleine zogenaamde "éénmansesjes" verspreid door het gebied. Het zijn diep humushoudende en tevens diep bewortelbare gronden die verder geen hinderlijke invloed van het grondwater hebben. De laarpodzolgronden hebben een humushoudende bovengrond van 50 à 50 cm dikte en zijn daardoor minder diep bewortelbaar, ze hebben een geringere hoeveelheid hangwater dan de enkeerdgronden; daardoor zijn ze iets droogtegevoeliger. In normale jaren is op deze gronden de droogteschade echter gering. Uit het bovenstaande blijkt dat de aanwezige bodemsoorten geen nadelig effect op de infiltratie hebben. Geomorfologie De locatie bevindt zich grotendeels op een 'Complex van dekzandwelvingen (L51)' dat gelegen is tussen twee 'Dekzandruggen (B53)'.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

79

Dekzandruggen zijn terreinverheffingen met flauwe hellingen, die grotendeels onder arctische omstandigheden in het Weichselien door de wind zijn gevormd. Bij windafzettingen en in het bijzonder bij die met flauwe hellingen (dekzand) komt vaak een zwak golvend oppervlak voor, waarvan de terreinverheffingen niet afzonderlijk kunnen worden aangegeven (vormsubgroep L51); op de hogere delen ligt soms een oud-bouwlanddek (yc). Voorbeelden worden in de typische dekzandgebieden gevonden, vooral in Noord-Brabant, zoals in de omgeving van Oirschot en Best. De hoogte van de rug bepaalt het verschil tussen een dekzandrug en een dekzandwelving (B54).

Ligging dekzandwelvingen en dekzandruggen In dit geval worden de hoogteverschillen verklaard door de geomorfologische kenmerken. Het feit dat er sprake is van dekzand komt de infiltratie ten goede. Grondwater Volgens de bodemkaarten ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) tussen de 128 en 66 cm onder het maaiveld. Het verschil heeft te maken met het aanwezig hoogteverschil. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) zal liggen op circa 30,6 m+NAP. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) ligt tussen de 208 en 164 cm onder het maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) zal liggen op circa 30 m+NAP. De locatie behoort hiermee tot grondwatertrap VIId. Op basis het geohydrologisch onderzoek dat in 2011 is uitgevoerd door Econsultancy ten behoeve van de realisatie van het Giel Peetershof fase 1, blijkt dat het grondwaterniveau varieerde tussen 0,45 – 1,75 meter

80

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

onder het maaiveld. Deze informatie komt overeen met de grondwatertrap. Watergangen Ter plaatse van de geplande woningen zijn geen primaire of secundaire watergangen gelegen. Aan de oostzijde van het terrein is de Kattesteerterbeek (code: 2985) gelegen. Hier is sprake van een watergang van secundair belang.

Watergangen in de omgeving Doordat er nog geen bebouwing aanwezig is, wordt hemelwater op eigen terrein geïnfiltreerd. Doordat het perceel nog niet is bewoond, is er geen sprake van afvalwater. Hierdoor is het perceel ook nog niet aangesloten op het riool. 4.9.3.3 Toetsing waterberging De motivering dient te worden voorzien van een waterparagraaf, waarin is aangegeven hoe met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding wordt omgegaan. Uitgangspunt is dat het hemelwater op eigen terrein wordt verwerkt. In de nieuwe situatie zal het hemelwater worden geborgd en geïnfiltreerd binnen het projectgebied. De afvoeren van de daken, bestaand en nieuw, worden losgekoppeld uitgevoerd van het vuilwatersysteem. De infiltratie van het hemelwater zorgt niet voor een verandering van het waterhuishoudkundige systeem. Het hemelwater zal in de nieuwe situatie net als voorheen infiltreren op eigen terrein, door de geplande infiltratievoorzieningen op het terrein. De bestaande en toekomstige situatie en de daar uitvloeiende bergingsopgave zijn hieronder uitgewerkt. Huidige situatie In de huidige situatie bestaat de locatie uit een agrarisch perceel en is de locatie volledig onverhard. Het perceel is grotendeels vrij van begroeiing en biedt voldoende infiltratiemogelijkheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=7e394905-532d-44e3-b3a7-ab1a8f49d1d5