CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-016 03 Motivering

Raad 18 maart 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan Giel Peetershof fase 2a (2025-016)33.007 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

81

Toekomstige situatie Ter plaatse van het plangebied worden in tijdelijke fase 49 woningen toegevoegd. In de eindsituatie is er sprake van 34 woningen. In de huidige situatie is er geen sprake van verhard oppervlak. Het verharde oppervlak zal in de toekomstige situatie dus toenemen, door de te realiseren woningen, infrastructuur en overige bijkomende verharding. Een advies- en ingenieursbureau heeft een uitwerking gemaakt van de bergingsopgave. Deze uitwerking is opgenomen in Bijlage 12 Ontwerpnotitie. Het plan bestaat om regenwater bovengrond in twee wadi's te verdelen. Het regenwater zal bovengronds naar de wadi's worden gebracht. In het plangebied zijn twee wadi’s gesitueerd, dit is verdeeld in laagte 1 (rechts) en laagte 2 (links). In de afbeelding hieronder is weergegeven welke oppervlaktes bij de laagtes horen.

Oppervlaktes hemelwaterberging De benodigde berging is bepaald aan de hand van de oppervlaktes verharding van de kavels en de openbare verharding vermenigvuldigd met 100 mm (uitgangspunt conform Leidraad water). Om te berekenen hoe groot laagte 1 en 2 moeten worden, wordt er gekeken naar de kavelgrootte en het verhard oppervlak van de openbare ruimte. 4.9.3.3.1 Laagte 1 In de onderstaande tabel is de berekening weergegeven van de m³ te bergen hemelwater van de kavels in het deel van laagte 1.

82

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

Uitwerking benodigde waterberging woningen Laagte 1 Ten behoeve van de kavels dient ca. 305 m³ hemelwater te worden geborgen. Uitgangspunt is dat 50% hiervan op eigen terrein geborgen zal worden en 50% in de openbare ruimte. Bij de tijdelijke woningen en sociale huur kan het regenwater geborgen en geïnfiltreerd worden door middel van infiltratiekratten. Bij de CPO en vrije kavels is dit aan de eigenaar zelf hoe het water geborgen en geïnfiltreerd wordt. De overige m³ hemelwater moeten in de openbare ruimte geborgen en geïnfiltreerd worden. Tevens moet het water dat op de openbare verharding valt worden meegenomen in de berekening. In onderstaande tabel is deze berekening opgenomen. Laagte 1 moet in totaal ca. 372,50 m³ aan hemelwater moeten bergen.

Uitwerking te realiseren waterberging Laagte 1 In het plangebied zijn twee wadi’s gepland om het hemelwater te bergen en te infiltreren. Een wadi is in het stedenbouwkundig plan gesitueerd richting aan de Gielenhofweg, aan de noordoostelijke zijde van fase 2a. Naast bergen en infiltreren heeft deze wadi ook de functie spelen. Naast bergen en infiltreren heeft deze wadi ook de functie spelen. Bij deze wadi is rekening gehouden met een maximale waterdiepte van 25 cm en een waking van 25 cm. Het talud van deze wadi varieert van 1:3, zodat de speelvoorzieningen toegankelijk zijn en i.v.m. onderhoud (machinaal). 4.9.3.3.2 Laagte 2 In de onderstaande tabel is de berekening weergegeven van de m³ te bergen hemelwater van de kavels in het deel van laagte 2. Voor laagte 2 zijn twee scenario's gesitueerd, tijdelijke situatie en de toekomstige situatie.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

83

Tijdelijkesituatie Hieronder zijn de hoeveelheden van de tijdelijke situatie te zien.

Uitwerking tijdelijke situatie - benodigde waterberging woningen Laagte 2 Ten behoeve van de kavels dient ca. 317 m³ hemelwater geborgen worden. Uitgangspunt is dat 50% hiervan op eigen terrein geborgen zal worden en 50% in de openbare ruimte. Bij de tijdelijke woningen en sociale huur kan het regenwater geborgen en geïnfiltreerd worden door middel van infiltratiekratten. Bij de CPO en vrije kavels is dit aan de eigenaar zelf hoe het water geborgen en geïnfiltreerd wordt. De overige m³ hemelwater moeten in de openbare ruimte geborgen en geïnfiltreerd worden. Tevens moet het water dat op de openbare verharding valt worden meegenomen in de berekening. In onderstaande tabel is deze berekening opgenomen. Laagte 1 moet in totaal ca. 434 m³ aan hemelwater moeten bergen.

Uitwerking te realiseren waterberging Laagte 2 in de tijdelijke situatie De tweede wadi is gesitueerd ten westen van de bebouwing behorend tot fase 2a. Hierbij is de mogelijkheid de wadi uit te breiden wanneer fase 2b wordt gerealiseerd. Deze wadi heeft een maximale waterdiepte van 55 cm en een waking van 25 cm. Het talud van deze wadi is 1:3 i.v.m. onderhoud (machinaal). Eindsituatie Omdat dit een tijdelijke situatie is en uiteindelijk de tijdelijke woningen en een parkeerplaats komen te vervallen. Is er een tweede berekening gemaakt om te controleren of de inhoud van het oppervlakte water in

84

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

de toekomstige situatie ook past in de wadi. Hieronder zijn de hoeveelheden te zien van de toekomstige situatie.

Uitwerking uiteindelijk situatie - benodigde waterberging woningen Laagte 2 Ten behoeve van de kavels dient ca. 342 m³ hemelwater geborgen worden. Uitgangspunt is dat 50% hiervan op eigen terrein geborgen zal worden en 50% in de openbare ruimte. Bij de tijdelijke woningen en sociale huur kan het regenwater geborgen en geïnfiltreerd worden door middel van infiltratiekratten. Bij de CPO en vrije kavels is dit aan de eigenaar zelf hoe het water geborgen en geïnfiltreerd wordt. De overige m³ hemelwater moeten in de openbare ruimte geborgen en geïnfiltreerd worden. Tevens moet het water dat op de openbare verharding valt worden meegenomen in de berekening. In onderstaande tabel is deze berekening opgenomen. Laagte 1 moet in totaal ca. 386,94 m³ aan hemelwater kunnen bergen. Hieruit is op te maken dat de inhoud van de wadi voldoet.

Uitwerking te realiseren waterberging Laagte 2 in de uiteindelijke situatie Het ruime terrein biedt voldoende mogelijkheden om de wadi's met het benodigde volume te realiseren. De wadi's zijn ingetekend op de ontwerptekening (Bijlage 1). Op basis van het ontwerp en de bovenstaande berekeningen vormt de waterberging geen belemmering voor het voornemen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

85

4.9.3.3.3 Infiltratieonderzoek Vanwege de geprojecteerde nieuwbouw en omdat regenwater (waar mogelijk) terug in de bodem moet worden gebracht, is onderzoek naar de waterdoorlatendheid opportuun. Teneinde het infiltratievermogen op de locatie te onderzoeken, wordt er een onderzoek verricht dat ten doel heeft de waterdoorlatendheid van de ondergrond te bepalen. Om te beoordelen of infiltratie van regenwater in de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie opportuun is, is er een onderzoek naar de waterdoorlatendheid van de ondergrond (rapportnummer: AMV240948.003; d.d. 18 juli; Bijlage 14) uitgevoerd. Uit de gemeten doorlatendheid blijkt dat infiltratie van neerslagwater tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van het bouwplan Giel Peetershof te Egchel. Het infiltreren zou plaatselijk direct in de ondiepe ondergrond moeten kunnen plaatsvinden (onder voorbehoud), maar een gereguleerde voeding/afvloeiing, bijvoorbeeld middels een wadi en/of grindkoffers, is opportuun voor het gehele zoekgebied, mits de grondwaterstand dit toelaat. Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de hemelwateroplossing kan worden gerealiseerd, waarbij het infiltreren van regenwater in de ondergrond voldoet aan de gestelde eisen. 4.9.3.4 Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden.

Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen, doordat het perceel in de huidige situatie nog niet bewoond is. Het voornemen zorgt voor de toename van een huishouden op het rioolstelsel. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel aan de Gielenhofweg. Het vuilwater wordt, net als in fase 1, gereinigd middels een helofytenfilter. Voor het helofytenfilter is gekozen om een centrale voorziening toe te passen voor fase 2a. De positie van het helofytenfilter is zo gepositioneerd dat het in fase 2b uitgebreid kan worden. Het helofytenfilter heeft een grootte van circa 500 m². Dit is bepaald door de norm te gebruiken van 12 m² aan helofytenfilter per woning (Helofytenfilter - Helofytenfilter Individuele woningen - Stedelijk gebied - Oplossingen - Saniwijzer, z.d.). Voor het helofytenfilter zijn 5 putten nodig, waarvan 4 septictanken en één pompput. Middels het vuilwaterriool onder de rijweg, wordt het vuile water naar het helofytenfilter gebracht. In het plangebied worden PVC buizen toegepast met een diameter van 250 mm. Het schone water van het helofytenfilter wordt naar een bestaande greppel in fase 2b gebracht. Het ontwerp van het rioolstelstel is toegevoegd als Bijlage 15.

Om het aspect 'Water' te borgen is een regel toegevoegd waarin staat dat bij een omgevingsvergunning voldaan moet worden aan de eisen met betrekking tot water. 4.9.4 Conclusie Water Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Water' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige afwijking van het omgevingsplan en sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

86

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

4.10

Ecologie

4.10.1 Inleiding Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.10.2 Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren.

Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: Óf er soorten aanwezig zijn; En indien aanwezig, welke soorten dat zijn. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter-)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Toetsing De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. Deze definitie zorgt ervoor dat voor het uitvoeren van een activiteit gecontroleerd moet worden of en welke soorten dieren en planten aanwezig zijn. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'Activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Omdat er afgeweken wordt van de agrarische functie en er mogelijk begroeiing wordt verwijderd, dient er een Quickscan Flora & fauna te worden uitgevoerd. Daarmee wordt helder of er, en zo ja welke, beschermde soorten op het terrein aanwezig zijn of het terrein gebruiken. Afhankelijk van de effecten van het plan op de flora en fauna kan het nodig zijn dat compenserende maatregelen worden genomen of dat het plan moet worden aangepast.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

87

4.10.2.1 QuickscanFlora en Fauna Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet is er voor voorliggend project reeds een ecologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en goede ruimtelijke ordening. Vanwege de overgangsperiode van de Omgevingswet is ervoor gekozen om de bestaande rapportage te handhaven. Een mogelijke verstoring van beschermde soorten is voldoende in kaart gebracht. Met het voornemen wordt de realisatie van 49 woning en bijkomende voorzieningen mogelijk gemaakt. Om de woonfuncties mogelijk te maken komt de bestaande agrarische functie te vervallen. Voor de realisatie van het plan zijn ingrepen noodzakelijk in het bestaande perceel. Om de functiewijziging en de inrichting van het terrein mogelijk te maken, moet aangetoond worden dat het plan geen negatief effect heeft op beschermde soorten. Hierom is door Aelmans Milieu een Quickscan Flora en Fauna (rapportnr. AMO230382, d.d. 5 december 2023; Bijlage 16) uitgevoerd. Het locatiebezoek heeft plaatsgevonden op 10 november 2023. De resultaten van de Quickscan Flora en Fauna worden hieronder weergegeven. Resultaten De quickscan heeft tot doel vast te stellen of de beoogde ingrepen van invloed kunnen zijn op beschermde soorten en beschermde gebieden.

In de quickscan wordt de (mogelijke) aanwezigheid beschreven van de in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming (Wnb) opgenomen soorten. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde quickscan kan niet worden uitgesloten dat de beoogde activiteiten een negatieve invloed zullen hebben op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. In onderstaande tabel is vermeld op welke manier het plangebied gebruikt wordt door beschermde flora en fauna.

Toetsing van de effecten van de werkzaamheden op (potentiële) aanwezige soorten conform de Wnb

Benodigde maatregelen Om vast te stellen of de beoogde activiteit voor de das een negatief effect heeft dient voorafgaand aan de ingreep maatregelen genomen te worden. Geadviseerd wordt om contact op te nemen met stichting Das en boom voor de huidige populaties en foerageergebieden. Daarbij dienen de voorgenomen maatregelen uit het mitigatieplan zo snel mogelijk te worden uitgevoerd, waaronder het aanplanten van groen en fruitbomen op het westelijke deel van de onderzoekslocatie. Indien deze maatregelen niet kunnen worden uitgevoerd kan doormiddel van een nader onderzoek bepaald worden of dit gebied nog steeds een onderdeel is van het huidige territorium (of leefgebied) van de das. Aanbevelingen

88

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

Voor de geplande ingreep worden de aanwezige bomen en struiken niet gerooid. Deze kunnen als nestgelegenheid dienen voor diverse vogels. Op basis van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Indien er toch bomen gerooid moeten worden of als er direct langs gewerkt moet worden (<2 meter) dient dit buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) uitgevoerd te worden. Onder artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming geldt er een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten en ook gebieden. Volgens de zorgplicht dienen er, in redelijkheid, zo veel mogelijk maatregelen genomen te worden om onnodig doden, verwonden of schade aan dieren, planten en gebieden te voorkomen. Dit geldt in praktijk voornamelijk voor de minder streng beschermde soorten, waarbij onnodig doden, verwonden of beschadigen vermeden dient te worden. Conclusie Om een negatief effect op de das te voorkomen dienen te mitigerende maatregelen van het mitigatieplan te worden uitgevoerd. 4.10.2.2 Mitigatieplan Das Naar aanleiding van de quickscan Flora en fauna (Econsultancy, nr. 10123834, d.d. 22 juni 2011) is er reeds een mitigatieplan opgesteld voor de das (Econsultancy, nr. 11093668, d.d. 4 maart 2013).

Het mitigatieplan heeft als doel om de adequate mitigerende maatregelen in kaart te brengen die voldoende zijn om ter plaatse van het plangebied verstoring van dassen te voorkomen. In het mitigatieplan worden op basis van een kwalitatieve benadering maatregelen beschreven voor de mitigatie van het reduceren van het leefgebied van de dassen. De reductie van het leefgebied en de verstoring van de foerageerroute kan negatieve gevolgen hebben voor het voortplantingssucces met betrekking tot de energetisch veel eisende periode als de voortplantingsperiode, alsmede de gezondheid van de individuen. Het is mogelijk dat het eerst volgende voortplantingsseizoen minder jongen worden groot gebracht dan normaliter het geval is. Indirect kan door de voorgenomen ingreep sprake zijn van verstoring ten aanzien van een vaste rust- en verblijfplaats van de das. Om een verstorend effect van het verlies aan oppervlak foerageergebied en de bereikbaarheid hiervan te voorkomen is de aanleg van een groene buffer langs de noordwestzijde van het plangebied opgenomen in het mitigatieplan. Aanbeveling De kans dat binnen of grenzend aan het plangebied zich een bijburcht of hoofdburcht in de toekomst vestigt wordt minimaal geacht gezien de antropogene invloed in de nieuwbouwwijk.

Het is echter niet geheel uit te sluiten dat een burcht zich in de toekomst vestigt in de aangrenzende bosschages of de te realiseren afscheidingswal. Indien hier in de toekomst een burcht wordt gevestigd, wordt geadviseerd om een afrastering voor dassen langs de Roggelseweg, langs de zuidoostzijde van het plangebied, te realiseren. In het verleden zijn vaker dassen doodgereden aan de Roggelseweg, ten westen van de onderzoekslocatie. Vrijblijvend wordt geadviseerd om maatregelen te treffen om meer verkeersslachtoffers in de toekomst te voorkomen. Dit kan door bijvoorbeeld door het aanleggen van een dassentunnel ter plaatse van de zwaar belopen dassenwissels. Gebiedsinrichting voor dassen De te realiseren nieuwbouwwijk kan een verstoring veroorzaken op het leefgebied van dassen. De nieuwbouwwijk wordt ingericht met groene perceelafscheidingen, bomen, struiken en een afscheidingswal tussen de woonwijk en de Roggelseweg. Na overleg met Econsultancy zijn de inrichtingsplannen voor het Giel Peetershof fase 1 aangepast zodat rekening is gehouden met de foerageerroutes en foerageermogelijkheden van das zodat de functies in minimaal dezelfde hoeveelheid ecologisch duurzaam aanwezig blijven.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

89

Bij de realisatie van het Giel Peetershof fase 1 is ervoor gekozen om de tuinen van de nieuwbouw langs de noordwestelijke rand te richten op de foerageerroute van de das. Aansluitend aan de tuinen is een groene buffer aangelegd. De groene buffer die aansluit aan de achtertuinen zal doorlopen als afscheiding tussen de te handhaven afwateringssloot en de geplande ontsluitingsweg, ten zuiden van de afwateringssloot. Voor de realisatie van het Giel Peetershof fase 2 zal de groene buffer worden aangevuld om aan te voldoen aan de benodigde compensatie. De groene buffer wordt gerealiseerd voordat de overige werkzaamheden beginnen om de das tijdig voldoende beschutting te bieden. Door het treffen van deze mitigerende maatregelen kunnen dassen ongestoord gebruik blijven maken van de foerageerroute, zowel tijdens als na de uitvoering. Door aanplant van bomen tezamen met groene tuinafscheidingen wordt de afname aan foerageeraanbod opgevangen, omdat het overig foerageergebied nog bestaat uit akkerland met een zeer laag geschikt voedselaanbod. In fase 1 is in totaal 15.673 m² groen gerealiseerd. De totale benodigde mitigatieverplichting bestaat uit 23.524 m². De nog benodigde 7.851 m² groen wordt nog gerealiseerd. Het gerealiseerde groen en nog te realiseren groen is weergegeven in onderstaande tabel.

Groenrealisatie

Conclusie Bij de ontwikkeling van fase 1 zijn maatregelen genomen ten behoeve van de das. De resterende te nemen maatregelen worden nog uitgevoerd. Daarmee wordt voldaan aan de noodzakelijke mitigerende maatregelen ten hoeve van de das. 4.10.2.3 Conclusie Wanneer voldaan wordt aan de mitigerende maatregelen ten behoud van de das, vormt het aspect 'Soortenbescherming' vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

90

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

4.10.3 Gebiedsbescherming Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. 4.10.3.1 Natura2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie.

Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).

Toetsing ligging t.o.v. Natura 2000 Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied is Leudal op 6,3 km afstand. Het eerstvolgende Natura 2000-gebied is de Deurnsche Peel & Mariapeel. De ligging van het plangebied ten opzicht van de Natura 2000 gebieden is weergegeven op onderstaande kaart.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

91

Weergave Natura2000-gebieden Op basis van bovenstaande weergave, wordt duidelijk dat het voornemen niet gelegen is binnen of nabij Natura2000-gebieden en er uitsluitend sprake is van een mogelijke externe werking. 4.10.3.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie. Toetsing ligging t.o.v. Natuurnetwerk Limburg Ten oosten van de Roggelseweg zijn gebieden gelegen die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde deel ligt op circa 534 meter afstand. Dat is bosgebied de Heldense Bossen.

92

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

Weergave Natuurnetwerk Nederland Duidelijk is dat het voornemen niet gelegen is binnen NNN en er uitsluitend sprake is van een mogelijke externe werking. 4.10.3.3 Stikstof Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet is er voor voorliggend project reeds een notitie beoordeling stikstof uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en goede ruimtelijke ordening. Vanwege de overgangsperiode van de Omgevingswet is ervoor gekozen om de bestaande rapportage te handhaven. Een mogelijke toename op nabijgelegen Natura 2000-gebied is voldoende in kaart gebracht. Voor het beoogde project is door Pouderoyen Tonnaer een stikstofnotitie incl. bijlagen (Pouderoyen Tonnaer, projectnummer J230091.003, d.d. 10 september 2024, Bijlage 10)opgesteld. De bevindingen hiervan zijn hieronder weergegeven. Resultaten Om een idee te krijgen van de emissieruimte op de locatie Giel Peetershof fase 2 zijn er zijn enkele indicatieve berekeningen uitgevoerd met AERIUS Calculator, het voorgeschreven rekenprogramma voor stikstofbelasting. Hierbij is één emissiepunt ingevoerd in AERIUS. Bij een indicatieve berekening op basis van een fictieve emissie van 240 kg NOx/jaar is er sprake van overschrijding op relevante habitats in Natura 2000 gebied Leudal. Bij 230 kg emissie blijkt dat niet het geval. Er blijkt dus indicatief ruimte te zijn voor de emissie van zo’n 230 kg NOx per jaar.

Met het plan worden stikstofemissies gegenereerd in de realisatiefase en in de gebruiksfase. Realisatiefase: in de realisatiefase zal het gaan om de inzet van de voor de bouw benodigde mobiele werktuigen. Gebruiksfase: Er van uit gaande dat de woningen gasloos gebouwd worden is er in de gebruiksfase enkel sprake van

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

93

emissies als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe gebouwde woningen.

Als deze kentallen toegepast worden op de beoogde 49 woningen Giel Peetershof fase 2 is er in de realisatiefase sprake van een emissie van 147 kg NOx/jaar en in de gebruiksfase van 13.5 kg NOx/jaar. Deze waarden liggen ruim onder de eerder berekende indicatieve emissieruimte NOx van 230 kg/jaar. Zoals gezegd, de uiteindelijke emissies zijn afhankelijk van de in te zetten machines en het type woningen. En daarnaast van eventuele aanpassingen in het rekenprogramma AERIUS. Bij de inzet van enigszins moderne machines (STAGE-klasse IV of hoger) in de realisatiefase is het mogelijk de woningen te realiseren zonder dat er sprake is van overschrijding van de norm voor de depositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000 gebieden van 0,00 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten op Natura 2000 gebieden kunnen worden uitgesloten en een natuurvergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan niet nodig.

Mogelijkheid tot intern salderen Gezien het om woningbouw van enige omvang gaat en de exacte bouwactiviteit nog niet inzichtelijk te maken is, is voor de berekening uitgegaan van 3,0 kg NOx per woning. Dit is aan de ruime kant en gaat er ook nog eens van uit dat alle bebouwing in één jaar wordt gerealiseerd. Vandaar dat er zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase geen depositietoename groter dan 0,00 mol N/ha/jaar wordt verwacht en wordt er dus ook geen gebruik gemaakt van intern salderen. Hierbij wordt de huidige emissie op de locatie door het huidige (agrarische) gebruik vastgesteld en vergeleken met de toekomstige emissies uit de realisatiefase en gebruiksfase van het initiatief.

Conclusie Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat bij een worst case scenario doorrekening significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000 gebieden. Uit de notitie blijkt dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Het planvoornemen is hierdoor niet vergunningplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming. 4.10.3.4 Houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden die niet in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten.

Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158). Toetsing Op de locatie is enkel op de geluidswal sprake van houtopstanden. Op deze geluidswal staat opgaand groen in de vorm van bomen en struiken welke dienen als groene buffer. Voor de realisatie van de woningen hoeven echter geen bomen of struiken te worden verwijderd. Een kapvergunning is daarom niet noodzakelijk. Met het planvoornemen worden echter wel enkele bomen geplant, waardoor de ecologische waarde

94

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

uitsluitend wordt verbeterd. Het aspect 'Houtopstanden' vormt hierdoor geen belemmering voor het voornemen.

4.11

Archeologie & cultuurhistorie

4.11.1 Algemeen De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Deze regels hebben betrekking op beschadiging, het conserven en in stand houden van archeologische monument. Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m² in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m² vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.

Cultuurhistorie Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels. Hieronder wordt beschreven op welke manier wordt omgegaan met archeologie en cultuurhistorische waarden. 4.11.2

Archeologie

4.11.2.1 Beleid Rijksbeleid Met de ondertekening van het Verdrag van Valletta (Malta) in 1992 is in Nederland de beleidsmatige zorg voor het archeologisch bodemarchief aanzienlijk toegenomen. In het verdrag staat: Archeologische waarden dienen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed te worden meegenomen en te worden ontzien bij de ontwikkeling en besluitvorming van ruimtelijke plannen. Mocht bescherming onvoldoende mogelijk zijn dan dient, volgens dit verdrag, de informatie te worden onttrokken aan de bodem via archeologisch onderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat de initiatiefnemer van de verstoring van het bodemarchief de kosten van het onderzoek en de eventuele op te leggen maatregelen dient te dragen. Inmiddels zijn de uitgangspunten van het Verdrag in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de (voormalige) Monumentenwet 1988 via de Wijzigingswet Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMz, 1-9-2007). Met het in werking treden van de Erfgoedwet op 1-7-2016 is de Monumentenwet 1988 grotendeels vervallen. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdstukken II, paragrafen 2 en 3, IV, V, paragrafen 1 en 9, en VI van de Monumentenwet 1988, zoals die luidden voor inwerkingtreding van deze wet, nog van toepassing. Hoofdstuk V regelt de Archeologische Monumentenzorg. Provinciaal beleid

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

95

Op provincieniveau gelden er in Limburg wettelijke verplichtingen op het vlak van Archeologie. In Limburg moeten archeologische bodemvondsten worden onderzocht, behouden en toegankelijk gehouden worden. Gemeentelijk beleid Voor de gemeente Peel en Maas is archeologisch beleid met een bijbehorende archeologische waarden- en verwachtingskaart opgesteld (The Missing Link, 29 juni 2015). Op de kaart zijn locaties met een bepaalde verwachtingswaarde aangeduid. Op basis hiervan dient te worden beoordeeld of archeologisch onderzoek noodzakelijk is. 4.11.2.2 Toetsing Op basis van het Verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het verplicht om de archeologische waarden bij ruimtelijke planvorming te betrekken, met name bij plannen waarbij bodemwerkzaamheden uitgevoerd worden. Het gaat hierbij om het bekend en nog niet bekend bodemarchief. Uitgangspunt hierbij is dat de archeologische waarden zoveel mogelijk behouden moeten blijven en niet aangetast worden. Toepassing Van toepassing is het archeologisch beleid met de bijbehorende archeologische waarden- en verwachtingskaart. Op deze kaart is de locatie aangeduid als een gebied met een hoge verwachting.

Uitsnede archeologische beleidskaart Peel en Maas Ter plaatse van de locatie gold op basis van de eerdere kaarten dat sprake is van de dubbelbestemmingen

96

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

'Waarde Archeologie 2,4 & 5'. De gronden met 'Waarde - archeologie 2' betreffen AMK-terreinen van zeer hoge archeologische waarde; cultuurhistorische objecten met archeologische waarde. Op deze gronden geldt een planologisch regime met een ondergrens voor onderzoek van 100 m². Bij werkzaamheden boven dit oppervlak is archeologisch onderzoek een vereiste. Met de realisatie van de woonwijk kan worden aangenomen dat dit oppervlak wordt overschreden en archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor de realisatie van voorliggende project zijn meerdere archeologische onderzoeken verricht. Op basis van de binnen het besluitgebied uitgevoerde onderzoeken, is de archeologische dubbelbestemming binnen het besluitgebied komen te vervallen. Het besluitgebied is in de huidige situatie volledig vrijgegeven. De reeks onderzoeken zijn hieronder toegelicht. 4.11.2.3 Archeologisch onderzoek ten behoeve van Giel Peetershof fase 1 Binnen het huidige omgevingsplan voortkomend uit het bestemmingsplan 'Giel Peetershof' is sprake van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie landweer'. Deze dubbelbestemming is tot stand gekomen door middel van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek ten behoeve van Giel Peetershof fase 1.

Voor de realisatie van Giel Peetershof fase 1 is een inventariserend veldonderzoek (waarderende en karterende fase) in de vorm van proefsleuven (RAAP Archeologisch Adviesbureau, nr. 2547, d.d. 18 december 2012) uitgevoerd. Uit het onderzoek komen enkele zones naar voren die als één complex kunnen worden beschouwd. Het betreft onder andere een zone met prehistorische grondsporen in het noordwesten van het plangebied en een zone met de resten van een landweer en daar mogelijk aan gerelateerde oude landwegen op het zuidelijke perceel in het plangebied. Ook in de rest van het plangebied komen archeologische grondsporen en vondsten voor, die de weerslag vormen van off-site activiteiten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het gaat bijvoorbeeld om perceelscheidingsgreppels, spitsporen en ontginningskuilen. Op basis van onderhavig onderzoek stelt RAAP Archeologisch Adviesbureau dat sprake is van 4 behoudenswaardige vindplaatsen: Vindplaats 1 betreft de zone met sporen en vondsten uit de IJzertijd; Vindplaats 2 betreft de zone met de resten van de landweer, met name de eventuele aansluiting met de oude wegen; Vindplaats 3 betreft off-site fenomenen, zoals greppels, kuilen en spitsporen, die ten noorden van de landweer zijn aangetroffen; Vindplaats 4 betreft off-site fenomenen ten zuiden van de landweer.

'Waarde - Archeologie landweer' Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek werd aanbevolen de plannen zodanig aan te passen dat de (verwachte) archeologische resten in de bodem behouden kunnen blijven. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het aanpassen van de locaties van gebouwen en groenstroken, zodat de vindplaatsen ontzien worden bij toekomstige graafwerkzaamheden. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om ter plaatse van de behoudenswaardige vindplaatsen nader onderzoek uit te laten voeren. Ter plaatse van de landweer en wegen (zie blauwe zone op navolgende kaart (RAAP, nr. 2547) is nader onderzoek (opgraving) noodzakelijk. Dit is de maximale zone waarbinnen archeologisch onderzoek dient uitgevoerd te worden. Ter plaatse van deze zone is daarom de archeologische dubbelbestemming 'Waarde Archeologie landweer' opgenomen op de verbeelding. Uitzondering hierop vormde de locatie waar het helofytenfilter is geprojecteerd in fase 1 (net ten noorden van de dwarsverbinding tussen de Jacobusstraat en de Gielenhofweg). Enkel onderzoek op die locatie was bij een gefaseerde aanleg niet zinvol. Uit de proefsleuf op deze locatie blijkt dat het evident is dat er karrensporen (en mogelijk wat andere resten van de landweer) worden gevonden. Gelet op het geheel hoeven die sporen op dit deel niet behouden te blijven.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

97

Vrijgave overige delen van het terrein Op basis van het door RAAP uitgevoerde onderzoek zijn, alle overige delen, behalve de als dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie landweer' aangewezen gronden vrijgegeven. In een volgende fase is enkel nader onderzoek noodzakelijk voor de uitvoering van grondwerkzaamheden in de gronden aangewezen als 'Waarde - Archeologie landweer'.

Weergave vindplaatsen Giel Peetershof Fase 2 Voor de als 'Waarde - Archeologie Landweer' aangewezen gronden gelden de volgende bouwregels. Op of in de voor 'Waarde - Archeologie Landweer' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van: het bouwen van bouwwerken, welke zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 m onder het bestaande maaiveld en zonder heiwerkzaamheden kunnen worden gebouwd; een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd met een bouwhoogte van maximaal 3,0 m; gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

98

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a - Giel Peetershof Fase 2a te Egchel

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=7e394905-532d-44e3-b3a7-ab1a8f49d1d5