CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2025-015 03 Toelichting

Raad 18 maart 2025, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen TAM-IMRO omgevingsplan Soeterbeek 6 en 7 Baarlo (2025-015)21.090 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het doel is een leefomgeving te creëren die rekening houdt met het veranderde klimaat en daarnaast bijdraagt aan de gezondheid, biodiversiteit en veiligheid van de inwoners. Woningen worden in principe toegevoegd in de kernen, bij voorkeur op herstructureringslocaties, alsmede het faciliteren van passende woonruimte voor diverse doelgroepen. 5. Toekomstgericht ondernemen; Uitgangspunt is ondersteunen in de transitie naar een circulaire, waarden gedreven economie en kenniscirculatie. Een toekomstbestendige economie zorgt voor welvaart en draagt bij het goede leven in Peel en Maas. Gemeente faciliteert lokale bedrijven, die geworteld zijn in de samenleving, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, het MKB en recreatie en toerisme. Daarnaast wordt ingezet op herstructurering boven uitbreiding en het hergebruik van leegstaand agrarisch vastgoed voor recreatie/toerisme en bedrijvigheid. 6. Balans in het buitengebied. Een van de belangrijkste economische dragers van het buitengebied is de land- en tuinbouw binnen Peel en Maas. De gemeente stimuleert het faciliteren van kringloop- en natuurinclusieve landbouw dat leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Het doorontwikkelingen van grootschalige agrarische bedrijvigheid is toegestaan in gebieden waar dit passend in op basis van een gebiedsgerichte aanpak, uitbreiding gaat gepaard met een tegenprestatie.

Ook wordt gestimuleerd op hergebruik c.q. herbestemming van leegstaand/leegkomend agrarisch vastgoed onder voorwaarde dat er sprake is van kwaliteitswinst in de vorm van een bijdrage aan de doelen/speerpunten. Via de win-win regeling zijn er ook beperkte mogelijkheden voor de inzet van woningbouw om leegstand tegen te gaan. Bij hergebruik c.q. herbestemming is de sloop van overtollige gebouwen een belangrijk uitgangspunt.

21

De opgaven dienen in samenhang van elkaar gezien te worden, waarbij met name de eerste drie overkoepelende opgaven als leidende principes gelden. Bij elke ontwikkeling dient bekeken te worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaves geleverd kan worden. In de omgevingsvisie komt naar voren dat de gemeente Peel en Maas zich inzet om een balans te vinden tussen de vraag en aanbod van woningen en dat zij graag een balans in het buitengebied willen. Het voornemen bestaat om een agrarische bedrijfslocatie te saneren en de aanwezige bedrijfswoning aan de Soeterbeek 7 om te zetten naar een burgerwoning. De voormalige bedrijfsbebouwing ter plaatse van de Soeterbeek 7 blijft daarbij volledig behouden. Daarnaast heeft het initiatief betrekking op het betrekken van een garage / berging en stal bij de woning Soeterbeek 6. Het initiatief draagt bij aan de behoefte van de initiatiefnemers die graag de agrarische bedrijfsactiviteiten formeel willen beëindigen en de woning als burgers willen gaan bewonen. Aan de Soeterbeek 7 heeft daarnaast in het verleden al sloop van bebouwing plaats gevonden. De bebouwing die momenteel op deze locatie aanwezig is wensen initiatiefnemers te behouden doordat deze voor diverse doeleinden worden gebruikt. Daarmee wordt leegstand van de bedrijfslocatie en bebouwing of een strijdig c.q. onwenselijk gebruik uitgesloten.

Daarnaast zijn in de omgeving diverse woningen gelegen waardoor het omzetten van de bedrijfswoning naar een burgerwoning geen belemmering vormt voor de omliggende functies. Het initiatief sluit zodoende aan bij opgave 2, ‘Een gezonde en veilige leefomgeving’, 4 ‘Goed wonen voor iedereen’ en opgave 6 ‘Balans in het buitengebied’ zoals vastgesteld in de Omgevingsvisie Peel en Maas. 4.3.3 Structuurvisie buitengebied en kwaliteitskader In december 2011 is de Structuurvisie buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, Kwaliteitskader buitengebied, VAB beleid, Structuurvisie IV en Glas en het archeologiebeleid) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van het bestaand beleid. De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan “Buitengebied Peel & Maas” en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijk beleid. Het plangebied is volgens de structuurvisie gelegen in de zone ‘Beekdal / Rivierdal’. De gebiedstypologie loopt uiteen in verschillende typen.

Door de invloed van de beken op het omliggende land en de kansen die dit met zich meebrengt vormt elk beekdal een eigen gebiedstype. Voor dit landschapstype wordt gestreefd naar versterking van het landschapskarakter. In het structuurplan is aangegeven dat de nieuwbouw van burgerwoningen maatwerk is en dat het leveren van een tegenprestatie hier tegenover moet staan. Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbetering. Bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding van het bouwvlak tot de referentiemaat in een agrarisch gebied zonder waarden, is Basiskwaliteit van toepassing. Ook bij functiewijziging van een gebouw zoals de vestiging van een kleinschalige logeerinrichting of huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestaande bebouwing is er sprake van Basiskwaliteit.

22

Basiskwaliteit wil zeggen dat de nieuwe bebouwing of functie goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt. Ook bestaand groen mag voor deze landschappelijke inpassing worden gebruikt. Het bouwvlak van de Soeterbeek 7 heeft een oppervlakte van circa 5.174 m². Dit betekent dat ter plaatse van de Soeterbeek 7 tenminste 517 m² aan groen zal moeten worden aangeplant. Daarnaast neemt het bouwvlak van de Soeterbeek 6 toe met 680 m2. Dit betekent dat ter plaatse van de Soeterbeek 6 tenminste 68 m² aan groen zal moeten worden aangeplant. Voor beide locaties is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld waarbij invulling gegeven is aan de gevraagde kwaliteitsbijdragen c.q. minimale oppervlakte te realiseren groen. Voor een nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar paragraaf 5.12.3. Derhalve wordt er voldaan aan de eisen uit het Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas. 4.3.4 Kaderstelling ‘Ruimte en Economie’ In november 2017 is de notitie ‘Waardeoriëntatie en kaderstelling’ voor het thema ‘Ruimte en Economie’ vastgesteld. De gemeente Peel en Maas wil bijdragen aan het goede leven binnen de gemeente.

Bij alles wat de gemeente doet is een drietal kernwaarden leidend, namelijk zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken. De economische crisis heeft partijen (overheid, ondernemers, inwoners) geleerd naar mogelijkheden te zoeken. Het denken en doen niet te laten bepalen door automatismen en belemmerende regels, niet te stoppen bij overheidssturing maar juist mee te werken in interactie en partnerschip. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heeft in dat verband een faciliterende rol. Middels expertgesprekken zijn richtinggevende waarden gedestilleerd: ▪ Van Individueel naar Samen; ▪ Van Omgevingskwantiteit naar Omgevingskwaliteit; ▪ Van Lineair naar Circulair; ▪ Van Gesloten naar Open; ▪ Van Consumeren naar Beleven; ▪ Van Beheersen naar Ruimte geven en vertrouwen; ▪ Van Overheidssturing naar Omgevingssturing. Per ‘waarde’ zijn omgevingsdoelen vastgesteld om de waarden inhoud te geven. De waarden en bijbehorende omgevingsdoelen bepalen de richting voor de toekomstige Omgevingsvisie en geven tevens inhoud aan de programmadoelen van de gemeentelijke begroting.

Voor onderhavig initiatief zijn binnen het thema ruimte de navolgende programmadoelen relevant: ▪ We benutten bestaande bebouwing en sturen op hergebruik boven uitbreiding en nieuwvestiging en door waar dit niet mogelijk is wordt zorg gedragen voor hetgeen achterblijft. ▪ We zorgen voor verbindingen en balans tussen de verschillende functies en waarden. ▪ We zorgen voor verbindingen en balans tussen economische en ruimtelijke waarden. ▪ We bouwen op de juiste plek: op duurzame locaties. De gemeente stuurt op hergebruik van bestaande bebouwing, daar dit een positieve bijdrage levert aan vitale gemeenschappen. Hergebruik gaat daarbij boven uitbreiding en nieuwvesting. Initiatieven die bijdragen aan het verminderen van leegstand ondersteunt de gemeente omdat deze bijdragen aan de vitaliteit van de kernen.

23

Worden de gebouwen niet hergebruikt, is de kans reëel dat de locatie op termijn verloedert. Ook dient voorkomen te worden dat leegstaande gebouwen gebruikt worden voor activiteiten die niet gewenst zijn. Het hergebruik van de voormalige agrarische bedrijfswoning en bedrijfsbebouwing en het herbestemmen van de locatie tot ‘Wonen’ sluit aan bij de Kaderstelling Ruimte en Economie van de gemeente Peel en Maas.

24

5. FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU Met de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de invloed op de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en er dient sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.1

Milieueffectrapportage

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Om te bepalen of m.e.r. noodzakelijk is dient bepaald te worden of de activiteit voor komt in de tabel in bijlage V Ob. Bijlage V heeft als ingang (1e kolom) de omschrijving van een project. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaan dan om besluiten waarmee toestemming voor een project wordt verleend. Of voor een besluit een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt volgt uit de tweede en derde kolom als het project voldoet aan de voorwaarde uit kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Op grond van categorie J11 geldt een m.e.r-beoordelingsplicht voor een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Onder deze categorie vallen ook onder andere woningbouw, de bouw van kantoren, universiteiten, bioscopen, theaters, woonboulevards, ziekenhuizen en scholen. Ook dergelijke stedelijke projecten in “dorpen” vallen eronder.

Hiertoe moeten ook alle voorzieningen worden gerekend die moeten worden getroffen voor dat project, zoals de aanleg van infrastructuur. Opgemerkt wordt dat het begrip verschilt van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’, zoals dat wordt gehanteerd bij de Ladder van duurzame verstedelijking. Conclusie Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in het realiseren van nieuwe bebouwing, maar slechts in een functiewijziging van reeds bestaande bebouwing. Deze activiteit komt niet voor in bijlage V Ob. Aangezien in dit geval sprake is van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning is er geen sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

5.2

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is voor de beoogde activiteiten en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem opgenomen in paragraaf 5.1.4.5. Hierin wordt bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

25

Soeterbeek 6 Bij een functiewijziging van, in dit geval een agrarisch bedrijf naar woondoeleinden, dient het aspect bodemkwaliteit onderzocht, beoordeeld en beschreven te worden. In dat kader is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek1 verricht. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek stand houdt. In de grond zijn lichte verontreinigingen met koper en PCB aangetoond. Tevens is het grondwater licht verontreinigd met xylenen en/of barium. Conclusie De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het initiatief. Soeterbeek 7 Bij een functiewijziging van, in dit geval een agrarisch bedrijf naar woondoeleinden, dient het aspect bodemkwaliteit onderzocht, beoordeeld en beschreven te worden. In dat kader is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek2 verricht. Deellocatie A (onderhavige locatie ) Ten aanzien van de onderhavige locatie wordt geconcludeerd dat de hypothese 'verdachte locatie' stand houdt. In de bovengrond zijn verontreinigingen met de onderzochte parameters (vooral metalen) aangetoond. Het grondwater is matig verontreinigd met nikkel en licht verontreinigd met cadmium, kobalt en zink.

Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreinigingen in het grondwater verhoogd achtergrondgehalten betreffen. Deellocatie B (onverharde druppelzones garage) Tijdens de veldwerkzaamheden is het uitkomende materiaal beoordeeld op de aanwezigheid van grove (>20 mm) asbestverdachte materialen. Zintuiglijk zijn in beide druppelzones geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is bij de oostelijke druppelzone (B01, B02 en B03) eveneens geen asbest aangetoond. Ter plaatse van de westelijke druppelzone (B11, B12 en B13) is wel asbest aangetoond echter het gehalten blijft ruimschoots onder de geldende normen. De hypothese ‘asbestverdachte locatie’ kan derhalve voor beide druppelzones komen te vervallen. Naast het asbest is ter plaatse van de oostelijke zijde een lichte verontreiniging aangetoond met PCB. Aan de westelijk zijde van de garage is geen verontreinigingen met PCB aangetoond ter plekke van de druppelzone. Deellocatie C (voormalige ondergrondse hbo-tank) Uit de resultaten van het beperkt bodemonderzoek blijkt dat ter plaatse van de voormalige ondergrondse HBO-tank zintuigelijke geen verontreiniging met minerale oliecomponenten zijn waargenomen. De hypothese ‘verdachte locatie’ ten aanzien van de ondergrondse tank houdt geen stand.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat er in overleg met de gemeente Peel en Maas geen analyses van de grond en het grondwater zijn verricht.

1 HMB B.V., verkennend bodemonderzoek Soeterbeek 6 en 6a Baarlo, 21 december 2023, kenmerk: 23207802A

2 HMB B.V., verkennend bodemonderzoek Soeterbeek 7 Baarlo, 25 april 2023, kenmerk: 23207801A

26

Conclusie De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van het initiatief.

5.3

Bedrijven en milieuzoneringen

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Met ingang van de Omgevingswet worden het ruimtelijke en fysieke spoor verder geïntegreerd. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In het licht van de Omgevingswet is deze indicatieve bedrijvenlijst niet meer geschikt. De lokale praktijk vraagt om maatwerk en een lokale afweging. Derhalve is in 2022 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2022’ (naar verwachting komt er Q1 2024 een geactualiseerde versie van de uitgave). Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De Lijst van bedrijfsactiviteiten in bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009 biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten, aan de hand van de SBI-codes (2008).

Deze lijst is geactualiseerd in de publicatie ten behoeve van het functiemenging en het mogelijk maken van maatwerk. Daarnaast zijn de toetsbare aspecten geur en geluid (gevaar en stof komen te vervallen). Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor zoals (intensieve) veehouderijen. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden - zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat - met één afstandsstap worden verkleind. De woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de bestaande woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving.

Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. In de omgeving van het plangebied (250 meter) liggen de volgende milieubelastende functies: Functie

SBI2008

Adres

Akker-en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren (grondgebonden agrarisch bedrijf*)

0150

Glastuinbouwbedrijf

011, 012, 013

Soeterbeek 5 Soeterbeek 8 Soeterbeek 14 Soeterbeek 12 Soeterbeek 21 Soeterbeek 18 Soeterbeek 15a

Aan te houden afstanden (meter) Geluid Geur 10 50

10

0

Afstand tot Soeterbeek 6

Afstand tot Soeterbeek 7

0 meter 23 meter 125 meter 155 meter 210 meter 275 meter 250 meter

30 meter 7 meter 88 meter 95 meter 185 meter 210 meter 195 meter

* Onder een grondgebonden bedrijf wordt verstaan een bedrijf voor het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, ten behoeve van een agrarisch bedrijf met een omvang van minimaal 12 NGE.

27

Soeterbeek 6 De locatie Soeterbeek 6 is gelegen binnen de richtafstand van geluid en geur afkomstig van het agrarisch bedrijf aan de Soeterbeek 5 en binnen de richtafstand van geur afkomstig van het agrarisch bedrijf aan de Soeterbeek 8. Onderhavig initiatief heeft echter betrekking op een garage / berging en stal die bij de woning Soeterbeek 6 wordt betrokken. Er is zodoende geen sprake van de realisatie van een nieuwe milieugevoelige functie. Daarnaast geldt voor het aspect geur de bijzondere regeling in het kader van de Omgevingswet, in paragraaf 5.6 wordt hier verder op in gegaan. Het initiatief heeft zodoende geen negatieve consequenties voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze agrarische bedrijven. Soeterbeek 7 De locatie Soeterbeek 7 is gelegen binnen de richtafstand van geluid en geur afkomstig van het agrarisch bedrijf aan de Soeterbeek 8 en binnen de richtafstand van geur afkomstig van het agrarisch bedrijf aan de Soeterbeek 5. Met onderhavig initiatief is echter geen sprake van het realiseren van nieuwe milieugevoelige functies. De bestaande woning betreft reeds een milieugevoelige functie voor de omliggende bedrijven. De omliggende bedrijven dienen met hun bedrijfsvoering dan ook al reeds rekeningen te houden met de geluids- en geurbelasting op de woning Soeterbeek 7.

Daarnaast geldt voor het aspect geur de bijzondere regeling in het kader van de Omgevingswet, in paragraaf 5.6 wordt hier verder op in gegaan. Omliggende milieubelastende functies vormen geen belemmering voor het garanderen van een goed woon- en leefklimaat in de woning. Daarnaast leidt het initiatief niet tot negatieve consequenties voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze agrarische bedrijven. Bedrijf aan huis Ondergeschikt aan de woonfunctie exploiteert initiatiefnemer van de Soeterbeek 7 een bedrijf aan huis. Initiatiefnemer heeft een eenmanszaak dat zich specialiseert in het op maat vervaardigen van metaal producten voor de industriële en particulieren sector. Dit type bedrijf is te schalen onder de functie constructiewerkplaats (gesloten gebouw). Voor dit type bedrijf geldt een richtafstand van 50 meter ten aanzien van geluid en 10 meter ten aanzien van geur. Binnen een straal van 50 meter van het bedrijfsgebouw zijn de woningen Soeterbeek 6, 8, 9, 10, 11 gelegen. In het kader van het initiatief is derhalve een akoestisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 5.4 wordt hier verder op ingegaan.

5.4

Geluid

Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Het Bkl bevat geluidsregels die zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied rekening met het belang van het beschermen van gezondheid en milieu. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op een geluidgevoelig object gelegen binnen het aandachtsgebied van een geluidbronsoort. Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, dan is het geluid in ieder geval aanvaardbaar (hoofdregel Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar toelaten.

Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluid boven de grenswaarde is, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan. De eisen uit het Bkl zijn van toepassing op het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Artikel 5.78r van het Bkl stelt dat de eisen niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen voor zover die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan.

28

Geluid door activiteiten Artikel 5.1.4.2 kent een splitsing tussen geluid door activiteiten en geluid door specifieke activiteiten, dit artikel is dan ook van toepassing op alle denkbare activiteiten, met uitzondering van geluid van woonactiviteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. Het staat echter de gemeenteraad vrij om hier geluidwaarden aan te stellen. Wegverkeerslawaai Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) bevat de geluidsgegevens van heel Nederland. Aan de hand van de CVGG kan worden afgelezen of een bepaalde locatie binnen een geluidsaandachtsgebied is gelegen. Momenteel is de CVGG nog niet volledig en ontbreken er nog gegevens. Op grond van het overgangsrecht (art. 17.5 Or) geldt in dat geval aan weerszijde van de weg een geluidsaandachtsgebied op basis van richtafstanden. Beschrijving

Aandachtsgebied

Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid van ≤ 30 km/u

100 meter

Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid > 30 km/u, of;

200 meter

Een spoorweg bestaand uit 1 of 2 sporen Een weg bestaande uit 3 of meer rijstroken, of;

350 meter

Een spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen

Woningen Soeterbeek 6 en 7 De huidige bedrijfswoning aan de Soeterbeek 7 betreft reeds een geluidsgevoelig object. Door de wijziging van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning is er dus geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. De woning blijft zoals aanwezig in stand. Het initiatief voorziet daarnaast is het betrekken van een garage / berging en stal bij de woning Soeterbeek 6. Hiermee is eveneens geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object, Er hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. (pré)mantelzorgwoning Soeterbeek 7 Inpandig in de bestaande woning aan de Soeterbeek 7 wordt daarnaast een (pré)mantelzorgwoning gerealiseerd. In het kader van deze ontwikkeling is een akoestisch onderzoek3 uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt: ▪ dat onderzoek in het kader van de Wgh in deze situatie niet aan de orde is; ▪ dat de plannen geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende bedrijven; ▪ dat een goed woon- en leefklimaat op de onderzoekslocatie gewaarborgd is. Bedrijf aan huis Soeterbeek 7 Initiatiefnemer exploiteert op de locatie Soeterbeek 7 een bedrijf aan huis in de vorm van een kleinschalig metaalbewerkingsbedrijf. De bedrijfsactiviteiten aan de Soeterbeek 7 bestaan met name uit het lassen en monteren van het metaal.

Initiatiefnemer is op zoek naar een grotere en beter geschikte locatie voor dit bedrijf aan huis echter tot een geschikte locatie is gevonden wenst initiatiefnemer dit bedrijf aan de Soeterbeek 7 te blijven exploiteren. Om de effecten van het bedrijf aan huis op de omgeving te onderzoeken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd4.

3 HMB B.V., akoestisch onderzoek Soeterbeek 7/7a Baarlo, 30 maart 2023, kenmerk: 23217801N 4 HMB B.V., akoestisch onderzoek Soeterbeek 7 Baarlo, 19 februari 2024, kenmerk: 24215001N

29

Voor het toelaten van een zogenoemde ‘locatie gebonden activiteit’ in de nabijheid van geluidgevoelige gebouwen gelden op grond van het ‘Besluit kwaliteit leefomgeving’ (Bkl) instructieregels. Het bevoegd gezag past deze instructieregels toe bij het vaststellen van een omgevingsplan, buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit. Het doel van dit onderzoek is het toetsen van het optredende geluid aan de regels uit de Omgevingswet. Uitgaande van de in hoofdstuk 2 vermelde punten zijn de optredende geluidimmissiewaarden als gevolg van de beoogde activiteit bepaald met behulp van een overdrachtsberekening conform de Meet- en rekenmethode geluid industrie (bijlage IVh van de Omgevingsregeling). LAr,LT : uit het onderzoek volgt dat aan alle geldende eisen voldaan kan worden. LAmax : uit de beoordeling volgt dat piekwaarden als gevolg van in- en uitrijdende voertuigen de norm overschrijden. De ernst van de situatie lijkt echter niet bijzonder groot, zie ook §6.2. Gezien de optredende waarde, de geringe frequentie van voorkomen (uitsluitend overdag), het tijdelijke karakter van de inrichting en het feit dat er geen klachten bekend zijn over de reeds bestaande activiteit, lijkt alleszins sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voorgesteld wordt dan ook om de genoemde transportbewegingen middels maatwerkvoorschrift toe te staan.

Indirect: uit het onderzoek volgt dat aan alle geldende eisen voldaan kan worden. Uit het onderzoek volgt dat exploitatie van het bedrijf vanuit akoestisch oogpunt alleszins inpasbaar is in de lokale omgeving. Aanvullende geluidreducerende maatregelen zijn niet noodzakelijk.

5.5

Luchtkwaliteit

Het gebruik van de fysieke leefomgeving kan ongewenste bijwerkingen met zich meebrengen op het gebied van luchtkwaliteit. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Hier worden de grenswaarden beschreven voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het toestaan van de activiteit: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;

30

c.

een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,5 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,9 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 11,4 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Het Besluit NIBM Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) aan de concentratie van een bepaalde stof. Voor deze activiteiten is dan ook geen toetsing noodzakelijk De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (artikel 5.53 en 5.54 Bkl) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Een project is in NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Onderhavig initiatief voorziet in het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het realiseren van een bedrijf aan huis ter plaatse van de Soeterbeek 7. Het initiatief voorziet daarnaast in het betrekken van een schuur bij het woonperceel van de Soeterbeek 6 Uitgaande van een worst-case scenario is er sprake van 28,9 verkeersbewegingen per etmaal. (nadere toelichting aantal verkeersbewegingen paragraaf 5.13). Met behulp van de NIBM-tool 2022 is bepaald of dit extra verkeer in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer ruimschoots onder NIBM valt.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2024

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

28,9

Aandeel vrachtverkeer

7,0%

NO2 in μg/m3

0,04

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie

1,2

De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Afbeelding 13. Uitsnede NIBM-tool

31

Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen conform Ow en Bkl en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.

5.6

Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Rijksregels zouden zorgen voor het relatief vaak moeten vaststellen van maatwerkvoorschriften. Daarom is uitgangspunt dat geurhinder vooral in decentrale instrumenten zoals in het omgevingsplan wordt geborgd. Artikel 5.92 Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Artikel 5.91 geeft aan dat geurgevoelige gebouwen in ieder geval gebouwen met een woon-, onderwijs-, of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang betreffen.

Ondanks dat geur vooral een lokaal aspect is, is het voorkomen of beperken van geurhinder één van de oogmerken van de rijksregels artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over het verplicht binnen uitvoeren van activiteiten en beperkingen van emissies naar lucht die indirect ook een positief effect hebben op geuremmissies. De regels over geur in paragraaf 5.1.4.6 zijn een voortzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en voor zover het gaat om de geurregels voor het houden van landbouwhuisdieren zijn deze regels ook een voortzetting van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurregels beogen eenzelfde beschermingsniveau te bieden en voorzien in een beleidsneutrale omzetting. Gemeenten leggen in het omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijke omgevingsplan dan gelden, indien van toepassing de gemeentelijke geurverordening, of op grond van artikel 22.1 en 22.2 Ow de geurregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat en maken deze deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege.

Veehouderijen Conform artikel 22.3.6.2 BS geldt dat de geur op een geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied, niet meer mag bedragen dan 8,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouderij 8,0 Ou/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste van 50 meter (gevel stal) en 100 meter (emissiepunt stal). De woning Soeterbeek 6, Soeterbeek 7a en de (pré)mantelzorgwoning aan de Soeterbeek 7 kunnen geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 1 kolometer rondom het plangebied zijn echter geen veehouderijen gelegen. Geconcludeerd kan worden door de grote afstanden tot veehouderijen dat ter plaatse geen sprake kan zijn van geuroverlast.

32

Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De voormalige bedrijfswoning en de (pré)mantelzorgwoning aan de Soeterbeek 7 en 7a en de woning aan de Soeterbeek 6, welke verder van de intensieve veehouderijen zijn gepositioneerd dan bestaande woningen, hebben derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen.

5.7

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid, ofwel omgevingsveiligheid. Regels omtrent externe veiligheid zijn gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico die op een locatie is toegestaan. In het Bkl (bijlage VII) is een lijst opgenomen met activiteiten die aangewezen zijn als risicobron. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels omtrent het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; ▪ Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ▪ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen; ▪ Windturbines. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico (GR) Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).

33

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van de risicokaart bevinden er zich in de wijde omgeving geen risicovolle activiteiten (zie afbeelding 14).

Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen een beschermingszone van mogelijke omliggende risicovolle activiteiten.

Afbeelding 14. Uitsnede risicokaart met plangebied rood omlijnd

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.8

Trillingen

Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een spoorweg.

34

Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Derhalve vormt het aspect trillingen geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

5.9

Water

Bij het realiseren van nieuwe bebouwing en/of het toestaan van nieuwe activiteiten kan er sprake zijn van wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen in het Bkl. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat bij de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden met het waterbelang. Het is van belang om bij ruimtelijke ontwikkelingen duiding te geven aan het waterbelang en de gevolgen voor het beheer van het watersysteem. De opvattingen van het bestuursorgaan (of de bestuursorganen) dat is belast met het beheer van het watersysteem moeten bij de planvorming betrokken worden. Daarnaast gaat paragraaf 5.1.3 van het Bkl specifiek in op onderdelen van het watersysteem die van rijksbelang zijn. Voor Peel en Maas is hierin paragraaf 5.1.3.4, grote rivieren specifiek van belang. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen.

5.9.1 Waterbeleid Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de provinciale omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan.

Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

35

5.9.2

Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie)

Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het projectgebied aangeduid als hoge bruine enkeerdgronden bestaande uit lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het projectgebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45-0,75 m/dag. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2021. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat in de nabijheid van het plangebied de Kwistbeek stroomt. Op deze watergang is de Keur van het waterschap van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergang niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Onderhavig initiatief voorziet niet in het realiseren van nieuwe bebouwing. Daarnaast bevindt het plangebied zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. Afvalwater De locaties Soeterbeek 6 en 7 en de loods van de Soeterbeek 7 zijn reeds aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Dit wordt niet gewijzigd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 5.9.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) De gemeente Peel en Maas streeft naar het afkoppelen van hemelwater.

Het hemelwater afkomstig van de nieuwe bebouwing dient dan ook op eigen terrein te worden opgevangen. Voor het bufferen en infiltreren van het hemelwater eist het waterschap dat minimaal een bui van T=100 kan worden geborgen. Onderhavig initiatief voorziet niet in een wijziging van de waterhuishoudkundige situatie aangezien geen nieuwe bebouwing wordt opgericht. Daarnaast wordt er geen industrieel afvalwater geloosd op het openbaar vuilwaterriool. Onderhavig initiatief is daarmee waterhuishoudkundig gezien niet relevant.

5.10 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen worden middels een planologische beschermingszone vastgelegd. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Conclusie Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.

5.11 Natuur De Europese natuurwetgeving was in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden.

36

De Wnb gaat in het kader van de Omgevingswet op in het Aanvullingsbesluit natuur en Aanvullingsregeling Natuur. Deze overgang is beleidsneutraal, de thans geldende normenkaders, instrumenten en bevoegdheidsverdeling blijven dan ook ongewijzigd. 5.11.1 Flora en fauna Binnen het plangebied vinden geen (bouw-)werkzaamheden plaats die een invloed kunnen hebben op de aanwezige flora en fauna. Het initiatief betreft uitsluitend een functionele wijziging van het plangebied. Derhalve worden er geen nadelige effecten verwacht op eventueel voorkomende flora en fauna en is er geen inventariserend onderzoek uitgevoerd. 5.11.2 Natura2000 Regels omtrent stikstofdepositie zijn geregeld in artikel 22.20 Ow. Hierin staat vermeld dat de regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven geleden tot bij een koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is, mits uitgesloten kan worden dat een project geen merkbaar c.q. negatief effect heeft voor wat betreft de stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura2000-gebieden.

Een mogelijk negatief effect komt voort door verzuring en/of vermesting, van het initiatief, op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOX of NH3 ), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Stikstofdepositie kan plaatsvinden, afhankelijk van het beoogde project, gedurende de (ver)bouw-/aanlegfase, sloopfase en gebruiksfase. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Deurnsche- en Mariapeel, ligt op circa 11,3 km van het plangebied. Over een afstand van 11,3 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Gebruiksfase Volgens AERIUS Calculator leidt een (vrijstaande) woning tot een emissie NOx van 3,0 kg/jaar. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van de woningen is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen’. Er is uitgegaan van de functie ‘koop, huis, vrijstaand’ en van het gebiedstype buitengebied in matig stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert één dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereren de beide woningen binnen het plangebied 17,2 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,6 voertuigen.

Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van het bedrijf aan huis is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren; van parkeercijfers naar parkeernormen’. Er is uitgegaan van de functie ‘bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief’ en van het gebiedstype buitengebied in matig stedelijk gebied. Op basis van de kencijfers genereert dit type bedrijf per etmaal minimaal 3,9 en maximaal 5,7 verkeersbewegingen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte (BVO). Het bedrijf heeft een BVO van 170 m2. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het bedrijf aan huis 9,7 verkeersbewegingen. Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Daarnaast komt er twee keer in de week een vrachtwagen op de locatie voor het laden en lossen van materialen. Dit komt neer op 0,28 vrachtwagens per dag aan zware verkeersbewegingen.

37

Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 10,2 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie.

Afbeelding 15. Uitsnede berekening AERIUS Calculator

Conclusie De stikstofemissie neemt door het gebruik van de woningen Soeterbeek 6 en 7 toe met 10,2 kg NOx per jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator (bijlage 2) niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden. 5.11.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden.

Afbeelding 16. Uitsnede kaart NatuurNetwerk Limburg met plangebied rood omlijnd

38

Conclusie Ten noorden van het plangebied is het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Limburg gelegen. Dit betreft een dennen-, eiken-, en beukenbos. Het onderdeel van het NatuurNetwerk Limburg is gelegen op 30 meter afstand. Het plangebied maakt zelf geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Limburg, dus ook niet van het Natuurnetwerk Nederland. Daar de ontwikkeling niet plaats vindt binnen het Natuur Netwerk vormt het initiatief derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding hiervan.

5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het culture erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen. 5.12.1 Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Gedurende de overgangsfase zijn de regels omtrent het aspect archeologie nog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Deze zijn opgenomen in het gemeentelijke archeologiebeleid, op termijn worden deze regels opgenomen in het Omgevingsplan. Ook zijn er in de bruidsschat enkele bepalingen opgenomen over de aanvraagvereisten bij het slopen van bouwwerken in een gemeentelijke of rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. De gemeente Peel en Maas heeft voor haar grondgebied een archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Conform deze advieskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Conform het tijdelijke omgevingsplan zijn aan het plangebied dan ook de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ toegekend. In de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 100 m² oppervlakte. In de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ zijn de volgende ondergrenzen gesteld wanneer archeologisch onderzoek dient plaats te vinden: 40 cm diepte en 250 m² oppervlakte.

Een bodemingreep waarbij de bodem niet dieper dan 40 cm geroerd wordt is toegestaan bij beide archeologische waarden, ongeacht de oppervlakte. Een bodemingreep waarbij de bodem wel dieper dan 40 cm geroerd dient van tevoren onderzocht te worden op archeologische waarden indien de te verstoren oppervlakte meer dan 100 m² bedraagt ter

39

plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en meer dan 250 m2 bedraagt ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Onderhavige ontwikkeling voorziet niet in grondwerkzaamheden, het betreft louter een functiewijziging van reeds bestaande bebouwing. Derhalve worden de ondergrenzen voor archeologisch onderzoek niet overschreden. Een archeologisch onderzoek is niet benodigd. Wel wordt de archeologische dubbelbestemming in dit TAM-omgevingsplan gehandhaafd. 5.12.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het Bkl zijn ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl)..

Deze gaan over: ▪ het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en archeologische monumenten; ▪ het voorkomen van verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend is vereist voor het behoud van die monumenten; ▪ het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden; ▪ het voorkomen van aantasting van de omgeving van rijksmonumenten, voorbeschermde rijksmonumenten en monumenten; ▪ het voorkomen van aantasting van het karakter van beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen; ▪ het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ. Het plangebied is gelegen binnen een beschermd cultuurlandschap echter er is geen sprake van de sloop van de bestaande bebouwing of van de bouw van nieuwe gebouwen. Het initiatief heeft louter betrekking op het wijzigen van de agrarische functie naar een woonfunctie met behoud van de bestaande bebouwing. De gemeente Limburg heeft de cultuurhistorisch waardevolle objecten opgenomen in de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=9004f8b7-1422-4642-86a7-f5c89246fd7b