CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-078 03 Toelichting (geanonimiseerd)

Raad 27 juni 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “Bestemmingsplan Vieruitersten 24 Meijel”, wijziging van Agrarisch- Intensieve veehouderij naar Agrarisch Grondgebonden en vergroten van het bouwvlak (2024-078)19.119 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

voor huisvesting van ruiters,

grooms en/of stagiaires en een soort van skybox van waaruit bezoekers kunnen kijken naar het trainen van de paarden. Tevens zal een gedeelte van het gebouw gebruikt worden als opslagruimte

voor

hindernissen,

materialen

en werktuigen.

De

goothoogte

van

het gebouw

komt uit op 5 meter. Deze hoogte is nodig om te kunnen springen met de paarden in de binnenrijbak. De bouwhoogte komt hierbij uit op ca. 11 meter. In de professionele paardenhouderij is de toegepaste maatvoering gebruikelijk.

4.

Opslagloods met guarantainestallen: Deze opslagloods wordt gebruikt voor staliing van machines zoals een tractor, shovel, verreiker en vrachtwagens. Verder is hier plaats voor opslag van diervoeders

en strooisel. Tevens

zal in dit gebouwen

twaalftal

paardenboxen

geplaatst

worden om paarden in quarantaine te kunnen houden. Gezien de wereldwijde transporten van dieren is het noodzakelijk om paarden tijdelijk te kunnen afzonderen van de andere paarden. De

goothoogte

van dit gebouw

komt

uit op 5.75

meter.

Deze

hoogte

is nodig

om

met een

vrachtwagen{(s) in dit gebouw te kunnen komen. Tevens is deze hoogte gewenst om voldoende strooisel, hooi, zaagsel, vlas op te slaan. Als de hoogte teruggebracht wordt, zou het oppervak van het gebouw

5.

6.

groter moeten worden.

Bij een gebruikelijke dakhelling komt de bouwhoogte

uit op 8.90 meter. Mestvaalt: Erzal een mestvaalt gerealiseerd worden voor de opslag van de paardenmest. Mest wordt regelmatig, cirea elke 2 weken met een container afgevoerd. Gedurende de opslag wordt de mest afgedekt. Longeercirkel: tussen de opslagloods en de mestvaalt wordt een overdekte longeercirkel gerealiseerd. Deze heeft een diameter van 18 meter en wordt voorzien van een overkapping.

De hoogte komt uit op ca. 4.5 meter.

Vastgesteld

25

7.

Buitenrijbak: Aan de overzijde van de Vieruitersten zal een grote buitenrijbak gerealiseerd worden. Deze vloedsysteem.

buitenrijbak zal uitgerust worden met moderne voorzieningen zoals een ebDaarmee wordt onder andere stofvorming tijdens het paardrijden tot een

minimum beperkt. 8.

Graspiste: Rondom de buitenrijbak zal een graspiste aangelegd worden. Deze graspiste zal een natuurlijk karakter krijgen doordat in deze piste onder andere de natuurlijke

hemelwaterinfiltratievoorziening geïntegreerd zal worden. Op de graspiste zal 3 tot 4 keer per jaar een training gehouden worden. Er is hier geen sprake van permanente beweiding.

In afbeelding 10 is de beoogde bebouwing schetsmatig weergegeven. De nummering van de gebouwen in deze afbeelding komt overeen met de nummering in bovenstaande opsomming.

Afbeelding 10. Schetsmatige weergave planvoomemen. Zwart omlijnd het plangebied, rood omlijnd het oude bouwviak, groen omlijnd het nieuwe bouwvlak. De grijze vlakken met zwarte randen betreffen de beoogde bedrijfsgebouwen, in geel omlijnd de buitenrijpak n in oranje omlijnd de graspiste.

De skybox zoals hierboven genoemd onder punt 3 is dusdanig gepositioneerd dat deze zicht heeft op de binnenrijbak en de buitenrijbak. Vanuit hier kunnen de verrichtingen van de paarden goed gevolgd worden door bezoekers en relaties. Het is daarom ook essentieel dat de buitenrijbak komt te liggen op de plaats waar deze in het plan gepositioneerd is. Een andere situering maakt dat het zicht op de buitenenrijpak vanuit de skybox verloren gaat. Dat is ongewenst. Andere redenen om de buitenrijpak op de gekozen locatie te positioneren zijn:

a.

Scheiden van verkeer en paarden. Vanuit de stallen lopen de paarden tussen de woning en de rijhal naar de buitenbak. Hier komt geen verkeer. Het is namelijk niet gewenst dat paarden en

Vastgesteld

26

in- en uitkomend verkeer elkaar kruisen.

Dat leidt enerzijds tot onrust en kan tot gevaarlijke

situaties leiden. Een andere positionering van de rijbak (bijvoorbeeld tegen watergang aan) maakt dat verkeer en paarden kruisen.

b.

©.

de westelijke

In de huidige situering is de afstand tussen buitenrijbak en paddocks zo groot mogelijk. Op het moment dat deze dichter bij elkaar gebracht worden, beïnvloeden de paarden in de paddocks de paarden waarop gereden wordt in de buitenrijbak. Dat leidt tot onrust bij het trainen van de paarden. Dat is niet gewenst. Door de huidige positionering komt de graspiste te liggen aan de zijde van de watergang. In de graspiste komt een waterpartij te liggen die jaarrond water bevat en voorzien wordt van aanplant. Deze ligt aan de zijde van het struinpad. Initiatiefnemer is van mening dat de graspiste met waterpartij voor de wandelaars op het struinpad een grotere toegevoegde waarde heeft op de beleving dan een buitenrijbak.

Aanvullend hierop kan nog gemeld worden dat in het oorspronkelijke plan was voorzien om de buitenrijbak en de schuur, longeercirkel en mestopslag tegen de kadastrale grens aan te plaatsen. In het nu voorliggende plan wordt er een buffer gecreëerd tussen de buitenrijbak, loods, longeercirkel en mestopslag ten opzichte van omliggende percelen met daarin ruimte voor water en groen om daarmee een minder harde overgang te creëren tussen de bedrijfsmatige activiteiten en omliggende percelen. In de afbeelding hieronder is een impressie gegeven van de aanzichten van de nieuwe bebouwing. In de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen zal de exacte uitvoering van de bebouwing bepaald worden.

Afbeelding 11 Impressie aanzichten nieuwe rijnal

Vastgesteld

27

Afbeelding 13: impressie aanzicht ontvangstruimte/kantoor

Bij de bouw zullen zoveel mogelijk natuurlijke materialen toegepast worden, zoals hout en steen. Verder zal de nieuwe bebouwing landschappelijk ingepast worden zodat het geheel in een fraai groen kader komt te liggen. Zie daarvoor verder paragraaf 4.3.

4.2 Stedenbouwkundige / ruimte

e aspecten

Vanwege de geïsoleerde ligging, aan een door autoverkeer niet of nauwelijks gebruikte weg, heeft het plan nauwelijks effect hebben op ruimtelijke en stedenbouwkundige aspecten. Het plangebied is voor voorbijgangers in eigenlijk alleen waarneembaar over relatief grote afstand wanneer zij over de Vieruitersten rijden. Wandelaars over de Vieruitersten en het struinpad lopen dichter langs de bebouwing

en hebben

daarmee

een beter zicht op de bebouwing

en activiteiten.

Daarbij

steekt de

huidige bedrijfsbebouwing af tegen de groene achtergrond ('t Molentje). Dit vanwege een grijze en witte kleurstelling van de gebouwen en het gebrek aan een goede landschappelijke inpassing, dit met uitzondering van de huidige woning. In de beoogde situatie zal bij het ontwerp van de bedrijfsbebouwing qua architectuur veel meer aangesloten worden bij een natuurlijke kleurstelling en er wordt tevens aandacht geschonken aan een goede landschappelijke inpassing. Zie daarvoor ook paragraaf 4.3.

Vastgesteld

28

4.3 Landschappelijke inpassing Voor de locatie is door Viforis een inpassingsplan opgesteld. Dit inpassingsplan bijlage 4.

In paragraaf

3.3

is hier reeds

uitgebreid

op ingegaan.

In het

is terug te vinden in

inpassingsplan

is rekening

gehouden met het paletadvies dat de Kwaliteitscommissie Buitengebied heeft uitgebracht. De maatregelen die toegepast worden hebben een omvang van 7.788 m2. Hiermee wordt er ruimschoots voldaan aan het gemeentelijke kwaliteitskader.

Vastgesteld

29

5. RANDVOORWAARDEN

/ RESULTATEN

ONDERZOEKEN

Met het uitbreiden van het bouwvlak dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid

en

milieuzonering

voor

het

plangebied

wordt

in de

navolgende

paragrafen

beschreven.

Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de ontwikkeling voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieu

5.1.1 Milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen

van een

noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen

milieubelastende en

milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een ljst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied.

Milieucategorie

Richtafstand rustige woonwijk

2

30

10

31

50

30

32

100

50

41

200

100

42

300

200

51

500

300

52

700

500

1

53 6

Richtafstand gemengd gebied

10

0

1000 1500

700 1000

Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het

achterliggende

idee

is

dat

de

gevoeligheid

van

een

gebied

mede

afhankelijk

is

van

het

omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van

het type gebied

kan

een

correctie worden

toegepast

op

de afstanden

die zijn genoemd

in de

standaardljst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied s te typeren met het omgevingstype rustige woonwijk of daarmee vergelijkbaar gebied.

Vastgesteld

30

In de

bestaande

situatie

is er sprake

van

een

intensieve

veehouderij

(vleesstieren)

waarbij

een

richtafstand geldt van 100 meter. Op basis van de VNG brochure dienen er bij paardenhouderijen richtafstanden aangehouden worden. Deze afstanden zijn 50 meter voor geur, 30 meter voor stof en geluid en 0 meter voor gevaar. Uit de kleinere richtafstanden kan de verwachting uitgesproken worden

dat in de beoogde situatie de mate van hinder zal afnemen. De meest bepalende afstand is die voor geur en bedraagt 50 meter. De dichtstbijzijnde burgerwoning is

gelegen op een afstand van circa 128 meter aan de Molenbaan 35. Het betreft hier de afstand tussen de bouwvlakken. De daadwerkelijke afstand tussen de rand van het bouwvlak aan de Vieruitersten 24 en de woning

aan de Molenbaan

35 is groter, namelijk 151

meter.

Alle andere woningen van derden

liggen op nog grotere afstand. Daarmee kan er ruimschoots aan de richtafstanden voldaan worden. De paardenhouderij valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Hiervoor zal

gelijktijdig met de aanvraag voor de omgevingsvergunning ingediend worden.

een melding

voor het onderdeel

bouwen

Nadere beschouwing bestaande bedrijfsactiviteiten ten opzichte beoogde situatie Ten tijde van het verwerven van de locatie rustte er op de locatie een vergunning voor het houden van 380 vleesstieren in combinatie met een veehandel. Ondertussen is er op 13 oktober 2022 een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) verleend voor het houden 243 vleesstieren en 21 paarden. De dieren worden 2 x per dag gevoerd met een tractor. Per keer duurt dat ca. 1,25 uur. Per week wordt er 1 keer vee aangevoerd en 1 keer dieren afgevoerd. Daarnaast wordt er krachtvoer gebulkt in de voersilo's, mest gemixt, mest afgevoerd met drijfmesttonnen, voer ingekuild met een laadschop en mais aangevoerd in kiepwagens. Daarnaast worden de percelen landbouwgrond behorende bij het bedrif intensief bewerkt door de teelten van mais, aardappelen, bieten en vergelijkbare gewassen. De bedrijfsmatige activiteiten zullen in de beoogde situatie minder intensief zijn dan in de bestaande situatie. Het laden van paarden gaat veel rustiger dan het laden en lossen van vleesstieren. Mest wordt bij de paarden in een container afgevoerd, bij de stieren gebeurt dat met drijfmesttonnen. De hoeveelheid voer die voor de paarden nodig is bedraagt slecht een fractie van de hoeveelheid die nodig is bij stieren. Voeren van de paarden gebeurt handmatig, bij de stieren gebeurt dat met tractor/laadschop.

Uitmesten van de paardenstallen gebeurt handmatig, waarbij de mest met verreiker/laadschop naar de mestopslag wordt getransporteerd.

een een

In de beoogde situatie worden dagelijks paarden met vrachtwagen en/of auto's met trailer afgevoerd dan wel aangevoerd. 1 keer per 2 weken wordt er (stro)mest afgevoerd, krachtvoer/strooisel wordt ook 1 keer per 2 weken aangevoerd. Het aanta! verkeersbewegingen in de bestaande en de beoogde situatie is vergelijkbaar met elkaar. In de paardenhouderij zal de nadruk meer op de dagperiode liggen, waarbij in de stierenhouderij meer activiteiten in de avond- en nachtperiode plaatsvinden. De percelen grond zullen gebruikt worden als buitenpiste, buitenrijpak, paddocks en als grasland. De bedrijfsvoering is hier minder intensief dan bij akkerbouwmatige teelten zoals die voorheen plaatsvonden. Binnen deze percelen kunnen paarden, al dan niet met ruiter, aanwezig zijn. Deze zullen tot minder verstoring leiden, dan bij activiteiten met landbouwmachines. De mate van verstoring en mogelijke vormen van overlast zijn in de beoogde situatie kleiner dan in de bestaande situatie. Dit geldt niet alleen voor mensen, maar tevens voor diersoorten die zich in de directe

Vastgesteld

31

omgeving van het plangebied bevinden.

Uit de quickscan flora-fauna blijkt dat er op een afstand van

100 meter van het plangebied geen negatieve effecten meer te verwachten zijn. Het onderdeel milieuzonering vormt daarmee geen beperking voor onderhavig plan.

5.1.2 Geluid

Het wettelijk kader bij ruimtelijke procedures is de Wet geluidhinder. Op 1 januari 2007 i de gewijzigde Wet geluidhinder (hierna Wgh) in werking getreden. Deze wet biedt geluidgevoelige bestemmingen, zoals

woningen,

bescherming

tegen

geluidhinder

van

geluidsbronnen:

wegverkeer,

spoorwegen,

industrie en luchtvaart, op basis van zonering. Onderhavig initiatief behelst onder andere het vergroten van het bouwvlak voor het realiseren van nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing. Bedrijfsgebouwen zijn geen geluidgevoelige objecten. De huisvesting van ruiters, grooms en/of stagiaires is te vergelijken met

functies als hotel/motel/vakantiewoning/recreatiewoning. Op basis van deze Wet geluidhinder worden deze als niet geluidgevoelig beschouwd. Een nadere toetsing aan de Wet geluidhinder is dan ook niet benodigd. Gezien de ligging van de nieuwe huisvestingsruimte voor ruiters, grooms en/of stagiaires aan de achterzijde van de overdekte rijhal en daarmee op grote afstand van de openbare weg en andere activiteiten ligt het voor de hand dat hier sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat. Geluid van het eigen bedrijf Geluidemissie vanuit agrarische bedrijven, in dît geval vanuit de paardenhouderij, wordt veroorzaakt door transportbewegingen, door activiteiten op het buitenterrein, door activiteiten binnen de gebouwen

van de inrichting en door installaties aanwezig op het bedrij. Conform de indicatieve bedrijvenlijst van de VNG wordt voor paardenhouderijen een richtafstand van minimaal 30 meter gehanteerd ten aanzien van geluid. De afstand van het te vergroten bouwvlak tot aan geluidgevoelige objecten, zijnde woningen van derden, bedraagt ruim meer dan 30 meter. Verder valt de paardenhouderij Indien tussen 19.00 en 6.00

in de beoogde situatie onder de werking van het Activiteitenbesluit. uur er gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen met

vrachtwagens plaatsvinden en/of er binnen 50 meter van de grens van het bedrijf geen geluidgevoelige

objecten gelegen zijn is een akoestisch onderzoek in beginsel niet noodzakelijk. Voor onderhavige locatie wordt aan beide voorwaarden voldaan en dus i een akoestisch onderzoek in beginsel niet noodzakelijk. Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhayig initiatief. 5.1.3 Luchtkwaliteit

De kern van de ‘Wet luchtkwaliteit’ bestaat uit de (Europese)

luchtkwalliteitseisen. Riijjk, provincies en

gemeenten werken samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. De bestuursorganen dienen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit grenswaarden

in acht te nemen.

De vaststelling van een bestemmingsplan

wordt in de jurisprudentie

aangemerkt als de uitoefening van een bevoegdheid die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit. Door middel van onderhavig plan wordt het bouwvlak van het bedrijf vergroot en vindt een omschakeling plaats van een intensieve veehouderij naar een paardenhouderij.

Achtergrondwaarden Rondom

het plangebied

bevinden

zich diverse wegen

stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze

Vastgesteld

bronnen

als emissiebronnen

zijn opgenomen

van

luchtverontreinigende

in de achtergrondconcentraties,

32

zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en

zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per kmvak de huidige achtergrondconcentraties weer.

Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PMes) ter plaatse 10,0. ug/ms, de concentratie fijn stof (PM1o) 18,0 ug/m? en de concentratie stikstofdioxide (NO:) 14,0 ug/ms. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2s 25 ug/ms, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PMo 40 ug/ms bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 ug/ms.

Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende, waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Etfect op luchtkwaliteit De beoogde ontwikkeling zal leiden tot het volgende aantal vervoersbewegingen van en naar het plangebied: = _ Halen en/of brengen van paarden: 6 vrachtbewegingen per dag (3x in en uit) = Leveren van materialen, voer en/of strooisel of ophalen van mest: 2 vrachtbewegingen per dag (xinen uit)

= = =

Privé: 6 verkeersbewegingen per dag (3x in en uit) Ruiters, grooms enof stagiaïres: 16 verkeersbewegingen per dag (8x in en uit) Bezoekers: 6 verkeersbewegingen per dag (3x in en uit)

Bij bovenstaande is uitgegaan van een worstcasescenario. Zo zal bijvoorbeeld lang niet elke dag een vrachtwagen komen voor het leveren van materialen, voer en/of strooisel of het halen van mest. Verder wordt er nu geen rekening mee gehouden dat er in de bestaande situatie ook al verkeersbewegingen van en naar het plangebied plaatsvinden. In totaal komen bovenstaande verkeersbewegingen uit op 36 extra verkeersbewegingen per dag, waarvan 22,2% vrachtverkeer. 36 extra verkeersbewegingen in een woongebied (ook om uit te gaan van een worstcasescenario) betreft een weekdaggemiddeld van 36 x 0,9 = 32,4 extra verkeersbewegingen.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie] Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

|Maximale bijdrage extra verkeer

NO2 in pg/m*)| PM in pg/m)|

|Grens voor "Niet In Betekenende Mate” in ug/m?

0,07 0,01

1.2|

Conclusi

Afbeelding 14. Rekenresutaat NIBM-Tool

Vastgesteld

33

Deze

extra verkeersgeneratie

is ingevoerd

in de NIBM-Tool,

zoals opgesteld door het ministerie van

Infrastructuur en Milieu en Kenniscentrum Infomil, zie afbeelding 8. Hieruit blijkt dat nader onderzoek naar de invloed van onderhavig planvoornemen op de luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

5.1.4 Bodem en grondwaterkwaliteit

Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt is voor de beoogde planologische regeling en het daarin toegestane gebruik. In het kader van de vergroting

van

het bouwvlak

dient te worden

beoordeeld

of de

uiteindelijke

bodemkwaliteit

van

de

uitbreidingsgronden uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aan zekere kwaliteitsnormen voldoet om te voorkomen dat op verontreinigde grond wordt gebouwd. Derhalve is voor onderhavige planlocatie een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. Het bodemonderzoek betreft een historisch bodemonderzoek voor het volledige kadastrale perceel Meijel F 2598 en 2599 en tevens een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van het vigerende bouwvlak. Uit de resultaten van dit bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. Ter plaatse van kadastrale percelen Meijel F 2598, 2599, 232, 1597 en 1866 (ged.) is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk. De bestemming van deze gronden wijzigt namelijk niet naar een meer gevoelig gebruik. Conclusie

Het aspect bodem en grondwaterkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.1.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid s gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In het kader van de bestemmingswijziging, om zodoende de bouw van de nieuwe bebouwing mogelijk te maken, moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Beví-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes).

Volgens de risicokaart (htips://www.risicokaart.nl) liggen er binnen 500 meter van het plangebied geen risicovolle inrichtingen. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Het plangebied is gelegen aan de Vieruitersten. Over deze weg, alsmede over de omringende wegen binnen 500 meter van het plangebied vindt geen risicovol transport plaats dat invloed heeft op het plaatsgebonden of het groepsrisico. Risicovol transport per spoor In de wijde omgeving rond het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van een spoorlijn.

Vastgesteld

34

Risicovol transport over het water

Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een transportroute over de weg of het water die in het kader van externe veiligheid beoordeeld moet worden. Risicovolle buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen

het invloedsgebied

van

een

buisleiding.

In de omgevings

van

het

plangebied is ook geen sprak van risicovolle buisleidingen. Conclusie

In de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle objecten/inrichtingen gelegen en het plangebied

valt tevens niet binnen de risicocontour van een risicovol object. Een verantwoording ten aanzien van zowel het plaatsgebonden risico als ook het groepsrisico is daarmee niet noodzakelijk. Naar

aanleiding

van

het

brandveiligheidsadvies

wordt

in

het

kader

van

de

zelfredzaamheid

en

bestrijdbaarheid het standaard advies voor het toxisch scenario (gifwolk) opgenomen: e _ Gebouwen zijn voldoende luchtdicht af te sluiten zijn door middel van het sluiten van ramen en deuren

en ventilatie af te schakelen.

e _ Als er voor de ventilatie een installatie benodigd is, dan zal deze middels een hoofdschakelaar op een makkelijk bereikbare plek af te schakelen zijn. De knop kan bijvoorbeeld in de meterkast e

geplaatst worden of in de nabijheid van een eventueel benodigde brandmeldcentrale. De aanwezige personen worden op de hoogte gebracht van de risico’s in de omgeving en het handelingsperspectief.

Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering in het kader van dit bestemmingsplan.

5.1.6 Geur

Rondom veehouderijen speelt geur een belangrijke rol n de milieuwetgeving met betrekking tot deze veehouderijen. Om dit aspect te kunnen reguleren bestaat de Wet geurhinder en veehouderij (verder: Wvg).

De Wgv dient in het belang van de bescherming

van het milieu. De wet biedt binnen gestelde

voorwaarden bescherming tegen geurhinder. De Wgv en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij (verder: Rgv) vormen samen het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wogv kent verschillende normen voor concentratiegebieden Concentratiegebieden zijn gebieden die als zodanig zijn aangewezen Row).

In

niet-concentratiegebieden

gelden

strengere

normen

dan

en niet-concentratiegebieden. in de Reconstructiewet (verder: in

concentratiegebieden.

De

gemeente Peel en Maas is op grond van de Rcw gelegen in een concentratiegebied voor landbouw. De Wgv kent ook verschillende normen voor gebieden gelegen binnen de bebouwde kom en gebieden gelegen buiten de bebouwde kom. Gebieden die binnen de bebouwde kom liggen krijgen meer bescherming dan gebieden die buiten de bebouwde kom liggen. Dit heeft te maken met het feit dat binnen de bebouwde kom meer mensen kunnen wonen of verblijven, waardoor sprake kan zijn van meer geurhinder. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat

het in het algemeen bedrijfsgebouwen.

om

gebouwen

bestemd

voor

wonen

en

verblijf,

zoals

woningen

en

Hieronder wordt tevens begrepen een logiesfunctie. Het aspect geur valt uiteen in twee onderdelen: de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting.

Vastgesteld

35

Eigen bedrijvigheid

Binnen de inrichting worden paarden gehouden. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij gelden er voor deze diersoort vaste afstanden. Ten eerste dient de afstand tussen een gevel van een dierenverblijf en de gevel van geurgevoelige objecten van derden ten minste 25 meterte bedragen. Ten

tweede dient de afstand tussen een emissiepunt van dierenverblijven en de gevel van een geurgevoelig object ten minste 50 meter voor geurgevoelige objecten in het buitengebied en 100 meter voor objecten n de bebouwde

kom

te bedragen.

Binnen

een

straal van

50 meter rondom

het bouwvlak zijn geen

geurgevoelige objecten gelegen. Daamaast is de afstand tot woningen in de bebouwde kom vele malen groter dan 100 meter. Daarmee wordt voldaan aan de benodigde afstanden. Geur vanuit

andere bedrijven

Binnen de inrichting wordt huisvestingsruimte gecreëerd voor het huisvesten van ruiters, grooms en/of stagiaires.

Deze

bebouwing

zou beschouwd

kunnen

worden

als geurgevoelige

bebouwing.

Er dient

beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze bebouwing sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor wat dat betreft dient er zowel gekeken te worden naar de voorgrondbelasting als naar de achtergrondbelasting van geur. Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting bedoeld van die veehouderij (de dominante veehouderij) welke de meeste geur bij het geurgevoelig object veroorzaakt, hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dichtbij het geurgevoelig object is gelegen. De

dichtstbijzijnde intensieve veehouderij betreft het vleesveebedrijf aan de EN

Gezien de

vergunde geuremissie kan dit bedrijf als de dominante veehouderij gezien worden. Onderhavige planlocatie is in het buitengebied gelegen. Formeel gezien hoeft er geen berekening plaats te vinden omdat de Vieruitersten 24 een veehouderij betreft waar dieren gehouden worden waarvoor geen emissiefactor voor is vastgesteld. Op grond van de bepalingen in de Wet geurhinder en veehouderij dient er getoetst te worden aan de vaste afstand van 50 meter voor gevoelige objecten in het buitengebied. Om toch een indicatie te geven van de geurbelasting is er een worstcase geurberekening gemaakt met het programma V-Stacks vergunning. Er is sprake van een worstcase berekening daar er vanuit gegaan

is dat de volledige geuremissie van de veehouderij aan de B

op de hoek van het eigen

bouwvlak vrijkomt. In werkelijkheid is de afstand tot de emissiepunten van de stallen groter en zal de feitelijke geurbelasting dus lager zijn. Uit de uitgevoerde berekening (bijlage 7) blijkt dat de hoogst berekende geurbelasting 3,9 o.u. bedraagt, daar war op grond van de Wet geurhinder een belasting van 14.0 toegestaan is. Daarmee wordt de ruimschoots onder het maximum van 14 0.u. gebleven. Wat dat betreft vormt het aspect voorgrondbelasting geen beperking voor onderhavig initiatief. Achtergrondbelasting Onder de achtergrondbelasting

verstaan

we

de

geurbelasting

als

gevolg

van

de

veelheid

aan

veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. In afbeelding 12 is een uitsnede weergegeven uit de 'Structuurvisie en Plan Mer intensieve veehouderij en glastuinbouw’ het betreft een uitsnede uit de kaart ‘Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder’. Uit deze kaart bljkt dat het leefklimaat ter plaatse van het plangebied ten aanzien van geurhinder als matig tot slecht te beschouwen is. Dit komt echter doordat ter plaatse op het moment van opstellen van de kaart ter plaatse de volledige dierbezetting van 380 vieesstieren vergund was. Na het saneren van de vleesveehouderij zal de geurbelasting binnen de plangrenzen aanzienlijk afnemen. Verder is ook de vergunning van de ten westen gelegen intensieve veehouderij (varkenshouderij) ondertussen ingetrokken. Ook dit zal leiden tot een verbetering van het leefklimaat. Op basis van de beoordeling van het leefklimaat van omliggende gronden wordt verwacht dat het

Vastgesteld

36

leefklimaat na de beoogde ontwikkeling op goed uit zal komen.

Derhalve kan gesteld worden

dat er

sprake is van een aanvaardbare ontwikkeling. E

zeer goed

ò

goed °

7

redelijk goed

©

matg

tamelijk slecht

°

slecht

@ Afbeelding

15.

Uitsnede

kaart ‘Beoordeling

leefklimaat

op basis

van

de

indicatieve

M M

zeer slecht oxtreem slecht

achtergrondbelasting

ten aanzien

van

geurhinder — huidige situatie" uit de "Structuurvisie en Plan Mer intensieve veehouderij en glastuinbouw

Conclusie

Het onderdeel geur vormt geen beperkende factor voor onderhavig planvoornemen.

5.2 Kabels, lei

gen en straalpaden

Volgens het vigerende bestemmingsplan of de kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg komen

binnen, of in de directe omgeving van, het plangebied geen

kabels of leidingen voor,

met een dusdanige beschermingszone dat zij de ontwikkeling belemmeren. Andersom betekent het dat de ontwikkeling geen belemmering veroorzaakt voor aanwezige kabels of leidingen.

5.3 Ecologie De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming. Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende

planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen

en in

stand te houden.

Vastgesteld

37

Flora

en fauna

Ten aanzien van de voorgenomen sloopwerkzaamheden is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde flora en fauna, zie bijlage 8 (M&A rapportnr. 221-MVi24-nw-v2, 30-082022).

Uit het locatiebezoek

dienen

te worden.

is gebleken

dat er ter plaatse geen

soorten voorkomen

die beschermd

Het aspect flora en fauna vormt dan ook geen beperking voor onderhavig planvoornemen.

Natura2000-gebieden Het

dichtstbijzijnde

wettelijk

beschermde

Nederlandse

natuurgebied,

het

Natura

2000-gebied

Deurnsche Peel & Mariapeel (deelgebied ‘t Zinkske) ligt op circa 700 meter van het plangebied. De Groote Peel ligt op circa 2,8 kilometer van het plangebied. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen

van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000-gebied te beoordelen. De afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is te groot om te leiden tot directe negatieve gevolgen ter plaatse van het Natura2000-gebied (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc). Volledigheidshalve wordt nog vermeldt dat er rond de buitenbak en graspiste geen verlichtiging wordt aangebracht. Door de uitspraak van de Raad van State inzake de PAS zijn alle ontwikkelingen die leiden tot een depositie van meer dan 0.00 mol per hectare vergunningplichtig. Onderhavige ontwikkeling kan gesplitst worden in de aanlegfase en de gebruiksfase. De aanlegfase betreft de fase dat de oude bedrijfsgebouwen gesloopt worden en de nieuwe bedrijfsbebouwing opgericht wordt. De gebruiksfase houdt in dat de nieuwe bedrijfsbebouwing in gebruik is. Voor wat betreft de aanlegfase geldt dat deze een lagere emissie fors lagere ammoniakemissie en depositie omvat dan de vigerende Whb vergunning en de beoogde bedrijfssituatie. De aanlegfase is op basis van intern salderen als niet vergunningplichtig te beschouwen. Volledigheidshalve is een berekening gemaakt met het programma Aerius (bijlage 2) waarbij de vigerende Wnb vergunning is afgezet tegen de realisatiefase. Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van effecten groter dan de vigerende Wnb toestemming.

De realisatiefase kan daarmee als intern salderen beschouwd worden en is daarmee niet vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.

Voor wat betreft de gebruiksfase geldt dat voor de huidige bedrijfsvoering, het houden van vleesvee, een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet aanwezig is. Deze vergunning ziet toe op het houden van 380 stuks vleesvee A6.100, goed voor een ammoniakemissie van 2014 kg. In de beoogde situatie worden op locatie 40 paarden gehouden, goed voor een ammoniakemissie van 200 kg. Daarmee is dus sprake van een forse afname van ammoniakemissie vanuit de locatie. Effecten ter plaatse van Natura2000 gebieden zijn daarmee uit te sluiten. Dat blijkt ook uit de opgestelde Aerius berekening (bijlage 2). Op basis van de huidige beleidsregels intern en extern salderen van de Provincie Limburg is daarmee sprake van intern salderen en geldt du thans geen vergunningplicht.

5.4 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde

Vastgesteld

38

inzicht geven in het functioneren van dt systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het

Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als ook het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden.

Voor

onderhavig

plan

waterhuishoudkundig

is

tevens

een

Waterhuishoudkundig

(bijlage

1)

opgesteld.

In

het

plan wordt uitvoerig ingegaan op de beleidsmatige aspecten en de effecten van

de onderhavig plan op de grondwaterhuishouding. van het rapport. 5.4.1

plan

Deze alinea geeft alleen een beknopte weergave

Beleidskader

Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, de POVI, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: « vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); = voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infilreren-afvoeren. Daamaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen:

= =

herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur;

= _ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; « duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwalliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; « een vellige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.

In

de

onderstaande

paragrafen

wordt

nader

op

deze

punten

ingegaan.

Hieruit

blijkt

dat

het

planvoornemen passend is binnen het beleidskader.

5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie)

Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied ligt nagenoeg vlak. De maaiveldhoogte varieert tussen 31,8 en 32,2 meter

+NAP. De originele bodem bestaat volgens (leemarm en moerige podzolgronden).

de

bodemkaart

Conform de algemene gegevens van het Waterschap bodemdoorlatendheid te hebben van 0,75 tot 1,50 m/dag.

Vastgesteld

van

Limburg

Nederland

blijkt

het

uit veldpodzolgrond

plangebied

een

goede

39

Ter plaatse van de infiltratievoorziening bevindt de GHG zich op een diepte van ca. 1.0 meter beneden maaiveld. Dit komt overeen met de daadwerkelijke situatie in het winterseizoen.

Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Wel bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied enkele primaire watergangen waaronder de Molenbaan, het Molentje en het Kanaal van Deurne.

Met

onderhavig

planvoornemen

zullen

de

beschermingszones

van

deze

watergangen

gerespecteerd worden. In de bestaande situatie wordt het vrijwel al het hemelwater wat op de daken valt middels goten opgevangen en rechtstreeks geloosd op het oppervlaktewater. Afvalwater / riolering Het vuilwater is thans aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een Omgevingsverordening Limburg 2014.

grondwaterbeschermingsgebied,

zoals

vastgelegd

in de

Grondwater

In de bestaande situatie krijgen de dieren grondwater als drinkwater. Ook de stallen worden gereinigd met grondwater. Hiervoor is op eigen terrein een bron (< 10 m3 / uur) aanwezig. De kwaliteit wordt in de gaten gehouden door jaarlijks een monster te nemen en te onderzoeken. Deze onttrekking was ten tijde van de aankoop van de locatie door initiatiefnemer (nog) niet vergund, de voormalig eigenaar was niet op de hoogte van een vergunningplicht voor deze onttrekking. Bij het Waterschap Limburg is hiervoor op 11 oktober 2022 alsnog een vergunning aangevraagd, deze is op 15 december 2022 verleend. Daarmee is de onttrekking van grondwater gelegaliseerd. Uit het waterhuishoudkundig plan (bijlage 1) blijkt dat er geen negatieve effecten optreden.

5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Dit plan

heeft onder

andere

tot doel

het vergroten

van

een

bouwvlak

om

de

bouw

van

een

nieuw

bedrijfsgebouw met bijbehorende voorzieningen te realiseren. Door de vergroting van het bouwvlak kunnen er nieuwe daken en verhardingen gerealiseerd worden. Dit betreft een toename van het verhard oppervlak.

ledere

toename

van

verhard

oppervlak

dient zoveel

mogelijk

geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee verharding een wateropgave kan worden bepaald.

‘hydrologisch

neutraal

op basis van de toename

te

van

Bij volledige invulling van het bouwplan zoals initiatiefnemer het beoogd omvat het plan nieuwe daken ter grootte van ongeveer 7.288 m2: 1. Nieuwe stallen, kantoor en receptie= _ 2.000 m2

2.

Nieuwe indoor rijhal=

3.510 m?

3. 4.

Nieuwe loods met guarantainestallen= Overkapte longeercirkel=

1.100 m? 314 m?

5.

Mestopslag=

364 m?

Het water dat hierop kan vallen, zal geïnfiltreerd worden

op eigen perceel.

De

nieuwe

erfverharding

(max. 5.000 m2) wordt aangelegd als waterpasserende bestrating met daaronder een infitrerend pakket, of onder afschot aangelegd waardoor het regenwater dat valt op de erfverharding volledig op eigen terrein infiltreert.

Vastgesteld

40

Normes

- Bui T=10 (50 mm): benodigde capaciteit 7.288 x 50 / 1000 = 364 m? - Bui T=100 (100 mm): benodigde capaciteit 7.288 x 100 / 1000= 729 m Dit betekent dat er een minimum benodigde opvangcapaciteit van 729 m? aanwezig dient te zijn. De infiltratievoorziening zal gerealiseerd worden in de graspiste aan de zuidzijde van de Vieruitersten.

Hier kan de voorziening in de vorm van een poel een toegevoegde waarde zijn voor de beleving van het landschap, mede omdat deze dan op relatief korte afstand ligt van het ‘struinpad' waarvan veel wandelaars gebruik maken.

Ter plaatse bedraagt de GHG 2021

bevond

in de winterperiode ca. 1 meter beneden

het grondwater zich op hetzelfde niveau.

maaveld.

Door de voorziening

Op 22 december

uit te graven

tot ca. 2,5

meter beneden maaiveld zal de poel jaarrond water bevatten. Om voldoende inhoud te hebben zal de voorziening ter plaatse van het maaiveld een oppervlak krijgen van ca. 972 m2. Daarmee wordt voldaan aan de voorschriften van het Waterschap Limburg. In de dimensionering is rekening gehouden met een

waakhoogte van 25 centimeter. Daarmee is de kans op overstromen van de voorziening vrijwel uitgesloten. Tevens is er op 9 februari 2023 door het Waterschap Limburg een vergunning verleend om bij extreme regenval een overloop te realiseren op “Sloot 2337". Met deze overloop mag er maximaal

5.4 m3 hemelwater per uur geloosd worden. Er treden daarmee geen negatieve effecten op qua water. Het verbruik van grondwater zal in de beoogde situatie afnemen omdat de paarden veel minder water

drinken dan het vleesvee. De hoeveelheid reinigingswater zal vrijwel geliijk blijven. Het eb- en vloedsysteem heeft geen negatieve effecten. Op het moment dat er (te) veel neerslag valt wordt het water

naar graspiste

gepompt,

waar

het in de bodem

kan

infiltreren.

Er is geen

overloop

naar

het

oppervlaktewater. Daarmee blijft het water op het perceel zelf. Deze situatie zal in de praktijk nauwelijks voorkomen. In de winterperiode wordt gebruik gemaakt van de binnenrijbak en wordt de buitenbak en graspiste niet gebruikt. Dan maakt het niet uit of er veel of weinig water n de buitenbak staat. Alleen in

lente/zomer/najaar als er plotseling veel regen valt en er moet buiten gereden worden, kan het voorkomen dat er water vanuit de buitenbak in de graspiste gepompt wordt. Op het moment dat het systeem te weinig water bevat wordt dat met grondwater aangevuld. Daarmee zijn er vanuit dit systeem

geen negatieve effecten te verwachten. Het

vuilwater

opgevangen

afkomstig

worden

van

in een

de

wasplaatsen

voor

put en uitgereden op

paarden

en

landbouwgrond

reinigingswater

van

of voorgezuiverd

stallen

zal

of

en ter plaatse

infitreren.

Het vuilwater van de huisvesting van de ruiters, grooms en/of stagiaires, de ontvangstruimte voor de gasten en de bestaande voorzieningen zoals toiletten en kantoorruimte wordt geloosd op de gemeentelijke drukriolering. Voor het lozen op de drukriolering geldt een norm van maximaal

1 m3 per

uur. In een worst-case scenario zijn er maximaal 15 personen gelijktijdig op de locatie aanwezig. Volgens

het CBS

wordt

er per inwoner

ongeveer

300

liter afvalwater per dag

geloosd

(inclusief

afvalwater van bedrijven en hemelwater). Uitgaande van 15 personen die maximaal aanwezig zijn binnen de locatie zou de hoeveelheid uitkomen op 4.5 m3 afvalwater per dag. Stel dat het afvalwater verspreid over 12 uur per da

vrijkomt,

komt er per uur 0.375 m3 afvalwater vrij. Daarbij dient opgemerkt

te worden dat er in dit geval geen hemelwater en bedrijfsafvalwater op het riool geloosd wordt. De daadwerkelijk te lozen hoeveelheid zal daarom aanzienlijk lager zijn. Er zal daarmee geen overbelasting van het gemeentelijke riool plaatsvinden.

Vastgesteld

a

Verder

zal

geen

gebruik

gemaakt

worden

van

uitlogende

materialen

zoals

zink

en

koper.

De

paardenmest wordt opgeslagen in opslag met afdekking zodat geen hemelwater met meststoffen in de infitratievoorziening / bodem terecht komt. Ter onderbouwing van onderhavig bestemmingsplan is er een Waterhuishoudkundig plan opgesteld door H2Opinion (bijlage 1). Uit deze rapportage blijkt dat er voor het onderdeel water geen nadelige gevolgen te verwachten zijn door realisatie van onderhavig plan. Dit geldt zowel voor de onttrekking van

hemelwater uit de put, het aanbrengen van verhardingen als het infiltreren van hemelwater van daken en verhardingen.

5.5 Archeologie en cultuurhistorie 5.5.1

Cultuurhistorie

De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In de Provinciale Omgevingsverordening is aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdljnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. De POVI schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Conform de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart bevinden er zich in de directe omgeving rondom het plangebied geen cultuurhistorische elementen. 5.5.2 Archeologie De gemeente Peel en Maas heeft n 2011 een archeologisch beleidsplan vastgesteld. In dit beleidsplan is onder andere vastgelegd hoe met gebieden met een bepaalde waardering wordt omgegaan. Volgens de gemeentelijke beleidskaart archeologie geldt voor een gedeelte van onderhavig plangebied de zone van 'Waarde-Archeologie 2’. De door de gemeente vastgestelde ondergrenzen voor deze zone is 100 m? en 40 cm.

Vastgesteld

42

í

Î;

HECECND

H LI i

Ë

|

' l [

Afbeelding 16. Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Peel en Maas.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied is er door Econsultancy een “adviesdocument archeologie” opgesteld, zie bijlage 9. Hierin wordt aangegeven dat de archeologische waarde van de boerderij twijfelachtig is. De boerderij is van veel latere oprichting dan opgenomen op

de kaart, daarom wordt geadviseerd dat nader archeologisch bureau- en boordonderzoek niet nodig is. Derhalve

is de

archeologische

dubbelbestemming

in

dit

bestemmingsplan

van

de

verbeelding

verwijderd. Onderhavig plan leidt derhalve niet tot aantasting van archeologische waarden.

5.6 Verkeer en parkeren Het projectgebied ligt aan een doodlopende aftakking van de Vieruitersten, een ontsluitingsweg in het buitengebied. De locatie is in noordelijke richting via onder andere de Vuurlinie en Koeweideweg redelijk

goed ontsloten op de A87. In paragraaf 5.1.3. is aangegeven

verkeersbewegingen

dat het aantal bewegingen

in de beoogde situatie in totaal op 36

per dag uitkomt, waarvan 22,2% vrachtverkeer.

Hierbij is nog geen rekening

gehouden met het feit dat er nu ook al verkeersbewegingen van en naar het plangebied plaatsvinden

Vastgesteld

43

ten behoeve van het vleesveebedrijf. Per saldo zal geen sprake zijn van een significante toename van

verkeersbewegingen. Om de nieuwe bebouwing aan te kunnen sluiten op de openbare weg worden op eigen terrein nieuwe verhardingen aangelegd. Ter plaatse van de Vieruitersten zal deze aansluiten op de openbare weg. Hier is momenteel ook al een in- en uitrit aanwezig. Op basis van de nota parkeernormen van de gemeente Peel en Maas dienen er voor de 8 ruiters/grooms minimaal 5,6 parkeerplaatsen aanwezig te zijn (bij zelfstandige kamerverhuur is de norm 0,7 per kamer). Hieraan wordt voldaan. Parkeren vindt, net zoals in de huidige situatie, plaats binnen de begrenzing van

het projectgebied. Het erf beschikt hiervoor over een meer dan voldoende omvang. In de beoogde situatie zijn er 18 parkeerplaatsen voor auto's en 4 parkeerplaatsen voor vrachtwagens.

Als van de 18 aanwezige parkeerplaatsen er 9 gebruikt worden door de ruiters, grooms en/of stagiaires zijn er nog 9 parkeerplaatsen beschikbaar voor bezoekers/gasten. Dat is meer dan voldoende. De parkeercapaciteit voor zowel personenauto's als voor vrachtverkeer is daarmee ruim voldoende.

5.7 Milieueffectrapportage Het besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur. Het Besluit m.er. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e. (beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Het besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: A.

Onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden;

m

Onderdeel B is reeds vervallen;

C.

Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is; Onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.

D.

beoordeling verplicht is. In onderdeel

D staan de activteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt: er moet

beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. In kolom 2 ‘gevallen’ staan drempelwaarden waar in kolom 1 benoemde activiteiten aan moeten voldoen. In bijlage D van het Besluit m.er. (D 14) is de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren opgenomen. Ten aanzien van paarden ligt de drempelwaarde bij 100 stuks. Het voorgenomen initiatief ziet toe op het houden van 40 paarden en is daarmee niet rechtstreeks m.e.r-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.er.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit Lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het Besluit m.e.r. dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling,

Vastgesteld

44

de diepgang

kan

echter anders

zijn en er zijn geen

vormvereisten.

Voor deze

toets wordt de term

vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Om te bepalen of al dan niet een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld dient te worden kan men een aanmeldnotitie opstellen om vooraf een besluit te nemen over de noodzaak voor het opstellen en procedureel doorlopen van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In de aanmeldnotitie dient ten minste ingegaan te worden op de volgende selectiecriteria:

1. 2

De kenmerken van het project; De plaats van het project;

3.

De kenmerken van de potentiële gevolgen.

Deze criteria zullen in de navolgende paragraaf beoordeeld worden. Beoordeling Kenmerken van het project Het aantal te houden dieren ten opzichte van de bestaande milieutoestemming (besluit 13 oktober 2022) wijzigt van 243 stuks vleesstieren (A6.100) en 21 paarden (K1.100) naar 40 paarden (K1.100). De omvang van het project ten aanzien van de bestaande situatie en de drempelwaarde m.e.r. rechtvaardigen geen vormvrije m.e.r.-beoordeling.

uit het Besluit

Plaats van het project Het plangebied is gelegen aan de Vieruitersten 24 te Meijel. De Vieruitersten is gelegen in het buitengebied ten noordoosten van de kern Meijel. Het plangebied is niet gelegen in een Natura2000gebied of een verbindingszone binnen het Nederlands Natuurnetwerk. De locatie is reeds al voor geruime tijd in gebruik en bebouwd ten behoeve van een agrarische bedrijfsvoering. De plaats van het project rechtvaardigt geen vormvrije m.e.r-beoordeling. Kenmerken van de potentiële gevolgen Het project ziet toe op een wijziging ten opzichte van de bestaande milieutoestemming wijzigt van 243 stuks vleesstieren (A6.100) en 21 paarden (K1.100) naar 40 paarden (K1.100). Te verwachten effecten hangen samen met veranderingen ten aanzien van zowel voor- als ook achtergrondbelasting van geur, fijnstof, stikstofdepositie op Natura2000 gebieden, verkeer’geluid, gezondheid en waterhuishouding. Al deze aspecten zijn in hoofdstuk 5 van onderhavig bestemmingsplan behandeid. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieueffecten naar voren gekomen die een belemmering kunnen opleveren voor onderhavig initiatief Conclusie

Onderhavige onderbouwing

kan beschouwd worden

als een vormvrije m.e.r. omdat deze voldoende

informatie bevat om de effecten inzichtelijk te maken. milieueffectrapportage rechtvaardigen.

Vastgesteld

Uit het plan

blijken geen

effecten

die een

45

6. JURIDISCHE

ASPECTEN

In dit hoofdstuk

inzicht gegeven

wordt

in de wijze waarop

de gewenste

ruimtelijke

en functionele

ontwikkeling van het plangebied in dît bestemmingsplan juridisch is vertaald.

De locatie Vieruitersten 24 maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas zoals vastgesteld op 24 december 2014. Het plangebied is daarin bestemd als Agrarisch — Intensieve

veehouderij’ (ter plaatse van het bouwvlak), 'Agrarisch’ (ter plaatse van de cultuurgronden en het niet geasfalteerde deel van de Vieruitersten) en ‘Verkeer' (ter plaatse van het geasfalteerde dee! van de Vieruitersten). Het vigerende bouwvlak heeft een oppervlakte van 10.080 m2. Verder gelden al dan niet

gedeeltelijk de dubbelbestemmingen ‘Waarde — Archeologie — 2' en 'Waterstaat — Beschermingszone watergang en de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone - _ verwevingsgebied’, ‘reconstructiewetzone

— extensiveringsgebied’,

‘wro-zone

— wijzigingsgebied

2 ko' en

‘wro-zone

—

wijzigingsgebied 6 bn’. Ten opzichte van dit plan wordt het bestaande bouwvlak gedeeltelijk van vorm veranderd en daarnaast per saldo ook vergroot tot een oppervlak van 17.412 m2. Verder wordt de bestemming

intensieve veehouderij weggenomen

en krijgt perceel Meijel F 2598, 2599 en 1866 (ged.)

de bestemming ‘Agrarisch — Grondgebonden’. Verder worden twee functieaanduidingen toegevoegd te weten ‘ijbak' en 'specifieke vorm van groen — landschappelijke inpassing Vieruitersten 24’. Ter plaatse van de buitenrijbak wordt de bestemming eveneens gewijzigd naar “Agrarisch — Grondgebonden”. Aan

deze bestemming wordt geen bouwvlak toegekend, dit om te voorkomen dat er gebouwen opgericht kunnen worden. Wijziging vindt uitsluitend plaats om er een buitenrijbak met eb- en vloedsysteem aan te kunnen leggen.

Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch

instrumentarium

voor

het regelen

van

het gebruik

van

de

gronden

en

gebouwen

en

bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding

heeft een ondersteunende

rol voor toepassing

visualisering van het bouwvlak. De verbeelding vormt samen het bestemmingsplan.

van de regels alsmede de functie van

met de regels het bindende onderdeel van

De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het planvoornemen.

6.1 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is het bestemmingsvlak weergegeven met het van vorm veranderde en het vergrootte bouwvlak. Verder is de enkelbestemming van perceel Meijel F 2598, 2599 en 1866 (ged.) gewijzigd naar ‘Agrarisch — Grondgebonden’ en zijn de functieaanduidingen rijbak', 'specifieke vorm van groen —

landschappelijke inpassing Vieruitersten 24' en ‘specifieke vorm van wonen — huisvesting ruiters, grooms en/of stagiairs' toegevoegd. Verder vinden er geen wijzigingen plaats. Binnen het bestemmingsvlak (20.290 m2) is een bouwvlak (17.412 m2) opgenomen.

Dat om overdimensionering

te voorkomen. Binnen het bouwvlak is in beperkte mate nog ruimte beschikbaar. Deze ruimte is benodigd om op het terrein met vrachtwagens/tractoren te kunnen manoeuvreren. Vanuit bedrijfsmatige aspecten

ligt het niet voor de hand

om

hier n de toekomst

bebouwing

aan te brengen.

Het

is niet

wenselijk om het bouwvlak nog verder te verkleinen, dat neemt de gewenste flexibiiteit uit het plan weg.

Vastgesteld

46

Ter plaatse

van

de

buitenrijbak

is eveneens

een

bestemmingsvlak

opgenomen

(6.485

m2)

zonder

bouwvlak om hier de aanleg van de buitenrijbak met eb- en vloedsysteem mogelijk te maken.

6.2 Toelichting op de planregels De planregels zijn overgenomen

van het vigerende bestemmingsplan

‘Buitengebied

Peel en Maas'.

Hierin zijn enkele regels gewijzigd ten aanzien van het huisvesten van ruiters, grooms en/of stagiairs.

Ook is opgenomen dat het bouwvlak voor maximaal 50% bebouwd mag worden met bedrijfsgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, daaronder niet begrepen de bedrijfswoning en bijpehorende bouwwerken

bij de bedrijfswoning. Tevens zijn de regels op enkele punten geactualiseerd en opnieuw

genummerd.

Vastgesteld

47

7. UITVOERBAARHEID, 7.1

Economische

INSPRAAK

EN PROCEDURE

uitvoerbaarheid

De bestemmingswijziging geschiedt geheel voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden.

In het kader van de Grex-wet is met de bestemmingswijziging sprake van een bouwplan. Daartoe zal een

anterieure

overeenkomst

tussen

de

gemeente

Peel

en

Maas

en

de

in een tussen de gemeente

Peel

en

Maas

en de

initiatiefnemer

opgesteld

worden.

Planschade

is geregeld

initiatiefnemer afgesloten

overeenkomst. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Peel en Maas komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingswijziging moeten Burgemeester en Wethouders overleg plegen met het waterschap, andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met betrokken rijks- en provinciale diensten. Van dit vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken

diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.

7.2.1 Inspraakprocedure Het voorontwerpplan wordt niet ter inzage gelegd ten behoeve van de wettelijke inspraakprocedure.

7.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro De Provincie Limburg heeft naar aanleiding van het vooroverleg een aantal opmerkingen gemaakt. Deze

opmerkingen zijn in deze toelichting verwerkt. Meer specifiek gaat het om de volgende aanpassingen: Toekomstbestendigheid

van de locatie: de Provincie heeft aangegeven

dat de initiatiefnemer zich

bewust dient te zijn dat het bedrijf is gelegen in een omgeving met natuurgebieden en daarbij het verbeteren van deze natuurgebieden nadrukkelijk onderwerp van maatschappelijk en bestuurlijk-politiek gesprek is. De toelichting is hierop in paragraaf 3.2. (pagina 13, 2° alinea) aangevuld.

Ligging

ten

Veehouderij:

opzichte

van

gebieden

die

beschermd

worden

door

de

Wet

Ammoniak

en

in paragraaf 3.1 (pagina 13) is een extra “kopje” toegevoegd waarin wordt ingegaan op

de Wet Ammoniak en Veehouderij. Keuze voor bestemming:

in paragraaf 3.3 (pagina 20) is gemotiveerd waarom er voor de bestemming

Agrarisch-Grondgebonden is gekozen en waarom dat in dit geval een juiste bestemming is. Toetsing

aan

provinciaal

beleid:

in

paragraaf

“Omgevingsverordening Limburg” toegevoegd. POL2014 verwijderd.

Vastgesteld

3.2

zijn de

In paragraaf 5.4.1.

“Omgevingsverordening

2014"

en

de

en 5.5.1 zijn de verwijzingen naar het

48

Instructieregels

Omgevingsverordening

Limburg:

in

paragraaf

3.2

(pagina

15)

is

een

extra

toelichting gegeven omtrent de instructieregels en hoe hier invulling aan gegeven wordt. In de planregels onder artikel 4.4.3 sub d is een verwijzing naar de SNF normen opgenomen. Gebiedsgerichte Aanpak Vitale Peel: Provincie Limburg heeft verzocht om een subparagraaf toe te voegen over de gebiedsgerichte aanpak vitale Peel. Deze is opgenomen in paragraaf 3. 2 (pagina 16). Beschrijving grondwatersysteem: de Provincie heeft verzocht om u te beschrijven welke effecten het initiatief heeft op de grondwaterstanden en grondwaterkwaliteit ter plaatse van en in de omgeving van het

plangebied.

In paragraaf

5.4.3

is hieraan

aandacht

besteed.

Verder

heeft

initiatiefnemer

een

Waterhuishoudkundig plan (bijlage 1 op laten stellen om de effecten inzichtelijk te maken. Advies Kwaliteitscommissie:

de Provincie adviseert om het plan pas voor te leggen aan de Raad als

er een volwaardig integraal advies is van de gemeentelijke Kwaliteitscommissie. geadviseerd om geen overgedimensioneerde paardenhouderij toe te staan.

Verder

wordt

Ten tijde van de vooroverlegreactie was er nog geen positief advies beschikbaar, ondertussen is dit er wel. Op pagina 25 en 26 van de planbeschrijving is aangegeven welke bebouwing er voor de bedrijfsvoering nodig is met bijbehorende maatvoering. Daarmee is er geen sprake van een overgedimensioneerde paardenhouderij. De goothoogte van de rijhal is teruggebracht naar 5 meter. De goothoogte van de opslagloods is teruggebracht naar 5.75 meter en de bouwhoogte is teruggebracht naar 8.90 meter. Ook deze beperkte hoogtes beperken een overdimensionering. In het ontwerpplan zijn deze hoogtes per abuis niet opgenomen. In het vast te stellen plan zijn deze hoogtes wel correct opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=6a6bb856-ac60-4a3c-bd9f-965430b1dba8