2024-078 03 Toelichting (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Pijnenburg
>
agrarisch advies & onroerend goed
BESTEMMINGSPLAN
“Vieruitersten 24 Meijel” Vastgesteld
Spoorweg 4 |5963 NJ Horst |T +31 (0)77 398 29 21 | F+31 (0}77 398 6800 E info@pijnenburgadvies.nl | www-pijnenburgadvies.nl
Document:
Bestemmingsplan “Vieruitersten 24 Meijel”
IDN:
NL.IMRO.1894.BPL0274-VG01
Status:
Vastgesteld
Datum:
9 april 2024
Aanvrager:
Lakeside
Auteur:
Farm
B.V.
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
Pijnenburg
>
agrarisch advies & onroerend goed
Spoorweg 4 5963 NJ Horst T+31(0)77 398 29 21 F+31 (0)77 398 68 oo
info@pijnenburgadvies.nl
INHOUDSOPGAVE
INHOUDSOPGAVE.. 1. INLEIDING..
1.1 Aanleiding en doel …
1.2 Plangebied en begrenzingen … 1.3 Vigerend bestemmingsplan … 2. BESCHRIJVING
VAN
HET
PLANGEBIED..
2.1 Algemeen… 2.2 Ruimtelijke structuur . 2.3
Functionele
structuur
3. BELEIDSKADER
…
…
3.1 Rijksbeleid… 3.2
Provinciaal
NonN
beleid…
3.3 Gemeentelijk beleid 4. PLANBESCHRIJVING
4.1 Uitgangspunten en doelsteliingen van het plan. 4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten 4.3 Landschappelijke inpassing 5. RANDVOORWAARDEN
5.1
/ RESULTATEN
ONDERZOEKEN
Milieu
5.1.1 Milieuzonering 5.1.2 Geluid
5.1.3 Luchtkwaliteil
5.1.4 Bodem en grondwaterkwaliteit 5.1.5 Externe veiligheid … 5.1.6 Geur
.
5.2 Kabels, leidingen en straalpaden… 5.3 Ecologie … 5.4 Waterhuishouding 5.4.1
Beleidskader.
5.4.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) … 5.4.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) … 6.5 Archeologie en cultuurhistorie … 5.5.1
Cultuurhistorie
5,5.2 Archeologie …
Vastgesteld
1
5.6 Verkeer en parkeren … 5.7 Milieueffectrapportage 6. JURIDISCHE
ASPECTEN
… ..
6.1 Toelichting op de verbeelding…
46
6.2 Toelichting op de planregels .
47
7. UITVOERBAARHEID, 7.1
Economische
INSPRAAK
uitvoerbaarheid
EN PROCEDURE …
48
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid … 7.3 Procedure
48
48
…
BIJLAGEN
OSONDAMONA
Waterhuishoudkundig plan (H2Opinion) Beoordeling Stikstofdepositie (Pijnenburg Agrarisch Adviesburo B.V.) Paletadvies Kwaliteitscommissie Buitengebied Landschappelijk inpassingsplan (Viforis) Bedrijfsontwikkelingsplan Verkennend bodemonderzoek (M3A)
Geurberekening B
(>ijnenburg advies)
Quickscan flora en fauna (M&A) Advies document archeologie (Econsultaney)
Vastgesteld
2
1. INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel (geanonimiseerd) exploiteert een paardenhouderij onder de naam Lakeside Farm BV., hierna te noemen e initiatiefnemer. Voorheen werd het bedrijf gerund vanuit de bedrijfslocatie in Heeze.
Deze locatie is
verkocht aan een derde waardoor er behoefte is aan een nieuwe bedrijfslocatie. Initiatiefnemer heeft daartoe de locatie aan de Vieruitersten 24 te Meijel verworven met als doel deze locatie om te vormen van een vleesstierenhouderij naar een paardenhouderij. Op de locatie aan de Vieruitersten zijn
momenteel een bedrijfswoning, een loods/schuur, stierenstallen en sleufsilo's aanwezig. Op de locatie rust een WABO- en een Wnb-vergunning voor het houden van 380 vleesstieren.
Voornemen is om op locatie circa 40 paarden te gaan houden. Om dit mogelijk te maken worden alle thans aanwezige bedrijfsgebouwen, met uitzondering van de woning, gesloopt en vindt volledige nieuwbouw plaats. In de beoogde situatie bestaat de bebouwing uit de bedrijfswoning, paardenstallen
nabij de bedrijfswoning met daarbij tevens huisvesting voor ruiters/grooms/stagiaires, een indoor-rijhal, een loods en een mestopslag.
Daarnaast wenst initiatiefnemer ook een buitenrijpak en paddocks te
realiseren.
Afbeelding 1. Ligging plangebied aan de Vieruitersten 24 (rood omlijnd).
De beoogde nieuwe bebouwing past niet binnen het bestaande bouwvlak. Tevens is ter plaatse van de beoogde buitenrijbak geen aanduiding in het bestemmingsplan opgenomen dat die hier aanwezig kan zijn. Daarnaast is het houden van paarden op de locatie nu niet toegestaan als hoofdactiviteit.
Vastgesteld
3
Het
is daarom
noodzakelijk
om
een
bestemmingsplanprocedure
te doorlopen
zodat
de
beoogde
Peel en Maas
voor het
wijzigingen ook juridisch-planologisch mogelijk gemaakt worden. Initiatiefnemer heeft daarom
een principeverzoek
ingediend
bij de gemeente
uitbreiden van het bestaande bouwvlak en het toestaan van het houden van paarden op de locatie. De gemeente heeft in de reactie op het principeverzoek aangegeven onder voorwaarden in te kunnen stemmen
onsonNs 2nN 9.
met het plan. De voorwaarden luiden als volgt:
Er aangetoond wordt dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening; Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd ten opzichte van de omgeving; Bestaande rechten in de omgeving gewaarborgd blijven;
De uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd is; Het plan uitvoerbaar is n het kader van de Wet natuurbescherming: Er aangetoond wordt dat de huisvesting van ruiters, grooms en/ of stagiaires noodzakelijk is
voor de bedrijfsvoering; Enkel dat gedeelte van de weg wordt verkocht wat voor uw nieuwe bouwvlak ligt; Er overeenstemming wordt bereikt met de eigenaren van de belende percelen omtrent de onttrekking van de weg aan de openbaarheid; Ergezorgd wordt voor een goede landschappelijke inpassing en goede samenhang van de locatie en dat er voldaan wordt aan het Kwaliteitskader buitengebied Peel en Maas.
Hierop wordt in dit plan uitgebreid ingegaan. Vooruitlopend daarop wordt aangegeven dat er over punt 8 geen overeenstemming is bereikt met 6&n van de eigenaren van belendende percelen. Daarom is en wordt er in dit plan geen invulling gegeven aan punt 7, zijnde de verkoop vaan een gedeelte van de openbare weg. Daarom zal er in dit plan ingegaan worden op de punten 1 tot en met 6 en punt 9.
1.2 Plangebied en begrenzingen De locatie Vieruitersten 24 is gelegen n het buitengebied ten noordoosten van de kern Meijel en maakt onderdeel uit van de gemeente Peel en Maas. De locatie is in noordelijke richting via onder andere de Vuurlinie en Koeweideweg redelijk goed ontsloten op de A67. Aan noordelijke en oostelijke zijde grenst het plangebied aan natuurgebied 't Molentje. Aan zuidelijke en westelijke zijde grenst het plangebied aan, hoofdzakelijk in eigendom zijnde, cultuurgronden. dichtstbijzijnde bebouwing van derden is op relatief grote afstand (circa 300 meter) gelegen. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen Meijel
De
F 2598, 2599, 1597, 232 en 1866 (ged.).
1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie Vieruitersten 24 maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas zoals vastgesteld op 24 december 2014. Het plangebied is daarin bestemd als Agrarisch — Intensieve veehouderij’ (ter plaatse van het bouwvlak), ‘Agrarisch' (ter plaatse van de cultuurgronden en het niet geasfalteerde deel van de Vieruitersten) en ‘Verkeer’ (ter plaatse van het geasfalteerde deel van de Vieruitersten). Het vigerende bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 10.080 m2. Verder gelden al dan niet gedeeltelijk de dubbelbestemmingen ‘Waarde — Archeologie — 2' en ‘Waterstaat — Beschermingszone watergang' en de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone — verwevingsgebied',
Vastgesteld
4
‘reconstructiewetzone — extensiveringsgebied’
'wro-zone — wijzigingsgebied 2 ko' en tenslotte 'wro-
zone — wijzigingsgebied 6 bn' op een klein stukje van de gronden.
Omliggende percelen vallen binnen hetzelfde bestemmingsplan en zijn bestemd als ‘Agrarisch’, ‘Water’ en 'Natuur’.
De beoogde realisatie van een paardenhouderij op deze locatie is niet rechtstreeks toegestaan binnen het vigerende bestemmingsplan omdat een paardenhouderij op basis van de vigerende planregels nu niet toegestaan is als hoofdactiviteit. Tevens is de aanleg van de buitenrijbak en de vergroting van het
bouwvlak
op basis van vigerende
planregels ook niet rechtstreeks mogelijk.
Om
de ontwikkeling
mogelijk te maken wordt er voor de locatie een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan, plangebied is rood omlijnd.
Vastgesteld
5
2. BESCHRIJVING
VAN
HET
PLANGEBIED
2.1 Algemeen De locatie Vieruitersten 24 is gelegen in het buitengebied ten noordoosten van de kern Meijel en maakt onderdeel uit van de gemeente Peel en Maas. De locatie is in noordelijke richting via onder andere de Vuurlinie en Koeweideweg redelijk goed ontsloten op de A87. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen Meijel
Afbeelding 3. Luchtfoto plangebied en omgeving,
F 2598, 2599, 1597, 232 en 1866 (ged.).
plangebied rood omlijnd.
Het plangebied behoort van oorsprong tot het bos- en heidegebied ‘Op de Scherliet’. Vanaf medio 1930 is zichtbaar dat dit gebied gedeeltelijk ontgonnen wordt en de landbouwactiviteiten rondom dit gebied toenemen/intensiveren. Medio 1970 is nagenoeg het volledige gebied ten westen van het Kanaal van Deurne in gebruik als grasland hoofdzakelijk ten behoeve van het weiden van vee. Vanaf 2010 wordt het gebied ten noorden en oosten van het plangebied weer omgeschakeld naar natuur. Het gebied wordt heden ten dage dan ook weer gekenmerkt door de bossen en aanwezige groenelementen rondom
het plangebied. Bij onderhavig planvoornemen wordt een landschappelijk inpassingsplan gerealiseerd waardoor ook binnen het plangebied meer aandacht geschonken wordt aan een groen kader, waarmee de ecologische waarden binnen het plangebied ook versterkt worden.
Vastgesteld
6
2.2 Ruimtelijke structuur De Vieruitersten vormt een bebouwingslint ten noordoosten van de kern van Meijel. Oudere en nieuwe bebouwing
wisselen elkaar af en verwijzen naar verschillende ontwikkelingsperioden.
De combinatie
van vrijstaande woningen afgewisseld met agrarische bedrijven en cultuurgronden, biedt een landelijke karakteristiek. De locatie aan de Vieruitersten 24 bevindt zich aan een doodlopende aftakking van de Vieruitersten.
2.3 Functionele
structuur
Van oorsprong betreft de Vieruitersten een agrarisch bebouwingslint aan de rand van bebost gebied. In
de omgeving van de locatie wisselen burgerwoningen en agrarische bedrijven elkaar af. De dichtstbijzijnde bebouwing van derden is op een relatief grote afstand van circa 300 meter van het plangebied gelegen. De kern van Meijel ligt op een afstand van ongeveer 1,5 kilometer (in vogelvlucht).
Voor wat betreft het watersysteem zoals dat in de omgeving functioneert wordt bij deze verwezen naar het Waterhuishoudkundigplan (bijlage 1).
Vastgesteld
7
3. BELEIDSKADER
3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro.
Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk i om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. B die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking
tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI
is de focus op een
nieuwe aanpak
van vraagstukken
in de fysieke
leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de ker van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: e _ ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; e _ duurzaam economisch groeipotentieel; e _ sterke en gezonde steden en regio's;
in vier verschillende prioriteiten
e _ toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschilende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: 3.
Afwentelen wordt voorkomen.
Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21
nationale belangen
geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelij is en waarop het resultaten wil boeken. Onderhavig initatief is op nationaal niveau dusdanig kleinschalig van aard dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor relevante nationale belangen.
Nationaal Programma Landelijk Gebied De
wil
voor
klimaatverandering.
overheid
Het
waterschappen,
gepresenteerd.
de
Nationaal
gemeenten,
oplossingen per gebied. het NPLG
2030
natuur
versterken,
Programma
maatschappelijke
de
waterkwaliteit
Landelijk partners,
Gebied
verbeteren
(NPLG)
grondeigenaren
en
gaat
en
meer
samen
grondgebruikers
doen
met op
tegen
provincies, zoek
naar
Het NPLG valt onder de Nationale Omgevingsvisie. Op 10 juni 2022 is de Startnotitie van De NPLG vormt de basis voor de uitwerking van de provinciale gebiedsprogramma's.
Deze gebiedsplannen dienen in juli 2023 vastgesteld te zijn Het NPLG richt zich op 3 kerndoelen, namelijk het realieren van een samenhangende aanpak realiseren van de Europese verplichtingen on het terrein van natuur, water en klimaat. Voor het thema natuur staat de reductie van
ammoniakdepositie centraal om aan de instandhoudingsdoelstellingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn te kunnen voldoen.
Onderhavig
plan leidt tot het herbestemmen
van een
intensieve
veehouderij
tot een grondgebonden
agrarisch bedrij (paardenhouderij) waarbij de ammoniakemissie en -depositie fors afnemen. de doelen
Dat past naadloos bij
uit het NPLG.
Voor wat betreft water wordt de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater meegenomen
als onderdeel van de
EU grondwaterrichtlijn, Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Onderhavig plan leidt tot het afkoppelen van het hemelwater van het oppervlaktewater. Er wordt niet meer rechtstreeks geloosd, maar ter plaatse geïnfitreerd in de bodem.
Dat draagt op een
positieve wijze bij aan
de doelstellingen.
Verder worden
er op en rond de locatie
weilanden aangelegd op percelen die nu in gebruik zijn als akerland en waarop diverse teelten plaatsvinden Weilanden
worden
minder intensief bemest,
er worden
minder gewasbeschermingsmiddelen
toegepast
en zijn
beter bestand tegen hogere grondwaterstanden. Ook dat is passend binnen de doelstelingen uit de NPLG. Met betrekking tot het klimaat is opgenomen leefbaarheid
dat er in elk geval geen verslechtering optreed
(inclusief geur) en waar mogelijk verbeteringen te realiseren.
Onderhavig
in luchtkwaliteit en
plan draagt bij aan een
verbetering van de luchtkwaliteit en leefkwaliteit aangezien de emissies van geur, fijnstof en ammoniak van de vleesstieren na realisatie komen te vervallen. Daarvoor in de plaats komen de veel lagere emissies van paarden. Daarnaast wordt er in ruime mate groen aangeplant,
wat ook op een positieve wijze bijdraagt aan de [eefkwariteit.
Het plan past daarmee binnen de doelstellingen uit het NPLG:
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderígoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de ecologische hoofdstructuur (thans Nationaal Natuurnetwerk), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.
Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Op dit bestemmingsplan zijn geen van deze belangen van toepassing.
Ladder voor duurzame verstedelijking n de voorganger van de Nationale Omgevingsvisie, de SVIR, is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro).
Vastgesteld
9
Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte
aan de
voorgenomen
stedelijke ontwikkeling.
Indien blijkt dat de
stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.
Bij
onderhavig
planvoornemen
is geen
sprake
van
een
stedelijke
ontwikkeling.
De
Ladder
voor
duurzame verstedelijking is dan ook niet aan de orde.
Wet Ammoniak en veehouderij De Wet Ammoniak en veehouderij (WAV) stelt regels waaraan voldaan dient te worden bij het houden van dieren in dierenverblijven. In de wet i geregeld dat Provinciale Staten gebieden aanwijst die als zeer kwetsbaar zijn aangemerkt. De Provincie Limburg heeft deze gebieden aangewezen met de daaromheen liggende 250 meter zone. Binnen deze zone van 250 meter gelden op basis van de WAV beperkingen voor het houden van dieren. Een deel van het beoogde bouwvlak (oostelijke zijde) ligt binnen de zone van 250 meter. Daarin ligt een deel van de rijhal (geen dierenverblijf) en de loods met quarantainestal (deels dierenverblijf). In artikel 5 van de Wet ammoniak en veehouderij zijn uitzonderingsbepalingen opgenomen, onder andere voor het houden van paarden. Binnen de zone van 250 meter kan het aantal paarden zonder nadere voorwaarden uitgebreid worden.
Zeer kwetsbare gebieden Wet Ammoniak
en Veehouderij D
Verplichte
M
Overige
zeer kwetsbare
zeer
kwetsbare
E
Vervallen
gebieden
gebieden
gebieden
Afbeelding 4: igging plangebied ten opzichte van zeer kwetsbare gebieden die aangewezen zijn op basis van de WAV
(de zwarte
stippelljn is de globale ligging van de 250 meter zone rond de zeer kwetsbare natuur uit de WAV)
Vastgesteld
10
Volledigheidshalve
wordt vermeld
dat de Wet
ammoniak
en veehouderijen
geen
eisen
stelt aan
de
opslag van mest. Dat de mestopslag in de beoogde situatie binnen de zone van 250 meter ligt is geen weigeringsgrond voor een vergunning. Daarbij zal de mest om de circa 2 weken afgevoerd worden en daarmee
emissies
beperkt worden.
Tevens
zal de opslag
van
mest
afgedekt
worden
wat emissies
eveneens beperkt. Dat heeft tot gevolg dat de WAV
niet leidt tot beperkingen voor het realiseren van een paardenhouderij
op deze locatie.
3.2 Provinciaal
beleid
Omgevingsvi
burg
Per 25 oktober 2021 is de ‘Omgevingsvisie Limburg’ in werking getreden. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030-2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelike economie, luchtkwaïiteit en cultureel erfgoed. Daamaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgevíng in de Omgevingsvisie meegenomen. De Omgevingsvisie stelt op strategisch niveau de kaders voor het provinciaal handelen bij toekomstige ontwikkelingen en activiteiten. De Omgevingsvisie bevat daarmee belangrijke keuzes ten aanzien van het te voeren beleid en vormt de basis voor verdere uitwerkingen en plannen en programma's. In de Omgevingsvisie worden drie hoofdopgaven onderscheiden. Deze opgaven spelen Limburg-breed, de accenten verschillen echter per gebied en per sector. De hoofdopgaven zijn: =
Eenaantrekkelike, sociale, gezonde en veilige leefomgeving: o _ Instedelijk c.q. bebouwd gebied:
« «
Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); Klimaatadapatie en energietransitie.
© _ Inlandelijk gebied;
Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering. Die zonering bouwt voort
op de 'tjdloze’ karakteristiek van de ondergrond, de geomorfologie en het watersysteem, en de typering en ontwikkeling van het uimtegebruik in de deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia. De aan elkaar grenzende zones hebben onderling een sterke samenhang en wisselwerking. Het gaat daarbij om de volgende
hoofdtypen met bijbehorende categorieën: °
Landelijke gebieden; ©° Groenblauwe mante! | Natuurnetwerk Limburg (inclusief Natura2000-gebied) | Buitengebied; e _ Bebouwde gebieden; © _ Stedelijk gebied | Stedelijk centrum | Landelijke kern | Werklocaties: e … Inffastructuren;
o
Vastgesteld
(Inter)nationale weg | Provinciale weg | (Inter)nationale spoorweg | (Inter)nationale waterweg | (Lucht)haven | (Internationale leidingstrook.
11
Bedrijventerreinen Buitengebied
_
Groenblauwe mantel Landelijke kernen
EE Natuumetwerk Afbeelding 5: uitsnede Omgevingsvisie Limburg
Conform de kaarten die behoren bij de omgevingsvisie is onderhavige locatie gelegen binnen de categorie ‘buitengebied' behorende bij het hoofdtype landelijke gebieden. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden
op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zon 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de
ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en MiddenLimburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende
transitieopgaves. De land- en tuinbouw is als belangrijkste gebruiker en beheerder van het buitengebied van groot belang voor
het aanzien en de kwalliteit van ons cultuurlandschap en het leefklimaat waarin we wonen, werken en recreëren. Ook in de toekomst wil de Provincie in Limburg een gunstig ondernemersklimaat voor de land- en tuinbouw bieden. We bieden ruimte voor het uitbouwen van onze positie als toonaangevende agrarische regio tot een
sector die duurzame oplossingen voor maatschappelijke opgaven biedt. In verbinding en samenwerking met andere kennisregio's wordt hier de nieuwe standaard ontwikkeld voor moderne, duurzame en circulaire, vraaggestuurde land- en tuinbouw, die in balans is met en bijdraagt aan een gezonde en duurzame
Ieefomgeving. Met deze ambitie kiest Limburg, in lijn met het nationale beleid, voor een betekenisvolle transitie in de agrifoodsector.
De omgevingsvisie stelt onder meer ‘de algemene stelregel is dat voor ontwikkelingen op kleine en grote schaal ontwikkelruimte geboden wordt op basis van een integrale kwaliteitsverbetering van de omgeving, passend bij de draagkracht van het gebied en passend binnen wet- en regelgeving. Een
ondernemer die duurzaam onderneemt, beperkt zich niet enkel tot milieu- en ruimtelijke componenten in zijn bedrijfsvoering, maar heeft nadrukkelijk aandacht voor duurzaam, excellent ondernemerschap en een duurzame bedrijfsvoering. De ondernemer werkt aan het behoud van maatschappelijke acceptatie
Vastgesteld
12
en draagvlak door een dialoog met de omgeving aan te gaan’ en ‘Om landschappelijke kwaliteit te behouden en verrommeling te voorkomen, stimuleren we ten aanzien van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB's): 1) agrarisch hergebruik, 2) herbestemmen buiten sector, 3) sloop (met uitzondering van beeldbepalende/monumentale
en karakteristieke bebouwing),
waarbij de mogelijkheden
worden
bepaald door het potentieel van het vastgoed en de omgeving, vanuit het principe juiste ontwikkeling op de juiste locatie’.
Initatiefnemer is zich bewust van de omgeving waarin het bedrijf ligt. Op korte afstand liggen gronden die onderdeel uitmaken van het Natuur Netwerk Nederland en op ruimere afstand ligt Natura2000 gebied Deumsche-
en
Mariapeel
(deelgebied
het
Zinkske).
Daar
heeft
iniiatiefnemer
respect
voor.
Middels
onderhavige omvang wordt het bouwvlak bedrijfsmatig gezien grotendeels ingevuld. Initiatiefnemer is zich er ook van bewust dat met de nu voorliggende omvang ook ongeveer de maximale omvang is bereikt. Verdere uitbreidingen liggen op deze locatie ook niet voor de hand en zijn ook niet de wens van intiatiefnemer.
Onderhavig initatief behelst het omvormen van een intensieve veehouderij naar een paardenhouderij (agrarisch hergebruik). Het nu voorliggende plan leidt tot een forse milieuwinst door afname van emissie van ammoniak, geur en fijnstof. Bebouwing (asbesthoudend) die dreigt te verpauperen wordt vervangen door nieuwbouw. Dit alles passend binnen bestaande wet- en regelgeving. Door de inpassingsmaatregelen, sloop en nieuwbouw is dit plan te beschouwen als een integrale kwaliteitsverbetering. Verder speelt nog dat er rond het bedrif weilanden gerealiseerd worden voor zowel beweiding door paarden als voor de voederwinning. Op de percelen vinden momenteel diverse teelten plaats. Het aanleggen van weilanden past binnen de gebiedsdoelsteliingen aangezien deze hogere grondwaterstanden kunnen verdragen dan akkerbouwmatige teelten.
Initatiefnemeris zich er van bewust dat er in de toekomstige situatie mogelik verhoging van waterpeilen zullen plaatsvinden. Voor de bedrijfsvoering op het erf lidt dat niet tot problemen omdat het erf hoger is gelegen dan alle omliggende percelen. Voor de buitenrijak heeft het eveneens geen effect omdat deze zal worden voorzien van een eb- en vloedsysteem waarin waterhoeveelheden regelbaar zijn. De graspiste wordt slechts enkele malen per jaar gebruikt voor trainingen. In geval van hoge(re) grondwaterstanden zal initatiefnemer steeds bepalen (zoals momenteel ook al) of op de dag van training de piste wel of niet te nat is. Als deze te nat is zal ze niet gebruikt worden. Gezien het gebruik vooral in de zomermaanden plaatsvindt is het niet te verwachten dat dît tot extra beperkingen zal leiden. Tenslotte kunnen hogere grondwaterstanden effect hebben op het gebruik van de paddocks. Deze worden alleen door de paarden gebruikt op het moment dat de bodem dat toelaat. Als er geen paarden in staan (winterperiode) worden hier schapen in geweid. Bij hogere grondwaterstanden zullen de paarden er minder lang lopen en de schapen langer. In het meest extreme geval is het ook te nat om er schapen te weiden. Dan zulen er geen dieren lopen. Initatiefnemer accepteert deze situatie.
Uit de toetsing aan de diverse criteria n dit bestemmingsplan blijkt dat er geen negatieve effecten optreden, daarmee is het initiatief te beschouwen als de juiste ontwikkeling op de juiste plek. Initatiefnemer heeft een omgevingsdialoog gevoerd. In paragraaf 7.2 wordt hier uitdrukkelijk op ingegaan. Tenslotte kan gemeld worden dat inifatiefnemer in de ontwikkeling insteekt op duurzaamheid in de vorm van eigen stroomopwekking middels zonnepanelen die geplaatst worden op de loods en het toepassen van warmtepompen bij het verwarmen van de gebouwen. In de nieuwbouw zullen hoogwaardige isolatiematerialen toegepast worden en wordt bij aanschaf van elektrische apparatuur krtisch gekeken naar stroomverbruik. Aan de noordzijde van het plangebied liggen percelen die onderdeel uitmaken van het Natuumetwerk Limburg (goudgroene natuur). Binnen deze zone streeft de Provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige
Vastgesteld
13
natuur en ontwikkeling van
nieuwe
natuur. Ter plaatse
gaat het om
reeds
bestaande
natuur. Doel
moet
daarmee op behoud en beheer liggen. Het planvoornemen heeft geen effect op het beheer van het gebied. Door de forse afname van stikstofemissies en — depositie zou er een positef effect kunnen zijn op plantensoorten.
Aan de zuidoostzijde van het plangebied liggen percelen die onderdeel zijn van de groenblauwe mantel. De groenblauwe mantel komt voort uit de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone uit het POL 2014. Ter plaatse lag in het POL2014 de bronsgroene landschapszone. In dit type gebied blit de grondgebonden landbouw de belangrijkste functie. Onderhavig plan eidt niet tot aantasting van de aanwezige waarden in dit type gebied.
Vanuit de omgevingsvisie bestaan dus geen belemmeringen voor onderhavig inîtiatief.
Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden maar is in 2014 gewijzigd vanwege de vaststelling van het POL2014, waarin was bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening zou worden toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het uimtelijke beleid van het POL2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de verordeningen Veehouderijen en Natura2000 (van oktober 2013 en Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) opgenomen. Hiermee zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één doeument. [Goud, zilver, brons
Goudgroene natuurzone zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone
Afbeelding 8 uitsnede omgevingsverordening 2014
Vastgesteld
14
Het hoofdstuk
Ruimte
is gericht op de doorwerking
van
het ruimtelijke
beleid
van
POL2014
naar
gemeentelijke ruimtelijke plannen. In artikel 2.2 van het hoofdstuk Ruimte is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde i artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder duurzame ontwikkeling) waarbij tevens de mogelijkheid
tot herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen onderzocht moet worden. Met onderhavige ontwikkeling is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, maar van een agrarische ontwikkeling. De ladder voor duurzame ontwikkeling is daarom niet van toepassing.
Het oostelijke deel van
het plangebied
is gelegen
binnen
het zogenaamde
‘extensiveringsgebied”
(zie
afbeelding 7 voor ligging van deze zone). Binnen het extensiveringsgebied is het niet toegestaan om nieuwe
intensieve veehouderijen op te richten of uit te breiden. Hiervan is in dit geval geen sprake, een intensieve veehouderij wordt omgevormd naar een grondgebonden agrarisch bedrijf. Aan de noordzijde van het plangebied liggen percelen die aangeduid zijn als goudgroene natuur. Binnen deze zone streeft de Provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en ontwikkeling van nieuwe natuur. Ter plaase gaat het om reeds bestaande natuur. Doel moet daarmee op behoud en beheer liggen. Het planvoornemen heeft geen effect op het beheer van het gebied. Door de forse afname van stikstofemissies en — depositie zou er een positief effect kunnen zijn op plantensoorten. Aan de zuidoostzijde van het plangebied liggen percelen die onderdeel zijn van de zilvergroene natuurzone. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal. De zone maakt geen onderdeel uit van het NNN maar ondersteunt de functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone. Het betreffende perceel is momenteel al ‘in gebruik” als natuur. Daarmee is er invullng gegeven aan het doel. Onderhavig plan leidt niet tot aantasting van waarden op het betreffende perceel. In de bronsgroene landschapszone is de grondgebonden landbouw de belangrijkste functie. Onderhavig plan leidt niet tot aantasting van de aanwezige waarden in dit type gebied.
Door de forse afname van stikstofdepositie, het verminderen van de intensiviteit van de bedrijfsvoering en de forse landschappelijke inpassing kunnen zelf als positief beschouwd worden. De Omgevingsverordening bevat -naast de regels in het hoofdstuk Ruimte- regels over diverse andere onderwerpen, zoals de aanwijzing van milieubeschermingsgebieden, waaronder de boringsvrije zones Roerdalslenk en Venloschol. Onderhavige locatie s niet gelegen binnen een milieubeschermingsgebied. Het initatief is dan ook niet strijdig met de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Omgevingsverordening Limburg Met de komst van de Omgevingswet
i een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de
kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, naijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in de Omgevingsvisie Limburg (POVI). Onderhavig planvoornemen heeft uitsluitend voor wat betreft het huisvesten van ruiters, grooms en stagiaires een relatie met de genoemde gewijzigde onderwerpen. In de omgevingsverordening is namelijk de instructieregel opgenomen dat huisvesting van internationale werknemers moet voldoen aan de normenset voor het register van de Stichting Normering Flexwonen (SNF). Initiatiefnemer
Vastgesteld
15
conformeert zich aan deze normen.
Voorafgaande aan het ingebruiknemen van de huisvesting zal
getoetst worden of deze voldoet aan de actuele SNF normen. Deze toetsing kan gekoppeld worden aan de aanvraag om exploitatievergunning zodat de toetsing geborgd is aan een toestemmingsbesluit.
Bedijventereinen Buitengebied
ZA Exensiveringsgebied Groenblauwe
mantel
Natuumetwerk
TE Ontwikkelingsgebied glastuinbouw itzonderingsgebied uitbreiding
glastuinbouw Afbeslding 7: utsnede omgevingsverordening Limburg
Voor
het
overige
zullen
de
regels
van
de
nieuwe
omgevingsverordening
nagenoeg
volledig
(beleidsneutrale omzetting) overeenkomen met de huidige regels uit de omgevingsverordening. Reeds in de voorgaande paragraaf is gemotiveerd dat het plan aan deze regels voldoet.
Gebiedsgerichte Aanpak Vitale Peel
De gebiedsgerichte aanpak (GGA) Vitale Peel omvat een klein deelgebied binnen het deelgebied van NOVI de Peel. De GGA is een op uitvoering gericht proces. De GGA probeert op een veel lager schaalniveau alle beleidsdoelen te integreren. Doel van de GGA Vitale Peel is om met alle betrokken
partijen (Gemeenten Asten en Deurne, de ZLTO, de Brabantse Milieufederatie, Waterschap Aa en Maas, Waterschap Limburg en de twee provincies) samen te werken aan de samenhangende aanpak van natuurherstel, waterbeheer, energie-opwek, (be)leefbaarheid en perspectief voor de landbouw
voor de lange termijn. Dat zijn de opgaven die ook in het plan van aanpak voor NOVI de Peel zijn vermeld.
Vastgesteld
16
De volgende uitgangspunten zijn van belang: 1.
Natuurherstel is leidend
Door
het omvormen
van
een
intensieve veehouderij
naar een
paardenhouderij
ontstaan
er
kansen voor natuurherstel. Allereerst leidt de omvorming van de locatie tot een forse afname van de stikstofemissie en — depositie. Ten tweede is de bedrijfsvoering in een paardenhouderij veel minder intensief dan bij een vleesstierenhouderij. Dat verkleint de kans op verstoring van
soorten die in de omgeving leven. Ten derde leidt realisatie van het plan er toe dan er rond het bedrijf weilanden gevormd worden. Deze gronden zijn nu in gebruik voor teelt van onder andere mais, bieten, aardappelen en vergelijkbare teelten. Weilanden is juist het type grondgebruik dat
in de directe omgeving van natuur past. Ten vierde en laatste leidt het plan er toe dat er een fors landschappelijk inpassingsplan wordt gerealiseerd dat veel extra groen toevoegt. Volledigheidshalve wordt bij deze verwezen naar het Waterhuishoudkundig plan en de quickscan flora en fauna. Uit beide rapporten blijken geen negatieve effecten op de omgeving. 2.
Aanpak van stikstofproblematiek Onderhavig plan leidt tot een forse afname van de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden door het omzetten van de 380 vleesstieren (vigerende Wnb vergunning) naar 40 paarden. Dat blijkt ook uit de opgestelde Aerius berekening (bijlage 2). Realisatie van het plan leidt daarmee tot een positieve wijze bij aan de aanpak van stikstofproblematiek.
3.
Effecten door beregening Onderhavig plan leidt niet tot extra onttrekkingen ten behoeve van open teelten. Het plan leidt wel tot een kleine onttrekking van grondwater ten behoeve van drinkwater voor de paarden, reinigen van de stallen, vullen van het eb- en vloedsysteem, watergeven van de tuin- en erfbeplanting. In de bestaande situatie is er reeds een onttrekking van grondwater dan dient als drinkwater voor de stieren, reinigingswater voor de stallen en schoonspuiten van de vrachtwagens. Deze bestaande put heeft een capaciteit van < 10 m3 per uur. De voormalig eigenaar van de locatie was niet op de hoogte van een vergunningplicht. Daarom is er alsnog een vergunningaanvraag ingediend bij Waterschap Limburg. De onttrekking voor de bestaande bedrijfsvoering (vleesstieren 12 m3 per dag voor alleen drinkwater, oftewel 4500 m3 per jaar) is groter dan de onttrekking van de beoogde bedrijfsvoering (paarden, 3600 m3 per jaar conform Waterhuishoudkundig plan (bijlage 1)). In het Waterhuishoudkundigplan is er vanuit gegaan dat er in de bestaande situatie geen onttrekking is, aangezien deze niet vergund is. In de praktijk heeft deze onttrekking in elk geval de laatste 30 jaar plaatsgevonden. Uit het Waterhuishoudkundig plan blijkt dat er buiten de inrichting geen effecten zijn voor water betreft de onttrekking van grondwater.
Het voorgenomen plan is daarmee niet strjdig binnen de GGA Vitale Peel. Sterker nog, de afwaartse beweging van de intensieve veehouderij, de daarmee samenhangende significante afname van ammoniakemissie en -depositie en het gebruik van diverse percelen rond het bedrijf als grasland dragen juist bij aan de beleidsdoelstellingen in het gebied.
Vastgesteld
17
3.3 Gemeentelijk beleid Structuurvisie buitengebied Peel en Maas In december 2011 is de Structuurvisie buitengebied door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin is het bestaande beleid van dat moment (Structuurplan 2008, Kwaliteitskader buitengebied, VAB beleid, Structuurvisie IV en Glas en het archeologiebeleid) samengebracht. De structuurvisie bevat grotendeels een voortzetting van het bestaand beleid.
De structuurvisie heeft twee doelstellingen, te weten: het bieden van een integraal beleidskader voor het buitengebied dat mede dient als grondslag voor het bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel & Maas”
en het mogelijk maken van kostenverhaal voor bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. De structuurvisie bevat daarnaast de hoofdlijnen voor het te voeren ruimtelijk beleid.
Het plangebied is volgens de structuurvisie grotendeels gelegen in de zone ‘kleinschalige half open ontginningslandschappen’ en voor een klein gedeelte in de zone 'bos- en natuurgebieden'’. De kleinschalige half open ontginningslandschappen liggen verspreid in het buitengebied van Peel en Maas. Dit zijn de plekken waar individuele boeren zich hebben gevestigd en kleine stukjes land hebben ontgonnen en bebost. Vaak ontbrak het aan middelen om grote eenheden te ontginnen waardoor kleine percelen van agrarische grond en kleine productie- en/of geriefhoutbosjes zijn ontstaan. De percelen werden in het verleden vaak omgeven door eikenhoutwallen om vee buiten de akkers te houden. Het kleinschalige landschap met een afwisseling van bosjes, landschapselementen, verspreide bebouwing en kronkelige wegen onderscheidt zich van het landschap van de omliggende grootschalige ontginningsgronden. Landbouw, bos en recreatie zijn de functionele dragers van het landschap. Deze afwisseling in landelijke functies biedt eveneens veel mogelijkheden voor natuurwaarden, waarbij bijzondere flora en fauna door de verscheidenheid aan biotopen een kans krijgen. Kleinschalige landschappen zijn bij uitstek geschikt voor de versterking van verschillende vormen van recreatie. De bos- en natuurgebieden zijn grotendeels oude productiebossen, welke tegenwoordig deels worden omgevormd tot meer natuurlijke bossen.
Dit wordt gedaan door middel van extensief / geïntegreerd bosbeheer. Hier vormen houtproductie, natuur, landschap en recreatie het functionele draagvlak. In de structuurvisie Buitengebied Peel en Maas is opgenomen dat een uitbreiding van een agrarisch grondgebonden bedrijf in de gebiedstypologie “kleinschalig halfopen ontginningslandschap” boven de 1,5 hectare mogelijk is. Het bestemmingsvlak “Agrarisch-Grondgebonden" heeft in de beoogde situatie een totaal oppervlak van 26.517 m2, waarvan 17.412 m2 bouwlak is. Het oppervlak aan bestemmingsvlak is uit te splitsen in het vlak ten noorden van de weg (20.130 m2) en het valk ten zuiden van de weg waar de buitenrijbak komt te liggen (6.387 m2). Boven de referentiemaat van 1,5 hectare is maatwerk mogelijk. De beoogde uitbreiding van het bouwvlak ligt landschappelijk gezien in de “oksel' van het natuurgebied van Staatsbosbeheer. Vanuit deze zijde is het plangebied daarmee omkaderd met groen. Vanwege de ligging in het ontginningsgebied tegen een groene achtergrond aan is het verantwoord om middels maatwerk de referentiemaat van 1,5 hectare te overschrijden.
Het omvormen van een intensieve veehouderij naar een paardenhouderij met trainingsvoorzieningen die op een goede manier ingepast wordt in het omliggende landschap, met oog voor de natuurlijke kwaliteiten van het omliggende bos- en natuurgebied, is dan ook passend te noemen binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie buitengebied Peel en Maas.
Vastgesteld
18
Omgevingsvisie Peel en Maas Op 5 juli 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Peel en Maas de Omgevingsvisie Peel en Maas vastgesteld. De omgevingsvisie is een instrument dat voortkomt uit de Omgevingswet. Deze schrijft namelijk voor dat alle gemeenten in Nederland moeten beschikken over een Omgevingsvisie. Dit is een visie op hoofdlijnen voor het grondgebied van de hele gemeente. De visie gaat over onze fysieke woon- en leefomgeving en de mensen die daarin samenleven, werken, ondernemen en verblijven.
Het gaat bijvoorbeeld
over wonen,
bedrijven,
wegen,
water,
bodem
en lucht.
Maar
ook
landschap, natuur, gezondheid en cultureel erfgoed vallen eronder. De omgevingsvisie vervangt de verschillende bestaande structuurvisies in een gemeente en is gebiedsdekkend. Tot het moment van in werking treden van de Omgevingswet blijven de bestaande structuurvisies leidend. Volgens de Omgevingsvisie is de locatie gelegen n een kleinschalig halfopen ontginningslandschap. Voor dit type gebied gelden de volgende gebiedskwaliteiten:
+
Kleinschalig landschap met afwisselend weiden, akkers, bos, heideterreintjes en daar doorheen (onverharde) paden.
e
Koningslust en nabij Grashoek: aantrekkelijke mozaïeklandschappen in combinatie met bos en natuurgebieden.
« _ Halfopen ontginningslandschappen, kleinschalig door bebouwing (ten noorden van Meijel en
ten zuiden van Maasbree). De te versterken waarden zijn de volgende: « Stimuleer agrotoerisme (0.a. op bezoek bij de boer) en verbrede landbouw (0.a. zorgboerderijen) en extensieve recreatie. e
Versterken van de biodiversiteit door variatie aan beplanting en de kwaliteit van bos en
bosschages door te werken met divers sortiment, houtwallen en boomsingels en solitaire bomen.
e _ Maak ecologische oevers langs sloten en beken,
e _ Maak natte plekken in relatief lage gebieden, behoud extensieve (natte) weilanden. e _ Ontwikkel en versterk het wandelpaden- en fietspadennetwerk. Repareer ontbrekende schakels
*
in het netwerk.
Behoud waardevolle doorzichten. Koester hiervoor ook open velden in bosrijk gebied.
Onderhavig plan is passend binnen de Omgevingsvisie, omvorming naar een paardenhouderij leidt rond de locatie tot extra graslanden die ruimte bieden voor onder andere weidevogels en ganzen. De graslanden worden als passend beschouwd als overgang in de Peelvenen. Daarnaast wordt er in landschappelijke inpassing gerealiseerd die passend is binnen deze gebiedstypologie.
Kaderstelling Ruimte en Economie In het coalitieakkoord 2014 is vastgelegd dat het college met de omgeving in gesprek gaat over de gewenste koers van de gemeente Peel en Maas waarbij de gemeente de drie kernwaarden, diversiteit, duurzaamheid en zelfsturing als richtsnoer heeft. De vestiging van een paardenhouderij ter plaatse van een voormalige intensieve veehouderij is passend binnen de Kaderstelling Ruimte en Economie. Op basis van programmadoel 3, bedrijvigheid in balans met de omgeving wordt voldaan aan uitvoeringsafspraak 3.2: “we hebben oog voor de transitie van het landelijke gebied”. De ontwikkeling van een paardenhouderij, waarbij oude bebouwing van een intensieve veehouderij wordt gesloopt en vervangen door moderne nieuwe bebouwing met oog voor het omliggende landschap, is daar een voorbeeld van. De nu voorliggende ontwikkeling is daarmee passend binnen de kaderstelling Ruimte en Economie.
Vastgesteld
19
Bestemmingsplan
Buitengebied Peel en Maas
De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas" (vastgesteld d.d 24 december 2014) en s bestemd als ‘Agrarisch — Intensieve veehouderij’ met een bouwvlak van circa 10.080 m2. De overige gronden binnen het plangebied, maar buiten het bouwvlak, zijn bestemd als ‘Agrarisch'. Verder gelden de volgende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen: -
Dubbelbestemming: Waarde — Archeologie — 2 (gedeeltelijk)
-
Gebiedsaanduiding: reconstructiewetzone — verwevingsgebied Gebiedsaanduiding: reconstructiewetzone — extensiveringsgebied (klein dee!) Gebiedsaanduiding: wro-zone — wijzigingsgebied 2 ko
Initiatiefnemer is voornemens om de intensieve veehouderij om te vormen naar een paardenhouderij. Hieraan kan invulling gegeven worden middels een zogenaamd postzegelbestemmingsplan als bedoeld
in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Op 22 november 2021 is door de gemeente aangegeven dat zij in principe medewerking willen verlenen aan realisatie van onderhavig planvoornemen. Op basis van de bestemmingsplansystematiek paardenhouderijen 3 opties voor toekennen
binnen de van een
gemeente Peel en Maas zijn er voor bestemming, nameliijk, “Agrarisch -
Grondgebonden’, “Agrarisch - Paardenhouderij” en “Sport met nadere aanduiding paardenhouderij. De wijze van gebruik bepaald welke bestemming er toegekend dient te worden. Binnen de bestemming “Agrarisch - Paardenhouderij” zijn als hoofdactiviteit “gebruiksgerichte paardenhouderijen” toegestaan. Hiervan is in dit geval geen sprake. Deze bestemming is daarom niet passend. Binnen de bestemming “Sport” zijn maneges toegestaan. Hiervan is in dit geval geen sprake. Deze bestemming is daarmee ook niet passend. In dit geval is er gekozen voor de bestemming “Agrarisch - Grondgebonden’. Binnen deze bestemming is het toegestaan om een productiegerichte paardenhouderij te exploiteren. Hiervan is in dît geval sprake, er wordt met paarden getraind, er worden paarden verhandeld en wordt met paarden gefokt. De bestemming “Agrarisch — Grondgebonden” is daarmee een passende bestemming. Kwaliteitskader buitengebied Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering.
Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbetering. Bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding van het bouwvlak tot de referentiemaat in een agrarisch gebied zonder waarden, is Basiskwaliteit (B) van toepassing. Ook bij tunctiewijziging van een gebouw zoals de vestiging van een kleinschalige logeerinrichting of huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestaande bebouwing is er sprake van B. B wil zeggen dat de nieuwe bebouwing of functie goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een opperviakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt tot aan de referentiemaat van 1,5 hectare. Voor de vestiging van een grondgebonden landbouwbedrijf waarbij de oppervlakte van het bouwvlak groter wordt dan 1,5 hectare geldt dat Basiskwaliteit+ (B+) en Aanvullende Kwaliteitsverbetering (AK) van toepassing zijn. B+ wil zeggen dat nieuwe en bestaande bebouwing en verharding goed ingepast moet worden. Ook houdt het in dat er voorzieningen getroffen moeten worden ter voorkoming van hemelwaterproblematiek als gevolg van nieuwe en bestaande bebouwing en verharding.
Als basis voor
Vastgesteld
20
de
inpassing
geldt
dat
sprake
moet
zijn
van
een
oppervlakte
“landschappelijke
inpassing”
dat
overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het gehele bouwvlak. AK dient te bestaan uit fysieke maatregelen die bijdragen aan het versterken van de kwaliteit van het
landschap waarbinnen de maatregelen genomen worden. Per landschapskwaliteiten typerend en van belang. AK kan bestaan uit:
gebiedstype
a)
Versterking en verfraaiing van het landschap;
b) c)
Sloop; Aanleg van natuur;
d)
Verbetering en/of herstel van cultuurhistorische waarden;
e)
Extra investering in (architectonische) kwaliteit: bijzondere materiaalgebruik, verfraaiing en verbetering van gebouwen;
ziijn
vormgeving,
er
andere
exclusief
f)
Extra investeringen in milieu- en duurzaamheidsmaatregelen;
9)
Investering in (beleef)kwaliteit van het buitengebied. Hiermee wordt bedoeld dat de beleving van het landschap ook als kwaliteit kan worden aangemerkt.
De omvang van AK is gekoppeld aan B+. De omvang van de inpassing op agrarische bedrijven bedraagt 0,5 x de waarde van de te leveren B+. Het bouwvlak heeft in de beoogde situatie een oppervlak van
17.412 m2. De benodigde B+ is 10% x 17.412 m2= 1.741 m2. De AK bedraagt dan 2 x 0,5 x 17.412 m2 = 1741 m?. De totale inpassingsmaatregelen dienen daarom een omvang te hebben van 3.482 m2. De Kwaliteitscommissie Buitengebied heeft op 16 december 2021 een eerste paletadvies uitgebracht (bijlage 3). Op basis hiervan is het landschappelijk inpassingsplan verder uitgewerkt (bijlage 4). De maatregelen die worden toegepast hebben een omvang van ca. 7.220 m2. Hiermee wordt er ruimschoots voldaan aan het gemeentelijke kwaliteitskader. In dit plan is rekening gehouden met de opmerkingen uit het paletadvies van de Kwaliteitscommissie Buitengebied. De gemeente heeft op het voorliggende inpassingsplan op 16 mei 2023 een akkoord gegeven. In onderstaande afbeelding is een impressie te zien van de inpassingsmaatregelen.
Vastgesteld
21
Afbeelding 8: impressie inpassingsmaatregelen
Middels bovenstaande invulling wordt er voldaan aan het gemeentelijk kwaliteitskader. De gemeente heeft dan ook ingestemd met voorliggend plan.
Beleidsregel verblijfsfunctie ruiters, grooms en stagiairs bij paardenhouderijen Op 17 februari 2020 is de “Beleidsregel verblijfsfunctie ruiters, grooms en stagiairs bij paardenhouderijen” van de gemeente Peel en Maas vastgesteld. Binnen iedere paardenhouderij n de bedrijfsvorm van een sportstal zijn zowel ruiters, grooms, als stagiaires actief en werkzaam. Zeker de grooms, maar ook de ruiters komen uit de hele wereld. Een vaste woon- of verblijfplaats in de (directe) omgeving komt in de meeste gevallen niet voor. Daarnaast zijn met name als gevolg van de toegenomen vraag naar goed opgeleid personeel opleidingsinstituten als Citaverde en HAS Hogeschool Venlo gestart met paard gerelateerde opleidingen. Binnen deze opleidingen bestaat de behoefte aan goede stageplekken waarbij huisvesting een voorwaarde is. Op basis van het nieuwe beleid kan er medewerking verleend worden aan het huisvesten van ruiters, grooms en stagiaires. In de nieuwe bebouwing worden acht 1-persoonsappartementen geïntegreerd voor ruiters, grooms en/of stagiaires. Daarmee kunnen er op de locatie in totaa! 8 personen verblijven. De beleidsregel gaat uit van gemiddeld gezien 1 ruiter en 1 groom per 10 paarden. In de beoogde omvang is er plaats voor 40 paarden. Dat komt dan neer op 8 personen (4 grooms en 4 ruiters). Het aantal te huisvesten personen sluit daarmee aan op het beleid.
Bij de vormgeving en uitvoering van de appartementen zal er verder invulling gegeven worden aan de voorwaarden zoals opgenomen in de
beleidsregel.
Vastgesteld
22
Dit betreft onder
1.
andere:
Locatie van de huisvesting: a
Zorgen voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat: Uit de toetsing aan milieuaspecten in hoofdstuk 5 blijkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon-
de en
leefklimaat.
Omgeving plannen kenbaar maken (omgevingsdialoog): De plannen zijn kenbaar gemaakt bij de omgeving, in paragraaf 7.2.3. zal hierop nader ingegaan worden. Wat betreft het huisvesten
voren gekomen. Geen beperkingen milieuaspecten
van ruiters, grooms
opleveren
in hoofdstuk
voor
en/of stagiaires zijn geen
omliggende
5 blijkt dat het plan
bedrijven: geen
Uit de
bezwaren
toetsing
beperkingen
aan
oplevert
naar
de voor
omliggende bedrijven. Past in het ruimtelijk beleid van de Provincie Limburg dan wel het Rijk: Uit de toetsing aan de beleidskaders in hoofdstuk 3 blijkt dat het voorgenomen plan past binnen de
2.
3.
ruimtelijke kaders van de Provincie Limburg en het Rijk. Logiesfunctie: a. De logiesfaciliteit mag het gehele jaar gebruikt worden: De /ogiesfaciliteit zal naar verwachting het gehele jaar in gebruik zijn vanwege de constante bezetting met paarden. De logiesfaciliteit mag alleen gebruikt worden door ruiters, grooms en/of stagiairs: De logiesfaciliteit zal alleen gebruikt worden door ruiters, grooms en/of stagiairs. Met een bedrijfsontwikkelingsplan moet de noodzaak voor logies en de aantallen van de ruiters, grooms en/of stagiairs aangetoond worden: In de beoogde situatie wordt huisvesting gerealiseerd voor 40 paarden. In de beleidsregel is aangegeven dat gemiddeld gezien één ruiter 10 paarden in training heeft en dat éé ruiter wordt ondersteund door één groom en/of stagiair. Met huisvesting voor 8 personen wordt aangesloten op de beleidsregel. Aan dit aantal conformeert initiatiefnemer zich middels onderhavig planvoornemen. Het bedrijfsontwikkelingsplan is opgenomen in bijlage 5. Het wijzigen van logiesfaciliteit naar bedrijfswoning is niet toegestaan: Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren, een bedrijfswoning is reeds aanwezig binnen het plangebied. Op het perceel moet een bedrijfswoning aanwezig zijn waar de eigenaar of gedelegeerde bedrijfsleider woont: Op het perceel ís een bedrijfswoning aanwezig, welke bewoond zal gaan worden door initiatiefnemer.
Het moet gaan om huisvesting van ruiters, grooms en/of stagiairs die binnen de betreffende paardenhouderij werkzaam zijn: Hieraan conformeert initiatiefnemer zich, er zullen enkel personen gehuisvest worden die binnen het eigen bedrijf werkzaam zijn. Kwaliteit van de huisvesting: a Het gebruik van bestaande bebouwing staat voorop: De huidige bedrijfsbebouwing wordt volledig gesloopt. Het is niet reëel om deze nog geschikt te maken voor huisvesting. De huisvesting zal in de nieuwe bedrijfsbebouwing geïntegreerd worden. Daarmee hoeft alsnog geen volledig nieuw gebouw opgericht te worden specifiek voor de huisvesting. Nieuwbouw mag alleen als in de bestaande bebouwing geen ruimte meer is: Zie motivatie bij 3a. De oppervlakte per logieseenheid bedraagt niet meer dan 55 m2?: De oppervlakte per
logieseenheid zal niet meer bedragen dan 55 m2. Dit wordt middels de planregels geborgd.
Vastgesteld
23
d.
De huisvesting
moet
kwalitatief goed
zijn, waarbij
minimaal
voldaan
dient te worden
aan de actuele SNF-normen zijnde een minimum gebruiksoppervlak wonen van 12 m2: De oppervlakte per logieseenheid zal minimaal 12 m? bedragen. Verder zal voldaan worden aan de actuele SNF-normen. Voorafgaande aan de ingebruikname zal de husvesting gecertiticeerd worden. 4.
Parkeren:
Er moet voldaan worden aan het Parapluplan
Parkeernota Peel en Maas vastgesteld
op 19 juni 2018: Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te kunnen parkeren. Zie verder de toetsing in hoofdstuk 5. 5.
Landschappelijke inpassing:
Een nieuwe functie moet voldoen aan de regels en kaders voor landschappelijke inpassing die op dat moment gelden: Voor de /ocatie is in het kader van onderhavig bestemmingsplan een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie verder hoofdstuk
4.en bijlage 4. 6.
Beheer
a. b.
7.
en toezicht:
Er moet een Toezicht- en beheerplan opgesteld zijn: /nitiatiefnemer zal een toezichten beheerp/an opstellen. Dit zal met de gemeente afgestemd worden. Men moet aangeven welke maatregelen er komen om overlast voor omwonenden te
voorkomen: Initiatiefnemer zal een toezicht- en beheerplan opstellen, hierin worden ook maatregelen opgenomen om overlast te voorkomen. Dit zal met de gemeente afgestemd worden. Exploitatievergunning: Er dient een exploitatievergunning aangevraagd en verleend te worden: Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren.
8.
9.
Toezichten handhaving: Er wordt handhavend opgetreden indien de wet- en regelgeving onvoldoende nageleefd wordt: Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren. Ruimtelijke toestemming: In de ruimtelijke toestemming wordt vastgelegd dat de huisvesting ongedaan gemaakt moet worden als deze gedurende 1 jaar niet gebruikt wordt: Hieraan zal initiatiefnemer zich conformeren. Dit wordt eveneens geborgd in de planregels.
In de regels van dit bestemmingsplan wordt in artikel 4.4.4 geborgd dat er niet meer dan 8 ruiters, grooms en/of stagiaires gehuisvest worden, dat het moet gaan om mensen die op het eigen bedrijf werkzaam zijn, dat per persoon tussen de 12 m? en 55 m? verblijfsoppervlak beschikbaar is, dat de huisvesting voldoet aan de SNF norm voor huisvesting, dat er voldoende toezicht vanuit de bedrijfswoning plaatsvindt, dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en tenslotte dat indien het gebruik voor meer dan 1 jaar beëindigd is het niet meer opnieuw in gebruik mag worden genomen.
Vastgesteld
24
4. PLANBESCHRIJVING
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan intensieve
veehouderij
op de
is gericht op het planologisch mogelijk maken de bestaande
locatie Vieruitersten
24 om
te vormen
naar een
paardenhouderij
met
bijbehorende voorzieningen en om daarvoor tevens het bouwvlak te vergroten. Daarbij worden de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch — Intensieve veehouderij’ ter plaatse van kadastraal perceel Meijel F 2598, 2599 en 1866 (ged.) gewijzigd naar ‘Agrarisch — Grondgebonden’. Op een gedeelte van
de kadastrale percelen Meijel F 232 en 1597 wordt een functieaanduiding ‘rijbak' opgenomen zodat ter plaatse een buitenrijbak gerealiseerd kan worden. Hiervoor is binnen het nieuwe bouwvlak namelijk niet meer voldoende ruimte over. De locatie van de buitenrijbak krijgt tevens de bestemming
"Agrarisch
-
Grondgebonden” zonder bouwvlak. Dit om de bak te kunnen voorzien van een eb- en vloedsysteem. De oude bedrijfsbebouwing zal volledig gesloopt worden, enkel de bedrijfswoning wordt onveranderd in stand gehouden. Na sloop van de oude bebouwing zal gestart worden met de nieuwbouw.
De bedrijfsbebouwing zal in de beoogde situatie bestaan uit de volgende gebouwen: 1. 2.
Bedrijfswoning: deze wordt onveranderd in stand gehouden. Paardenstallen met receptie: Deze paardenstallen worden aangelegd in een L-vorm rondom de bestaande woning.
In deze
stallen wordt plek gerealiseerd voor huisvesting van 28 paarden.
Verder wordt aan de voorzijde van dit gebouw een receptie/ontvangstruimte voor gasten en klanten gerealiseerd. De goothoogte van dit gebouw komt uit op 3 meter. De bouwhoogte zal 6.5 meter bedragen.
3.
Overdekte rijhal met appartementen en skybox: Deze overdekte rijhal zal gebruikt worden om de dieren binnen te kunnen trainen zodat men niet afhankelijk is van de weersomstandigheden buiten. Tevens
onderdeel
van dit gebouw
zijn 8 appartementen