2024-067 07 Toelichting
Tekst van het document
Daarnaast zijn er (nieuwbouw)plannen waarin een bepaalde sfeer, thema of kwaliteit wordt nagestreefd. Ook hierin is het niet gewenst om gehele vrijheid te geven. Om de directe omgeving te beschermen is het gewenst om sturing te geven aan bouwplannen die (grote) invloed hebben op de kwaliteit van de omgeving. Middels een beeldkwaliteitsplan kan worden gestuurd op een gewenste uitstraling. In principe geldt het welstandsvrij beleid voor het gehele grondgebied van de gemeente, maar om bepaalde ruimtelijke en esthetische kwaliteiten beter te beschermen of waarborgen, worden er twee uitzonderingssituaties gemaakt. Deze gebieden zijn dus niet welstandsvrij. Het betreft de beeldbepalende dorpsgezichten en de in- en uitbreidingslocaties. Toetsing Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘beeldbepalende dorpsgezichten’. Derhalve dient voor onderhavige ontwikkeling te worden voldaan aan de welstandseisen. Omdat ieder dorp een eigen karakteristiek heeft, is bij toetsing van nieuwe bouwplannen altijd sprake van maatwerk. Onderstaand zijn algemene toetsingscriteria opgesteld. Deze dienen gepaard te gaan met advies op maat.
Hoofdstuk 4
31
Bebouwing en omgeving. De karakteristiek van de bebouwing dient aan te sluiten op de karakteristiek van de omliggende bebouwing. De situering of wijziging van de bouwmassa en/of de oriëntatie mag het historische straatbeeld niet verstoren. Bebouwing op zich De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven. Samenvoeging van bouwmassa´s is ongewenst. De bestaande bouwmassa is leidend bij veranderingen. Materiaal, detaillering en kleur Het bestaand materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving. Afweging In het visiedocument is het algemene kader opgesteld waarin richtlijnen zijn opgenomen voor het ontwerp van het bouwplan. Hierin is nader ingegaan op gewenste bouwvolumes, architectuur en kleuren materiaalgebruik binnen de kern van Maasbree. Op basis van deze richtlijnen is het bouwplan in samenspraak met ARK opgesteld. In meerdere sessies is toegewerkt naar het best passende plan binnen de huidige context door middel van meerdere massa en gevelstudies in samenhang met de directe omgeving van het plan. Het visiedocument is als bijlage aan de toelichting van het bestemmingsplan toegevoegd.
Hoofdstuk 4
32
5.
ONDERZOEK
Bij de toekenning van de nieuwe bestemmingen aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/ of conclusies zijn.
5.1 Milieuaspecten 5.1.1 Bodem In het kader van de voorgenomen functiewijziging zal inzicht moeten worden gegeven in de bodemkwaliteit ter plaatse. Omdat door middel van de beoogde ontwikkeling een wijziging plaatsvindt naar een gevoeligere functie, is een verkennend bodem- en asbestonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd4 voor de locatie aan de Dorpstraat en een verkennend en aanvullend bodemonderzoek5 voor de locatie aan de Baarlosestraat 3 en 7-7a. Voor de openbare ruimte van het Laefplein is in opdracht van de gemeente Peel en Maas een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd 6. Onderstaand worden de conclusies hiervan weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapporten. Dorpstraat Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. Tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden zijn in het opgeboorde bodemmateriaal visueel plaatselijk baksteenresten aangetroffen. Op het maaiveld en in het uitgegraven materiaal uit de asbestinspectiegaten is visueel geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met minerale olie, PCB en PAK. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde.
In het onderzochte mengmonster van het onderzoek naar asbest is geen verhoogde asbestconcentratie aangetoond. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met xylenen.
4
Aeres Milieu B.V. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Dorpstraat ong. te Maasbree, projectnummer: AM22179.2, d.d. 10 oktober 2022 Aeres Milieu B.V. Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Baarlosestraat 3 en 7-7a te Maasbree, projectnummer; AM22179.1, d.d. 13 oktober 2022 6 HMB B.V. Vooronderzoek openbare ruimte Baarlosestraat, projectnummer: HMB B.V. 23224801H, 20 april 2023 5
Hoofdstuk 5
33
Conclusie Dorpstraat Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische conditie van de bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen planontwikkeling. Het aspect bodem heeft geen negatief effect op de beoogde ontwikkeling. Deelgebied voormalige bakkerij met woning (Baarlosestraat 7-7a) Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in het opgeboorde bodemmateriaal van de boringen 2 en 8 baksteenresten waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met cadmium, lood, zink en PAK. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium, molybdeen en xylenen. Conclusie Baarlosestraat 7-7a De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Deelgebied garagebedrijf (Baarlosestraat 3) Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden werden in nagenoeg alle boringen bijmengingen met baksteenresten waargenomen. Ter plaatse van een voormalige pompeiland zijn in de ondergrond van de boringen 12/101 en 103 brandstofgeuren en positieve olie-water reacties waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met cadmium, lood, zink en PAK.
De ondergrond is licht tot sterk verhoogd met zink en licht verhoogd met cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, minerale olie, PCB en PAK. De matige (boring 13/108 en 111) en sterk (boring 11/106 en 12/101) verhoogde gehalten zijn aangetoond in het bodemtraject van 0,5 tot 1,0 m-mv. De ondergrond ter plaatse van de boringen 12/101 en 103 is sterk verontreinigd met vluchtige aromaten. Het freatisch grondwater ter plaatse van deze boringen is ook sterk verontreinigd met vluchtige aromaten. Daarnaast zijn in zowel de ondergrond als het grondwater zeer hoge gehalten aan vluchtige olie (fractie C5-C10) aangetoond. Op basis van de beschikbare onderzoeksgegevens blijkt dat ter plaatse sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink in de grond. De verspreiding van de verontreiniging zink onder de werkplaats/showroom is nog niet bekend. Daarnaast is er mogelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met vluchtige aromaten in de grond en grondwater. De aangetoonde sterke verontreiniging met vluchtige aromaten is in de richting van de Dorpstraat niet afgeperkt. De verontreiniging bevindt zich mogelijk ook in de tuin van de woning Dorpstraat 50. Conclusie en advies Baarlosestraat 3 De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt een belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Geadviseerd wordt om middels een nader bodemonderzoek te omvang van de verontreinigingen met zink en vluchtige aromaten vast te leggen. Na beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van
Hoofdstuk 5
34
het garagebedrijf kan een inpandig onderzoek worden uitgevoerd naar de verspreiding van zink evenals een onderzoek voor het vastleggen van de milieuhygiënische eindsituatie van de garageactiviteiten. Door Aeres Milieu is een aanvullend bodemonderzoek 7 uitgevoerd. Daarbij is een inpandig verkennend bodemonderzoek bij het garagebedrijf uitgevoerd en een nader bodemonderzoek onder de klinkverharding en inpandig in het garagebedrijf. Verkennend bodemonderzoek garage inpandig Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn buiten de aanwezige olietank in een lekbak geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bronnen voor bodemverontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk bijmengingen met baksteen, keramiek, ijzerresten, kooldeeltjes en metaal waargenomen. Vanwege een betonlaag van meer dan 50 centimeter ter plaatse van boringen 212 en 213 zijn deze gestaakt. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond geen verhogingen zijn aangetoond. De humeuse ondergrond is licht verhoogd met cadmium, koper, kwik, kobalt en PAK. In het freatisch grondwater zijn geen verhogingen aangetoond. Nader bodemonderzoek onder klinkverharding en garage inpandig Uit de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat de grond ter plaatse van het parkeerterrein en de bebouwing matig tot sterk verhoogd is met zink, lood en minerale olie.
De aangetoonde verontreinigingen met zink, lood en minerale olie lopen grotendeels in elkaar over. De aangetoonde sterk verhoogde gehalten met zink (overschrijding interventiewaarde) hebben een duidelijke samenhang met de aangetroffen (antropogene) bijmengingen aan bodemvreemde materialen (baksteen en kooldeeltjes) in de humeuze ondergrond. Op het buitenterrein ter plaatse van de voormalige afleverinstallatie voor brandstoffen zijn de ondergrond en het grondwater sterk verhoogd met vluchtige aromaten. De omvang van de verontreinigingen is middels de uitgevoerde onderzoeken vastgesteld. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de mogelijk verspreiding van de grond- en grondwaterverontreiniging met vluchtige aromaten naar het kadastrale perceel sectie K, nummer 1042 niet in beeld is. Het betreffende perceel was niet toegankelijk voor onderzoek (geen medewerking van eigenaar/gebruiker). Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat voor de grond sprake is van geval van ernstige bodemverontreiniging. voor het grondwater is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
7
Aeres Milieu, verkennend- en nader bodemonderzoek Baarlosestraat 3, Maasbree, AM22179-2, d.d. 11 april 2023
Hoofdstuk 5
35
Uit de standaard risicobeoordeling blijkt dat er voor het toekomstige gebruik van de locatie (functie wonen met tuin) sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de mens zijn en dat de locatie met spoed gesaneerd dient te worden. Vervolgtraject en aanbevelingen Voor de beoogde herontwikkeling van de locatie zijn sanerende maatregelen noodzakelijk. Voor het uitvoeren van een bodemsanering wordt geadviseerd een saneringsplan op te stellen. Het saneringsplan dient ter beoordeling en goedkeuring voorgelegd te worden aan het bevoegd Wet bodembescherming (provincie Limburg). Het uitvoeren van grondroerende activiteiten (graven, ondergrondse sloop of andere grondbewerking) ter plaatse van een geval van ernstige bodemverontreiniging is niet toegestaan zonder instemming van de bevoegde overheid. Verder dient bij grondafvoer buiten de bepaalde verontreinigingscontouren rekening gehouden te worden met lichte verhogingen waardoor vrijkomende grond niet zonder meer elders toegepast kan worden. Hiervoor is een lokale nota bodembeheer, het Besluit Bodemkwaliteit en het Tijdelijk Handelingskader PFAS van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
Baarlosestraat openbare ruimte Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt verwacht dat binnen de onderzoekslocatie sprake zal zijn van de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Als gevolg van de decennialange menselijke activiteiten en het gebruik als openbare weg is de bodem mogelijk verontreinigd met asbest, zware metalen, minerale olie, PAK en/of PCB. Daarnaast blijkt uit voorgaande bodemonderzoeken dat op het terrein aan de Baarlosestraat drie bodemverontreinigingen met onder andere zink, vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEX) en naftaleen aanwezig zijn als gevolg van de voormalige (bedrijfs)activiteiten. Het kan niet worden uitgesloten worden dat de betreffende bodemverontreinigingen zich uitstrekken tot op de onderhavige onderzoekslocatie. Conclusie en advies Baarlosestraat Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat bodemonderzoek noodzakelijk is in verband met de verwachte aanwezigheid van bodemverontreinigingen binnen de onderzoekslocatie. Voorgesteld wordt vervolgonderzoek conform de strategieën NEN5707 en 5740.
Hoofdstuk 5
36
5.1.2 Geluid met betrekking tot wegverkeerslawaai In het kader van deze planologische procedure is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie van de nieuwe woningen. Een nieuwe woning betreft een geluidsgevoelig object, wat inhoudt dat dient te worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd wanneer er een geluidsbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger (tenzij ontheffing is verleend door het college van burgemeester en wethouders). In het kader van de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage.8 Het bouwplan met 18 nieuwe woningen is gelegen binnen de zone van de Baarlosestraat en de Dorpstraat. Wegverkeerslawaai Het Laefplein kent straks een 30 km/h regime. Daarmee worden in het kader van de Wet geluidhinder geen eisen gesteld aan de optredende gevelbelastingen. Uit de berekeningen blijkt dat vanwege wegverkeerslawaai van de Dorpstraat en Baarlosestraat de gevelbelasting onder de 48 dB zal blijven. Vanuit wegverkeerslawaai is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Parkeervoorzieningen Uit het onderzoek blijkt dat de langtijdgemiddelde geluidbelastingen vanwege de verkeersbewegingen van de bewoners van de appartementen en bezoekers van de horecagelegenheid hoger zijn dan stap 2 van de VNG, doch wel voldoen aan de voorschriften van stap 3 van de VNG-handreiking bedrijven en milieuzonering. Om deze belasting te verlagen is gekeken naar overdrachtsmaatregelen in de vorm van een afscherming. Rondom de parkeerplaatsen zullen de bergingen van de woningen worden gerealiseerd. Met de komst van de bergingen zal de optredende belastingen op achtergelegen waarneempunten worden verlaagd. Maximale geluidniveaus ten aanzien aan- en afrijdend verkeer zijn uitgesloten bij stap 3 van de VNG. De belastingen zijn wel getoetst aan de VNG waardoor er overschrijdingen van stap 2 zijn vastgesteld bij zowel de nieuwe appartementen als bij bestaande woningen. Er wordt wel voldaan aan stap 3 van de VNG gezien deze belastingen zijn uitgesloten van toetsing. Volgens het Activiteitenbesluit worden geen eisen gesteld aan de maximale geluidniveaus.
8
K+, akoestisch onderzoek Laefplein Maasbree, projectnummer: Rm220359aaA0.quro_05, d.d. 21 november 2023
Hoofdstuk 5
37
5.1.3 Geluid met betrekking tot industrielawaai Onderhavige ontwikkeling voorziet in 18 appartementen en in de realisatie van nieuwe commerciële ruimtes (in de vorm van horeca) en de uitbreiding van café De Pool. Om te bepalen of de bestaande horecagelegenheden geen hinder ondervinden van de nieuwe appartementen en de nieuwe commerciële voorzieningen geen negatief effect hebben op de bestaand woningen en nieuwe appartementen is een akoestisch onderzoek industrielawaai noodzakelijk. Stemgeluid terras Uit het onderzoek blijkt dat plaatselijk de geluidbelastingen hoger zijn dan de voorschriften van de VNG-handreiking bedrijven en milieuzonering. Het terras aan het Laefplein wordt een niet overdekt onverwarmd terras. In het kader van het Activiteitenbesluit worden onder deze voorwaarden geen eisen gesteld aan stemgeluid. Gezien uit de resultaten bleek dat het terras bij de nieuwbouw op enkele waarneempunten niet voldeed aan stap 3 van de VNG is een maatregel in de vorm van beperkte openingstijden gehanteerd. Op basis van de aangenomen uitgangspunten in combinatie met een openingstijd van 9 uur in de dagperiode en 1 uur in de avondperiode (tot 20:00 uur) er bij de onderzochte waarneempunten voldaan kan worden aan stap 3 van de VNG. Knelpunten bedrijven Voor de Vermaekerij is niet uit te sluiten dat de nieuwbouw het bedrijf kan beperken in de vergunde geluidruimte.
Hier moet nader onderzoek naar worden gedaan. Voor friture D’n Hab is een indicatief onderzoek uitgevoerd naar de afzuiging van de friture. Op basis van de resultaten blijkt dat de afzuiging maximaal 63 dB(A) mag uitstralen. Op basis van dit geluidvermogen kan worden gesteld dat de nieuwbouwwoningen de bedrijfsvoering van de friture niet beperkt. In de praktijk is het mogelijk om een dergelijk geluidniveau bij een afzuiging te behalen. Om dit niveau te bereiken kan het toepassen van dempende voorzieningen benodigd zijn. In de plint worden commerciële bedrijven waaronder ook horeca mogelijk gemaakt. Indien in de horeca-inrichting elektronisch versterkte muziek van een zeker geluidniveau ten gehore wordt gebracht, kan het noodzakelijk zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen te treffen. Een zaalniveau van maximaal 85 dB(A) (popmuziekspectrum) is in de nacht oplosbaar zodat dit geen reden is om reeds bij de bestemmingsplanprocedure hier aandacht aan te geven. Bij een geluidniveau van 85 dB(A) dient men er rekening mee te houden dat de betreffende zaal moet worden uitgevoerd in een doos-indoos constructie. Achtergrondmuziek bij een restaurant van circa 60-65 dB(A) zal hoogstwaarschijnlijk wel mogelijk zijn.
5.1.4 Luchtkwaliteit Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit
Hoofdstuk 5
38
lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) b) c) d)
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500
minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van 18 appartementen en in totaal circa 271 m2 (BVO) commerciële ruimte, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergronden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM 10 ter plaatse tussen de 14 en 16 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 8 en 10 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 10 en 12 µg/m³. In
Hoofdstuk 5
39
de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.1.5 Externe veiligheid Beleidskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Er moet getoetst worden aan het aspect externe veiligheid wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan.
Volgens artikel 1 van het Bevi worden nieuwe woningen aangemerkt als kwetsbare objecten. Verdere toetsing aan externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Inrichtingen In de omgeving rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De meest dichtbij gelegen inrichting betreft Vakantiepark BreeBronne met een propaantank. De propaantank ligt op ruim 1.500 meter ten noorden van de locatie. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze tank is 50 meter en reikt hiermee niet tot het plangebied. Gezien de grote tussenliggende afstand ligt de locatie niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Op circa 340 meter van het plangebied ligt aan de Provincialeweg 19 een LPG-tankstation en op circa 430 meter van het plangebied ligt bij Groenrijk Maasbree een opslagplaats voor consumentenvuurwerk. De plaatsgebonden risicocontouren (PR 10-6-contouren) van het LPG-tankstation en de opslagplaats voor consumentenvuurwerk reiken niet tot het plangebied. De invloedgebieden van het LPGtankstation en de opslagplaats voor consumentenvuurwerk strekken zich niet uit tot over het plangebied; Voor het overige zijn er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor dit plan.
Hoofdstuk 5
40
Risicovol transport over wegen Op circa 260 meter van het plangebied de N275, waarover risicovol transport plaatsvindt. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 0 meter en het groepsrisico is 0,3 – 1 maal de oriëntatiewaarde. Ter plaatse vindt vervoer plaats van brandbare en toxische vloeistoffen en brandbare gassen. De grootste afstand van het invloedsgebied bedraagt 880 meter (toxische vloeistoffen). Gezien het feit dat de ontwikkeling op meer dan 200 meter van deze weg is gelegen is een beperkte verantwoording voldoende. Hier wordt nader op in gegaan in deze paragraaf. Risicovol transport over spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen spoor- of vaarwegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Risicovol transport door buisleidingen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen waardoor risicovol transport plaatsvindt. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Beperkte verantwoording groepsrisico Aspect
Verantwoording
De mogelijkheden
Voor wat betreft de N275 bestaan er met name risico’s in verband met ongelukken met giftige gassen
ter voorbereiding van bestrijding en
en vloeistoffen (toxisch scenario). Gezien de grote tussenliggende afstand tussen het besluitgebied en deze transportas zullen calamiteiten met brandbare vloeistoffen en brandbaar gas (BLEVE9) geen
beperking van de
effecten hebben die tot het besluitgebied reiken.
omvang van een ramp of zwaar on-
De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het besluitgebied is
geval.
zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.
De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het besluitgebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. De mogelijkheden
Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de
voor personen om
verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch sce-
zich in veiligheid te
nario).
brengen indien zich op de weg een
Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie
ramp voordoet
met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats bin-
(zelfredzaamheid).
nen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het besluitgebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig.
9
BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloei-stof-gasexpansie-explosie).
Hoofdstuk 5
41
Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.
Standaardadvisering externe veiligheid bij toxische scenario’s in Limburg Noord De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft een standaardadvies opgesteld dat bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen gebruikt kan worden indien er alleen sprake is van een toxisch scenario. Het standaardadvies is uniform toepasbaar op alle situaties die binnen de criteria van het standaardadvies toxisch liggen. Door het advies als basis te gebruiken bij de wettelijk verplichte verantwoording van het groepsrisico, is de weging van de zelfredzaamheid van de aanwezige personen bij de ontwikkeling geborgd. Het doel van de te nemen maatregelen is het bieden van voldoende bescherming aan mensen binnenshuis. Bij dit bestemmingsplan is alleen sprake van een toxisch scenario en daarmee valt het onder de criteria voor het toepassen van het standaardadvies. Onderstaand is het standaardadvies weergegeven en dit advies wordt onderschreven. Het advies voor de initiatiefnemer is: Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst.
Het advies naar de gebruikers van de gebouwen is: Maak de gebruikers bewust van de risico’s en het handelingsperspectief: binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten. Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. Neem het toxisch scenario en handelwijze op in het bedrijfsnoodplan. Het advies voor de gemeente is: Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen ten aanzien van deze planontwikkeling. 5.1.6 Milieuzonering Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en
Hoofdstuk 5
42
gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. Milieucategorie
Richtafstand tot gevoelige functies in
Richtafstand tot gevoelige
een rustige woonwijk
functies in gemengd gebied
1
10 meter
0 meter
2
30 meter
10 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
Toetsing In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. De appartementen is geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De nieuwe commerciële ruimtes zijn daarentegen wel inrichtingen die gezoneerd dienen te worden. De appartementen betreffen wel milieugevoelige functies. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de appartementen gegarandeerd is en de nieuwe appartementen bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert. Daarbij dient ook aangetoond te worden dat de nieuwe bedrijven geen negatief effect hebben op een goed woon- en leefklimaat. Voor alle bedrijvigheid in de directe omgeving betreft het aspect ‘geluid’ de meest belemmerende factor. Zodoende is voor onderhavige ontwikkeling een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is in paragraaf 5.1.3 nader behandeld. Voor het café geldt tevens een richtafstand van 10 meter voor het aspect ‘gevaar’. De bestaande cafés en bars liggen op ruime afstand van de nieuwe woningen. Voor de nieuwe horecagelegenheden zal hiermee rekening worden gehouden aangezien er boven de horecagelegenheden appartementen worden gerealiseerd.
Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief.
Hoofdstuk 5
43
5.1.7 M.e.r.-plicht Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van een zorgwonengebouw De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende initiatief betreft de ontwikkeling van 18 appartementen, de uitbreiding van café De Pool en 271 m2 (BVO) commerciële ruimte op de begane grond. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is.
In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten, een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.4 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht. M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag.
Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden
Hoofdstuk 5
44
gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.
Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 5
45
Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 3.050 m2. Het project richt zich op de realisatie van 18 appartementen, de uitbreiding van café De Pool en toevoeging van 271 m2 (BVO) commerciële ruimte op de begane grond.
Cumulatie met andere projecten
Nee.
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.
Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 5.1.4): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Geluid (zie ook paragraaf 5.1.2 en 5.1.3): Onderhavige ontwikkeling is gelegen aan de Dorpstraat en de Baarlosestraat. Deze wegen betreffen een 30km/u en 50km/u weg. Binnen een afstand van 200 meter zijn geen wegen gelegen met een hogere maximumsnelheid. Daarnaast is onderhavig planvoornemen niet gelegen in de nabijheid van spoorwegen of een industrieterrein. Derhalve is het noodzakelijk om een akoestisch onderzoek ‘wegverkeerslawaai’ uit te voeren. De uitkomsten zijn in paragraaf 5.1.2 benoemd.
De ontwikkeling voorziet tevens in de realisatie van commerciële ruimtes en vindt plaats in de nabijheid van horecagelegenheden. Een akoestisch onderzoek ‘industrielawaai’ is eveneens noodzakelijk. De uitkomsten zijn in paragraaf 5.1.3 benoemd.
Geur: In de wijde omgeving zijn geen agrarische bedrijven gelegen. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is gelegen ten noorden van de kern Maasbree op een afstand van ruim 900 meter. Derhalve is dit aspect verder niet opgenomen in het bestemmingsplan.
Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 5.5): Het project leidt tot een toename van maximaal (worstcase-scenario) 192 mvt/etmaal. Hierbij is uitgegaan van de zwaarste norm uit de CROW. Negatieve gevolgen voor de omgeving zijn niet voorzien. De omliggende wegen kunnen deze toename goed verwerken.
Risico van ongevallen
Er is sprake van de ontwikkeling van commerciële ruimtes (horeca), uitbreiding van een horecagelegenheid en de realisatie van 18 appartementen.
Plaats van het object
Hoofdstuk 5
46
Kenmerken van het project Criteria
Toets
Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
Aan de Baarlosestraat bestaat de planlocatie momenteel uit een autogarage en een bakkerijwinkel. Aan de Dorpstraat is momenteel al het bestaande café De Pool gelegen. Deze wordt uitgebreid op de aangrenzende parkeerplaats. Rondom zijn reguliere woningen en horecagelegenheden gelegen.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het re- N.v.t. generatievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming
kustgebieden, berg- en bosgebie-
beschermde gebieden. Wat betreft stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de
den, reservaten en natuurparken,
omgeving is middels een AERIUS-berekening aangetoond dat er geen sprake is van
Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
effecten groter dan 0,00 mol/ha/j. Zie ook paragraaf 5.4 ‘Ecologie’.
gebieden waarin bij communau-
Nee.
taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
gebieden met een hoge bevol-
N.v.t.
kingsdichtheid
landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 5.2.2): Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn ter plaatse van het plangebied geen monumentale of andere cultuurhistorische waardevolle bouwwerken gelegen. De huidige bebouwing is ook niet aangemerkt als Rijks- of gemeentelijk monument. De Dorpstraat en Baarlosestraat zijn ter hoogte van het plangebied aangewezen als ‘andere weg ouder dan 1806’. Deze wegen worden wel opgewaardeerd, maar de waarden worden in stand gehouden. De voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden of landschappen in het plangebied en de directe omgeving. Archeologie (zie ook paragraaf 5.2.1): Binnen het plangebied ligt op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Peel en Maas de aanduiding “Waarde – Archeologie 3”. Deze categorie omvat gebieden met overige AMK-terreinen en his-
Hoofdstuk 5
47
Kenmerken van het project Criteria
Toets torische bewoningskernen. Daarbij geldt er een onderzoeksplicht bij bodemverstoringen groter dan 100m2. Zodoende is een archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht en uitgevoerd
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, zie paragraaf 5.3 ‘Ecologie’.
Watergebied van internationale beteke- Nee. nis Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland
(voormalige EHS)
(NNN). Zie paragraaf 5.3 ‘Ecologie’.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.
Waterwinlocaties. waterwingebieden, en Nee, zie paragraaf 5.6 ‘Waterparagraaf’. grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Er zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig.
Belvedère-gebied
Nee.
Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische zone N.v.t. en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het Nee. effect Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid Er is sprake van permanente nieuwbouw, waarbij de effecten blijvend zijn. Zoals echvan het effect
ter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect;
Hoofdstuk 5
48
sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.1.8 Bezonning Achtergrond en systematiek bezonning perceel Om te bepalen of er significante verandering van schaduw op een perceel optreedt als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling elders, is het van belang de verandering te kwantificeren. Om te bepalen wat een acceptabele bezonning is op een woonperceel (verder: perceel) is het van belang om te weten hoe een perceel gebruikt wordt om vervolgens richtlijnen te definiëren welk gedeelte van het perceel een bepaalde hoeveelheid zon dient te ontvangen. Bepaling en definiëring zones Zone vóór de voorgevel van de woning. Dit is aangeduid als de voortuin. De voortuin heeft over het algemeen een sierfunctie en zorgt daarmee voor privacy door het verhogen van de afstand tussen het openbaar gebied (weg of trottoir) en de voorgevel van de woning (met daarin raamopeningen). Over het algemeen kan gesteld worden dat het verblijven in de voortuin niet gebruikelijk is.
Zone aan weerszijden van de woning. Deze zone ligt tussen de voor- en de achtergevel aan weerszijden van de woning. Deze zone wordt regelmatig gebruikt voor het realiseren van aan- of uitbouwen of het parkeren van een auto. Op deze delen van het perceel is verblijf niet gebruikelijk. Zone achter de achtergevel van de woning. Dit is de meest waarschijnlijke zone waar bewoners van de woning hun privé buitenruimte zullen willen realiseren. In deze zone worden veelal terrassen en (sier)tuinen aangelegd. Daarbij wordt nog onderscheid gemaakt in het voorste deel van de tuin (gedeelte het dichtst gelegen bij de achtergevel) en het achterste gedeelte (het gedeelte het dichtst gelegen bij de achtergrens van het perceel). De zone het dichtst bij de achtergevel wordt in de basis het meest gebruikt om te verblijven in de tuin Door BRO is een bezonningsstudie10 uitgevoerd. Een bezonningsstudie richt zich in de eerste plaats op het inzichtelijk maken van de bezonningssituatie in de te onderzoeken planologische situaties. Immers, de aanwezige ruimte binnen een planologische regeling bepaalt wat men wel of niet mag bouwen en welke invloed deze bouwruimte heeft op de aanwezige bezonningssituatie. Deze studie omvat een studie naar de mogelijke schaduwwerking van een planologische wijziging van het laefplein te Maasbree.
Het omvat een studie naar een drietal gevelpunten, een daktuin en acht achtertuinen. Er kan worden geconcludeerd dat overal de nieuwe planologische situatie (bouwplan) enkele positieve en negatieve effecten veroorzaakt. Meerdere percelen zullen een toename in bezonning ervaren wanneer de huidige en toekomstige situatie vergleken worden. Verder zijn de meeste ne-
10
BRO, Bezonningsstudie – Laefplein, Gemeente Peel en Maas, projectnummer: P05446, d.d. juni 2023.
Hoofdstuk 5
49
gatieve gevolgen dermate klein zijn dat er geen sprake is van een onredelijke afbreuk voor het woongenot van de bewoners van de onderzochte woning en buitenruimte. Enkel de gevolgen voor Dorpstraat 50a dermate groot dat de bezonning niet langer aan de gestelde norm van gemiddeld 20% bezonning van de daktuin en 2 uur bezonning van de achtergevel voldoet. Deze achteruitgang is dermate groot dat dit een aandachtspunt is bij de planontwikkeling. Hierbij moet wel worden vermeld dat de huidige situatie geen maximale bouwhoogte vermeld. Er is daarom conservatief gekozen voor 9 meter, echter zou een hoger bouwwerk binnen de huidige regels toegelaten zijn wat de bezonning in de huidige situatie zou verslechteren. Wanneer de resultaten worden bekeken kunnen de volgende beknopte conclusies voor ieder adres worden gesteld: Dorpstraat 50 Ervaart een afname van bezonning van 7,3% van de achtertuin, maar blijft aan de norm voldoen met 58,5% bezonning in de nieuwe situatie. Ervaart een afname in de bezonning van de gevel van 1:45 uur voor de begane grond en 1:22 voor de eerste verdieping, maar blijft aan de norm voldoen met ruim drie uur bezonning in de nieuwe situatie. Dorpstraat 50a Ervaart een afname van bezonning van 20,5% van de daktuin, en voldoet daardoor met 18,3% niet langer aan de gestelde norm van 20%.
Ervaart een afname in de bezonning van de gevel van 1:34, en voldoet daardoor met ongeveer 1 uur niet langer aan de gestelde norm van 2 uur. Dit is een aandachtspunt bij de planontwikkeling. Dorpstraat 52 Ervaart een toename van bezonning van 29,8% van de achtertuin wanneer de huidige en toekomstige situatie worden vergeleken. Sint Aldegundisstraat 2 Ervaart geen verandering van bezonning van de achtertuin wanneer de huidige en toekomstige situatie worden vergeleken. Sint Aldegundisstraat 4 Ervaart een toename van bezonning van 10,6% van de achtertuin wanneer de huidige en toekomstige situatie worden vergeleken. Sint Aldegundisstraat 6 Ervaart een toename van bezonning van 6,5% van de achtertuin wanneer de huidige en toekomstige situatie worden vergeleken. Sint Aldegundisstraat 8 Ervaart een toename van bezonning van 9% van de achtertuin wanneer de huidige en toekomstige situatie worden vergeleken.
Hoofdstuk 5
50
Op de Raam 1 Ervaart geen verandering van bezonning van de achtertuin wanneer de huidige en toekomstige situatie worden vergeleken. Op de Raam 3 Ervaart een afname van bezonning van 0,3% van de achtertuin, maar blijft aan de norm voldoen met 42,8% bezonning in de nieuwe situatie. Conclusie Vanuit het aspect ‘bezonning’ bestaan er, afgezien van de bezonningsafname ter plaatse van de Dorpstraat 50a, geen belemmeringen voor het onderhavige planvoornemen. De bezonningssituatie ter plaatse van de Dorpstraat 50a blijft daarmee een aandachtspunt en er zal samen met de bewoners worden gezocht naar een passende oplossing. Dit kan eventueel worden opgenomen in een planschade overeenkomst.
5.2 Archeologie en cultuurhistorie 5.2.1 Archeologie Algemeen Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet.
Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.
Hoofdstuk 5
51
Archeologische beleidskaart Binnen het plangebied ligt op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Peel en Maas de aanduiding “Waarde – Archeologie 3”. Deze categorie omvat gebieden met overige AMKterreinen en historische bewoningskernen. Daarbij geldt er een onderzoeksplicht bij bodemverstoringen groter dan 100m2.
Uitsnede Archeologische beleidskaart met ligging locatie (rood omlijnd)
Toetsing Gezien de ligging van het plangebied in een gebied met “Waarde – Archeologie 3” met een onderzoeksplicht vanaf 100 m 2, is een onderzoek noodzakelijk geacht. De grens wordt overschreden en zodoende is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van het verkennend veldonderzoek 11 middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een AC-bodemprofiel. De bodem binnen het zuidelijk deelgebied is tot circa 80 centimeter in de C-horizont verstoord. Een dergelijke verstoring is van dermate 11
Aeres Milieu B.V. Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek Dorpstraat-Baarlosestraat (ong.) te Maasbree, projectnummer: AM22179 versie 3, d.d. 31 mei 2023
Hoofdstuk 5
52
grootte, dat de kans op intacte archeologische resten en ondiepe sporen uit de periode laat-paleolithicum – neolithicum laag wordt geacht. Op basis hiervan wordt voor het zuidelijk deelgebied de verwachting voor het neolithicum bijgesteld van hoog naar laag. Echter, gezien de ligging in de historische kern van Maasbree kan in het zuidelijk deelgebied niet uitgesloten worden dat er historische bebouwing aanwezig was, al dan niet bestaande uit bijgebouwen (schuur, stal) van de omringende bebouwing. In het noordelijk deelgebied kunnen, op basis van de historische kaarten, resten van historische bebouwing aanwezig zijn. Op basis hiervan blijft de hoge verwachting voor de periode nieuwe tijd gehandhaafd. Een veldonderzoek middels boringen is geen geschikte methode voor het opsporen van dieper in gegraven heterogeen verdeelde sporen, zoals muren en funderingsresten. Om deze redenen wordt voor beide deelgebieden een vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Peel en Maas). De resultaten van dit onderzoek dienen getoetst te worden door de bevoegde overheid (gemeente Peel en Maas), die op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen.
Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende of voorbereidende activiteiten ondernomen kunnen worden. Conclusie Ten tijde van de voorbereiding van het bestemmingsplan wordt een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van de resultaten van dit proefsleuvenonderzoek kan het College van burgemeester en wethouders besluiten: 1. Het plangebied vrij te geven omdat hier geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen zijn gevonden; 2. Aangetroffen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen te laten opgraven (behoud ex situ); 3. Maatregelen te treffen ten behoeve van het duurzaam behouden in de bodem (in situ) van de aangetroffen behoudenswaardige vindplaatsen. Het College kan op basis van artikel 7.5 (Wijzigingsbevoegdheid) de dubbelbestemming waarde – archeologie laten verwijderen in het geval van scenario’s 1 en 2, of wijzigen in het geval scenario 3. 5.2.2 Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart (zie navolgende afbeelding) van de provincie Limburg zijn ter plaatse van het plangebied geen monumentale of andere cultuurhistorische waardevolle bouwwerken gelegen. De bestaande bebouwing is ook niet aangemerkt als monument. De Dorpstraat en de Baarlosestraat zijn ter hoogte van het plangebied aangewezen als een ‘andere weg ouder dan 1806’.
De wegen worden wel aangepast en opgewaardeerd, maar de
Hoofdstuk 5
53
cultuurhistorische waarden zullen niet verloren gaan. Vanuit de aanwezige cultuurhistorische waarden zijn er dan ook geen belemmeringen voor dit initiatief.
Uitsnede Archeologische beleidskaart met ligging locatie (rood omlijnd)
Conclusie In het plangebied bestaan er voor de voorziene ontwikkeling geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie.
5.3 Ecologie Natuurwetgeving De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Hoofdstuk 5
54
Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, Vogelschutsgebied ‘Schwalm-NettePlatte mit Grenzwald u. Meinweg’, ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en ‘Maasduinen’, bevinden zich respectievelijk op circa 8,5 kilometer ten oosten, circa 8,8 kilometer ten noordwesten en circa 11,8 kilometer ten noordwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van woningen en commerciële ruimtes betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.
Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage 12. Uit het onderzoek en de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk ligt ongeveer 620 meter ten zuiden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling zijn bomen aanwezig. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Het aspect beschermde houtopstanden vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Soortenbescherming Het plangebied bestaat momenteel uit een leegstaande woning met daaromheen aangelegde tuinen. Door BRO is een Quickscan Flora en Fauna13 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten.
Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport in de bijlagen. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits
12 13
BRO, AERIUS-notitie Laefplein, Maasbree, d.d. 8 november 2023 BRO, Quickscan Flora en Fauna Laefplein te Maasbree, d.d. 28 februari 2023
Hoofdstuk 5
55
voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Met betrekking tot de sloop van Baarlosestraat 7 zijn overtredingen ten aanzien van het verstoren/verwijderen van nestlocaties van huismus en verblijfplaatsen van een vleermuissoort op basis van de quickscan niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient hieromtrent uitsluitsel te geven; Indien er werkzaamheden plaatsvinden aan het dak van de huidige bebouwing aan de Baarlosestraat 3, zal vervolgonderzoek moeten uitwijzen of er een nestlocatie van huismus aanwezig voordat de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Indien de huidige bebouwing behouden blijft in huidige staat, gaan geen nest-locaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen.