CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-064 07 Aangepaste versie - Toelichting Woningbouw Antoniushof te Kessel

Raad 23 april 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Woningbouw Antoniushof te Kessel” (Ontwikkeling vrachtwagenparkeerplaats) (2024-064)16.965 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

27

Risico van ongevallen Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

wegen berekend op een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de extra woningen. Gezien er enkel nieuwe woningen worden gerealiseerd, is er geen sprake van nieuwe risicobronnen. Cultuurhistorie (zie paragraaf 5.5): binnen het plangebied en de directe omgeving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. Archeologie (zie paragraaf 5.5): de uit te voeren graafwerkzaamheden kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Ten behoeve van de bescherming van mogelijk aanwezige archeologische resten, is een dubbelbestemming opgenomen.

Plaats van het object Criteria Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: • gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitaten Vogelrichtlijn-gebieden) •

gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid

Toets Er zijn verschillende functies binnen het plangebied aanwezig. Zo is er een vrachtwagenparkeerplaats, groen, een scoutinggebouw en brandweerkazerne aanwezig. N.v.t.

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming beschermde gebieden. Zie paragraaf 5.3 ‘Natuur’. Nee.

N.v.t.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied Toets Beschermd natuurmonument Nee. Habitat en vogelrichtlijngebieden Nee, zie paragraaf 5.3 ‘Natuur’. 28

Watergebied van internationale betekenis Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS) Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties. waterwingebieden, en grondwaterbeschermingsgebieden

Nee. Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zie paragraaf 5.3 ‘Natuur’. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied. Nee, zie paragraaf 5.2 ‘Water’.

Conclusie De uitgevoerde onderzoeken onderbouwen de conclusie dat gelet op aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot het plangebied en de (directe) omgeving er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. De uitgevoerde onderzoeken tonen aan dat het realiseren van nieuwe woningen binnen het plangebied voldoet aan de wettelijke eisen en er sprake is van een verantwoorde situatie vanuit milieuoogpunt. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste conclusies beschreven.

5.1.2

Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van de ontwikkeling. Beoordeling van het aspect bodemkwaliteit kan achterwege blijven in een aantal situaties. Bij het wijzigen van het gebruik van een al bebouwd perceel, waarbij de nieuwe gebruiksvormen een voor de beoordeling van het aspect bodemkwaliteit vergelijkbaar of minder kritisch gebruik kennen, is beoordeling van het aspect bodemkwaliteit niet aan de orde. In dit geval worden nieuwe woningen toegevoegd, waardoor het plangebied in de beoogde situatie een gevoeliger gebruik kent dan in de huidige situatie het geval is. Om te bepalen of de bodemkwaliteit geschikt is om te gebruiken ten behoeve van woondoeleinden, is een bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. De volledige rapportage van het bodemonderzoek is bijgevoegd als separate bijlage (zie bijlage I). Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van (bronnen van) bodemverontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen.

Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond ter plaatse van en rondom het parkeerterrein licht verhoogd is met PCB, PAK en minerale olie. In de ondergrond zijn echter geen gehalten gemeten welke zijn verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Naar aanleiding van de resultaten van het bodemonderzoek wordt dan ook geen aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk geacht.

29

5.1.3

Lucht Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regeling rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Woningen betreffen gevoelige objecten waarvoor moet worden bepaald of het woonen leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit aanvaardbaar is. Daarom is getoetst of er op het gebied van fijnstof en stikstofdioxide sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. De toetsing is gebaseerd op de concentratie- en depositiekaarten van het RIVM. Fijn stof Voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 50 µg/m3 voor een daggemiddelde concentratie.

De waarde voor fijn stof ter plaatse van de planlocatie bedraagt conform de kaarten van het RIVM circa 14,19 µg/m3. Dat betekent dat dit beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en op het gebied van fijn stof het woon- en leefklimaat dus aanvaardbaar is. Stikstofdioxide Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m3 voor een daggemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide (NO2) ter plaatse van de planlocatie bedraagt conform de kaarten van het RIVM circa 12,07 µg/m3. Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden volgens de Wet milieubeheer ligt en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Luchtkwaliteit Het toevoegen van nieuwe woningen zorgt voor een toename van het aantal verkeersbewegingen. Door veranderingen in het aantal verkeersbewegingen, kan er ook een verandering plaatsvinden met betrekking tot de hoeveelheid fijnstof in de lucht. Uit paragraaf 5.6.1 blijkt dat er ten gevolge van de ontwikkeling sprake is van een toename van 117 verkeersbewegingen per etmaal. Met behulp van de NIBM-tool is getoetst of er ten aanzien van deze toename een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk is of dat de extra bijdrage van het verkeer ‘niet in betekenende mate is’.

30

Figuur 6 NIBM-tool bijdrage extra verkeer

Uit de NIBM-tool (figuur 6) blijkt dat de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de realisatie van de nieuwe woningen, niet in betekenende mate is. Een nader onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Conclusie De hoeveelheid fijnstof en stikstofdioxide ter plaatse van de planlocatie ligt ruimschoots beneden de gestelde grenswaarden, waardoor kan worden gesproken van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast heeft de ontwikkeling geen onevenredig negatief effect op het gebied van de luchtkwaliteit. Dit vormt geen belemmering voor de voorgestane ontwikkeling.

5.1.4

Geur In de ruimtelijke ordening wordt onderscheid gemaakt tussen milieuzoneringen met betrekking tot het aspect geur afkomstig van veehouderijen en alle andere aspecten. In deze paragraaf wordt ingegaan op het aspect geur. Door het stellen van minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. In de direct omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven met een dusdanige geuruitstoot, waardoor dit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Met de ontwikkeling worden tevens geen bedrijven met geuruitstoot belemmerd in hun bedrijfsvoering.

5.1.5

Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedssfeer van industrie-, spoorwegen/of (weg)verkeerslawaai een akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Met onderhavige ontwikkeling worden nieuwe geluidgevoelige objecten toegevoegd. Ten aanzien van deze nieuw te realiseren woningen dient te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid.

31

Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedsfeer van (weg)verkeerslawaai, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt Om te bepalen of er ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geluid, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in de bijlage (zie bijlage II). Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Rijksweg (N273), Heldenseweg, Baarskampstraat en Beeselseweg. De Schijfweg-Zuid kent zelf een maximumsnelheid van 30 km/uur, maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening is deze weg toch opgenomen in het akoestisch onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de Rijksweg (N273), Heldenseweg, Baarskampstraat en Beeselseweg de voorkeursgrenswaarde nergens overschrijdt. Hierdoor is het aanvragen van een hogere waarde ten aanzien van deze wegen niet aan de orde.

De Wet geluidhinder legt geen restricties op aan het plan. De geluidsbelasting ten gevolge van de Schijfweg-Zuid ligt tevens onder de voorkeursgrenswaarde, waardoor sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast is gekeken naar de toenemende geluidsbelasting op het gebied van wegverkeer als gevolg van de ontwikkeling. Het aantal verkeersbewegingen neemt in totaal toe met 117 per etmaal (paragraaf 5.6.1). Uitgaande van 837 motorvoertuigen op de Schijfweg-Zuid in de huidige situatie, zal de geluidbelasting in de beoogde situatie met circa 0,6 dB toenemen op de bestaande woningen in het geval dat al het verkeer één kant op rijdt. Hierbij is geen rekening gehouden met aspecten zoals reflecties en de bodemfactor. Hieruit wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling slechts een beperkte invloed heeft op de woningen aan de Schijfweg-Zuid. Zodra het verkeer opgaat in het heersende verkeer aan de Baarskampstraat/Beeselseweg komt is het naar verwachting geen relevante bijdrage meer. Kortom, de ontwikkeling heeft geen onevenredig negatief effect op het woon- en leefklimaat in de omgeving. Industrielawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig met een geluidszone aanwezig. Ten aanzien van industrielawaai worden dan ook geen belemmeringen verwacht. Spoorweglawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig.

Dit vormt geen belemmering ten aanzien van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

32

5.1.6

Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Aangrenzend dan wel binnen het plangebied liggen de brandweerkazerne en het scoutinggebouw van O.J.C. De Hobbits. Enerzijds dient te worden gekeken dat de nieuwe woningen deze functies niet in de mogelijkheden beperkt en anderzijds dient ter plaatse van de nieuwe woningen sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten aanzien van het scoutinggebouw van O.J.C. De Hobbits dient in het kader van Bedrijven en milieuzonering een afstand van 30 meter te worden aangehouden op het gebied van geluid. De woonbestemmingen zijn in dit geval binnen een afstand van 30 meter van het scoutinggebouw beoogd. De activiteiten hebben betrekking op vrijetijdsbesteding voor basisschoolkinderen op twee vrijdagavonden per maand, waarbij de groepen bestaan uit maximaal 25 kinderen.

Zo zijn er in het gebouw knutselruimten aanwezig en wordt er incidenteel een evenement gehouden zoals een carnavals- en sinterklaasfeest. Vanwege het sterk incidentele karakter vormt dit geen belemmering voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. De activiteiten welke twee keer in de maand plaatsvinden, hebben tevens geen dusdanige geluidsuitstoot tot gevolg waardoor dit geen belemmering vormt. Ten behoeve van de woningbouwontwikkeling ‘Molengaerde’ zoals mogelijk gemaakt door middel van het bestemmingsplan ‘Woningbouwontwikkeling Molengaerde, Kessel’ (vastgesteld 6 juli 2021), is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar onder andere het geluid vanuit de omgeving op de te realiseren woningen. Uit het akoestisch onderzoek (Bedrijven en milieuzonering Schijfweg-Zuid te Kessel door Econsultancy, rapportnr. 12866.002, d.d. 17 juli 2020) blijkt dat gedurende de avondperiode de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in rustig gebied uit stap 2 overschreden als gevolg van activiteiten binnen de naastgelegen inrichting. Wel wordt voldaan aan de richtwaarde uit stap 3 en de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit. Ook de indirecte hinder voldoet aan de richtwaarden. Pieken als gevolg van het ‘komen en gaan van bezoekers’ bij horeca/recreatie/sport zoals scoutinggebouwen zijn milieu-hygiënisch (i.h.k.v. Activiteitenbesluit) uitgezonderd van toetsing.

Volledigheidshalve is wel bekeken of dit aspect van invloed kan zijn op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. In dit geval ligt de parkeerplaats van het scoutinggebouw aan de voorzijde van de bebouwing, waardoor er tussen de woningen en de parkeerplaats een afstand van 45 meter zit. Daarnaast is er bebouwing tussen de woningen en de parkeerplaats aanwezig, wat kan zorgen voor enig geluiddempend effect. De parkeerplaats betreft geen grote verzamelparkeerplaats en de inrichting betreft geen grootschalige voorziening ten behoeve van bedrijven/inrichtingen, waardoor het ‘komen en gaan van bezoekers’ beperkt is. Ten slotte is het geluid door het parkeren van auto’s inherent aan 33

een woonomgeving, waardoor sprake is van aanvaardbaar geluid. Gelet op voorgaande gegevens, kan worden gesteld dat dit geen belemmering vormt ten aanzien van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Binnen het plangebied is tevens een brandweerkazerne gevestigd. Ten aanzien van brandweerkazernes dient conform de VNG-publicatie een afstand van 50 meter te worden aangehouden. Als gevolg van de brandweerkazerne worden de richt- en grenswaarden tevens overschreden. Op de locatie is één brandweerwagen en een busje gestationeerd. Per jaar wordt er circa 30 keer uitgerukt waarbij er gemiddeld meer dan 12 keer wordt uitgerukt en er waarschuwingssignalen worden gebruikt. Bij toetsing aan de grenswaarden aan het Activiteitenbesluit wordt wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveau hieraan voldaan. De geluidsbelasting in het kader van indirecte hinder is aanvaardbaar te noemen.

5.1.7

Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat

34

voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten weten bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.

Buisleidingen (Bevb)

Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen1. Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot moet in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art. 3.1. Wro) ook worden getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG-tankstations’ enzovoort. Toetsing Ten aanzien van de nieuw te realiseren woningen dient te worden gekeken of het aspect externe veiligheid een belemmering vormt. Hiervoor is de Risicokaart geraadpleegd (figuur 7). Uit de Risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen

1

Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.

35

risicovolle inrichtingen, maar wel buisleidingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Onder de figuur wordt hier nader op ingegaan.

Figuur 7 Risicokaart met plangebied rood omcirkeld

Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van de planlocatie geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Dit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Risicovol transport Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, dat gaat over die vervoerskant. • Risicovol transport over wegen Het plangebied is op een afstand van circa 210 meter van de provinciale weg N273 gelegen. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het invloedsgebied van 36

deze weg reikt tot een afstand van 880 meter, waardoor het plangebied hierbinnen is gelegen. Echter zijn de beoogde woningen niet binnen een afstand van 200 meter van deze weg gelegen, waardoor een beperkte verantwoording van het groepsrisico volstaat. Bij de beperkte verantwoording wordt onder andere ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van een ramp en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid. Deze beperkte verantwoording is te vinden onder het kopje ‘beperkte verantwoording groepsrisico’ aan het einde deze paragraaf. • Risicovol transport over spoorwegen In de omgeving van de planlocatie bevindt zich geen spoorlijn, waardoor dit niet voor een belemmering zorgt met betrekking tot onderhavige ontwikkeling. • Risicovol transport over water Ten zuiden van de planlocatie is op een afstand van circa 450 meter de Maas gelegen. Over de Maas vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 reikt niet tot buiten de oever, waardoor de planlocatie buiten deze contour is gelegen. De GR-contour van de Maas reikt tot een afstand van 1,07 kilometer, waar de planlocatie dus wel binnen is gelegen. Gezien de afstand tot de Maas volstaat in dit geval een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze beperkte verantwoording is te vinden onder het kopje ‘beperkte verantwoording groepsrisico’ aan het einde deze paragraaf.

Buisleidingen Ten noorden en zuiden van het plangebied zijn aardgastransportleidingen aanwezig waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Dit betreffen de aardgasleidingen A-520 en Z-513. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van deze buisleidingen. Derhalve is een CAROLA-berekening uitgevoerd. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit het onderzoek weergegeven. De rapportage is bijgevoegd als separate bijlage. In het kader van de woningbouwontwikkeling aan de Schijfweg-Zuid te Kessel zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico berekend met het rekenprogramma CAROLA in verband met de nabij gelegen aardgastransportleidingen. Uit de berekening blijkt dat de leidingen geen plaatsgebonden risicocontour van 10 -6 per jaar hebben. Er zijn wat betreft het plaatsgebonden risico geen beperkingen. Daarnaast blijkt uit de berekening dat voor beide leidingen geldt dat het groepsrisico onder de 10% van de oriëntatiewaarde blijft. Tevens is er geen sprake van een toename van het groepsrisico ten gevolge van het planvoornemen. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoording is opgenomen in hoofdstuk 5 van Bijlage IV. Dit vormt geen belemmering voor voorgenomen planontwikkeling.

Beperkte verantwoording groepsrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied, maar op grotere afstand dan 200 meter van de Maas en de N273. Daardoor dient enkel rekening gehouden te worden met de effecten van een toxische gaswolk. 37

Ontwikkeling groepsrisico Indien een ruimtelijk plan in dit gebied tot toename van de personendichtheid leidt, betekent dat het groepsrisico niet significant zal toenemen, vanwege: • de afstand tot de plaats van het mogelijke incident; • de aard van incident (blootstelling aan toxisch gas); • de reeds hoge personendichtheden binnen de gemeente Venlo nabij de grote risicobronnen. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door beïnvloeding van de personendichtheid is in het plangebied niet aan de orde, vanwege het gegeven dat de: • toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; • kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Zelfredzaamheid Indien er zich een ramp voordoet waarbij mogelijk gevaarlijke stoffen zoals toxische gassen vrijkomen, worden deuren en ramen gesloten en vindt het schuilen plaats binnen het bouwwerk. Er wordt gezorgd dat ramen en deuren in het pand goed afsluitbaar zijn, om de kans op mogelijke blootstelling aan giftige stoffen zo klein mogelijk te houden.

Daarnaast is de locatie goed ontsloten en zijn er vluchtroutes in verschillende richtingen aanwezig. Aanwezigen in het pand worden gewaarschuwd middels het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten. Ten slotte is door de Veiligheidsregio Limburg-Noord onderstaand advies gegeven ten aanzien van de voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied. Dit advies is tevens als separate bijlage bijgevoegd (zie bijlage III). De Veiligheidsregio Limburg-Noord adviseert rekening te houden met onderstaande beheersmaatregelen ter verbetering van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zowel de initiatiefnemer, gebruiker van het gebouw en de gemeente: Initiatiefnemer: • Pas de beleidsregels bluswater en bereikbaarheid die door de gemeente zijn vastgesteld toe. Wanneer het initiatief aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt.

• Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop

38

kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst. Gebruiker: • Zorg dat de gebruikers en BHV organisatie (indien wettelijk noodzakelijk) op de hoogte zijn van de risico’s van een toxisch incident met gevaarlijke stoffen, het handelingsperspectief: "binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten" en hiernaar wordt gehandeld. • Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. • Indien sprake is van een BHV organisatie dan dient het toxisch scenario en handelwijze te worden opgenomen in het bedrijfsnoodplan. Gemeente: • Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is. Conclusie Gelet op het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.1.8

Kabels, leidingen en hoogspanningslijnen Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het plangebied kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden dient te worden. Leidingen Op basis van het geldende bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat er ten zuiden van de brandweerkazerne een leiding aanwezig is. De leiding is buiten het plangebied gelegen, maar de dubbelbestemming ten behoeve van de leiding ligt wel binnen het plangebied. Ter plaatse van de dubbelbestemming vinden echter geen (fysieke) veranderingen plaats, waardoor dit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Hoogspanningslijnen Ten noorden van het plangebied is een hoogspanningsverbinding aanwezig. Ten aanzien van deze hoogspanningslijn is een dubbelbestemming opgenomen. Hieronder is nader bekeken of deze hoogspanningslijn een belemmering vormt voor het ontwikkelen van nieuwe woningen. Beschermingszone In het geldende bestemmingsplan van de gemeente Peel en Maas zijn, ter bescherming van de hoogspanningslijnen, beschermingszones opgenomen. Conform het bestemmingsplan geldt een zone van 20 meter aan weerzijden van de hoogspanningslijn (figuur 8), waarbinnen nadere regels gelden.

39

Figuur 8 Planologische beschermingszone hoogspanningslijn

In het bestemmingsplan is opgenomen dat er binnen de zone van 20 meter van de hoogspanningslijn zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning geen gebouwen mogen worden gebouwd. In de nieuwe situatie zijn er binnen de beschermingszone van de hoogspanningslijn geen woningen beoogd, dus dit vormt geen belemmering voor het voornemen. Binnen de zone zijn wel een speeltuin, een trapveldje, oppervlakteverharding (ten behoeve van de ontsluiting) en groenelementen aanwezig. Gezien deze voorzieningen niet strijdig zijn met de belangen en de veiligheid van de verbinding, zijn er ten aanzien van de planregels van het bestemmingsplan geen belemmeringen. Magneetveldzone Er zijn aanwijzingen dat er een verband is tussen wonen in de buurt van een hoogspanningslijn en mogelijk verhoogde gezondheidsrisico’s bij kinderen tot 15 jaar. Dit mogelijke verband tussen gezondheidsrisico’s en langdurige blootstelling aan magnetisme binnen de magneetveldzone heeft geleid tot een beleidsadvies dat geldt voor het oprichten van gevoelige functies binnen de zone waar 0,4 microtesla aan magnetische straling wordt gemeten. Er is ten aanzien van onderhavige ontwikkeling dan ook een berekening van de specifieke magneetveldzone uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als separate 40

bijlage V. Uit de resultaten van de berekening blijkt dat de specifieke magneetveldzone in dit geval reikt tot een afstand van 50 meter aan weerszijden van de hoogspanningslijn. Binnen een afstand van 50 meter van de hoogspanningslijn zijn in de nieuwe situatie vooralsnog geen woningen beoogd. Dit aspect vormt derhalve geen belemmering voor de ontwikkeling. Op het noordelijk deel van het plangebied is een voorwaardelijke bepaling opgenomen voor het realiseren van nieuwe woningen. Dit deelgebied ligt wel binnen 50 meter van de hoogspanningslijn. In de planregels is dan ook geborgd dat er ter plaatse van de nieuwe woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dient te worden gegarandeerd, waaronder op het gebied van dit aspect. Ten aanzien van de gewenste ontwikkeling zorgen kabels, leidingen en/of hoogspanningslijnen niet voor een belemmering van de ontwikkeling.

5.2

Water Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en werden waterlopen veranderd naar de wensen van inrichters en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan gedacht worden aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen ten aanzien van droogte en extreme regenbuien. Bij de locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

5.2.1

Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016 – 2021 van de Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Provinciaal Waterplan, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). De opgave in het POL2014 inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s tot wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor het omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke

41

voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maatschappelijke acceptabel. Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast. Waterschap Limburg heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de oppervlakte aan verharding kleiner is dan 2.000 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het Watertoetsloket. In dit geval bedraagt de toename van het verhard oppervlak meer dan 2.000 m2.

Dat betekent dat de ontwikkeling dient te worden voorgelegd aan het Waterschap.

5.2.2

Waterhuishoudkundige situatie De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in de planlocatie en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie bevindt zich op een hoogte van circa 25,7 meter +NAP. De stroming van het freatisch grondwater is globaal zuidoostelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 20 meter +NAP, overeenkomend met 5,7 m-mv. De onderzoekslocatie bevindt zich niet binnen de grenzen van een grondwaterbeschermingsgebied. Uit het bodemonderzoek (bijlage I) is gebleken dat het grondwater zich op dieper dan 5 meter onder het maaiveld bevindt. Gezien deze grote diepte van het grindwater vormt dit geen belemmering voor het planvoornemen Oppervlaktewater In de planlocatie zelf en in de directe omgeving is geen oppervlaktewater aanwezig en in de nieuwe situatie wordt geen oppervlaktewater gecreëerd. Dit vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater dient te worden aangesloten op het rioleringsstelsel. Dit aspect wordt nader uitgewerkt bij de aanvraag omgevingsvergunning.

42

Hemelwater Het Waterschap Limburg streeft ernaar om bij herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen de planlocatie te verwerken. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Via daken en dakgoten wordt het hemelwater via een infiltratievoorziening in de vorm van een wadi in de bodem geïnfiltreerd. Conform de richtlijnen van het Waterschap dienen hemelwatervoorzieningen in Noorden Midden-Limburg gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm per m 2 meter verharding met een leegloop binnen 24 uur. De infiltratievoorziening wordt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning nader uitgewerkt. Gezien de grootte van het plangebied en de lage grondwaterstand vormt het naar verwachting geen belemmering om te voorzien in een infiltratievoorziening met voldoende capaciteit.

5.3

Natuur

5.3.1

Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Brabant (NNB). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen natuurgebied behorende bij Natura 2000 is het Swalmdal. Dit natuurgebied is op een afstand van ruim 4,8 kilometer van het plangebied gelegen. Het toevoegen van nieuwe woningen kan onder andere invloed hebben op Natura 2000gebieden door de uitstoot van stikstof als gevolg van de bouw van de woningen en de toename van de verkeersbewegingen. Om te bepalen of de ontwikkeling een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden heeft, zijn Aerius-berekeningen voor de aanlegfase en gebruiksfase uitgevoerd. De aanlegfase heeft betrekking op de bouw van de woningen en de gebruiksfase betreft het aantal verkeersbewegingen

43

gezien de woningen energieneutraal worden uitgevoerd. Hieronder is de conclusie uit de Aerius-berekeningen weergegeven welke tevens als separate bijlagen (VI en VII) zijn bijgevoegd. In de berekening voor de aanlegfase is met betrekking tot het gebruik van machines uitgegaan van een rupskraan, shovel en verreiker. In de berekening voor de gebruiksfase is het uitgangspunt dat de woningen energieneutraal worden uitgevoerd en is voor het aantal verkeersbewegingen uitgegaan van 117 verkeersbewegingen per etmaal (zie paragraaf 5.6.1). Uit de resultaten van de AERIUS berekening volgt dat er zowel in de gebruiksfase als de aanlegfase geen depositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden plaatsvindt (zie bijlagen). Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.3.2

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. Bebouwing en groenelementen zoals bomen kunnen als verblijfsplaats dienen voor dieren. Ten behoeve van de ontwikkeling is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd om nader te onderzoeken of de ontwikkeling een onevenredig negatief effect heeft op flora en fauna. Hieronder zijn de conclusies uit de Quickscan weergegeven. Een afschrift van de uitgevoerde Quickscan is bijgevoegd in de bijlage (zie bijlage VIII). Uit de Quickscan is gebleken dat er floristisch gezien geen bijzonderheden zijn aangetroffen. De bodem is namelijk begroeid met algemeen voorkomende (on)kruiden en grassen. Ook op het gebied van fauna zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Indien de ontwikkeling gepaard gaat met de kap van bomen, dient de sloop plaats te vinden na het einde van het broedseizoen (na 15 juli en vóór 15 maart). Rondom de te slopen woning zijn tevens geen bijzonderheden aangetroffen.

Het advies is om de sloop van de woning niet in de winterslaapperiode en niet in het broedseizoen van vleermuizen uit te voeren. Dit betreffen de periode tussen 15 november en 15 maart en de periode tussen 15 mei en 1 augustus. Indien het advies in acht wordt genomen, vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor het planvoornemen.

5.4

Archeologie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

44

In dit plan dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze onderbouwing is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet beleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. De gemeente Nuenen c.a. heeft de bescherming uit haar archeologische beleid in het bestemmingsplan verankerd. Dubbelbestemming Waarde – Archeologie De (verwachte) archeologische waarden zijn in het bestemmingsplan door middel van dubbelbestemmingen vastgelegd. Het plangebied, met uitzondering van de woning, heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 4’. In het bestemmingsplan zijn dan ook regels opgenomen, wanneer er bijvoorbeeld een nieuwe functie wordt gerealiseerd. Het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm en een groter oppervlakte dan 250 m2 is niet rechtstreeks toegestaan. Met onderhavige ontwikkeling worden deze ondergrenzen overschreden, waardoor er een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten uit het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoeksrapport is bijgevoegd in de bijlage (zie bijlage IX).

Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw in een groot deel van het plangebied bestaat uit (deels) intacte enkeerdgronden. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde hoge archeologische verwachting voor laatpaleolithicum A –vroege middeleeuwen en een lage archeologische verwachting voor late middeleeuwen - nieuwe tijd blijven dan ook gehandhaafd. De graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling kunnen een negatieve impact hebben op het verwachte aanwezige archeologische niveau. Wanneer er graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaat. Op basis hiervan wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Om de mogelijk aanwezige archeologische waarden in de grond te beschermen wordt de huidige dubbelbestemming onveranderd overgenomen. Voorafgaand aan de voorgenomen ontwikkeling dient uit een nader onderzoek te blijken of de beoogde werkzaamheden al dan niet archeologische waarden verstoren.

5.5

Landschap en cultuurhistorie Met de komst van de Erfgoedwet is het verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal.

45

Uit de cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen een gebied welke conform de Interim omgevingsverordening van de provincie is aangewezen als cultuurhistorisch waardevol gebied. Het wordt dan ook niet noodzakelijk geacht een cultuurhistorisch onderzoek uit te voeren.

5.6

Verkeer Het toevoegen of veranderen van een functie heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen optreden en of dit een effect heeft op het wegverkeer en het parkeren.

5.6.1

Mobiliteit Bij ontwikkelingen dient te worden bepaald of het voornemen invloed heeft op de capaciteit van de aanwezig infrastructuur of dat er wellicht aanpassingen zijn benodigd. Dit kan aan de hand van het aantal verkeersbewegingen, waarbij wordt gekeken naar de hoeveelheid verkeer welke de infrastructuur in de huidige situatie heeft te verwerken en de gevolgen naar aanleiding van de ontwikkeling. In de huidige situatie zijn er geen verkeersbewegingen afkomstig van de locaties waar in de beoogde situatie woningen worden gerealiseerd. De verkeersbewegingen ten behoeve van de scouting en de brandweer wijzigen ten opzichte van de huidige situatie niet. Wel zullen de verkeersbewegingen ten behoeve van de huidige bedrijfswoning verdwijnen. Dit betreft slechts een minimaal aantal verkeersbewegingen, waardoor in dit geval enkel naar de nieuwe woningen wordt gekeken. Om te bepalen wat de toename aan verkeersbewegingen is, is de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ gehanteerd. Voor een koophuis (tussen/hoek) in ‘rest bebouwde kom’ met een matig stedelijk karakter wordt uitgegaan van 6,7 verkeersbewegingen per woning per etmaal en voor een sociale huurwoning wordt uitgegaan van 4,5 verkeersbewegingen per woning per etmaal. In de beoogde situatie worden er 8 koopwoningen en 14 huurwoningen gerealiseerd.

Dat betekent dat de toename van het aantal verkeersbewegingen per etmaal neerkomt op (8*6,7)+(14*4,5)= 116,6 dus afgerond 117 verkeersbewegingen. Ten behoeve van de bereikbaarheid van de woningen, wordt er vanaf de SchijfwegZuid een nieuwe ontsluitingsweg aangelegd. Via de Schijfweg-Zuid gaan de extra bewegingen op in het heersende verkeer op de Baarskampstraat en de Rijksweg (N273). Een groot aantal woningen wordt, al dan niet via een tussenweg, door de Schijfweg-Zuid. De Schijfweg-Zuid heeft in de huidige situatie geen problemen met het verwerken van het aantal verkeersbewegingen van dit groot aantal woningen. Het toevoegen van 22 woningen waardoor het verkeer met circa 117 verkeersbewegingen per etmaal toeneemt, zal geen belemmering vormen met betrekking tot mobiliteit. De Schijfweg-Zuid beschikt over voldoende capaciteit om het verkeer in de beoogde situatie te verwerken. Deze weg behoeft dan ook geen aanpassingen.

5.6.2

Parkeren Voor onderhavig plan is door de gemeente Peel en Maas een minimale parkeernorm bepaald van 1,74 parkeerplaatsen per woning. Voor de planontwikkeling komt het aantal benodigde parkeerplaatsen neer op 1,74 * 27 woningen = afgerond 47 46

parkeerplaatsen. Binnen het plangebied worden er ten behoeve van de nieuw te realiseren woningen in totaal 47 parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van de woningbouw (figuur 9). Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm. Op het perceel van de brandweerkazerne worden 3 parkeerplaatsen gerealiseerd, welke gebruikt kunnen worden door bewoners van het Antoniushof. Ten behoeve van de brandweerkazerne en de woning (eigendom Antares) zijn in de huidige situatie een aantal parkeerplaatsen aanwezig (blauw omkaderd in figuur 9). Deze parkeerplaatsen blijven in de beoogde situatie ongewijzigd behouden. Gelet op het feit dat er in de huidige situatie voldoende parkeergelegenheid is en de woning wordt verwijderd en de parkeerbehoefte daardoor afneemt, zijn er geen belemmeringen te verwachten. Het parkeeraspect vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.

47

Figuur 9 Parkeerplaatsen t.b.v. woningbouw rood omkaderd

HOOFDSTUK

6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. De ontwikkeling moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven. 48

De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Wanneer met een ruimtelijk plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. In dit geval is een anterieure- en planschadeovereenkomst afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer, waardoor het kostenverhaal en eventuele planschade is verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk.

49

HOOFDSTUK

7.1

7 Juridische opzet

Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.

7.2

Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000.

7.3

Toelichting op de regels Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012), de gemeentelijke standaard en het vigerende bestemmingsplan ‘Kernen Kessel en Kessel-Eik’. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemming gegeven; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven.

50

7.3.1

Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening/ Wabo overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP2012. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden.

7.3.2

Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • Bestemmingsomschrijving • Bouwregels • Nadere eisen • Afwijken van de bouwregels • Specifieke gebruiksregels • Afwijken van de gebruiksregels • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk • Wijzigingsbevoegdheid Duidelijk zal zijn dat een bestemming niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen en parken. Binnen deze bestemming zijn, ondergeschikt aan groenvoorzieningen en parken, tevens voorzieningen zoals kunstwerken, ontmoetingsplaatsen, speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Ter plaatse van deze bestemming zijn specifieke bouwregels en aanduidingen opgenomen. Met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen is het bouwen van gebouwen niet toegestaan. Maatschappelijk Binnen de voor ‘Maatschappelijk’ gronden is het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening toegestaan. Ter plaatse van deze bestemming zijn specifieke bouwregels en aanduidingen opgenomen.

Binnen de bestemming zijn naast maatschappelijke activiteiten, ondergeschikt en onder voorwaarden ook detailhandel, bestaande woningen, groenvoorzieningen, paden, ontsluitings- en parkeervoorzieningen, alsmede boven- en /of ondergrondse

51

waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Permanente vrijstaande bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan.

bewoning

van

Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten en paden. Daarnaast zijn tevens parkeervoorzieningen, kunstwerken, groenvoorzieningen, voeten rijwielpaden alsmede boven- en /of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Binnen de verkeersbestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen voor nutsvoorzieningen en openbaar vervoer. Wonen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. Binnen deze bestemming is per bestemmingsvlak het maximum aantal wooneenheden opgenomen. Binnen deze bestemming is tevens een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, een vijftal woningen toe te voegen. Naast wonen zijn, ondergeschikt en onder voorwaarden ook aan huis gebonden beroepen en kleinschalige aan huis gebonden bedrijven, evenementen, tuinen en erven, groenvoorzieningen, paden, ontsluitings- en parkeervoorzieningen, alsmede boven- en /of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken is niet toegestaan. Leiding – Gas De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor een ondergrondse leiding voor het transport van gas met de daarbij behorende beschermingszone. Op of in de gronden met de bestemming ‘Leiding – Gas’ mag niet worden gebouwd.

Leiding – Hoogspanningsverbinding De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van een 150 kVhoogspanningsverbinding en de daarbij behorende beschermingszone. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Waarde – Archeologie 4 De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de archeologische waarden en oudheidkundige waardevolle elementen, in het bijzonder voor gebieden met een hoge archeologische waarde. Ter plaatse van deze bestemming geldt een onderzoeksplicht indien er grondroerende werkzaamheden dieper reiken dan 40 cm onder maaiveld en/of waar met het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van meer dan 250 m².

7.3.3

Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

52

In de Algemene bouwregels zijn regelingen over ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen en bestaande maten en afstanden opgenomen. De Algemene gebruiksregels bevatten een algemeen gebruiksverbod en een beschrijving van hetgeen dat wordt verstaan onder strijdig gebruik. De Algemene aanduidingsregels zien op de van toepassing zijnde gebiedsaanduidingen in het plangebied. In dit artikel is de regeling voor de aanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ opnomen ter bescherming van de molenbiotoop van de nabij gelegen Sint Anthoniusmolen. De regels die gelden ter plaatse van deze gebiedsaanduidingen zijn overgenomen van het geldende bestemmingsplan ‘Kernen Kessel en Kessel-Eik’. In de Algemene afwijkingsregels zijn enkele mogelijkheden opgenomen om af te kunnen wijken van de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen. De Algemene wijzigingsregels verschaffen het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn.

7.3.4

Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan moeten worden aangehaald.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=d140152e-010e-4714-b13a-d8cf64174371