2024-063 03 Toelichting
Tekst van het document
Bij onderhavig plangebied is er sprake van de volgende nieuwe verhardingen: - Uitbreiding bedrijfsgebouw ten behoeve van logistiek bedrijf: ca. 58.300 m2; - Omliggende verharding: ca. 27.350 m2; - Landschappelijke inpassing: ca. 9.000 m2 (conform Limburgs Kwaliteitsmenu). De totale nieuwe oppervlakte verharding bedraagt ca. 85.650 m2.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
24
Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het onderhavige plangebied wordt hierna uiteengezet in de watertoets.
4.2.2
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie bij het reeds aanwezige logistieke bedrijf aan de Zwenkgras 3 wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. Er is sprake van goodhouse-keeping management. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoongehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten. Op dit moment is er sprake van een braakliggend stuk grond met een agrarische bestemming. Het regenwater infiltreert derhalve rechtstreeks in de grond. De bodemdoorlatendheid ter plaatse is zeer goed. Dit zal dit in de praktijk betekenen dat een bui goed kan worden opgevangen.
Uit in de omgeving uitgevoerde infiltratieproeven blijkt dat de indicatieve waterdoorlatendheid zoals die door het Waterschap is opgegeven, correct is.
Afbeelding 7: Bodemdoorlatendheid, plangebied aangeduid met rode ster
4.2.3
Beoogde waterhuishoudkundige situatie
In de beoogde waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. De kantoorruimte zal ca. 1.000 m2 bedragen, waardoor maximaal 150 werknemers aanwezig kunnen zijn. Uitgaande van een gemiddeld dagverbruik van 20 liter per werknemer bedraagt de maximale hoeveelheid afvalwater van huishoudelijke aard 780 m3 (150 werknemers * 20 liter * 260 werkbare dagen). De riolering van het beoogde kantoor wordt aangesloten op de bestaande riolering, zie onderstaande afbeelding.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
25
Afbeelding 8: Situering bestaande riolering
Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt (0,8 m3 per m2; 0,8 * 83.320= 66.656 m3/jaar). Bij de nieuwbouw zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet van uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Het bedrijfsafvalwater zal via het riool worden geloosd. Voor wat betreft de laaddocks wordt gebruik gemaakt van olie- en vetafscheiders. Verder zullen de beschermingszones ten opzichte van omliggende watergangen in acht worden genomen. Binnen 5 meter van de watergang Peelkanaal (westzijde) en secundaire watergang Snepheiderbeek (zuidzijde) worden geen nieuwe obstakels, zijnde bebouwing dan wel landschapselementen, mogelijk gemaakt. Het hemelwater dat valt op de nieuwe dakverharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd naar de nieuw aan te leggen infiltratievoorziening. Het hemelwater bedraagt gemiddeld 0,8 m3 per m2 verhard oppervlak. Er is sprake van een verhard oppervlak van 83.320 m 2, waardoor per jaar 66.656 m3 hemelwater vrijkomt. Bij nieuwbouw dient minimaal 100% van het verharde oppervlak afgekoppeld te worden.
Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient de hoeveelheid af te voeren hemelwater te worden berekend. Dynamische bergings/infiltratievoorzieningen dienen minimaal gedimensioneerd te worden op een neerslaggebeurtenis met herhalingstijd 1:100, gemiddeld klimaatscenario 2050. Voor Noord- en Midden-Limburg dient daarbij een buiduur van 24 uur te worden gehanteerd, zijnde 100mm. Het nieuwe verharde oppervlak (dak- en erfverhardingen) in de nieuwe situatie bedraagt ca. 85.650 m2 (58.300 m2 ten behoeve van het bouwwerk en 27.350 m2 aan erfverharding). Bij een bui van 100mm dient de capaciteit van de retentievoorziening 85.650 * 100mm = 8.565 m3 te bedragen. De retentiesloot met vloeiweide wordt voorzien ten noorden van het plangebied (percelen A 4250 + 4249). Deze gronden zijn ook in eigendom van de initiatiefnemer en hebben samen een oppervlakte van 20.000 m2. De initiatiefnemer is voornemens om deze gronden te gebruiken als waterberging. De retentiesloot heeft een diepte van 0,4m, een lengte van 200m en een breedte van 5m. Derhalve ontstaat een inhoud van 400 m3. Door een dijk van minimaal 45cm hoog te realiseren ontstaat natuurlijke overstort richting de vloeiweide aan de achterzijde van 0,45m * 20.000 m 2 = 9.000 m3. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ter plaatse van de beoogde voorziening bedraagt minimaal 0,4m, zie afbeelding 9.
Aan beide zijde van de wal zullen infiltratiesloten worden gecreëerd voor de opvang van afstromend water en erodeerde grond. Daarnaast zal de infiltratiesloot aan de binnenzijde van de wal tevens gelden als afwatering van de erfverharding tussen het bedrijfsgebouw en de aardewal aan de zuid- en westzijde. In deze infiltratiesloten kan het water infiltreren. Deze infiltratiesloot wordt voorzien van
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
26
een overstroomvoorziening (met duiker onder de wal) in het noorden richting de retentiesloot aan de noordzijde van het plangebied. De landschappelijke inpassing biedt derhalve nog extra berging en infiltratieruimte bovenop de retentiesloot aan de noordzijde van het plangebied.
Afbeelding 9: Kaart gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), vloeiveld aangegeven met rode rechthoek
Door middel van infiltratie wordt het water afgevoerd zodat de voorziening binnen 24 uur weer beschikbaar kan zijn. De k-waarde ter plaatse bedraagt 0,75 – 1,5, zie onderstaande afbeelding. Aangezien het vloeiveld (retentievoorziening) slechts 43 cm hoog is kan de voorziening altijd binnen 24 uur weer leeg en dus beschikbaar zijn (9.000 m3).
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
27
Afbeelding 10: Kaart bodemdoorlatendheid
Opvang schoon hemelwater
In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen. Door het hemelwater van de nieuwe bebouwing en bijbehorende verharding niet te lozen op de riolering, wordt voldaan aan de norm dat van nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak dient te worden afgekoppeld.
Voorkomen van wateroverlast
Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat geen water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn.
Vergunningchecker Waterschap Limburg
Voor onderhavig planvoornemen is op de website van het Waterschap de vergunningchecker uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusies hiervan is dat er geen watervergunning nodig is bij Waterschap Limburg.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er ten aanzien van het aspect water geen belemmeringen zijn voor het initiatief.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
28
4.2 Natuur Voorafgaand aan de beoogde wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
4.2.1
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
In de twintigste eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het Natuurnetwerk Nederland opgericht. De Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN liggen: - Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; - Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; - Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; - Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; - Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan.
Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Gelet op de ambitiekaart van het Natuurbeheerplan van de provincie Limburg blijkt onderhavig plangebied niet te zijn gelegen in één van de door de provincie te beschermen bestaande natuurwaarden.
Afbeelding 11: Uitsnede kaart Natuurbeheerplan, plangebied aangeduid met rode ster
Zoals op de afbeelding te zien is, is het plangebied waar de uitbreiding gepland is ook niet aangeduid als een gebied waar sprake is van bestaande natuur of waar natuur ontwikkeld dient te worden. Gesteld kan worden dat het aspect natuur en landschap geen belemmeringen oplevert voor onderhavige planontwikkeling.
4.2.2
Wet natuurbescherming
In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
29
ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk liggende bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland is al beschermd in het Barro en provinciale verordening. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Groote Peel, Weerter- en Budelerbergen en Ringselven, Sarsven en De Banen en Leudal. De provincie Limburg heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.
Het dichtstbij liggende Natura 2000-gebied betreft Groote Peel, dat op een afstand van circa 6 kilometer ligt. De uitbreiding van het logistieke centrum (aan de westzijde van het bestaande logistieke centrum aan de Zwenkgras 3) kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Er zijn verschillende factoren die kunnen leiden tot de verstoring van beschermde vogel- en habitattypen en soorten. Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten, indien een ontwikkeling op korte afstand van een gebied plaatsvindt.
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht
Middels het rekenprogramma AERIUS kan de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden worden berekend. Hiermee wordt het effect op verzuring en vermesting in beeld gebracht. Wanneer met het rekenprogramma AERIUS kan worden aangetoond dat een initiatief geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft, kan de ontwikkeling doorgang vinden. Indien er wel sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden moet onderbouwd worden hoe deze toename in depositie ongedaan wordt gemaakt (door het treffen van maatregelen of extern salderen). Om aan te tonen dat er als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt is middels het rekenprogramma AERIUS een verschilberekening gemaakt tussen de uitgangssituatie en de beoogde bedrijfsopzet. Uit de AERIUS-berekening, die is bijgevoegd in bijlage 4, blijkt dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden.
Overige storingsfactoren
Vanwege de ruime afstand van de planlocatie tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Groote Peel leidt het initiatief verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling.
Conclusie
Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er is derhalve op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van gebiedsbescherming noodzakelijk.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
30
Bescherming van soorten De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren.
In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in de planlocatie voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: - Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); - Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); - Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Gelet op de aard van het initiatief aan de westzijde van de Zwenkgras 3 te Beringe, dient met name bepaald te worden of ter plaatse van het nieuw te realiseren logistieke bedrijfsgebouw, beschermde natuurwaarden voorkomen, die verstoord zouden kunnen worden. Verboden handelingen dienen te worden voorkomen en handelingen mogen niet leiden tot aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het (onopzettelijk) doden, verwonden of verontrusten van deze soorten is zonder ontheffing niet toegestaan. Om dit aan te tonen is ter plaatse van het plangebied een flora- en fauna onderzoek uitgevoerd.
Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat geen beschermde natuurwaarden voorkomen in het plangebied die door de beoogde ontwikkeling verstoord kunnen worden. Het gehele onderzoek is als bijlage 5 bij dit bestemmingsplan bijgevoegd. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden zoals die is vastgelegd in de Wnb vloeit voort uit de voormalige Boswet. Voorwaarden zijn gericht op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en liggend buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. Binnen de planlocatie is hier geen sprake van. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er op grond van de Wet natuurbescherming geen omgevingsvergunning in het kader van de bescherming van houtopstanden noodzakelijk is. 4.3 Bodemkwaliteit In het kader van de Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet bij bouwwerkzaamheden of functiewijzigingen rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. Een historisch en verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 dien te worden uitgevoerd wanneer de bestemming en/of gebruik wordt gewijzigd en wanneer een gebouw of gebruik wordt gerealiseerd waarin mensen 2 uur of langer gaan verblijven.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
31
In de beoogde situatie zal de bestemming ter plaatse van het plangebied wijzigen van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming voor bedrijven met ten hoogste milieucategorie 3.1. Derhalve is een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. In de bijlage is het gehele rapport bijgevoegd als bijlage 6. Hieronder wordt enkel de conclusie van dit rapport beschreven.
Conclusie
Uit de veld- en analyseresultaten is het volgende worden geconcludeerd: - Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn in de bovengrond ter plaatse van de boringen 40 t/m 49 en 56 en 57 (zuidzijde onderzoekslocatie) zwakke bijmengingen met puin aangetroffen. Voor het overige zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen. Er zijn visueel op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. - In de bovengrond zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten aangetroffen. - In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In grondwatermonsters GW02 is een matig verhoogde concentratie aan koper aangetroffen. Voor het overige zijn in het grondwater ten hoogste licht verhoogde concentraties aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. Formeel dient nader onderzoek verricht te worden naar aanleiding van de matig verhoogde concentratie aan koper in het grondwater. Dergelijke verhoogde concentraties aan koper in het grondwater worden echter vaker aangetroffen in de omgeving zonder aanwijsbare bron. Dergelijke verhogingen aan zware metalen in het grondwater (waaronder koper) kunnen, in dit gebied, gezien worden als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. Tevens zijn in de grondmonsters geen verhoogde gehalten aan koper aangetroffen.
De verhogingen in de grond benaderen de nader onderzoekswaarden niet. Nader onderzoek of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek (behoudens de aangetroffen zwakke bijmengingen met puin aan de zuidzijde van de locatie) dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. Gezien de aangetroffen bijmengingen met puin is ter plaatse een verkennend asbestonderzoek verricht. Uit het onderzoek is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie visueel en analytisch geen asbest is aangetroffen in de bodem. Nader onderzoek of nadere maatregelen worden ten aanzien van het asbestonderzoek niet noodzakelijk geacht. Het asbestonderzoek is toegevoegd in bijlage 10. 4.4 Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde uitbreiding van een logistiek bedrijfsgebouw moet onderzocht worden of er sprake is van aantasting van archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden.
4.4.1
Cultuurhistorie en aardkunde
4.4.2
Archeologie
Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg blijkt dat de planlocatie niet in gebied ligt met aardkundige of cultuurhistorische waarden. Daarnaast kent de locatie geen complexen van cultuurhistorisch belang. Hierdoor zal bij uitvoering van het plan geen afbreuk gedaan worden aan cultuurhistorische waarden of aardkundig waardevol gebied. Gesteld kan worden dat de voorgenomen bestemmingswijziging geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect cultuurhistorie. Archeologische waarden zijn bij wet beschermd. Daaromtrent zijn in de Monumentenwet 1988 onder hoofdstuk vijf (‘Archeologische monumentenzorg’) bepalingen opgenomen die de gemeenteraad in acht moet nemen.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
32
Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. In de wet wordt het culturele erfgoed, en dan met name het archeologische erfgoed, beschermd. Onder archeologisch erfgoed worden alle fysieke overblijfselen verstaan, die bijdragen aan het verkrijgen van inzicht in menselijke samenlevingen uit het verleden. De fysieke overblijfselen kunnen zich zowel in als boven de grond bevinden. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: - de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. Opgravingen vinden alleen plaats indien behoud in situ (dus in de bodem) niet mogelijk is; - er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’. In een vroegtijdig stadium moeten initiatiefnemers aangeven hoe met eventuele archeologische waarden wordt omgegaan in geval van bodemverstorende activiteiten. In beginsel dient er dus een verkennend vooronderzoek plaats te vinden bij dergelijke activiteiten.
Er kan een uitzondering worden gemaakt, indien het plangebied kleiner is dan 2.500 m2 en er binnen een straal van 50 meter geen vondsten zijn gedaan in het verleden; - de initiatiefnemer tot ruimtelijke plannen betaalt het archeologisch onderzoek en mogelijke opgravingen. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is bepaald dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Zo is wettelijk bepaald dat gemeenten in nieuwe bestemmingsplannen rekening moeten houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Bij deze nieuwe plannen kunnen voorwaarden worden gesteld aan omgevingsvergunning voor de activiteiten bouw, aanleggen e.d. In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’ is ter plaatse van het plangebied geen archeologische verwachtingswaarde opgenomen door middel van een dubbelbestemming. De gemeente Peel en Maas beschikt wel over een ‘Gemeentelijke beleidskaart’ betreft archeologie. Deze archeologische beleidskaart is tevens gekoppeld aan het vigerende bestemmingplan.
Op grond van deze kaart (zie afbeelding 11) heeft het onderhavige plangebied een archeologische verwachtingswaarde die wordt aangeduid met een lage archeologische verwachtingswaarde. Hiervoor is in het bestemmingsplan geen dubbelbestemming opgenomen. Binnen deze categorie geldt dat geen nader archeologisch onderzoek nodig is bij nieuwe verstoringen. Mochten tijdens de werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 53 van de Monumentenwet 1988. Gelet op vorenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
33
Afbeelding 12: Uitsnede archeologische beleidskaart Peel en Maas, plangebied aangeduid met rode ster
4.5 Landschappelijke inpassing Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde ‘rode contouren’, zoals in onderliggende situatie, is het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) van kracht. De gemeente Peel en Maas heeft op 3 februari 2015 de gemeentelijke structuurvisie Buitengebied Peel en Maas vastgesteld. Binnen deze structuurvisie (structuurplan) is het plangebied aangeduid als ‘Grootschalige open ontginningslandschappen’. Gezien deze aanduiding is conform het Kwaliteitskader Buitengebied Peel en Maas enkel ‘Basiskwaliteit’ van toepassing, geen ‘Aanvullende Kwaliteit’. Dit houdt in dat nieuwe bebouwing en verharding goed moet worden ingepast. Daarbij moeten er voorzieningen worden getroffen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek als gevolg van de nieuwe bebouwing en verharding (dus infiltreren op locatie). De basis hiervoor is dat 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak –al dan niet bestemmingsvlak- waar de nieuwe bebouwing en erf komt wordt ingepast. In het landschapsplan is deze kwaliteitsbijdrage verder uitgewerkt. Er is aangegeven op welke plaatsen binnen het perceel deze inpassing wordt gerealiseerd, zie afbeelding 12 en bijlage 2. Er is een onderhoudsstrook van 10 meter aanwezig tussen de hal en de inpassing.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
34
Afbeelding 13: Uitsnede landschappelijke inpassing
Aan de westzijde van het plangebied wordt een aardenwal gerealiseerd met inheemse struweelbeplanting (zoals vuilboom, veldesdoorn, krent, kornoelje, kardinaalsmuts, kornoelje, e.d.). De aardenwal bestrijkt de gehele westelijke zijde van de percelen A1606 en A1607 en heeft een lengte van circa 450 meter. Hierdoor wordt het plangebied, gezien vanaf de Helenavaart/Kanaal van Deurne, groen omzoomd. Tevens blijven bestaande groene elementen in de naaste omgeving van het plangebied behouden. De beoogde aardenwal dient als vervanging van de huidige aardenwal tussen het huidige terrein en de beoogde uitbreiding. De nieuwe aardenwal voldoet aan de eisen van een GBT (grootschalige bodemtoepassing). Alle grond van de geplande oorspronkelijke aardenwal wordt teruggebracht in het plangebied. Voor de dimensionering van de aardenwal wordt verwezen naar het landschappelijk inpassings- en beheersplan in bijlage 2. 4.6 Bedrijven en milieuzonering De handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (editie 2009) is een publicatie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en dient als hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden.
Het waar nodig ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - Het al in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - Aan bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. De VNG-publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen bedrijvigheid en woningen concreet in te vullen. Gemeenten beslissen uiteindelijk zelf over een bepaalde locatie. De handreiking geeft informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur, stof, geluid en veiligheid) en bijbehorende richtafstanden van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit. Er wordt onderscheid gemaakt in de omgevingstypen: - Rustige woonwijk en rustig buitengebied: een woonwijk (of vergelijkbaar omgevingstype) die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Er komen enkel wijkgebonden voorzieningen voor en er is weinig verstoring door verkeer. - Gemengd gebied: een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen functies zoals winkels, horeca en kleine bedrijven voor of er is sprake lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Ook gebieden die
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
35
direct naast de hoofdinfrastructuur liggen behoren tot het omgevingstype gemengd gebied, hier is sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Hier zijn dan ook kleinere richtafstanden te rechtvaardigen (behalve voor het aspect veiligheid). De planlocatie ligt in omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype wordt gekenmerkt door een matige tot sterke functiemenging. In de omgeving bevinden zich diverse bedrijven op het naastgelegen bedrijventerrein maar ook liggen er agrarische bedrijven in de nabije omgeving van het plangebied. Tevens ligt de locatie nabij de N275 en is hier reeds sprake van verhoogde milieubelasting door geluid. Bedrijf: Een logistiek bedrijf behoort tot milieucategorie 3.1 (SBI-code 52109). Voor een bedrijf uit deze milieucategorie, liggend in gemengd gebied, is de richtafstand 30 meter. De dichtstbij liggende woning van derden (Meijelseweg 65) bevindt zich op een afstand van ca. 310 meter van de beoogde uitbreiding. Op grond hiervan kan worden gesteld dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden. 4.7 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) schrijft voor op welke wijze een bevoegd gezag de geurhinder vanwege dierenverblijven moet beoordelen indien een veehouderij een omgevingsvergunning aanvraagt.
Indirect heeft de Wgv ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. De ruimtelijke plannen waarvoor omgekeerde werking moet worden beoordeeld, zijn met name bestemmingsplannen waarin locaties voor woningbouw of recreatie en toerisme worden vastgelegd. In dit geval gaat het om een locatie met een bedrijfshal. Bij besluitvorming omtrent de herziening van een bestemmingsplan moet worden bepaald of sprake is van een goede ruimtelijke ordening en of het plan niet in strijd is met het recht. Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad; de rechtspositie van de betrokkenen moet worden gehandhaafd.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in ogenschouw moeten worden genomen: a) Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? b) Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de betrokken veehouderijen? In dit kader is een geuronderzoek omgekeerde werking bij de beoogde bedrijfshal uitgevoerd. Hieronder wordt enkel de conclusie van dit onderzoek beschreven. Het gehele onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan bijgevoegd.
Conclusie
In het onderzoek zijn de vaste afstanden getoetst en geurberekeningen uitgevoerd voor het plangebied naast Zwenkgras 3 te Beringe ten opzichte van de omliggende veehouderijen. Uit deze toetsing kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de beoogde bedrijfshal de wettelijke geurnormen niet worden overschreden. Binnen het plangebied is een geurcirkel gelegen van het bedrijf aan de Meijelseweg 77 (zie geuronderzoek bijlage 9). Door in onderliggend bestemmingsplan deze geurcirkel op te nemen en hier regels aan te verbinden dat er binnen deze zone geen geurgevoelige objecten mogen worden opgericht is verzekerd dat de ontwikkeling geen verdergaande negatieve effecten heeft voor de omliggende veehouderijen en is er sprake van een aanvaardbaar geurniveau ter plaatse van het bedrijfsgebouw.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
36
Er is in de directe omgeving geen veehouderij gelegen waar dieren worden gehouden zonder geuremissiefactor, waardoor toetsing aan vaste afstanden niet van toepassing is. De achtergrondbelasting ter plaatse van de beoogde bedrijfshal is lager dan 20 OUe/m 3. Dit wil zeggen dat de milieukwaliteit op basis van de achtergrondbelasting in het minst gunstige geval ‘matig’ bedraagt. Hiermee voldoet de achtergrondbelasting aan de streefwaarde conform de Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas. De meest bepalende belasting voor het bepalen van het woon- en leefklimaat betreft de voorgrondbelasting. De streefkwaliteit ‘matig’ wordt niet binnen het gehele plangebied gehaald. Een gedeelte in het noordoosten van het plangebied voldoet niet aan de streefkwaliteit. Echter voldoet ruimschoots het grootste gedeelte van het plangebied aan de streefkwaliteit van uit de structuurvisie van de gemeente Peel en Maas. Binnen het plangebied is een geurcirkel gelegen van het bedrijf aan de Meijelseweg 77 (zie bijlage 4 van het geuronderzoek; pagina 22).
Door in onderliggend bestemmingsplan deze geurcirkel op te nemen en hier regels aan te verbinden dat er binnen deze zone geen geurgevoelige objecten mogen worden opgericht is verzekerd dat de ontwikkeling geen verdergaande negatieve effecten heeft voor de omliggende veehouderijen en is er sprake van een aanvaardbaar geurniveau ter plaatse van het bedrijfsgebouw. In het noordoosten van het plangebied worden parkeerplaatsen gerealiseerd welke niet worden gezien als geurgevoelig object. De vergunde rechten van alle agrarische bedrijven in de omgeving worden gerespecteerd en er vindt geen inbreuk op de mogelijkheden voor uitbreiding plaats. Uit voorgaande blijkt dat de gewenste ontwikkeling aanvaardbaar is en omliggende bedrijven geen verdere beperkingen ondervindt. Het voldoet derhalve aan de Wet geurhinder en veehouderij. Het woon- en leefklimaat is derhalve aanvaardbaar. 4.8 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico's van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen.
Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen bedrijven die de luchtkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden ter plaatse van het plangebied. Daarnaast zijn de achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en Stikstofdioxide (NO2) dermate laag binnen de gemeente Peel en Maas dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van de GCN-kaarten van het RIVM, zie afbeelding 14. Zo is de achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied 14,38 μg/m3 , zie afbeelding 13, de norm bedraagt 40 μg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt 10,31 μg/m3 , zie afbeelding 14, waar de norm eveneens 40 μg/m3 bedraagt.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
37
Afbeelding 14: Uitsnede GCN kaarten
De verkeersaantrekkende werking van de nieuwe ontwikkeling is bepalend voor de luchtkwaliteit ter plaatse. In de verkeertoets in bijlage 11 volgt dat de uitbreiding van het logistieke centrum een verkeersaantrekkende werking heeft van 900 voertuigbewegingen per dag ten behoeve van auto`s en 233 voertuigbewegingen per dag ten behoeve van (midden)zwaar vrachtverkeer. In onderstaande tabel is deze verkeersantrekkende werking met betrekking tot de beoogde bedrijfsuitbreiding verwerkt in de NIBM-tool.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
38
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
1133
Aandeel vrachtverkeer
20,5%
3
NO2 in μg/m
3,10
3
0,32
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m 3
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie
1,2
De bijdrage van het extra verkeer is mogelijk in betekenende mate; nader onderzoek noodzakelijk
Uit de eerste, indicatieve berekening blijkt dus dat de ontwikkeling niet als NIBM kan worden aangemerkt. Om deze reden is aanvullend onderzoek te verricht naar de werkelijke concentratie als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Om de luchtkwaliteit als gevolg van de ontwikkeling te beoordelen is een berekening gemaakt met rekenprogramma Geomilieu. Hierbij is getoetst op de woningen aan de Meijelseweg 75, Meijselseweg 65a, Vreedepeelweg 25, Vreedepeelweg 21 en Vreedepeelweg 23. Uit de resultaten blijkt dat er sprake is van een bronbijdrage NO2 van 0,000 µg/m3. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet zorgt voor een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. De invoergegevens en rekenresultaten zijn toegevoegd in bijlage 7. 4.9 Geluid De Wet geluidhinder is sinds 1979 het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. Deze wet zorgt voor de bescherming van geluidsgevoelige bestemmingen tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Hierbij wordt o.a. gebruik gemaakt van zonering en geluidsnormen. De geluidsproductie van een logistiek bedrijf is in hoofdzaak afkomstig van transportbewegingen, het laden en lossen en overige motoren binnen de inrichting.
In de Wet geluidhinder is bepaald dat voor locaties in het bestemmingsplan waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeersbewegingen, spoorwegen en industrieterreinen. In deze situatie is geen sprake van een nieuwe geluidgevoelige bestemming, het betreft namelijk de bouw van een nieuwe logistieke bedrijfshal. In de inrichting vinden wel activiteiten plaats die een geluidsuitstraling hebben naar de omgeving. Op basis van dit gegeven is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsuitstraling van het beoogde bedrijf op de omgeving. Hieronder wordt de conclusie van dit onderzoek beschreven. Het gehele onderzoek is als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan bijgevoegd.
Conclusie
Gezien de geluidbelasting vanwege het bedrijf ter plaatse van de geluidgevoelige bestemmingen kan geconcludeerd worden dat vanwege de beoogde ontwikkeling een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De beoogde uitbreiding is volgens het RUD inpasbaar binnen de huidige geluidzone van industrieterrein Beringe. 4.10 Verkeer en parkeren Verkeer en parkeren vormt een belangrijk onderdeel van dit bestemmingsplan en van de toekomstige vormgeving van het plangebied. Uitgangspunt hierbij is dat binnen het plangebied sprake is van een
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
39
aanvaardbare parkeer- en verkeerssituatie. In deze paragraaf zal nader worden ingegaan op alle relevante aspecten van deze nieuwe parkeersituatie en de hierbij behorende verkeersafwikkeling.
4.10.1 Verkeerstoets
In bijlage 11 is de verkeerstoets opgenomen waarbij de verkeerssituatie in beeld is gebracht. Geconstateerd is dat het regionale verkeersmodel is geactualiseerd na het uitvoeren van de verkeerstoets en dat daarmee de gehanteerde verkeersintensiteiten niet meer actueel zijn. Een gevoeligheidsanalyse is uitgevoerd om voor het kruispunt N275 – Spitsgras te beoordelen of de eerdere conclusie overeind blijven bij de gewijzigde uitgangspunten. Uit de gevoeligheidsanalyse blijkt dat de gewijzigde verkeersintensiteiten leiden tot een verminderde verkeersafwikkeling in de avondspits voor verkeer vanaf het bedrijventerrein. Er is sprake van lange wachttijden (>20 seconden). In de ochtendspits is de verkeersafwikkeling acceptabel. De gevoeligheidsanalyse van de verkeerstoets is bijgevoegd in bijlage 12.
4.10.2 Parkeren personenauto`s en vrachtwagens
De parkeernormen voor personenauto’s worden gebaseerd op de CROW-publicatie 317 uit 2018, waarbij rekening wordt gehouden met de stedelijkheid van de gemeente, waarbij de gemeente Peel en Maas is gekwalificeerd als weinig stedelijk. In dit geval gaat het om het parkeren door personeel. Afhankelijk van het type bedrijf of deelgebied worden parkeernormen voorgeschreven per 100 m² bruto vloeroppervlak. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt in de ligging van het plangebied, waarbij voor het bedrijventerrein Beringe de parkeernormen voor ‘buitengebied’ van toepassing zijn. Voor de 6,9 ha logistieke bedrijvigheid kan worden uitgegaan van de parkeernormen voor arbeidsextensieve bedrijvigheid, minimaal 0,8 en maximaal 1,3 parkeerplaats per 100 m 2 bvo. Het nieuwe bouwwerk ten behoeve van het logistieke centrum heeft een oppervlakte van 58.300 m 2. Dit betekent een minimale parkeerbehoefte van 466 parkeerplaatsen voor personeel. Ten noorden van het logistiek bedrijf is men voornemens een parkeerterrein te realiseren. Uitgaande van 20 m2 per parkeerplaats is 9.320 m2 benodigd ten behoeve van parkeren. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd in het noorden van het plangebied, tevens ten noorden van de beoogde hal. Voor vrachtauto’s is geen sprake van standaard CROW-parkeernormen.
Wel dient op eigen terrein ook voor zowel lichte – als zware vracht in voldoende parkeergelegenheid te worden voorzien. Het grootste deel van de stallingsruimte van vrachtwagens zal worden gevonden in de dockshelters onderdeel van de toekomstige bedrijfsbebouwing, alwaar de wagens worden geladen en gelost. Voor zover parkeren elders plaatsvindt zal het eigen terrein hiertoe in voldoende mate beschikbaar moeten zijn.
4.10.3 Parkeren in de regels
Op basis van de jurisprudentie van de Raad van State dienen de parkeernormen in de regels van het bestemmingsplan te worden opgenomen. In het onderhavige bestemmingsplan wordt opgenomen dat in geval van nieuwe ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of gewijzigd gebruik) op het eigen bouwperceel dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid om de extra parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling op te vangen. Bij de beoordeling van de parkeerbehoefte voor personenauto’s dient te worden uitgegaan van de Parapluplan Parkeernota Peel en Maas (vastgesteld op 19 juni 2018) en de kencijfers zoals opgenomen in de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’, december 2018 te worden gehanteerd. Burgemeester en wethouders kunnen toestemming verlenen om af te wijken van de parkeernormen, indien het voldoen aan die regels aantoonbaar leidt tot onnodig omvangrijke parkeervoorzieningen.
4.10.4 Conclusie verkeer en parkeren
Bij uitbreiding van de DHL campus worden geen knelpunten verwacht met betrekking tot de toekomstige verkeersafwikkeling op wegen in de directe omgeving. Er is sprake van acceptabele wachttijden. Bij de berekening van de verkeersafwikkeling is tevens uitgegaan van een worst-case scenario met betrekking tot de verkeersgeneratie van de uitbreiding. Op basis van de gehanteerde kengetallen en de huidige verkeersgeneratie blijkt dat het verkeer met meer dan 200% toeneemt na uitbreiding van de campus. De berekening gaat uit van een overschatting van het aantal
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
40
verkeersbewegingen van en naar de campus. Een verkeerstoename van ca. 60% is te verwachten wanneer de voorziene uitbreiding van de campus wordt afgezet tegen de huidige omvang. 4.11 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Externe veiligheid gaat nadrukkelijk niet over de veiligheid van de mensen die werkzaam zijn binnen het bedrijf of binnen een risicogebied van een transportroute.
4.11.1 Regelgeving
De regelgeving rondom externe veiligheid is opgenomen in diverse besluiten en regelingen. Besluiten en regelingen, waarin de aanvaardbare risico’s zijn vastgelegd, zijn: - Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De normen in de besluiten zijn vastgelegd in de vorm van grenswaarden en richtwaarden. De grenswaarden geven de milieukwaliteit aan die op een bepaald tijdstip ten minste moet zijn bereikt, en die, waar zij aanwezig is, ten minste in stand moet worden gehouden. De richtwaarden geven de kwaliteit aan die op een bepaald tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt en die, waar zij aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De externe veiligheidsrisico’s worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) binnen het invloedsgebied. In onderstaand kader worden deze risico’s nader uitgelegd. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft inzicht in de theoretische kans op overlijden van een individu op een bepaalde horizontale afstand van een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico wordt bepaald door te stellen dat een (fictief) persoon zich 24 uur per dag gedurende een heel jaar onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt.
De plaatsgebonden risicocontour is een contour waarbij alle punten met een gelijk risico met elkaar verbonden worden. Deze punten worden bepaald door de kans van optreden van diverse ongeval scenario’s. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico is 10-6 per jaar en geldt voor nieuwe situaties. Hierbinnen mogen geen kwetsbare objecten worden toegevoegd en ook nieuwe beperkt kwetsbare objecten, zijn in beginsel niet toegestaan. Als het plaatsgebonden risico 10-8 per jaar is, wordt het als verwaarloosbaar beschouwd. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico wordt behalve de ongevalfrequentie en het aantal transporten van gevaarlijke stoffen, tevens bepaald door de hoeveelheid aanwezige mensen in de nabijheid van een mogelijk ongeval. Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de hoeveelheid aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Bij het bepalen van het groepsrisico wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde, hiervoor zijn geen vaste contouren beschikbaar.
Invloedsgebied Gebied aan weerszijden van een weg, spoorweg of binnenwater waar ten hoogste 1% van de in dat gebied aanwezige personen kan overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval op die weg, spoorweg of binnenwater waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor wat betreft risicobedrijven is het invloedsgebied het gebied, dat in het Reglement externe veiligheid inrichtingen is bepaald, waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.
4.11.2 Toetsing aan beleid
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan normen vermeld in bovengenoemde regelgeving. Een ontwikkeling is niet toegestaan indien deze leidt tot een overschrijding van de grenswaarden. Van de richtwaarden kan gemotiveerd worden afgeweken.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
41
Afbeelding 15: Uitsnede risicokaart, plangebied aangeduid met blauwe ster
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Gezien de aard van de voorgenomen activiteiten (realisatie van een nieuw logistiek bedrijfsgebouw) op de beoogde planlocatie is het Bevi niet van toepassing. De werkzaamheden omvatten niet het gebruik, opslag of vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen de bestaande DHL-hal worden gevaarlijke stoffen opgeslagen. Het betreffen de volgende stoffen: - 100 ton Lithium-ion batterijen in UN goedgekeurde verpakking - 6 containers met grijpvoorraden Li-ion batterijen - Diverse gevaarlijke (hulp)stoffen in 2 inpandige opslagcontainers In het kader van de omgevingsvergunning (ontwerpbesluit Z-HZ-WABO-2022-02308) voor het opslaan van de genoemde gevaarlijke stoffen is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) gemaakt. Met de QRA worden de externe veiligheidsrisico’s als gevolg van ongewenste voorvallen met gevaarlijke stoffen binnen de inrichting inzichtelijk gemaakt. De QRA heeft reeds rekening gehouden met de boogde uitbreiding van DHL aan de westzijde. Het plaatsgebonden risico (PR 10-6 per jaar) is niet aanwezig, want dit risiconiveau wordt niet bereikt. Hiermee wordt voldaan aan de normstelling uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Uit de berekening van het groepsrisico van DHL blijkt dat er geen sprake is van groepsrisico.
Er is een automatisch blussysteem aanwezig waardoor escalatie van een eventuele brand wordt voorkomen. Ook is er voldoende tijd voor de brandweer op de brand onder controle te krijgen. Geconcludeerd kan worden dat de opslag van gevaarlijke stoffen binnen de bestaande DHL-inrichting niet zorgt voor belemmeringen van de uitbreiding in westelijke richting. Uit de risicokaart blijkt dat er verder geen risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten aanwezig zijn op of nabij de planlocatie. Er ontstaan daardoor geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie. Het plan voorziet in de realisatie van nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Aangezien de planlocatie niet binnen een risicoaanduiding of binnen veiligheidsafstanden ligt zijn geen risico’s aanwezig voor de voorgenomen ontwikkelingen. Daarom kan worden geconcludeerd dat er voor dit plan geen belemmeringen zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) De ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van de provinciale weg N275. Omdat de afstand meer bedraagt dan 200 meter kan er op grond van de artikelen 7 van het Bevt worden volstaan met een beperkte groepsrisico verantwoording.
Verantwoording groepsrisico, artikel 7
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
42
De planlocatie is voldoende bereikbaar voor voertuigen van hulpverleningsdiensten en ligt binnen de cirkel van goede hoorbaarheid van de waarschuwings- en alarmeringsinstallatie. De planlocatie valt binnen het dekkingsgebied van NL-alert. Tevens is in de nabijheid van de ontwikkeling secundair bluswater aanwezig. Er zijn voldoende vluchtwegen en er is geen sprake van (structurele) aanwezigheid van groepen verminderd zelfredzame personen. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) In het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Peel en Maas’ (vastgesteld 24-12-2014) is in de nabijheid geen dubbelbestemming ‘Leiding – […]’ opgenomen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen buiten deze dubbelbestemming en de voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op het bepaalde in de bijbehorende regels. De ontwikkeling ligt buiten de invloedsfeer van de in het Bevb opgenomen buisleidingen. Daarom is verdere beoordeling aan het Bevb niet van toepassing.
Conclusie
Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico’s in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen en kan gesteld worden dat er geen belemmeringen zijn voor onderhavig initiatief in het kader van externe veiligheid.
4.11.3 Advies veiligheidsregio
Het beoogde initiatief is beoordeeld door de Veiligheidsregio Noord-Limburg. Hierbij zijn een aantal adviezen naar voren gekomen met betrekking tot beheersmaatregelen ter verbetering van de bestrijdbaarheid, zelfredzaamheid voor zowel de initiatiefnemer, gebruiker van het gebouw en de gemeente. Initiatiefnemer: • Pas de beleidsregels bluswater en bereikbaarheid die door de gemeente zijn vastgesteld toe. Wanneer het initiatief aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. • Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld bij de brandmeldinstallatie worden geplaatst. Gebruiker van het gebouw: • Zorg dat de gebruikers en BHV-organisatie op de hoogte zijn van de risico’s van een toxisch incident met gevaarlijke stoffen, het handelingsperspectief: "binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten" en hiernaar wordt gehandeld. • Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden.
• Indien sprake is van een BHV-organisatie dan dient het toxisch scenario en handelwijze te worden opgenomen in het bedrijfsnoodplan Gemeente: • Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is. 4.12 Technische infrastructuur In of nabij de planlocatie liggen geen planologisch relevante buisleidingen en lopen tevens geen relevante straalpaden (zoals te zien op de risicokaart in afbeelding 12 en de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan). Voordat er gebouwd wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen van de planlocatie in beeld te brengen.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
43
5
Juridische planbeschrijving
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. 5.2 Juridische achtergrond De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan (ook: wijzigingsplan) in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet worden gedacht aan de toepassing van afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen betreffende de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels evenals de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan.
Bij bestemmingsplannen gaat het om de belangen van burgers en bedrijven. Zij dienen zich snel en op eenvoudige wijze een juist beeld te kunnen vormen van de planologische mogelijkheden en beperkingen op één of meerdere locatie(s). Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. Hierbij kan gedacht worden aan degenen die betrokken zijn bij de planvoorbereiding, de planbeoordeling en het monitoren van beleid. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals dit plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen. 5.3 Toelichting verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd.
Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: - Enkelbestemming ‘Bedrijventerrein - 2’ - Enkelbestemming ‘Groen’ - Enkelbestemming ‘Agrarisch’ - Dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 5’ - Bouwvlak – Bouwvlak - Functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 5’ - Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - vloeiveld’ - Maatvoering ‘maximum bouwhoogte: 12m’ - Maatvoering ‘maximum bouwhoogte: 14m’ - Maatvoering ‘maximum oppervlakte bouwperceel: 5000’ - Maatvoering ‘maximum oppervlakte bouwperceel: 10000’ - Gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone – afwijkingsgebied’ - Gebiedsaanduiding ‘geluidszone – industrie’ - Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – geen geurgevoelig object toegestaan’ - Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – ontheffingsgebied 5’ - Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – ontheffingsgebied 8’ Voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’ van de gemeente Peel en Maas, vastgesteld op 25 juni 2013. Voor het overige wordt aangesloten bij het SVBP.
Bestemmingsplan Uitbreiding DHL Beringe
44
De gronden ter plaatse van de uitbreiding worden gewijzigd van een agrarische bestemming naar een de enkelbestemming ‘Bedrijventerrein’ voor bedrijven met ten hoogste categorie 3.1 zoals opgenomen in de 'Lijst van bedrijfsactiviteiten' (bijlage 1 bij de regels). 5.4 Toelichting regels De regels bij dit bestemmingsplan worden gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Echter waar het mogelijk is wordt aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein’ van de gemeente Peel en Maas, vastgesteld op 25 juni 2013. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. De regels behorende bij dit bestemmingsplan bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Inleidende regels In dit bestemmingsplan wordt gewerkt met bepaalde begrippen waarover geen misverstand mag ontstaan: voor iedereen moet duidelijk zijn wat daarmee wordt bedoeld. Voor zover begrippen in het spraakgebruik onvoldoende vastliggen of als begrippen meerdere betekenissen kunnen hebben, bevat artikel 1 definities. Deze definities geven aan welke betekenis in het kader van dit bestemmingsplan aan een bepaald begrip moet worden gegeven. In artikel 2 wijze van meten wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden.
Bestemmingsregels Een bestemming geeft de functie aan, die de gemeenteraad aan een gebied heeft toebedacht. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. In die zin houdt een bestemming dus een inperking in van het eigendomsrecht. De bevoegdheid om bestemmingen te leggen heeft de gemeenteraad op grond van de Wro. De Wro bepaalt dat in een bestemmingsplan met het oog op de bestemming regels worden gegeven en dat die regels in ieder geval het gebruik van de grond en de zich daar bevindende bouwwerken betreffen. Gebruik moet in deze betekenis ruim worden opgevat: het gaat zowel om de mogelijkheid er te bouwen, er werken en werkzaamheden te verrichten als om de mogelijkheid om de grond en de opstallen voor bepaalde activiteiten (feitelijk) te gebruiken. De regels behorende bij de bestemmingen van voorliggend bestemmingsplan bestaan uit de volgende elementen: 1. Bestemmingsomschrijving 2. Bouwregels 3. Afwijken van de bouwregels 4. Specifieke gebruiksregels 5. Afwijken van de gebruiksregels Algemene regels In hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen. Deze regels gelden voor alle bestemmingen.