2024-058 03 Toelichting inclusief bijlagen
Tekst van het document
Vastgesteld
40
Functiewijziging woning Oude Heldenseweg 5 Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek3 volgt het volgende: Geconcludeerd wordt dat deelhypothese 'verdachte locatie' ten aanzien van de onderzoekslocatie stand houdt. In de grond zijn lichte verontreinigingen met cadmium, lood, zink en enkele parameters voor OCB aangetoond. In het grondwater is sterke verontreiniging met nikkel en een lichte verontreiniging met barium aangetoond. De lichte tot matige verontreinigingen in de grond kunnen waarschijnlijk grotendeels gerelateerd worden het (voormalige) gebruik van de tuinderskas. Daarnaast is er mogelijk deels sprake van verhoogde achtergrondgehalten. Voor de sterke en lichte verontreiniging in het grondwater is geen duidelijke bron of oorzaak aan het licht gekomen. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen (waaronder barium) in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreiniging in het grondwater een verhoogd achtergrondgehalte betreft. Geconcludeerd wordt dat de deelhypothese 'verdachte locatie' asbest ten aanzien van de bodem inpandig van de tuinderskas geen stand houdt. In de grond is geen verontreiniging met asbest aangetoond boven de rapportagegrens. De vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan.
De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype) of een gemengd gebied. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
3
Richtafstand rustige woonwijk 10 30 50 100 200 300 500 700 1000 1500
Richtafstand gemengd gebied 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000
HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek Oude Heldenseweg 5 Maasbree, 24 mei 2023, kenmerk: 23230701A
Vastgesteld
41
Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging of een gebied gelegen aan hoofdinfrastructuur. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied door de ligging aan de N275 en door de verscheidenheid aan functies in de directe omgeving. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG publicatie – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat – met één afstandstap worden verkleind, zie hiervoor de tabel. Uitbreiding hoveniersbedrijf Het hoveniersbedrijf is op basis van de indicatieve bedrijvenlijst te scharen onder de functie ‘Plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m2’. Voor deze functie moeten de volgende richtafstanden worden aangehouden (in het kader van een ligging in het gemengd gebied): ▪ Geur: 10 meter ▪ Stof: 0 meter ▪ Geluid: 30 meter ▪ Gevaar: 0 meter Binnen de richtafstanden van 10 en 30 meter bevinden zich in de huidige situatie de volgende milieugevoelige functies; de woningen op Oude Heldenseweg 7 en 8 en Leemvenweg 3. Met de uitbreiding van het hoveniersbedrijf in noordelijke richting worden daar de volgende milieugevoelige functies aan toegevoegd welke binnen de richtafstanden komen te vallen; de woningen Oude Heldenseweg 1, 4 en 5. De woningen gelegen op de Oude Heldenseweg 1, 4 en 5 bevinden zich op ruime woonpercelen.
De woningen zelf zijn allen gelegen aan de zijde van de Oude Heldenseweg en dus voorzien van een diepe achtertuin. De achtertuinen grenzen daarbij aan de beoogde uitbreidingsgronden van het hoveniersbedrijf. Het is binnen de woonpercelen niet toegestaan de woning verder in de achtertuin te plaatsen, in het vigerende bestemmingsplan is namelijk als bepaling opgenomen dat een woning in de bestaande voorgevelrooilijn moet zijn c.q. worden gepositioneerd. Afstand tussen de feitelijke woning en de uitbreiding van het hoveniersbedrijf vindt derhalve plaats buiten de richtafstanden en kan er theoretisch in de woningen ook na uitbreiding van het hoveniersbedrijf een goed woonen leefklimaat worden gegarandeerd. Wat betreft het aspect geur wordt daarnaast opgemerkt dat geur in het geval van een hoveniersbedrijf afkomstig is van compostering van groen (afval). Deze specifieke activiteit is en blijft geconcentreerd in het zuidelijke deel van het hoveniersbedrijf, welke is gelegen aan de overzijde van de Leemvenweg. Hier wijzigt niets aan. Dit betekent ook dat op de uitbreidingsgronden geen groen (afval) wordt gecomposteerd of opgeslagen. Er is dan ook geen sprake van de uitstoot van geur vanuit de uitbreidingsgronden, net zoals dat in de huidige situatie niet gebeurd op het huidige bedrijfsterrein aan deze zijde van de Leemvenweg.
Om de exacte effecten van het geluid, afkomstig van het hoveniersbedrijf in de beoogde vorm, op de woningen te onderzoeken is een akoestisch onderzoek4 uitgevoerd. In het onderzoek is rekening gehouden met aantal maatregelen waarmee de geluiduitstraling naar de omgeving wordt beperkt: ▪ aan de linkerzijde van de uitbreidingsgronden wordt een geluidwand geplaatst met een hoogte van minimaal 2,5 m. De wand wordt in zuidelijke richting doorgetrokken tot tegen de bestaande bedrijfsbebouwing. Zie afbeelding 19; ▪ door de nieuwe ontsluiting aan de Kanaalweg worden de woningen langs de Oude Heldenseweg en de Leemvenweg zo veel mogelijk ontlast; ▪ de werkzaamheden op het hoveniersbedrijf worden zo veel als mogelijk uitgevoerd binnen de dagperiode;
4
HMB Groep, Akoestisch onderzoek industrielawaai Leemvenweg 91 Maasbree, 3 november 2023, kenmerk: 23216101N
Vastgesteld
42
▪ ▪
de zeefinstallatie valt niet langer onder de RBS, maar zal ten hoogste 3 dagen per jaar worden ingezet. In totaal (inzet shredder of zeef) gaat het om ten hoogste 6 dagen per jaar; personeel wordt geïnstrueerd om rekening te houden met de omgeving.
Afbeelding 19. Impressie plaatsing geluidscherm
Het bedrijf heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan en is in 2019 uitgeroepen tot ‘Duurzaamste hovenier van Nederland’. Alle gebruikte werkmethodes en het ingezette materieel voldoen aan de huidige stand der techniek, en bij eventuele aanschaf van nieuwe machines speelt duurzaamheid (en dus ook geluid) zeker een issue. Uit de rekenresultaten blijkt dat de RBS overal voldaan kan worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer en aan de grenswaarden uit stap 2 van de VNG publicatie. In alle gevallen liggen de optredende geluidbelastingen (met name in de dagperiode) fors lager dan de vigerende situatie. Tijdens IBS1 (zeef) is in de dagperiode voor LAr,LT sprake van een overschrijding van de grenswaarde met ten hoogste 1 dB. Voor LAmax wordt aan alle eisen voldaan. Tijdens IBS2 (shredder) wordt zowel voor LAr,LT als voor LAmax de grenswaarde ruimer overschreden. Het shredderen gebeurt ten hoogste 3 dagen per jaar (uitsluitend in de dagperiode) en wijzigt niet ten opzichte van de bestaande (vergunde) situatie. Uit het verleden zijn geen klachten over geluid bekend. De ernst van de situatie lijkt dan ook niet bijster groot. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening wordt geconcludeerd dat de beoogde uitbreiding van het bedrijf vanuit akoestisch oogpunt mogelijk is.
De situatie voldoet aan de geldende geluideisen (VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering) en zal door de nieuwe lay-out flink verbeteren ten opzichte van de huidige (vergunde) situatie. In het kader van de Wet milieubeheer kan tijdens de representatieve bedrijfssituatie (RBS) aan alle geldende geluideisen worden voldaan. Tijdens de incidentele bedrijfssituaties (IBS-1 en IBS-2) worden de grenswaardes weliswaar overschreden, maar op basis van de ‘twaalfdagenregeling’ lijken deze activiteiten toch toelaatbaar. Het betreffen immers bestaande (vergunde) activiteiten die feitelijk niet wijzigen. Uit het onderzoek volgt dat de uitbreiding van het hoveniersbedrijf vanuit akoestisch oogpunt alleszins inpasbaar is in de omgeving. Aanvullende geluidreducerende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Functiewijziging woning Oude Heldenseweg 5 De woning Oude Heldenseweg 5 wordt planologisch omgezet van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning. Ter plaatse van de woning dient in dat geval aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten opzichte van omliggende milieubelastende functies.
In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Hoveniersbedrijf op Leemvenweg 1 (welke zal uitbreiden tot tegen het woonperceel) ▪ Tuincentrum op Kanaalweg 7 ▪ Handel in auto’s, reparatie- en servicebedrijf op Oude Heldenseweg 3 Vastgesteld
43
▪ ▪ ▪ ▪
Clubgebouw op Oude Heldenseweg 3a Grondgebonden agrarisch bedrijf op Oude Heldenseweg 3b Grondgebonden agrarisch bedrijf (niet zijnde een rundveehouderij) op Oude Heldenseweg 8b Loonbedrijf op Oude Heldenseweg 8c
Het hoveniersbedrijf op de locatie Leemvenweg 1 betreft uit te breiden hoveniersbedrijf, wat mede geregeld wordt middels onderhavig bestemmingsplan. Hiervoor, onder het kopje ‘uitbreiding hoveniersbedrijf’, is al gemotiveerd dat het hoveniersbedrijf en de uitbreiding daarvan geen nadelige consequenties heeft voor het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning. Voor het tuincentrum (Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden in een gemengd gebied: ▪ Geur: 0 meter ▪ Stof: 0 meter ▪ Geluid: 10 meter ▪ Gevaar: 0 meter Aan deze afstanden wordt met een afstand onderling van 82 meter ruimschoots voldaan (gemeten tussen bestemmingsvlak tuincentrum en bouwvlak woning). Voor het autobedrijf (Handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden in een gemengd gebied: ▪ Geur: 0 meter ▪ Stof: 0 meter ▪ Geluid: 10 meter ▪ Gevaar: 0 meter Aan deze afstanden wordt met een afstand onderling van 10 meter voldaan (gemeten tussen bestemmingsvlak autobedrijf en bouwvlak woning).
Voor het clubgebouw (Buurt- en clubhuizen) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden in een gemengd gebied: ▪ Geur: 0 meter ▪ Stof: 0 meter ▪ Geluid: 10 meter ▪ Gevaar: 0 meter Aan deze afstanden wordt met een afstand onderling van 10 meter voldaan (gemeten tussen bestemmingsvlak clubgebouw en bouwvlak woning). Een grondgebonden agrarisch bedrijf heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf, melkrundveehouderij of een paardenhouderij. Voor een akkerbouwbedrijf (Akkerbouw en fruitteelt) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden in een gemengd gebied: ▪ Geur: 0 meter ▪ Stof: 0 meter ▪ Geluid: 10 meter ▪ Gevaar: 0 meter Voor een melkrundveehouderij (Fokken en houden van rundvee) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden in een gemengd gebied: ▪ Geur: 50 meter ▪ Stof: 10 meter ▪ Geluid: 10 meter ▪ Gevaar: 0 meter Vastgesteld
44
Voor een paardenhouderij (Fokken en houden van overige graasdieren - paardenfokkerijen) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden in een gemengd gebied: ▪ Geur: 30 meter ▪ Stof: 10 meter ▪ Geluid: 10 meter ▪ Gevaar: 0 meter De afstanden van het bouwvlak van de woning tot het bouwvlak van de grondgebonden agrarische bedrijven bedraagt voor de Oude Heldenseweg 3b 155 meter en voor de Oude Heldenseweg 8b 115 meter. Aan de afstanden wordt dan ook ruimschoots voldaan. Voor het loonbedrijf (Dienstverlening t.b.v. de landbouw – algemeen (o.a. loonbedrijven) > 500 m2) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst de volgende richtafstanden moeten worden aangehouden in een gemengd gebied: ▪ Geur: 10 meter ▪ Stof: 0 meter ▪ Geluid: 30 meter ▪ Gevaar: 0 meter Aan deze afstanden wordt met een afstand onderling van 230 meter ruimschoots voldaan (gemeten tussen bestemmingsvlak loonbedrijf en bouwvlak woning). Geconcludeerd wordt dat behoudens het hoveniersbedrijf aan alle richtafstanden wordt voldaan. Deze milieubelastende functies hebben dan ook geen nadelige consequenties voor het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning.
Uit de nadere motivatie en akoestisch onderzoek welke hebben plaatsgevonden in het kader van de uitbreiding van het hoveniersbedrijf blijkt eveneens dat het hoveniersbedrijf geen nadelige consequenties heeft voor het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de woning. In de woning kan derhalve een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Er bestaan geen belemmeringen wat betreft bedrijven en milieuzonering voor de functiewijziging van de agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning. 5.1.3 Verkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder (Wgh). Uitbreiding hoveniersbedrijf Een hoveniersbedrijf betreft geen geluidsgevoelig object. Effecten van (spoor)wegverkeers- of industrielawaai op het hoveniersbedrijf behoeven derhalve niet getoetst c.q. onderzocht te worden. Functiewijziging woning Oude Heldenseweg 5 Bij de functiewijziging tot burgerwoning is geen sprake van het realiseren van nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor een geluidsgevoelig object. In de bestaande en nieuwe situatie is sprake van de activiteit wonen. Het maakt daarbij niet uit of de woning een bedrijfswoning of een burgerwoning is. Een akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege (spoor)wegverkeer is derhalve niet noodzakelijk. 5.1.4
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Vastgesteld
45
b. c. d.
een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500
Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000
Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. In dit geval is er geen sprake van nieuwe woningen. Er is sprake van de uitbreiding van een hoveniersbedrijf en van een functiewijziging van een woning. In het geval van dat laatste is uitsluitend sprake van een bestaande woning waarvan het soort bewoning wijzigt. In plaats van dat de woning wordt gebruikt als bedrijfswoning zal deze worden gebruikt als burgerwoning. Verkeer van en naar de woning wijzigt niet, hier blijft immers een huishouden woonachtig. Het verkeer wat van en naar het voormalige glastuinbouwbedrijf rijdt vervalt volledig. De functiewijziging van de woning draagt daarom NIBM bij aan de luchtverontreiniging. Voor de uitbreiding van het hoveniersbedrijf is met behulp van de NIBM-tool (versie 2022) bepaald of het (mogelijke) extra verkeer van en naar het hoveniersbedrijf NIBM bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Daarbij is uitgegaan van een toename van het bebouwd oppervlak van 2.900 m2 (thans toegestaan 4.400 m2, toegestaan in de nieuwe situatie 7.300 m2). Op basis van de algemene richtlijnen van het CROW leidt een hoveniersbedrijf, wat geschaard wordt onder een arbeidsextensief en bezoekersextensief bedrijf, gelegen in het niet-stedelijk buitengebied, dan per 100 m2 bvo, tot een toename van 3,9 tot 5,7 verkeersbewegingen.
Uitgaande van een worst-case scenario betekent dit een toename van 165 verkeersbewegingen. Daar kan de afname aan verkeersbewegingen door het planologisch verkleinen van het tuincentrum weer van af getrokken worden. In totaal worden van het tuincentrum 500 m2 aan bouwrechten ingeleverd. Een tuincentrum, gelegen in het niet-stedelijk buitengebied, leidt per 100 m2 bvo tot 15,1 tot 18,0 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case scenario zou 500 m2 tot minimaal 76 verkeersbewegingen. Het aantal verkeersbewegingen neemt door uitbreiding van het hoveniersbedrijf dus met 165 toe en door het afnemen van de bouwrechten van het tuincentrum met 76 af. Per saldo een toename van 89 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering dat deze toename allemaal zware verkeersbewegingen (vrachtwagens) betreffen blijkt de berekening dat de toename van het verkeer onder NIBM valt. Op basis van het voorgaande wordt een nader onderzoek naar de effecten op de luchtkwaliteit dan ook niet noodzakelijk geacht.
Vastgesteld
46
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
89
Aandeel vrachtverkeer
100,0%
3
NO2 in μg/m
1,02
3
0,07
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer
PM10 in μg/m 3
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m Conclusie
1,2
De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,0 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,9 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,8 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook nagenoeg nauwelijks extra verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen. Daardoor draagt de ontwikkeling niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit
Vastgesteld
47
bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.5 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van het initiatief gehinderd in hun bedrijfsvoering? Goed woon- en leefklimaat De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door de Wgv vastgesteld op 14 OU/m3 (voorgrondbelasting). Dit betekent dat iedere individuele veehouder 14 OU/m3 mag emitteren op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.
De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste onderlinge afstand van 50 meter. De uitbreiding van het hoveniersbedrijf en de functiewijziging van de woning kunnen geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de omgeving. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevinden zich de volgende (intensieve) veehouderijen: ▪ Een paardenhouderij aan de Hoorslagweg 10, afstand tot de uitbreidingsgronden 290 meter; ▪ Een paardenhouderij aan de Breestraat 3, afstand tot de uitbreidingsgronden 380 meter; ▪ Een varkenshouderij aan de Leeuwerik 1, afstand tot de uitbreidingsgronden 500 meter. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden (paarden), tot het uitbreidingsgronden c.q. woning, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Van de andere veehouderij, waar dieren worden gehouden met geuremissiefactoren, is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning 2020” (zie bijlage 1).
Daarbij is alle vergunde geuremissie binnen het betreffende agrarische bouwvlak conform een worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van de uitbreidingsgronden c.q. woning meest nabij gelegen hoek van het agrarische bouwvlak. Nummer Hoek 1 uitbreidingsgronden Hoek 2 uitbreidingsgronden Hoek 3 uitbreidingsgronden Hoek 4 uitbreidingsgronden Middelpunt woning
X-coördinaat 200982 201073 201009 200921 200860
Y-coördinaat 373955 373976 374135 374124 374002
Leeuwerik 9 0,8 0,8 0,5 0,5 0,6
De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 0,8 OU/m3. Op basis van de Wgv is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 14,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderij geen nadelige effecten heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting.
Vastgesteld
48
Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Nummer Hoek 1 uitbreidingsgronden Hoek 2 uitbreidingsgronden Hoek 3 uitbreidingsgronden Hoek 4 uitbreidingsgronden Middelpunt woning
X-coördinaat 200982 201073 201009 200921 200860
Y-coördinaat 373955 373976 374135 374124 374002
Berekende waarde 1,1 1,0 1,0 1,0 1,1
De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 1,0 en 1,1 OU/m3. Anders dan bij voorgrondbelasting geeft de Wgv geen normen voor achtergrondbelasting. Ook geeft de Wgv geen omschrijving van wat onder een goed of aanvaardbaar woon- en leefklimaat verstaan wordt. In dat kader vormt paragraaf 3.4 van de handreiking bij de Wgv (welke gaat over de beoordeling van ruimtelijke plannen, aanvulling 23 mei 2007) en de bijlagen 6 en 7 bij de handreiking (met informatie over de te verwachten geurhinder, aanvulling 1 mei 2007) een hulpmiddel voor het beoordelen van ruimtelijke plannen. Aan de hand van het gestelde in voornoemde handreiking is er door de overheid een tabel opgesteld, welke hierna wordt weergegeven en welke gebruikt kan worden voor de beoordeling van de milieukwaliteit in een gebied. De milieukwaliteit correspondeert in dit geval met de normering van de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Middels deze tabel kan aan de hand van de uitkomsten van de verspreidingsmodel “V-stacks gebied” en de geurcontouren (waarin deze uitkomsten weergegeven worden) bezien worden welke milieukwaliteit er in een bepaald gebied heerst en, gelet op de ligging van het ruimtelijk plan, wat de milieukwaliteit en dus het woon- en leefklimaat bij een ruimtelijk plan is. Milieukwaliteit
Geur gehinderden
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
< 5% 5-10% 10-15% 15-20% 20-25% 25-30% 30-35% 35-40%
Voorgrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 1,5 1,5-3,8 3,8-6,6 6,6-10 10-14,2 14,2-19,2 19,2-25,3 25,3-32,8
Achtergrondbelasting 98 percentiel OU/m3 < 3,1 3,1-7,4 7,4-13,1 13,1-20 20-28,3 28,3-38,5 38,5-50,7 > 50,7
Concluderend kan derhalve het volgende gesteld worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet aangetoond worden dat er bij een ruimtelijk plan sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Om te kunnen oordelen wat de invloed van een ruimtelijk plan op het woon- en leefklimaat is, moet met betrekking tot geur zowel de voorgrondbelasting als de achtergrondbelasting in beeld worden gebracht. In geval van voorgrondbelasting geur vindt toetsing plaats aan de wettelijke norm van 14 OU/m3 voor buiten de bebouwde kom. De norm voor buiten de bebouwde kom valt in de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht” (10,0 tot 14,2 OU/m3). Op grond hiervan wordt afgeleid dat buiten de bebouwde kom een milieukwaliteit “tamelijk slecht” aanvaardbaar is. Als deze wettelijke normen worden doorgetrokken naar de achtergrondbelasting kan gesteld worden dat buiten de bebouwde kom bij een norm gelegen in de klasse 20 – 28,3 OU/m3 (welke correspondeert met de milieukwaliteitsklasse “tamelijk slecht”) gesproken kan worden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De hoogste achtergrondbelasting bedraagt 1,1 OU/m3.
Op basis van bovenstaande motivatie is dan sprake van een milieukwaliteitsklasse “zeer goed”, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Vastgesteld
49
Effect voor veehouderijen in de omgeving Hierboven is gemotiveerd dat, om een acceptabel woon- en leefklimaat te garanderen, de afstand tussen een grondgebonden veehouderij en een geurgevoelig object minimaal 50 meter dient te bedragen (afstand tussen emissiepunten veehouderij en een geurgevoelig object). Indien geurgevoelige objecten dichter dan 50 meter bij een veehouderij worden opgericht zullen deze geurgevoelige objecten de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden binnen een agrarisch bouwvlak van betreffende veehouderij belemmeren. Het is dan namelijk niet toegestaan voor betreffende veehouderij emissiepunten te realiseren. Gezien het feit dat het plangebied ruimschoots verder weg ligt dan 50 meter van grondgebonden veehouderijen wordt de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden bij grondgebonden veehouderijen daardoor niet belemmerd. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De ontwikkelingen binnen het plangebied, welke verder van de intensieve veehouderijen wordt gepositioneerd dan bestaande woningen, heeft derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen.
5.1.6 Externe veiligheid Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. De risico’s voor de bevolking, die verbonden zijn aan gevaar veroorzakende activiteiten moeten in beeld worden gebracht. De volgende bronnen kunnen aan de orde zijn: ▪ inrichtingen; ▪ transportactiviteiten met gevaarlijke stoffen; ▪ vuurwerkopslagplaatsen; ▪ opslagplaatsen ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hoewel de kans om komen te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen zeer klein is, gelden er toch bepaalde minimaal aan te houden afstanden tot locaties waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of getransporteerd. Deze minimaal aan te houden afstanden worden plaatsgebonden risicocontouren genoemd. De grootte van deze plaatsgebonden risicocontouren verschilt per situatie. Zo speelt de hoeveelheid opgeslagen of vervoerde gevaarlijke stoffen een rol, maar daarnaast bijvoorbeeld ook de wijze van opslag en eventuele aanwezige veiligheidssystemen. Wanneer er een ongeval met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, dan kunnen de effecten veel verder reiken dan de plaatsgebonden risicocontour. De afstand tot waar een ongeval met een gevaarlijke stof nog onder 1% van de blootgestelden dodelijke slachtoffers kan veroorzaken vormt het invloedsgebied.
Het plaatsgebonden risico zegt dus niets over het aantal mensen dat kan komen te overlijden tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hiervoor is het groepsrisico bedoeld. Het groepsrisico is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting en wordt weergegeven in een grafiek. In een dergelijke grafiek is de kans op een calamiteit weergegeven tegenover de hoeveelheid mensen die kan komen te overlijden als gevolg van die calamiteit. Het groepsrisico is geen harde norm, maar vormt de basis voor een verantwoording van de aanwezige risico's door de gemeente. Het gemeentebestuur heeft beleidsruimte bij het toepassen van de hoogte van het groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter, het gemeentebestuur is wel verplicht voor het invloedsgebied verantwoording af te leggen over de hoogte van het groepsrisico, de te nemen maatregelen om de effecten van deze risico's te reduceren en de eventuele restrisico's. Risicovolle activiteiten rond het plangebied Door het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een signaleringskaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts.
Vastgesteld
50
Afbeelding 20. Uitsnede signaleringskaart (uitbreidingronden en woning met rood begrensd)
In de omgeving van het plangebied is sprake van één risicovol object; het tankstation wat is gelegen aan de N275. Bij dit tankstation wordt LPG geleverd. Verder vindt er transport van gevaarlijke stoffen plaats over de N275, al is dit niet aangegeven op de kaart. Tankstation met LPG Het tankstation heeft een maximale doorzet van 1.000 m³ LPG per jaar. De inrichting betreft een categoriale inrichting volgens het Revi. In het Revi zijn afstanden opgenomen voor LPG tankstations tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De risicovolle inrichtingen binnen het LPG tankstation zijn als volgt te definiëren: 1. Vulpunt Het vulpunt heeft een plaatsgebonden risicocontour van 25 meter en een invloedsgebied verantwoording groepsrisico van 160 meter; 2. LPG reservoir Het LPG reservoir heeft een plaatsgebonden risicocontour van 25 meter; 3. Afleverinstallatie De afleverinstallatie heeft een plaatsgebonden risicocontour van 15 meter. De plaatsgebonden risicocontouren en invloedsgebied reiken niet tot aan de uitbreidingsgronden van het hoveniersbedrijf of de woning Oude Heldenseweg 5. Dit is ook duidelijk zichtbaar op afbeelding 20.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State betreffende de vernietiging van de verruimde afstanden van de plaatsgebonden risicocontouren als gevolg van de twee risico reducerende maatregelen (hitte werende coating en de verbeterde losslang) zijn de plaatsgebonden risicocontouren bij een doorzet van 1.000 m3 LPG per jaar nu gesteld op 46 meter voor het vulpunt en 17 meter voor het reservoir. Het plangebied bevindt zich niet binnen deze plaatsgebonden risicocontouren. De invloedsgebieden zijn ook verruimd. Deze bedragen nu voor het explosieaandachtsgebied 290 meter en voor het brandaandachtsgebied 235 meter. Deze invloedsgebieden zijn niet opgenomen in de huidige regelgeving. In de huidige
Vastgesteld
51
regelgeving bedragen deze invloedsgebieden respectievelijk 160 en 60 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 200 meter van het vulpunt en het reservoir. Het plangebied valt daarmee niet in de invloedsgebieden. Het LPG tankstation vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. N275 De afstand van het plangebied tot de N275 bedraagt circa 44 meter. Het plangebied ligt daarmee buiten de plaatsgebonden risicocontour van deze weg. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën: LF1, LF2, LT3 en GF3 (Bron: Externe veiligheid provinciale wegen, Rapport provincie Limburg d.d. 21 september 2012). Gelet op de gevaarlijke stoffen die over deze weg worden vervoerd heeft deze weg een invloedsgebied van 4.000 meter aan weerszijden. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied. Het risicobepalende scenario is het vrijkomen van een toxische plas en een brandbaar gas. Nu het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied van de N275 dient er op grond van artikel 7 Bevt invulling gegeven te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. In de Nota van toelichting bij het Bevt is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico achterwege kan blijven.
Hiervoor zijn vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen opgesteld die de gebruiker een indicatie geven wanneer een risicoberekening zinvol is. Met de vuistregels kan ingeschat worden of de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of aanwezigheidsdichtheden te klein zijn om tot een overschrijding van grenswaarde of richtwaarde voor het plaatsgebonden risico dan wel of een overschrijding van de oriëntatiewaarde of 0.1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico te kunnen leiden. Op basis van Handleiding Risicoanalyse Transport wordt de drempelwaarde GF3-vervoer voor overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde, weg buiten de bebouwde kom, eenzijdige bebouwing niet overschreden. Dit betekent dat op grond van de vuistregels het groepsrisico geen aandachtspunt oplevert. Op grond van artikel 9 van het Bevt dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning door het bevoegd gezag advies gevraagd te worden aan het bestuur van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Advies is aangevraagd bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Op 25 oktober 2023 hebben zij advies gegeven (zie bijlage 3). Zij geven aan; vanwege de beperkte toename van het groepsrisico kan worden volstaan met een beperkte verantwoording conform het Bevt.
Het advies richt zich op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloedsgebied. ▪
Bereikbaarheid Om incidenten snel en effectief te kunnen bestrijden is het belangrijk dat een incidentlocatie goed, snel en via meerdere zijden voor hulpdiensten bereikbaar is. Het plangebied is vanuit westelijke richting via de Kanaalweg en vanuit Zuidoostelijke richting via de Oude Heldenseweg – Hoorslagweg voldoende bereikbaar.
▪
Bluswater Voor de bestrijding van een incident op N275 zijn primair ter hoogte van de rotonde met de Pastoor Leursstraat en het tankstation brandkranen met debieten van circa 80 m3/uur aanwezig en parallel aan de N275 is de Everlose beek als secundaire bluswatervoorziening met voldoende debiet aanwezig. Conform het gemeentelijk beleid bluswater en bereikbaarheid moet er voor het plangebied primair op 100 meter minimaal 60 m3/uur en secundair op 200 meter minimaal 90 m3/uur aanwezig zijn. De aanwezige bluswatervoorzieningen, brandkranen in het openbaar gebied, voldoen reeds in de bestaande situatie niet aan deze eisen uit het beleid.
Vastgesteld
52
▪
Brandweerzorgnorm. De opkomsttijd van de brandweer is niet berekend. Gezien de afstand tot brandweerkazerne Maasbree kan gesteld worden dat er wordt voldaan aan de normtijd van tien minuten voor een industriefunctie.
Advies ▪ De bluswatervoorzieningen in het plangebied zijn onvoldoende. Geadviseerd wordt om in het gehele plangebied bluswatervoorzieningen op strategische plaatsen aan te leggen, zodat deze voor meerdere gebouwen kunnen dienen. Ga hiervoor in overleg met Brandweer Limburg-Noord; ▪ Zorg dat de BHV organisatie op de hoogte is van de risico’s en effecten voortkomend uit incidenten met gevaarlijke stoffen op de N275. De maatgevende scenario’s met de daarbij behorende handelingsperspectieven dienen te worden opgenomen in het op te stellen bedrijfsnoodplan c.q. ontruimingsplan; ▪ Zorg dat de aanwezige personen in het plangebied en in de (nog te bouwen) gebouwen in verschillende richtingen via minimaal 2 onafhankelijke vluchtroutes kunnen ontvluchten van een incident op de N275 af; ▪ Om veilig in een gebouw te kunnen schuilen voor een toxische damp (giftige wolk) moet de ventilatie voorzien zijn van een schakelaar op een gemakkelijk te bereiken plaats (bijvoorbeeld op het brandmeldpaneel of in de meterkast), zodat de ventilatie snel kan worden uitgeschakeld. Neem deze handeling op in het bedrijfsnoodplan c.q. ontruimingsplan. De beschouwde risicobronnen kunnen in relatie tot de plannen leiden tot ongevallen met grote gevolgen voor de omgeving die voor hulpverleningsdiensten lastig beheersbaar zijn.
De geadviseerde maatregelen bevorderen de zelfredzaamheid in het plangebied en kunnen de effecten van ongevallen sterk reduceren tot een omvang die beter beheers- of bestrijdbaar wordt geacht door de hulpverleningsdiensten. Hoewel het uitvoeren van de veiligheid verhogende maatregelen een positief effect zullen hebben, valt daarmee niet uit te sluiten dat zich een incident voor zal doen waarbij slachtoffers kunnen vallen. 5.1.7 Milieueffectrapportage (m.e.r.) Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).
Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Vastgesteld
53
Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De uitbreiding van het hoveniersbedrijf en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.000 woningen of meer of bedrifjsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Omdat de ontwikkeling onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang project
van
het
Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen
Toets Het project heeft betrekking op het uitbreiden van een hoveniersbedrijf. In dat kader zal het grondoppervlak van het bedrijf van 2,83 ha toenemen naar 4,46 ha. Hierdoor wordt het mogelijk een nieuwe loods te bouwen met een oppervlakte van circa 4.000 m2. Hiervoor in de plaats wordt een agrarisch bedrijf gesaneerd en de thans aanwezige glasopstanden met een oppervlakte van 6.200 m2 volledig gesloopt. De agrarische bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning. Het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor landinrichtingsprojecten Nee Nee Nee, behoudens (regulier) afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de tijdelijke afvalstoffen die ontstaan door de sloop en bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico
Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.
Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik
Vastgesteld
Toets Agrarisch bedrijf (glastuinbouwbedrijf)
54
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
met bijbehorende agrarische gronden N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het project geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting) Nee Nee
Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Beschermd natuurmonument Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Watergebied van internationale betekenis EHS Landschappelijk waardevol gebied Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument Belvédère-gebied
Toets Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Nee Nee
Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. De uitbreiding van het hoveniersbedrijf komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarde wordt niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER daarom niet zinvol is. Er is met deze ontwikkeling sprake van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is dan onderdeel D11.2 als ondergrens hanteert. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het
Vastgesteld
55
plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
5.2
Kabels en leidingen
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan bevindt zich aan de overzijde van de watergang Leeuwerik een ondergrondse rioolleiding. In het vigerende bestemmingsplan is aan deze leiding de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ toegekend om het functioneren van deze rioolleiding te waarborgen. Deze dubbelbestemming is opnieuw overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Het functioneren van de rioolleiding is daarmee juridisch-planologisch geborgd. Er vinden binnen deze dubbelbestemming geen ontwikkelingen plaats. Voor het overige is er geen sprake van een andere dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.3
Natuur
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de ontwikkelingen binnen het plangebied hierop te onderzoeken is een quickscan flora- en fauna5 uitgevoerd. Uit de quickscan blijkt dat binnen het plangebied biotoop is aangetroffen die geschikt is voor beschermde soorten waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om de volgende soortgroepen; algemene broedvogels en vleermuizen. Voor het verstoren van algemene broedvogels is geen ontheffing nodig van de Wnb indien maatregelen worden genomen om vernietiging van nesten en verstoring van broedende vogels te voorkomen. Mits verstorende werkzaamheden zullen plaatsvinden moeten deze daarom buiten het broedseizoen plaatsvinden. Voor het verstoren van vleermuizen geldt dat er geen ontheffing nodig is mits uitsluitend overdag gewerkt wordt of door gebruik te maken van gerichte verlichting waarbij het omliggend groen en het open water onverlicht blijven. Mits deze uitgangspunten en de algemene zorgplicht worden gerespecteerd is nader onderzoek niet benodigd.
Natura2000 In een straal van 10 km rond het plangebied bevinden zich de volgende Natura2000-gebieden: ▪ Deurnsche Peel & Mariapeel (8,8 km) ▪ Wälder und Heiden bei Brüggen-Bracht (8,9 km) ▪ Vogelschutzgebiet ‘Schwalm – Nette – Platte mit Grenzwald und Meinweg’ (8,9 km)
5
Vebego, Quickscan Herman Vaessen Maasbree, 4 april 2023
Vastgesteld
56
In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van ruim 8 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Sloopfase Ten behoeve van het initiatief vindt binnen het plangebied de sloop van beide kassen en de wasplaats plaats. Bij de sloop van de kassen en de wasplaats wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden van en naar de locatie verkeersbewegingen plaats.
Dit zorgt voor een emissie van stikstof. Deze emissie is berekend.
Vermogen (kW)
Belasting
Brandstofv erbruik (l/u)*
Draaiuren (u/j)
Brandstofv erbruik (l/j)
2016 2015 2016
Diesel Diesel Diesel
200 200 200
80 55 70
22,79 31,35 39,56
60 40 60
1.367 1.254 2.374
Adblue verbruik (l/j) Totale emissie (kg/j)
Brandstof
Mobiele kraan Bulldozer Graafmachine Totaal
Bouwjaar
Werktuig
Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de sloop van de bebouwing. In het kader van het initiatief wordt gebruik gemaakt van de volgende gegevens: ▪ 2 mobiele kranen gedurende 60 uur voor het sloopwerk en het breken van het puin; ▪ 1 bulldozer gedurende 40 uur voor het egaliseren en wegruimen van het puin. ▪ 1 graafmachine gedurende 60 uur voor het egaliseren, de terreinafwerking en het overige graafwerk;
90 80 160
4,0 4,8 5,0 13,8
* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO
Ten tijde van de sloopfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de slooplocatie bezoeken om de sloopwerkzaamheden te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 4 bestelbusjes. Voor overige bezoekers is eveneens 2 bestelbusjes aangehouden per dag. Er is zodoende sprake van 12 middelzware verkeersbewegingen veroorzaakt door 6 bestelbusjes. Eén van de bedrijfsbusjes met personeel zal worden ingezet voor de sloop van de wasplaats en de overige voor de sloop van de kassen. Naar de locatie rijden ook diverse vrachtauto’s voor het afvoeren van materialen. Er wordt uitgegaan dat op de drukste dag 4 vrachtwagens aanwezig zijn. Er is zodoende sprake van 8 zware verkeersbewegingen veroorzaakt door 4 vrachtwagens. Eén van deze vrachtwagens zal worden ingezet voor de afvoer van materialen ter plaatse van de wasplaats en de overige voor de afvoer van materialen ter plaatse van de kassen. Er is uitgegaan van 8 zware verkeersbewegingen veroorzaakt door de vrachtwagens en 12 middelzware verkeersbewegingen veroorzaakt door de 6 bestelbusjes. Het bouwverkeer zal vanaf de N275 opgaan in het heersende verkeer.
Vastgesteld
57
Tijdens de sloopfase is sprake van een toename van 16,6 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden tijdens de sloop van de bebouwing. Bouwfase Het voornemen bestaat om aan de zijde van de Kanaalweg een nieuwe hal te realiseren. Bij de bouw van de hal en de inrichting van het omliggende terrein wordt gebruik gemaakt van meerdere (mobiele) werktuigen en vinden in dat kader verkeersbewegingen plaats. Dit zorgt voor een emissie van stikstof. Deze emissie is berekend. Voor de inzet van (mobiele) werktuigen is uitgegaan van een gemiddeld gebruik van mobiele werktuigen bij de bouw van een nieuw bedrijfsgebouw.
In het kader van het initiatief wordt gebruik gemaakt van de volgende gegevens: ▪ 1 loader gedurende 16 uur voor het bouwrijp maken van de locatie; ▪ 1 graafmachine gedurende 40 uur voor het afgraven van de fundering; ▪ 1 graafmachine gedurende 16 uur voor het overige graafwerk; ▪ 1 loader gedurende 16 uur voor het aanvullen en rondom egaliseren van de vloer; ▪ 1 betonpomp gedurende 40 uur voor het storten van het beton voor de fundering; ▪ 1 hoogwerker gedurende 32 uur voor het monteren van de wandplaten; ▪ 1 kraan gedurende 16 uur voor het monteren van de dakplaten; ▪ 1 betonpomp gedurende 16 uur voor het storten van het beton voor de betonvloer
16,65 16,82 32,45 9,42 22,81
32 56 56 32 16
533 942 1.817 301 365
Totaal
Adblue verbruik (l/j) Totale emissie (kg/j)
Brandstofv erbruik (l/j)
60 60 60 55 70
Draaiuren (u/j)
100 100 200 60 120
Brandstofv erbruik (l/u)*
Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel
Belasting
Vermogen (kW)
2015 2014 2016 2015 2016
Brandstof
Loader Graafmachine Betonpomp Hoogwerker Mobiele hijskraan
Bouwjaar
Werktuig
De overige werkzaamheden worden uitgevoerd door elektrisch aangedreven machines, zoals een elektrische hoogwerker. Elektrisch aangedreven machines hebben geen uitstoot NOx. Een deel van de mobiele werktuigen zullen worden voorzien van AdBlue om de uitstoot van NOx te verlagen.
37 65 127 21 25
0,7 1,5 1,8 0,4 0,6 5,1
* Op basis van de Emissiefactoren NOx en NH3 uitstoot mobiele machines van de TNO
Ten tijde van de bouwfase vinden ook verkeersbewegingen plaats, onder andere in de vorm van vrachtwagens en busjes. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 4 bestelbusjes. Voor overige bezoekers is eveneens 2 bestelbusjes aangehouden per dag. Er is zodoende sprake van 12 middelzware verkeersbewegingen veroorzaakt door de 6 bestelbusjes. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van inschattingen voor het bouwproces. Dit betreffen de volgende gegevens: ▪ Aanvoer zuiver zand: 8 vrachtwagens ▪ Aanvoer beton fundering en vloer: 30 vrachtwagens (waarvan 2 betonpompen) ▪ Aanvoer staalskelet: 6 vrachtwagens ▪ Aanvoer wandpanelen: 8 vrachtwagens ▪ Aanvoer wandpanelen (plint): 4 vrachtwagens ▪ Aanvoer dakpanelen: 6 vrachtwagens Vastgesteld
58
▪ ▪ ▪ ▪
Aanvoer deuren e.d.: 2 vrachtwagens Aanvoer overige: 3 vrachtwagens Aanvoer diverse (aanvoer t.b.v. installateurs elektra, riool e.d.): 15 bestelbusjes Afvoer afval en materialen: 4 vrachtwagens en 4 bestelbusjes
Uitgaande van een worst-case scenario doen op de meest drukke dag 30 vrachtwagens de bouwlocatie aan (op de dag dat het beton wordt gestort). Er is uitgegaan van 30 zware verkeersbewegingen veroorzaakt door de vrachtwagens en 12 middelzware verkeersbewegingen veroorzaakt door de 6 bestelbusjes. Het bouwverkeer zal vanaf de N275 opgaan in het heersende verkeer. Tijdens de sloopfase is sprake van een toename van 17,0 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden tijdens de bouw. Gebruiksfase Als gevolg van onderhavig initiatief veranderd de emissie van stikstof vanuit het plangebied vanwege het nieuwe gebruik van de locatie en het verkeer van en naar de locatie. De nieuwe hal wordt gasloos uitgevoerd (zonder C.V.-ketel). Vanuit de bedrijfshal is derhalve geen sprake van emissie van NOX. In het kader van het initiatief is een verkeersonderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 5.6). Uit het verkeersonderzoek blijkt dat door de bedrijfsontwikkeling van het hoveniersbedrijf de verkeersintensiteit op de Kanaalweg circa 460 mvt/etmaal zal bedragen.
50% van het verkeer is afkomstig van de westelijke zijde van deze weg en 50% van het verkeer is afkomstig van de oostelijke zijde van deze weg. Vanwege het bedrijfsmatige karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie zware voertuigen betreffen (worst-case). In de middag zullen een deel van de bedrijfsvoertuigen (circa 25 units) terug keren naar de composteringslocatie om daar te lossen. Vanwege het bedrijfsmatige karakter wordt verondersteld dat ook deze voertuigen eveneens zware voertuigen betreffen. Al het verkeer zal vanaf de N275 opgaan in het heersende verkeer. Tijdens de gebruiksfase is sprake van een toename van 292,8 kg NOx. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Er is derhalve geen merkbaar c.q. negatief effect voor wat betreft stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden door het initiatief.
5.4
Waterhuishouding
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Peel en Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.4.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Vastgesteld