CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-058 03 Toelichting inclusief bijlagen

Raad 23 april 2024, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Leemvenweg 1 Maasbree” (2024-058)33.475 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Vastgesteld

24

De ladder is uitsluitend van toepassing als een ‘stedelijke ontwikkeling’ wordt gerealiseerd. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is ter plaatse van de om te zetten bedrijfswoning naar burgerwoning sprake. De ontwikkeling heeft daar immers betrekking op een functiewijziging van een glastuinbouwbedrijf naar woondoeleinden (en sloop van de kas). Er is met deze functiewijziging geen sprake van het creëren van meer bouwmogelijkheden. Integendeel, betreffend bouwvlak worden aanzienlijk verkleind en daarmee worden de bouwmogelijkheden zoals die gelden voor een agrarisch bedrijf zelfs ontnomen. Er hoeft in het kader van de functiewijziging van de locatie Oude Heldenseweg 5 dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden. Naast de functiewijziging van de locatie Oude Heldenseweg 5 heeft dit bestemmingsplan in eerste instantie betrekking op de uitbreiding van het hoveniersbedrijf. Daar de uitbreiding van het hoveniersbedrijf meer bedraagt dan 500 m2 dient de uitbreiding in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Zodoende dient de ladder te worden doorlopen. De Ladder behelst een drietal opvolgende treden te weten: 1.

Bestaat er behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling? 2. Zo ja, kan die behoefte binnen bestaand stedelijk gebied worden opgevangen? 3. Als de behoefte niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt opgevangen, komt de ontwikkeling dan op een locatie die passend ontsloten is? Hieronder wordt de uitbreiding van het hoveniersbedrijf aan de ladder getoetst. Behoefte van de stedelijke ontwikkeling Het hoveniersbedrijf is reeds al jaren actief op deze locatie en een begrip in de regio. In de afgelopen jaren heeft het bedrijf een flinke groei doorgemaakt waardoor het huidige bedrijfsterrein begint te knellen; enerzijds is er behoefte aan nieuwe bedrijfsbebouwing en anderzijds is er behoefte aan meer ruimte voor machines om te manoeuvreren, zaken op te slaan en te parkeren. De redenen hiervoor zijn de volgende: ▪ Het huidige kantoorpand zit aan de limiet qua aantal werkplekken (15 stuks), bij toename kantoorpersoneel of bij een stagiaire is het passen en meten om nog een extra werkplek te creëren; ▪ Oorspronkelijke ontvangstruimtes voor klanten en opleidingslokalen voor personeel zijn als zodanig al niet meer in gebruik en ingericht als werkplekken; ▪ Met de groei van het bedrijf is ook het aantal werknemers toegenomen.

De kantineruimte voor het personeel is daarom te klein geworden; ▪ Parkeerplaatsen op het terrein (circa 40 stuks), voor zowel personeel als bezoekers, zitten aan de maximale capaciteit. Voor meer parkeerplaatsen, waar dus wel behoefte aan is, is geen ruimte beschikbaar. Gevolg is dat er langs de openbare weg wordt geparkeerd. Dit is uit het oogpunt van verkeersveiligheid ongewenst; ▪ De werkplaats is niet ruim genoeg meer om de steeds grotere machines fatsoenlijk te kunnen onderhouden en niet meer voldoende professioneel ingericht voor het moderne machinepark; ▪ De machinebergingen staan helemaal vol met bedrijfsbusjes (met aanhangers), andere machines en materiaal dat droog en achter slot en grendel moet staan. Als gevolg daarvan worden buiten tractoren, vrachtwagens en andere machines gestald. Het heeft niet de voorkeur deze voertuigen buiten te stallen. Het bedrijf beschikt nog over een vergunning voor het realiseren van een nieuwe machineberging. Deze machineberging is vergund op de plek van het rangeer- en manoeuvreerterrein, met de realisatie van de machineberging moet dit terrein echter worden opgeofferd. Dit is niet wenselijk; ▪ Ruimte om materialen klaar te zetten (zowel binnen als buiten) voor projecten die op stapel staan is er nauwelijks; materialen staan daarom thans verspreid over het bedrijfsterrein.

Dit is niet wenselijk voor de overzichtelijk- en veiligheid, alsook het aanzicht van het bedrijf; ▪ De nabijgelegen dochteronderneming GroenRijk Maasbree maakt ook gebruik van het bedrijfsterrein van het hoveniersbedrijf. Dit tuincentrum groeit ook flink door en heeft ruimtegebrek aan verkoopruimte voor Vastgesteld

25

▪

tuinmeubelen en seizoensartikelen (o.a. kerst), waardoor dergelijke zaken ook bij het hoveniersbedrijf worden opgeborgen, ondanks dat hier ook al plaatsgebrek is; De afgelopen jaren is een autonome groei van de omzet gerealiseerd. Deze omzetstijging is structureel, maar zal naar verwachting door de krappe behuizing en ruimtegebrek stagneren.

Doordat het hoveniersbedrijf deze noodzaak tot uitbreiding ervaart is het bedrijf voornemens om het bedrijfsterrein in noordelijke richting uit te breiden zodat er ruimte ontstaat voor manoeuvreren, opslag en parkeren, maar ook ruimte ontstaat voor het realiseren van een nieuw bedrijfsgebouw met een oppervlakte van circa 4.000 m2. Met deze uitbreiding kan het hoveniersbedrijf voor de lange termijn vooruit; alle machines kunnen inpandig worden gestald, alle materialen kunnen op een deugdelijke manier worden opgeslagen en klaargezet en er is voldoende plaats om volledig op eigen terrein te parkeren. Hierdoor voldoet het initiatief aan de heersende en toekomstige behoefte van het bedrijf. Binnen bestaand stedelijk gebied Een totale verplaatsing van het bedrijf om elders “opnieuw” te beginnen is geen optie; los van dat het bedrijf van oudsher verweven is met deze plek en er dus een persoonlijke binding is, beschikt het bedrijf over een unieke composteringslocatie aan de overzijde van de Leemvenweg. Deze composteringslocatie is van vitaal belang voor het bedrijf daar er groenafval wordt opgeslagen en verwerkt. Deze specifieke bedrijfsactiviteit van milieucategorie 4.1 kan niet op veel plekken plaatsvinden.

Ook een gedeeltelijke verplaatsing van het bedrijf (om daar de uitbreiding te realiseren) is geen optie omdat dan niet alleen de verbinding met het huidige bedrijfsterrein wegvalt, maar ook omdat de synergie met het nabijgelegen tuincentrum dan zou wegvallen. Het is dan ook niet mogelijk om het bedrijf te verplaatsen naar een locatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Andere plekken in de omgeving, binnen bestaand stedelijk gebied (op het lokale bedrijventerrein) voor een totale verplaatsing zijn wel onderzocht maar bleken niet mogelijk. Dit is nader gemotiveerd in paragraaf 3.1. Passende ontsluiting Het hoveniersbedrijf is voornemens om het huidige bedrijfsterrein uit te breiden in noordelijke richting. Dit is de enige richting waar een uitbreiding te realiseren is. De uitbreiding vindt daarmee plaats in de richting van de Kanaalweg. Een uitbreiding in deze richting heeft enorm veel potentie omdat enerzijds de locatie aansluit op de bestaande locatie van het hoveniersbedrijf en anderzijds de synergievoordelen met het dan naastgelegen tuincentrum (te weten de dochteronderneming) volledig tot bloei kunnen komen. De infrastructuur op en om het bedrijf zal door de uitbreiding op de beoogde locatie aanzienlijk verbeteren. Ten eerste wordt de entree van het bedrijf verplaatst van de Leemvenweg naar de Kanaalweg, welke veel beter bereikbaar is vanaf de N275.

Vooral voor de woningen welke zijn gelegen aan de Oude Heldenseweg scheelt dit veel verkeer over hun straat. Uit het uitgevoerde verkeersonderzoek (paragraaf 5.6) blijkt dat een ontsluiting via de Kanaalweg uit verkeersoogpunt zeer goed mogelijk is. Zodoende is er sprake van een passende ontsluiting in de nieuwe situatie. Conclusie Het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking; er is namelijk sprake van een actuele behoefte en de uitbreiding vindt plaats op een passende locatie.

Vastgesteld

26

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Provinciale Omgevingsvisie Limburg, met bijbehorend m.e.r., vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI) is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De POVI vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014’ (POL2014). In de POVI wordt de lange termijnvisie (2030-2050) voor de provincie Limburg beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de POVI komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de POVI zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.

In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg.

De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors.

Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.

Vastgesteld

27

De POVI bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad.

Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Samen met hun partners wil de provincie een voortreffelijk woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen.

Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn. De provincie faciliteert daarbij flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diversere groep mensen tegemoet gekomen kan worden, in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw. In de POVI geeft de provincie aan dat ze alle woonwensen willen vervullen, waarbij een voortreffelijke woon- en leefomgeving leidend zijn. Door middel van onderhavig initiatief wordt een agrarische bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Daarmee worden de woonwensen van de bewoners van deze woning ingewilligd, zonder daarbij fysiek een nieuwe woning te realiseren. Het initiatief voldoet daarmee aan de provinciale beleidskaders, zoals gesteld in het POVI. Werklocaties Op het gebied van werklocaties houdt de POVI vast aan het vinden van geschikte huisvesting waarbij ruimte noodzakelijk is. Dit kan in Limburg vaak een probleem zijn. Soms is er onvoldoende ruimte beschikbaar, of voldoet de ruimte niet aan de eisen van de gebruikers. Daarbij kunnen eisen ook snel veranderen door digitalisering, verduurzaming, globalisering of robotisering van bedrijfsprocessen.

In Noord-Limburg ontstaat druk op grootschalige kavels, die met name gebruikt worden door logistieke bedrijven die de corridor van Rotterdam/Antwerpen naar het Ruhrgebied willen benutten.

Vastgesteld

28

Dit vraagt om het maken van keuzes, ook omdat niet alle logistieke bedrijven evenveel toegevoegde waarde leveren aan onze economische structuur. Er is een behoorlijke voorraad aan bedrijventerreinen, echter kan afhankelijk van de vraagontwikkeling deze voorraad niet voldoen door het soort of de kwaliteit van het terrein niet volstaat. De provincie heeft dan ook de ambitie om in de toekomst te beschikken over voldoende werklocaties waar goede ontwikkelruimte is voor bestaande en nieuwe bedrijven. In de komende jaren wordt er samen met gemeenten en/of eigenaren toegewerkt naar werklocaties die zowel in kwantitatief als kwalitatief opzicht aan de maat zijn. Hierbij dient gekeken te worden naar het zo efficiënt mogelijk omgaan met de beschikbare ruimte. Met betrekking tot bedrijventerreinen wordt de redeneerlijn ‘behoefte-bestaand-uitbreiding-nieuw’ gehanteerd. Dit betekent dat eerst de behoefte aangetoond dient te worden. Hierna dient eerst gekeken te worden naar (her)gebruik van bestaande terreinen. Indien blijkt dat (her)gebruik van bestaande terreinen niet volstaat kan gekeken worden naar het ontwikkelen van nieuwe terreinen aansluitend aan bestaande werklocaties. Als laatste mogelijk is er dan nog het ontwikkelen van andere buitenstedelijke locaties, mits goed gemotiveerd.

De provincie heeft de ambitie om ook in de toekomst te beschikken over genoeg werklocaties en goede ontwikkelruimte voor bestaande en nieuwe bedrijven. Daarbij wil de provincie zo efficiënt mogelijk omgaan met het ruimtebeslag. De provincie richt zich met name op compacte werklocaties om ruimtegebruik en landschappelijke inpassing te optimaliseren. Het initiatief behelst het uitbreiden van het bestaand bedrijfsterrein van het hoveniersbedrijf zodat het bedrijf zich op lange termijn kan blijven ontwikkelen. De behoefte aan deze uitbreiding is aangetoond (zie hiervoor de ladder voor duurzame verstedelijking, paragraaf 4.1.3). Daarbij is gezocht naar de meest passende plek voor deze uitbreiding. Zoals blijkt uit paragraaf 3.1 zijn andere locaties daarbij niet mogelijk of passend gebleken. Uitbreiding op de huidige plek is daarom de enige optie. Uitbreiding van het bedrijfsterrein is in dat geval uitsluitend mogelijk in noordelijke richting. De beoogde uitbreidingsgronden zijn thans bebouwd met een kas. In het kader van de uitbreiding van het hoveniersbedrijf zal het volledige glastuinbouwbedrijf worden gesaneerd. Zodoende is er geen sprake van nieuw ruimtebeslag, alleen van een andere invulling van een reeds bebouwde locatie. Daarnaast wordt met het initiatief een compacte werklocatie gerealiseerd.

De locatie waar de uitbreiding is beoogd sluit aan op de bestaande locatie van het hoveniersbedrijf waardoor sprake is van één compacte bedrijfslocatie. Dit wordt versterkt door het aansluiten van de uitbreiding aan het naastgelegen tuincentrum. Beide bedrijven kunnen naast elkaar gemakkelijk samenwerken en synergievoordelen behalen. Ten slotte gaat de uitbreiding gepaard met een flinke dosis (nieuw) groen, dit niet alleen om de uitbreiding op een goede wijze te integreren in het landschap, maar juist ook om het groene en duurzame karakter van het bedrijf te laten zien. Het initiatief voldoet daarmee aan de provinciale beleidskaders, zoals gesteld in het POVI. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Op het moment van aanvragen gold de Omgevingsverordening Limburg 2014 nog. De omgevingsverordening bevat de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019.

De volgende regels uit de omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Bronsgroene landschapszone.

Vastgesteld

29

In artikel 2.4.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Zoals in paragraaf 4.2.5 van onderhavige toelichting is vermeld, is de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg inmiddels vervangen door de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Onderhavig initiatief voorziet niet in het toevoegen van een woning maar (mede) in het omzetten van een bedrijfswoning naar burgerwoning. Derhalve voldoet het initiatief aan de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Ook voldoet het initiatief aan het beleid van de gemeente Peel en Maas. Zie hiervoor paragraaf 4.2.5 en 4.3.3. 4.2.3 Omgevingsverordening Limburg In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Op dit moment geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014.

Met de komst van de Omgevingswet (inwerkingtreding: 1 januari 2024) is een nieuwe omgevingsverordening nodig die de huidige omgevingsverordening gaat vervangen. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. Hierna is het initiatief wel alvast getoetst aan de nieuwe omgevingsverordening, daarbij de regels uit de Omgevingsverordening 2014 in acht nemende. De volgende regels uit de Omgevingsverordening Limburg zijn in dit geval van toepassing: ▪ Groenblauwe mantel; ▪ Beekdal; Een van de wijzigingen in de Omgevingsverordening Limburg ten opzichte van de Omgevingsverordening 2014 betreft het samenvoegen van de zilvergroene en bronsgroene landschapszone tot de groenblauwe mantel. De regels voor beide typen gebieden komen sterk overeen, net als het feitelijke gebruik. Het plangebied is aangeduid als ‘groenblauwe mantel’. Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen vormen samen de groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden. Dergelijke stad-landzones vormen samen een soort mantel tussen en bij het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar we goede combinatiemogelijkheden zien voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen.

Binnen dit gebiedstype ligt de focus op het versterken van het klimaatadaptieve karakter, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen de groenblauwe mantel geldt een motiveringsplicht om aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteit in de betreffende gebieden wordt omgegaan. De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed, het reliëf en de ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdalen. Deze zijn aangeduid in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg. Zie voor de toets aan het landschapskader de volgende paragraaf. 4.2.4 Landschapskader Noord- en Midden-Limburg Op kaart 4 van het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg worden de verschillende landschapstypen ruimtelijk geduid en in hoofdstuk 4 worden de kernkwaliteiten groene karakter (landschapsecologie/natuurlijk), visueel-ruimtelijke karakter, cultuurhistorisch erfgoed en reliëf van de diverse landschapstypen beschreven. Tevens wordt per landschapstype Vastgesteld

30

inspiratie gegeven voor een gewenste ontwikkelingsrichting. Bij de beschrijving van de verschillende landschapstypen wordt min of meer uitgegaan van het ideaaltype. In werkelijkheid zullen uitzonderingen voorkomen die met aanvullend (veld)onderzoek uitgewerkt kunnen worden. De kernkwaliteit cultuurhistorisch erfgoed heeft in het Landschapskader vooral betrekking op historische geografie. Daarom zijn voor deze kernkwaliteit een aantal generieke aspecten toegevoegd. Omdat de kernkwaliteit reliëf in het Landschapskader niet altijd specifiek uitgewerkt is, is een aantal generieke aspecten toegevoegd. De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de groenblauwe mantel, bevat een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd.

Afbeelding 18. Uitsnede landschapskader Noord- en Midden-Limburg met uitbreidingsgronden hoveniersbedrijf rood omlijnd en functiewijziging woning geel omlijnd

Blijkens de bij het Landschapskader behorende kaart wordt het landschap ter plaatse van het plangebied voor het grootste deel aangeduid als ‘Beekdal’ en voor een klein deel aangeduid als ‘Kampen en oude graslanden’. Beekdal Binnen de beekdalen bestaat een grote differentiatie van allerlei typen beken (beken met nog een natuurlijke loop, rechtgetrokken beken, aangelegd in moeraszones, in Maasmeanders etc.). Daarnaast kan per beek nog een bovenloop, middenloop en ene benedenloop onderscheiden worden. Belangrijker echter dan al deze verschillen zijn de overeenkomsten tussen de verschillende beken in Noord- en Midden-Limburg. Dit is de bijzondere structurerende werking, met name binnen de dekzandgebieden tussen de Peel en Maas. Hier liepen en lopen de belangrijkste watergangen met de bijbehorende afzettingen. Deze watergangen spelen een belangrijke rol bij de waterhuishouding van het gebied. Dit zijn dan ook de uitgelezen plekken om de verdrogingsproblematiek (deels) op te lossen door hier water vast te houden en vertraagd af te voeren.

Vastgesteld

31

De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol. Binnen het beekdal wordt voornamelijk gericht op het ontwikkelen van de beekdalen tot herkenbare, structurerende elementen in het landschap. Er wordt dan voornamelijk ingezet op natuurontwikkeling (in de vorm van ruigten, EikenEssenbos of Elzenbos) en het ontwikkelen van lineaire landschapselementen loodrecht op de beek, beek begeleidende beplanting en de aanleg van poelen en bosjes. Bebouwing is het beekdal is niet wenselijk en moet zo mogelijk worden verwijderd. Kampen De kampontginningen zijn ontstaan door individuele boeren die zich op een geschikte plek vestigden en vervolgens de plek hebben ontgonnen. Deze manier van ontginnen vond plaats gedeeltelijk tegelijk met, en gedeeltelijk na het ontstaan van de velden.

Qua patroon en bodemeigenschappen lijken deze gebieden dan ook sterk op de velden (bochtige wegen en relatief dikke eerdgronden). Het belangrijkste verschil waren de schaal en maat. De kampen zijn, uitzonderingen daargelaten, veel kleinschaliger. De percelen werden in het verleden omgeven door houtwallen om het vee buiten de akkers te houden. Op dit moment zijn de karakteristieke ruimtelijke kenmerken niet altijd meer prominent aanwezig. Dit is het gevolg van ruilverkavelingen of het kappen van de aanwezige houtwallen. Het bodempatroon is nog wel aanwezig. De kampen kenmerken zich door de kleinschaligheid. De schaal en maat van het kampenlandschap lopen in schaal en maat sterk uiteen van kleine kampjes door kleine keuterboeren tot de schaal en maat van een klein landgoed. Binnen de kampen wordt voornamelijk gericht op de karakteristiek van het cultuurhistorisch waardevolle landschapstype te behouden, versterken en herstellen. Het versterken van het schaalverschil met de (grootschaligere) velden kan door middel van de aanplant van houtwallen. De houtwallen dienen bij voorkeur op de perceelsrand te worden aangeplant. Daarnaast kunnen lineaire landschapselementen (zoals singels, lanen en kruidenrijke stroken) worden toegevoegd. Indien het landschapstype niet meer herkenbaar is kan de ontwikkeling van het landschap aansluiten bij dat van een jong ontginningslandschap.

Uitbreiding hoveniersbedrijf Het voornemen bestaat om het hoveniersbedrijf uit te breiden. De uitbreiding is beoogd binnen het gebied dat is aangewezen als ‘Beekdal’. Binnen dit landschapstype is het in principe niet wenselijk om nieuwe bebouwing te realiseren. In het verleden maakte de beoogde uitbreidingsgronden inderdaad onderdeel uit van een beekdal. Dit beekdal behoort toe tot de Everlose beek. De natuurlijke loop van de Everlose beek die ooit door het beekdal meanderde is er niet meer. In de eerste helft van de 19e eeuw was het de bedoeling de Noordervaart door te trekken tot in Venlo (Grand Canal du Nord). Hiervoor is toen een groot deel van de Everlose beek gekanaliseerd, zo ook bij Maasbree. Het beekdal van de Everlose beek betreft daarom thans een beekdal met een kanaal. Het kanaal betreft eigenlijk een onvoltooid cultuurhistorisch object met natuur- en landschapswaarden die niet meer echt leesbaar zijn. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Hiervan is in dit geval zeker geen sprake; de beoogde uitbreidingsgronden worden juist aan alle zijden omringd door bebouwing, er is thans zelfs sprake van bebouwing op de beoogde uitbreidingsgronden in de vorm van een kas.

De kenmerkende kleinschaligheid voor een beekdal wordt op deze plek daarom niet gecreëerd door landschapselementen, maar juist door de bebouwing. Ook in het Landschapskader is deze plek juist aangewezen als ‘besloten gebied’ door de versnippering en hoeveelheid aan bebouwing.

Vastgesteld

32

Het realiseren van de uitbreiding is gezien het bovenstaande toch passend binnen het beekdal omdat het aansluit bij de karakteristiek van de omgeving die zich kenmerkt door de aanwezigheid van meer bebouwing. Bij een ontwikkeling in de groenblauwe mantel moet het landschap er in ieder geval op vooruit gaan. Met het initiatief wordt meer bebouwing ingeleverd (1.475 m2) of gesloopt (circa 6.385 m2) dan opnieuw wordt opgericht (4.000 m2) wat zorgt voor een ontstening c.q. ontglazing van het landschap. Daarnaast wordt met de nieuw aan te brengen landschappelijke kwaliteiten rekening gehouden met de versterking van het beekdal (zie paragraaf 3.5). Functiewijziging woning Oude Heldenseweg 5 Het voornemen bestaat daarnaast om een agrarische bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. De beoogde ontwikkeling tast de landschapskarakteristiek van de hierboven beschreven landschapstypes niet aan, doordat slechts sprake is van een functiewijziging. Na sloop van de kassen (circa 6.350 m2) resteren alleen de woning en het bijgebouw. 4.2.5 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Peel en Maas heeft samen met de andere gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt.

In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke woonvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Peel en Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 156 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Peel en Maas de gestelde opgave heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren.

Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.

Onderhavig initiatief voorziet niet in het toevoegen van woningen, maar in een functiewijziging van een reeds bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Volgens de Regionale Woonvisie is aansluiting op de vraag van de consument Vastgesteld

33

noodzakelijk (de marktvraag). Onderhavig initiatief voorziet in de ‘eigen’ behoefte van de de huidige bewoners. Het initiatief is daarom in overeenstemming met de Regionale Woonvisie.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Peel en Maas De gemeente Peel en Maas heeft op 5 juli 2022 de Omgevingsvisie Peel en Maas vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft een visie over de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen voor de gehele gemeente. De visie gaat voer de woon- en leefomgeving en de mensen die daarin samenleven, werken, ondernemen en verblijven. De omgevingsvisie blijft een dynamisch document. Op dit moment is de eerste versie van de omgevingsvisie opgesteld, met het bestaande beleid als uitgangspunt. De komende jaren werkt de gemeente verder waar dat nodig is en evalueert of aanpassing nodig of wenselijk is. In 2017 en 2018 heeft de gemeente Peel en Maas in totaal vier kaderstellingen vastgesteld. Deze kaderstellingen legden de richting van het gemeentelijk handelen vast voor de jaren na vaststelling, maar elk vanuit een eigen domein en sector. De volgende kaderstellingen waren aan de orde: ▪ ruimte en economie ▪ sociaal domein en vitale gemeenschappen ▪ integrale veiligheid ▪ bestuur, communicatie en dienstverlening In ieder van deze kaderstellingen is er aandacht voor de fysieke leefomgeving als gemeenschappelijke deler. Want ze gaan wat er zich buiten allemaal afspeelt en hoe de gemeente daar mee wil omgaan. De omgevingsvisie brengt de ambities uit de kaderstellingen samen voor wat betreft de fysieke leefomgeving en concretiseert die op een aantal terreinen ook.

De kaderstellingen blijven bovenliggend aan de omgevingsvisie bestaan. In de omgevingsvisie wordt dus geen nieuwe koers vastgelegd. De reeds ingezette koers uit de kaderstellingen en de beleidsdocumenten wordt samen in één document gevoegd. Dit alles is samengebracht in zes opgaven van beleid, waarvan de eerste drie overkoepelend zijn: 1. Zo worden we duurzamer; Het realiseren van een duurzame toekomstig bestendige gemeente, duurzaamheid wordt opgesplitst in de deelonderwerpen: klimaatadaptie, energietransitie en circulariteit. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling en bij nieuwe initiatieven dient gekeken te worden naar de mogelijke adaptieve maatregelen op het gebied van onder andere hittestress of wateroverlast. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het (lokaal) opwekken van duurzame energie en het inzetten op circulariteit. 2. Een gezonde en veilige leefomgeving; De gemeente zet in op gezondheid en veiligheid als belangrijke afwegingsfactoren bij ruimtelijke plannen. Het gaat hierbij om aspecten zoals luchtkwaliteit, hittestress, gezondheid maar ook het stimuleren van de bewoners tot meer bewegen en ontmoeten. 3. Het versterken van natuur en biodiversiteit; Een groene en gezonde leefomgeving draagt bij aan een positieve gezondheid en het goede leven.

Ruimtelijke ontwikkelingen dienen gerealiseerd te worden met een meerwaarde voor de natuur en de biodiversiteit, waarbij natuurinclusief bouwen de norm is. 4. Goed wonen voor iedereen; De gemeente zet in op het in balans brengen van de vraag en het aanbod van woningen ten behoeve van vitale gemeenschappen. De juiste woning op de juiste plek en met de juiste kwaliteit. De gemeente blijft in gesprek met het dorpsoverleg, initiatiefnemers en ontwikkelaars over het thema wonen. Het doel is een leefomgeving te creëren die rekening houdt met het veranderde klimaat en daarnaast bijdraagt aan de gezondheid, biodiversiteit en veiligheid van de inwoners. Woningen worden in principe toegevoegd in de kernen, bij voorkeur op herstructureringslocaties, alsmede het faciliteren van passende woonruimte voor diverse doelgroepen. 5. Toekomstgericht ondernemen; Uitgangspunt is ondersteunen in de transitie naar een circulaire, waarden gedreven economie en kenniscirculatie. Een toekomstbestendige economie zorgt voor welvaart en draagt bij het goede leven in Peel en Maas. Gemeente faciliteert lokale bedrijven, die geworteld zijn in de samenleving, met bijzondere aandacht

Vastgesteld

34

6.

voor de agrarische sector, het MKB en recreatie en toerisme. Daarnaast wordt ingezet op herstructurering boven uitbreiding en het hergebruik van leegstaand agrarisch vastgoed voor recreatie/toerisme en bedrijvigheid. Balans in het buitengebied; een van de belangrijkste economische dragers van het buitengebied is de land- en tuinbouw binnen Peel en Maas. De gemeente stimuleert het faciliteren van kringloop- en natuurinclusieve landbouw dat leidt tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Het doorontwikkelingen van grootschalige agrarische bedrijvigheid is toegestaan in gebieden waar dit passend in op basis van een gebiedsgerichte aanpak, uitbreiding gaat gepaard met een tegenprestatie. Ook wordt gestimuleerd op hergebruik c.q. herbestemming van leegstaand / leegkomend agrarisch vastgoed onder voorwaarde dat er sprake is van kwaliteitswinst in de vorm van een bijdrage aan de doelen/speerpunten. Via de win-win regeling zijn er ook beperkte mogelijkheden voor de inzet van woningbouw om leegstand tegen te gaan. Bij hergebruik c.q. herbestemming is de sloop van overtollige gebouwen een belangrijk uitgangspunt.

De opgaven dienen in samenhang van elkaar gezien te worden, waarbij met name de eerste drie overkoepelende opgaven als leidende principes gelden. Bij elke ontwikkeling dient bekeken te worden hoe een bijdrage aan deze drie opgaves geleverd kan worden. De uitbreiding van het hoveniersbedrijf voldoet aan de drie eerste overkoepelende opgaven. Door het zwaartepunt van het hoveniersbedrijf te verleggen naar de zijde van de Kanaalweg wordt het bedrijf duurzamer (nieuw bedrijfsgebouw, betere ontsluiting, optimale interne infrastructuur), wat weer bijdraagt aan een gezonde en veilige leefomgeving en wordt door het natuurinclusief bouwen en de landschappelijke inpassing natuur versterkt wat bijdraagt aan de biodiversiteit. De gehele gemeente is daarnaast opgedeeld in deelgebieden met ieder hun eigen waarden en kenmerken. Aanvullend aan deze waarden hanteert de gemeente een aantal overkoepelende waarden die niet gebiedsafhankelijk zijn. Dit zijn de waarden die de basis vormen; zelfsturing, diversiteit en duurzaamheid. Conform de waardenkaart is een deel van het plangebied gelegen in ‘beekdalen en rivierdal’ en voor een deel gelegen in ‘kleinschalige half open ontginningslandschap’.

Beekdalen en rivierdal De beken zijn belangrijk voor de ruimtelijke structuur van het gebied, maar door ontginning, ontwatering en egalisering zijn de beken echter niet altijd even herkenbaar meer in het landschap aanwezig. Laag in het beekdal ligt grasland en hogerop liggen akkers en bosschages. Het beekdal kenmerkt zich door de kleinschalige verkaveling, loodrecht op de beken. De eerste nederzettingen in dit gebied zijn gelegen op de randen van de beekdalen. Het versterken van de waarden kan gezocht worden in onder andere: ▪ Stimuleer (extensieve) grondgebonden landbouw als mede-drager van het aanwezige landschap. ▪ Versterk de openheid en verminder de hoeveelheid bebouwing in het beekdal (maak versteende gebieden open door sanering van glas). ▪ Versterk waar mogelijk de natuurlijke dynamiek (hoge en lage waterstanden, meandering, natuurvriendelijke oevers) in het beekdal. ▪ Maak de randen van het beekdal herkenbaar met beplanting en maak de beek (weer) zichtbaar. ▪ Draag bij aan ontbrekende schakels in het wandel- en fietsnetwerk door de rivier- en beekdalen en maak het landschap beleefbaar. Kleinschalige half open ontginningslandschap Het kleinschalige half open ontginningslandschap kenmerkt zich door de afwisseling tussen weiden, akkers, bos en heideterreinen met daar doorheen (onverharde) paden.

De halfopen ontginningslandschappen kenmerken zich met name door de kleinschalige bebouwing die hier zijn gelegen met name ten noorden van Meijel en ten zuiden van Maasbree.

Vastgesteld

35

Het versterken van de waarden kan gezocht worden in onder andere: ▪ Stimuleer agrotoerisme (o.a. op bezoek bij de boer) en verbrede landbouw (o.a. zorgboerderijen) en extensieve recreatie. ▪ Versterken van de biodiversiteit door variatie aan beplanting en de kwaliteit van bos en bosschages door te werken met divers sortiment, houtwallen en boomsingels en solitaire bomen. ▪ Maak ecologische oevers langs sloten en beken, ▪ Maak natte plekken in relatief lage gebieden, behoud extensieve (natte) weilanden. ▪ Ontwikkel en versterk het wandelpaden- en fietspadennetwerk. Repareer ontbrekende schakels in het netwerk. ▪ Behoud waardevolle doorzichten. Koester hiervoor ook open velden in bosrijk gebied. 4.3.2 Kwaliteitskader De omgevingsvisie blijft een dynamisch document. Op dit moment is de eerste versie van de omgevingsvisie opgesteld, met het bestaande beleid als uitgangspunt. Momenteel is de gemeente bezig met een nieuwe versie van de Omgevingsvisie, hierin zal de kwaliteitsbijdrage zoals nu vastlegt in het Kwaliteitskader ook een plaats krijgen. Tot op dat moment is het kwaliteitskader nog van toepassing. Het kwaliteitskader is de gemeentelijke vertaling van het Limburgs Kwaliteitsmenu. Het kwaliteitskader biedt een houvast voor ontwikkelingsgericht beleid in het buitengebied. Ontwikkelingen in het buitengebied worden als kans gezien voor zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit.

Het doel van het kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Bij kwaliteitsverbetering wordt onderscheid gemaakt in Basiskwaliteit (geldt altijd bij ontwikkelingen), daar bovenop Basiskwaliteit Plus of Aanvullende Kwaliteitsverbetering. Bij iedere ontwikkeling binnen het bestaande bouwvlak en bij uitbreiding van het bouwvlak tot de referentiemaat in een agrarisch gebied zonder waarden, is Basiskwaliteit van toepassing. Ook bij functiewijziging van een gebouw zoals de vestiging van een kleinschalige logeerinrichting of huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestaande bebouwing is er sprake van Basiskwaliteit. Basiskwaliteit wil zeggen dat de nieuwe bebouwing of functie goed ingepast moet worden. Als basis voor de omvang van de inpassing geldt dat er sprake moet zijn van een oppervlakte “landschappelijke inpassing” of ander groen/natuur dat overeenkomt met 10% van de oppervlakte van het deel van het bouwvlak waar de nieuwe bebouwing en erf komt. Bij ontwikkelingen waar sprake is van een uitbreiding van het bouwvlak in een gebied met waarden, of uitbreiding van een bouwvlak – al dan niet bestemmingsvlak – boven de referentiemaat, is sprake van basiskwaliteit plus. In deze gevallen is er tevens sprake van aanvullende kwaliteit.

In de volgende gevallen is, naast de basiskwaliteit, ook sprake van een aanvullende kwaliteitsverbetering: a. Nieuwvestiging; b. Uitbreiding bouwvlak – al dan niet bestemmingsvlak – in een gebied met waarden (Beek- en Rivierdal, Bos- en natuurgebied, Grootschalig open veenontginningslandschap en Bolle Akkers); c. Bij uitbreiding van het bouwvlak – al dan niet bestemmingsvlak – boven de referentiemaat; d. Bij uitbreiding van niet-gebiedseigen recreatie bedrijven; e. Nieuwvestiging en uitbreiding van niet-gebiedseigen recreatieve bedrijven; f. Uitbreiding solitaire burgerwoning of bedrijfswoning boven 1.000 m3; g. Vestiging van een (niet) agrarisch verwant bedrijf in een VAB. Uitbreiding hoveniersbedrijf Onderhavig initiatief voorziet in het uitbreiden van een hoveniersbedrijf. Het plangebied is volgens de omgevingsvisie gelegen in de zone ‘Beek- en Rivierdal’ en in de zone ‘kleinschalig half open ontginningslandschap’. In het kwaliteitskader is opgenomen dat bij de uitbreiding van een bouw- of bestemmingsvlak in een gebied met waarden (in dit geval in het beeken rivierdal), sprake moet zijn van Aanvullende Kwaliteit (minimaal 2,5x de omvang van de helft aan Basiskwaliteit). Vastgesteld

36

Het hoveniersbedrijf beschikt thans over een bedrijfsterrein met een oppervlakte van 2,83 ha. Door de uitbreiding neemt het bedrijfsterrein in omvang toe tot een oppervlakte van 4,46 ha. Hiervan geldt dat 10% ingepast moet worden in het kader van Basiskwaliteit, te weten 4.460 m2. De omvang van de Aanvullende Kwaliteit bedraagt 2,5 * (4.460 / 2) = 5.575 m2. Dit kan dus extra groen zijn met die oppervlakte of dit kan in fysieke maatregelen worden geïnvesteerd. In dat geval dient de waarde van deze investering € 6,= per m2 niet te realiseren groen te zijn. In dit geval (blijkens paragraaf 3.6) wordt er 6.680 m2 aan groen gerealiseerd. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de eis van de Basiskwaliteit. De resterende oppervlakte 2.220 m2 wordt ingezet als Aanvullende Kwaliteit. Er ontbreekt dan nog een oppervlakte aan groen voor Aanvullende Kwaliteit van 3.355 m2. Daarom wordt als extra Aanvullende Kwaliteit de te realiseren siertuin op het terrein aangedragen. Oppervlakte van de siertuin bedraagt 6.135 m2. De vereiste hoeveelheid groen wordt dus ruimschoots gehaald. Er wordt voldaan aan het kwaliteitskader. Functiewijziging woning Oude Heldenseweg 5 Het initiatief voorziet daarnaast in het omzetten van een bedrijfswoning naar burgerwoning. Het bestemmingsvlak van de woning heeft een oppervlakte van 5.555 m².

Dit betekent dat er ten minste 556 m2 aan groen zal moeten worden gerealiseerd. Bij de woning (blijkens paragraaf 3.6) wordt er 556 m2 aan groen gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de eis uit het kwaliteitskader. 4.3.3 Kaderstelling Ruimte en Economie In november 2017 is de notitie ‘Waardenoriëntatie en kaderstelling’ voor de thema’s Ruimte en Economie vastgesteld. De gemeente Peel en Maas wil bijdragen aan het goede leven binnen de gemeente. Bij alles wat de gemeente doet is een drietal kernwaarden leidend, namelijk zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken. De economische crisis heeft partijen (overheid, ondernemers, inwoners) geleerd naar mogelijkheden te zoeken. Het denken en doen niet te laten bepalen door automatismen en belemmerende regels, niet te stoppen bij overheidssturing maar juist mee te werken in interactie en in partnership. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heeft in dat verband een faciliterende rol.

Middels expertgesprekken zijn richtinggevende waarden gedestilleerd: ▪ van Individueel naar Samen; ▪ van Omgevingskwantiteit naar Omgevingskwaliteit; ▪ van Lineair naar Circulair; ▪ van Gesloten naar Open; ▪ van Consumeren naar Beleven; ▪ van beheersen naar ruimte geven en vertrouwen; ▪ van overheidssturing naar omgevingssturing. Per ‘waarde’ zijn omgevingsdoelen vastgesteld om de waarden inhoud te geven. De waarden en bijbehorende omgevingsdoelen bepalen de richting voor de toekomstige Omgevingsvisie en geven tevens inhoud voor de programmadoelen van de gemeentelijke begroting. Voor het thema Ruimte betreft het dan de programma’s 1.1 ‘Vitale leefomgeving’ en 1.2 ‘Beheer fysieke leefomgeving’. Uitbreiding hoveniersbedrijf Voor de uitbreiding van het hoveniersbedrijf is binnen het thema ruimte het navolgende programmadoel relevant: Bedrijvigheid in balans met omgeving ▪ De gemeente zorgt voor verbindingen en balans tussen economische en ruimtelijke waarden. De gemeente Peel en Maas biedt ruimte voor ontwikkeling van functies zonder ruimtelijke kwaliteiten uit het oog te verliezen. De gemeente biedt ruimte voor ontwikkeling waarbij rekening wordt gehouden met bestaande ruimtelijke Vastgesteld

37

kwaliteiten maar ook aspecten als veiligheid en milieu. Daarbij zorgt de gemeente voor verbindingen en balans tussen de verschillende functies en sluiten we aan bij lange termijn doelen en ambities. Kwaliteiten staan hierbij centraal in plaats van het automatisch scheiden van functies. Dit werkt de gemeente gebiedsgericht uit in de Omgevingsvisie.

▪

De gemeente heeft oog voor de transitie in het landelijk gebied. Agrarische bedrijvigheid en recreatie en toerisme zijn de belangrijkste dragers van het landelijk gebied. Als gevolg van onder andere schaalvergroting, de verwachting dat veel agrarische bedrijven gaan stoppen en klimaatverandering doet zich een aantal veranderingen voor in het landelijk gebied. Dit biedt kansen en uitdagingen. De gemeente verbindt waar het kan en scheidt waar het moet.

De gemeente ondersteunt de transitie naar een footprintloze landbouw door de kwetsbare landschappen te beschermen, maar ook nieuwe karaktervolle productielandschappen te ontwikkelen. De gemeente schept daarnaast ruimte voor water en energie en versterkt het toeristisch potentieel van het landschap. De gemeente werkt in regionaal verband en met de P10-gemeenten samen aan een duurzaam sterk landelijk gebied. Dit wordt verder uitgewerkt in de Omgevingsvisie. Doorwerking plangebied De gemeente Peel en Maas geeft in de notitie aan dat de gemeente ruimte biedt voor ontwikkelingen waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande ruimtelijke kwaliteiten en met veiligheid en milieu. Het initiatief heeft betrekking op de uitbreiding van een bestaand hoveniersbedrijf. De gronden waarop de uitbreiding is beoogd zijn momenteel deels bebouwd met een kas, welke in het kader van de beoogde uitbreiding volledig wordt gesloopt. Er is sprake van een kwaliteitswinst doordat meer bebouwing wordt gesloopt en wordt ingeleverd dan wordt gerealiseerd en doordat de locatie landschappelijk wordt ingepast waardoor de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving worden versterkt. In de kaderstelling ruimte en economie heeft de gemeente o.a.

als doelstelling opgenomen om lokale bedrijven te faciliteren die geworteld zijn in de samenleving en om samen met ondernemers te werken aan de kwaliteit van de werklocaties. Daarnaast heeft de gemeente oog voor de ruimtelijke kwaliteit en proberen ze te zorgen voor verbinding en balans tussen economische en ruimtelijke waarden. Daar draagt dit initiatief aan bij. Door het saneren van het glastuinbouwbedrijf, het versterken van de aanwezige groenstructuren, het verbeteren van de verkeersstromen en de aandacht voor klimaatadaptatie en duurzaamheid, kan het initiatief een positieve bijdrage leveren voor Maasbree. Functiewijziging woning Oude Heldenseweg 5 Voor de bedrijfswoning aan de Oude Heldenseweg 5 is binnen het thema ruimte het navolgende programmadoel relevant: Wonen duurzaam in balans ▪ De juiste woning De gemeente heeft op termijn te maken met demografische veranderingen en wel zodanig dat er sprake is van afname en veranderende samenstelling van de bevolking (vergrijzing) en daarmee veranderende samenstelling van de woningvoorraad. Dit heet rechtstreeks gevolgen voor de vitaliteit en leefbaarheid van de kernen. Om vitaliteit en leefbaarheid van de kernen te behouden is het zaak om samen met de samenleving het woningbestand toekomstgericht duurzaam in balans te brengen.

De gemeente staat voor een duurzaam woningbestand waarin zij op een voorwaarde scheppende manier kwalitatief zorgen voor een passend woonaanbod voor iedereen en daarmee de leefbaarheid van onze dorpen op peil houden. Kernwoorden hierbij zijn dorps, levensloopbestendig en duurzaam. De grootste opgave ligt in de bestaande voorraad. Zowel in de huur als de koopsector zijn er kwalitatief slechtere woningen in de voorraad, die niet meer voldoen aan de huidige eisen voor wat betreft bijvoorbeeld duurzaamheid en levensloopbestendigheid. Om, gelet op de demografische ontwikkelingen, in te spelen op de vraag van morgen faciliteren wij initiatieven die gericht zijn op herstructurering/verdunning van de bestaande voorraad. De gemeente laat de nieuwbouw hier op aansluiten met het oog op het juiste type woning van de juiste kwaliteit op de juiste plek. Het eigenaarschap voor verduurzaming en levensloopbestendig maken van de woning ligt in eerste instantie bij de particuliere eigenaar / woningcorporatie. De gemeente stimuleert het (ver)bouwen van levensloopbestendige en duurzame woningen. Vastgesteld

38

▪

De gemeente bouwt op de juiste plek: op duurzame locaties. Om de leefbaarheid en vitaliteit in de kernen te behouden bouwt de gemeente op de juiste plek: op duurzame locaties; die de identiteit van de dorpen en het landschap behouden en versterken; die uitgaan van hergebruik boven uitbreiding en nieuwvestiging; op gezonde locaties die de waarden van groen, natuur en landschap respecteren.

Doorwerking plangebied Met onderhavig initiatief wordt een bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De gemeente stuurt op hergebruik van bestaande bebouwing, daar dit een positieve bijdrage levert aan vitale gemeenschappen. Hergebruik gaat daarbij boven uitbreiding en nieuwvesting. Het initiatief sluit aan bij het hergebruiken van een bestaande woning en draagt bij aan de vitaliteit van Maasbree. Het hergebruik van de voormalige agrarische bedrijfswoning en het herbestemmen van deze locatie tot ‘Wonen’ sluit aan bij de Kaderstelling Ruimte en Economie van de gemeente Peel en Maas. 4.3.4 Beleidsnota Retail De Beleidsnota Retail biedt aanknopingspunten voor uitbreiding op deze locatie door de ligging naast GroenRijk Maasbree. Clustering van goed ontsloten PDV-locaties is hier mogelijk. De locatie is via de provinciale weg en de Kanaalweg uitstekend ontsloten (net zoals het tuincentrum) en door de clustering van beide bedrijven kunnen synergievoordelen gehaald worden.

Vastgesteld

39

5 RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN Met de uitbreiding van het hoveniersbedrijf en de daarmee gepaard gaande functiewijziging van de woning Oude Heldenseweg 5 dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieuaspecten

5.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Uitbreiding hoveniersbedrijf Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek2 volgt het volgende: Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek (NEN 5725) wordt geconcludeerd dat deellocatie A (akkerland) als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is. Conform het meersporenbeleid van de gemeente Peel en Maas is de onverdachte locatie niet aanvullend onderzocht. Ten aanzien van de (voormalige) tuinderskassen wordt geconcludeerd dat de hypothese 'verdachte locatie' stand houdt. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met cadmium, lood zink en OCB aangetoond. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met PCB aangetoond. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium, nikkel en minerale olie aangetoond.

Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen (waaronder barium en nikkel) in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreinigingen in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. Ter plaatse van de eerder aangetroffen sterke verontreiniging in het grondwater bij het ketelhuis is in de huidige situatie nog ten hoogste een lichte verontreiniging met minerale olie aangetoond. De sterke verontreiniging wordt hiermee niet bevestigd. Er dient derhalve geen nader bodemonderzoek naar de aard, mate en omvang van de (voormalige) grondwaterverontreiniging meer te worden uitgevoerd. Uit de analyseresultaten blijkt dat ter plaatse van enkele proefgaten asbest in de fijne fractie (<20mm) wordt aangetroffen. Het gehalte asbest wat is aangetoond blijft echter ruimschoots onder de geldende normen (interventie- en grenswaarde). In de grove fractie (>20 mm) is geen asbest aangetoond. Vanwege het aantreffen van asbest in de fijne fractie blijft de hypothese ‘asbestverdachte locatie’ echter wel in stand. De vastgestelde milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader bodemonderzoek te adviseren.

2

HMB Groep, Historisch en verkennend bodemonderzoek (asbest) Kanaalweg (ong.) Maasbree, 25 mei 2023, kenmerk: 2323601A

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=af2f4076-80d5-4c49-aaff-ab1c39a6623e