2024-057 05 Toelichting
Tekst van het document
Er wordt een beschrijving gegeven van de huidige bedrijventerreinvoorraad (vertrekpunt) en hoe de regio Noord-Limburg wil omgaan met de bestaande bedrijventerreinen (herstructurering en uitgifte) en nieuwe bedrijventerreinen (planvorming en acquisitie). Wanneer gekeken wordt naar de ‘spelregels en werkwijze’ blijkt dat gemeenten gaan proberen de ruimtevraag voor bedrijventerreinen zoveel mogelijk te faciliteren door intensivering van de huidige bedrijventerreinen. Hierbij heeft intensivering op kavelniveau geen gevolgen voor het dynamisch voorraadbeheer, ook niet als de intensivering een kleine uitbreiding van de kavel vergt (max 10%). Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet in principe niet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad bedrijventerreinen, alsmede aan de bestaande planvoorraad bedrijventerreinen anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in het voormalige POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.
Hoofdstuk 3
31
Afweging Voorliggend initiatief voorziet in de uitbreiding van een reeds bestaande bedrijfslocatie. Er is dus geen sprake van een nieuwe locatie voor een bedrijventerrein, maar een uitbreiding van een bestaand bedrijf. Het planvoornemen voldoet daarmee aan de uitgangspunten van de regionale visie bedrijventerreinen Noord-Limburg. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de beleidsdoelen uit de Visie bedrijventerreinen Noord Limburg. In het kader van de (sub)regionale afstemming is de beoogde planvorming voorgelegd aan de Regiowerkgroep Economie (Regio Venlo). Op 14 mei 2018 is de planvorming besproken en afgestemd binnen de Regionale Werkgroep Economie (regio Venlo). Daarbij was de conclusie dat er geen bezwaren zijn tegen het afzien van saldering van bedrijventerreinen. Verdere afstemming behoeft dan ook niet plaats te vinden.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Kaderstelling Ruimte en Economie In november 2017 is de notitie ‘Waardenoriëntatie en kaderstelling’ voor de thema’s Ruimte en Economie vastgesteld. De gemeente Peel en Maas wil bijdragen aan een goed leven binnen de gemeente. Bij alles wat de gemeente doet is een drietal kernwaarden leidend, namelijk zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken. De crisis heeft partijen (overheid, ondernemers, inwoners) geleerd naar mogelijkheden te zoeken. Het denken en doen niet te laten bepalen door automatismen en belemmerende regels, niet te stoppen bij overheidssturing maar juist mee te werken in interactie en in partnership. De gemeenschap heeft behoefte aan ruimte om zelf initiatieven te ontwikkelen. De gemeente heeft in dat verband een faciliterende rol. Middels expertgesprekken zijn richtinggevende waarden gedestilleerd: Van Individueel naar Samen; van omgevingskwantiteit naar Omgevingskwaliteit; van Lineair naar Circulair; van Gesloten naar Open; van Consumeren naar Beleven; van beheersen naar ruimte geven en vertrouwen; van overheidssturing naar omgevingssturing.
Hoofdstuk 3
32
Per ‘waarde’ zijn omgevingsdoelen vastgesteld om de waarden inhoud te geven. De waarden en bijbehorende omgevingsdoelen bepalen de richting voor de toekomstige Omgevingsvisie en geven tevens inhoud voor de programmadoelen van de gemeentelijke begroting. Voor het thema Ruimte betreft het dan de programma’s 1.1 ‘Vitale leefomgeving’ en 1.2 ‘Beheer fysieke leefomgeving’. Voor de onderhavige ontwikkelingen zijn binnen het thema ruimte de navolgende programmadoelen relevant: Waarden en kwaliteiten Het goede wat er is moet worden gekoesterd en daarnaast moet ruimte worden geboden met het oog op overmorgen. Hierbij gelden de volgende algemene beleidsdoelstellingen: Ondersteun de beweging om de identiteit van de dorpen en de herkenbare historische landschappen te behouden en te versterken Benut bestaande bebouwing en stuur aan op hergebruik boven uitbreiding en nieuwvestiging en daar waar dit niet mogelijk is, dient zorg te worden gedragen voor hetgeen achterblijft Er dient op een duurzame, bewuste wijze om te worden gegaan met de fysieke leefomgeving waarbij de diversiteit daarvan wordt gekoesterd Tussen de verschillende functies en waarden dient een goede verbinding en balans te bestaan Bedrijvigheid in balans met omgeving Samen met de samenleving wordt gewerkt aan de beweging dat bedrijvigheid duurzaam in balans is met de omgeving.
In dat kader zijn een tweetal uitvoeringsafspraken gemaakt: Zorg voor een goede verbinding en balans tussen economische en ruimtelijke waarden. In het kader van de onderhavige ontwikkeling wordt voldoende ruimte geboden voor ontwikkeling van functies, zonder daarbij de ruimtelijke kwaliteiten uit het oog te verliezen. Door het mogelijk maken van het planvoornemen wordt ruimte geboden voor de uitbreiding van het reeds bestaande bedrijf en wordt rekening gehouden met bestaande ruimtelijke kwaliteiten, waaronder de aspecten veiligheid en milieu. De balans tussen de verschillende omliggende functies, waaronder wonen, bedrijf, groen, maatschappelijk en sport, wordt hiermee behouden, al dan niet verstrekt, en daarnaast wordt er op lange termijn aangesloten bij de doelen en ambities van de omgeving en het bedrijf. Hierdoor wordt onder meer de continuïteit van het bedrijf in de toekomst gewaarborgd. Oog voor de transitie in het landelijk gebied Agrarische bedrijvigheid en toerisme zijn de belangrijkste dragers van het landelijk gebied. Bij de onderhavige planontwikkeling is er voldoende oog geweest voor de transitie in het landelijk gebied. Als gevolg van onder andere schaalvergroting, de verwachting dat veel agrarische bedrijven gaan stoppen en door klimaatverandering doet zich een aantal veranderingen voor.
Dit biedt mede voor de onderhavige ontwikkeling de mogelijkheid om op een verantwoorde manier uit te breiden waarbij de transitie naar het landelijk gebied niet uit het oog wordt verloren. De uitbreiding van het bedrijf wordt volgens het planvoornemen ingepast in het omliggende landelijke karakter en er wordt voorzien in een juiste overgang van het bedrijf in combinatie met de verschillende omliggende gronden en functies.
Hoofdstuk 3
33
Hierbij wordt waar mogelijk verbonden en waar nodig gescheiden. Door de uitbreiding van het bedrijf wordt bijgedragen aan de realisering van een nieuw en karaktervol productielandschap. Onderhavig planvoornemen vindt voor een gedeelte plaats in het landelijk gebied. Hierdoor voorziet het planvoornemen voor een gewenste transitie in het landelijk gebied, die aansluit bij bovenstaande uitgangspunten op een locatie aangrenzend aan het bestaande bedrijventerrein. Afweging Het betreft hier de uitbreiding van een reeds bestaand bedrijf. Door middel van het onderhavig planvoornemen zal worden voorzien in een goede verbinding en -balans tussen economische- en ruimtelijke waarden. Daarnaast is er oog voor de transitie in het landelijk gebied. Het onderhavige initiatief voldoet dan ook aan de uitgangspunten van de kaderstelling Ruimte en Economie. De kaderstelling ruimte en economie vormt derhalve geen belemmering voor het beoogde planvoornemen. 3.4.2 Structuurvisie Kernen en Bedrijventerreinen Op 31 maart 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie kernen en bedrijventerreinen Peel en Maas vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het beleid voor de bebouwde kom van alle elf kernen en de bedrijventerreinen in Peel en Maas, met uitzondering van Klavertje 4.
In de structuurvisie zijn vier ruimtelijke hoofdkeuzes gemaakt, waarmee de gemeente gericht invulling wil geven aan haar identiteit als groene, dynamische plattelandsgemeente en rol binnen de regio. 1. Kleinschalige en diverse woonmilieus; 2. Herkenbare dorpen met 'eigen' voorzieningen; 3. Goede bereikbaarheid; 4. Innovatie en gebondenheid. Op de volgende pagina is een uitsnede van de analysekaart behorende bij de structuurvisie kernen en bedrijventerreinen opgenomen.
Hoofdstuk 3
34
Figuur 12. Uitsnede analysekaart behorende bij structuurvisie kernen en bedrijventerreinen met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
Conform de structuurvisie is het niet toegestaan om het huidige bedrijventerrein uit te breiden. In het vigerende bestemmingsplan is de beoogde uitbreidingslocatie bestemd als ‘Agrarisch’ en is er geen mogelijkheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Dit bestemmingsplan maakt deze ontwikkeling noch thans mogelijk. Afweging Gelet op het feit dat enkel sprake is van een uitbreiding van het reeds bestaande bedrijf, staat de bovenstaande structuurvisie deze ontwikkeling niet in de weg. 3.4.3 Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas In februari 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas vastgesteld en op 27 januari 2016 is de gewijzigde versie vastgesteld. In de Structuurvisie Buitengebied wordt het beleid dat ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas samengebracht. Voor een groot gedeelte betreft het bestaand beleid met enkele aanvullingen en uitwerkingen. De Struc-
Hoofdstuk 3
35
tuurvisie vormt de grondslag voor het toepassen van bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van ontwikkelingsplanologie. In de Structuurvisie Buitengebied zijn de volgende plannen opgenomen: Structuurplan Buitengebied 2008; Structuurvisie Intensieve Veehouderij en Glastuinbouw; Streefkwaliteiten Geur; Kwaliteitskader; Archeologiebeleid. Volgens het structuurplan is het plangebied voor een klein gedeelte gelegen binnen het gebiedstype ‘Oude verdichte bouwlanden’. De oude verdichte en besloten bouwlanden liggen voornamelijk rond de oudere kernen. Vanuit de gebiedstypologie landschapskader zijn deze gebieden betiteld als oude bouwlanden en oud grasland. Deze gronden behoren tot de vroegste ontginningen, waarbij mensen stukken land geschikt maakten voor landbouw. In de nabijheid van deze oude bouwlanden werden kleine nederzettingen gesticht. Deze nederzettingen zijn uitgegroeid tot de huidige kernen. De beleidsuitgangspunten voor dit gebiedstype zijn ruime toelating van verschillende economische functies, verdere menging van de functies wonen (ruimte-voor-ruimte), werken (nieuwe economische dragers, recreatie en toerisme) en (verbrede) landbouw met name in de linten en binnen de landbouw een ruime toelating van teeltondersteunende voorzieningen m.u.v. de open, bolle akkers.
Afweging De beoogde ontwikkeling wordt redelijkerwijs passend geacht binnen het gebiedstype ‘Oude verdichte bouwlanden’ en oefent geen negatieve invloed uit op de aanwezige kwaliteiten van het landschapstype. Onder paragraaf 2.3 wordt nader ingegaan op de landschappelijke inpassing en kwaliteitsbijdrage. 3.4.4 Omgevingsvisie Peel en Maas Op 5 juli 2022 heeft de gemeenteraad met het oog op de nieuwe Omgevingswet de ‘Omgevingsvisie Peel en Maas’ vastgesteld. De omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen over de fysieke leefomgeving voor de héle gemeente. De visie gaat over de woon- en leefomgeving en de mensen die daarin samenleven, werken, ondernemen en verblijven. Het gaat bijvoorbeeld over woningen, bedrijven, wegen, water, bodem en lucht. Maar ook landschap, natuur en cultureel erfgoed vallen eronder. Aan de hand van de omgevingsvisie beoordeelt de gemeente plannen en ideeën die niet passen in het bestemmingsplan/omgevingsplan. Omtrent bedrijvigheid heeft de gemeente de volgende richtinggevende uitspraken gedaan: 1. We faciliteren lokale bedrijven, die geworteld zijn in de samenleving, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, het MKB (industrie en retail) en recreatie en toerisme. Samen met ondernemers werken we aan de kwaliteit van de werklocaties.
Hoofdstuk 3
36
2. We zetten in op herstructurering boven uitbreiding. Als herstructurering onvoldoende mogelijkheden biedt, is uitbreiding van bestaande bedrijfsterreinen mogelijk. In de Omgevingsvisie is geen nieuwe koers vastgelegd. Er wordt vastgehouden aan de ingezette koers uit de bestaande kaderstellingen, zoals besproken in voorgaande paragrafen. Afweging De steenfabriek is van oudsher gevestigd in de gemeente Peel en Maas en daarmee geworteld in de samenleving. Middels onderhavige bestemmingsplan wordt de steenfabriek toekomstbestendig gemaakt en kwalitatief beter ingepast. De ontwikkeling past binnen de van toepassing zijnde kaderstellingen en past daarmee binnen deze nieuwe Omgevingsvisie.
3.5 Afweging beleidskader Uit de voorgaande alinea’s blijkt dat de beoogde ontwikkeling past binnen de diverse relevante beleidskaders. In het volgende hoofdstuk worden de bouwplannen getoetst aan de overige (milieutechnische) randvoorwaarden.
Hoofdstuk 3
37
4.
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Binnen dit hoofdstuk wordt gekeken naar de aspecten geluid, bodem, luchtkwaliteit, milieuzonering, externe veiligheid, archeologie, kabels en leidingen, ecologie, waterhuishouding, verkeer en parkeren. De hieruit voortkomende bevindingen zijn in onderstaande paragrafen toegelicht.
4.1 Milieuaspecten 4.1.1 Geluidhinder Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen geluidgevoelige objecten mogelijk zoals bedoeld in de Wgh. De voorliggende ontwikkeling betreft daarnaast ook geen uitbreiding van een gezoneerd industrieterrein zoals bedoeld in de Wgh, maar de uitbreiding van een individueel bedrijf. Toetsing aan de Wgh is dan ook niet nodig. Voor de toetsing van de (geluid)effecten vanwege de beoogde uitbreiding van de steenfabriek (industrielawaai) wordt verwezen naar paragraaf 4.1.4 (milieuzonering). Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen belemmeringen voor de onderhavige ontwikkeling.
4.1.2 Luchtkwaliteit Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) b) c) d)
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Hoofdstuk 4
38
Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de doorontwikkeling van het bedrijf. Hierbij worden de bedrijfsactiviteiten niet gewijzigd. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: Het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; Het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2μg/m3). Bij de voorliggende ontwikkeling is geen sprake van een uitbreiding van de productiecapaciteit van de steenfabriek.
In de beoogde situatie worden dezelfde typen grondstoffen toegepast als in de huidige situatie. Bovendien vinden er geen wijzigingen plaats voor wat betreft het reinigen van rookgassen of de hoogte van emissiepunten, waardoor geen gewijzigde emissies optreden naar de lucht. Vanwege
Hoofdstuk 4
39
de ongewijzigde productiecapaciteit zal er ook geen sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de bedrijfslocatie en op het terrein zelf. Vanwege het verkeer wordt dan ook geen gewijzigde invloed uitgeoefend op de luchtkwaliteit. Om de overschrijding te berekenen is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. Uit onderstaande berekening volgt dat de bijdrage van extra verkeer ‘niet in betekenende mate’ is. Zowel qua emissies van bedrijfsprocessen als emissies vanwege het verkeer is er kortom geen sprake van een gewijzigd effect op de luchtkwaliteit. Een nader onderzoek naar dit aspect is daardoor niet noodzakelijk.
Engels Helden voldoet daarnaast aan de emissie-eisen van milieubelastende componenten in de vergunning. Dit volgt uit het stikstofonderzoek en meer specifiek uit de daarbij behorende emissiemetingen dat in paragraaf 4.4. verder wordt behandeld. Achtergronden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van 2020 is de concentratie PM10 ter plaatse tussen de 16 en 18 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 8 en 10 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 12 en 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen.
Hoofdstuk 4
40
Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Er vinden geen gewijzigde emissies plaats vanuit de bedrijfslocatie naar de lucht en de luchtkwaliteit in de omgeving is ruim voldoende. 4.1.3 Bodem Algemeen In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. De onderhavige ontwikkeling voorziet in de uitbreiding van een reeds bestaande bedrijfslocatie. Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is een bedrijf gelegen. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in de toevoeging van een gevoelige functie. Het gaat enkel om een relatief kleine uitbreiding van de huidige bedrijfslocatie. Een nader onderzoek naar het aspect bodem is derhalve niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.4 Milieuzonering Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden.
Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situaties mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren.
Hoofdstuk 4
41
Toetsing Met het onderhavige planvoornemen zal worden voorzien in een uitbreiding van het reeds bestaande bedrijf. Dit type bedrijvigheid betreft een activiteit van milieucategorie 4.1 (categorie ‘Baksteen en baksteenelementenfabrieken’). Hiervoor wordt een richtafstand van 30 meter geadviseerd voor de aspecten geur en gevaar en 200 meter voor de aspecten stof en geluid. Deze richtafstanden zijn gebaseerd op een ligging in een rustige woonwijk of rustig buitengebied. De omgeving van het plangebied kent echter een gemengd gebruik, met o.a. bedrijvigheid, sportvelden, woningen en enkele doorgaande wegen. Op basis van deze ligging in gemengd gebied mogen de genoemde richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd, naar 10 meter voor geur en gevaar en 100 meter voor stof en geluid. In de huidige situatie zijn er reeds bestaande woningen ten zuiden en oosten van het plangebied gelegen, die binnen deze richtafstanden liggen. Als gevolg van de uitbreiding van de bedrijfslocatie zullen bedrijfsactiviteiten dichter bij sommige woningen kunnen plaatsvinden. Dit is met name aan de noordoostelijke zijde van de bedrijfslocatie het geval.
Aan de zuidwestelijke zijde vindt ook een beperkte uitbreiding van de bedrijfsbestemming plaats, maar op deze gronden zijn uitsluitend opslag (in de bestaande loods aan de Steenstraat 28) en landschappelijke inpassing/hemelwatervoorzieningen geprojecteerd. Deze activiteiten vinden in de huidige situatie ook reeds plaats en hebben geen significante milieueffecten op de omgeving. Omdat de uitbreiding niet kan voldoen aan de richtafstand voor de aspecten geluid en stof worden deze aspecten hierna nader toegelicht. Geluid Ten aanzien van het aspect geluid is een nader onderzoek uitgevoerd.4 Dit onderzoek is toegevoegd aan de bijlagen en wordt hierna samengevat. Het akoestisch onderzoek heeft als doel de beoogde nieuwe geluidssituatie rondom het bedrijf in kaart te brengen. Ten opzichte van de situatie in 2017 zal de terreinverharding worden uitgebreid voor deels meer opslagcapaciteit van getaste stenen en deels voor meer ruimte van kleiopslag. Het is de bedoeling dat de steenfabriek hier flexibel mee kan omgaan naar de behoefte van die periode. Om die reden zijn er ook per beoordelingsperiode en per beoordelingsgrootheid twee berekeningen gemaakt (bedrijfssituatie A en B), waarbij het maximum van de twee rekenresultaten als maatgevend is genomen.
Door deze werkwijze kan de vergunningverlener een indruk verkrijgen van de geluidsproductie van Steenfabriek Engels Helden BV voor de toekomstige situatie na de aanpassingen. Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Op basis van deelbijdrage-berekening en de beschouwing hiervan komt naar voren dat in de dagperiode de hydraulische graafmachine, heftruck ontlading-tasveld, laadschop en vrachtwagen kleiaanvoer een dominante bijdrage levert op bijna alle immissiepunten. Op sommige immissiepunten spelen vaste bronnen zoals een open deur D6 en uitlaat natwasser eveneens een rol in de bijdrage. Alle berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau blijven echter alle ruim onder de vergunde waarden voor de dagsituatie die zijn afgegeven door de gemeente Peel en Maas in 2017, te weten 50 dBA.
4
TCKI, Akoestisch onderzoek Engels Helden juli 2022 , referentie 22-557ms.CvM, d.d. 13 juli 2022
Hoofdstuk 4
42
In de avond- en nachtperiode zijn vrijwel dezelfde geluidsbronnen actief. De meest dominante bijdrage wordt geleverd door diverse uitlaten van de tunneloven, droger en rookgasreiniger gerelateerde geluidsbronnen. Maximaal geluid In globale zin gelden voor het maximaal geluid dezelfde conclusies als bij het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Echter, in de dag-situatie liggen de maximaal niveaus hoger dan de langtijdgemiddelde niveaus en variëren tussen de 60 en 34 dB(A) bij woonobjecten. Hiermee blijft het maximaal geluid ruim onder de vergelijkingswaarde van 70 dBA voor de dagsituatie. In de avondsituatie liggen de maximaal geluidsniveaus extreem laag en variëren tussen de 28 en 18 dB(A) bij woonobjecten. In de nachtsituatie stijgen de maximaal geluidsniveaus ten opzichte van de avond door 1 geluidsbron te weten personenauto’s van werknemers die voor 7:00 uur het terrein oprijden. Echter de nacht maximaal geluidsniveaus variëren tussen de 55 en 25 dBA en voldoen hiermee ruimschoots aan de eisen. Hiermee blijft het maximaal geluid ruim onder de 70/65/60 dB(A) waarden voor alleen de bijdrage van Steenfabriek Engels Helden BV. Indirecte hinder Alleen in de dag- en nachtsituatie is er sprake van indirecte hinder activiteit van de steenfabriek. Echter deze geluidsniveaus variëren tussen de 48 en 18 dBA op de 10 immissiepunten en blijven hiermee onder de vergunde waarden.
De indirecte hinder wordt veroorzaakt door vrachtwagens en personenauto’s van en naar de steenfabriek. Algemeen In algemene zin zijn de geluidsniveaus nu bekend t.o.v. de vergunde waarden uit 2017. In de rapportage zijn alleen de cijfers van de immissiepunten 1 t/m 10 beoordeeld. Echter het onderzoek en de rekenresultaten strekken zich uit over 60 immissiepunten. Rekenresultaten en modelgegevens hiervan zijn te vinden in de bijlage II van het onderzoeksrapport. Alhoewel niet beschreven in het hoofdrapport voldoen de rekenresultaten van deze 60 immissiepunten allen aan de vergunde referentiewaarden. In voorgaande akoestisch onderzoeken is op speciaal verzoek van adviseurs van de gemeente het onderzoek uitgevoerd op 60 immissiepunten rondom de steenfabriek. TCKI heeft ten behoeve van de overzichtelijkheid van de akoestische rapportage gemeend het aantal immissiepunten weer teruggebracht naar de oorspronkelijke 10 immissiepunten die voor 2001 onderdeel uit maakte van destijds uitgevoerde onderzoeken. De cijfers tonen aan dat de steenfabriek ruim kan voldoen aan de vergunde geluidseisen van de gemeente. De akoestisch toekomstige situatie behoeft dan ook geen belemmering te zijn voor de verstrekking van een nieuwe omgevingsvergunning aan Steenfabriek Engels Helden BV.
Daaraan wordt toegevoegd dat Steenfabriek Engels Helden BV KNB-deelnemer is (brancheorganisatie voor keramiek producenten) die zich middels een BREF-document voor de grof- en fijn-keramische industrie zich committeert aan de inhoud van dit document. In algemene zin betekent dit dat de steenfabriek zich zal inspannen door gebruik te maken van best beschikbare technieken om de geluidsemissie van de fabriek steeds verder te minimaliseren.
Hoofdstuk 4
43
Stof Wat betreft het aspect stof zullen er in de toekomstige situatie meer klei- en zandgrondstoffen worden opgeslagen op de bedrijfslocatie. Stofemissie van de kleigrondstoffen is niet aan de orde, omdat de kleidepots vochtig zijn/worden gehouden. Hierdoor zal niet of nauwelijks stof opstuiven. De extra opslag van zandgrondstoffen vindt plaats in een nieuw te bouwen zandloods met overkapping. Hierdoor is ook het opstuiven van zand niet aan de orde. Vanwege het aspect stof is een nader onderzoek hierdoor niet noodzakelijk. Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering en meer specifiek de onderdelen geluid en stof zijn er geen belemmeringen te verwachten ten aanzien van het voorgenomen initiatief. 4.1.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen.
De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Het Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen.
Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het
Hoofdstuk 4
44
betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Bedrijfsgebouwen zijn conform het Bevi aangemerkt als beperkt kwetsbare objecten. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist. Toetsing Inrichtingen Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz.
In de omgeving van het plangebied komen geen inrichtingen voor met een verhoogd risico ten aanzien van de externe veiligheid. Buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb), welke op 1 januari 2011 in werking zijn getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In de omgeving van het plangebied vindt geen risicovol transport door buisleidingen plaats. Op ca. 2.650 meter ten oosten van het plangebied loopt een buisleiding. De afstand tot deze leiding is dermate groot, dat het plangebied ruimschoots buiten het invloedsgebied van de leiding is gelegen. Gevaarlijk transport over de weg Het plangebied is gelegen op ca. 1.350 meter vanaf de provinciale weg N275, waarover risicovol transport plaatsvindt. Binnen 200 meter rondom de infrastructuur (weg, water, spoor) dient het bevoegd gezag bij ruimtelijke relevante besluiten een groepsrisico afweging te maken. Het plangebied is buiten dit invloedsgebied gelegen. Een nadere afweging omtrent het groepsrisico is derhalve niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
45
Gevaarlijk transport over het spoor en het water Volgens de 'Risicokaart Basisnet' en volgens de provinciale Risicokaart zijn er in de wijde omgeving geen spoorlijnen of waterwegen gelegen waarvan het invloedsgebied tot het plangebied rijkt. Vanwege deze transportroutes zijn er kortom geen belemmeringen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.6 M.e.r.-plicht Toets m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van de reeds bestaande steenfabriek. Deze functie komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De uitbreiding van de steenfabriek kan worden geschaard onder categorie D47 ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor het vervaardigen van keramische producten door middel van bakken, in het bijzonder dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein’.
Bij dergelijke activiteiten geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht indien sprake is van een productiecapaciteit van 100 ton per dag of meer. Bij de voorliggende ontwikkeling wordt de productiecapaciteit van het bedrijf niet uitgebreid, waardoor de genoemde drempelwaarde niet wordt overschreden. Vormvrije m.e.r.-beoordeling De omvang van een project zoals aangegeven in kolom 2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, is echter niet het enige criterium om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. De gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) zijn daarmee indicatief. Dit betekent dat het bevoegd gezag gemotiveerd moet aangeven of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te
Hoofdstuk 4
46
dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Het bestemmingsplan is alsnog m.e.r.-beoordelingsplichtig als op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie tabel hierna) niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
Tabel : Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het project Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect Omdat het plan niet voorziet in een uitbreiding van de productiecapaciteit en daarmee onder de drempelwaarde valt zoals aangegeven in categorie D47 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op
Hoofdstuk 4
47
basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het project heeft betrekking op de uitbreiding van een bestaande steenfabriek en omvat de volgende onderdelen.
Uitbreiding van het bestemmingsvlak aan de noordwestzijde; Verharding van het gehele terrein ten behoeve van de opslag van grondstoffen en eindproduct. Aan de noordzijde zal ook de onoverdekte kleiopslag worden uitgebreid;
Uitbreiding overkappingen aan de noordzijde t.b.v. de opslag van zand. Tevens ter afscherming van de woningen tegen geluid en stof;
Uitbreiding bestaand bouwvlak binnen de bestemming bedrijf aan de west-, zuid- en noordzijde t.b.v. uitbreiding productielocatie;
Aanleg hemelwaterbassin en opslag.
De omvang van de uitbreiding is iets minder dan 1 ha. Cumulatie met andere projecten
Nee
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Nee, bij de ontwikkeling wordt geen gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen, anders dan als onderdeel van de reguliere bedrijfsvoering.
Productie van afvalstoffen
Nee, naast het reguliere afval is er geen sprake van de productie van afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
Tijdens bouw- en aanlegwerkzaamheden is mogelijk sprake van enige tijdelijke hinder, maar deze is niet anders dan bij reguliere bouwwerkzaamheden. Ook in de beoogde situatie is er geen toename van verontreiniging en hinder te verwachten: Luchtkwaliteit, zie paragraaf 4.1.2: er is geen sprake van een uitbreiding van de productiecapaciteit of een toename van de verkeersbewegingen. Zowel qua emissies van bedrijfsprocessen als emissies vanwege het verkeer is er hierdoor geen sprake van een gewijzigd effect op de luchtkwaliteit. Geluid, zie paragraaf 4.1.4: de activiteiten op het fabrieksterrein worden zodanig ingepast en gepositioneerd op het terrein dat de akoestische effecten voor omwonenden worden geminimaliseerd. Verkeer, zie paragraaf 4.5: er is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen, omdat de productiecapaciteit niet wordt uitgebreid.
Risico van ongevallen
Hoofdstuk 4
Nee, er is geen sprake van de oprichting van een risicobron.
48
Conclusie: Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
Het merendeel van de locatie is bedrijfsmatig in gebruik ten behoeve van de steenfabriek. De noordelijke en westelijke delen van het plangebied zijn in gebruik als landbouwgronden.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
n.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder dacht voor: - gevoelige gebieden (wetlands, kust-
Nee
gebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) - gebieden waarin bij communautaire
Nee
wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkings-
Nee
dichtheid Landschappen van historisch, cultu-
Nee, middels een landschappelijk inpassingsplan wordt het fabrieks-
reel of archeologisch belang
terrein goed ingepast in de omgeving en de bestaande landschappelijke kwaliteiten, zie paragraaf 2.3. Het archeologisch belang is middels een onderzoek in de planvorming betrokken, zie paragraaf 4.2.
Conclusie: Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee
Habitat en vogelrichtlijngebied
Nee, het plan heeft ook geen effecten op in de verdere omgeving aanwezige habitat- en vogelrichtlijngebieden (Natura 2000), zie paragraaf 4.4.
Watergebied van internationale bete-
Nee
kenis
Hoofdstuk 4
49
EHS
Nee, het plan heeft ook geen effecten op in de verdere omgeving aanwezige onderdelen van het Nationaal Natuurnetwerk, zie paragraaf 4.4.
Landschappelijk waardevol gebied
Nee
Waterwinlocaties, waterwingebieden
Nee, zie paragraaf 4.6.
en grondwaterschermingsgebieden Beschermd monument
Nee
Belvédère-gebied
Nee
Conclusie: Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische
Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in geografi-
zone en grootte van de getroffen be-
sche zone en/of grootte van de getroffen bevolking.
volking) Grensoverschrijdende karakter van
Nee
het effect Waarschijnlijkheid van het effect
Geen effecten te verwachten
Duur, frequentie en de omkeerbaar-
Geen effecten te verwachten
heid van het effect
Conclusie a. De beoogde ontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt onder categorie D47 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij categorie D47 genoemde drempelwaarde niet wordt overschreden; c. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, is voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een m.e.r.-beoordeling derhalve niet noodzakelijk is.
Hoofdstuk 4
50
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet.
Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Binnen het plangebied ligt op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Peel en Maas deels de aanduiding “Waarde – Archeologie 4” en deels binnen de aanduiding “Ontgrond/ Onderzocht”. Deze categorie omvat gebieden met een hoge archeologische verwachting.
Hoofdstuk 4
51
Figuur 13. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Peel en Maas
Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen waarbij de bestaande bebouwing wordt vergroot met meer dan 250 m 2 en dieper dan 40 cm –mv. Nu het planvoornemen deze grens overschrijdt is een onderzoek vereist. Econsultancy heeft een archeologisch bureauonderzoek5 uitgevoerd voor het beoogde planvoornemen, hieronder zullen beknopt de bevindingen worden weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting heeft het plangebied een lage gespecificeerde verwachting voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge gespecificeerde verwachting voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Verder is de kans groot dat het plangebied (deels) is verstoord door ontgrondingen.
5
Econsultancy, Archeologisch bureauonderzoek en verkennend boordonderzoek Steenstraat 8B te Panningen, rapportnummer: 11141.001, 21 december 2019.
Hoofdstuk 4
52
Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit het booronderzoek blijkt dat het bodemprofiel in het plangebied sterk is verstoord tot maximaal 3,0 meter -mv. Deze veelal diepe bodemverstoringen zijn vermoedelijk ontstaan door de ontgronding van het plangebied door de steenfabriek voor leemwinning. Conclusie De gespecificeerde archeologische verwachting is op basis van de bij het booronderzoek aangetroffen veelal diepe bodemverstoring bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Op grond van de verstoorde bodemopbouw wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Indien tijdens de werkzaamheden in het plangebied toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE) of zoals gangbaarder is bij de gemeente Peel en Maas conform Artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) van de Erfgoedwet. Beoordeling archeologisch onderzoek Naar aanleiding van het archeologisch onderzoek heeft er een beoordeling plaatsgevonden door ArchAeO.6. De gemeente Peel en Maas wordt geadviseerd in te stemmen met het advies tot archeologische vrijgave van het plangebied.
Het rapport uit 2019 kan daarnaast worden gekenmerkt als definitief rapport. Gelet op het advies is een dubbelbestemming ter bescherming van de archeologische waarden niet meer benodigd. Het aspect archeologie staat deze ontwikkeling dan ook niet in de weg. 4.2.2 Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn ter plaatse van het plangebied geen monumentale of andere cultuurhistorische waardevolle bouwwerken gelegen. De huidige bebouwing is ook niet aangemerkt als monument of anderszins cultuurhistorisch waardevol. De Steenstraat en de Ninnesweg zijn op de cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als ‘andere weg ouder dan 1806’. Aan deze wegen vinden geen wijzigingen plaats, waardoor geen sprake is van aantasting van deze cultuurhistorische waarden. Vanuit de aanwezige cultuurhistorische waarden zijn er dan ook geen belemmeringen voor dit initiatief.
6
ArchAeO, Beoordeling en advise archeologische onderzoeksrapporten, projectnummer: P22047 d.d. 1 april 2022.
Hoofdstuk 4
53
Conclusie In het plangebied bestaan er voor de voorziene ontwikkeling geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie.
4.3 Kabels en leidingen Er zijn blijkens de geldende bestemmingsplannen en de Risicokaart Nederland in het plangebied en de omgeving geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een planologische beschermingszone. Bij de voorliggende ontwikkeling hoeft hiermee dan ook geen rekening gehouden te worden. Conclusie Het aspect ‘kabels en leidingen’ vormt geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen.
4.4 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de goudgroene en zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014.
De goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
Hoofdstuk 4
54
Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Toetsing Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000gebieden. Dat is het geval als een plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen kunnen hebben. Onder referentiesituatie wordt de feitelijk bestaande, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan. Als een plan ten opzichte van de referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan te worden onderzocht. Als uit dat onderzoek volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt. Het plan kan in dat geval worden vastgesteld als de raad uit de passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, "Deurnsche Peel & Mariapeel", bevindt zich op circa 6 kilometer afstand ten noordwesten van het projectgebied. Teneinde te beoordelen of hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt significante gevolgen kan hebben, is beoordeeld of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de feitelijk bestaande, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan.
Hoofdstuk 4
55
In de beoogde situatie zal, vergeleken met de huidige situatie, geen toename zijn in stikstofemissie van de fabriek aangezien geen sprake is van uitbreiding van productie en verkeer. Het wijzigen van het bestemmingsplan betreft namelijk enkel wijzigingen waarmee de kwaliteit van het product kan worden verbeterd, of beter kan worden gegarandeerd, en waarbij Engels Helden gemakkelijker kan inspelen op verschillende vragen vanuit de markt. Bij de beoordeling van een bestemmingsplan wordt onder de referentiesituatie de feitelijk, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan. In de huidige situatie is sprake van een productiecapaciteit van 75 miljoen bakstenen WF. Dit aantal is opgenomen in de aanvraag van de vigerende omgevingsvergunning uit 2017. Tot op heden is dit de actuele vergunde productiecapaciteit, en het betreft tevens de feitelijke productie. In de beoogde situatie wijzigt de productiecapaciteit niet. Hiervoor is het rapport "Onderbouwing invoergegevens rekenmodel Aerius ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging Steenfabriek Engels Helden" van 25 juli 2023 opgesteld, inclusief een daarbij behorende AERIUS berekening.7 Hieruit volgt gemotiveerd waarom ten opzichte van de referentiesituatie geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. Significante gevolgen zijn uitgesloten.
De wijziging die het bestemmingsplan mogelijk maakt, zal ook voorzien in tijdelijke werkzaamheden, waarvoor mobiele werktuigen worden ingezet. Specifiek voor de bouw-/aanlegfase is ook beoordeeld of daardoor sprake is van een toename van stikstofdepositie. Dit als doorkijk naar de vraag of voor de bouw-/aanlegfase als project een vergunning krachtens de Wet natuurbescherming benodigd zou zijn. Dit is niet het geval aangezien is onderbouwd dat de via het plan toegelaten bouw-/aanlegfase niet leidt tot een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr. Zie hiervoor de notitie "Onderbouwing invoergegevens Aerius ten aanzien van de bouw-/aanlegfase – bestemmingsplanwijziging Steenfabriek Engels Helden BV", alsmede de daarbij behorende AERIUS berekening. 8 Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone, de zilvergroene natuurzone of de bronsgroene landschapszone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 975 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Beschermde houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
7
8
TCKI, Onderbouwing invoergegevens rekenmodel Aerius ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging Steenfabriek Engels Helden, ref.nr. 23-662WvdB, d.d. 25 juli 2023 en AERIUS verschilberekening. Kenmerk RfKGPNhDUqMd, d.d. 25 juli 2023 TCKI, Onderbouwing invoergegevens Aerius ten aanzien van de bouw-/aanlegfase bestemmingsplanwijziging Steenfabriek Engels Helden BV, d.d. 25 juli 2023 en AERIUS berekening, Kenmerk S5viwbAJwPRO, d.d. 25 juli 2023
Hoofdstuk 4
56
Soortenbescherming In het kader van de soortenbescherming is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.9 Vogels De bebouwing op het terrein bevat geen geschikte nestlocaties voor huismus en gierzwaluw, en er zijn geen sporen aangetroffen van aanwezigheid van soorten als kerkuil of boerenzwaluw in de loods. Hierdoor kunnen broedlocaties van soorten als kerkuil, huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied zijn tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als havik en ransuil aangetroffen. Wel kunnen hier mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen. De uitbreidingslocaties zijn beperkt geschikt als leefgebied voor roofvogels. De verruigde uitbreidingslocatie in het noordwesten kan wel gebruikt worden als leefgebied voor steenuil. Direct aangrenzend zijn echter een groot aantal houtwallen, bomenrijen en dierenweides, welke als leefgebied kunnen dienen voor de steenuil. Daarnaast krijgt de uitbreiding een houtsingel als grens en worden er nieuwe opvangbassins voor hemelwater gerealiseerd. Hierdoor blijft voldoende leefgebied voor de steenuil aanwezig. Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd.