2024-057 05 Toelichting
Tekst van het document
Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone, ruige en kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone en grijze grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis. De uit te breiden loods bevat geen geschikte verblijfplaatsen voor een vleermuissoort. De aanwezige bomen langs de rand van het plangebied bevatten eveneens geen boomholtes of loshangend schors.
Er is maar beperkt sprake van potentieel foerageergebied en vliegroutes. Gezien er geen aspecten als grote hoeveelheden opgaand groen, oppervlaktewater en lijnvormige landschapselementen verloren gaan wordt dit niet essentieel geacht.
9
BRO. Quickscan flora en fauna Engels steenfabriek te Panningen, projectnummer P01854, d.d. 14 juli 2022
Hoofdstuk 4
57
Toetsing Met de voorgenomen plannen gaan geen potentiele rust- of verblijfplaatsen van een vleermuissoort verloren. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als egel, konijn, haas, vos, veldmuis en rosse woelmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Doordat er een beperkte hoeveelheid leefgebied verloren gaat, en dit reeds in gebruik is als opslaglocatie, betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied.
Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet (volledig) vrijgestelde soorten steenmarter, eekhoorn, das, bever en waterspitsmuis voor. Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor een soort als steenmarter. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das. Voor bever en waterspitsmuis is op voorbaat geen geschikt leefgebied aanwezig. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen.
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten.
Hoofdstuk 4
58
Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. De te verwijderen wateropvang in het noordoosten staat vrijwel altijd droog en is niet geschikt. De te dichten wateropslag in het noordwesten van het plangebied bevatte volledig troebel water door de klei, waardoor er geen waterplanten aanwezig zijn en daardoor geen geschikt voortplantingshabitat biedt voor amfibieën. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote weerschijnvlinder, spiegeldikkopje, beekrombout en gevlekte witsnuitlibel. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.
Hoofdstuk 4
59
Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van drijvende waterweegbree. Deze soort stelt specifieke eisen aan zijn standplaats. Gezien het aanwezige biotoop binnen het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling kan in overeenstemming met de Wet natuurbescherming en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd. Ten aanzien van soortbescherming dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en dient de algemene zorgplicht in acht te worden genomen.
4.5 Verkeer en parkeren Verkeer Het plangebied is bereikbaar via de Ninnesweg via de twee bestaande in- en uitritten. De Ninnesweg is verder weer ontsloten op de Rijksweg (N275). De Ninnesweg betreft een 50 km/uur-weg. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er geen sprake zijn van een toename van verkeer ten opzichte van de huidige situatie, omdat de productiecapaciteit van de steenfabriek niet wordt uitgebreid. Parkeren Op het plangebied is het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeernota Peel en Maas’ van toepassing. Hierin zijn regels opgenomen voor parkeren. In dit bestemmingsplan is een dynamische verwijzing opgenomen naar de op 3 juli 2018 vastgestelde ‘Nota parkeernormen Peel en Maas 2018’.
Hoofdstuk 4
60
Parkeernormen Voor een ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’ geldt voor de categorie ‘rest bebouwde kom’ per 100 m² bvo een parkeernorm van 1,1. Op de bedrijfslocatie wordt reeds op eigen terrein voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Aangezien de productiecapaciteit niet toeneemt, is er ook geen sprake van een toename van de parkeerbehoefte. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het initiatief.
4.6 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving.
Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een water robuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 van Waterschap Limburg, de Provinciale omgevingsvisie (POVI) Limburg, het Nationaal Waterprogramma, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).
Hoofdstuk 4
61
Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en waterkwaliteit, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater. De beoogde hemelwatervoorzieningen zijn nader uitgewerkt in een separatie notitie 10, die als bijlage bij de toelichting is gevoegd. Voor dit aspect wordt hieronder volstaan met een samenvatting. Voor meer informatie wordt verwezen naar de bijlage. Oppervlaktewater Uit de legger van Waterschap Limburg blijkt dat in de directe omgeving geen oppervlaktewateren in beheer van het waterschap te vinden zijn. De dichtstbijzijnde waterloop is een primaire waterloop langs de Groenstraat. Hier ligt de grens van het plangebied ca. 400m meter vandaan. Maaiveldniveau Uit de uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) zijn goed de kleiopslag af te leiden. Het laagste punt van het maaiveld lig top ca. 33,5m boven NAP. Het hoogste punt van het maaiveld binnen het plangebied ligt aan de oostzijde en betreft ca. 34,5m boven NAP.
Bodemopbouw en grondwater Uit de bodemkaart blijkt dat de bodem van het gehele plangebied bestaat uit lemig fijn zand. De kaart Bodemdoorlatendheid Noord Limburg laat zien dat de doorlaatbaarheid van de bodem ten behoeve van infiltratie matig is (k-waarde 0.45-0.75m/dag). Het DINOloket geeft geen informatie over de grondwaterstanden, maar de klimaatatlas heeft wel gegevens beschikbaar over de GHG. Hieruit blijkt dat het GHG lager dan 2 meter onder maaiveld is te verwachten. De bodemkaart geeft aan dat het gebied tot grondwatertrap ‘VII’ behoort, wat neer komt op een GHG van 80-140cm onder maaiveld. Toename verhard oppervlak De toename aan verhard oppervlak binnen het plangebied bestaat uit drie delen, te weten: de te verharden gedeelten ten behoeve van opslag; de reeds verharde gedeelten van het terrein, welke buiten het vigerend bestemmingsplan vallen; het dakoppervlak van de nieuwe loods. Het totaal aan ‘nieuw’ verhard oppervlak binnen het plangebied bedraagt 25.980m².
10
BRO, Hemelwaterberging Steenfabriek Panningen, projectnummer P01854, 20 juli 2022
Hoofdstuk 4
62
Het hemelwater dat op de bestaande daken en verharde terreinen valt wordt reeds opgevangen in bestaande opvangbassins. Deze worden daarom buiten beschouwing gelaten. Bij een bergingseis van T=100 waarbij 100mm per m² verhard oppervlak in 24 uur moet kunnen worden geborgen betekent dit dat de bergingsvoorzieningen in totaal 25.980m² x 0.1m = 2.598m³ aan bergingscapaciteit. Bergingsvoorzieningen De capaciteit van de riolering is beperkt en ongeschikt voor een toename van lozingen. De gehele uitbreiding (hemelwater) dient dan ook gescheiden op eigen terrein te worden geïnfiltreerd. Er vindt geen aansluiting plaats op de gemeentelijke riolering. Voor de berging van het hemelwater worden twee nieuwe bergingsvoorzieningen aangelegd. De bassins zijn aan de noordzijde van het plangebied voorzien, aan de rand van het te verharden terrein. Daarnaast kan de ruimte ten behoeve van de landschappelijke inpassing deels verlaagd aangelegd kunnen worden zodat ook hier bij piekbuien hemelwater geborgen kan worden (wadi’s). Alleen de ruimten ten behoeve van de open doorzichten worden verlaagd. Hier is enkel grasland met enkele bomen voorzien. Voor de capaciteit van de hemelwaterbassins wordt 1 meter waterschijf aangehouden. Het centrale gedeelte van het bassin (de bodem, excl. taluds) hebben dus een capaciteit van 1 meter berging, de taluds (2:1) kunnen de helft (0.5m) bergen.
Voor de wadi’s wordt een waterschijf aangehouden van 0.5 meter, waarbij het centrale gedeelte een capaciteit van 0.5 meter berging heeft, de taluds de helft (0.25m). Op basis van bovenstaande uitgangspunten bedraagt de bergingscapaciteit van deze nieuwe voorzieningen in totaal ruim 2.700m³. Een bui met t=100 zal volledig in de voorgestelde waterbergingsvoorzieningen kunnen worden opgevangen. Aan de noordzijde lopen de terreinen af richting de perceelsgrens, dit is nu al zo, maar ook de uitbreiding zal dit afschot hebben naar de perceelsgrens. Op deze grens is in het nieuwe plan een opvangbassin gesitueerd. Dit bassin is verder nergens op aangesloten en zal dus niet op het riool worden geloosd. Meer naar de westzijde is ook een nieuw bassin ingetekend, gedeeltelijk ter vervanging van het huidige bassin, maar ook gelijk voor de uitbreiding aan deze zijde. Middels putjes en eigen riolering op het terrein gaat het water van de uitbreiding naar dit bassin. In bovengenoemde bassins kan het water infiltreren. Zo wordt dat nu ook al door het bedrijf gedaan. Op het moment dat het water te langzaam infiltreert vanwege een sliblaag op de bodem wordt het bassin opgeschoond met een kraan, waarna het slib weer bij het eigen recycle afval gaat. Dus vanwege de uitbreiding is in ieder geval geen sprake van lozing op het riool.
Hoofdstuk 4
63
De totale capaciteit betreft ruim 2.700m³. Een bui met t=100 zal volledig in de voorgestelde waterbergingsvoorzieningen kunnen worden opgevangen. Conclusies en overleg met de waterbeheerder Voor wat betreft het aspect water zal het plan in het kader van het vooroverleg worden voorgelegd aan het Waterschap Limburg.
Hoofdstuk 4
64
5.
UITVOERBAARHEID 5.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). De toepassing van de Grexwet richt zich voor het afdwingbare kostenverhaal, op bouwplannen.
De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in het Bro: de bouw van een of meerdere woningen; de bouw van een of meerdere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m²; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Het voorliggende bestemmingsplan maakt o.a. de bouw en uitbreiding van bedrijfsgebouwen mogelijk met een oppervlakte van meer dan 1.000 m 2. Er is dan ook sprake van een bouwplan, en daarmee van een verplichting tot kostenverhaal. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente wordt daartoe een anterieure overeenkomst gesloten, waarin tevens afspraken worden gemaakt over het verhaal van eventuele planschade.
Hoofdstuk 5
65
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1 Wettelijk vooroverleg In het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening dient een (concept) ontwerp bestemmingsplan te worden voorgelegd aan de daartoe in aanmerking komende instanties, zoals de provincie Limburg en het Waterschap Limburg. Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd aan de betrokken instanties. De provincie Limburg heeft in het kader van vooroverleg enkele opmerkingen gemaakt die verwerkt zijn in de onderhavige plantoelichting. Daarmee zijn de provinciale belangen in voldoende mate geborgd. 5.2.2 Omgevingsdialoog In september 2023 wordt een omgevingsdialoog georganiseerd waarbij de beoogde plannen aan omwonenden worden gepresenteerd. Hiervan wordt een verslag gemaakt dat te zijner tijd als bijlage aan deze toelichting wordt toegevoegd. 5.2.3 Zienswijzenprocedure Het ontwerp bestemmingsplan zal overeenkomstig het bepaalde in de Wro gedurende 6 weken ter inzage liggen met de mogelijkheid voor eenieder om een zienswijze op het plan in te dienen. 5.2.4 Procedure bestemmingsplan De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan.
De wettelijke procedure voor het bestemmingsplan ziet er als volgt uit: Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;
Hoofdstuk 5
66
Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoofdstuk 5
67
6.
JURIDISCHE TOELICHTING 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
6.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000.
6.3 Toelichting op de regels Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) en het geldende bestemmingsplan ‘Dubbelkern Helden-Panningen’, waarin de huidige planologische regeling voor de bedrijfslocatie is opgenomen. De regels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemming gegeven; Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene wijzigingsregels en overige regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.
Hoofdstuk 6
68
Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. 6.2.1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening/ Wabo overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP2012. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. 6.2.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: a) Bestemmingsomschrijving b) Bouwregels c) Nadere eisen d) Afwijken van de bouwregels e) Specifieke gebruiksregels f) Afwijken van de gebruiksregels g) Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden h) Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk i) Wijzigingsbevoegdheid Duidelijk zal zijn dat een bestemming niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In het onderstaande worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.
Bedrijf Nagenoeg het gehele plangebied, met uitzondering van de bestaande nutsvoorziening in het zuidelijke deel van het fabrieksterrein en ter plaatse van de landschappelijke inpassing, is bestemd tot ‘Bedrijf. Binnen deze bestemming zijn bouwvlakken aangeduid ter plaatse van de bestaande gebouwen en de beoogde gebouwelijke uitbreidingen. Per bouwvlak is middels een maatvoeringsaanduiding aangeven tot welke maximum bouw- en goothoogte bebouwing is toegestaan. Hierbij is relevant dat ter plaatse van het bestaande hoofdgebouw en het betreffende bouwvlak waar nog een uitbreiding mogelijk is wordt uitgegaan van een afwijkende peilhoogte namelijk de bestaande railhoogte van 34,25 boven NAP.
Hoofdstuk 6
69
Ter plaatse van de bestaande loods aan de Steenstraat 28 is de functieaanduiding ‘opslag’ opgenomen. Deze loods mag daardoor uitsluitend voor opslag worden gebruikt. Middels een voorwaardelijke verplichting is geregeld dat de bedrijfsuitbreidingen slechts gebruikt mogen worden indien een landschappelijke inpassing is gerealiseerd en als zodanig in stand wordt gehouden ter plaatse van de bestemming ‘Groen’. Het overige deel van het fabrieksterrein is aangeduid middels de nadere functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – steenfabriek’. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven en/of het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten welke zijn opgenomen in milieucategorie 1 t/m 2 van de 'Lijst van bedrijfsactiviteiten' (bijlage 1 bij de regels) en/of daarmee naar aard, omvang en invloed op de omgeving gelijk te stellen bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten; b. een steenfabriek uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - steenfabriek'; c. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' is uitsluitend het gebruik ten behoeve opslagdoeleinden toegestaan; met daaraan ondergeschikt: d. e. f. g. h. i. j.
evenementen, overeenkomstig het bepaalde in lid 3.3.2; nutsvoorzieningen; tuinen, erven en terreinen; groenvoorzieningen; paden, wegen, ontsluitings- en parkeervoorzieningen; boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen; productiegebonden detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen of producten is toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 650 m2.
Bedrijf - Nutsvoorziening Voor de bestaande nutsvoorziening in het zuidelijk deel van het plangebied is, overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan, de bestemming ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ opgenomen. Binnen deze bestemming is een bouwvlak aangeduid ten behoeve van de bestaande bebouwing. De regels zijn overgenomen van het vigerende bestemmingsplan. Binnen deze bestemming zijn openbare nutsvoorzieningen toegelaten met de bijbehorende voorzieningen. Groen De landschappelijke inpassing langs de randen van het plangebied zijn bestemd als ‘Groen’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. parken;
Hoofdstuk 6
70
c.
landschappelijke inpassing, overeenkomstig het Landschapsplan zoals weergegeven in bijlage 2 bij de regels en overeenkomstig het bepaalde in lid 3.4.3, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing';
met daaraan ondergeschikt: d. bermen en beplanting; e. paden; f. speelvoorzieningen; g. jongerenontmoetingsplaatsen; h. hondenuitlaatplaatsen; i. nutsvoorzieningen; j. kunstwerken; k. dagrecreatief medegebruik l. evenementen onder voorwaarden; m. waterlopen en waterpartijen, waaronder wadi's; n. terrassen; o. standplaatsen; p. ondergrondse warmtepompinstallaties ten behoeve van de in de aangrenzende bestemming gelegen woningen; q. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatse van deze bestemming mag maar beperkt gebouwd worden, namelijk alleen ten behoeve van nutsvoorzieningen en bouwwerken geen gebouw zijnde. Binnen deze bestemming moet de landschappelijke inpassing gerealiseerd en in stand gehouden worden. 6.2.3 Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de Algemene bouwregels zijn regelingen over ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen en bestaande maten en afstanden opgenomen. De Algemene gebruiksregels bevatten een beschrijving van hetgeen dat wordt verstaan onder strijdig gebruik.
De Algemene wijzigingsregels verschaffen het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn.
Hoofdstuk 6
71
In de Overige regels zijn een verwijzing naar de geldende wet- en regelgeving en een parkeerregeling opgenomen. 6.2.4 Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan moeten worden aangehaald.
Hoofdstuk 6
72
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl