2023-024 03 Toelichting.pdf
Tekst van het document
4.1.2 Toetsing plan In het voornemen worden de varkensstallen gesloopt en worden nieuwe loodsen gerealiseerd. Er is geen sprake van de dubbelbestemming Waarde Archeologie te zien in paragraaf 2.2, als ook paragraaf 3.4.2. Conclusie: In het kader van bovenstaande is geen Archeologisch onderzoek benodigd.
4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.2.1 Algemeen Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van de milieuhygiënische inpasbaarheid van nieuwe functies te komen, wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten zoals milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Hiertoe zijn bedrijven voorzien van een zone waar mogelijke nadelige effecten zijn voor woningen. Maatgevend zijn de thema’s geur, geluid, stof en gevaar. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is het voorkomen van voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten van belang. Daarnaast mogen bedrijven niet worden beperkt in hun mogelijkheden. VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering Om mogelijke hinder van bedrijven voor bewoners te voorkomen, wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) gebruikt. In deze uitgave is de potentiële milieubelasting voor een hele reeks van bedrijven bepaald aan de hand van de reeds genoemde milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De milieubelasting is voor die aspecten vertaald in richtlijnen voor aan te houden afstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief.
Bovendien zijn deze afstanden alleen van toepassing op nieuwe situaties en niet op bestaande situaties. Het milieuaspect met de grootste afstand is maatgevend en bepaalt in welke milieucategorie een bedrijfstype wordt ingedeeld. 27
Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’: • een ‘rustige woonwijk’ is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer; • een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. In onderstaande tabel is weergegeven welke richtafstand bij de twee verschillende gebiedstypen aangehouden worden per milieucategorie. Tabel 4.1: Richtafstand voor de twee gebiedstypen per milieucategorie (Bron: VNG)
Externe en interne werking
Bij het realiseren van nieuwe functies wordt gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij speelt qua inpasbaarheid zowel de ‘externe werking’ als de ‘interne werking’ van de nieuwe functie een rol: 1. Externe werking: Past de nieuwe functie in de omgeving? Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden gewaarborgd kan worden; 2. Interne werking: Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Worden bijvoorbeeld bestaande bedrijven door de komst van de nieuwe functie belemmerd in hun bedrijfsvoering?
4.2.2 Toetsing plan Gebiedstype Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Peel en Maas. In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, aangezien sprake is van een omgeving met diverse functies zoals agrarische bedrijfsactiviteiten, (bedrijfs)woningen en maatschappelijke functies (dierendagopvang en begraafplaats) en een modelvliegtuigbaan. Externe werking In de bestaande situatie is sprake van het intensief houden van varkens. Op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt dit onder milieucategorie 4.1 ‘fokken en houden van varkens’. Hierbij hoort een grootste afstand van 200 meter ten aanzien van het aspect geur. Voor de overige milieuaspecten stof, geluid en gevaar gelden respectievelijk richtafstanden van 30 meter, 50 meter en 0 meter. 28
In het kader van het planvoornemen wordt een intensieve varkenshouderij gesaneerd en wordt hiervoor in de plaats voorzien in een omschakeling naar nieuwe bedrijfsactiviteiten, namelijk: een akkerbouwbedrijf, het houden van rundvee en de agrarische nevenactiviteit hondencentrum. Akkerbouwbedrijf (akker- en tuinbouwbedrijf) -
Geur: 10 meter Stof: 10 meter Geluid: 30 meter Gevaar: 10 meter
Fokken en houden van rundvee -
Geur: 100 meter Stof: 30 meter Geluid: 30 meter Gevaar: 0 meter
Hondendressuurterreinen (hondentraining) -
Geur: 0 meter Stof: 0 meter Geluid: 50 meter Gevaar: 0 meter
Dierenasiels en –dagopvangs (hondendagopvang) -
Geur: 30 meter Stof: 0 meter Geluid: 100 meter Gevaar: 0 meter
Ten aanzien van de richtafstand voor het aspect geur wordt opgemerkt dat bij veehouderijen niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veebedrijven bepalend zijn. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. De hiervoor genoemde maximale richtafstanden voor het houden van rundvee vloeien voort uit het milieuaspect ‘geur’. De maximale richtafstand die daarna volgt, is die van het milieuaspect ‘geluid’ van 30 meter voor het houden van rundvee. Binnen het hondencentrum (milieucategorie 3.1) is de hondentraining de voornaamste activiteit waarbij een minimale geluidsafstand van 50 de richtlijn is. Voor het hondendagopvang (dierenpension/milieucategorie 3.2) geldt een richtafstand van 30 meter voor geur en 100 voor geluid. De dichtstbijzijnde loods voor het hondentrainingcentrum is 60 meter tot aan de overzijde van de Lorbaan gelegen woning. Echter zijn de activiteiten met de honden voornamelijk in de achterzijde van deze loods. De afstand van 50 meter voor geluid wordt gerespecteerd van de hondentraining, echter de geluidsafstand van 100 meter voor dierenpensions wordt niet gehaald. Aan de richtafstanden geluid van de dagopvang wordt niet voldaan. Dit betekent dat een geluidsrapport noodzakelijk is om aan te tonen dat er geen belemmeringen zijn vanuit het aspect geluid.
De dierenweide en hondenweide zijn eveneens in het akoestisch onderzoek opgenomen aangezien deze dichterbij gevoelige objecten liggen. Een samenvatting van het akoestisch onderzoeksrapportage worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 6.
29
Uit het geluidsrapport blijkt dat het bedrijf voldoet aan de langtijdgemiddelde beoordelignsniveau en de normstelling volgens het Activiteitenbesluit waardor geen sprake zal zijn van een aantasting van het woon- en leefklimaat. De nieuw te realiseren rundveestal zorgt ervoor dat de afstand tot de dichtstbijzijnde gevoelige objecten meer dan 30 en 50 meter is. Ten opzichte van de bestaande situatie leidt het plan er dus niet toe dat de bedrijfsactiviteiten binnen de richtafstanden van de dichtstbijzijnde gevoelige objecten komen. Voor het overige ligt het planvoornemen op meer dan voldoende afstand ten opzichte van omliggende milieugevoelige functies in de omgeving. Ter plaatse van de omliggende milieugevoelige functies kan derhalve een goed woon- en leefklimaat, als gevolg van onderhavige ontwikkeling, gegarandeerd worden. Daarnaast wordt de bedrijfsvoering van onderhavig initiatief niet belemmerd in haar ontwikkelingsmogelijkheden. Conclusie: er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect milieuzonering voor het plan.
4.3 Bodemkwaliteit 4.3.1 Algemeen
Bij de vaststelling van een wijzigingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, kan een bodemonderzoek noodzakelijk zijn conform de richtlijnen NEN-5740. Voor de volgende bouwwerken moet de bodemkwaliteit worden getoetst: • bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven (verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag; • voor het bouwen waarvoor een omgevingsvergunning om te bouwen vereist is.
4.3.2 Toetsing plan
Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Met dit plan is geen sprake van een wijziging van de bestemming naar een bodemgevoelig gebruik (de functie ‘agrarisch’ is niet milieugevoelig). Het uitvoeren van een bodemonderzoek is dan ook niet vereist voor de bestemmingsplanprocedure. Conclusie: het aspect bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van het plan.
30
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Beleid
Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.
Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
4.4.2 Toetsing plan
Er moet getoetst worden aan het Bevi, Bevt en Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Met onderhavige ontwikkeling wordt een agrarische veehouderij gesaneerd en wordt voorzien in akkerbouw en rundvee activiteiten met de nevenactiviteit hondencentrum. De hondentraining is een beperkt kwetsbaar object, waarvoor de effecten op het gebied van externe veiligheid moeten worden getoetst.
31
Figuur 4.2: Risicokaart omgeving plangebied (Bron: Risicokaart)
Aan de hand van de Risicokaart is daarnaast een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In figuur 4.2 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. In directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Verder is het plangebied niet gelegen binnen een (hinder)zone of werkstrook van hoofdleidingen of kabels. Er liggen geen hoofdleidingen voor olie, gas of water en geen hoogspanningsleidingen in of nabij het plangebied, waarmee rekening zou moeten worden gehouden. Tevens zijn in of nabij het plangebied geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of water aanwezig. Conclusie: het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.5 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan. Dit geldt voor alle straten en wegen, met uitzondering van: • •
wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen; wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.
Ook dient hierbij gekeken te worden dat bepaalde te ontwikkelen inrichtingen geen negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies.
Afweging
In het plangebied worden met onderhavig planvoornemen geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt waardoor een wegverkeerslawaaionderzoek niet noodzakelijk is. Het plangebied is 32
daarnaast niet gelegen binnen een geluidszone van industrie en spoorwegen. De Wet geluidhinder legt geen restricties aan onderhavig planvoornemen. Conclusie: er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect geluid voor het plan.
4.6 Geur 4.6.1 Algemeen Beleid
De Wet geurhinder en veehouderijen vormt het toetsingskader voor geur afkomstig van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderijen (hierna Wgv genoemd) en bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderijen (hierna Rgv genoemd) zijn relevante wettelijke regelingen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt gemeenten, binnen een wettelijke vastgestelde bandbreedte, de beleidsvrijheid om zelf geurnormen vast te stellen. Afwijkende normen gelden binnen een bepaald gebied. Het hanteren van afwijkende normen moet worden onderbouwd vanuit een ruimtelijke visie op de ontwikkeling van het gebied, de zogenaamde gebiedsvisie. Daarbij moet een relatie worden gelegd met de bestaande en te verwachten achtergrondbelasting aan geur in het gebied. Anders dan voorheen is het mogelijk maatwerk te leveren, niet per bedrijf of object, maar per gebied. De gemeente Peel en Maas heeft in 2011 de ‘Structuurvisie Intensieve veehouderij en glastuinbouw buitengebied gemeente Peel en Maas’ vastgesteld. De gemeente Peel en Maas heeft ervoor gekozen om geen verordening met afwijkende normen op te stellen.
4.6.2 Toetsing Voorgrondbelasting In de ‘Structuurvisie Intensieve veehouderij en glastuinbouw buitengebied gemeente Peel en Maas’ is bepaald dat wat betreft voorgrondbelasting wordt aangesloten bij de normen conform de Wgv. In de gemeente Peel en Maas blijven derhalve de wettelijke normen van 3 oue/m³ op de kernen en 14 oue/m³ in het buitengebied van toepassing. Het plangebied is gelegen binnen het buitengebied. Binnen het plangebied geldt derhalve een maximale geurbelasting van 14 oue/m³. Achtergrondbelasting In het kader van de Subsidieregeling Sanering Varkenshouderij wordt de varkenshouderij gesaneerd en is er sprake van akkerbouw en rundvee activiteiten met de nevenactiviteit hondencentrum. Gelet op de aard en omvang van de toekomstige situatie zullen de milieueffecten op de omgeving sterk verbeteren. De achtergrondbelasting is de totale geurbelasting veroorzaakt door alle veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting bepaalt het leefklimaat in een gebied. In de ‘Structuurvisie Intensieve veehouderij en glastuinbouw buitengebied gemeente Peel en Maas’ van de gemeente Peel en Maas d.d. 7 december 2011 is de beoordeling van het leefklimaat weergegeven. Het hondentrainingcentrum bevat een kantoor, en er verblijven mensen gemiddeld meer dan 2 uur per dag. En is dus een geurgevoelig object.
In juli 2021 is een actualisering IV-beleid plaatsgevonden, waarbij de intrekkingen van deze IV en omliggende IV bedrijf zijn verwerkt. Navolgende uitsnede uit het IV-beleid geeft aan dat er sprake is van een matig tot redelijk goedleefklimaat op de planlocatie.
33
Voor wat betreft de vaste afstanden geldt dat enerzijds de afstand tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt van het betreffende gedeelde van de inrichting bepaald moet worden. Deze afstand moet minimaal 50 meter zijn. Anderzijds gaat het om de afstand tussen de buitenzijde van een milieugevoelig object en de dichtstbijzijnde buitenzijde van een dierenverblijf (stal) van het betreffende gedeelte van de inrichting. Deze afstand moet minimaal 25 meter zijn. In het kader van onderhavig planvoornemen wordt ruim aan de minimale afstand van 50 meter voldaan. Het dichtstbijzijnde gelegen geurgevoelige object is op meer dan 50 meter gelegen ten opzichte van het dichtstbijzijnde emissiepunt.
Conclusie
Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat met de ontwikkeling sprake zal zijn van een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied. Met het planvoornemen worden omliggende geurgevoelige functies niet belemmerd door onderhavig planvoornemen en worden omliggende geur belastende activiteiten niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Vanuit geurhinder en veehouderijen bestaan er hiermee geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.
4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1 Algemeen
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • • •
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; 34
•
het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: • •
het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3).
De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
35
4.7.2 Toetsing plan De vergunde fijnstofemissie ten tijde van de intensieve betemming was 204.339 gr/jaar. Door de gedeeltelijke intrekking van deze vergunning is de emissie verlaagd naar 8.772 gr/jaar na intrekking. In het voornemen is er sprake van fijnstof voor het houden van het rundvee, namelijk 14.660 gr/jaar. In de veehouderijsector is voornamelijk de emissie van fijnstof (PM 10) bepalend voor de luchtkwaliteit op de omgeving. Emissies van de overige stoffen waaraan volgens de Wet luchtkwaliteit getoetst moet worden zijn voor onderhavig bedrijf verwaarloosbaar. De stallen zijn de belangrijkste bron van fijnstof (PM10) emissie. De NO2- en PM10-emissie door de transportbewegingen van en naar een veehouderij kunnen aangemerkt worden als Niet In Betekende Mate. De wettelijke normen voor PM10 zijn: • Jaargemiddelde concentratie 40 μg/m3 • Maximaal 35 overschrijdingsdagen van 50 μg/m3 Bijdrage voertuigbewegingen In ondergeschikte mate kan emissie van fijnstof plaatsvinden als gevolg van (interne) voertuigbewegingen. Om te bepalen of de NO2- en PM10-emissie ten gevolge van de voertuigbewegingen aan te merken is als ‘Niet In Betekenende Mate’, kan de NIBM-tool van het Ministerie van I&M gebruikt worden. De NIBM-tool geeft aan dat er gerekend dient te worden met de extra bewegingen.
Om een beoordeling te geven over de voertuigbewegingen en de bijdrage in fijnstof daarvan is in de NIBM-tool, als worstcase-benadering, het totale aantal verkeersbewegingen ten gevolge van de aanvraag ingevoerd. Hierbij is rekening gehouden met het aantal motorvoertuigbewegingen per etmaal ingevolge de voorgenomen ontwikkeling. Voor meer informatie hieromtrent zie paragraaf 4.10 ‘Verkeer en parkeren’. Situatie voor het bedrijf In het kader van de Subsidieregeling Sanering Varkenshouderij wordt de varkenshouderij gesaneerd en wordt de bedrijfsvoering omgeschakeld naar een akkerbouw en rundveebedrijf met nevenactiviteit hondencentrum. Door het staken van de intensieve veehouderij verbeterd de milieusituatie aanzienlijk. Zoals uit paragraaf 4.10 blijkt, leidt onderhavige ontwikkeling tot een verkeersgeneratie van 24 motorvoertuigbewegingen per etmaal.
36
Er vindt een afname plaats in het aantal transportbewegingen ten opzichte van de vergunde situatie. De transportbewegingen zijn hieronder weergeven: Activiteiten
Aanvraag
Vergund
Afvoer dieren
12
per jaar
52
per jaar
Aanvoer voer
12
per jaar
104
per jaar
Afvoer mest
36
per jaar
208
per jaar
Afvoer spuiwater
0
per jaar
52
per jaar
Afvoer kadavers
52
per jaar
52
per jaar
Lichtverkeer
14.600
per jaar
1.825
per jaar
Overige transporten 1
52
per jaar
0
per jaar
Totaal transport zwaar
164
per jaar
468
per jaar
Totaal transport licht
14.600 per jaar
1.825 per jaar
In het kader van de luchtkwaliteit zijn alle verkeersbewegingen van het voornemen ingevoerd in de rekentool NIBM 2020. Resultaat rekentool NIBM 2020 Bijdrage extra verkeer Ministerie van I&M/Infomil
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
1,1%
NO2 in μg/m3
0,03
PM10 in μg/m3
0,01
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
34
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedroeg de concentratie PM2,5 in 2020 ter plaatse tussen minder dan 10 µg/m³, de concentratie PM10 minder dan 18 µg/m³ en de concentratie NO2 in tussen de 10 en 15 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting 37
de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren ter plaatse van het plangebied door voortschrijdende technologie en doordat met het planvoornemen de varkenshouderij wordt gesaneerd en er sprake zal zijn van een duurzame toekomstige bedrijfsvoering.
Conclusie
Uit bovenstaand resultaat blijkt dat de bijdrage van voertuigbewegingen van en naar de inrichting in het kader van de luchtkwaliteit beschouwd kan worden als niet in betekende mate. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots voldoende. De voorgenomen ontwikkeling is niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Verder onderzoek op dit punt is niet noodzakelijk. Conclusie: er zijn geen belemmeringen vanuit het aspect luchtkwaliteit voor het plan.
4.8 M.e.r.-(beoordelings)plicht 4.8.1 Algemeen Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: -
Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden.
Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Onderhavig initiatief is niet opgenomen in de C- of D-lijst, omdat er sprake is van het saneren van een intensieve veehouderij waarbij planologisch juridisch enkel sprake is van het verwijderen van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en waarbij het toekomstige gebruik bestaat uit een akkerbouwbedrijf, rundveehouderij met 190 runderen en de uitoefening van een agrarische nevenactiviteit in de vorm van hondencentrum. In het kader van de ontwikkeling wordt het bouwvlak verkleind van 2,0 ha naar 1,1 ha en wordt het gebouwelijke oppervlakte gewijzigd van 7.118 m2 naar 3.413 m2. Gelet op de aard en omvang van het planvoornemen is er geen sprake van een toekomstige m.e.r. plichtige activiteit. Dus is er geen plicht tot een milieueffectrapportage of tot een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Ten aanzien van het tweede criteria inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.
Zoals in paragraaf 4.9 reeds uitgebreid uiteengezet heeft onderhavige ontwikkeling met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.
4.8.2 Toetsing plan
De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
38
4.9 Natuur 4.9.1 Algemeen De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebieds-bescherming en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 zijn de gebieds- en soortenbescherming op nationaal niveau opgegaan in één wet, de Wet natuurbescherming (hierna: ‘Wnb’). Omdat er nog steeds wel sprake is van een afzonderlijk beoordelingskader wordt hierna afzonderlijk ingegaan op de gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming Bij de beschrijving van de ter plaatse geldende gebiedsbescherming gaan we in op de Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN).
Natura 2000
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebied-en in Europa, die worden aangewezen ter uitvoering van twee Europese richtlijnen: de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Activiteiten en ontwikkelingen die kunnen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij hiervoor een toestemming op grond van de Wnb is verkregen.
Natuurnetwerk Nederland
Naast de bescherming van de Wnb kunnen waardevolle gebieden ook beleidsmatig beschermd zijn, doordat zij behoren tot het NNN (voorheen beiden Ecologische Hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend geheel van natuurgebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten, bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. Soortenbescherming De soortenbescherming is eveneens geregeld in de Wnb. Op dit punt heeft de Wnb per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet vervangen. Het doel van de Wnb is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen.
De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden.
39
4.9.2 Toetsing plan Gebiedsbescherming
Natura 2000
Op onderstaande kaart zijn de Natura 2000-gebieden weergegeven die in de omgeving van de planlocatie liggen. De dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de gebieden ‘Groote Peel’ en ‘Deurnsche Peel en Mariapeel’. Zij bevinden zich op respectievelijk ca. 8,0 kilometer en ca. 3,7 kilometer van de planlocatie. Figuur: 4.3: Natura 2000- gebieden in omgeving planlocatie.
Gezien de aard van de activiteiten en de ligging van de locatie is er geen sprake van overige effecten op Natura 2000-gebieden. Gelet op de diverse activiteiten, ontwikkelingen binnen het plangebied en het stoppen van een intensieve veehouderij, is een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd. De resultaten zijn nader uitgewerkt in bijlage 9. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledig onderzoek in bijlage 9.
40
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat enkele rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Dit zijn ‘randeffecten’ in het programma Aerius door de maximale rekenafstand van 25 km. De volledige rapportage met uitwerking randeffecten is weergeven in bijlage 9. Op de overige gebieden is sprake van geen toename in stikstofdepositie. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden.
41
Natuurnetwerk Nederland
Voorts is het plan niet gelegen binnen het NNN. Het dichtsbij gelegen NNN-gebied bevindt zich op circa 200 meter ten noorden van het plangebied. Soortenbescherming In relatie tot de soortenbescherming kan over het plangebied worden opgemerkt dat het voornemen ziet op de realisatie van bouwwerken binnen het agrarische bedrijfsperceel. Het initiatief vindt plaats binnen het reeds bestaande bouwvlak en op het maaiveld. Bovendien wordt met het planvoornemen geen groen verwijderd en zijn verharding en nutsvoorzieningen aanwezig. Gezien het voorgaande is van een negatief effect op beschermde flora en fauna is dan ook geen sprake. Voor de voorgenomen ontwikkeling is geen toestemming op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig. Het is wel noodzakelijk om in het kader van de algemene zorgplicht om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen realisatie van overdekte uitlopen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen tijdens bouwwerkzaamheden. Conclusie: het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Algemeen Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).
4.10.2 Toetsing plan Het plangebied ligt achter het bedrijf ten op zichte van de Lorbaan. Het verkeer dat zich op de Lorbaan bevindt, bestaat uit bestemmingsverkeer naar de omliggende agrarische bedrijven en woningen en is tevens de ontsluitingsweg vanuit Grashoek richting de A67/Middenpeelweg. Het plan omvat het staken van de varkenshouderij. Dit heeft een waarneembare afname van het aantal zware transporten. De uitrit zal niet veranderd worden. Het maximaal aantal transporten is per jaar:
42
Het plan heeft geen nadelige consequenties voor de verkeersveiligheid doordat er sprake is van een aanzienlijk afname van vrachtverkeer. Er is een toename van personenauto’s waardoor de intensiteit toeneemt. De toename van verkeerintensiteit op de Lorbaan geeft geen problemen. Tevens beschikt het plangebied over voldoende ruimte voor parkeren. In totaal zijn er twee werknemers (één voor de honden, één voor agrarisch) welke niet op de bedrijfslocatie op dit moment woonachtig zijn. Zij komen tezamen met de auto naar het bedrijf. Hiervoor is 0,8 parkeerplaats benodigd (CROW, december 2012). Daarnaast is er sprake van de hondentraining en het hondendagopvang. In het hondencentrum zijn maximaal 20 honden aanwezig. Uitgaande dat 85% individueel met de auto komt. Hiervoor zijn 17 parkeerplaatsen nodig. Tezamen met de werknemers zijn er 18 parkeerplaatsen benodigd. Daarnaast komen met hondbezitters hun hond naar de opvang brengen. Dit wordt gezien als het Kiss & Ride principe waarbij de hondbezitter circa 10 minuten op het erf is. Uitgaande dat er maximaal 2 hondbezitters tegelijk komen zijn hier zeven parkeerplaatsen voor nodig. De training en het ophalen van de honden gebeurt niet tegelijkertijd waardoor de 18 parkeerplaatsen voldoende zijn voor het voornemen. De parkeerplaatsen zijn weergeven op onderstaande uitsnede van de milieutekening.
Conclusie: het plangebied beschikt over voldoende parkeergelegenheid en wordt goed ontsloten.
4.11 Volksgezondheid Het houden van landbouwhuisdieren kan effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving van de veehouderij. Risico's kunnen er ook zijn voor dieren die in nabijgelegen bedrijven worden gehouden. Het gaat hierbij om zoönosen (infectieziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan) en bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, zoals MRSA. Ook vormt de emissie van fijnstof een risicofactor. Fijnstof uit stallen bestaat uit fijne en grovere fracties en bevat allerlei biologische agentia, waaronder 43
endotoxinen. Daarnaast vormt geur een indirect risico voor de volksgezondheid. Ook geluidhinder en externe veiligheid zijn aspecten die effect kunnen hebben op de volksgezondheid. In deze rubriek wordt nader ingegaan op de (lopende) onderzoeken naar de effecten van veehouderij op de volksgezondheid, zoönosen en de maatregelen op bedrijfsniveau ter voorkoming van insleep en verspreiding van dierziekten. Allereerst wordt een overzicht gegeven van de relevante wetgeving en jurisprudentie.
4.11.1 Algemeen Wetgeving en jurisprudentie Het thema volksgezondheid is in de volgende wetten als volgt geregeld: • Wet publieke gezondheid: het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg. Ter uitvoering van deze taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen. Tevens kunnen maatregelen geformuleerd worden ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen; • Wet milieubeheer: in deze wet en de daarop berustende bepalingen worden onder gevolgen voor het milieu in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen. De Wet milieubeheer bevat geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor volksgezondheid zijn geregeld.
Wel bestaat ruimte voor een aanvullende milieuhygiënische toets ten aanzien van besmettingsgevaar; • Wet ruimtelijke ordening: daarin is bepaald dat een ontwikkeling moet voldoen aan het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’; • Besluit milieueffectrapportage: daarin staat de verplichting om de effecten voor de volksgezondheid als milieugevolg van een activiteit te betrekken in de besluitvorming. Het staat het bevoegd gezag in principe vrij op welke wijze deze verplichting ingevuld wordt. Het bevoegd gezag moet zich bij de besluitvorming baseren op beschikbare onderzoeken en ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’. Voor sommige criteria zoals ammoniak, geur en fijn stof zijn specifieke wet- en regelgeving, richtlijnen en handelingsmethoden beschikbaar. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hanteert de lijn dat de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven een mee te wegen belang is bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Tegelijkertijd stelt de Afdeling dat de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair vindt in andere wetgeving en dat daarnaast aan een omgevingsvergunning voorschriften kunnen worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken.
Wel dient in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onderzocht te worden of een plan niet zodanige risico’s voor de volksgezondheid meebrengt dat dit onvoldoende gewaarborgd is. Onderzoeken Uit onderstaand overzicht wordt duidelijk dat in de afgelopen jaren verschillende onderzoeken zijn uitgevoerd naar een mogelijke relatie tussen veehouderijen en effecten op de volksgezondheid.
Onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG)
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) heeft in 2008 een rapport gepubliceerd met betrekking tot intensieve veehouderij en volksgezondheid. Strekking van dit rapport is dat effecten van intensieve veehouderijbedrijven op de volksgezondheid op verschillende manieren tot stand kunnen komen. Bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via mest en via voedingsmiddelen van dierlijke 44
oorsprong. In 2009 is het onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) gestart. In juni 2011 zijn de resultaten bekend gemaakt van dit IVG-onderzoek. Hieruit is geen duidelijke afstand tot veehouderijbedrijven gebleken en geen relatie met de omvang van veehouderijen of dierdichtheid te benoemen waarbij gezondheidseffecten bij mensen vaker optreden. Uit een publicatie van juli 2012 inzake het infectierisico van omwonenden van veehouderijen blijkt dat nog geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan, met uitzondering van Q-koorts. Voornoemde afgeronde onderzoeksrapporten beschouwde de rechter niet als ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’. De Gezondheidsraad heeft op 30 november 2012 het advies ‘Gezondheidsrisico’s rond veehouderijen’ gepubliceerd. Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico’s lopen. Op basis hiervan is niet op wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen. Er zijn wel aanwijzingen dat omwonenden kunnen worden blootgesteld aan endotoxinen. Concentraties van bepaalde stofdeeltjes, endotoxinen en micro-organismen, zullen afnemen met toenemende afstand tot een bedrijf en ook afhangen van de mate van emissie vanuit een bedrijf.
Ook de meteorologische omstandigheden, de lokale bebouwing en beplanting kunnen van invloed zijn.
Onderzoek Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO)
In 2014 is het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO)’ van start gegaan. Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk dit aanvullende onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn bekend gemaakt in juli 2016. In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD, een chronische ziekte aan de longen. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij. Niet alleen dichtbij veel veehouderijen wonen zorgt voor een lagere longfunctie. De longfunctie wordt in het hele onderzoeksgebied lager op momenten dat de concentratie van ammoniak in de lucht hoog is. Deze effecten zijn vergelijkbaar met de schadelijke gezondheidseffecten van verkeer in een stad.
De onderzoekers vonden dat er meer longontstekingen in het onderzoeksgebied voorkomen dan in de rest van het land; een verschil dat na de Q-koorts-epidemie van 2007-2010 wel kleiner is geworden. In het onderzoek is ook gekeken of bepaalde zoönoseverwekkers vaker voorkomen in de omgeving van veehouderijen ten opzichte van de rest van het land. Bij het hepatitis E-virus, de bacterie Clostridium difficile en ESBL-producerende bacteriën is dat niet het geval. Wel lijken mensen iets vaker drager te zijn van de veegerelateerde MRSA-bacterie. Of deze verhoging komt door uitstoot vanuit veehouderijen is nog onduidelijk. Dit zijn de belangrijkste conclusies uit het VGO-onderzoek. Het VGO-onderzoek is uitgevoerd in het oostelijk deel van Noord-Brabant en in Noord-Limburg. Daardoor zijn (sommige) resultaten mogelijk alleen van toepassing op het onderzochte gebied. Dat komt doordat lokale kenmerken, bijvoorbeeld luchtvervuiling uit omliggende industriegebieden en de mate van concentratie van veehouderijen, van invloed zijn op de bevindingen.
Rapport Emissies van Endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a)
Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het Rapport Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. In stof worden van micro-organismen afkomstige endotoxinen gevonden. Endotoxinen zijn dode celwand-deeltjes van bacteriën die geen pathogene eigenschappen 45
meer hebben. Wel kunnen endotoxinen na inademing tot gezondheidsklachten leiden. Meer onderzoek is nodig om de invloed van deze eigenschappen bij endotoxinen te bepalen. De Gezondheidsraad beveelt ten aanzien van de endotoxinen-blootstelling een adviesgrenswaarde van 30 EU/m3 aan.
46
Veehouderij en gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)
Op 16 juni 2017 is het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)’ bekendgemaakt. In dit rapport worden de resultaten uit het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ van juli 2016 bevestigd. Daarnaast wordt in het rapport ingegaan op de effecten van geitenhouderijen. Uit aanvullende studies volgen sterke aanwijzingen dat fijn stof en componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. Het onderzoek bevestigt ook de eerdere conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Uit luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter wordt. Ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen lijken toch substantieel bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving.
ILVO-onderzoek
Uit onderzoek van het Belgisch Instituut Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) in het voorjaar van 2017 blijkt dat een groot deel van de in het Nederlandse VGO-onderzoek aangehaalde risico’s niet relevant zijn, gebrek aan wetenschappelijke basis hebben en niet specifiek zijn voor omwonenden van veehouderijen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het veerijke WestVlaanderen. Het Nederlandse VGO-onderzoek kan volgens de Belgische onderzoekers niet claimen of suggereren dat veehouderijen een negatief gezondheidseffect hebben op omwonenden. Bijkomend onderzoek is dan ook nodig. Zo moet worden nagegaan of er een effect is van de gecombineerde emissies uit veehouderij, de transportsector en andere industriële sectoren. Op het eerste gezicht lijkt de impact van wonen nabij een stal op de gezondheid beperkt, maar er zijn nog een aantal vraagtekens die beantwoord moeten worden. In haar rapport stelt ILVO dat uit de stallen zowel primair fijn stof als ammoniak ontsnapt. Ammoniak op zich vormt geen bewezen gezondheidsrisico, maar in de buitenlucht, ver weg van de stallen, kan het zich binden aan andere vervuilende stoffen zoals roet. Wat ontstaat, is secundair fijn stof dat voor iedereen, niet enkel voor de omwonenden van veestallen, schadelijk kan zijn.
Om de gevolgen van deze combinatie van fijn stof en ammoniak, evenals het aandeel van de landbouwsector in de uitstoot van fijn stof beter in kaart te brengen, is naar de mening van de ILVO-onderzoekers verder onderzoek nodig. Niet omdat er een mogelijk risico bestaat, maar om uitsluitsel te geven en duidelijkheid te brengen in de discussie die er nu bestaat. In het Nederlandse volksgezondheidsonderzoek (VGO) wordt het verhoogde aantal longontstekingen in regio’s met intensieve veehouderij gelinkt aan verhoogde concentraties endotoxines. Maar volgens ILVO is het onwaarschijnlijk dat zuivere endotoxines de oorzaak zijn. De gebruikte grenswaarde is gebaseerd op endotoxines gehecht aan fijn stof, terwijl ze in stallen voornamelijk hechten aan grovere stoffracties. En dat grover stof dringt slechts binnen in de bovenste luchtwegen, niet in de lagere. Bovendien tonen recente studies, waaronder VGO, aan dat endotoxines bij omwonenden ook positieve effecten kunnen hebben in de bovenste luchtwegen, zoals een beschermend effect tegen astma en allergieën. Omdat duidelijkheid ontbreekt, is het volgens ILVO momenteel wetenschappelijk onmogelijk om een veiligheidsnorm voor omwonenden te definiëren en te hanteren. Ook hier is verder onderzoek nodig, ook met aandacht voor de mogelijke positieve effecten van endotoxines.
ILVO bestudeerde ook het risico op verspreiding van bacteriën, virussen, schimmels en parasieten die aanwezig kunnen zijn bij vee, en de effecten van geneesmiddelengebruik in de stallen in de ontwikkeling van resistentie. Het is echter weinig waarschijnlijk dat deze pathogenen zich verspreiden via de lucht, maar blootstelling via de ruimere leefomgeving zoals mest en water. Via voeding is het wel mogelijk. 47
Denk aan besmettingen met Salmonella, Campylobacter, E. coli, Hepatitis E, antibioticaresistente bacteriën en azoleresistente schimmels. Het risico beperkt zich hier dus niet tot de omwonenden, maar breidt zich uit tot de algemene volksgezondheid.
Vervolgonderzoeken en vervolgadvies Gezondheidsraad (2018)
De Gezondheidsraad geeft aan dat het nog steeds niet duidelijk is of er sprake is van een oorzakelijk verband tussen longproblemen en veehouderijen. Daarvoor is het aantal kwalitatief goede onderzoeken zowel in Nederland als in het buitenland te beperkt. Hoewel niet kan worden vastgesteld wat de luchtwegeffecten rond veehouderijen veroorzaakt, is het volgens de raad wel zinvol maatregelen te treffen en adviseert dan ook verdere reductie van de uitstoot van fijnstof. In de lucht rond veehouderijen zit veel fijn stof en uit onderzoek in stedelijke omgevingen blijkt dat fijnstof waarschijnlijk effecten veroorzaakt op luchtwegen en longen. Reductie van fijn stof bevordert dus de volksgezondheid als geheel. Ook adviseert de raad om de uitstoot van ammoniak verder te verminderen, omdat ammoniak bijdraagt aan de vorming van fijn stof.
Vervolgonderzoek Veehouderijen en Gezondheid Omwonenden; VGO3
Eind 2017 is het eerste onderzoek binnen het onderzoeksprogramma VGO3 van start gegaan. Dit onderzoek is nu afgerond. Tot 2021 zullen verschillende deelonderzoeken afgerond worden. Doel van dit vervolgonderzoek was nagaan of de eerder gevonden associatie tussen wonen in de omgeving van geiten- en pluimveehouderijen en longproblemen kan worden aangetoond. Het onderzoek richt zich op de periode 2014 tot en met 2016. Eerder onderzoek liep van 2009-2013. Uit dit onderzoek volgt dat mensen rondom pluimveehouderijen geen grotere kans hebben op een longontsteking. De eerder gevonden associatie tussen het wonen in de nabijheid van een geitenhouderij en het voorkomen van longontstekingen binnen een reikwijdte van 2 kilometer wordt met dit onderzoek bevestigd voor de periode 2014-2016. De oorzaak van de toename van longontstekingen rond geitenbedrijven is echter nog onbekend. Daar is verder onderzoek voor noodzakelijk. Onbekend is of deze resultaten ook van toepassing zijn op andere regio’s dan het VGO onderzoeksgebied (het oosten van Noord-Brabant en Limburg). Mogelijk speelt naast de luchtverontreiniging vanuit veehouderijen, ook de algemene luchtkwaliteit door o.a. fijnstof vanuit het buitenland een rol. Hoe dat de resultaten beïnvloedt is niet bekend.
Een van de (deel)onderzoeken binnen het VGO3 onderzoeksprogramma zal daarom plaatsvinden in de provincies Utrecht, Gelderland en Overijssel. Dit onderzoek zal in 2019 worden afgerond. Zoönosen rundvee De verbetering van de diergezondheid op veehouderijen is volop in ontwikkeling. Een aantal besmettelijke dierziekten is al uitgeroeid of sterk teruggedrongen. Kwaliteitszorgsystemen hebben door controles op het vóórkomen van ziekten en naleving van hygiënevoorschriften hieraan bijgedragen. Zoönosen zijn infectieziekten veroorzaakt door micro-organismen die kunnen overgaan van dieren naar mensen. Ten aanzien van (melk)rundvee zijn de meest relevante zoönosen de Campylobacterbacterie, de E.Coli (EHEC) bacterie en BSE. Campylobacterbacterie en de E.Coli bacterie (EHEC) Besmetting vindt plaats door direct contact met de dieren, door het eten van besmet en onvoldoende hygiënische bereiding van vlees of drinken van (ongepasteuriseerde) melk. BSE Boviene spongiforme encefalopathie (ook wel BSE of gekkekoeienziekte) kan voorkomen bij rundvee. BSE kan alleen overgedragen worden op de mens door eten van besmet vlees. Bij mensen uit een besmetting zich in de dodelijke ziekte Creuzfelt-Jacob. Ter voorkoming van besmetting van rundveevlees
48
zijn de voorschriften bij de slacht aangescherpt, in veevoer wordt geen diermeel meer gebruikt en hersenen, het ruggenmerg en de grote zenuwen worden buiten de voedselketen gehouden. Antibiotica-resistentie Mensen kunnen antibiotica-resistente bacteriën overnemen van dieren, via voedsel of contact met dieren. Bacteriën kunnen resistentie ontwikkelen als neveneffect van het gebruik van antibiotica om dierziekten te bestrijden. De resistentie is het hoogst bij dieren die voor de vleesproductie worden gehouden. Het risico voor de volksgezondheid is dat resistente bacteriën kunnen veranderen in meer virulente of aan de mens aangepaste varianten of hun resistentie overdragen aan andere bacteriën. Omdat voor dieren grotendeels dezelfde antibiotica worden gebruikt als voor mensen vormt resistentie een risico voor de volksgezondheid. Antibiotica wordt in de melkrundveehouderij het meest gebruikt bij uier- en klauwproblemen. Het is al vanaf 2006 verboden om antimicrobiële voerbespaarders toe te passen in mengvoer. Het landelijk beleid is momenteel gericht op een forse reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij (70% in 2015) en een zorgvuldig gebruik.
4.11.2 Toetsing plan Ten aanzien van geur-, fijn stof- en geluidsbelasting blijkt uit deze toelichting dat wordt voldaan aan de wettelijke waarden. Verder is onder meer gebleken dat het bedrijf in een dun bevolkt buitengebied ligt en dat de afstand van het bedrijf tot omliggende bebouwing dusdanig is, dat wordt voldaan aan de afstandsnormen uit de geurregelgeving en richtafstanden van de VNG, zodat een aanvaardbaar woonen leefklimaat kan worden geborgd. Voor zover de uitgevoerde onderzoeken al een wetenschappelijk verband kunnen leggen tussen veehouderijen en effecten op de volksgezondheid, zijn deze studies dusdanig algemeen van aard, dan wel uitgevoerd in specifieke onderzoeksgebieden, dat het (zeer) lastig is om de uitkomsten daarvan te projecteren op het hier voorliggende plan. Niettemin treft initiatiefnemer wel maatregelen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Maatregelen op bedrijfsniveau Binnen de inrichting zijn maatregelen getroffen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk.
Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Het houden van rundvee vereist de nodige hygiëne-maatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen. De volgende maatregelen worden getroffen: • Het voornemen betreft een nieuwe potstal voor het houden van rundvee, waarin een optimale diergezondheid mogelijk is. Doordat de nieuwe stal voorzien wordt van een hygiënesluis wordt de kans op insleep van dierziekten door mensen verkleind. • De stallen worden goed geventileerd, zonder tocht. Hierdoor worden luchtweginfecties zoveel mogelijk voorkomen. • Door zo minimaal mogelijk dieren aan te kopen wordt het inslepen van ziekten van buitenaf tot het minimum beperkt. Streven is naar een zo hoog mogelijke gezondheidsstatus op het bedrijf. • Waar nodig zullen dieren preventief ingeënt worden. • Het gebruik van antibiotica wordt zoveel mogelijk beperkt en er wordt voldaan aan de PVEverordening voor antibioticaregistratie en verantwoord antibioticaverbruik. • Personeel en bezoekers die in contact komen met de dieren moeten bedrijfskleding dragen die regelmatig wordt gereinigd. 49
Conclusie: het aspect volksgezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.12 Water 4.12.1 Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Provinciaal Milieu- en Waterplan 20162021, het Waterbeheersplan van waterschap Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Het belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • •
vasthouden – bergen – afvoeren (waterkwantiteit); voorkomen – scheiden – zuiveren (waterkwaliteit).
Het Waterschap Limburg heeft aangegeven dat bij een toename van het verhard oppervlak en het afkoppelen van hemelwater, het uitgangspunt geldt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd.
50
Kenmerken van het watersysteem
Uitsnede Leggerkaart Waterschap met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd)
De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: bodem en grondwater, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater.
4.12.2 Toetsing plan Bodem en Grondwater De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied bepaald op basis van de kaart 'Milieubeschermingsgebieden', behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014. Op basis van de bodemdoorlatendheidskaart van Waterschap Limburg kent het plangebied een goede doorlatendheid. De verwachte doorlatendheid ligt rond de 0,75 tot 1,0 m/dag. Uit kaarten van het waterschap en de provincie Limburg blijkt dat de onderzoekslocatie in een infiltratiegebied ligt. Oppervlaktewater Op basis van de leggerkaart van waterschap Limburg is binnen het plangebied geen oppervlaktewateren gelegen. Wel is aangrenzend aan het plangebied de Winkenven gelegen. Met de beoogde herontwikkeling van het plangebied zullen geen handelingen plaatsvinden welke effect zullen hebben op de aanwezige Winkenven. Afvalwater In de rondom de planlocatie gelegen wegen is een traditioneel vrij verval gemengd rioolstelsel gelegen. De aanwezige afvalwater voorzieningen blijven in de toekomstige situatie ongewijzigd.
51
Hemelwater Met de voorgenomen ontwikkeling wordt het bebouwde en verharde oppervlak gewijzigd. In totaal wijzigt het bebouwde en verharde oppervlak in toekomstige situatie naar 3.413 m2, terwijl in de huidige situatie sprake is van 7.118 m2. Dit is een forse afname van het verhard en bebouwd oppervlak. Met het saneren van ‘grijs’ oppervlak wordt in het kader van onderhavig planvoornemen voorzien in kwaliteitsimpulsen van het landschap door de al aanwezige groenelementen. Hiermee neemt het ‘groen’ oppervlak binnen het perceel toe en is er meer ruimte voor infiltratie in plaats van het afstromen en afvoeren van water. Hiermee draagt het planvoornemen positief bij aan hydrologisch neutraal ontwikkelen. Het reeds bestaande hemelwaterinfiltratie bassin blijft in de toekomst behouden en ongewijzigd. Gelet op de huidige situatie en de afname van het verhard en bebouwd oppervlak maken dat de ontwikkeling zorgt voor een verbetering van de waterhuishouding. Gelet op het bovenstaande vindt in het kader van het planvoornemen derhalve geen nadere uitwerking plaats van mogelijke infiltratievoorzieningen.
52
Hoofdstuk 5 – Uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.
5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het ontwerpbestemmingsplan van de voorgenomen ontwikkeling, zal zes weken ter inzage liggen. Eenieder kan hierover schriftelijk of mondeling een zienswijze kenbaar maken bij de gemeenteraad. Binnen twaalf weken na de terinzagelegging wordt het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad. Dit vastgestelde plan wordt eveneens ter inzage gelegd. Gedurende de terinzagelegging kan beroep tegen het plan worden ingesteld bij de Raad van State. Dit kan uitsluitend worden gedaan door personen die ook tijdig een zienswijze tegen het ontwerp hebben ingediend. Participatie Gemeente en initiatiefnemers achten het van belang dat de ontwikkeling vroegtijdig aan omwonenden wordt toelicht en met de omgeving wordt besproken. Doel van een omgevingsdialoog is om omwonenden de informeren en in gelegenheid te stellen hun bezwaren hiertegen kenbaar te maken. Voorafgaand aan de formele voorbereidingsprocedure is een omgevingsdialoog gevoerd met de buurtbewoners van de Lorbaan te Grashoek. Een samenvatting van de omgevingsdialoog wordt hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage in bijlage 11. De omgevingsdialoog is toegevoegd met een kort verslag wat overgebracht is en een handtekeningen overzicht van omwonenden die kennis hebben genomen van het planvoornemen.