CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-019 03 Toelichting Donk 2a Kessel.pdf

Commissie 7 maart 2023, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen “bestemmingsplan Donk 2a Kessel”, wijziging van Agrarisch Intensieve veehouderij naar Agrarisch verwant bedrijf en aanduiding wettelijke plattelandswoning (2023-019)17.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.3.4 Beleidsnotitie ‘nieuwe denkrichting Vrijkomende (Agrarische) Bebouwing (VAB) in het buitengebied’ In de beleidsnotitie wordt, aanvullend op het bestaande beleid, de mogelijkheid geboden om na sloop van gebouwen een nieuw gebouw te bouwen. Deze mogelijkheid is gemaximeerd op 2/3e van de te slopen bebouwing, met een maximum van 1.500 m3. Belangrijkste doel van de regeling is een substantiële kwaliteitsverbetering in het buitengebied door afname van bebouwing. Bij het VAB beleid is het uitgangspunt dat een nieuwe functie in bestaande bebouwing plaatsvindt. Nieuwe bebouwing is alleen mogelijk bij sloop van bebouwing en wanneer gebruik wordt gemaakt van de sloopbonusregeling. Om te bepalen welke bedrijven in een VAB gevestigd mogen worden, is een lijst van referentiebedrijven opgesteld. Uitgangspunt is maximaal categorie 1 en 2 bedrijven. Daarbij zijn er voor agrarisch verwante bedrijven in de zone ‘overig buitengebied’ meer mogelijkheden dan voor niet-agrarisch verwante bedrijven. Voor de ontwikkeling aan de Donk 2a wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om na sloop van agrarische bedrijfsgebouwen nieuwe bebouwing ten behoeve van agrarisch verwante bedrijvigheid op te richten. De herontwikkeling vindt plaats met toepassing van de warme saneringsregeling.

De ruimtelijke en milieuhygiënische kwaliteitswinst is met de beëindiging van de varkenshouderij zodanig, dat een maatwerk afweging heeft plaatsgevonden. Gezien de aard van de vervolgfunctie wordt een maximum bebouwd oppervlak van 2.600 m2 toegestaan, zijnde minder dan de helft van de gesloopte bebouwing. De maximale terugbouw van 2/3e van de sloop wordt dan ook niet gehaald, wel wordt het gestelde maximum van 1.500 m3 overschreden met de maatwerkafwijking. Desondanks is sprake van een substantiële afname van bebouwing die zorgt voor significante kwaliteitswinst. De milieucategorie, blijkens paragraaf 4.11 zijnde 3.1, is passend binnen de aard van het gebied en aanvaardbaar gezien de functies in de omgeving. Het betreft een agrarisch verwante functie in de zone ‘overig buitengebied’.

26

3.3.5 Kaderstelling Ruimte en Economie (2017) In de Kaderstelling is de gewenste ontwikkelingsrichting voor Peel en Maas vastgelegd vanuit de kernwaarden zelfsturing, duurzaamheid en diversiteit. De Kaderstelling is geconcretiseerd in een aantal Uitvoeringsafspraken. De uitvoeringsafspraken die relevant zijn voor de herontwikkeling van Donk 2 – 2a zijn onderstaand nader uitgewerkt. Program-

Uitvoerings-

ma-doel

afspraak 1.2

Omschrijving

Toets

Benutten

Hergebruik

bestaande

voorkeur

bebouwing en

uitbreiding

sturen

nieuwvestiging.

op

verdient

de

Aan de Donk 2 – 2a is sprake van een

boven

bestaande bouwkavel. Het verzoek ziet

of

op hergebruik van deze reeds voor een bebouwde functie aangewezen plek,

hergebruik

waarbij de bedrijfsbebouwing is/ wordt vervangen

conform

de

warme

saneringsregeling. Sloop is vanuit deze regeling verplicht. Daarom kan in dit geval geen gebruik gemaakt worden van de bestaande bebouwing. Tevens ontstaat door de sloop en herbouw een kwaliteitswinst. 1.3

Duurzaam en

Een

fysieke

In het plangebied werden in het

bewust

leefomgeving is belangrijk

verleden varkens gehouden. Dit had

voor instandhouding van

ongewenste

een vitale gemeenschap.

leefomgeving.

omgaan

met

fysieke

gezonde

leefomgeving

gevolgen

voor

de

In de nieuwe situatie is sprake van bedrijfsactiviteiten die faciliterend zijn voor de paardensport. Naast een economische component heeft deze bedrijvigheid

een

sportieve

en

recreatieve component. De ontwikkeling levert tevens een bijdrage

aan

de

lokale

werkgelegenheid. 1.4

Verbinding en

Ontwikkelingsruimte met

De uitoefening van een intensieve

balans tussen

oog voor kwaliteit. Toetsen

veehouderij in de buurt van de

de

aan diversiteit, zelfsturing

bebouwde kom en natuurgebieden is

en duurzaamheid.

anno

verschillende

Waarden en kwaliteiten

functies waarden

en

2021

minder

gewenst.

herontwikkeling

spelen

ontsluiting

behoefte

en

de

Bij

goede in

de

(paardensport)markt een belangrijke rol. De voormalige varkensstallen worden vervangen door kwalitatief hoogwaardige bebouwing en de locatie wordt

op

een

landschappelijk

goede ingepast.

27

manier De

bebouwingsomvang

en

het

bebouwingsvlak nemen af. De beoogde bedrijvigheid

ziet

op

een

uniek

product;

het

beheer

van

(buiten)terreinen

van

paardenhouderijen

en

paardensportbedrijven. voldoende hebben,

Om

toekomstperspectief mocht

ook te

de paardensector

krimpen, richt het bedrijf zich tevens beperkt op grootschalig (sport)terreinen tuinonderhoud.

Bedrijvigheid in balans met omgeving

3.2

Oog voor de

Agrarische bedrijvigheid en

Op de locatie is sprake van een recent

transitie

recreatie en toerisme zijn

beëindigde

landelijk

de belangrijkste dragers

Uitgangspunt

gebied

van het landelijk gebied.

agrarisch

De verwachting is dat veel

ontwikkelen, dat voorkomt uit de

agrarische bedrijven gaan

behoefte binnen de paardenhouderij.

stoppen. Dit biedt kansen

De transitie van de locatie is reeds in

en

gang gezet.

in

uitdagingen.

intensieve is

veehouderij.

ter

plaatse

een

verwant

bedrijf

te

Uitgangspunt is verbinden waar het kan en scheiden Fysieke

Met

leefomgeving

inrichting

Klimaat adaptief en energieneutraal

wordt

klimaatverandering.

aangepast aan

Maatregelen

zoals

een deel van het voormalige bouwvlak

het klimaat

ontkoppelen

van

ingericht

en

waar het moet. 4.1

de

ruimtelijke

Diversiteit

inspelen

op

De bebouwde oppervlakte op de locatie neemt af ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Ook wordt als

landschappelijke

hemelwater, verminderen

inpassing. Het hemelwater dat terecht

van bestaande verharding,

komt op de nieuwe bebouwing en

tegengaan

verharding wordt afgekoppeld.

van

nieuwe

verharding en aanleg van extra

groen

worden

gestimuleerd

en

gefaciliteerd. in

bedrijvigheid

Diversiteit in bedrijvigheid

De bedrijfsactiviteiten zijn enkele jaren

als kracht en kwaliteit.

geleden opgestart als antwoord op netwerk hebben ondernemers de

promotie

Ondernemen

vragen vanuit de markt. Vanuit hun behoefte ervaren en daar hun product op afgestemd. Er is sprake van een uniek bedrijfsconcept.

28

1.1

Faciliteren van

Focus op lokale bedrijven.

Het bedrijf kent zijn oorsprong in Kessel

lokale

Deze hebben een sterke

en

bedrijven, die

binding en betrokkenheid

dorpsgenoten. Naast de eigen roots

geworteld zijn

bij de samenleving en oog

heeft het bedrijf veel connecties en

in

voor de leefomgeving.

klanten in de directe omgeving.

de

wordt

gerund

samenleving, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector, recreatie

en

toerisme

29

door

drie

4. Milieutechnische aspecten In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan alle relevante planologische en milieuaspecten.

4.1 Milieueffectenrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli is het gewijzigde Besluit Milieueffectenrapportage in werking getreden. Door dit besluit moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen na 16 mei 2017 voorzien zijn van een beoordeling. De Milieueffectenrapportage is noodzakelijk om te beoordelen welke significante effecten en invloeden een ontwikkeling op de omgeving kan hebben. Een Milieueffectenrapportage is alleen nodig wanneer een plan of project kan leiden tot een of meerdere initiatieven die nadelige invloed hebben op het milieu. Om te bepalen of een Milieueffectrapportage noodzakelijk is zijn er twee criteria geformuleerd: ▪

▪

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Of er een passende beoordeling nodig is, is afhankelijk van de uitkomsten die beschreven worden in de paragraaf Flora en Fauna. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.

Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter tevens een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een m.e.r. moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage II en III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Onderhavige ontwikkeling is niet opgenomen in de bijlage C- en/of D lijst van het Besluit Mer. Ook is geen sprake van een ontwikkeling, qua functie passend in deze bijlage maar onder de ondergrens. Derhalve is het besluit m.e.r. niet van toepassing.

4.2 Natuur 4.2.1 Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de wet Natuurbescherming van toepassing. Met deze wet geeft Nederland uitvoering aan internationale en/of Europese afspraken. Bescherming op gebiedsniveau: Door het Rijk zijn in Nederland Natura2000 gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000- gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

30

Om de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000 gebieden te bereiken stelt de provincie voor dat gebied een beheerplan op. In dit beheerplan wordt in elk geval omschreven welke instandhoudingsmaatregelen genomen moeten worden en wat de beoogde resultaten hiervan zijn.

Figuur 4.1 Locaties natura2000 gebieden t.o.v. plangebied

Bescherming op soortniveau: De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: ▪ ▪

▪

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen Natura 2000-gebieden gelegen. Het meest nabij gelegen Natura-2000 gebied is het Swalmdal, gelegen op ruim 6 km ten zuiden van het plangebied aan de overzijde van de Maas. Met onderhavig bestemmingsplan worden de ontwikkelingsmogelijkheden op de locatie beperkt gewijzigd. De bestemming ‘Agrarisch -intensieve veehouderij’ wordt verwijderd en de locatie wordt herbestemd voor een agrarisch verwant bedrijf. Tevens is de milieuvergunning van de varkenshouderij ingetrokken. Om de gevolgen voor de natuur in kaart te brengen is door DLV-advies een Aerius berekening gemaakt (29 juni 2022). Zie bijlage 1. Uit de AERIUS berekeningen is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/ja op Natura 2000 gebieden. Het plan leidt daarmee

31

niet tot significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de onder de Wet natuurbescherming beschermde gebieden. Voor het aspect soortenbescherming geldt dat de aanwezige beplanting op het terrein in stand blijft. De bebouwing voor de varkenshouderij is reeds gesloopt als onderdeel van de warme sanering. De bebouwing van en rond de (bedrijfs-)woning blijft behouden. Uit de huidige staat van het te herontwikkelen deel van het terrein kan worden geconcludeerd dat hier momenteel geen beschermde plantensoorten aanwezig zijn en geen beschermde diersoorten hun leef-, rust- of nestplaats hebben. Het overige deel van het plangebied wordt met de ontwikkeling niet gewijzigd. Negatief effect op bedreigde soorten kan dan ook worden uitgesloten. Het IVN heeft hiervoor in het kader van de warme sanering van de intensieve veehouderij een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Het advies is om wanneer beplanting verwijderd wordt dit niet te doen in het broedseizoen (periode 15 maart t/m 15 juli). Binnen het plangebied komen geen houtopstanden (bomen of struiken) voor die op grond van het bestemmingsplan of de APV beschermd zijn of als waardevol zijn aangemerkt. Er is dan ook geen sprake van een vergunningplicht op grond van de APV of het bestemmingsplan op het gebied van houtopstanden.

Wel stelt de gemeentelijke Bomenverordening in een aantal gevallen een kapvergunning verplicht bij het kappen van bomen. Alvorens kap plaatsvindt, wordt de gemeente verzocht de betreffende bo(o)m(en) te beoordelen.

4.3 Cultuurhistorie & Archeologie Vanwege artikel 3.6.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van een ruimtelijk plan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Gemeenten moeten een inventarisatie (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in het besluitgebied, dus niet alleen van de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het kader van het planvoornemen. De Rijksoverheid wil dat er in de monumentenzorg ook aandacht is voor de omgeving waarin het monument staat. De uitvoering hiervan is vastgelegd in de Momo (modernisering monumentenzorg). Belangrijkste punt uit de Momo voor onderhavig plan is dat er bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en monumenten in de directe nabijheid van het plangebied. In 1992 is het Verdrag van Malta ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Dit verdrag heeft tot doel het cultureel erfgoed wat zich in de bodem bevindt te beschermen en te behouden. Hierbij moet gedacht worden aan archeologische vondsten en resten, gebruiksvoorwerpen, restanten van oude nederzettingen en grafvelden etc.

Eén van de belangrijke aspecten voor onderhavig plan is het kader dat het verdrag stelt t.a.v. ruimtelijke ordening. Dit kader houdt in dat er tijdig rekening gehouden dient te worden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Voorafgaand aan een plan moet inzichtelijk gemaakt worden welke verwachtingen er zijn en in hoeverre rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden.

32

Voor het plangebied geldt gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en gedeeltelijk ‘Waarde – Archeologie 4’. Deze waarden zijn vastgelegd in het bestemmingsplan en afkomstig van de gemeentelijke archeologische beleidskaart. De dubbelbestemming ‘archeologie 2’ geldt voor gronden met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. Er geldt een beperking voor het roeren van de grond, dieper dan 40 cm en over een oppervlak van meer dan 100 m2. ‘Archeologie 4’ geldt voor gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Hier zijn de grenswaarden 40 cm en 250 m2. De nieuwe loodsen worden gesitueerd ter plaatse van de voormalige varkensstallen. Deze stallen waren uitgevoerd met een ondergrondse mestkelder, die reeds is gesloopt. De ondergrond is ter plaatse van de ontwikkeling dan ook reeds verstoord, waardoor archeologisch onderzoek niet doelmatig is. Ter plaatse van de (bedrijfs)woning met bijgebouwen zijn geen wijzigingen in de ruimtelijke situatie voorzien. Voor deze gronden wordt de archeologische dubbelbestemming behouden, zodat een toetsingskader aanwezig is voor eventuele toekomstige bodemverstoringen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn de Midden Peelweg en Rijksweg als cultuurhistorisch waardevolle lijnelementen aangeduid. De Middel Peelweg is een weg ouder dan 1806 en de Rijksweg een weg uit de periode 1806 – 1890.

De wegenstructuur wordt door de herbestemming en -ontwikkeling niet beïnvloed of aangetast. Het gebied rond de Tasbeek bestaat uit de cultuurhistorisch waardevolle enkeerdgrond en een zone langs de Maas is aangewezen als een gebied met sedert 1830 matig veranderd verkavelingspatroon.

Figuur 4.2 Cultuurhistorische waarden Limburg

Voor die gronden in het plangebied waar de bodemopbouw mogelijk in tact is, blijft de archeologische dubbelbestemming gehandhaafd. Op basis daarvan worden eventueel aanwezige archeologische resten beschermd.

33

In de omgeving van het plangebied zijn enkele cultuurhistorisch waardevolle elementen aangewezen. De ontwikkeling zorgt niet voor wijzigingen in de structuur van het landschap, het verloop van (historische wegen) of andere impact op cultuurhistorische waarden. De ontwikkeling vindt geheel binnen het plangebied plaats, waar geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.

4.4 Mobiliteit en parkeren De locatie wordt ontsloten via de Donk, ter plaatse van het plangebied een parallelweg van de Middel Peelweg. In de huidige situatie heeft het plangebied een beperkte verkeersaantrekkende werking. Het verkeer dat het plangebied genereert laat zich duiden als verkeer voor de woning. Tot voor kort bestond het verkeer tevens uit de bewegingen ten behoeve van de varkenshouderij. Als gevolg van de sanering zijn de verkeers- en vervoersbewegingen ten dienste van de varkenshouderij in zijn geheel verdwenen. Het betreft zowel vrachtverkeer (voer, mest, dieren) als personenauto’s (dierenarts, adviseurs, vertegenwoordigers). In de nieuwe situatie blijft de woning bereikbaar via de Donk en wordt de bestaande bedrijfsinrit aan de Donk benut voor het agrarisch verwant bedrijf. De vervoersbewegingen bestaan uit de bewegingen ten behoeve van de woning en het bedrijf. Op dit moment heeft het bedrijf vijf personeelsleden. De huidige maximale verkeersbewegingen per dag zien er met dit personeel als volgt uit: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

10 vervoersbewegingen met personenauto´s voor personeel; 6 vervoerbewegingen met personenauto´s voor bezoekers; 4 vervoersbewegingen met vrachtverkeer; 4 vervoersbewegingen met middel zwaar verkeer (bus met aanhanger); 2 vervoersbewegingen met tractor en kieper.

Ten behoeve van de verkeersveiligheid, met name voor fietsers, wordt de begroeiing aan de rechterzijde van de inrit opgeschoond.

34

Figuur 4.3 Bestaande inrit (agrarische) bedrijfslocatie

Verwachting en uitgangspunt is de bedrijfsomvang en het personeel komende jaren te verdubbelen. Wanneer het aantal personeelsleden toeneemt tot maximaal 10 fte zullen bovengenoemde verkeersbewegingen ook verdubbelen. De ontsluitingswegen Midden Peelweg en Rijksweg zijn voldoende gedimensioneerd om deze verkeersbewegingen op te vangen. Een toename van de verkeersintensiteiten naar zo’n 50 voertuigbewegingen per dag heeft geen invloed op de capaciteit van het kruisingvlak Midden Peelweg – Rijksweg. Parkeren vindt nu en in de toekomst plaats op eigen terrein. Op eigen terrein is voldoende ruimte voor manoeuvreren, parkeren, laden en lossen. Dit zal dan ook niet op de openbare weg plaatsvinden. De beoogde ontwikkeling van het plangebied heeft geen negatief effect op het vlak van mobiliteit en parkeren. Het aantal verkeersbewegingen neemt in geringe mate toe, maar de aangrenzende wegenstructuur is goed in staat deze aantallen te verwerken. De parkeerbehoefte neemt met de bestemmingswijziging eveneens toe maar in de plannen is rekening gehouden met deze toename. Op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

35

4.5 Technische infrastructuur De locatie is reeds aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur zoals drukriolering en andere nutsvoorzieningen. Hiervoor hoeven geen infrastructurele aanpassingen plaats te vinden. Ten zuidoosten van het plangebied loopt een hoogspanningsleiding. Deze dichtstbijzijnde rand van de beschermingszone (breedte 21 meter aan weerszijden van de leiding) is op 150 meter van de grens van het plangebied gelegen. De ontwikkelingsmogelijkheden in het plangebied worden door deze leiding dan ook niet beïnvloed. Het aspect technische infrastructuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied. Op een afstand van 170 meter van de planlocatie ligt een 150kV hoogspanningslijn. Deze afstand is zodanig dat dit aspect geen belemmeringen vormt.

4.6 Bodem Het onderwerp bodemkwaliteit betreft een landelijk geregelde verplichting; de Wet Bodembescherming. Deze wet maakt onderzoek naar de bodem bij ruimtelijke ingrepen verplicht. Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten tevens verplicht om in een ruimtelijk plan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. In het plangebied blijft een deel van de bestaande bebouwing behouden en het bestaand gebruik gelijk (woonfunctie). De overige gronden waren tot voor kort in gebruik voor de varkenshouderij. De daartoe aanwezige stallen waren gebouwd in 1999, waardoor met zekerheid kan worden gesteld dat hierin/ -op geen asbest aanwezig was, die tot verontreinigen heeft kunnen leiden. Ten tijde van de bouw van de stallen is een onderzoek naar de bodemkwaliteit uitgevoerd.

Gelet op de op dit moment plaats vindende saneringswerkzaamheden, wordt bij de omgevingsvergunningaanvraag bouwen een recent bodemonderzoek aangeleverd. Het planvoornemen voorziet in de een functiewijziging van de locatie waarbij een deel van het gebruik ook daadwerkelijk wijzigt. Op grond van het bouwjaar van de voormalige varkensstallen kan asbestverontreiniging worden uitgesloten. Bij de omgevingsvergunning aanvraag wordt een recent bodemonderzoek toegevoegd. Aangenomen kan worden dat de algemene bodemkwaliteit binnen het plangebied geen belemmering vormt voor de bestemming.

4.7 Geluid Voor het aspect geluid is binnen het plangebied de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wet geluidhinder kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen voorkeursgrenswaarden op nieuwe bestemmingen. De Wet geluidhinder gaat uit van zones langs (spoor)wegen en zones bij industrieterreinen die aandachtsgebieden voor mogelijke geluidhinder begrenzen.

36

Volgens de Wet geluidhinder gelden voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen dan woningen en andere geluidsgevoelige objecten binnen de zone van een weg geluidswaarden die niet overschreden mogen worden. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg waar geen wijzigingen optreden op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Dit geldt voor de bestaande woning in het plangebied, Donk 2. Ten aanzien van het aspect ‘industrielawaai’ is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door M&A milieuadvies (datum 8 juni 2022, rapportnummer 222-KDO2a-il-v3, zie bijlage 2). Het onderzoek richt zich primair op de vraag of eventuele geluidshinder te verwachten is van de beoogde bedrijfsactiviteiten in het plangebied, primair het aanleggen, onderhouden en beheren van hippische accommodaties. Getoetst is of de dagelijkse en periodieke verkeersbewegingen en bedrijfsactiviteiten een belasting produceren die buiten de acceptabele waarden ligt. Uit het geluidrapport blijkt dat: Het bedrijf gaat vallen onder milieucategorie 3.1, met geluid als bepalend aspect. In het akoestisch onderzoek is aangetoond dat het woon- en leefklimaat uit akoestisch oogpunt, in de omgeving van het bedrijf, acceptabel tot goed is.

Uit de berekeningsresultaten kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen voldaan wordt aan de gestelde richtwaarden, die gelden voor een categorie 3.1bedrijf t.a.v. het maatgevende aspect geluid. Verder is aangetoond, dat op een afstand van 30 meter vanaf de grens van de inrichting, overal voldaan wordt aan de maximale waarde van 55 dB(A), dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat betekent. Verder wordt, ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen, overal voldaan aan de milieunormering (Activiteitenbesluit). Woon- en leefklimaat In het onderzoek is aangetoond, dat uit oogpunt van de ruimtelijke ordening (R.O.) het akoestisch klimaat ten gevolge van de beoogde bedrijfsactiviteiten (inclusief uitbreidingsmogelijkheden) ter plaatse van de locatie aan de Donk 2a, bij de nabij gesitueerde woningen en omgeving als aanvaardbaar betiteld kan worden. De woningen in de omgeving van de nieuwe ontwikkeling aan de Donk 2a te Kessel hebben, behalve deze nieuwe ontwikkeling ook een geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de N273 en N277. Een relevante geluidbelasting van overige omliggende bedrijven is niet aan de orde.

Uit de berekeningsresultaten van de gecumuleerde geluidbelastingen van het wegverkeer samen met het industrielawaai van de nieuwe ontwikkeling aan de Donk 2a blijkt ook dat het akoestisch klimaat, bij de nabij gesitueerde woningen en omgeving als aanvaardbaar betiteld kan worden.

4.8 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Vooral hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De

37

programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden, bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Wanneer bij de planvorming sprake is van één van de volgende punten vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering; 1. 2. 3. 4.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

De Wet luchtkwaliteit, titel 5.2 Wm kent geen eisen voor bedrijfs- of andere woningen, maar bevat de Europese richtlijn inzake luchtkwaliteit enkele uitzonderingen. Voor ontwikkelingen in het buitengebied is het met name van belang dat de normen t.a.v. de hoeveelheid stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (Pm10) in acht worden genomen. De achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) binnen de gemeente zijn dermate laag dat de normen voor de luchtkwaliteit niet overschreden worden. Dit is af te leiden van hieronder afgebeelde GCN-kaarten van RIVM.

Figuur 4.4 Concentratie Fijnstof PM10 ter plaatse ca. 15 µg/m3

38

Figuur 4.5 Concentratie Stikstofdioxide NO2 ter plaatse ca. 11 µg/m3

Om te beoordelen of er een goed woon- en leefklimaat is, wordt de achtergrondconcentratie beoordeeld. De achtergrondconcentratie fijnstof ter plaatse van het plangebied bedraagt ca. 15 µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide ter plaatse van het plangebied bedraagt ca. 11 µg/m3, de norm bedraagt 40 µg/m3. Hieruit is te concluderen dat ter plaatse van het plangebied een aanvaardbare luchtkwaliteit aanwezig is.

4.8.1 NIMB Het Besluit ‘niet in betekenende mate bijdragen’ staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. De afkorting NIBM staat voor ‘Niet in betekenende mate bijdragen' aan de luchtverontreiniging. Hiermee worden ruimtelijke projecten of (te vergunnen) activiteiten bedoeld die slechts een zeer geringe bijdrage leveren aan de luchtverontreiniging. In deze gevallen is een toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit niet nodig. Belangrijk bij toepassing van NIBM is dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de 3% grens niet wordt overschreden (artikel 2 van het Besluit NIBM). Wanneer gesteld kan worden dat het aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project al ‘NIBM’. Een project is ‘NIMB’ wanneer maximaal 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bijdraagt aan de concentraties fijnstof (PM₁₀) of stikstofdioxide (NO₂). Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 µg/m3 voor zowel PM₁₀ als NO₂. Het project is wel in betekende mate (IMB) indien de toename voor één of beide stoffen hoger is. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

39

1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Het gaat dan bijvoorbeeld om het realiseren van kantoor- en woningbouwlocaties. Het project is dan NIBM als ze onder de vastgestelde omvang blijft. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat het project de 3% grens niet overschrijdt. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Dit mag ook als een project de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM overschrijdt. Het is dan mogelijk om alsnog via berekeningen aannemelijk te maken dat de 3% grens niet wordt overschreden. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. De Regeling NIBM geeft categorieën aan van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. Verkeerstoename Het plan heeft gelet op de aard van de ontwikkeling mogelijk invloed op de luchtkwaliteit. De vestiging van het agrarisch verwant bedrijf heeft verkeersbewegingen tot gevolg. Deze verkeersbewegingen zijn van invloed op de luchtkwaliteit. Daartegenover is geen sprake meer van de verkeersbewegingen ten behoeve van de intensieve veehouderij.

Om een inschatting te kunnen maken van een worstcasescenario is in onderstaand overzicht gerekend met de maximale verkeersintensiteiten bij 10 fte (zie ook paragraaf 4.4). Het gaat daarbij om 52 verkeersbewegingen, waarvan 20 door zwaar verkeer. Het percentage vrachtverkeer is dan ook gesteld op 39%. Bij deze berekening is sprake van de maximale variant. In de praktijk zal de verkeersaantrekkende werking op de meeste dagen lager zijn.

Figuur 4.6: Worst-case NIBM-berekening

Onderhavig plan betreft een functiewijziging van intensieve veehouderij naar een agrarisch verwant bedrijf. In de nieuwe situatie worden op de locatie geen dieren meer gehouden, hetgeen een grote positieve bijdrage levert aan de luchtkwaliteit. Aan de achtergrondconcentraties wordt voldaan. Daarbij blijft de ontwikkeling ruimschoots binnen het 3% criterium van de NIBM-grens. Het project draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar luchtkwaliteit is derhalve niet noodzakelijk.

40

4.9 Geur 4.9.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten. De voorgeschreven afstanden moeten bij verlening van een (milieu)omgevingsvergunning voor de veehouderij worden toegepast. De Wgv is van toepassing op alle vergunningsplichtige activiteiten. Het activiteitenbesluit (1 januari 2013) is het toetsingskader voor niet vergunningsplichtige veehouderijen en overige niet vergunningsplichtige bedrijven. In dit besluit zijn de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) als uitgangspunt genomen, zodat voor inrichtingen die onder de werking van dit besluit vallen vrijwel dezelfde regels gelden als voor (omgevings-)vergunningsplichtige bedrijven. Gemeenten mogen op basis van artikel 6, binnen bepaalde grenzen, bij verordening van de normen in de Wet geurhinder en veehouderij afwijken. Voorliggend bestemmingsplan ziet op de beëindiging van de varkenshouderij Donk 2a. De geuruitstoot van het bedrijf verdwijnt hiermee. Deze locatie levert dan ook geen bijdrage meer aan de geurbelasting in het gebied.

De voorgrondbelasting vervalt, evenals de bijdrage aan de achtergrondbelasting, waardoor deze lager zal worden voor het plangebied en omgeving. Uit het kaartbeeld met het worst case scenario voor de achtergrondbelasting geur (Plan Mer 2011) blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied primair bepaald wordt door de eigen bedrijfsactiviteit. Uit de afbeelding kan worden afgeleid dat het vervallen van de varkenshouderij Donk 2a leidt tot een sterke verlaging van de achtergrondbelasting, hetgeen het woon- en leefklimaat ten goede komt. Met de planwijziging wordt in het plangebied een nieuwe geurgevoelige functie mogelijk gemaakt. Ten behoeve van het agrarisch verwant bedrijf zijn immers kantoren voorzien, die kunnen worden beschouwd als (delen van) een gebouw die permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de kantoren en woning Donk 2 wordt bepaald door de achtergrondbelasting. Uit de uitsnede van de kaart ‘achtergrondbelasting’ in figuur 4.6 kan worden opgemaakt dat de kwaliteit van de leefomgeving na het verdwijnen van de eigen veehouderij behoort tot (tenminste) de categorie ‘redelijk goed’. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse.

41

Juli 2011 Figuur 4.7 Uitsnede achtergrondbelasting geur uit Structuurvisie en Plan Mer intensieve veehouderij

4.10 Externe veiligheid In het kader van externe veiligheid zijn een drietal aspecten van belang: • externe veiligheid als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water; • externe veiligheid vanuit inrichtingen; • externe veiligheid als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Binnen een straal van 1 kilometer is één risicovolle inrichtingen / voorzieningen aanwezig. Op circa 70 meter is een benzinestation gelegen. Er is bij dit benzinestation een LPG tank / verkooppunt aanwezig. De tank is op circa 140 meter van de beoogde kantoorfunctie gelegen. In het figuur op de volgende pagina is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

42

Figuur 4.8 risico kaart

De aangegeven locatie van de LPG tank (de driehoek met L) is niet de feitelijke plek van de tank. Deze ligt in de uitsparing in de heg van het tankstation, zo’n 15 meter verderop. Op de volgende pagina is een uitsnede weergegeven van de detailinformatie die de risicokaart bevat aangaande de LPG tank. Aangegeven is de te hanteren afstand ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

43

Figuur 4.9 Informatie LPG tank Rijksweg

De veilige afstand van de LPG tank tot het plangebied ten aanzien van het plaatsgebonden risico (106) is 25 meter, ten aanzien van het groepsrisico dient rekening gehouden te worden met 150 meter. Aan het plaatsgebonden risico wordt voldaan, de afstand voor het groepsrisico wordt niet behaald. Er is dan ook een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk, die in overleg met de Veiligheidsregio zal worden opgesteld. In de directe nabijheid van de planlocatie liggen enkele routes voor ‘Transport gevaarlijke stoffen’. Dit betreffen de N273 en de N277. De N273 heeft het grootste risicocontour voor transport van gevaarlijke stoffen, het betreft een zone van 111m. De planlocatie ligt binnen deze zone. Door de Veiligheidsregio Limburg-Noord is een adviesrapport opgesteld omtrent de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied (brief d.d. 4 april 2022, kenmerk 2022-014705). In dit advies worden de relevante externe veiligheidsscenario’s benoemd: N277 / N273: • Plasbrand: Door een ongeval met een tankauto met een brandbare vloeistof, stroomt de vloeistof uit en komt tot ontbranding. De effecten hiervan zijn hittestraling en secundaire branden indien de brandende vloeistofbrand het plangebied kan bereiken. • Gifwolk – Door een ongeval met een tankauto met een toxische stof komt de stof vrij en vormt

44

een gifwolk die afhankelijk van de wind over het plangebied kan trekken en tevens het binnenklimaat van de aanwezige gebouwen kan binnendringen. De effecten hiervan zijn vergiftiging of verstikking. LPG tankstation: • Koude BLEVE (kokendevloeistof-gasexpansie-explosie): Door een incident met de LPG tankauto tijdens het bevoorraden van het tankstation komt de LPG vrij en vervolgens door een externe ontstekingsbron tot explosieve ontbranding. De effecten hiervan zijn een drukgolf en hittestraling. • Warme BLEVE: Door een incident met de LPG tankauto tijdens het bevoorraden van het tankstation raakt de tankauto in brand. Door de temperatuurstijging loopt de druk in de tankauto zo hoog op dat deze bezwijkt, waardoor het LPG direct tot een explosieve verbranding komt. De effecten hiervan zijn een drukgolf en hittestraling. Nu het plangebied van meerdere kanten ontsloten is, is de bereikbaarheid goed. Daarnaast is direct langs het plangebied een ondergrondse brandkraan aanwezig. De primaire bluswatervoorziening voor de woning voldoet. Ook wordt voldaan aan de wettelijke opkomsttijd voor hulpdiensten en is het waarschuwings- en alarmeringssysteem dekkend voor het plangebied.

Door de Veiligheidsregio Limburg-Noord worden een aantal maatregelen genoemd om de zelfredzaamheid te vergroten, waardoor personen in het effectgebied meer mogelijkheden hebben om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. Over deze maatregelen heeft vervolgens afstemming plaatsgevonden tussen Veiligheidsregio, gemeente en initiatiefnemer. De maatregelen per risicobron zijn als volgt: Plasbrand: • Er is een greppel aanwezig, die voorkomt dat een eventuele brandende vloeistof het plangebied kan bereiken. Dit risico is dan ook voldoende geborgd. Gifwolk: • Bij het te bouwen bedrijfsgebouw wordt gezorgd dat de ventilatieopeningen af te sluiten zijn bij een calamiteit. Wanneer in het bouwwerk voor de ventilatie een installatie nodig is, wordt gezorgd voor een schakelaar waarmee de installatie uitgezet kan worden op een makkelijk te bereiken plaats, zodat er geen ventilatielucht van buitenaf wordt ingebracht. De schakelaar kan bijvoorbeeld in de meterkast geplaatst worden. BLEVE: • Het te realiseren kantoor/ kantine betreft een kleine oppervlakte voor weinig personeel, waardoor het risico beperkt is. Verplaatsing van het kantoor/ kantine naar loods 2 is niet mogelijk, omdat de ontwikkeling gefaseerd plaatsvindt. Daarbij is het gewenst het terrein zodanig in te richten dat voetgangers (bezoekers/ personeel) het bedrijfsterrein zo min mogelijk hoeven kruisen.

• Beperken glasoppervlak loods 1 aan de zijde van het tankstation. • Onbrandbare gevelbekleding loods 1 aan de zijde van het tankstation. Algemeen: • Gezorgd wordt dat de aanwezige personen van de risicobronnen af kunnen vluchten. Volgens de Veiligheidsregio is dat in het huidige concept voldoende mogelijk. • Gezorgd wordt dat de eigenaar en gebruikers van het plangebied op de hoogte zijn van de

45

•

risico’s uit de omgeving en de aanwezige voorzieningen in het gebouw, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident. De EV scenario’s worden opgenomen in het bedrijfsnoodplan van het bedrijf. Ingezet wordt op communicatie en beoefening daarvan met de BHV-organisatie en personeel.

Afweging groepsrisico: De ontwikkeling zorgt gedurende de werktijden van het bedrijf voor een zeer beperkte toename van het aantal personen binnen de groepsrisico-contour vanuit het LPG-tankstation. In de oorspronkelijke situatie werd ter plaatse een agrarisch bedrijf geëxploiteerd en waren er 7 dagen per week verspreid over de dag één tot enkele personen aanwezig in de stallen en bijbehorende ruimtes. In de nieuwe situatie is sprake van een niet-agrarisch bedrijf, dat 5 dagen per week in bedrijf is. Gedurende de werktijden is gemiddeld één tot enkele personen aanwezig op kantoor. Wanneer er bezoekers op locatie zijn (klanten, leveranciers e.d.) of wanneer er bedrijfsbreed overleg is, neemt het aantal personen op de locatie minimaal toe tot een worst case scenario van maximaal 10 mensen en is sprake van een toename van het groepsrisico. Naast het feit dat rekening wordt gehouden met voorgenoemde voorwaarden worden er bij de nieuwbouw de volgende maatregelen getroffen: - Er worden geen een ramen in loods 1 gerealiseerd aan de zijde van de Rijksweg. - Er wordt een grondwal geplaatst tegen het gebouw om geveldruk op te vangen tot een hoogte van 2,20m. - Vanuit het kantoor zijn er twee vluchtroutes naar de loods. - Aan de kant van de Donk wordt veiligheidsglas toegepast.

Door het ontwerp, materiaalgebruik en de vluchtroutes worden risico’s, en/ of de gevolgen daarvan, zoveel mogelijk beperkt. Het aspect externe veiligheid legt, wanneer bovenbeschreven voorwaarden worden nageleefd en de maatregelen worden toegepast, geen beperkingen op voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie.

4.11 Bedrijven en milieuzonering In de publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De bedrijfsactiviteiten worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale (indicatieve) hinderafstand. Op de locatie Donk 2 – 2a was tot voor kort een agrarisch bedrijf (veehouderij) met bedrijfswoning aanwezig. De varkenshouderij is beëindigd en ter plaatse wordt een agrarisch verwant bedrijf opgestart. De activiteiten van dit bedrijf worden deels op het eigen terrein en deels op locatie bij derden uitgevoerd. De bedrijfswoning wordt omgezet naar plattelandswoning. Een plattelandswoning is een gevoelige functie, behoudens voor de eigen bedrijfsactiviteiten. Een al dan niet agrarische inrichting kan milieu-invloed uitoefenen op gevoelige functies in de omgeving. Afhankelijk van de aard en omvang van een inrichting kan deze tevens ook milieugevoelig zijn (te denken valt aan een kantoor of onderwijsinstelling). Gezien de beoogde functiewijziging van agrarisch naar bedrijf is het van belang om te toetsen of er functies in de omgeving zijn, die beperkt worden door de ontwikkeling of die de ontwikkeling belemmeren.

46

Allereerst is beoordeeld of de nieuwe bedrijfsactiviteiten als milieugevoelig zijn aan te merken. Bij het agrarisch verwant bedrijf is onder andere sprake van een kantoorfunctie. Daarmee is structureel sprake van een zekere verblijfsduur op de locatie. Een deel van de nieuwe bedrijfsactiviteiten vormt dan ook een gevoelige functie. Vervolgens is de bestemmingswijziging getoetst aan de afstanden, zoals deze zijn voorgeschreven volgens de (indicatieve) lijst ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009. Eén van de belangrijkste bouwstenen bij milieuzonering is de richtafstandenlijst. Deze lijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar. Daarnaast zijn indices voor verkeersaantrekkende werking, bodem, lucht en visueel opgenomen in de lijst. De opgenomen richtafstanden betreffen indicatief de aan te houden afstand tussen hinder veroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt kan hiervan afgeweken worden. De afstand dient te worden gemeten vanaf de bestemmings/bouwgrens van de inrichting tot de milieugevoelige functie. De richtafstanden zijn weergegeven in afstandsklassen. De grootste afstand voor geur, stof, geluid en gevaar is bepalend voor de indeling in de milieucategorie.

Voor de toetsing van Donk 2 – 2a worden 3 onderdelen afgewogen: 1. De woning is reeds bestaand en wordt omgezet naar plattelandswoning. Door de aanduiding als plattelandswoning wordt de woning voor het merendeel van de milieuaspecten niet als gevoelig ten opzichte van het eigen bedrijf beschouwd. Aangezien het een bestaande woning betreft die als zodanig in gebruik blijft, geldt deze ook in de huidige situatie al als gevoelig voor omliggende inrichtingen ; 2. Delen van het te vestigen agrarisch verwant bedrijf zijn een gevoelige functie. Daarbij is nooit sprake van gevoeligheid voor de bedrijfsactiviteiten, waarvan het gebruik onderdeel uitmaakt. Met andere woorden; de kantoorfunctie binnen het nieuwe agrarisch verwant bedrijf is niet gevoelig voor de productieactiviteiten van dit eigen bedrijf. Het gevoelige gebruik binnen het nieuwe bedrijf dient wel getoetst te worden aan hinderveroorzakende inrichtingen uit de omgeving. Voor milieuaspecten van inrichtingen in de omgeving zijn de kantoorfuncties op de locatie Donk 2a wel gevoelig; 3. Het agrarisch verwant bedrijf betreft een bedrijfsactiviteit die invloed kan hebben op gevoelige functies in de omgeving. Dit aspect wordt getoetst. Ad.

1 Toetsing bedrijfswoning aan eigen bedrijf Voor de woning Donk 2 geldt dat deze wordt herbestemd als plattelandswoning en op grond daarvan niet gevoelig is voor de milieu-invloed van het eigen bedrijf. Op basis van jurisprudentie geldt een uitzondering geldt voor het aspect ‘luchtkwaliteit’. Tevens dienen de milieugevolgen wel inzichtelijk te worden gemaakt. De toets voor de verschillende separate milieuaspecten is verwoord in de overige paragrafen in dit hoofdstuk. De toets aan de hand van de (indicatieve) lijst Bedrijven en milieuzonering resulteert in de volgende bevindingen: Het te vestigen agrarisch verwant bedrijf legt zich met name toe op het aanleggen, onderhouden en beheren van hippische accommodaties. Daarnaast is in beperkte mate sprake van bedrijfsactiviteiten gericht op (grootschalige) groenvoorzieningen, sportvelden en grondwerken. Het gaat expliciet niet

47

om een grondverzetbedrijf. Een groot deel van de werkzaamheden van het bedrijf vinden plaats op locatie bij derden (onderhoud en beheer van groen, (buiten)pistes enz). De bedrijfsvorm zoals beoogd in het plangebied is niet als zodanig opgenomen in de VNG-lijst. Nu een dergelijk bedrijf niet exact voorkomt in de VNG-lijst is bekeken met welk(e) bedrijfstype(n) het gebruik het meest overeenkomt. Type inrichting

Milieucategorie

Aanbevolen afstand

cfm. VNG-lijst

VNG-lijst in rustige woonomgeving (m)

Aanbevolen afstand VNG-lijst in gemengd gebied (m)

3.1

50

30

3.1

50

30

Dienstverlening t.b.v. de landbouw Algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m2 Plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven b.o. > 500 m

2

De bedrijfsactiviteiten vertonen overeenkomsten met bovengenoemde bedrijvigheid. Daarnaast zullen op de locatie ondergeschikte functies zoals opslag en kantoor plaatsvinden, die een lagere milieucategorie kennen dan bovenstaande activiteiten. De locatie is legen aan een drukke verbindingsweg tussen Kessel en Baarlo, in de omgeving liggen verschillende bedrijven en op enige afstand ook enkele burgerwoningen. De locatie is gelet hierop gelegen in gemend gebied. Gezien deze ligging (in gemengd gebied) kan worden afgeweken van de aanbevolen afstand van de VNG en bedraagt de maximaal aanbevolen afstand 30 meter. De plattelandswoning en bedrijfsactiviteiten liggen binnen hetzelfde bestemmingsvlak en bouwvlak, waardoor theoretisch de mogelijkheid bestaat van een zeer beperkte afstand. Gelet op de feitelijke situatie, zal de afstand tussen de voormalige bedrijfswoning en bedrijfsactiviteiten minimaal 42 meter bedragen. Nu de voormalige bedrijfswoning wordt aangewezen als plattelandswoning en onderdeel is van de bestemming ‘Bedrijf – Agrarisch verwant’ wordt deze beschouwd als onderdeel van de eigen inrichting, en daarmee niet als gevoelig voor milieugevolgen vanuit deze inrichting. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de bestemmingswijziging zorgt dat ter plaatse geen varkenshouderij meer geëxploiteerd kan worden.

Hiermee vervallen bedrijfsactiviteiten die in de VNG-lijst zijn ingedeeld in milieucategorie 4.1 met een minimaal aan te houden afstand van 200 meter. Ook ten tijde van de exploitatie van de varkenshouderij, was de woning Donk 2 feitelijk reeds afgesplitst. Voor de plattelandswoning dient voorts getoetst te worden aan het aspect luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.8). In de VNG-lijst is het milieuaspect ‘stof’ opgenomen. Voor de bedrijfsactiviteiten vallend onder de categorie ‘dienstverlening t.b.v. de landbouw’ geldt voor stof in een rustige woonomgeving een aanbevolen afstand van 10 meter. De locatie is gelegen in gemengd gebied, waarvoor de afstand feitelijk nog met één trede kan worden verlaagd. De plattelandswoning wordt omringd door bijgebouwen en een tuin en ligt aan alle zijden ten minste 25 meter van de voorgenomen bedrijfsactiviteiten. Gezien de aanwezige afstand, hoeft voor een negatieve invloed op de plattelandswoning niet te worden gevreesd. Met betrekking tot het aspect geluid dient, uitgaande van gemengd gebied, een afstand van 30 meter aangehouden te worden. De afstand tussen de woning en de loods is 42 meter. Daarmee

48

wordt ruimschoots aan deze afstandsnorm voldaan. De activiteiten die plaatsvinden op de bedrijfslocatie zelf vinden met name binnen plaats in de afgesloten loodsen. Buiten is enkel sprake van kleinschalige opslag van paardenbodems. Dit komt alleen voor wanneer de bodems niet direct bij een klant geleverd kan worden. Ook het mengen van de bodems vindt binnen in een loods plaats. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmeringen ten opzicht van de plattelandswoning. Toetsing bedrijfswoning aan omliggende bedrijven De woning Donk 2 is reeds lange tijd (legaal) aanwezig. Een bedrijfswoning geldt voor omliggende bedrijven als milieugevoelig object. De toetsingscriteria zijn niet anders, of het een bedrijfswoning op een ander bouwvlak betreft, behorende tot een veehouderij of behorende tot een voormalige veehouderij. De bedrijfsmogelijkheden van omliggende inrichtingen werden dan ook reeds in het verleden al bepaald op (onder andere) de aanwezigheid van Donk 2. Deze situatie en toetsing wijzigt met de voorgnomen ontwikkeling niet. Indien noodzakelijk zijn in de milieutoestemmingen van omliggende inrichtingen reeds voorwaarden opgenomen, die ervoor zorgen dat ter plaatse van de bestaande woning Donk 2 sprake is van (tenminste) een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Voor de volledigheid zijn onderstaand de richtafstanden en feitelijke afstanden tussen de woning en omliggende bedrijven inzichtelijk gemaakt: Adres

Type inrichting

Milieucategorie

Aanbevolen

Feitelijke afstand

cfm. VNG-lijst

afstand VNG-lijst in

(meter)

rustige woonomgeving (meter) Rijksweg 45

Paardenhouderij

3.1

50

55

Baarloseweg 48

Tankstation met

3.1

50

97

2

30

170

2

30

110

LPG (doorzet 500 – 1.000 m3) Baarloseweg 46

Grondgebonden bedrijf

Rijksweg 42

Glastuinbouwbedrijf

Gezien de aard van het gebied, dat zowel in de huidige situatie als na toevoeging van het agrarisch verwant bedrijf een diversiteit aan functies kent, kan het gebied worden aangemerkt als een 'gemengd gebied' als bedoeld in de VNG-brochure. De indicatieve afstanden die dienen te worden aangehouden worden in dat geval met 1 trede verlaagd. Zowel voor ‘rustige woonomgeving’ als voor ‘gemengd gebied’ wordt aan de aanbevolen afstanden voldaan, waarmee zeker is gesteld dat ter plaatse van de plattelandswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, rekening houdend met de invloed van omliggende inrichtingen.

49

Ad. 2 Ter toetsing van de invloed van omliggende inrichtingen op de gevoelige onderdelen van het nieuwe bedrijf zijn de omliggende inrichtingen in beeld gebracht: Adres

Type inrichting

Milieucategorie

Aanbevolen

Feitelijke afstand

cfm. VNG-lijst

afstand VNG-lijst in

(meter)

rustige woonomgeving (meter) Rijksweg 45

Paardenhouderij

3.1

50

57

Baarloseweg 48

Tankstation met

3.1

50

70

2

30

140

2

30

41

LPG (doorzet 500 – 1.000 m3) Baarloseweg 46

Grondgebonden bedrijf

Rijksweg 42

Glastuinbouwbedrijf

Gezien de aard van het gebied, dat zowel in de huidige situatie als na toevoeging van het agrarisch verwant bedrijf een diversiteit aan functies kent, kan het gebied worden aangemerkt als een 'gemengd gebied' als bedoeld in de VNG-brochure. De indicatieve afstanden die dienen te worden aangehouden worden in dat geval met 1 trede verlaagd. Zowel voor ‘rustige woonomgeving’ als voor ‘gemengd gebied’ wordt aan de aanbevolen afstanden voldaan, waardoor er geen beperkingen gelden voor milieugevoelige delen van de nieuwe ontwikkeling. Ad. 3 De afstand van het bouwvlak van het agrarisch verwant bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevoelige functie in de omgeving bedraagt circa 106 meter. Dit betreft de bedrijfswoning Rijksweg 45 ten zuidwesten van de Midden Peelweg. Op grond van de planregels kan deze woning op een andere plek binnen het bouwvlak herbouwd worden, maar nooit voor de huidige voorgevellijn. Een afstand van minimaal 106 meter is dan ook gegarandeerd. Overige woningen of bedrijfswoningen van derden zijn op grotere afstand gelegen. Het te vestigen agrarisch verwant bedrijf legt zich met name toe op het aanleggen, onderhouden en beheren van hippische accommodaties. Daarnaast is in beperkte mate sprake van bedrijfsactiviteiten gericht op (grootschalige) groenvoorzieningen, sportvelden en grondwerken. Het gaat expliciet niet om een grondverzetbedrijf.

Een groot deel van de werkzaamheden van het bedrijf vinden plaats op locatie bij derden (onderhoud en beheer van groen, (buiten)pistes enz). De bedrijfsvorm zoals beoogd in het plangebied is niet als zodanig opgenomen in de VNG-lijst. Nu een dergelijk bedrijf niet exact voorkomt in de VNG-lijst is bekeken met welk(e) bedrijfstype(n) het gebruik het meest overeenkomt. Type inrichting

Milieucategorie cfm. VNG-lijst

Aanbevolen afstand VNG-lijst in rustige woonomgeving (meter)

Dienstverlening t.b.v. de landbouw Algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. > 500 m

3.1

50

2

50

Plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven b.o. > 500 m

3.1

50

2

De bedrijfsactiviteiten vertonen overeenkomsten met bovengenoemde bedrijvigheid. Daarnaast zullen op de locatie ondergeschikte functies zoals opslag en kantoor plaatsvinden, die een lagere milieucategorie kennen dan bovenstaande activiteiten. Gezien de ligging in gemengd gebied, bedraagt de maximaal aanbevolen afstand buiten het eigen plangebied 30 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. De toegestane type bedrijfsactiviteiten zijn in de planregels geborgd, om te voorkomen dat er een bedrijf ontstaat in een hogere milieucategorie. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de bestemmingswijziging zorgt dat ter plaatse geen varkenshouderij meer geëxploiteerd kan worden. Hiermee vervallen bedrijfsactiviteiten die in de VNG-lijst zijn ingedeeld in milieucategorie 4.1 met een minimaal aan te houden afstand van 200 meter. Om inzicht te krijgen in de geluidsbelasting vanuit het agrarisch verwant bedrijf is een akoestisch onderzoek – industrielawaai uitgevoerd (zie paragraaf 4.7 en bijlage 2 bij deze toelichting). De toets ‘Bedrijven en milieuzonering’ is uitgevoerd voor zowel de bedrijfswoning als de gevoelige delen binnen de nieuwe bedrijfsactiviteiten en richting gevoelige functies in de omgeving.Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12 Gezondheidsrisico’s Een goed woon- en leefklimaat is één van de aspecten die onderzocht moet worden om aan te tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Gezondheid kan dus deel uitmaken van de belangenafweging binnen het bestemmingsplan. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een ruimtelijk relevant aspect. Onder ruimtelijke relevante aspecten in ruimtelijke plannen kunnen de volgende punten van toepassing zijn: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

gebruik van gewasbeschermingsmiddelen magnetische velden van hoogspanningsmasten (zie paragraaf 4.5) aanwezigheid van veehouderijen in omgeving, met name geitenhouderijen (zie paragraaf 4.9 en onderstaand) hoeveelheid groen in een gebied (zie paragraaf 2.2.2 en 4.2) bodemgesteldheid (zie paragraaf 4.6) geluid van verkeer of bedrijvigheid (zie paragraaf 4.7 en 4.11) luchtkwaliteit (zie paragraaf 4.8)

Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen Binnen een afstand van 50 meter van de planlocatie bevinden zich geen (boom)kwekerijen of fruitteeltbedrijven. Spuitzones zijn om die reden niet aanwezig. Derhalve vormt dit geen belemmering.

51

Aanwezigheid van veehouderijen in omgeving, met name geitenhouderijen De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 geeft aan de hand van een stappenplan een leidraad of advies ingewonnen dient te worden bij de GGD in het kader van de volksgezondheid. Getoetst is of de locatie valt binnen zones van intensieve veehouderijen. Circa 270 meter ten noordwesten van het plangebied is een vleeskuikenbedrijf gelegen. Binnen een straal van 2 kilometer liggen geen geitenhouderijen. Gezien de aanwezige afstand tot het vleeskuikenbedrijf en de beoogde functie, een agrarisch verwant bedrijf, kan gesteld worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van volksgezondheid gewaarborgd kan worden.

Figuur 4.10 Weergave bedrijfslocaties veehouderij omgeving plangebied (bron: provincie Limburg)

Er is dan ook geen sprake van gezondheidsrisico’s vanuit omliggende veehouderijen.

4.13 Waterparagraaf Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van het water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf.

4.13.1 Beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: - vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); - voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën.

52

Vanuit het Waterschap Limburg geldt de Keur, waarvan de meest recent gewijzigde versie op 1 april 2019 in werking is getreden. Op grond van deze Keur dienen alle plannen te worden voorgelegd aan het waterschap (er is geen sprake meer van een ondergrens). Bij nieuwe plannen is het vooral van belang dat het hemelwater afkomstig van het nieuw te verharden oppervlakte gebufferd/geïnfiltreerd zal worden volgens de norm van 100 mm per m2 in 24 uur. Hierbij dient rekening gehouden te worden met hoogteverschillen in het plangebied en de omgeving. De voorkeursvolgorden voor de waterkwaliteit en de waterkwantiteit dienen toegepast te worden, evenals de voorkeurstabel afkoppelen.

4.13.2 Hemelwater Het plan betreft de sloop van een varkenshouderij met stallen en verhardingen en realisatie van een agrarisch verwant bedrijf met een maximale bebouwingsoppervlakte van 2.600 m2. Daarnaast zal worden voorzien in verharding als verkeers- en parkeerruimte. De omvang van het bouwvlak wordt met de ontwikkeling verkleind en aan de noordwestzijde wordt voorzien in een extra groenstrook. De omliggende gronden blijven ook in de nieuwe situatie in gebruik als onbebouwd agrarisch gebied. Zowel in de huidige als in de nieuwe situatie is het merendeel van het plangebied onderdeel van een bedrijfsfunctie. De gronden kunnen daartoe worden benut voor bebouwing, erf, inrit en/ of groen. In de bestaande situatie is een deel verhard en deel onverhard. Ook in de toekomstige situatie zal dat zo zijn. De bebouwde oppervlakte neemt in de nieuwe situatie af. Rond de bebouwing en verharding is dan ook in de toekomstige situatie ruimte aanwezig voor de infiltratie van hemelwater. De dimensionering van de infiltratievoorziening wordt gebaseerd op de toegestane bebouwing en verwachte verharding. Het deel van het plangebied dat behoort tot de plattelandswoning blijft ongewijzigd. Op de gronden van het agrarisch verwant bedrijf is maximaal 2.600 m2 bebouwing toegestaan. Het bouwvlak heeft een omvang van ca. 12.806 m2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=59720f6b-62a4-45bd-9ddf-6f6d03c31908