CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-030 06 Toelichting.pdf

Raad 19 april 2022, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Uitbreiding Johannes-Hoeve“ in Baarlo (2022-030)19.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

4.1.3.3 Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen en kantoren gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: minimaal 1 ontsluitingsweg

minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

Woningen (maximaal)

1500

3000

Kantoren (maximaal)

100.000 m2 bvo

200.000 m2 bvo

Dit bestemmingsplan voorziet in aanvullende dagrecreatieve en verblijfsrecreatieve mogelijkheden binnen een bestaand recreatief bedrijf, alsmede in een uitbreiding van het gebied met de bestemming verblijfsrecreatie, waarbinnen ruimte is voor parkeren. Het aantal verkeersbewegingen dat hierdoor zal worden gegenereerd is in vergelijking met het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van 1500 woningen (circa 7500 mvt/etmaal), zeer beperkt. Deze ontwikkeling draagt dan ook zeker niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 3 0

4.1.3.4 Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de kaarten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is de actuele concentratie PM10 in augustus 2021 gelegen op circa 13,6 ug/m³ en de actuele concentratie NO2 in augustus 2021 ter plaatse gelegen op circa 10,6 ug/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom goed, zodat dit niet aan de realisatie van de beoogde ontwikkelingen in de weg staat. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Ook in de toekomst zal de locatie dus niet bezwaarlijk zijn in het kader van de luchtkwaliteit.

4.1.3.5 Conclusie Onderhavig initiatief voorziet in een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de heersende luchtkwaliteit. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor de te vestigen functies. Het plan is dan ook niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteit.

4.1.4

Milieuzonering

4.1.4.1 Algemeen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. De (indicatieve) lijst 'Bedrijven en Milieuzonering 2009', uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.

De richtafstanden in de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals rustig buitengebied. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien onder andere de aanwezige functiemenging al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 3 1

Milieucategorie

Richtafstand tot gevoelige functies in een rustige woonwijk

Richtafstand tot gevoelige functies in gemengd gebied

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

In onderhavig geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. In de omgeving van het plangebied komen namelijk diverse functies voor zoals bestaande (bedrijfs)woningen, bedrijven, agrarische bedrijven, tuinders en detailhandel. De omgeving rondom het plangebied wordt gekenmerkt door de aanwezige lintbebouwing rondom de Napoleonsbaan.

4.1.4.2 Toets plangebied De toekomstige ontwikkeling van de uitbreiding van- en nieuwbouw van verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen (Bed and Breakfast/Groepsaccommodatie, vijf bungalows, edelsmidatelier, galerie en ondergeschikte horecavoorziening) dienen gezoneerd te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Daarnaast zijn verblijfsrecreatieve voorzieningen milieugevoelige functies die in lijn met de VNG-brochure beschermd dienen te worden tegen milieuhinder vanuit omliggende (agrarische) bedrijven of instellingen. Medewerking aan dit project is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de verblijfsrecreatieve voorzieningen gegarandeerd, een goed woon- en leefklimaat in omliggende woningen gegarandeerd is en de ontwikkeling bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert.

Effecten op de omgeving De toekomstige ontwikkeling met betrekking tot de uitbreiding van- en nieuwbouw van verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen dienen gezoneerd te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Echter deze activiteiten zijn niet als zodanig opgenomen in de VNG-brochure. Desalniettemin komen de bedrijfsactiviteiten overeen met een door de VNG-brochure gedefinieerd 'hotel en pensions met keuken'. Wat betreft schaalgrootte voldoet onderhavige ontwikkeling niet, echter gelet op het diverse aanbod aan activiteiten kan er gehandeld worden in lijn met de door de VNG-brochure gegeven richtafstanden. Voor een dergelijke functie gelden de richtafstanden conform milieucategorie 1 tot woningen van 10 meter voor de aspecten geur, geluid en gevaar. De voor milieucategorie 1 geldende richtafstand van 10 meter kan in verband met de ligging binnen gemengd gebied met één afstandstap worden verlaagd en bedraagt daarmee 0 meter. In de omgeving van de woning zijn enkele bedrijfswoningen en burgerwoningen gelegen. De woning aan de overkant van de weg (Napoleonsbaan 11) ligt op circa 25 meter afstand. De afstand tot de naastgelegen woning (Napoleonsbaan 6a) bedraagt circa 70 meter afstand. Kortom, het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van milieugevoelige functies waardoor er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse.

Daarnaast wordt onderhavige ontwikkeling niet belemmerd door deze woningen. | bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 3 2

Effecten vanuit omgeving In het voorliggende geval is sprake van de uitbreiding van- en nieuwbouw van verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen (Bed and Breakfast/Groepsaccommodatie, vijf bungalows, edelsmidatelier, galerie en ondergeschikte horecavoorziening). Verblijfsrecreatieve voorzieningen zijn milieugevoelige functies die in lijn met de VNG-brochure beschermd dienen te worden tegen milieuhinder vanuit omliggende (agrarische) bedrijven of instellingen. In het kader van het planvoornemen zijn de Breakfast/Groepsaccommodatie en vijf bungalows de verblijfsrecreatieve voorzieningen. De Bed and Breakfast is al een bestaande milieugevoelige functie die in het kader van het planvoornemen niet gebouwelijk uitgebreid zullen worden. Er vinden in het kader van het planvoornemen enkel inpandige wijzigingen plaats. De functies komen niet dichterbij milieubelastende activiteiten te liggen in de omgeving. Vanuit het aspect milieuzonering veranderd er niets ten opzichte van de bestaande situatie. De vijf bungalows betreffen daarentegen wel nieuwe milieugevoelige functies waarbij aangetoond dient te worden dat een goed woon- en leefklimaat in de bungalows gegarandeerd is en de nieuwe functies bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert. Ten noorden van het plangebied liggen de tuinderskassen van Grow Group B.V. aan Napoleonsbaan Noord 4-B.

Deze functie betreft een functie in de milieucategorie 2 en betreft de dichtstbijzijnde gelegen functie in de omgeving van het plangebied. De maximale richtafstand bedraagt 10 meter in verband met de ligging van het plangebied in een gemengd gebied. De dichtstbijzijnde gelegen bungalows liggen op 15 meter afstand ten opzichte van de tuindersactiviteiten. Hiermee liggen de milieugevoelige functies op voldoende afstand ten opzichte van de bedrijsactiviteiten. Ten noordwesten van het plangebied is een agrarisch bedrijf gelegen aan Koesdonk 1. Voor een nadere onderbouwing en meer informatie zie paragraaf 4.3. Op basis van de voorgaande afbeelding en bovenstaande tabel kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen op meer dan voldoende afstand ligt ten opzichte van de milieubelastende activiteiten in de omgeving. Aan de geldende richtafstanden wordt in alle gevallen ruim voldaan. Daarnaast liggen in het voorliggende geval reeds diverse woningen in de omgeving dichter bij omliggende bedrijven, waardoor de realisatie de beoogde bungalows ons inziens inpasbaar wordt geacht. Deze woningen kunnen als maatgevend worden beschouwd. In de nabijheid gelegen (agrarische) bedrijven worden derhalve niet belemmerd in hun bedrijfsvoeringsmogelijkheden door realisering van de plannen.

Spuitzone Ten westen van het plangebied zijn agrarische percelen gelegen die in gebruik zijn als (fruit)boomgaard. Bij de functiewijziging van de woon- en agrarische bestemming naar verblijfsrecreatie moet daarom rekening worden gehouden met effecten als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de recreatiewoningen. Dergelijke open teelten zijn niet in de VNG-brochure vermeld. Er zijn geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht wordt gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder (recreatie)woningen. Als vuistregel wordt een afstand van 50 meter gehanteerd. De indicatieve afstand van gevoelige objecten tot open teelten volgt uit het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Tijdens het | bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 3 3

bespuiten van de gewassen komt als gevolg van de wind een deel van het beschermingsmiddel buiten het teeltgebied terecht (drift). De genoemde afstand van 50 meter is indicatief en zeer algemeen. Hieronder volgt een nadere beoordeling van de open teelt in de omgeving van het plangebied. Aangezien niet aan deze richtafstand kan worden voldaan dienen er passende maatregelen getroffen te worden. In overleg met de initiatiefnemer is de inrichting van het plangebied dusdanig aangepast zodat de bungalows op grotere afstand komen te liggen dan gepland. De afstand van de achtergevelrooilijn van de bungalows tot aan de perceelsgrens bedraagt circa 30 meter. Daarbij is in het kader van de landschappelijke inpassing een houtsingel opgenomen. Deze houtsingel is 8 meter breed en bestaat uit een haag en enkele hoogstambomen die de mogelijke drift van gewasbeschermingsmiddelen zover mogelijk tot het minimum proberen uit te sluiten. Voor meer informatie over de landschappelijke inpassing zie bijlage 8. Met deze landschappelijke en ruimtelijke afscheiding wordt voldoende afscherming gecreëerd tussen het woonperceel en de akkers. De landschappelijke inpassing is geborgd in de regels van het bestemmingsplan, zie paragraaf 5.2.3. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit het eventuele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

4.1.4.3 Overige milieuaspecten Voor wat betreft de aspecten geurhinder veehouderijen en externe veiligheid wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.1.5.

4.1.4.4 Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor realisering/uitbreiding van de recreatieve voorzieningen ter plaatse.

4.1.5

Externe veiligheid

4.1.5.1 Beleidskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 3 4

Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). De Wet Basisnet is een aanvulling op de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, dat gaat over de vervoerskant. In de Regeling Basisnet (Stcrt 2014, 8242) zijn de basisnetafstanden voor de weg, het spoor en het water vastgelegd. Verder is de afstand van het plasbrandaandachtsgebied vastgelegd. De basisnetafstand geeft aan voor welke afstand een risicoplafond geldt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een PR-plafond en een GR-plafond. Een PR-plafond is in de Regeling Basisnet omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar is. Het GR-plafond is in dezelfde regeling omschreven als de plaats waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-7 of 10-8 per jaar is.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In de Bevi, Bevt en Bevb is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Dit houdt in dat over elke overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of toename van het groepsrisico verantwoording moet worden afgelegd (de zogeheten verantwoordingsplicht). Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de Veiligheidsregio.

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een zorgvoorziening is een kwetsbaar object, waarvoor de effecten op het gebied van externe veiligheid moeten worden getoetst.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 3 5

4.1.5.2 Toetsing Risicovolle activiteiten

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (rode cirkel)

Inrichtingen Uit de Risicokaart blijkt dat er binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen liggen. De meest dichtbijgelegen inrichting ligt op circa 1,3 kilometer ten zuidwesten van het plangebied en betreft een LPG-afleveringsinstallatie, een LPG-vulpunt en LPG-tank van een benzineservicestation. Gezien de grote afstand en de aard van de inrichting ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van deze inrichtingen. Vanuit het Bevi zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over Spoor Uit de Risicokaart blijkt dat er binnen het plangebied en de directe omgeving geen spoor is gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het aspect spoort vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Buisleidingen Op een afstand van 850 meter ten oosten van het plangebied ligt een gasleiding van de Gasunie. Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6 contour of binnen het invloedsgebied van deze buisleiding. De ligging ten opzichte van de buisleiding vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over Water

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 3 6

Op een afstand van meer dan 1 kilometer ten oosten van het plangebied ligt de Maas. Over deze rivier vindt transport van gevaarlijke stoffen plaatst. Het plangebied ligt niet binnen de PR 10-6 contour of binnen het invloedsgebied van de Maas. De ligging ten opzichte van de Maas vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over Weg Het plangebied grenst aan de N273 (Napoleonsbaan). Volgens de provinciale Risicokaart is deze weg een transportroute, niet zijnde een basisnetroute. De overschrijdingsfactor van het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Blijkens de risicokaart bedraagt de PR10-6 contour 0 meter. Het plangebied is derhalve niet gelegen binnen de PR10-6 contour van deze weg. Binnen 200 meter rondom de infrastructuur (weg, water, spoor) dient het bevoegd gezag bij ruimtelijke relevante besluiten een groepsrisico afweging te maken. Het plangebied is gelegen binnen dit invloedsgebied. Door de planontwikkeling zal het aantal personen in het plangebied toenemen maar dit zal geen significante invloed hebben op het groepsrisico. Aangezien het groepsrisico niet significant toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden, kan op basis van artikel 8, lid 2, sub b van het Bevt worden volstaan met een beperkte verantwoording. Op basis van de afstanden tot de N273 zijn het vrijkomen van toxische stoffen en een (warme) BLEVE bij een incident op de N273 de maatgevende scenario's. Voor deze scenario's dient een beperkte verantwoording worden opgesteld op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt. Hierbij dient aandacht te worden besteed aan de volgende items: 1.

De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. 2. De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). 4.1.5.3 Advies veiligheidsregio De Veiligheidsregio heeft voor onderhavige ontwikkeling haar advies uitgebracht. Het advies heeft betrekking op de bestrijdbaarheid (door middel van bluswater en de bereikbaarheid van het plangebied) en de maatregelen wat betreft zelfredzaamheid. Hieronder volgt een uitwerking van het advies.

Bestrijdbaarheid Om de bestrijdbaarheid van een incident te vergroten wordt de volgende maatregel geadviseerd: Bluswater Voor een effectieve bestrijding van een ongeval met gevaarlijke stoffen op de N273 is voldoende bluswater noodzakelijk. Tegenover het plangebied, aan de overzijde van de N273 (Tangweg), ligt een ondergrondse brandkraan (OBK) met een capaciteit van 65 m3/uur op een afstand van ca. 25m, een OBK van 55 m3/uur op ca. 180m en een OBK van 70 m3/uur op ca. 295m. De capaciteit en afstand voldoen niet aan het bepaalde in het Gemeentelijke beleid bluswater en bereikbaarheid.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 3 7

Door de planontwikkeling neemt de bevolkingsdichtheid en daarmee de kans op slachtoffers bij een incident toe. Voor een effectieve incidentbestrijding wordt geadviseerd een geboorde put met een capaciteit van minimaal 90 m3/uur te realiseren binnen het plangebied. Door deze blusvoorziening binnen het plangebied te realiseren kan deze zowel dienst doen voor de reguliere brandbestrijding op het terrein als voor incidentbestrijding op de nabijgelegen N273. In overleg met de Veiligheidsregio is nader bepaald waar deze put dient te worden gepositioneerd; deze locatie is bepaald aan het einde van de bestaande bebouwing, nabij de parkeergelegenheid en is opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan.

Bereikbaarheid Het plangebied is goed bereikbaar via de hoofdtoegang vanuit de N273. Zelfredzaamheid Om de zelfredzaamheid van de aanwezige personen te vergroten worden de volgende maatregelen geadviseerd: Communiceer actief over de risico's van het transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg N273 met de personen van in plangebied. Daarbij geldt als handelingsperspectief: schuil in de woning of vlucht indien de overheid dit aangeeft (o.a. via NL-alert of WAS procedure) van het risico vandaan en hou rekening met de wind. Dit bevordert de zelfredzaamheid van personen in de nabijheid van risicobronnen. In het aanwezige ontruimingsplan dient dit handelingsperspectief te worden opgenomen; Beperk het glasoppervlak in de gevel aan de risicovolle zijdes en houdt rekening met de hittestraling- en drukeffecten bij het gevelontwerp; Situeer de ontvluchtingsmogelijkheden van de risicobron af (loodrecht op de risicobron). Het vluchten van de bron (N273) vandaan kan via de boomgaard op het buurtperceel worden gerealiseerd d.m.v. een poort in het bestaand hekwerk. Deze poort is via de binnenzijde onmiddellijk te openen zonder gebruik te maken van losse hulpmiddelen zoals bijv.

een sleutel; Aangezien een toxisch scenario zich kan ontwikkelen vanuit de N273 dient de mechanische ventilatie binnen de te realiseren bouwwerken centraal afsluitbaar uitgevoerd te worden door middel van een gemakkelijk te bereiken noodschakelaar (bij voorkeur in de meterkast) zodat de aanwezige personen deze in geval van een calamiteit kunnen bedienen. Aanzuigopeningen bevinden zich bij voorkeur hoog en afgekeerd van de risicobron. In het aanwezige ontruimingsplan dient dit handelingsperspectief te worden opgenomen. 4.1.5.4 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van spoorlijnen, waterwegen, buisleidingen en inrichtingen. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de N273 heeft een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaatsgevonden en is advies ingewonnen van de Veiligheidsregio. Bij de nadere uitwerking van de bouwplannen dient invulling gegeven te worden aan het advies van de Veiligheidsregio. In de planregels is in art. 3.4.2 een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is bepaald dat een geboorde put met een capaciteit van minimaal 90 m3/uur

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 3 8

dient te worden gerealiseerd alvorens nieuwe bebouwing of nieuwe voorzieningen in gebruik mogen worden genomen.

4.1.6

M.e.r.-plicht

Het voorliggende bestemmingsplan maakt diverse ontwikkelingen mogelijk. Het planvoornemen betreft de uitbreiding van de reeds bestaande Bed and Breakfast waarbij aanvullend diverse recreatieve activiteiten worden toegevoegd, zoals de realisatie van een beeldentuin, een galerie voor workshops en exposities, een kleinschalige ondergeschikte horecavoorziening met buitenterras en de realisatie van vijf energiezuinige vakantiebungalows. Het planvoornemen kan leiden tot een m.e.r.-plicht.

4.1.6.1 Toetsing De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De toekomstige ontwikkeling van de nieuwe verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen zijn niet als zodanig opgenomen in bijlage D van het besluit milieueffectrapportage. Desalniettemin komen de beoogde activiteiten/functies overeen met de categorie D10 en D11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Categorie D10 betreft de "aanleg, wijziging of uitbreiding van (o.a.) vakantiedorpen met bijbehorende voorzieningen, permanente kampeer- en caravanterreinen". Er is echter pas sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op 250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte 25 ha. of meer, danwel een oppervlakte van 10 ha. of meer in een gevoelig gebied (drempelwaarden). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,8 hectare. Dit betekent dat de beoogde ontwikkelingen beneden de hiervoor genoemde drempelwaarden blijven en dat een m.e.r.-beoordeling derhalve niet noodzakelijk is.

Dagrecreatie komt niet voor in categorie D, behoudens een themapark. Hiervan is in dit geval geen sprake. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer in een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Blijkens jurisprudentie (o.a. ABRS 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) en Rechtbank Amsterdam 6 februari 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:648)) dient niet iedere mogelijk gemaakte wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt als een wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I, van categorie 11.2, van onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Dat hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging of uitbreiding van de stedelijke ontwikkeling een rol.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 3 9

In het voorliggende geval is sprake van de uitbreiding en nieuwbouw van verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen (Bed and Breakfast/Groepsaccommodatie, vijf bungalows, edelsmidatelier, galerie en ondergeschikte horecavoorziening). Gezien de omvang van het project, mede afgezet tegen de oppervlakten en aantallen die worden genoemd in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r., is sprake van een kleinschalig project. Daarnaast is er geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en is ook geen sprake van een ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied (zie hoofdstuk 4). Op basis van het bovenstaande dient de voorliggende ontwikkeling niet aangemerkt te worden als (de uitbreiding van) een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom I van categorie 10 en 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.

4.1.6.2 Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.2 'Ecologie' blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is.

4.1.6.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage, vanwege de aard en schaal van het project, het feit dat geen sprake is van significante milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling en ook geen sprake is van ligging binnen of in de nabijheid van een kwetsbaar gebied. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht.

4.2

Ecologie

4.2.1

Algemeen

Bij ruimtelijke planvorming is een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd en een stikstofdepositieberekening. Onderstaand zijn de onderzoeksresultaten kort samengevat. Voor meer informatie wordt

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 4 0

verwezen naar het volledige onderzoeksrapport in respectievelijk bijlage 3 en bijlage 4.

4.2.2

Resultaten gebiedsbescherming

Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Swalmdal”, bevindt zich op circa 11 kilometer afstand ten noorden van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Door de voorgenomen ontwikkelingen is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten, met name tijdens de aanlegfase maar ook door een toename aan verkeersbewegingen in de toekomstige situatie. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied tijdens de aanlegfase en gebruiksfase is niet uit te sluiten. Derhalve is er een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor meer informatie wordt verwezen naar de notitie en stikstofdepositieberekeningen in bijlage 4 van deze toelichting.

Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 100 meter ten zuidwesten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen de zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone. De houtopstanden binnen het plangebied blijven behouden in het kader van onderhavige ontwikkeling. Omdat binnen het plangebied geen (onderdelen) van houtopstanden verloren gaan is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

4.2.3

Resultaten soortenbescherming

Het plangebied bestaat momenteel uit een Bed and Breakfast, met hierbij een tuin met een waterpartij en een stuk grasland met enkele bomen. Het plangebied wordt geschikt gemaakt voor een beeldentuin, galerie voor workshops en exposities, inpandige wijziging van Bed and Breakfast ten behoeve van een groepsaccommodatie, vijf energiezuinige vakantiebungalows en een ondergeschikte horecavoorziening. Uit het veldonderzoek is gebleken dat de aanwezigheid van rust- en voortplantingsplaatsen van vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelde | bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 4 1

soorten redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Wel kunnen hier mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen. Het plangebied bevat wel geschikt leefgebied voor eventuele roofvogels. Echter blijft een groot gedeelte van het plangebied behouden als geschikt leefgebied en vormen de percelen in de omgeving eveneens voldoende geschikt leefgebied voor roofvogels. Ook voor huismus gaat geen essentieel leefgebied verloren. Met de ontwikkeling binnen het plangebied is er geen sprake van inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties. Het uitvoeren van een nader (veld)onderzoek naar flora en fauna in het plangebied is dan ook niet aan de orde, met uitzondering van een controle op een broedgeval bij start van de werkzaamheden in het broedseizoen. Indien tijdens de werkzaamheden onverhoopt individuen worden aangetroffen, geldt hiervoor de algemene zorgplicht.

4.2.4

Conclusie

Op basis van het bovenstaande, bestaan er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen en kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden rekening wordt gehouden met het broedseizoen en de zorgplicht in acht wordt genomen.

4.3

Geurhinder veehouderij

4.3.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De gemeente Peel en Maas heeft geen geurverordening vastgesteld. Dit betekent dat de gemeente aanvragen in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening toetst aan de wettelijke normen uit de Wet geurhinder en veehouderijen. De normen voor de voorgrondbelasting geur zijn 3 OUe/m³ voor geurgevoelige objecten in de bebouwde kom en 14 OUe/m³ voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. De afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object bedraagt: a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. In het voorliggende geval is sprake van de inpandige wijziging en nieuwbouw van verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen (Bed and Breakfast/Groepsaccommodatie, vijf bungalows, edelsmidatelier, galerie en ondergeschikte horecavoorziening). In het kader van het planvoornemen zijn de Breakfast/Groepsaccommodatie en vijf bungalows geurgevoelige objecten in het kader van de Wgv.

Zoals reeds onderbouwd in paragraaf 4.1.4 is de Bed and Breakfast een reeds bestaande functie die in het kader van het planvoornemen niet

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 4 2

uitgebreid zal worden. Er vinden in het kader van het planvoornemen enkel inpandige wijzigingen plaats. De functies komen derhalve niet dichterbij milieubelastende activiteiten te liggen in de omgeving. De vijf bungalows worden gekenmerkt als nieuwe geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen op de vijf nieuwe bungalows noodzakelijk is.

4.3.2

Toets plangebied

Uit de vastgestelde Structuurvisie Intensieve veehouderij en glastuinbouw buitengebied gemeente Peel en Maas (d.d. 7 december 2011) en uit het vigerende bestemmingsplan Buitengebied blijkt dat in de directe nabijheid van het plangebied een veehouderij is gelegen aan de Koesdonk 1. De vijf bungalows zijn op meer dan 150 meter afstand gelegen van de dichtstbijzijnde gelegen veehouderij Koesdonk 1. Er wordt derhalve voldaan aan de geldende richtafstanden. Uit de kaart 'Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder', behorende bij de voornoemde structuurvisie, blijkt dat ter plaatse van het plangebied, sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor de veehouderij zelf levert de ontwikkeling geen belemmeringen op voor de bedrijfsvoering, aangezien het planvoornemen op voldoende afstand is gelegen. Bovendien worden de veehouderijen in de omgeving niet beperkt als gevolg van deze ontwikkeling, omdat andere woningen in de omgeving dichter bij de veehouderijen zijn gelegen.

Uitsnede uit kaart 'Structuurvisie Intensieve veehouderij en glastuinbouw- Beoordeling leefklimaat op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder' (Arcadis d.d. 5 juli 2011) met rood omlijnd globaal de locatie van het plangebied.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 4 3

4.3.3

Conclusie

Vanuit geurhinder van veehouderijen bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.4

Waterhuishouding

4.4.1

Beleidskader

Vanuit Rijks- en provinciaal beleid wordt steeds meer nadruk gelegd op duurzaam waterbeheer in de bebouwde omgeving. Vernieuwing in het provinciaal waterbeheer wordt gestalte gegeven door onder andere een (grensoverschrijdende) stroomgebiedbenadering, een brongerichte aanpak, het solidariteitsprincipe (niet afwentelen) en het vooraf betrekken van water bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen. Vertaling van het landelijk en provinciaal beleid naar gemeentelijk beleid houdt op hoofdlijnen het volgende in: binnen nieuwe in- en uitbreidingsgebieden moet 'slimmer' en 'creatiever' met schoon hemelwater worden omgegaan. Het principe van vasthouden bergen en afvoeren van hemelwater is hierbij van groot belang. In het kader van het beleid van het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden, hetgeen betekent dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit het waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. 2. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving.

Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. 3. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. 4. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit. Schoonhouden, scheiden, zuiveren. 5. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. 6. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepte-infiltratie toepassen. 7. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. | bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 4 4

8. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid.

4.4.2

Kenmerken van het watersysteem

4.4.2.1 Algemeen De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, ecosysteem en afval- en hemelwater.

4.4.2.2 Grondwater Zoals het vigerende bestemmingsplan en de Omgevingsverordening Limburg aantonen ligt de onderzoekslocatie niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Het plangebied ligt daarnaast niet binnen een boringsvrije zone. Middels de beoogde ontwikkeling wordt geen invloed uitgeoefend op het grondwater danwel worden diepe grondwerkzaamheden uitgevoerd die het grondwater kunnen verstoren.

4.4.2.3 Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig, behoudens reeds bestaande waterpartij. In de omgeving en binnen het plangebied is verder geen primair oppervlaktewater aanwezig. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt hierin ook niet voorzien. Op een afstand van meer dan 1 kilometer ten oosten van het plangebied ligt de Maas. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op dit oppervlaktewater.

4.4.2.4 Ecosystemen Het plangebied ligt niet in een bijzonder droog of nat ecosysteem en ligt ook niet in een hydrologisch gevoelig natuurgebied. In het plangebied zijn geen grondwateronttrekkingen voorzien. Dit initiatief heeft geen negatieve invloed op dit natuurgebied.

4.4.2.5 Afvalwater Ter hoogte van het plangebied is voor het huishoudelijk afvalwater reeds een drukriolering aanwezig. Hierop is de bestaande bebouwing aangesloten. Op deze drukriolering mag geen hemelwater worden aangesloten. De maximaal te lozen hoeveelheid afvalwater bedraagt 1 m3 per uur. De vakantiebungalows worden aangesloten op de reeds aanwezig drukriolering.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 4 5

4.4.2.6 Hemelwater Bij nieuwbouw is het beleid om honderd procent van het verharde oppervlak af te koppelen en het schone hemelwater te infiltreren in de bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet meer mogelijk is, kan gekozen worden voor afvoeren. Als er goed kan worden geïnfiltreerd, heeft een infiltratievoorziening de voorkeur. Een bovengrondse infiltratievoorziening heeft de voorkeur boven een ondergrondse in verband met onderhoud en beheersbaarheid van de voorziening. Als de infiltratiecapaciteit van de bodem slecht is of de gemiddelde hoogste grondwaterstand zich dicht bij het maaiveld bevindt, wordt aanbevolen om een opvang van het hemelwater te realiseren die langzaam leegloopt naar het oppervlaktewater. In een infiltratievoorziening zonder een overloop op het oppervlaktewater moet boven de infiltratievoorziening een dynamische buffer worden gerealiseerd die geschikt is om een bui van die éénmaal in de tien jaar voorkomt, een bui van 100 mm (T=100), te kunnen bergen en geen overlast voor derden veroorzaken. De opvangcapaciteit dient 100 mm per m2 verharding en bebouwing te zijn.

Bij de berekening van de inhoud van de infiltratievoorziening mag geen rekening worden gehouden met de infiltratiecapaciteit van de bodem en voornoemde afvoercapaciteit en de infiltratievoorziening dient binnen 24 uur leeg te zijn zodat een eventuele nieuwe bui kan worden opgevangen. Op basis van het bovenstaande is een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de onderzoeksresultaten kort samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport in bijlage 5. Binnen het plangebied is sprake van een zeer beperkte toename van oppervlakte bebouwing en verharding: met de realisatie van de beeldentuin is er geen opvangcapaciteit vereist, aangezien de wandelpaden worden aangelegd met een waterdoorlatende halfverharding (Gravier d'Or). Bovendien wordt het parkeerterrein behorende bij de beeldentuin ook aangelegd met een waterdoorlatende halfverharding; de realisatie van de ondergeschikte horecafunctie vindt plaatst ter plaatse van een voormalig stalcomplex. Dit stalcomplex betrof circa 170 m² en is enkele jaren geleden gesloopt (in 2011 is een omgevingsvergunning sloop verleend door de gemeente aan de toenmalige eigenaar). De ondergeschikte horecafunctie wordt aanpandig gerealiseerd ter plaatse van het bestaande hoofdgebouw (Bed and Breakfast).

Feitelijk is er met deze aanbouw geen sprake van een toename van het verharde oppervlak ten opzichte van de eerdere situatie. Daarnaast is er geen sprake van een uitbreiding ten opzichte van het geldende bestemmingsplan, aangezien deze oppervlakte bebouwing nu ook al mogelijk is. de realisatie van de galerie vindt plaats aan de achterzijde van de bestaande hoofdbebouwing. Deze realisatie betreft een oppervlakte van in totaal 260 m². Dit leidt tot een benodigde opvangcapaciteit van 0,1 x 260 m² = 26 m³. de realisatie van de vijf vakantiebungalows betreft een oppervlakte van in totaal 595 m², op basis van een afmeting van 8,5 x 14 meter per vakantiebungalow. Dit leidt tot een benodigde opvangcapaciteit van 0,1 x 595 m² = 59,5 m³. Feitelijk is echter geen opvangcapaciteit vereist, aangezien de bodem onder de bungalows waterdoorlatend blijft en er daarmee eigenlijk geen sprake is van toename van verhard oppervlak c.q. bebouwing. Tevens wordt het parkeerterrein behorende bij de vakantiebungalows aangelegd met een waterdoorlatende halfverharding.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 4 6

De vakantiebungalows worden geplaatst in een ruime setting en in een groene leefomgeving. Daarbij worden in de nabijheid van de vakantiebungalows een waterbergende functie (infiltratievijver met deels natuurlijk plasdras) aangelegd, zie bijlage 8 ter inspiratie. De waterbergende functie heeft een oppervlakte van in totaal 500 m². De oppervlakte van de bovengenoemde bebouwing en verharding én de aanwezigheid van de waterbergende functie is ruim voldoende om een dergelijke beperkte hoeveelheid hemelwater te kunnen verwerken. Er zijn dan ook geen aparte voorzieningen nodig om problemen met hemelwater te voorkomen. Tevens is de (over)capaciteit zodanig dat meerdere extreme buien achter elkaar kunnen worden geborgen; ingeval van het overlopen van de vijver, zijn er verder voldoende mogelijkheden om het overtollige hemelwater op eigen erf te laten infiltreren zonder dat dit wateroverlast voor bebouwing of voor belendende percelen teweeg zal brengen.

Toepassing van duurzame bouwmaterialen Om bodemverontreiniging te voorkomen wordt het gebruik van uitlogende bouwmaterialen voorkomen. Uitlogende bouwmaterialen zijn koper, zink, bitumen en lood. Alternatieven zijn ruimschoots voorhanden.

4.4.3

Overleg waterbeheerder

Een belangrijk instrument bij de uitvoering van het waterbeleid is de Watertoets. Het toepassen van de Watertoets bij ruimtelijke ingrepen is verplicht en heeft als uitgangspunt dat de situatie voor het watersysteem door de ruimtelijke ingreep niet mag verslechteren (stand-still-beginsel). Bovendien wordt er bij de toepassing van de Watertoets naar gestreefd de kansen om bestaande ongewenste situaties te verbeteren, zoveel mogelijk te benutten. Het concept-bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg aan het Waterschap Limburg voorgelegd en in mei 2020 heeft het waterschap ingestemd met het plan, met dien verstande dat de bergingscapaciteit geschikt moet zijn voor een bui van 100 mm bij een T=100 en met het verzoek om toe te voegen dat de infiltratievoorziening binnen 24 uur leeg dient te zijn zodat een eventuele nieuwe bui kan worden opgevangen. Deze punten zijn in paragraaf 4.4.2 verwerkt.

4.4.4

Conclusie

Gezien het bovenstaande zijn er ten aanzien van de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.5

Verkeerskundige aspecten

4.5.1

Verkeer

In de bestaande situatie is er sprake van een verkeersgeneratie van in totaal 17 motorvoertuigen (mvt) per etmaal op een gemiddelde weekdag op basis van de bestaande bed en breakfast met twee slaapkamers, een woongedeelte en een edelsmidatelier. Op basis van de kengetallen uit de CROW is het aantal verkeersbewegingen dat gegenereerd wordt door onderhavige ontwikkeling bepaald:

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 4 7

functies

Verkeersgeneratie bestaand mvt/etmaal

Verkeersgeneratie na realisatie plannen mvt/etmaal

B&B 2 kamers (CROW)

3

-

B&B 4 kamers (CROW)

-

6

Woning (CROW)

9

9

Edelsmid-atelier 48 m2

5

5

Galerie

-

10

5 vakantiebungalows (CROW)

-

11

Totaal

17

41

NB: De horeca is en mag geen zelfstandige functie zijn. Dit geldt ook voor de beeldentuin. Bij deze berekening is uitgegaan van piekmomenten zoals die gelden voor het hoogseizoen.

Op een gemiddelde werkdag rijden er op de N273 Napoleonsbaan Noord 13.785 motorvoertuigen per etmaal. De N273 is gecategoriseerd als gebiedsontsluitingsweg en kan tot zeker 15.000 mvt/etmaal goed verwerken. Een toename met 24 voertuigen (nog geen 0,002 % van de etmaalintensiteit) levert dus op een gemiddelde werkdag, op alle momenten van de dag, qua verkeersafwikkeling op de N273 geen problemen op. Op 17 juni 2021 is vanuit de provincie Limburg een positief advies gegeven met als voorwaarde, dat als er uitbreiding of verandering van activiteiten gaan plaatsvinden binnen onderhavig plangebied, de provincie Limburg de situatie opnieuw dient te beoordelen.

4.5.2

Parkeren

Voor de toe te passen parkeernorm dient te worden uitgegaan van de 'Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018'. Indien een parkeernorm niet voorkomt in de parkeernormennota wordt aansluiting gezocht bij de CROW-kengetallen. Wanneer een parkeernorm ook niet voorkomt in de CROW-kengetallen moet de parkeerbehoefte door initiatiefnemer nader onderbouwd worden. In de huidige situatie is er al sprake van 10 parkeerplaatsen en is er plek voor de stalling van circa 30 fietsen ten behoeve van de parkeerbehoefte van de huidige edelsmidatelier en bed en breakfast. In de 'Nota parkeernormen Peel en Maas 2018' is bepaald dat voor een camping/kampeerterrein buiten de bebouwde kom een parkeernorm geldt van 1,2 parkeerplaatsen per standplaats. In de toekomstige situatie betekent dit dat er in totaal 6 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd op de standplaatsen van de bungalows. Ten behoeve van de realisatie van de beeldentuin, de galerie en uitbreiding van de bed en breakfast, zijn geen parkeernormen opgenomen in de Nota parkeernormen. Echter, zoals in voorgaande paragraaf al naar voren is gekomen, is de verkeers- en daarmee ook de parkeerdruk van de functies binnen het plangebied op maatgevende piekmomenten in het hoogseizoen, in de praktijk veel lager dan de normering van het CROW en voornoemde Nota parkeernormen.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 4 8

Om een compleet beeld te geven van de redelijkerwijs te verwachten parkeervraag in relatie tot de verkeersaantrekkende werking zoals weergegeven in de vorige paragraaf, is een en ander verwerkt in onderstaande tabel: functies

Verkeersgeneratie bestaand mvt/etmaal

Verkeersgeneratie na realisatie plannen mvt/etmaal

Parkeervraag na realisatie plannen

B&B 2 kamers (CROW)

3

-

-

B&B 4 kamers (CROW)

-

6

3

Woning (CROW)

9

9

2

Edelsmid-atelier 48 m2

5

5

3

Galerie

-

10

5

5 vakantiebungalows (CROW)

-

11

6

Totaal

17

41

19

In de toekomstige situatie worden er ten behoeve van iedere bungalow 2 parkeerplaatsen gerealiseerd (10 in totaal). Dit parkeeraanbod is meer dan voldoende ten opzichte van de gestelde norm van 6 parkeerplaatsen. Daarnaast zullen in het kader van de voorliggende ontwikkeling in totaal 14 extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen worden gerealiseerd ten behoeve van de parkeerbehoefte van de incidentele bezoeker die tóch met de auto komt in plaats van de fiets. De verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen binnen het plangebied zullen in de meeste gevallen worden gebruikt door de verblijfsgasten van de Johannes-Hoeve. Hierdoor zal de extra parkeerbehoefte die ontstaat door de ontwikkeling van de dagrecreatieve voorzieningen zeer beperkt zijn en zijn de 14 extra parkeerplaatsen voldoende om te voldoen in de parkeerbehoefte ter plaatse. In totaal zal er in de toekomstige situatie sprake zijn van 34 (= 10 bestaand + 10 nieuw + 14 extra) parkeerplaatsen binnen het plangebied. Dit is in lijn met de 'Nota parkeernormen Peel en Maas 2018' en overschrijdt ruimschoots het in werkelijkheid te verwachten noodzakelijke aantal.

4.5.3

Conclusie

Vanuit een oogpunt van verkeer en parkeren zijn er geen belemmeringen voor realisering van de beoogde uitbreiding.

4.6

Leidingen en infrastructuur

In de directe omgeving van het plangebied ligt aangrenzend een hoogspanningsleiding. Deze hoogspanningsleiding ligt op een afstand van circa 50 meter ten opzichte van de reeds aanwezige Bed and Breakfast. Aangezien de hartlijn en de beschermingszone van de hoogspanningsleiding niet binnen onderhavig plangebied vallen, vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van de hoogspanningsleiding geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig initiatief.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 4 9

In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen verder geen leidingen voor met een planologisch-juridische beschermingszone die van invloed zijn op het onderhavige plan.

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

4.7.1

Archeologie

4.7.1.1 Algemeen Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De wet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en vervangt 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. De belangrijkste verandering voor archeologen is de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering. Dit moet garanderen dat opgravingen volgens professionele kwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat in 2022 over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet.

Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. 4.7.1.2 Archeologische beleidskaart Peel en Maas Op 28 juni 2011 heeft de gemeenteraad van Peel en Maas het gemeentelijke archeologiebeleid in de vorm van het Beleidsplan archeologie vastgesteld. De laatste bijbehorende archeologische beleidskaart dateert van juli 2012. Op de beleidskaart wordt een 7-tal waarden archeologie onderscheiden. Categorie 1 kent de hoogste verwachtingswaarde en categorie 7 de laagste verwachtingswaarde. De verwachtingswaarde geeft op basis van de verstoringsoppervlakte en de verstoringsdiepte aan of er een onderzoeksplicht geldt.

| bestemmingsplan Uitbreiding Johannes-Hoeve | status: vastgesteld |

Pagina | 5 0

De onderzoeksplicht bestaat in hoofdzaak uit veldwerkzaamheden (bureauonderzoek is grotendeels verricht bij het opstellen van de waarden- en verwachtingenkaart) om te bepalen of er archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Op basis van de resultaten zullen eventuele maatregelen worden getroffen om mogelijke archeologische waarden veilig te stellen. Dit kan nog leiden tot archeologievriendelijke bouwwijze dan wel proefsleuvenonderzoek (al dan niet gevolgd door een opgraving). Daar waar een lage verwachting geldt, is verder geen archeologisch onderzoek nodig. In de andere verwachtingsgebieden moet, indien de grond dieper dan 40 cm wordt verstoord, mogelijk archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

4.7.1.3 Toets archeologische beleidskaart Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Peel en Maas is het plangebied gelegen binnen categorie 4 'hoge archeologische verwachtingswaarde'. Dit is doorvertaald in het geldende bestemmingsplan buitengebied. Ter plaatse geldt de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 4'. Zolang er geen sprake is van bodemverstoringen met een oppervlakte van meer dan 250 m² danwel dat de bebouwing dieper reikt dan 40 centimeter beneden maaiveld, is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het totale plangebied betreft 1,5 ha. Hierin vinden diverse bodemingrepen plaats. Derhalve is volledigheidshalve een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Onderstaand zijn de onderzoeksresultaten kort samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport in bijlage 6.

4.7.1.4 Onderzoeksresultaten In juni 2021 is een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uitgevoerd door 'VUhbs archeologie'. Tijdens dit proefsleuvenonderzoek is gebleken dat de bodem in het onderzoeksgebied grotendeels intact is. Op het erf rondom de bestaande Johannes-Hoeve is wel sprake van grootschalige verstoringen. Door het natuurlijke proces van verbruining is echter een dikke laag ontstaan waar de bodem zodanig verweerd is dat archeologische sporen niet meer zichtbaar zijn. De dikte van deze laag is met ca. 60 cm zo groot dat alleen zeer diepe sporen nog onder deze laag bewaard zullen zijn. Behalve een restant van een houtskoolmeiler zijn geen sporen aangetroffen. Mogelijk zijn de vondsten die in de verbruinde laag zijn gedaan in werkelijkheid uit grondsporen afkomstig. Dergelijke sporen zijn echter door het proces van verbruining niet meer te onderscheiden van de omliggende natuurlijke bodem. Tijdens het onderzoek zijn resten aangetroffen uit verschillende perioden. Dit kan geconcludeerd worden op basis van de aangetroffen vondsten. Er werd echter slechts één grondspoor teruggevonden, een houtskoolmeiler, dergelijke sporen dateren meestal in de (Vroege) Middeleeuwen, hoewel ze ook wel uit de Romeinse tijd of de Ijzertijd kunnen dateren.

Vuurstenen voorwerpen werden uitsluitend aangetroffen in het noordwesten van het plangebied en duiden op activiteit, mogelijk in het Laat Paleolithicum. Een versierde scherf behoort toe aan de Klokbekercultuur en representeert het Laat Neolithicum. Een vondst van La Tène glas en handgevormd aardewerk is indicatief voor een vindplaats uit de Ijzertijd, hoewel ook een datering in de Romeinse tijd niet uitgesloten kan worden. Het gedraaide aardewerk

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=ea1d1241-0081-48f2-98d1-ffd07dd6ef45