CConstaterende datPeel en Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-017 03 Toelichting en Regels Bestemmingsplan Woongemeenschap Veersepad 13 te Kessel.pdf

Raad 22 februari 2022, gemeente Peel en MaasBij agendapunt: Vaststellen "Bestemmingsplan Veersepad 13, Kessel" (2022-017)27.836 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hoofdstuk 3

33

schappelijke voorzieningen daarnaast gericht op het ontmoeten en zorgen voor elkaar alsook het kunnen ontvangen van zorg in de eigen directe woonomgeving. Er is daarnaast sprake van hergebruik en inbreiding. Het beoogde zorgwonengebouw voldoet daarmee aan voornoemde thematische uitgangspunten uit de kaderstelling. Het punt waar het beoogde zorgwonengebouw afwijkt van de kaderstelling, is het feit dat nieuwbouw in principe plaatsvindt op herstructureringslocaties. Van een herstructureringslocatie is in het onderhavige geval geen sprake. Deze locatie is daarom in beginsel niet passend voor het toevoegen van planologisch zelfstandige woningbouwtitels in de vorm van zelfstandige wooneenheden. Doordat met het beoogde zorgwonengebouw wonen wordt gecombineerd met kwalitatieve aspecten in de vorm van gemeenschappelijke (zorg)voorzieningen die het levensloopbestendig wonen, ontmoeten en zorg met elkaar verbinden en daarmee wel voldoet aan de thematische uitgangspunten van de kaderstelling, heeft de gemeenteraad aanleiding gezien om medewerking te verlenen aan het initiatief op deze locatie. 3.4.3

Kaderstelling; thema’s ruimte en economie (2017)

Naast het thema wonen zijn ook vanuit de thema’s ruimte en economie de uitgangspunten ‘wonen duurzaam in balans’ en ‘zorgen voor elkaar’ beschreven: 1. Wonen duurzaam in balans Samen met de samenleving wordt gewerkt aan een woningbestand dat duurzaam in balans is. In dat kader zijn een drietal uitvoeringsafspraken gemaakt: 

De juiste woning: vraag en aanbod worden kwalitatief met elkaar in overeenstemming gebracht. Om vitaliteit en leefbaarheid van de kernen te behouden wordt een duurzaam woningbestand gecreëerd. Kernwoorden hierbij zijn dorps, levensloopbestendig en duurzaam. De grootste opgave ligt in de bestaande voorraad en beperkt bij nieuwbouw. Initiatieven die gericht zijn op herstructurering van de bestaande woningvoorraad worden gefaciliteerd. Het juiste aantal woningen: vraag en aanbod worden kwantitatief met elkaar in overeenstemming gebracht. Peel en Maas heeft zich gecommitteerd aan de opgave om de kwantitatieve woningvoorraad in 2030 in balans te brengen. Er wordt gebouwd voor de vraag van vandaag en voorgesorteerd op de demografische transitie. Daarin geldt dat iedere kern mag bouwen voor de eigen behoefte binnen de regionaal vastgestelde kaders. Hiervoor wordt het regionale afwegingskader gebruikt, welke lokaal nog verder wordt ingevuld. Belangrijk is verder dat er genoeg ruimte is om in te spelen op de goede vraag van morgen en dat goede initiatieven mogelijk blijven.

Hoofdstuk 3

34

Bouwen op de juiste plek: op duurzame locaties Er wordt gebouwd op locaties die de identiteit van de dorpen behouden en versterken. Die uitgaan van hergebruik boven uitbreiding en nieuwvestiging; op gezonde locaties die de waarden van groen, natuur en landschap respecteren.

2. Zorgen voor elkaar De gemeente faciliteert de beweging om te zorgen voor elkaar. Dit doet het onder andere door middel van de onderstaande uitvoeringsafspraken: 

Voldoende diversiteit aan voorzieningen passend bij de beweging in de kernen. Voldoende diversiteit aan voorzieningen draagt bij aan de instandhouding van vitale gemeenschappen. De gemeente draagt daarin bij aan het samen leven in de kernen door sociale verbanden in fysieke leefomgeving te bevorderen evenals het bouwen van de eigen leefomgeving. Collectief gebruik van voorzieningen in de woonomgeving worden gestimuleerd.

Extra oog voor doelgroepen met bijzondere aandacht. Hiertoe behoren onder andere ouderen en zorgbehoevenden. Er dient voor deze doelgroepen voldoende kwantitatief als kwalitatief woonruimte beschikbaar te zijn. De gemeente richt het beleid zo in dat deze doelgroepen zo lang mogelijk deel blijven van het samenleven in gemeenschappen.

Kaderstelling; thema’s sociaal domein en vitale gemeenschappen (2017) In het kader van zorg en ondersteuning heeft de gemeente onder andere ‘Vitale gemeenschappen’ als doel gesteld. Hierin ondersteunt de gemeente burgers en gemeenschappen die zelf regie voeren op het zorgen voor elkaar.

Afweging Het onderhavige initiatief voldoet aan de kernwoorden ‘dorps’, ‘levensloopbestendig’ en ‘duurzaam’. De veranderende samenleving vraagt dat anders moet worden nagedacht over hoe we maatschappelijke uitdagingen aanpakken. We worden steeds ouder en blijven langer thuis wonen. Daarnaast zien we een snel groeiend tekort aan zorgpersoneel. Met het ingediende plan laten de initiatiefnemers zien dat ze anticiperen op deze situatie en zelf de regie pakken op het zorgen voor en omzien naar elkaar. Het gaat dan niet zozeer om de 24-uurs zorgvraag, maar om een gebouw met zelfstandige woningen dat kwalitatieve randvoorwaarden heeft om het samen leven en zorgen voor elkaar mogelijk te maken. Een en ander zodat ouderen en zorgbehoevenden van de huishoudens in het zorgwonengebouw zo lang als mogelijk in het eigen dorp kunnen blijven wonen en onderdeel uit blijven maken van de eigen leefomgeving. Dit initiatief is hèt voorbeeld van regie voeren op het zorgen voor elkaar. Het onderhavige initiatief is innovatief en vernieuwend en speelt in op de toenemende zorgvraag en zelfredzaamheid in de samenleving. Voor innovatieve plannen in het algemeen, waarbij levensloopbestendigheid, ontmoetingsvoorzieningen en een gezamenlijk zorgaspect een duidelijke plek heeft, is ook ruimte op niet-herstructureringslocaties, zoals de onderhavige locatie.

Hoofdstuk 3

35

Uit de ladderonderbouwing, die nader wordt beschreven in paragraaf 3.1.4, volgt daarnaast dat er ook kwantitatief ruimte is voor woningbouw in Kessel. 3.4.4

Beleidsregel Woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018

Het college van burgemeester en wethouders heeft op 4 juni 2018 de "Beleidsregel Woningbouwverzoeken Peel en Maas 2018" vastgesteld. In deze beleidsregel is bepaald dat in principe geen medewerking wordt verleend aan het toevoegen van extra woningen in afwijking van het bestemmingsplan. In een aantal situaties wordt op deze hoofdregel een uitzondering gemaakt en de gemeenteraad heeft op basis van deze beleidsregel ingestemd met de toevoeging van woningcontingenten. In artikel 6 van de beleidsregel zijn een aantal voorwaarden opgenomen voor het kunnen toevoegen van woningen. Hierna wordt per voorwaarde kort toegelicht waarom het onderhavige initiatief past binnen deze beleidsregel. 1. Juiste plek: draagt bij aan leefbaarheid door leegstand te herstructureren dan wel aan een verbetering van de ruimtelijke structuur. Onderhavig verzoek heeft betrekking op een locatie waar thans een verouderd herenhuis is gelegen. Het onderhavige initiatief voorziet in een zorgwonengebouw dat middels nieuwbouw duurzaam en levensloopbestendig kan worden gemaakt. De bebouwing wordt ingepast in de ter plaatse aanwezige ruimtelijke structuur. 2. Juiste type: Deze ontwikkeling voorziet in de realisatie van levensloopbestendige woningen, geschikt voor ouderen en zorgvragers.

Uit de Ladder voor duurzame verstedelijking volgt dat vanuit kwalitatief oogpunt behoefte is aan dit type woningen en bovendien ook gelegen nabij het centrum van de dorpskern met de meest relevante levensbehoeften. 3. Juiste kwaliteit: dorps, duurzaam, levensloopbestendig Doordat bij deze ontwikkeling levensloopbestendig en duurzaam gebouwd wordt, wordt voldaan aan de eisen van de huidige tijd en juist in het centrum van de dorpskern is behoefte aan woningen voor ouderen en zorgvragers. 4. Anderszins sprake van goede ruimtelijke ordening. Uit dit bestemmingsplan volgt dat bij de onderhavige planontwikkeling sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 3.4.5

Nota ruimtelijke kwaliteit (Welstandsnota) Peel en Maas

Het fuseren van de gemeente en het inwerkingtreden van de Wabo en het daarbij behorende vergunningvrij bouwen is mede aanleiding geweest voor de gemeente om nieuw welstandsbeleid op te stellen. Hiertoe is op 31 mei 2011 de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld.

Hoofdstuk 3

36

Basisprincipe: welstandsvrij De gemeente stelt alleen eisen aan de uiterlijke kwaliteit van bouwwerken als dit ook echt nodig is. Hiermee wordt getracht de 'belasting' of eisen aan de klant zo gering mogelijk te houden waarbij wel het algemeen belang wordt gerespecteerd. Daarom wordt er uitgegaan van een basis van welstandsvrijheid. Bescherming: alleen in uitzonderingsgebieden De gemeente Peel en Maas staat voor zelfsturing en diversiteit. In bepaalde gebieden blijft sturing echter toch nodig. Sommige gebieden zijn beeldbepalend voor een gemeenschap. De gemeente wil voorkomen dat dit beeld wordt aangetast, dit is in het belang van de gehele gemeenschap. Daarnaast zijn er (nieuwbouw)plannen waarin een bepaalde sfeer, thema of kwaliteit wordt nagestreefd. Ook hierin is het niet gewenst om gehele vrijheid te geven. Om de directe omgeving te beschermen is het gewenst om sturing te geven aan bouwplannen die (grote) invloed hebben op de kwaliteit van de omgeving. Middels een beeldkwaliteitsplan kan worden gestuurd op een gewenste uitstraling. In principe geldt het welstandsvrij beleid voor het gehele grondgebied van de gemeente, maar om bepaalde ruimtelijke en esthetische kwaliteiten beter te beschermen of waarborgen, worden er twee uitzonderingssituaties gemaakt. Deze gebieden zijn dus niet welstandsvrij.

Het betreft de beeldbepalende dorpsgezichten en de in- en uitbreidingslocaties. Toetsing Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘beeldbepalende dorpsgezichten’. Derhalve dient voor onderhavige ontwikkeling te worden voldaan aan de welstandseisen. Omdat ieder dorp een eigen karakteristiek heeft, is bij toetsing van nieuwe bouwplannen altijd sprake van maatwerk. Onderstaand zijn algemene toetsingscriteria opgesteld. Deze dienen gepaard te gaan met advies op maat. Bebouwing en omgeving.  De karakteristiek van de bebouwing dient aan te sluiten op de karakteristiek van de omliggende bebouwing.  De situering of wijziging van de bouwmassa en/of de oriëntatie mag het historische straatbeeld niet verstoren. Bebouwing op zich  De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven.  Samenvoeging van bouwmassa´s is ongewenst.  De bestaande bouwmassa is leidend bij veranderingen. Materiaal, detaillering en kleur  Het bestaand materiaal- en kleurgebruik is uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving.

Hoofdstuk 3

37

Afweging Bij het ontwerp-bouwplan is rekening gehouden met de algemene toetsingscriteria. Het bouwplan is positief ontvangen door de dorpsbouwmeester. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 1 aan deze toelichting van het bestemmingsplan toegevoegd en daarnaast juridisch verankerd in de regels van dit bestemmingsplan.

3.5 Afweging beleidskader Uit de voorgaande alinea’s blijkt dat de beoogde woningbouwontwikkeling past binnen de diverse relevante beleidskaders. In het volgende hoofdstuk worden de bouwplannen getoetst aan de overige (milieutechnische) randvoorwaarden.

Hoofdstuk 3

38

4.

UITVOERINGSASPECTEN Bij de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met (milieu)invloeden vanuit de omgeving op de ontwikkeling zelf en met invloeden vanuit de ontwikkeling op de omgeving. Binnen dit hoofdstuk wordt gekeken naar de aspecten geluid, archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding, verkeer en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortkomende bevindingen zijn in onderstaande paragrafen toegelicht.

4.1 Milieuaspecten 4.1.1

Bodem

Algemeen In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies zijn, dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Onderzoek Ter plaatse van het plangebied is reeds sprake van een woning en dus een gevoelige functie. Daarnaast is het plangebied reeds bestemd als wonen. In het kader van de toekomstige aanvraag om een omgevingsvergunning is een bodemonderzoek benodigd. Volledigheidshalve is dit onderzoek al ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan uitgevoerd.4 Het onderzoek is opgenomen in bijlage 3 van deze toelichting. Hierna wordt volstaan met een korte samenvatting. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw. Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag.

Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

4

Econsultancy, Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Veersepad 13 te Kessel, Rapportnummer 15981.001, d.d. 10 januari 2022

Hoofdstuk 4

39

Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.2

Geluidhinder

Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Een nieuwe woning is een geluidsgevoelig object. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai en industrielawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengen voor de toekomstige bewoners van de woning. Toetsing Onderhavige ontwikkeling is gelegen aan het Veersepad. Deze straat betreft een 30km/u weg. Binnen een afstand van 200 meter zijn bovendien geen wegen gelegen met een hogere maximumsnelheid. Daarnaast is onderhavig planvoornemen niet gelegen in de nabijheid van spoorwegen of een industrieterrein. Derhalve is het niet noodzakelijk om een akoestisch onderzoek ‘wegverkeerslawaai’ of ‘industrielawaai’ uit te voeren.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een onderzoek verricht naar de geluidbelasting op de gevel vanwege verkeerslawaai.5 Daarbij is tevens gekeken naar geluid vanaf het water en de impact van een zorgwonengebouw op de omliggende woonomgeving. De onderzoeksresultaten worden hierna kort samengevat en de onderzoeksrapportage is opgenomen als bijlage 4 van deze toelichting. De locatie is momenteel bebouwd met een villa, welke gesloopt wordt. Ter plaatse wordt een zorgwoongebouw gerealiseerd. In de nabijheid van het plan zijn geen relevante gezoneerde wegen gelegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen (Dorpstraat en het Veersepad) in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden ook inzichtelijk gemaakt:

5

Econsultancy, Akoestisch onderzoek Veersepad 13 te Kessel, Rapportnummer 15981.002, d.d. 10 januari 2022.

Hoofdstuk 4

40

• scheepvaartlawaai; • het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveau als gevolg van voertuigbewegingen op het eigen parkeerterrein. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van het gebouw. Ter plaatse van de maatgevende gevelzijdes van het gebouw zijn toetspunten ten behoeve van maximaal vier bouwlagen gemodelleerd. De geluidsbelasting op het gebouw bedraagt ten hoogste 41 dB als gevolg van het wegverkeer. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelastingen op de gevels ten hoogste 53 dB bedraagt tot een hoogte van 13,5 meter als gevolg van de scheepvaart. Aangezien de berekende geluidsbelasting lager is dan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 55 dB voor railverkeer gelden er geen belemmeringen als gevolg van scheepvaartlawaai. Conclusie Vanuit het aspect ‘geluidhinder’ bestaan er geen belemmeringen voor de onderhavige ontwikkeling. 4.1.3

Luchtkwaliteit

Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) b) c) d)

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van

Hoofdstuk 4

41

de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500

minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000

Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van een zorgwonengebouw voor maximaal 13 huishoudens, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergronden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM 10 ter plaatse tussen de 16 en 18 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 10 en 12 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 14 en 16 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.4

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.

Hoofdstuk 4

42

Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. Het Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan.

Een woning is conform het Bevi een kwetsbaar object. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist.

Hoofdstuk 4

43

Toetsing De planlocatie is gelegen aan de Maas, waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Derhalve is voor de onderhavige ontwikkeling een ‘quickscan externe veiligheid’ 6 uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 5. De ontwikkeling bestaat uit een zorgwonengebouw voor 13 huishoudens. Daarmee is sprake van een kwetsbaar object volgens artikel 1 van het Bevi. Met behulp van de landelijke Signaleringskaart Externe Veiligheid is de omgeving van de ontwikkeling onderzocht naar risicovolle activiteiten. Hieruit blijkt dat de planlocatie in het invloedsgebied ligt van de Maascorridor. De Maas is een transportroute van gevaarlijke stoffen en maakt daardoor deel uit van het Basisnet (water). Om dit groepsrisico goed in beeld te krijgen is een RBMII-berekening uitgevoerd voor het huidige en het toekomstige plaatsgebonden risico en groepsrisico.7 (bijlage 6) Uit de berekeningen blijkt dat de hoeveelheid aan gevaarlijke stoffen over de Maas ter plaatse dermate laag is dat er voor wat betreft het plaatsgebonden risico geen 10-6 contour aanwezig is. De 10-8 risicocontour is wel aanwezig/berekend en is 117 meter. Uit de berekening van het huidige groepsrisico volgt dat het groepsrisico ter plekke van de geplande ontwikkeling heel laag is.

Het groepsrisico is 0.00138, dit is 0.14 oriëntatiewaarde. Na het toevoegen van de 30 personen voor het berekenen van toekomstig groepsrisico blijkt dat dit geringe aantal op deze plek geen zichtbaar verhoging van het groepsrisico weergeeft. Het groepsrisico blijft 0.00138, dus 0.14 oriëntatiewaarde. Advies RUD Limburg Noord De voornoemde onderzoeksrapportage en RBMII-berekening zijn nader beschouwd door de RUD Limburg Noord.8 Het advies is als bijlage 7 aan deze toelichting toegevoegd. De RUD Noord Limburg kan grotendeels instemmen met de onderzoeksrapportage, maar adviseert enkele aanpassingen te doen. Deze aanpassingen zijn in het rapport van M-Tech d.d. 18 juni 2021 verwerkt. Met de RBMII-berekening kan volledig worden ingestemd. De RUD Noord Limburg heeft daar nog het volgende aan toegevoegd. Uit de uitgevoerde risicoberekeningen blijkt dat er geen plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6-contour) aanwezig is. Er wordt daardoor voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico.

6

M-tech, Externe veiligheid ontwikkeling Veersepad 13 Kessel, Rapportnummer Vee.Kes.21.EV-01v2, d.d. 18 juni 2021 RBMII Veersepad 13, Versie 2.3.0 Build: 535, d.d. 29 april 2021 8 RUD Limburg Noord, Versie 20130613-PPCrv1.0, d.d. 28 mei 2021 7

Hoofdstuk 4

44

Door de ontwikkeling van het woon-zorg initiatief neemt de omvang van het groepsrisico niet zichtbaar toe. De toename van het groepsrisico door de ontwikkeling van het woon-zorg initiatief bedraagt minder dan 10%. De oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Het groepsrisico heeft een omvang die groter is dan 10% van de oriënterende waarde. Gelet op het bepaalde in lid 2 van artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In artikel 7 van het Bevt is vermeld dat bij de beperkte verantwoording van het groepsrisico in elk geval ingegaan dient te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp en op de zelfredzaamheid van de personen binnen de ontwikkeling. In het kader van de verantwoording van het groepsrisico dient conform het bepaalde in artikel 9 van het Bevt het bestuur van de Veiligheidsregio Limburg Noord in de gelegenheid gesteld te worden om advies uit te brengen over de ontwikkeling van het woon-zorg initiatief aan het Veersepad 13 te Kessel. Advies Veiligheidsregio Limburg Noord Bij brief van 31 mei 2021 heeft de Veiligheidsregio Limburg Noord een advies afgegeven omtrent de externe veiligheidsaspecten met betrekking tot onderhavig bestemmingsplan. 9 Het advies is opgenomen in bijlage 8.

Hieronder wordt volstaan met een korte samenvatting. Het groepsrisico neemt door de realisatie van het woongebouw niet zichtbaar toe. Het bestaande groepsrisico is 0,14 maal de oriëntatiewaarde en overschrijd daarmee de 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Daarvoor dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden gedaan. Het advies van de Veiligheidsregio richt zich op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en over de zelfredzaamheid van personen in het invloeds- en effectgebied. De risicobron waar rekening mee moet worden gehouden is de Maascorridor die op circa 30 meter en een hoogteverschil van circa 8 meter van het plangebied is gelegen. Ter plaatse worden gevaarlijke stoffen vervoerd, namelijk brandbare gassen, zeer brandbare gassen en toxische gassen. De volgende scenario’s zijn van belang: 1. Plasbrand: Door een ongeval met een binnenvaartschip geladen met een (zeer) brandbare vloeistof, komt de lading vrij en tot ontbranding. Hierdoor ontstaat een plasbrand over de Maas die door de stroming meegevoerd wordt. 2. Koude BLEVE: Door een ongeval met een binnenvaartschip geladen met LPG, komt het LPG vrij en direct tot ontbranding. Hierdoor ontstaat een vuurbal en een drukgolf. 3.

Giftige wolk: Door een ongeval met een binnenvaartschip geladen met ammoniak, komt een giftige wolk vrij die door de wind wordt meegevoerd over het plangebied.

9

Veiligheidsregio Limburg-Noord, Adviesrapport bestemmingsplan Veersepad 13 te Kessel, kenmerk: 2021-005607, d.d. 31 mei 2021

Hoofdstuk 4

45

De effecten zijn hittestraling, een drukgolf of een giftige wolk. Maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid vergroten de mogelijkheden voor de in het effectgebied aanwezige personen om zichzelf op eigen kracht in veiligheid te brengen. Hiervoor adviseert de Veiligheidsregio de volgende maatregelen: 1. Giftige wolk: Zorg dat ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en wanneer in de woningen voor de ventilatie een installatie nodig is, plaats dan een noodknop/hoofdschakelaar waarmee de installatie uitgezet kan worden op een makkelijk te bereiken plaats, zodat er geen ventilatielucht van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast geplaatst worden of in de buurt van de eventueel benodigde brandmeldcentrale. 2. Algemeen: Zorg dat de gebruikers van het plangebied op de hoogte zijn van de risico’s uit de omgeving en de aanwezige voorzieningen in de woning, zodat ze daarnaar kunnen handelen bij een incident; Vluchten of schuilen, ramen en deuren sluiten en ventilatie afschakelen. Conclusie Met het nemen van de geadviseerde maatregelen, vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.5

Milieuzonering

Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. Milieucategorie

Richtafstand tot gevoelige functies in

Richtafstand tot gevoelige

een rustige woonwijk

functies in gemengd gebied

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

Hoofdstuk 4

46

Toetsing In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Het beoogde zorgwonengebouw voor 13 huishoudens is geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De zelfstandige woonruimtes betreffen daarentegen wel milieugevoelige functies. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert. De dichtstbijzijnde gelegen milieubelastende activiteit betreft een slagerij (detailhandel in vlees, wild, gevogelte, met roken, koken, bakken) aan het Veersepad 3 te Kessel. Deze milieucategorie 1 activiteit ligt op ruim 100 meter ten noordoosten van het plangebied. Formeel geldt een richtafstand van 10 meter tot de milieugevoelige functie. Aan deze richtafstand wordt ruim voldaan. Het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Daarnaast zijn er in de huidige situatie reeds diverse woningen dichter bij milieubelastende activiteiten gelegen, waardoor deze als maatgevend beschouwd kunnen worden. In het te realiseren zorgwonengebouw zal derhalve sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Het zorgwonengebouw belemmert bedrijven en inrichtingen in de omgeving niet. In het kader van het aspect industrielawaai zijn berekeningen uitgevoerd ten aanzien van het parkeerterrein aan de voorzijde van het perceel. Dit volgt uit het in paragraaf 4.1.2 benoemde akoestisch onderzoek (bijlage 5 van deze toelichting).10 Hierna volgt een korte samenvatting. De richtwaarden voor maximale geluidniveaus uit stap 2 worden alleen in de avondperiode overschreden. Het betreffen de maximale geluidniveaus als gevolg van dichtslaande portieren op het parkeerterrein. Aan de richtwaarden uit stap 3 wordt wel voldaan. In stap 3 dient bij de beoordeling rekening te worden gehouden met de cumulatie van andere aanwezige geluidsbronnen. Van cumulatie is alleen sprake wanneer de grenswaarden van meerdere te onderscheiden geluidsbronnen worden overschreden. Omdat alleen de richtwaarde van het maximaal geluidniveau wordt overschreden, is cumulatie van verschillende bronnen niet aan de orde. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen vanwege dichtslaande portieren zijn niet realistisch en doelmatig in een rustige woonwijk. Middels een organisatorische maatregel zal het parkeren in de nachtperiode ondergronds plaatsvinden. Het woon- en leefklimaat in de bestaande woningen (binnenniveau) wordt bij een geluidwering van de gevels van minimaal 20 dB voor goed onderhouden woningen gegarandeerd.

Het voorgenomen plan wordt akoestisch inpasbaar geacht en een nader onderzoek is niet noodzakelijk.

10

Econsultancy, Akoestisch onderzoek Veersepad 13 te Kessel, Rapportnummer 15981.002, d.d. 10 januari 2022

Hoofdstuk 4

47

Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief. 4.1.6 M.e.r.-plicht Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van een zorgwonengebouw De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.e.r. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het voorliggende initiatief betreft de ontwikkeling van een zorgwonengebouw met 13 appartementen en gemeenschappelijke ruimten. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is.

In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten, een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.4 ‘Ecologie’ blijkt dat van significante effecten die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht geen sprake is. Conclusie De omvang van de ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Er dient wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Het bestemmingplan heeft geen significante gevolgen op een Natura 2000-gebied. Er hoeft derhalve geen passende beoordeling te worden uitgevoerd en vanuit de Wet natuurbescherming geldt geen m.e.r.-plicht. M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag.

Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd

Hoofdstuk 4

48

gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project 

Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder

Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project 

Bestaand grondgebruik

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Kenmerken van het potentiële effect 

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Waarschijnlijkheid van het effect

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4

49

Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.635 m 2. Het project richt zich op de realisatie van een zorgwonengebouw (ca. 810 m 2) met 13 wooneenheden en gemeenschappelijke ruimte op de begane grond. Rondom het gebouw wordt een gemeenschappelijke tuin aangelegd.

Een deel van het perceel aan de Maaszijde maakt onderdeel uit van het stroomvoerend rivierbed. Binnen dit deel zijn geen ontwikkelingen voorzien. In het bestemmingsplan is voor dit gedeelte een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’ opgenomen. Ter plaatse is bouwen, alsmede diverse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden. De regeling is aangescherpt ten opzichte van de huidige regeling in het thans vigerende bestemmingsplan ‘Kernen Kessel en KesselEik’. Cumulatie met andere projecten

Nee.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.

Productie van afvalstoffen

Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.

Verontreiniging en hinder

Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.

Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.3): Met voorliggend plan wordt geen significante invloed op de luchtkwaliteit uitgeoefend. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Geluid (zie ook paragraaf 4.1.2): Onderhavige ontwikkeling is gelegen aan het Veersepad. Deze straat betreft een 30km/u weg. Binnen een afstand van 200 meter zijn geen wegen gelegen met een hogere maximumsnelheid. Daarnaast is onderhavig planvoornemen niet gelegen in de nabijheid van spoorwegen of een industrieterrein. Derhalve is het niet noodzakelijk om een akoestisch onderzoek ‘wegverkeerslawaai’ of ‘industrielawaai’ uit te voeren.

De onderhavige locatie is niet gelegen nabij milieubelastende activiteiten. Op ruim 100 meter afstand van het plangebied zijn winkels gelegen. Met een richtafstand van 10 meter levert dit dan ook geen belemmeringen op ten aanzien van deze ontwikkeling.

Wel is ten behoeve van omliggende woningen onderzoek uitgevoerd naar dichtslaande autoportieren op het parkeerterrein (12 parkeerplaatsen) aan de voorzijde van het perceel. Hieruit volgt dat de richtwaarden voor maximale geluidniveaus uit

Hoofdstuk 4

50

Kenmerken van het project Criteria

Toets stap 2 alleen in de avondperiode worden overschreden. Het betreffen de maximale geluidniveaus als gevolg van dichtslaande portieren op het parkeerterrein.

Aan de richtwaarden uit stap 3 wordt wel voldaan. In stap 3 dient bij de beoordeling rekening te worden gehouden met de cumulatie van andere aanwezige geluidsbronnen. Van cumulatie is alleen sprake wanneer de grenswaarden van meerdere te onderscheiden geluidsbronnen worden overschreden. Omdat alleen de richtwaarde van het maximaal geluidniveau (enkel in de avondperiode) wordt overschreden, is cumulatie van verschillende bronnen niet aan de orde. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen vanwege dichtslaande portieren zijn niet realistisch en doelmatig in een rustige woonwijk. Middels een organisatorische maatregel zal het parkeren in de nachtperiode ondergronds plaatsvinden. Het woonen leefklimaat in de bestaande woningen (binnenniveau) wordt bij een geluidwering van de gevels van minimaal 20 dB voor goed onderhouden woningen gegarandeerd. Het voorgenomen plan wordt akoestisch inpasbaar geacht en een nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Geur: In de wijde omgeving zijn geen agrarische bedrijven gelegen. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij is gelegen in Beesel (overzijde Maas) op een afstand van ruim 800 meter. Derhalve is dit aspect verder niet opgenomen in het bestemmingsplan.

Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.5): Het project leidt tot een toename van maximaal (worstcase-scenario) 94 mvt/etmaal. Hierbij is uitgegaan van de zwaarste norm uit de CROW, maar gelet op de woon-zorgfunctie is de verwachting dat het autogebruik minder zal zijn dan het aantal verkeersbewegingen waarmee nu gerekend is. Tussen 23 augustus 2021 en 13 september 2021 heeft de gemeente verkeerstellingen uitgevoerd. Daaruit volgt dat de etmaalintensiteiten op dagbasis 703 voertuigen bedraagt.

De maximale etmaalintensiteiten van een erftoegangsweg bedragen 5.000 voertuigen per etmaal. Dit betekent in dit geval dat het aantal voertuigen stijgt van 703 voertuigen per etmaal naar 797 voertuigen per etmaal. Dit is een stijging van 13%. De maximale verwachte etmaalintensiteiten liggen ver onder de maximale norm waardoor er kan worden besloten dat er geen doorstromingsproblemen of omgevingsproblemen worden verwacht door de komst van deze ontwikkeling.

Risico van ongevallen

Er is sprake van de ontwikkeling van een zorgwonen gebouw. Het betreft derhalve een woonfunctie waarin het wonen en zorgen voor elkaar centraal staat. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.

Hoofdstuk 4

51

Kenmerken van het project Criteria

Toets

Plaats van het object Criteria

Toets

Bestaand grondgebruik

De planlocatie is in de huidige situatie een woonperceel met één grondgebonden vrijstaande woning. Rondom de woning is een tuin gelegen.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het re- N.v.t. generatievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: 

gevoelige gebieden (wetlands,

Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming

kustgebieden, berg- en bosgebie-

beschermde gebieden. Wat betreft stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de

den, reservaten en natuurparken,

omgeving is middels een AERIUS-berekening aangetoond dat er geen sprake is van

Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)

effecten groter dan 0,00 mol/ha/j. Zie ook paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.

gebieden waarin bij communau-

Nee.

taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden 

gebieden met een hoge bevol-

N.v.t.

kingsdichtheid 

landschappen van historisch, cul-

Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 2.1, 3.4.5 en 4.2.2): Het Veersepad is aangewezen

tureel of archeologisch belang

als beeldbepalend dorpsgezicht. Planologisch zijn daar geen nadere randvoorwaarden aan gesteld. Voorts geldt dat er geen sprake is van een beschermd dorpsgezicht. Het plan moet wel worden voorgelegd aan de dorpsbouwmeester en deze heeft het bouwvoornemen voor akkoord verklaard. Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn ter plaatse van het plangebied geen monumentale of andere cultuurhistorische waardevolle bouwwerken gelegen. Het huidige woonpand is ook niet aangemerkt als Rijks- of gemeentelijk monument. Het Veersepad is ter hoogte van het plangebied aangewezen als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Tevens wordt het plangebied aan de zuidzijde begrensd door de Maas. Tussen de Maas en het plangebied is een strook gelegen die wordt gekenmerkt als ‘oude akkergrens steilrand’. Op het Veersepad en de strook aan de zuidzijde worden middels de voorliggende ontwikkeling geen invloed uitgeoefend. De voorliggende ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden of landschappen in het plangebied en de directe omgeving.

Hoofdstuk 4

52

Kenmerken van het project Criteria

Toets Archeologie (zie ook paragraaf 4.2.1): Binnen het plangebied ligt op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Peel en Maas de aanduiding “Gebied met lage of onbekende verwachting”. Deze categorie omvat gebieden met een lage verwachtingen. Daarbij geldt er geen planologisch regime voor desbetreffend gebied. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied

Toets

Beschermd natuurmonument

Nee.

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Nee, zie paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.

Watergebied van internationale beteke- Nee. nis Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt niet binnen of in de nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland

(voormalige EHS)

(NNN). Zie paragraaf 4.4 ‘Ecologie’.

Landschappelijk waardevol gebied

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.

Waterwinlocaties. waterwingebieden, en Nee, zie paragraaf 4.6 ‘Waterhuishouding’. grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument

Er zijn binnen het plangebied geen beschermde monumenten aanwezig. Het dichtstbijzijnde Rijksmonument ‘Villa Oeverberg’ is gelegen aan Veersepad 17 op een afstand van ca. 95 meter. In noordoostelijk richting is op ca. 175 meter de Onze Lieve Vrouwe kerk en op 250 meter Kasteel Keverberg gelegen. Beide gebouwen zijn eveneens aangewezen als Rijksmonument. De afstand tussen genoemde monumenten en onderhavige ontwikkeling is dermate ruim dat de beoogde bebouwing geen negatieve invloed uitoefent op deze monumenten. Met de onderhavige ontwikkeling wordt wel een verbinding gelegd tussen de drie genoemde accenten (Rijksmonumenten) aan de Maas.

Belvedère-gebied

Nee.

Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Bereik van het effect (geografische zone N.v.t. en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het Nee. effect Waarschijnlijkheid van het effect

Hoofdstuk 4

Van onevenredige effecten voor de omgeving is geen sprake.

53

Kenmerken van het potentiële effect Criteria

Toets

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid Er is sprake van permanente nieuwbouw, waarbij de effecten blijvend zijn. Zoals echvan het effect

ter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.

Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

Hoofdstuk 4

54

4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie Algemeen Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet.

Voor archeologie gaat het onder meer om:  het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen;  de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie;  de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen;  de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Archeologische beleidskaart Binnen het plangebied ligt op basis van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Peel en Maas de aanduiding “Gebied met lage of onbekende verwachting”. Deze categorie omvat gebieden met een lage verwachtingen. Daarbij geldt er geen planologisch regime voor desbetreffend gebied.

Hoofdstuk 4

55

Uitsnede Archeologische beleidskaart met ligging locatie (rood omlijnd)

Toetsing Gezien de ligging van het plangebied in een gebied met een lage archeologische verwachting kan geconcludeerd worden dat in het kader van de voorliggende ontwikkeling, geen archeologische waarden worden aangetast en dat archeologisch onderzoek derhalve niet noodzakelijk is. Daarnaast is er in het vigerende bestemmingsplan, ter plaatse van het plangebied, geen archeologische waarde opgenomen. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.2 Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn ter plaatse van het plangebied geen monumentale of andere cultuurhistorische waardevolle bouwwerken gelegen. Het huidige woonpand is ook niet aangemerkt als monument. Het Veersepad is ter hoogte van het plangebied aangewezen als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Tevens wordt het plangebied aan de zuidzijde begrensd door de Maas. Tussen de Maas en het plangebied is een strook gelegen die wordt gekenmerkt als ‘oude akkergrens steilrand’. Op het Veersepad en de strook aan de zuidzijde worden middels de voorliggende ontwikkeling geen invloed uitgeoefend. Vanuit de aanwezige cultuurhistorische waarden zijn er dan ook geen belemmeringen voor dit initiatief.

Hoofdstuk 4

56

Conclusie In het plangebied bestaan er voor de voorziene ontwikkeling geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie.

4.3 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in het plangebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een beschermingszone. Conclusie Leidingen en infrastructuur vormen geen belemmering voor het initiatief.

4.4 Ecologie Natuurwetgeving De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Swalmdal’, ‘Schwalm-Nette-Platte mit Grenzwald u. Meinweg’ en ‘Leudal’ bevinden zich respectievelijk op 4,5 kilometer ten zuidwesten, 5,2 kilometer ten oosten en 6,8 kilometer ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten, met name tijdens de aanlegfase maar ook door een toename aan verkeersbewegingen in de toekomstige situatie.

Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied tijdens de sloop- en/of de aanlegfase is niet uit te sluiten. Derhalve is er een vervolgonderzoek11 in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd of er een toename van stikstofdepositie plaatsvindt. De resultaten van het onderzoek worden hieronder kort beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 9.

11

BRO, P01929_AERIUS_notitie Veersepad 13, Kessel, d.d. 1 september 2021 (wordt vervangen door een nieuwe berekening conform de laatste versie van de Aerius-calculator vanaf 13 januari 2022)

Hoofdstuk 4

57

Uit het onderzoek en de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 186 meter ten zuiden van het plangebied aan de overzijde van de Maas. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling zijn bomen aanwezig. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Het aspect beschermde houtopstanden vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Soortenbescherming Het plangebied bestaat momenteel uit een leegstaande woning met daaromheen aangelegde tuinen. Door BRO is een Quickscan Flora en Fauna12 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten.

Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport in bijlage 10. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  

Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de Maas te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid en opgaand groen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.

In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het voorkomen van lichtuitstraling op de Maas. De overige 2 onderdelen omvat een zorgplicht dat in acht moet worden genomen bij de realisatie van het planvoornemen.

12

BRO, Quickscan Flora en Fauna Veersepad 13 te Kessel, projectnr. P01929, d.d. 11 januari 2022.

Hoofdstuk 4

58

Aanbevelingen Het te slopen gebouw biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen. Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Uit het voorgaande volgt dat geen nader onderzoek wordt geadviseerd. Nu de ligging van het gebouw en de omgeving van het plangebied zich wel lenen voor het voorkomen van de huismus, de gierzwaluw en vleermuizen is zekerheid gewenst omtrent het voorkomen van deze beschermde soorten. Derhalve wordt toch vervolgonderzoek uitgevoerd naar de huismus, de gierzwaluw en naar vleermuizen binnen de van toepassing zijnde onderzoeksperiode en uiterlijk vóór sloop van de huidige woning. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor nader onderzoek, eventueel te nemen noodzakelijke mitigerende en/of compenserende maatregelen en eventueel noodzakelijk gebleken ontheffingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=PeelenMaas&id=8e6005d6-558d-44ab-80c6-eede832eee5b