2021-002 03 Toelichting Maasbreeseweg 92 te Koningslust.pdf
Tekst van het document
Uit de analyseresultaten blijkt dat ter plaatse van de stookplaats een licht verhoogd gehalte aan koper en zink aanwezig is. Het menggranulaat is niet analytisch onderzocht.
5 6
Aeres Milieu, Vooronderzoek NEN 5725 Maasbreeseweg 92 te Koningslust, projectnummer AM19056, 12 september 2019 Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Maasbreeseweg 92, Koningslust, projectnummer AM19056-2, 22 april 2020
Hoofdstuk 4
29
Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond ter plaatse van de (voormalige) opslaglocatie van bestrijdingsmiddelen en de voormalige bovengrondse tank niet verhoogd is met OCB of minerale olie. Het grondwater ter plaatse blijkt licht verhoogd met barium. Voor het overige bouwvlak blijkt uit de analyseresultaten dat de bovengrond plaatselijk licht verhoogd is met enkele zware metalen, som PCB, PAK, minerale olie of enkele individuele OCB. In de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het freatisch grondwater is plaatselijk licht verhoogd met barium of minerale olie. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling op het perceel (uitbreiding boomkwekerij en waterbassin). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het freatisch grondwater ter plaatse van het plangebied is niet multifunctioneel toepasbaar en het wordt daarom afgeraden dit te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
Wat betreft de plattelandswoning kan op basis van de bovenstaande onderzoeksresultaten worden geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor deze functie. Bovendien vinden er ter plaatse van de plattelandswoning geen ingrepen in de bodem plaats. 4.1.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, uitgezonderd woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Indien een geluidgevoelig object wordt gerealiseerd binnen deze zone, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. De te bouwen bedrijfsgebouwen zijn geen geluidgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. De plattelandswoning betreft wel een geluidgevoelig object.
Dit betreft echter een reeds bestaande woning, waardoor geen sprake is van een nieuw geluidgevoelig object dat getoetst hoeft te worden aan de Wet geluidhinder. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Railverkeerslawaai en industrielawaai In de wijde omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen gelegen. Vanuit railverkeerslawaai en industrielawaai zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
30
4.1.3 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: 1. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. Een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. Een plan draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; 4. Een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'niet in betekenende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%.
De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van de doorontwikkeling van een boomkwekerij. Hierbij worden de bedrijfsactiviteiten van de kwekerij geconcentreerd op één locatie. De bedrijfsactiviteiten die in de huidige situatie nog plaatsvinden op de locatie in Baarlo worden verplaatst naar de voorliggende locatie in Koningslust. In paragraaf 4.6 is aangetoond dat het aantal verkeersbewegingen van en naar deze locatie weliswaar toeneemt, maar de verkeersbewegingen van en naar de locatie in Baarlo en de verkeersbewegingen tussen deze twee locaties komen te vervallen. Per saldo is hiermee sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. De ontwikkeling draagt daarom niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen.
Hoofdstuk 4
31
stof
toetsing van
grenswaarde
stikstofdioxide (NO2)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM10)
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Grenswaarden Wlk
Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 ter plaatse gelegen tussen de 10 en 12 µg/m³, de concentratie PM10 tussen de 18 en 20 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen de 15 en 20 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Vanuit het aspect luchtkwaliteit is ter plaatse van de bedrijfslocatie en de plattelandswoning kortom sprake van een goed woon- en leefklimaat. De ontwikkeling draagt daarnaast niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er hiermee geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.4 Milieuzonering Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden.
Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is (in de praktijk betreft dit meestal de grens van het bouwvlak van de woning). De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situaties mogelijk zijn. Het is aan te bevelen deze afwijkingen te benoemen en te motiveren.
Toets plangebied In het plangebied wordt de ontwikkeling van bedrijfsgebouwen en teeltondersteunende voorzieningen ten behoeve van een boomkwekerij mogelijk gemaakt. Dit type agrarische bedrijvigheid betreft een activiteit van milieucategorie 2 (categorie ‘Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)’). Hiervoor wordt
Hoofdstuk 4
32
een richtafstand van 30 meter geadviseerd voor het aspect geluid en 10 meter voor de aspecten stof, geur en gevaar. De meest dichtbij gelegen woning ligt op ruim 100 meter ten noorden van het plangebied. Dit betreft een bedrijfswoning bij een paintballvoorziening aan de Sevenumse Dijk 1a. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Overige woningen in de omgeving liggen op grotere afstanden, namelijk meer dan 300 meter van het plangebied. Wat betreft de plattelandswoning dient volgens de actuele jurisprudentie afgewogen te worden of in de plattelandswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Naast hinder van omliggende bedrijven dient daarbij ook de eventuele milieuhinder, waaronder geur en geluidhinder, van de bijbehorende inrichting te worden meegewogen. Wat betreft hinder van omliggende bedrijven zijn er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven aanwezig waarvan de hindercontour tot het plangebied reikt. De afstanden tot omliggende bedrijven zijn dermate groot, dat de milieu-invloed hiervan niet reikt tot het plangebied. Bovendien is reeds sprake van een bestaande (agrarische bedrijfs)woning, waarmee omliggende bedrijven reeds rekening moeten houden. Specifiek met betrekking tot het onderdeel geurhinder van veehouderijen zijn de meest dichtbijgelegen veehouderijen gelegen op een afstand van meer dan 400 meter tot het plangebied.
Dit betreft veehouderijen waarvoor een vaste afstand geldt van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten (zoals woningen) buiten de bebouwde kom. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. De meest dichtbij gelegen veehouderijen met een geuremissiefactor liggen op circa 700 meter afstand. Gezien deze grote afstand is geurhinder in het plangebied uitgesloten. Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen is hiermee sprake van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast dient de geluid- en geurinvloed van de boomkwekerij zelf op de plattelandswoning inzichtelijk gemaakt te worden en dient beoordeeld te worden of er vanuit dat aspect sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de plattelandswoning. De boomkwekerij is een activiteit van milieucategorie 2. Hiervoor wordt een richtafstand van 30 meter geadviseerd voor het aspect geluid en 10 meter voor de aspecten stof, geur en gevaar. Omdat de omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een mix van verspreid gelegen agrarische bedrijvigheid, woningen en enkele doorgaande wegen, kan de omgeving worden aangemerkt als een gemengd gebied. Op basis daarvan mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd naar 10 meter voor geluid en 0 meter voor geur, gevaar en stof.
Wat betreft geluid wordt opgemerkt dat de bedrijfsactiviteiten op het terrein op meer dan 10 meter van de woning plaatsvinden, op een minimale afstand van circa 13 meter. Eén bestaande loods staat dichterbij, vanuit de inpandige activiteiten in die loods is geen onevenredige geluidhinder te verwachten op de woning. Daarnaast is de woning ten opzichte van de bedrijfsactiviteiten zodanig gesitueerd dat verkeer van en naar het bedrijf niet direct langs de woning rijdt, maar op een afstand van minimaal 30 meter. Onevenredige geluidoverlast vanwege dit verkeer is dan ook niet te verwachten. In de plattelandswoning zal kortom ook vanuit de milieu-invloed van het bijbehorende bedrijf sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Vanuit het aspect milieuzonering zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. In de omliggende woningen zal sprake blijven van een goed woon- en leefklimaat.
Hoofdstuk 4
33
4.1.5 Externe veiligheid Beleidskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Er moet getoetst worden aan het aspect externe veiligheid wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Volgens artikel 1 van het Bevi worden bedrijfsgebouwen aangemerkt als beperkt kwetsbare objecten. Verdere toetsing aan externe veiligheid is dan ook vereist. Wat betreft de plattelandswoning is geen sprake van de toevoeging van een nieuw kwetsbaar object, aangezien dit een bestaande woning betreft. Toetsing Inrichtingen In de omgeving rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling.
De meest dichtbij gelegen inrichting betreft een aardgasontvangststation van Gasunie aan de Dekeshorst 6. Deze inrichting ligt op ruim 1 kilometer ten zuiden van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze tank is 50 meter en reikt hiermee niet tot het plangebied. Gezien de grote tussenliggende afstand ligt het plangebied daarnaast niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Voor het overige zijn er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor dit plan. Risicovol transport over wegen Over de Maasbreeseweg (N562), die direct ten noordwesten van het plangebied is gelegen, vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Daarnaast vindt over de Middenpeelweg (N277), die ten noordoosten van het plangebied is gelegen risicovol transport plaats. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van beide wegen is 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Over de N277 vindt uitsluitend transport van brandbare vloeistoffen plaats. Van de N562 zijn geen vervoershoeveelheden van gevaarlijke stoffen bekend. Verwacht wordt dat over deze weg eveneens in beperkte mate risicovol transport plaatsvindt. Vanuit de ligging ten opzichte van deze wegen bestaan er geen directe belemmeringen.
Het plangebied ligt wel binnen het invloedsgebied van deze weg, waardoor op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is. Omdat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, kan op basis van artikel 8, lid 2 onder a. van het Bevt, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar het kopje ‘verantwoording groepsrisico’.
Hoofdstuk 4
34
Voor het overige zijn er geen wegen in de omgeving van het plangebied gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt.
Uitsnede Risicokaart met ligging plangebied (blauw omlijnd)
Risicovol transport over spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen spoor- of vaarwegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Risicovol transport door buisleidingen Ten zuiden en zuidoosten van het plangebied liggen drie hogedruk aardgasleidingen van Gasunie. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze leidingen is maximaal 30 meter. Deze reikt niet tot het plangebied. Leidingnummer A-520-22 A-520-13 A-520-16
Hoofdstuk 4
Uitwendige diameter 168 mm 114 mm 114 m
Maximale werkdruk 66,2 bar 66,2 bar 66,2 bar
100% letaliteitscontour 60 m 30 m 30 m
1% letaliteitscontour 90 m 60 m 60 m
35
De 1%-letaliteitscontouren van alle leidingen en de 100% letaliteitscontour van leiding A-520-22 liggen over het meest zuidwestelijke deel van het plangebied. Binnen dit deel van het plangebied is agrarisch gebruik voor boomteelt voorzien. Doorgaans zijn op deze percelen slechts in beperkte mate personen aan het werk. Het merendeel van de aanwezigen in het plangebied zal zich binnen het bouwvlak en in de bedrijfsgebouwen bevinden. De kortste afstand van deze leidingen tot het bouwvlak bedraagt circa 175 meter. Het bouwvlak ligt hiermee ruimschoots buiten de 1%- en 100% letaliteitscontouren van de aardgasleidingen. De ligging ten opzichte van de leidingen vormt hierdoor geen belemmering. Op circa 900 meter ten oosten van het plangebied zijn eveneens drie hogedruk aardgastransportleidingen gelegen. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze leidingen is maximaal 155 meter. Deze reikt niet tot het plangebied. Leidingnummer A-578 A-520 A-665
Uitwendige diameter 1.067 mm 610 mm 1.219 mm
Maximale werkdruk 66,2 bar 66,2 bar 79,9 bar
100% letaliteitscontour 190 m 140 m 220 m
1% letaliteitscontour 490 m 310 m 580 m
Gezien de bovenstaande afstanden ligt het plangebied ruimschoots buiten de 1%- en 100% letaliteitscontouren van deze aardgasleidingen. De ligging ten opzichte van de leidingen vormt hierdoor geen belemmering. Verantwoording groepsrisico Zoals reeds is beschreven, is vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van de N277 (Middenpeelweg) en de N562 (Maasbreeseweg) een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items: 1. De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. 2. De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid). In de navolgende tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven. Aspect De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.
7
Verantwoording Voor wat betreft de wegen N277 en N562 bestaan er met name risico’s in verband met ongelukken: - met brandbare vloeistoffen; - met brandbaar gas (BLEVE7); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Over de N277 vindt uitsluitend transport van brandbare vloeistoffen plaats. Voor de N562 is niet bekend welke stoffen over deze weg worden vervoerd, naar verwachting zijn dit eveneens hoofdzakelijk brandbare vloeistoffen. Volledigheidshalve zijn de effecten van eventueel vervoer van brandbare gassen en toxische stoffen wel in beeld gebracht.
BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapour explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie).
Hoofdstuk 4
36
De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.
De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).
De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten: - met brandbare vloeistoffen; - met brandbaar gas (BLEVE); - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Indien bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen personen betrokken zijn, dienen zij zich in veiligheid te brengen door zich van de bron af te wenden. Hierbij dient de hulpverlening de risicocommunicatie in te zetten ter bevordering van het juiste zelfreddende gedrag. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een BLEVE bestaan met name uit vluchten en in tweede instantie uit schuilen in combinatie met het sluiten van ramen en deuren. Voor het vluchten geldt dat dit bij voorkeur tot buiten het directe invloedsgebied dient plaats te vinden. De functies binnen het plangebied zijn goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken.
De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. De functies binnen het plangebied zijn over het algemeen goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.
Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle inrichting, buisleiding, weg, spoorweg of vaarweg. Wel is de locatie gelegen binnen het invloedsgebied van de Maasbreeseweg (N562) en de Middenpeelweg (N277). In verband hiermee is invulling gegeven aan de be-
Hoofdstuk 4
37
perkte verantwoording van het groepsrisico. Vanuit externe veiligheid zijn er hiermee geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied. Tevens is in het kader van dit plan advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Het volledige advies is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Samengevat adviseert de Veiligheidsregio als volgt. Om de zelfredzaamheid van de aanwezige personen te vergroten worden de volgende maatregelen geadviseerd: Zorg dat de aanwezige personen op de hoogte zijn van de risico’s van effecten voortkomend vanuit incidenten met gevaarlijke stoffen op de N277 en N562. De maatgevende scenario’s dienen te worden opgenomen in het op te stellen bedrijfsnoodplan c.q. ontruimingsplan; Voer de mechanische ventilatie binnen de te realiseren bedrijfsgebouwen (met luchtbehandelingsinstallatie) centraal afsluitbaar uit door middel van een gemakkelijk te bereiken noodschakelaar (bij voorkeur in de meterkast) zodat de gebruikers deze in geval van een calamiteit kunnen bedienen. Neem deze handeling op in het bedrijfsnoodplan c.q. ontruimingsplan. Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen zullen de bovenstaande adviezen worden meegenomen. 4.1.6 Milieueffectrapportage Beoordeling directe m.e.r.-plicht In het plangebied wordt een uitbreiding van een bestaande boomkwekerij mogelijk gemaakt.
Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De ontwikkeling van een boomteeltbedrijf valt onder categorie D9: ‘Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan’. Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in de gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. Een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of; 2°. Vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer. Deze drempelwaarden worden bij het voorliggende initiatief niet overschreden. Er is voor de activiteit daarom geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Wel dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar het kopje ‘m.e.r.-beoordeling’.
M.e.r.-beoordeling Op basis van paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer (Wm), dient degene die een activiteit wil ondernemen, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, en voornemens is een verzoek in te dienen tot het nemen van een besluit als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, dit voornemen schriftelijk mee te delen aan het bevoegd gezag. Bij de mededeling dient in ieder geval de informatie te worden verstrekt zoals omschreven in artikel 7.16 lid 2 tot en met 4 Wm. Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden 8
Veiligheidsregio Limburg-Noord, Advies externe veiligheid BP Maasbreeseweg 92 te Koningslust, kenmerk Z033941/UIT046460, 4 december 2019
Hoofdstuk 4
38
gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. De achterliggende gedachte bij de m.e.r.-beoordeling is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Deze m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project
Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Productie van afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied
Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking)
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Waarschijnlijkheid van het effect
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Criteria EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.
De m.e.r.-beoordeling is opgesteld op basis van de bureaustudies en onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 11 hectare. Het project richt zich op de uitbreiding van de bestaande boomkwekerij, waarbij de activiteiten die nu nog plaatsvinden op de bedrijfslocatie in Baarlo worden verplaatst naar het plangebied.
Cumulatie met andere projecten
Hoofdstuk 4
Nee.
39
Kenmerken van het project Criteria
Toets
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
N.v.t. Bij de ontwikkeling wordt niet permanent gebruik gemaakt van natuurlijke hulpbronnen.
Productie van afvalstoffen
Naast het reguliere afval van de toekomstige bebouwing en functies zal geen sprake zijn van de productie van andere afvalstoffen.
Verontreiniging en hinder
De ontwikkeling vindt plaats in het landelijk gebied. Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden, maar dit betreft geen hinder groter dan bij reguliere bouwwerkzaamheden.
Luchtkwaliteit (zie ook paragraaf 4.1.3): De voorliggende ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Geluid wegverkeer (zie ook paragraaf 4.1.2): Middels de voorliggende ontwikkeling worden geen nieuwe geluidgevoelige objecten opgericht. Er geldt dan ook geen onderzoeksplicht op basis van de Wet geluidhinder. Verkeersaantrekkende werking (zie ook paragraaf 4.6): Bij de verplaatsing van bedrijfsactiviteiten van de locatie in Baarlo naar de locatie in Koningslust zullen ook de verkeersbewegingen van en naar de locatie in Baarlo worden verplaatst naar de locatie in Koningslust. In totaal is hierbij geen toename aan verkeer te verwachten. Daarnaast zullen de verkeersbewegingen die nu nog plaatsvinden tussen beide locaties komen te vervallen. Hierdoor is per saldo sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. De Maasbreeseweg en omliggende wegen kunnen het verkeer van en naar de boomkwekerij goed verwerken. Risico van ongevallen
Er is sprake van de realisatie van nieuwe bedrijfsgebouwen en teeltondersteunende voorzieningen ten behoeve van semipermanente overkapte teelt en containerteelt. Er is geen sprake van de realisatie van een nieuwe risicobron.
Plaats van het object Criteria
Toets
Bestaand grondgebruik
In de huidige situatie zijn de gronden ter plaatse van het bouwvlak in gebruik ten behoeve van een boomkwekerij. De omliggende agrarische gronden worden gebruikt als grasland en akkerland.
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het
N.v.t.
regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
gevoelige gebieden (wetlands,
Het plangebied ligt niet binnen de invloedssfeer van door Wet natuurbescherming
kustgebieden, berg- en bosgebie-
beschermde gebieden. Wat betreft stikstofdepositie is zowel in de aanleg- als in de
den, reservaten en natuurparken,
gebruiksfase geen sprake van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Zie
Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
ook paragraaf 4.3 ‘Ecologie’.
gebieden waarin bij communau-
Nee.
taire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden
gebieden met een hoge bevol-
N.v.t.
kingsdichtheid
Hoofdstuk 4
40
Kenmerken van het project Criteria
Toets
landschappen van historisch, cul-
Cultuurhistorie (zie ook paragraaf 4.5): binnen het plangebied en de directe omge-
tureel of archeologisch belang
ving is geen sprake van landschappen van (cultuur)historisch belang. Archeologie (zie ook paragraaf 4.5): ter plaatse van het plangebied geldt een lage of onbekende archeologische verwachting. Een archeologisch onderzoek is op basis van de archeologische beleidskaart niet nodig.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied
Toets
Beschermd natuurmonument
Nee.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Nee, zie paragraaf 4.3 ‘Ecologie’.
Watergebied van internationale beteke-
Nee.
nis Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied is niet binnen de Goudgroene natuurzone (en daarmee van het Na-
(voormalige EHS)
tuurnetwerk Nederland (NNN)) gelegen. Het initiatief heeft ook geen negatieve effecten op de goudgroene natuurzone in de omgeving. Zie paragraaf 4.3 ‘Ecologie’.
Landschappelijk waardevol gebied
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van landschappelijk waardevol gebied.
Waterwinlocaties. waterwingebieden,
Nee, zie paragraaf 4.4 ‘Waterhuishouding’.
en grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Nee.
Belvedere-gebied
Nee.
Kenmerken van het potentiële effect Criteria
Toets
Bereik van het effect (geografische
N.v.t.
zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het
Nee.
effect Waarschijnlijkheid van het effect
Van onevenredige effecten voor de omgeving is echter geen sprake.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
Er is sprake van permanente nieuwbouw, waarbij de effecten blijvend zijn. Zoals
van het effect
echter al verwoord in het voorgaande, zijn deze effecten niet van dien aard dat sprake is van een onevenredige aantasting.
Gezien het vorenstaande en indien het plan wordt vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er, rekening houdend met: 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; en 3. de kenmerken van het potentiële effect; sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Bij elk plan is sprake van invloed op het milieu, maar deze is niet zodanig dat normen worden overschreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn
Hoofdstuk 4
41
dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen significant nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.
4.2 Kabels en leidingen Ten zuiden en oosten van het plangebied zijn drie hogedruk aardgasleiding van Gasunie gelegen. In paragraaf 4.1.5 is reeds ingegaan op het aspect externe veiligheid ten aanzien van deze leidingen. Hieruit zijn geen belemmeringen gebleken. In het geldende bestemmingsplan is voor deze leidingen een planologische beschermingszone opgenomen. Deze reikt echter niet tot het plangebied. Verder ten oosten, op circa 900 meter afstand van het plangebied zijn eveneens drie hogedruk aardgastransportleidingen gelegen. Vanuit het aspect externe veiligheid van deze leidingen bestaan er geen belemmeringen, zoals is toegelicht in paragraaf 4.1.5. Voor deze leidingen is in het geldende bestemmingsplan eveneens een beschermingszone opgenomen, die niet tot het plangebied reikt. Voor het overige zijn er binnen of in de directe omgeving van het plangebied geen kabels of leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven, dat zij voorzien dienen te zijn van een bestemmingsplanplichtige beschermingszone. Bij de voorliggende ontwikkeling hoeft hiermee dan ook geen rekening gehouden te worden.
4.3 Ecologie Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een quickscan flora en fauna9 opgesteld. Onderstaand worden de conclusies van het onderzoek weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Wat betreft de plattelandswoning geldt dat sprake is van een bestaande woning, waarbij geen wijzigingen aan deze woning zijn voorzien. Vanuit ecologie zijn negatieve effecten op beschermde gebieden of soorten daarmee op voorhand uitgesloten voor dit planonderdeel. Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, ’Deurnsche Peel & Mariapeel’, bevindt zich op circa 7,2 kilometer ten noorden van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de uitbreiding van een bedrijf betreft, is een toename 9
BRO, Quickscan flora en fauna ‘Maasbreeseweg 92’ te Koningslust, projectnummer P01470, 12 augustus 2019
Hoofdstuk 4
42
aan stikstofuitstoot te verwachten. Een significante toename van stikstofdepositie op een Natura 2000gebied is niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening dient uit te wijzen of er een significante toename van stikstofdepositie plaatsvindt. Enkel wanneer er geen toename aan stikstofdepositie plaats zal vinden zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied uitgesloten. Uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen is geconcludeerd dat zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. De volledige berekeningen en de gehanteerde uitgangspunten hierbij zijn opgenomen als bijlagen 10 bij deze toelichting. Op basis van deze rekenresultaten worden negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied uitgesloten. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Limburg bestaat het NNN uit de goudgroene natuurzone. Daarnaast worden ook de zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone beleidsmatig beschermd. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 200 meter ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarnaast is het plangebied niet gelegen binnen de zilvergroene natuurzone of bronsgroene landschapszone.
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
10
BRO, Stikstofberekening uitbreiding bomenkwekerij Maasbreeseweg (gebruiksfase), kenmerk S3FxyAAc5Sqo, 17 november 2020 BRO, Stikstofberekening uitbreiding bomenkwekerij Maasbreeseweg (aanlegfase), kenmerk RuSS2FttC3hU, 17 november 2020
Hoofdstuk 4
43
Aangezien bij de werkzaamheden fruitbomen worden verwijderd welke dienstdoen als erfbeplanting is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Vogels (artikel 3.1 Wet Natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet Natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet Natuurbescherming) Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling kan in overeenstemming met de Wet natuurbescherming en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd. Door middel van AERIUS-berekeningen is aangetoond dat zowel in de aanleg- als de gebruiksfase geen belemmeringen zijn vanuit het aspect stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Ten aanzien van soortenbescherming dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en dient de algemene zorgplicht in acht te worden genomen.
Hoofdstuk 4
44
4.4 Waterhuishouding 4.4.1 Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van de voormalige waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de ‘Beleidsbrief regenwater en riolering’ nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. 4.4.2 Onderzoek In het kader van de voorliggende ontwikkeling heeft Aeres Milieu een waterparagraaf opgesteld. Hierbij is onder andere een infiltratieonderzoek uitgevoerd in het plangebied, aan de hand waarvan is bepaald of de bodem geschikt is voor de infiltratie van hemelwater. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage11.
Wat betreft de plattelandswoning is sprake van een bestaande woning, waaraan geen wijzigingen zijn voorzien. Vanuit het aspect waterhuishouding is dan ook geen sprake van een gewijzigde situatie voor dit planonderdeel. Grondwater Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek wordt de GHG ter plaatse ingeschat op circa 28 meter +NAP (0,4 tot 0,9 m -mv). Het grondwater is bij de uitgevoerde boringen gedurende het veldwerk aangetroffen op ca. 1,5-1,6 m -mv. Oppervlaktewater Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn enkele droogvallende greppels aanwezig welke globaal afvoeren in noordelijke richting. West- en centraal zijn de grootste watergangen aanwezig. De oostelijk binnen het plangebied aanwezige greppel voert af naar de centrale watergang. Verder zijn zuidelijk van het plangebied ook enkele droogvallende greppels aanwezig. Afvalwater Door de ligging in het buitengebied is ter plaatse van het plangebied geen vrijvervalrioolstelsel aanwezig. Ter plaatse is een IBA (Individuele Behandeling van Afvalwater) aanwezig waar het huishoudelijk afvalwater (van de woning en kantine) verwerkt wordt.
11
Aeres Milieu, Infiltratieonderzoek Waterparagraaf Maasbreeseweg 92 te Koningslust, projectnummer AM19056, 21 november 2019
Hoofdstuk 4
45
Door de voorgenomen uitbreiding zal naar verwachting ook de afvalwaterhoeveelheid binnen het plangebied toenemen. In de huidige situatie is alleen sprake van afvalwater afkomstig van de toiletten, handen wassen en de vaatwasser. In de toekomstige situatie zal een groter aantal medewerkers op deze locatie werkzaam zijn, waardoor het afvalwater toeneemt. Daarnaast zullen in de toekomst ook machines worden gereinigd op deze locatie, waardoor de hoeveelheid afvalwater toeneemt. Het water dat wordt gebruikt voor het reinigen van machines zal op eigen terrein worden gezuiverd en verwerkt. In de drukste periode in het jaar zullen circa 43 personeelsleden op de bedrijfslocatie aanwezig zijn. Uitgaande van een waterverbruik van 110 liter per persoon gedurende 10 uur per dag, zal de maximale hoeveelheid afvalwater die per dag wordt geproduceerd (43 x 110 x 10 = 47.300 L =) 47,3 m 3 per dag. De afvoercapaciteit van het bestaande drukriool is slechts 1 m 3 per uur, en is hierdoor in de drukke seizoenen niet toereikend om het afvalwater te kunnen afvoeren. Gedurende de minder drukke seizoenen is de capaciteit van de huidige drukriool voldoende. In deze perioden zijn 10 tot 12 personeelsleden aanwezig op de bedrijfslocatie. De hoeveelheid afvalwater varieert dan van 11 tot 13,2 m3 per dag.
Voor de drukke perioden zal een vergroting of een aansluiting naar het persriool in De Koningstraat benodigd zijn. Dit laatste is een duurdere oplossing maar geeft wel de meeste bedrijfszekerheid op lange termijn. Daarnaast kunnen de mogelijkheden worden onderzocht voor het realiseren van buffercapaciteit op eigen terrein, zodat het afvalwater gedoseerd op de riolering kan worden geloosd. De eventuele nieuwe aansluiting naar het gemeentelijk rioolstelsel wordt te zijner tijd bij de nadere uitwerking van de bouwplannen afgestemd met de gemeente. Hemelwater Door de ligging in het buitengebied is het hemelwater in de huidige situatie reeds gescheiden en wordt dit verwerkt binnen het perceel in de bestaande vijver en de diverse droogvallende greppels. Om inzicht te krijgen in de geschiktheid van de bodem voor de infiltratie van hemelwater is een infiltratieonderzoek uitgevoerd. Concluderend uit de meetresultaten blijkt in de onverzadigde zone een matige tot goede, alleen horizontale, doorlatendheid aanwezig is. De diepere, verzadigde ondergrond is goed doorlatend. De verticale doorlatendheid is onvoldoende om over te gaan tot de aanleg van een infiltratievoorziening. Verder zijn binnen het plangebied grondwaterstanden tussen 0,4 en 1,5 m -mv te verwachten. Ter plaatse zijn binnen 2,5 m -mv geen leemlagen aangetroffen.
Bij de herontwikkeling binnen het perceel wordt naar robuustheid toe en op basis van de verwachte GHG binnen het plangebied geadviseerd om afstromend hemelwater middels het gebruik van een bovengrondse voorziening te verwerken. De infiltratiesnelheid is voldoende om een absolute infiltratievoorziening aan te leggen (dus zonder mogelijkheid tot overloop op het oppervlaktewater). Op basis van het infiltratieonderzoek kan rekening houdend met een veiligheidsfactor van 2/3 voor een voorziening gerekend worden met een k-waarde van 0,7 m/dag. Door de matige infiltratiesnelheid en de zeer beperkte verticale doorlatendheid is het geadviseerd om voldoende retentie aan te leggen en/of het buitenterrein zo aan te leggen dat bij overlopen van een voorziening het water kan afstromen naar het bestaande oppervlaktewater.
Hoofdstuk 4
46
Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om het hemelwater te verwerken. Naar robuustheid toe is de aanleg van een bovengrondse noodoverlaat naar het bestaand oppervlaktewater geadviseerd. Er kan ook geopteerd worden om het hemelwater op meerdere, kleinere plaatsen te verwerken (bijvoorbeeld een gedeelte noordwestelijk van de nieuwbouw). Verder kan het geborgen hemelwater eventueel ook hergebruikt worden. Opgemerkt wordt dat hierbij dan een statische berging aanwezig is voor een langere tijd en daarnaast de benodigde watercompensatie voor de nieuwe verharding als dynamische berging aanwezig dient te zijn. Voor de nieuwbouw wordt een infiltratievoorziening op eigen terrein ingepast. Voor de teeltondersteunende voorzieningen is geen waterretentie benodigd en het containerveld wordt later pas in ontwikkeling gebracht. Op eigen perceel is voldoende ruimte aanwezig om ten tijde in de benodigde waterberging te kunnen voorzien. Een aantal zaken dient nog verder uitgewerkt te worden. Hierover zal te zijner tijd door de eigenaar/initiatiefnemer een vervolgafspraak met het waterschap en zo nodig de gemeente worden gepland.
Door het aanleggen van een retentie op eigen perceel, een voldoende hoog vloerpeil en het voorzien van een noodoverloop naar het bestaand oppervlaktewater is geen (grond)wateroverlast binnen de planontwikkeling en bij derden te verwachten en vindt de uitbreiding hemelwaterneutraal plaats. 4.4.3 Overleg waterbeheerder In het kader van het opstellen van de waterparagraaf heeft overleg plaatsgevonden met het Waterschap Limburg. Het verslag van dit overleg is bijgevoegd als bijlage 6 bij de waterparagraaf. Het voorliggende bestemmingsplan zal tevens in het kader van het vooroverleg worden voorgelegd aan het Waterschap Limburg.
4.5 Archeologie en cultuurhistorie 4.5.1 Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt: De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 28 juni 2011 heeft de gemeenteraad van Peel en Maas het gemeentelijke archeologiebeleid in de vorm van het Beleidsplan archeologie vastgesteld. De laatste bijbehorende archeologische beleidskaart dateert van juli 2012. Op de beleidskaart wordt een 7-tal waarden archeologie onderscheiden. Categorie 1 kent de hoogste verwachtingswaarde en categorie 7 de laagste verwachtingswaarde. De verwachtingswaarde geeft op basis van de verstoringsoppervlakte en de verstoringsdiepte aan of er een onderzoeksplicht geldt. De onderzoeksplicht bestaat in hoofdzaak uit veldwerkzaamheden (bureauonderzoek is grotendeels verricht bij het opstellen van de waarden- en verwachtingenkaart) om te bepalen of er archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. Op basis van de resultaten zullen eventuele maatregelen worden getroffen om mogelijke archeologische waarden veilig te stellen.
Dit kan nog leiden tot archeologievriendelijke bouwwijze dan wel proefsleuvenonderzoek (al dan niet ge-
Hoofdstuk 4
47
volgd door een opgraving). Daar waar een lage verwachting geldt, is verder geen archeologisch onderzoek nodig. In de andere verwachtingsgebieden moet, indien de grond dieper dan 40 cm wordt verstoord, mogelijk archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Op basis van de archeologische beleidskaart betreft het plangebied grotendeels een ‘gebied met een lage of onbekende verwachting’. De meest noordoostelijke strook van het plangebied is aangemerkt als een ‘gebied zonder verwachting (ontgrond)’. Voor beide type gebieden geldt geen onderzoeksplicht op basis van het archeologiebeleid. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet vereist in het kader van de beoogde ontwikkeling. In het voorliggende bestemmingsplan wordt, overeenkomstig de geldende bestemmingsplannen, geen archeologische dubbelbestemming opgenomen voor het plangebied.
Uitsnede Archeologische beleidskaart met ligging plangebied (rood omlijnd)
Indien tijdens de werkzaamheden in het plangebied toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE) of zoals gangbaarder is bij de gemeente Peel en Maasconform Artikel 5.10. (Archeologische toevalsvondst) van de Erfgoedwet.
Hoofdstuk 4
48
4.5.2 Cultuurhistorie Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn er binnen het plangebied en in de omgeving geen monumentale of andere cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken gelegen. De Maasbreeseweg is ter hoogte van het plangebied aangewezen als een ‘andere weg ouder dan 1806’. De paden die ten zuiden en oosten van het plangebied zijn gelegen, zijn aangewezen als ‘weg uit periode 1806-1890’. Op deze wegen en paden wordt middels de voorliggende ontwikkeling geen invloed uitgeoefend. Vanuit de aanwezige cultuurhistorische waarden zijn er dan ook geen belemmeringen voor dit initiatief. Conclusie Gezien het bovenstaande zijn er geen belemmeringen vanuit archeologie en cultuurhistorie voor de realisatie van het initiatief.
4.6 Verkeer en parkeren 4.6.1 Verkeer en ontsluiting Het plangebied wordt via twee ontsluitingswegen ontsloten op het openbaar gebied. De bestaande inen uitrit op de Maasbreeseweg zal hoofdzakelijk worden gebruikt voor vrachtverkeer. Op het terrein kunnen vrachtwagens en tractoren rond de grootste loods rijden en is toegang tot het laaddock, dat aan de voorzijde van deze loods is geprojecteerd. Daarnaast wordt een tweede in- en uitrit gerealiseerd tussen het kantoor en de nieuwe loods. Deze zal voornamelijk worden gebruikt door personenauto’s van personeel en bezoekers en wordt eveneens ontsloten op de Maasbreeseweg. Via deze inen uitrit zijn tevens de parkeerplaatsen bereikbaar, die voor en naast het kantoor worden gerealiseerd. Er blijft sprake van één in- en uitrit op de doorgaande Maasbreeseweg (N562). Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt normaliter gebruik gemaakt van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' van het CROW (publicatie 381). In deze publicatie zijn echter geen kencijfers opgenomen voor de verkeersgeneratie van agrarische bedrijven. Deze is daarom bepaald op basis van ervaringscijfers. Bij de voorliggende ontwikkeling is sprake van een verplaatsing van bedrijfsactiviteiten van de locatie in de kern Baarlo naar de locatie in het buitengebied van Koningslust aan de Maasbreeseweg.
Hierbij zullen ook de verkeersbewegingen van en naar de locatie in Baarlo worden verplaatst naar de locatie in Koningslust. In totaal is echter geen toename aan verkeer te verwachten. Daarnaast zullen de verkeersbewegingen die nu nog plaatsvinden tussen beide locaties komen te vervallen. Hierdoor is per saldo sprake van een afname van het aantal verkeersbewegingen. In de huidige situatie zijn de verkeersbewegingen als volgt verdeeld. Omdat er sprake van verschillen tussen de seizoenen, is onderscheid gemaakt in twee periodes. In de periode vanaf november tot mei, per dag Baarlo Personen auto’s/busjes 38 Vrachtauto’s 1 Trekkers 5
Hoofdstuk 4
Koningslust 11 5 2
49
In de periode vanaf mei tot november, per dag Baarlo Personen auto’s/busjes 42 Vrachtauto’s 1 Trekkers 5
Koningslust 5 1 1
In de toekomstige situatie, wanneer alle bedrijfsactiviteiten op de locatie in Koningslust gesitueerd zullen zijn, wordt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied op basis van ervaringscijfers als volgt ingeschat. In de periode vanaf november tot mei, per dag 45 personen auto’s / busjes 8 vrachtauto’s 5 trekkers In de periode vanaf mei tot november, per dag 45 personen auto’s / busjes 1 vrachtauto 4 trekkers De Maasbreeseweg en omliggende wegen kunnen dit aantal verkeersbewegingen goed verwerken. Er worden dan ook geen problemen verwacht met de afwikkeling van verkeer. Bovendien heeft de concentratie van de bedrijfsactiviteiten op de locatie in Koningslust tot gevolg dat er geen vervoersbewegingen meer plaatsvinden van en naar de locatie in de kern Baarlo. Hierdoor worden de wegen in Baarlo ontlast, hetgeen een positief effect heeft op de verkeerssituatie in Baarlo. De verkeersbewegingen die in de huidige situatie plaatsvinden tussen de locaties in Baarlo en Koningslust komen te vervallen. Op basis van de ervaringscijfers van de initiatiefnemer zullen per week de volgende verkeersbewegingen komen te vervallen. 16 personen auto’s / busjes 4 vrachtauto 12 trekkers Wat betreft de plattelandswoning is en blijft sprake van een bestaande woning.
Het aantal verkeersbewegingen van en naar deze woning wijzigt niet als gevolg van de aanwijzing tot plattelandswoning. 4.6.2 Parkeren Door middel van het bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeernota Peel en Maas’ is de Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018 van toepassing verklaard op het plangebied. In de gemeentelijke parkeernota zijn echter geen parkeernormen opgenomen voor agrarische bedrijven, waaronder de voorliggende boomkwekerij.