2021-002 03 Toelichting Maasbreeseweg 92 te Koningslust.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 92 te Koningslust’ Gemeente Peel en Maas Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Maasbreeseweg 92 te Koningslust’ Gemeente Peel en Maas Vastgesteld
Rapportnummer:
P01470
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1894.BPL0224-VG01
Datum:
23 november 2020
Opdrachtgever:
Boomkwekerij Fleuren
Projectleider BRO:
Mevr. SD, MSc
Concept:
2 december 2019
Ontwerp:
7 september 2020
Vaststelling:
9 februari 2021
Bron foto kaft:
BRO
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de verplaatsing van de bedrijfslocatie van Boomkwekerij Fleuren aan de Maasbreeseweg 92 in Koningslust.
BRO Vestiging Tegelen Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
Inhoudsopgave
pagina
1.INLEIDING 1.1Aanleiding 1.2Plangebied 1.3Vigerende bestemmingsplannen 1.4Leeswijzer
4 4 5 6 7
2.PLANBESCHRIJVING 2.1Bestaande situatie 2.2Toekomstige situatie 2.3Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
7 8 9 13
3.BELEIDSKADER 3.1Rijksbeleid
18 18
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2Provinciaal beleid
18 19 19 19 21 22
3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.3Gemeentelijk beleid
22 23 24
3.3.1 Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas 3.3.2 Nota Ruimtelijke Kwaliteit 3.3.3 Beleidsplan archeologie gemeente Peel en Maas 3.3.4 Evenementenvisie
24 26 27 27
4.ONDERZOEKSASPECTEN 4.1Inleiding
29 29
4.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit 4.1.2 Geluid 4.1.3 Luchtkwaliteit 4.1.4 Milieuzonering 4.1.5 Externe veiligheid 4.1.6 Milieueffectrapportage 4.2Kabels en leidingen 4.3Ecologie
Inhoudsopgave
29 30 31 32 34 38 42 42
1
4.4Waterhuishouding
45
4.4.1 Beleidskader 4.4.2 Onderzoek 4.4.3 Overleg waterbeheerder 4.5Archeologie en cultuurhistorie
45 45 47 47
4.5.1 Archeologie 4.5.2 Cultuurhistorie 4.6Verkeer en parkeren
47 49 49
4.6.1 Verkeer en ontsluiting 4.6.2 Parkeren 4.7Duurzaamheid
49 50 51
5.JURIDISCHE ASPECTEN 5.1Planstukken 5.2Toelichting op de verbeelding 5.3Toelichting op de regels
52 52 52 52
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
52 53 54 54
6.ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
55
7.PROCEDURE 7.1Procedure 7.2Vooroverleg en inspraak 7.3Zienswijzen
56 56 56 57
SEPARATE BIJLAGEN BRO, Landschappelijke inpassing en Kwaliteitsverbetering Maasbreeseweg 92 te Koningslust, projectnummer P01470, september 2020 Aeres Milieu, Vooronderzoek NEN 5725 Maasbreeseweg 92 te Koningslust, projectnummer AM19056, 12 september 2019 Aeres Milieu, Verkennend bodemonderzoek Maasbreeseweg 92, Koningslust, projectnummer AM19056-2, 22 april 2020 Veiligheidsregio Limburg-Noord, Advies externe veiligheid BP Maasbreeseweg 92 te Koningslust, kenmerk Z033941/UIT046460, 4 december 2019
Inhoudsopgave
2
BRO, Quickscan flora en fauna ‘Maasbreeseweg 92’ te Koningslust, projectnummer P01470, 12 augustus 2019 BRO, Stikstofberekening uitbreiding bomenkwekerij Maasbreeseweg (gebruiksfase), kenmerk S3FxyAAc5Sqo, 17 november 2020 BRO, Stikstofberekening uitbreiding bomenkwekerij Maasbreeseweg (aanlegfase), kenmerk RuSS2FttC3hU, 17 november 2020 Aeres Milieu, Infiltratieonderzoek Waterparagraaf Maasbreeseweg 92 te Koningslust, projectnummer AM19056, 21 november 2019 Boomkwekerij Fleuren, Omgevingsdialoog uitnodigingsbrief, plattegrond en verslag bijeenkomst, 10 december 2019
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Boomkwekerij Fleuren heeft haar bedrijfsactiviteiten in de huidige situatie verspreid over twee locaties, te weten een locatie aan de Veldstraat 56a in de kern Baarlo en een locatie aan de Maasbreeseweg 92 in het buitengebied van Koningslust. Het voornemen bestaat om alle bedrijfsactiviteiten te concentreren op één locatie. De activiteiten die nu nog in Baarlo plaatsvinden, zullen daarom worden verplaatst naar de locatie in Koningslust. Dit heeft tot gevolg dat de bedrijfslocatie aan de Maasbreeseweg 92 in Koningslust wordt uitgebreid om ruimte te bieden aan de activiteiten die nu nog in Baarlo plaatsvinden. Per saldo vindt echter geen uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten plaats. De voorliggende ontwikkeling omvat onder andere de volgende onderdelen: 1. Realisering kantoor, kantine, ontvangst-/vergaderruimte; 2. Machineberging, veredelingsruimte, opslag (koelcellen), werkplaats, verzendruimte voor minitrees en inpandige was-/tankplaats; 3. Semipermanente overkapte teelt in de vorm van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen voor de kersenteelt; 4. Containerveld voor minitrees. Daarnaast bestaat de wens om de bestaande bedrijfswoning tevens te mogen gebruiken als plattelandswoning, zodat deze ook bewoond mag worden door een derde, die geen binding heeft met het bijbehorende bedrijf.
Tegelijkertijd wordt door de aanwijzing als plattelandswoning het bedrijf niet in haar functioneren beperkt.
Topografische weergave plangebied (rood omcirkeld) en omgeving
Hoofdstuk 1
4
Het bedrijf heeft ten behoeve van de beoogde ontwikkeling een principeverzoek ingediend bij de gemeente Peel en Maas. Het college van burgemeester en wethouders heeft bij brief van 12 december 2018 besloten in principe en onder voorwaarden medewerking te verlenen aan het initiatief. Door middel van het voorliggende bestemmingsplan worden de gewenste ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting vergezelt het plan.
1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Koningslust. Het plangebied bestaat uit de percelen, kadastraal bekend als Helden, sectie V, nrs. 893, 892, 911 en 32. Aan de noordzijde van het plangebied ligt een rotonde, met verbindingen naar de omliggende kernen Koningslust (noordwesten), Maasbree (noordoosten), Helden/Panningen (zuidwesten) en Kessel (zuidoosten). De Midden Peelweg (N277) begrenst de planlocatie aan de noordoostzijde. Aan de noordwestzijde vormt de Maasbreeseweg (N562) en een bosstrook de grens van het plangebied. De zuidgrens van het plangebied wordt gevormd door een pad, met aan de overzijde enkele akkerbouwpercelen. In de directe omgeving van het plangebied liggen hoofdzakelijk agrarische gronden en enkele bosstroken.
Luchtfoto plangebied en directe omgeving met kadastrale begrenzing en ligging plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 1
5
1.3 Vigerende bestemmingsplannen Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Kwistbeek’, dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Peel en Maas op 23 juni 2020. Op basis van dit bestemmingsplan is het merendeel van het plangebied bestemd tot ‘Agrarisch’. Ter plaatse van de bestaande bedrijfsbebouwing, inclusief de woning, zijn de gronden bestemd tot ‘Agrarisch – Grondgebonden’. Op dit deel van het perceel is een bouwvlak aanwezig, dat dit gehele perceel omvat, met uitzondering van de voorzijde. Ter plaatse van de bomengroep achter de huidige bedrijfsloods geldt de bestemming ‘Natuur’. Voor de gehele planlocatie is daarnaast de dubbelbestemming ‘Waarde - Gebiedsbestemming grootschalig open ontginningslandschap’ van toepassing. Op de meest noordoostelijke strook van het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone waterlopen’. Tot slot zijn de gebiedsaanduidingen ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied 4 go’ van toepassing op het gehele plangebied. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig gebruik en extensief recreatief medegebruik. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wel zijn diverse soorten bouwwerken, geen gebouwen toegelaten. De beoogde bedrijfsgebouwen zijn binnen deze bestemming en bouwregels niet toegestaan.
Daarnaast is het beoogde containerveld voor minitrees op basis van deze bestemming niet toegelaten. Het plan bevat wel een afwijkingsbevoegdheid voor de oprichting van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen. De middel van een omgevingsvergunning zouden de teeltondersteunende voorzieningen die benodigd zijn voor de overkapte teelt tijdelijk mogelijk gemaakt kunnen worden, met dien verstande dat de constructie voor de voorzieningen wel permanent aanwezig mag zijn. Op basis van de bestemming ‘Agrarisch – Grondgebonden’ is het perceel bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig gebruik in de vorm van een grondgebonden bedrijf, al dan niet met als nevenactiviteit een niet-grondgebonden bedrijfstak. Daarnaast is wonen in een bedrijfswoning toegestaan. De voor ‘Natuur’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor de instandhouding van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, archeologische en/of abiotische waarden. Hierbij is extensief agrarisch grondgebruik toegelaten. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Wel zijn diverse soorten bouwwerken, geen gebouwen toegelaten.
Op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde - Gebiedsbestemming grootschalig open ontginningslandschap’ is het plan mede gericht op gebruiks- en bouwactiviteiten die bijdragen aan de landschappelijke koers en functionele ontwikkelingsmogelijkheden, zoals die zijn opgenomen in artikel 35.2 en 35.3 van het bestemmingsplan. Op basis van deze dubbelbestemming geldt een omgevingsvergunningplicht, waarbij getoetst dient te worden of voldaan wordt aan de voorwaarden in deze artikelen. In paragraaf 2.3 vindt deze toets plaats. Ter plaatse van de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone waterlopen’ zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming en het onderhoud van de aanwezige waterloop. Ter plaatse van de dubbelbestemming mag niet worden gebouwd, behoudens bouwwerken ten behoeve van de waterloop. Ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ zijn de gronden tevens bestemd als verwevingsgebied. Dit is een gebied dat is gericht op de verweving van landbouw, wonen
Hoofdstuk 1
6
en natuur. In een verwevingsgebied is hervestiging of uitbreiding van intensieve veehouderij mogelijk, mits de ruimtelijke kwaliteit of de functies van het gebied zich daartegen niet verzetten. Ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone – wijzigingsgebied 4 go' zijn de gronden tevens bestemd voor instandhouding van grootschalige open ontginningslandschappen. Conclusie Op basis van de geldende bestemmingsplannen voor deze locatie zijn de nieuwe bedrijfsgebouwen grotendeels buiten het bouwvlak geprojecteerd. Tevens is deze bebouwing niet toegestaan binnen de bestemming ‘Agrarisch’. Daarnaast zijn de gewenste semipermanente teeltondersteunende voorzieningen (overkapte teelt) en het containerveld voor minitrees binnen de agrarische bestemming niet toegelaten. Door middel van het voorliggende nieuwe bestemmingsplan kunnen deze ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 waarin een beschrijving van de bestaande situatie en de beoogde ontwikkelingen is opgenomen. De daaropvolgende hoofdstukken vormen de verantwoording van de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in diverse milieu- en onderzoeksaspecten die van belang zijn voor het voorliggende bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is de juridische toelichting op de planopzet gegeven. In hoofdstuk 6 komt de economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. Ten slotte is in hoofdstuk 7 een beschrijving van de verdere procedure opgenomen en wordt ingegaan op overleg en inspraak.
Hoofdstuk 1
7
2.
PLANBESCHRIJVING 2.1 Bestaande situatie Het plangebied omvat de gronden die deel uitmaken van het bedrijf Boomkwekerij Fleuren aan de Maasbreeseweg 92 te Koningslust. Op deze locatie vindt opslag, verzending en sortering van bomen plaats. Het bedrijf heeft daarnaast nog een bedrijfslocatie aan de Veldstraat in Baarlo. Deze bedrijfslocatie maakt geen deel uit van het voorliggende bestemmingsplan. In de bestaande situatie is het plangebied deels bebouwd met enkele loodsen en een bedrijfswoning. Rondom de gebouwen is verharding aanwezig, ten behoeve van o.a. parkeren, laden/lossen en manoeuvreren met vrachtwagens en tractoren en buitenopslag. Ten noorden en oosten van de bedrijfsgebouwen zijn agrarische gronden gelegen, die momenteel worden gebruikt als grasland en akkerland. Tussen enkele percelen en langs de noordwestrand van het plangebied zijn hagen gelegen. Daarnaast staan aan de randen van de percelen enkele bomen. Direct ten oosten van de grootste loods staat een bomengroep. Het perceel ten zuidoosten van de loods is in gebruik voor boomteelt. Direct ten zuiden van de bedrijfsgebouwen is een waterberging aanwezig, die wordt omzoomd door groen. Hier is tevens de tuin gelegen die bij de bedrijfswoning hoort. Het zuidelijke deel van het plangebied is tot slot in gebruik voor akkerbouw. Op de navolgende luchtfoto is het huidige gebruik van het plangebied zichtbaar.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten zuidoosten van de kern Koningslust, in de gemeente Peel en Maas. Aan de noordzijde van het plangebied ligt een rotonde, met verbindingen naar de omliggende kernen Koningslust (noordwesten), Maasbree (noordoosten), Helden/Panningen (zuidwesten) en Kessel (zuidoosten). De Midden Peelweg (N277) begrenst de planlocatie aan de noordoostzijde. Aan de noordwestzijde vormt de Maasbreeseweg (N562) en een bosstrook de grens van het plangebied. De zuidgrens van het plangebied wordt gevormd door een pad, met aan de overzijde enkele akkerbouwpercelen. In de directe omgeving van het plangebied liggen hoofdzakelijk agrarische gronden en enkele bosstroken.
Hoofdstuk 2
8
Luchtfoto huidige situatie plangebied
2.2 Toekomstige situatie Zoals in de voorgaande paragraaf is beschreven, heeft Boomkwekerij Fleuren op dit moment twee locaties waar bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Het voornemen bestaat om de werkzaamheden die nu nog op de locatie in Baarlo plaatsvinden, ter verplaatsen naar de voorliggende locatie aan de Maasbreeseweg in Koningslust.
Hoofdstuk 2
9
Op de locatie in Baarlo zijn momenteel het kantoor, de werkplaats, een machineberging, een veredelingsruimte, opslag van uitgangsmateriaal, een ontvangstruimte voor klanten, en de verzend- en verpakkingsafdeling voor minitrees gesitueerd. Deze activiteiten zullen in de toekomstige situatie gaan plaatsvinden in het plangebied. Vanwege efficiency, werkbaarheid, bereikbaarheid en de ontlasting omgeving (vanwege de ligging van de locatie in de kern Baarlo) is het bedrijf voornemens de locatie in Baarlo op te heffen, en alle werkzaamheden te laten plaatsvinden in het plangebied. De locatie in Koningslust geeft het bedrijf tevens mogelijkheden zich om beter te kunnen profileren. Hier is immers ruimte voor het tonen van professionele overkapte kersenteelt, waar het bedrijf zich voor een belangrijk deel op richt.
B
C A
D
E F
Luchtfoto plangebied met toekomstige functies
Hoofdstuk 2
10
Landschappelijke inpassing plangebied met oppervlaktes bouwvlak, teeltondersteunende voorzieningen en containerveld
Concreet wil het bedrijf de navolgende ontwikkelingen mogelijk maken in het plangebied. In de bovenstaande afbeeldingen zijn de globale situering en oppervlaktes van deze ontwikkelingen weergegeven. In deelgebied A zullen nieuwe bedrijfsgebouwen worden opgericht. Hiertoe zal het huidige bouwvlak van het bedrijf in noordelijke richting worden uitgebreid. In deelgebieden B en C bestaat het voornemen om semipermanente, overkapte kersenteelt te realiseren. Hiervoor zijn tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen benodigd. In deelgebied D is een containerveld voor de teelt van minitrees beoogd. In deelgebied E zal een nieuw waterbassin worden aangelegd voor de beregening van het containerveld.
Hoofdstuk 2
11
In deelgebied F zal het huidige agrarische grondgebruik worden voortgezet. Ten zuiden van de loods is een bestaande bergingsvijver aanwezig. Daarnaast ligt een bestaand kweekveld voor entbomen. Tevens bestaat de wens om de teelten in deelgebieden B, C en D onderling uitwisselbaar te maken. Vanuit de bedrijfsvoering is het gewenst om de definitieve keuze voor de locatie van het containerveld later te kunnen maken, dus na vaststelling van dit bestemmingsplan. In deelgebied A is de nieuwbouw c.q. uitbreiding van de bedrijfsbebouwing voorzien. De bestaande loodsen blijven behouden, evenals de bedrijfswoning. Het bouwvlak zal worden uitgebreid tot een totale oppervlakte van 2,5 hectare. Zowel de bedrijfsgebouwen in deelgebied A als het waterbassin in deelgebied E komen binnen dit uitgebreide bouwvlak te liggen. Aan de voorzijde van het plangebied zal een kantoor worden opgericht. Hierin zullen o.a. het kantoor, de kantine en ontvangst- en vergaderruimten worden ingericht. Het kantoor zal worden uitgevoerd in twee bouwlagen en krijgt een bouwhoogte van maximaal 8 meter. Daarnaast worden nieuwe bedrijfsloodsen opgericht. Eén daarvan vormt een uitbreiding van de grootste loods, en wordt daar tegenaan gebouwd aan de noordzijde. Hierbij zal tevens het laaddock worden verplaatst. De bestaande loods heeft een goothoogte van circa 6,5 meter en een nokhoogte van circa 10 meter.
Deze hoogtes blijven behouden. De nieuwe loods krijgt een goothoogte van circa 8 meter en een nokhoogte van circa 11,5 meter. In het bouwplan wordt ervoor gezorgd dat het bestaand en het nieuwe deel van de loods goed op elkaar zullen aansluiten. Ten noorden van deze loods wordt een tweede loods opgericht. Deze krijgt eveneens een goothoogte van circa 8 meter en een nokhoogte van circa 11,5 meter en is haaks op de andere loods gesitueerd. In deze twee loodsen zullen onder andere een machineberging, veredelingsruimte, opslag (koelcellen), werkplaats, verzendruimte voor minitrees en inpandige was-/tankplaats worden gerealiseerd. Het plangebied wordt via twee ontsluitingswegen ontsloten op het openbaar gebied. De bestaande inen uitrit op de Maasbreeseweg zal hoofdzakelijk worden gebruikt voor vrachtverkeer. Op het terrein kunnen vrachtwagens en tractoren rond de grootste loods rijden en is toegang tot het laaddock, dat aan de voorzijde van deze loods is geprojecteerd. Daarnaast wordt een tweede in- en uitrit gerealiseerd tussen het kantoor en de nieuwe loods. Deze zal voornamelijk worden gebruikt door personenauto’s van personeel en bezoekers en wordt eveneens ontsloten op de Maasbreeseweg. Via deze inen uitrit zijn tevens de parkeerplaatsen bereikbaar, die voor en naast het kantoor worden gerealiseerd.
In de navolgende afbeelding is de situering van de beoogde bebouwing weergegeven.
Hoofdstuk 2
12
Situatietekening
In deelgebieden B, C en D worden teeltondersteunende voorzieningen mogelijk gemaakt tot een maximum hoogte van 4,5 meter. Daarnaast wordt containerteelt mogelijk gemaakt. De verwachting is echter dat alleen deelgebied D gebruikt zal worden als containerveld voor de teelt van minitrees. De wens om de teelten in deelgebieden B, C en D onderling uitwisselbaar te maken is afkomstig vanuit de bedrijfsvoering. De behoefte bestaat om de definitieve keuze voor de locatie van het containerveld later te kunnen maken, dus na vaststelling van dit bestemmingsplan. De bestemmingsregeling zal daarom zodanig worden vormgegeven dat in alle drie deze deelgebieden overkapte teelt en containerteelt mogelijk wordt gemaakt. Tevens worden in de regeling de toegestane oppervlakten voor teeltondersteunende voorzieningen gemaximeerd. De toegestane oppervlakte voor teeltondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 22.000 m 2 en de maximum oppervlakte voor containervelden bedraagt 10.000 m2. Hiermee wordt gewaarborgd dat de uitwisselbaarheid van deze voorzieningen niet leidt tot ongewenste effecten voor de omgeving en het omliggende landschap. Wat betreft de bedrijfswoning geldt dat deze wordt aangeduid als plattelandswoning. Hierdoor mag de woning ook bewoond worden door een derde, die geen binding heeft met het bijbehorende bedrijf. In de bestaande situatie vindt dit gebruik feitelijk al plaats.
Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt dit ook planologisch vastgelegd.
2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Ruimtelijk en functioneel gezien passen de beoogde ontwikkelingen goed in de omgeving. Deze vinden namelijk plaats binnen een gebied met een hoofdzakelijk agrarische functie, dat reeds een agrarische bestemming heeft.
Hoofdstuk 2
13
De hoogte van nieuwe bedrijfsbebouwing is weliswaar hoger dan de bestaande loodsen, maar past wel in de omgeving. Op basis van het geldende bestemmingsplan ‘Omgevingsplan Kwistbeek’ zijn bedrijfsgebouwen toegestaan met een maximum goot- en bouwhoogte respectievelijk 7,5 en 11 meter. De maximum goot- en bouwhoogte van de nieuwe loods zijn met 8 en 11,5 meter beide iets hoger. Deze beperkte verhoging van de goot- en bouwhoogte is noodzakelijk vanuit de bedrijfsvoering om pallets langs de wanden in de loods in drie lagen te kunnen stapelen. Hierdoor kan de ruimte efficiënter worden gebruikt dan wanneer wordt uitgegaan van de ‘standaard’ goot- en bouwhoogte, waarbinnen dit net niet mogelijk is en dus extra vloeroppervlak nodig zou zijn om een gelijk aantal pallets te kunnen opslaan. De beperkte verhoging van de goot- en bouwhoogte ten opzichte van de geldende bouwmogelijkheden wordt passend geacht in deze omgeving, mede omdat de bebouwing landschappelijk wordt ingepast. Het straatbeeld vanaf de Maasbreeseweg zal daarnaast niet wijzigen, omdat de gebouwen door de bestaande bosstrook aan het zicht worden onttrokken. Landschappelijke inpassing Op basis van het geldende provinciaal en gemeentelijk beleid dient de planlocatie landschappelijk te worden ingepast.
Hiertoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarin naast een groene inpassing van de locatie tevens zorg is gedragen voor de berging en infiltratie van hemelwater binnen het plangebied. In de voorgaande afbeelding is de inpassing weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar het landschappelijk inpassingsplan 1. Wat betreft de bebouwing zijn in het landschappelijk inpassingsplan enkele impressies opgenomen, die de beoogde bouwkwaliteit weergeven. De nieuw te bouwen loodsen sluiten qua bouwvorm en kwaliteit aan bij de grootste bestaande loods, waardoor sprake is van een samenhangend geheel van bebouwing. Het kantoor krijgt eveneens een hoogwaardige bouwkwaliteit en een groene uitstraling, qua karakter passend bij het boomteeltbedrijf. De parkeerplaatsen aan de voorzijde van het kantoor worden groen ingepast met hagen en bomen, die in ruime plantvakken worden geplant.
1
BRO, Landschappelijke inpassing en Kwaliteitsverbetering Maasbreeseweg 92 te Koningslust, projectnummer P01470, september 2020
Hoofdstuk 2
14
Landschappelijke inpassing
Toetsing dubbelbestemming ‘Waarde - Gebiedsbestemming grootschalig open ontginningslandschap’ Op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde - Gebiedsbestemming grootschalig open ontginningslandschap’ in het vigerende bestemmingsplan is het plan mede gericht op gebruiks- en bouwactiviteiten die bijdragen aan de landschappelijke koers en functionele ontwikkelingsmogelijkheden, zoals die zijn opgenomen in artikel 35.2 en 35.3 van het bestemmingsplan. Op basis van deze dubbelbestemming geldt een omgevingsvergunningplicht, waarbij getoetst dient te worden of voldaan wordt aan de voorwaarden in deze artikelen.
Hoofdstuk 2
15
Landschappelijke koers (artikel 35.2) Het grootschalig open ontginningslandschap is een grootschalig en open en relatief recent ontgonnen landschap dat zich kenmerkt door grote rationale percelen, een grote variëteit aan (agrarische) bedrijven, laan- en erfbeplanting en verspreid voorkomende landschapselementen. Er is sprake van relatief grootschalige open ruimten met lange rechte wegen, weilanden en akkers. Het agrarisch grondgebruik is overwegend grondgebonden en sierteelt, al of niet met kassen en teeltondersteunende voorzieningen. Volgens artikel 35.2 wordt in dit deelgebied gekoerst op de volgende doelen: We streven infiltratie van water na, zodat water langer wordt vastgehouden, verdroging wordt tegengegaan en indirect wateroverlast wordt voorkomen. Toetsing: voor de toekomstige bebouwing en verhardingen wordt voorzien in berging/infiltratie van hemelwater op eigen terrein. In de waterparagraaf (zie paragraaf 4.4 en de separate bijlage) is dit nader toegelicht. Het behoud en waar mogelijk versterking van de landschappelijke kenmerken. Toetsing: middels de landschappelijke inpassing van de planlocatie, zoals beschreven in het landschappelijk inpassingsplan, wordt voorzien in het behoud van de huidige landschappelijke kenmerken en de versterking hiervan door het toevoegen van gebiedseigen beplanting op plekken waar dat gezien de landschappelijke kenmerken passend is.
De ontwikkeling van natuurlijke overgangen in het landschap, ter verbetering van de landschapskwaliteit en de biodiversiteit. Toetsing: middels de landschappelijke inpassing van de planlocatie, zoals beschreven in het landschappelijk inpassingsplan, worden de natuurlijke overgangen in het landschap versterkt. Het behoud van voorkomende cultuurhistorische waarden. Toetsing: in de omgeving zijn enkele oude wegen en paden gelegen. Deze blijven bij de voorliggende ontwikkeling behouden en worden niet negatief beïnvloed. Voor het overige zijn op de planlocatie en in de omgeving geen cultuurhistorische waarden aanwezig, zie ook paragraaf 4.5.2. We streven naar een leefbaar platteland, dat voor een ieder een prettig woon- en leefklimaat biedt. Economische doelen moeten er in balans zijn met de doelen voor water, landschap en natuur. Toetsing: de voorliggende ontwikkeling voorziet in de concentratie van de bedrijfsactiviteiten van Boomkwekerij Fleuren op één locatie. De voorliggende bedrijfslocatie aan de Maasbreeseweg in Koningslust wordt daarbij uitgebreid, en de bedrijfsactiviteiten op de locatie in Baarlo zullen worden afgebouwd en uiteindelijk beëindigd. Dit economische doel van de ontwikkeling in het plangebied wordt gerealiseerd met oog voor de belangen van water, landschap en natuur.
Er wordt namelijk voorzien in de berging/infiltratie van hemelwater op eigen terrein en het omliggende landschap wordt versterkt middels een goede landschappelijke inpassing. Hierdoor draagt het plan bij aan een leefbaar platteland. We streven naar een efficiënt gebruik van bestaande bebouwing. Toetsing: de bestaande bebouwing blijft zijn huidige agrarische gebruik behouden. Functionele ontwikkelingsmogelijkheden (artikel 35.3) De volgende functionele ontwikkelingsmogelijkheden worden nagestreefd: Het primaat voor ontwikkeling ligt bij bestaande agrarische bedrijven met inachtname van de algemene voorwaarden voor vergunningverlening (artikel 49.3).
Hoofdstuk 2
16
Toetsing: in het voorliggende geval is sprake van de doorontwikkeling van een bestaand agrarisch bedrijf. Aan de algemene voorwaarden zoals opgenomen in artikel 49.3 wordt voldaan, zoals blijkt uit deze toelichting. Vrijkomende agrarische bebouwing kan benut worden voor andere functies, hier ligt tevens ontwikkelruimte voor de functie wonen. Toetsing: in het voorliggende geval is geen sprake van vrijkomende agrarische bebouwing, aangezien de bestaande bebouwing zijn huidige agrarische functie behoudt. Recreatief medegebruik is in de gehele gebiedsbestemming mogelijk. Toetsing: op basis van de bestemming ‘Agrarisch’ is extensief recreatief medegebruik mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan. Het huidige agrarisch grondgebruik kan worden voortgezet. Toetsing: dit is het geval. Voor alle ontwikkelingen geldt dat zij per saldo, ook qua landschappelijke koers, kwaliteitswinst moeten opleveren. Toetsing: middels de landschappelijke inpassing wordt voorzien in kwaliteitswinst voor het landschap, zie voor meer informatie het landschappelijk inpassingsplan. Voor alle ontwikkelingen geldt dat ze moeten passen in en bij de doelen die we nastreven voor water, natuur en landschap. Toetsing: zoals blijkt uit de bovenstaande toets aan artikel 35.2 wordt hieraan voldaan.
Samengevat voldoet het voorliggende plan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 35.2 en 35.3 voor wat betreft de ligging binnen het grootschalig open ontginningslandschap. De ontwikkeling draagt bij aan de doelen en functionele ontwikkelingsmogelijkheden die in dit gebiedstype gesteld worden. Conclusie Op basis van het voorgaande kan dan ook geconcludeerd worden dat het plan, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg heeft voor de omgeving.
Hoofdstuk 2
17
3.
BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.
Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig plangebied zijn als volgt: Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water), bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. Afweging Voor het plangebied geldt uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen. Voor het overige is sprake van een lokale ontwikkeling, waarbij geen nationale belangen uit de SVIR direct in het geding zijn. Zoals elders uit deze toelichting blijkt, bestaan er verder ook vanuit milieuhygiënisch oogpunt, zoals geluid en externe veiligheid, geen belemmeringen in het gebied. De nationale belangen zijn dan ook niet in het geding als gevolg van het voorliggende bestemmingsplan.
Hoofdstuk 3
18
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Afweging Bij het voorliggende initiatief zijn geen van de bovengenoemde nationale belangen uit het Barro in het geding.
Het initiatief is hiermee in lijn met het Barro. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Afweging Het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel beslaat ook de gemeente Peel en Maas. De maximaal toegestane bouwhoogte voor windturbines in dit gebied bedraagt 114 meter ten opzichte van NAP. Voor overige bouwwerken geldt geen beperking voor de bouwhoogte. Aangezien het voorliggende bestemmingsplan geen windturbines mogelijk maakt, vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor het radarverstoringsgebied. 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.”
Hoofdstuk 3
19
Uit de jurisprudentie2 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden. Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging De voorliggende ontwikkeling van de boomkwekerij is geen nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van het Bro. Blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 20173 wordt het toekennen van een agrarische bestemming aan gronden niet beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing van het initiatief aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet vereist.
3.1.5 Wet plattelandswoningen Op 1 januari 2013 is de ‘Wet tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen (plattelandswoningen)’, in werking getreden, kort gezegd en hierna genoemd de ‘Wet plattelandswoningen’ Deze wet bevat een tweetal onderdelen: a. In de eerste plaats wordt geregeld dat bij verschillende wetten zoals bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) het planologisch regime, en niet langer het feitelijk gebruik, bepalend wordt voor de bescherming die een gebouw of functie geniet tegen negatieve milieueffecten. b. Het tweede element van de wet heeft specifiek betrekking op zogenoemde plattelandswoningen. Een plattelandswoning is een voormalige agrarische bedrijfswoning die door derden, die geen functionele binding hebben met het bedrijf, mag worden bewoond. Dit is juridisch-planologisch mogelijk omdat aan de plattelandswoning een lager beschermingsniveau wordt toegekend dan aan een burgerwoning. De juridische regeling geeft ook aan dat de planologische status bepalend is voor de bescherming van een plattelandswoning. Voorheen was het feitelijk gebruik bepalend.
Voor bedrijven die een Omgevingsvergunning Milieu hebben, is de regeling te vinden in de Wet Plattelandswoningen, die op 1 januari 2013 in werking is getreden. Op 1 maart 2014 is een aanpassing van het Activiteitenbesluit in werking getreden, die eenzelfde regeling geeft voor agrarische bedrijven die onder het Activiteitenbesluit vallen. De Wet plattelandswoningen maakt omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning mogelijk, zonder dat het agrarische bedrijf waar de woning toe behoorde, wordt belemmerd in de bedrijfsvoering. Bij de afweging of een plattelandswoning wenselijk is, moet ook beoordeeld worden of ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 2
o.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319) 3 ABRS 28 juni 2017 (ECLI :ECLI:NL:RVS:2017:1724)
Hoofdstuk 3
20
Een plattelandswoning maakt onderdeel uit van de inrichting (agrarisch bedrijf) waar deze bij hoort, en wordt daarmee niet beschermd tegen de milieueffecten van het bijbehorende bedrijf. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet plattelandswoningen volgt dat middels het aanwijzen van een plattelandswoning is beoogd om niet het feitelijk gebruik van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning, maar de planologische status bepalend te laten zijn voor bescherming tegen milieuhinder. Indien een voormalige agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van de inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de milieuemissie van deze inrichting, behoudens voor wat betreft het aspect fijnstof. De inrichting wordt op deze manier niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd door het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Dit betekent echter niet zonder meer dat ter plaatse van die woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd.
De omstandigheid dat een bedrijfswoning op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden en daarom voor de toepassing van de Wabo en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting, staat volgens geldende jurisprudentie 4 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, los van de vraag of ingevolge artikel 5.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer de luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel waarop die woning staat moet worden beoordeeld. In paragraaf 4.1.3 wordt hier nader op ingegaan en blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is. Daarnaast blijkt uit de geldende jurisprudentie dan ook andere milieu- en omgevingsaspecten, waaronder geur en geluidhinder van de inrichting, meegewogen moeten worden in de afweging of in de plattelandswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In hoofdstuk 4 van de toelichting vindt de toetsing aan deze aspecten plaats, en blijken geen belemmeringen. Het voorliggende plan is in overeenstemming met de regels van de 'Wet plattelandswoningen'. In het geval de plattelandswoning in de toekomst wordt verkocht, dan heeft de eigenaar van het bijbehorende bedrijf het eerste recht tot aankoop van de bedrijfswoning, hetgeen notarieel is vastgelegd bij de verkoop van de bedrijfswoning aan de huidige eigenaar.
3.1.6 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
4
ABRS 4 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:236)
Hoofdstuk 3
21
In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'. De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan is opgenomen in paragraaf 4.1.6.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Zonering Limburg Volgens de kaart ‘Zonering Limburg’ ligt het plangebied binnen de zone ‘buitengebied’. Het buitengebied omvat de gronden in het landelijk gebied die niet behoren tot de goudgroene en zilvergroene natuurzones en de bronsgroene landschapszone. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. Beleidsmatig liggen de accenten voor deze zone op: Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; Kwaliteit en functioneren ondergrond. Landbouw In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema's benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. Ten aanzien van de land- en tuinbouwsector wil de provincie ruimte bieden aan de doorgroei van bestaande land- en tuinbouwbedrijven, in een goede balans met omgevingswaarden.
In het kader van een duurzame productie worden de emissies naar lucht, water en bodem teruggedrongen, in het bijzonder van ammoniak, geur, fijn stof, nitraat en gewasbeschermingsmiddelen. Tevens is de ambitie om een kwaliteitsslag in het landelijk gebied te realiseren, door verduurzaming van bestaande agrarische bedrijven, hergebruik van leegkomende (beeldbepalende) gebouwen en sloop van de leegkomende bebouwing waar geen passend alternatief voor aanwezig is.
Hoofdstuk 3
22
Uitsnede POL2014-kaart 'Zonering Limburg' met ligging plangebied (rood omlijnd)
Afweging De voorliggende ontwikkeling van een boomkwekerij (agrarisch bedrijf) is passend binnen de zone ‘buitengebied’, aangezien deze zone bij uitstek geschikt is voor agrarische ontwikkelingen. Het initiatief betreft de doorontwikkeling van een bestaand agrarisch bedrijf, waarbij de activiteiten van dit bedrijf worden geconcentreerd op één locatie en de bestaande locatie in Baarlo kan worden opgeheven. Door middel van een goede landschappelijke inpassing wordt bijgedragen aan de gewenste kwaliteitsslag in het landelijk gebied en kan het project in overeenstemming met de aanwezige omgevingswaarden worden uitgevoerd. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 ook de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Afweging Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Het initiatief is hiermee passend binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014.
Hoofdstuk 3
23
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas In februari 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Buitengebied Peel en Maas vastgesteld en op 27 januari 2016 is de gewijzigde versie vastgesteld. In de Structuurvisie Buitengebied wordt het beleid dat ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan Buitengebied Peel en Maas samengebracht. Voor een groot gedeelte betreft het bestaand beleid met enkele aanvullingen en uitwerkingen. De Structuurvisie vormt de grondslag voor het toepassen van bovenplanse verevening en bijdragen in de ruimtelijke ontwikkeling in het kader van de ontwikkelingsplanologie. In de Structuurvisie Buitengebied zijn de volgende plannen opgenomen: Structuurplan Buitengebied 2008; Structuurvisie Intensieve Veehouderij en Glastuinbouw; Streefkwaliteiten Geur; Kwaliteitskader; Archeologiebeleid. Volgens het structuurplan is het plangebied gelegen binnen het gebiedstype ‘grootschalige open ontginningslandschappen’. Voor dit gebiedstype gelden de volgende beleidsuitgangspunten.
Doel Ruimtelijk-Landschappelijk: Versterking van de landschappelijke karakteristiek bestaande uit relatief grootschalige, open ruimten met lange rechte wegen, weilanden en akkers; Speciale aandacht is hierbij vereist voor het behoud van de landschappelijke openheid en de kwaliteit van rust en ruimte; Versterking van de open structuur van weilanden en akkers doorsneden door lange rechte wegen met wegbeplantingen; Realisatie van een verdere landschappelijke aankleding door weg- en erfbeplantingen in een grootschalige structuur; Realisatie van een grofmazig landschappelijk raamwerk voor verschillende vormen van landbouw (intensieve veehouderij en glastuinbouw) met behoud van voldoende zichtlijnen in de vorm van open doorzichten; Behoud van karakteristieke lijnen, zoals het Afwateringskanaal, de Loonse Vaart, de Middenpeelweg, het Defensiekanaal, etc.
Ontwikkeling Ruimtelijk-Functioneel: Versterking van verschillende grondgebonden agrarische functies en verbrede landbouw op bestaande locaties; Versterking van de intensieve veehouderij en glastuinbouw in daarvoor aangeduide gebieden; Versterking van (kleinschalige) bedrijvigheid in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen; Binnen de landbouw een ruime toelating van lage, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen; Hoge, permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn goed mogelijk als de openheid maar zoveel mogelijk behouden blijft. Wat betreft het gebruik van een agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning is in de structuurvisie het volgende algemene beleidsuitgangspunt opgenomen:
Hoofdstuk 3
24
“Voormalige agrarische bedrijfswoningen mogen enkel bewoond worden door anderen dan agrariërs wanneer de nabijgelegen agrarische bedrijven daarvan geen nadeel ondervinden met betrekking tot hun huidige en toekomstige bedrijfsvoering en waar ter plaatse van die woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.” Daarnaast heeft de gemeente de volgende beleidsuitgangspunten geformuleerd over het toekennen van plattelandswoningen: Een plattelandswoning kan alleen worden toegekend aan bestaande gevallen. Hiervan is sprake als de bedrijfswoning vóór 1 juli 2013 kadastraal is afgesplitst van de bedrijfsgebouwen; De aanwijzing van een plattelandswoning mag niet leiden tot de aanvraag van een nieuwe bedrijfswoning; De plattelandswoning wordt (m.u.v. luchtkwaliteit) niet beschermd tegen de milieueffecten van het bijbehorende agrarische bedrijf; De bouwregels voor een agrarische bedrijfswoning blijven van toepassing op de plattelandswoning; Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd ten opzichte van omliggende bedrijven. Dit dient te worden gemotiveerd bij de aanvraag voor een plattelandswoning. Daarnaast dient de plattelandswoning te worden aangeduid in het bestemmingsplan, hiervoor is een bestemmingsplanwijziging benodigd.
Afweging De voorliggende ontwikkeling voorziet in de doorontwikkeling van een boomkwekerij op de voorliggende locatie. Hierbij worden de activiteiten die nu nog plaatsvinden op de bedrijfslocatie in de kern Baarlo verplaatst naar de voorliggende locatie in het buitengebied van Koningslust. Per saldo vindt hierbij geen uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten plaats. Op deze locatie worden nieuwe bedrijfsgebouwen en teeltondersteunende voorzieningen opgericht. Doordat wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe gebouwen en voorzieningen, wordt er geen negatieve invloed uitgeoefend op het landschap op het grootschalig open ontginningslandschap. De landschappelijke inpassing sluit aan op de bovengenoemde kenmerken van dit landschapstype. Vanuit functioneel opzicht is sprake van de uitbreiding van een grondgebonden agrarisch bedrijf (boomkwekerij) op een bestaande bedrijfslocatie. De beoogde teeltondersteunende voorzieningen zijn mogelijk binnen het grootschalig open ontginningslandschap. De hoge teeltondersteunende voorzieningen ten behoeve van de overkapte kersenteelt zullen tijdelijk in gebruik zijn (maximaal 6 maanden per jaar, waarbij de constructie wel permanent aanwezig mag zijn). Hiermee wordt de openheid van het landschap zoveel mogelijk behouden. Tevens worden deze voorzieningen landschappelijk ingepast.
De gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied 4 go’, die dient ter bescherming van het gebiedstype ‘grootschalige open ontginningslandschappen’ wordt in dit bestemmingsplan opgenomen overeenkomstig de geldende bestemmingsplannen. Wat betreft het aanwijzen van de bedrijfswoning als plattelandswoning wordt voldaan aan de beleidsuitgangspunten zoals geformuleerd in de structuurvisie. Er is sprake van een bestaande situatie, aangezien de woning 11 april 2007 (dus vóór 1 juli 2013) kadastraal is afgesplitst van het bedrijf. Daarnaast wordt in het voorliggende bestemmingsplan geen nieuwe bedrijfswoning mogelijk gemaakt en zijn de bouwregels voor de agrarische bedrijfswoning tevens van toepassing voor de plattelandswoning. De aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' is opgenomen op de woning,
Hoofdstuk 3
25
waarmee deze in het bestemmingsplan is aangewezen als plattelandswoning. De toetsing van de plattelandswoning aan de onderdelen luchtkwaliteit en het woon- en leefklimaat is opgenomen in hoofdstuk 4 van deze toelichting. Hieruit volgen geen belemmeringen. Samengevat is de voorgenomen ontwikkeling hiermee passend hiermee binnen de structuurvisie Buitengebied Peel en Maas. 3.3.2 Waardeoriëntatie en kaderstelling – Thema’s Ruimte en Economie Met deze kaderstelling vindt een herijking plaats van de programma’s van de thema’s ruimte en economie en de uitvoeringsafspraken, als uitwerking van de gemeentelijke programmabegroting. Bij het zoeken naar een effectieve relatie met de omgeving is zoveel mogelijk aangesloten bij de, via ‘expertgesprekken’, opgehaalde waardevolle bewegingen in de samenleving. Via enkele werksessies met de Raad is ook informatie opgehaald die een plaats heeft gekregen in de herijking van de kaderstelling Ruimte en Economie. Er is voor gekozen om beide programma’s te combineren in verband met de grote overlap in thema’s en belangen. In de waardenoriëntatie stelt de gemeenteraad een omslag te willen maken aan de hand van enkele waarden, die belangrijk zijn voor de gemeente Peel en Maas.
Hierbij worden onder andere de volgende waarden benoemd: van individueel naar samen, van omgevingskwantiteit naar omgevingskwaliteit, van consumeren naar beleven en van overheidssturing naar omgevingssturing. Binnen het Thema Ruimte zijn vervolgens een tweetal programma’s opgenomen, te weten ‘Vitale leefomgeving’ en ‘Beheer fysieke leefomgeving’ en voor deze programma’s zijn programmadoelen met uitvoeringsafspraken geformuleerd. Afweging In dit kader draagt het initiatief bij aan programmadoel 1 (Waarden en kwaliteiten) en programmadoel 3 (Bedrijvigheid in balans). Het initiatief voorziet in de concentratie van de bestaande bedrijfsactiviteiten van Boomkwekerij Fleuren van de locaties in Baarlo en Koningslust op de voorliggende locatie in Koningslust. Deze ontwikkeling vindt plaats met oog voor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving, die wordt behouden en versterkt middels een goede landschappelijke inpassing. Daarnaast voorziet het plan in de doorontwikkeling van een innovatief agrarisch bedrijf, hetgeen goed aansluit bij de geformuleerde waarden en de programmadoelen uit de kaderstelling. Het feit dat de gemeente ruimte biedt aan het initiatief tekent ook hun uitnodigende houding, die zij uitdragen in de waardenoriëntatie en kaderstelling.
3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit Het fuseren van de gemeente en het inwerkingtreden van de Wabo en het daarbij behorende vergunningvrij bouwen is mede aanleiding geweest voor de gemeente om nieuw welstandsbeleid op te stellen. Hiertoe is op 31 mei 2011 de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. Basisprincipe: welstandsvrij De gemeente stelt alleen eisen aan de uiterlijke kwaliteit van bouwwerken als dit ook echt nodig is. Hiermee wordt getracht de 'belasting' of eisen aan de klant zo gering mogelijk te houden waarbij wel
Hoofdstuk 3
26
het algemeen belang wordt gerespecteerd. Daarom wordt er uitgegaan van een basis van welstandsvrijheid. Bescherming: alleen in uitzonderingsgebieden De gemeente Peel en Maas staat voor zelfsturing en diversiteit. In bepaalde gebieden blijft sturing echter toch nodig. Sommige gebieden zijn beeldbepalend voor een gemeenschap. De gemeente wil voorkomen dat dit beeld wordt aangetast, dit is in het belang van de gehele gemeenschap. Daarnaast zijn er (nieuwbouw)plannen waarin een bepaalde sfeer, thema of kwaliteit wordt nagestreefd. Ook hierin is het niet gewenst om gehele vrijheid te geven. Om de directe omgeving te beschermen is het gewenst om sturing te geven aan bouwplannen die (grote) invloed hebben op de kwaliteit van de omgeving. Middels een beeldkwaliteitplan kan worden gestuurd op een gewenste uitstraling. In principe geldt het welstandsvrij beleid voor het gehele grondgebied van de gemeente, maar om bepaalde ruimtelijke en esthetische kwaliteiten beter te beschermen of waarborgen, worden er twee uitzonderingssituaties gemaakt. Deze gebieden zijn dus niet welstandsvrij. Het betreft de beeldbepalende dorpsgezichten en de in- en uitbreidingslocaties. Afweging Het plangebied is gelegen binnen welstandsvrij gebied. De nieuwe bedrijfsloodsen zullen qua bouwstijl en materialisatie zoveel mogelijk een eenheid vormen met de bestaande bedrijfsbebouwing.
Vanuit het aspect welstand zijn er hiermee geen belemmeringen. 3.3.4 Beleidsplan archeologie gemeente Peel en Maas In het archeologiebeleid geeft de gemeente een kader op basis waarvan in de toekomst archeologisch-inhoudelijk, maar ook economisch verantwoorde beslissingen kunnen worden genomen hoe om te gaan met het bodemarchief. De gemeente Peel en Maas stelt met dit beleidsplan vast: De archeologische waarden- en verwachtingenkaart; Ondergrenzen (uitgedrukt in oppervlakte en diepte) die duidelijk aangeven of een initiatiefnemer dan wel vergunningaanvrager verplicht is archeologisch vooronderzoek te laten verrichten; Archeologie als conditie op te nemen bij herzieningen van bestemmingsplannen; De archeologische beleidskaart. In bestemmingsplannen en bij omgevingsvergunningen dient de gemeente aan te geven welke archeologische waarden in het geding zijn en hoe daarmee omgegaan moet worden. Het archeologiebeleid levert de archeologische eisen op die gesteld kunnen worden bij de toekomstige afgifte van omgevingsvergunningen. Afweging In dit bestemmingsplan is rekening gehouden met het gemeentelijk archeologiebeleid. In paragraaf 4.5 wordt nader ingegaan op de archeologische waarden in het plangebied.
3.3.5 Evenementenvisie De evenementenvisie van de gemeente Peel en Maas kent twee centrale uitgangspunten: de drie doelstellingen en de hiervan afgeleide visie over samenwerking. De drie doelstellingen zijn vastgesteld in de visie en luiden als volgt:
Hoofdstuk 3
27
Door middel van het creëren van goede randvoorwaarden worden initiatiefnemers gestimuleerd om evenementen te organiseren die bijdragen aan de leefbaarheid in de gemeente. Door middel van het stimuleren van 'goede' evenementen wil de gemeente het imago van een levendige en diverse gemeente versterken, teneinde een aantrekkende werking te hebben op bezoekers van buiten de gemeente. Door middel van een werkbaar kader moeten de lasten voor de initiatiefnemers en gemeente zo beperkt mogelijk zijn, waarbij de harmonie met de overlast en veiligheid gegarandeerd blijft.
De evenementenvisie geeft aan waar evenementen plaatsvinden. Bestaande evenementenlocaties, zowel op pleinen als in bijvoorbeeld hallen, worden in de nieuwe bestemmingsplannen overgenomen ten behoeve van de koppeling met de evenementenvergunning. Afweging Het evenementenbeleid is begin 2012 vastgesteld en opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Het beleid biedt mogelijkheden om binnen het plangebied evenementen te organiseren. Die evenementen dienen ondergeschikt te zijn aan de agrarische bedrijfsfunctie ter plaatse en zijn maximaal drie keer per jaar toegestaan voor de duur van maximaal drie aaneengesloten dagen per evenement, inclusief op- en afbouw.
Hoofdstuk 3
28
4.
ONDERZOEKSASPECTEN 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende onderzoeks- en milieuaspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening. 4.1.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is door Aeres Milieu een historisch bodemonderzoek5 uitgevoerd. Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Voor een volledige weergave van het onderzoek wordt verwezen naar het onderzoeksrapport. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie in zijn geheel als ‘verdacht’ beschouwd op het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s), in verband met langdurig gebruik van de locatie als fruitteeltbedrijf. Daarnaast zijn er enkele ‘verdachte’ deellocaties aanwezig. Het betreft de stookplaats voor het verbranden van snoei- en rooihout, de (voormalige) opslaglocatie van bestrijdingsmiddelen en de voormalige bovengrondse tank met afleverpunt van 1.000 liter.
De mobiele opslaglocaties van dieselolie (bovengronds dubbelwandige tank van respectievelijk 900 liter (plastiek) en van 2.500 liter (staal)) zijn als onverdacht te beschouwen. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (onverdacht). Bij een bestemmingsplanwijziging, grondwerkzaamheden of aanvraag van een omgevingsvergunning kan een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 noodzakelijk zijn. Deze dient conform de strategie ‘VED-HE’ uitgevoerd te worden waarbij de bovengrond verdacht is op het voorkomen van OCB’s. Voor de verdachte deellocaties dient de strategie ‘VEP’ aangehouden te worden. Naar aanleiding van de bovenstaande resultaten van het historisch onderzoek heeft Aeres Milieu een verkennend bodemonderzoek6 uitgevoerd ter plaatse van het bouwvlak. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging behoudens de eerder vastgestelde verdachte deellocaties. Ter plaatse van de stookplaats zijn in de toplaag kooldeeltjes aangetroffen. Hieronder is net als onder de klinkerverharding een menggranulaat aanwezig.