De Rapportage houdbaarheid Wmo: Tijd voor stevige keuzes (oktober 2025)
Tekst van het document
• Probleem is vooral dat niet alle gemeenten altijd goed op de hoogte zijn van de mogelijkheden binnen de huidige wet- en regelgeving en rondom de contractduur bij aanbesteden. • Er is veel passende wet- en regelgeving beschikbaar die ingezet kan worden bij overname van personeel. Ondanks de bestaande en afdoende regelingen voor overname van personeel is het voor medewerkers zelf niet altijd aantrekkelijk om mee te gaan naar de nieuwe aanbieder. Aanbieders kunnen daarom niet garanderen dat de verbinding tussen medewerker en cliënt blijvend is. Financiële effecten Verwachte kosten en besparingen/ betaalbaarheid Ten aanzien van maatregel B: Het verder verbeteren van de ondersteuning van gemeenten bij de inkoop en aanbesteding in de Wmo 2015 door versterking van het Ketenbureau i-sociaal domein zal binnen de € 50 miljoen aan extra kosten blijven. In 2018 is er binnen het ministerie van VWS een apart programma inkoop en aanbesteden ingericht om gemeenten te ondersteunen bij de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Dit kostte gemiddeld zo’n € 5 miljoen per jaar (€ 1,5 mln personeelskosten en € 3,5 materiële kosten). Na beëindiging van dit programma in 2021 heeft het Ketenbureau i-sociaal domein de ondersteuning van gemeenten bij inkoop en aanbesteden in het sociaal domein overgenomen. Dit kost jaarlijks tussen de € 1 á € 2 miljoen per jaar.
Personele effecten Vraag, aanbod en productiviteit • Het verder voorlichten en ondersteunen van gemeenten bij het gebruik van passende instrumenten voor de inkoop en contracteren heeft relatief weinig effect op de zorgvraag en het benodigd personeel in de uitvoering van de ondersteuning. • Gemeenten kunnen wel een klein beetje besparen op de benodigde capaciteit als er minder gewisseld wordt bij de inkoopinstrumenten en meer contracten worden afgesloten met een lange looptijd. • Aanbieders hebben bij contracten met een lange looptijd minder ondersteunend personeel nodig voor het contracteren met gemeenten. Maatschappelijke effecten Toegankelijkheid en kwaliteit van zorg en ondersteuning • Als gemeenten de looptijd van contracten verlengen is er een grotere kans dat een cliënt dezelfde hulpverlener/professional blijft behouden. • Door meer continuïteit in de uitvoering nemen ook de administratieve lasten in de uitvoering af, waardoor de maatschappelijke houdbaarheid van de Wmo 2015 wordt vergroot. • Door langdurige contracten aan te gaan kunnen gemeenten en aanbieders een duurzame samen werkings- relatie aangaan en in gezamenlijkheid werken aan de kwaliteit en doelmatigheid van de geleverde zorg.
150 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Uitvoerbaarheid Juridische aspecten • Het verder versterken van de informatievoorziening, voorlichting en ondersteuning van gemeenten heeft géén juridische consequenties. • Hierboven worden ook enkele opties beschreven die elk één of meer andere beleidsmaatregelen bevatten. In de beschrijving wordt ook kort ingegaan op de juridische gevolgen. Daartoe is een globale analyse verricht. Bij de verdere uitwerking van eventueel te selecteren beleidsopties zal altijd ook de juridische dimensie moeten worden verdiept. • Ten aanzien van een eventuele herziening van de Europese aanbestedingsrichtlijn 2014/24/EU en/of de Aanbestedingswet 2012 zijn er geen garanties af te geven. Dit is sterk afhankelijk van de medewerking van de Europese Commissie alsook van het ministerie van EZK. Uitvoerbaarheid • Indien gemeenten goed ondersteund worden bij het maken van keuzes voor de meest passende inkoopinstrumenten en uitvoeringsvarianten kan dit een positief effect hebben op de continuïteit van de uitvoeringspraktijk van de Wmo 2015 in de gemeente. Elk inkoopinstrument en elke uitvoerings- variant heeft effect op de mate waarin een gemeente kan sturen op de uitvoering van de Wmo 2015. Belangrijk is vooral dat er niet te veel wijzigingen in de uitvoering plaatsvinden door te wisselen van instrument, uitvoeringsvariant en inhoud van het contract.
Continuïteit in het beleidsproces is randvoorwaardelijk en het verbeteren van het contractmanagement is daarbij essentieel. • Indien gemeenten wettelijk verplicht worden om gebruik te maken van bepaalde (onderdelen van) beschikbare instrumenten of van een minimale looptijd van contracten wordt de beleidsruimte van gemeenten verder ingeperkt. Dit kan gemeenten mogelijk wel beter aan het stuur zetten. • Tevens is het belangrijk rekening te houden met de impact op de gemeentelijke uitvoering in de implementatiefase. Op basis van ervaringen uit eerdere aanpassing blijkt dat het voor gemeenten (forse) implementatietijd en capaciteit kost en ook de nodige doorlooptijd vraagt. Aandachtspunten en alternatieven Er wordt, naast het voorstel om gemeenten beter te informeren en te ondersteunen bij inkoop en contractmanagement, door het ministerie van VWS geprobeerd om waar mogelijk algemene wet- en regelgeving rondom subsidie, inkoop en aanbesteding aan te passen en verder te verduidelijken. De vraag is in hoeverre dit nodig is, omdat met de beschikbare instrumenten al veel mogelijk is om de continuïteit van de uitvoering van de Wmo 2015 te vergroten. Enkele alternatieven: • Het (verplicht) toepassen van populatiebekostiging bij het contracteren in de verschillende zorgwetten die de samenwerking tussen gemeenten en zorgaanbieders en zorgverzekeraars verbeteren.
• Het in wet- en regelgeving vastleggen dat alleen aanbieders mogen worden gecontracteerd die bijvoorbeeld ook diensten leveren in het kader van de Zvw en de Wlz, waardoor cliënten meer garantie hebben op continuïteit van de professional indien er zich verschuivingen voordoen in de ondersteuning tussen de stelsels en minder last hebben van de schotten en complexiteit. • Het opstellen van strengere toelatingscriteria voor nieuwe aanbieders voor basiszorg (eerstelijnszorg, Wlz en Wmo 2015). • Maatregelen voor het voorkomen van monopolisten op een bepaalde markt van dienstverlening. 151 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 23 Wmo-toezicht en handhaving Voorkomen is beter dan genezen Beleidsoptie nummer: 23 Maatregel in het kort: Deze maatregel verkent mogelijkheden om het toezichts- en handhavings- instrumentarium in de Wmo 2015 te versterken. Hiermee kunnen gemeenten en toezichthouders in staat worden gesteld om het toezicht verder te professionaliseren en in staat worden gesteld om handhavend op te treden tegen frauderende (zorg)aanbieders. Omschrijving van de maatregel Sinds de invoering van de Wmo 2015 zijn gemeenten breed verantwoordelijk voor het bieden van passende ondersteuning aan hun inwoners. Deze taak omvat zowel het organiseren van de ondersteuning (inkoop) als het toezicht houden op de kwaliteit en rechtmatigheid ervan.
Hoewel kwaliteits- en rechtmatigheidstoezicht nauw met elkaar samenhangen, richten zij zich op verschillende kernaspecten van het gemeentelijk handelen en vereisen zij ieder een eigen benadering. Ten aanzien van de Wmo 2015 hebben gemeenten beleidsruimte om het toezicht af te stemmen op de lokale situatie. De enige verplichting is het inrichten van een meldpunt voor calamiteiten. Onder andere de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft de afgelopen jaren geconstateerd dat deze vrijheid heeft geleid tot veel (onwenselijke) verschillen in de kwaliteit van het Wmo-toezicht tussen gemeenten. Waar de ene gemeente het toezicht goed heeft georganiseerd, ontbreekt het andere gemeenten aan voldoende inzicht in wat zij mogen- en kunnen doen. Om het Wmo-toezicht te verstevigen en te professionaliseren wordt momenteel een stimuleringsprogramma ontwikkeld en een wetswijzigingstraject voorbereid. Met dit verbetertraject is aandacht voor de inrichting van adequaat toezicht, een versteviging van het onafhankelijk functioneren van de Wmo-toezichthouder, transparantie van het Wmo-toezicht en de samenwerking tussen gemeenten bij het organiseren van het Wmo-toezicht. Deze verbetermaatregelen zijn met name gericht om het Wmo-toezicht op kwaliteit te verbeteren.
Gemeenten geven aan behoefte te hebben aan meer wettelijke instrumenten om (zorg)fraude en oneigenlijk gebruik in de Wmo 2015 effectief en efficiënt te kunnen bestrijden. De ontstane verwevenheid tussen zorg en criminele en ondermijnende activiteiten vergroten hiervoor de urgentie. Hoewel gemeenten veel beleidsruimte hebben om zelf bij verordening regels te maken, merken zij dat frauderende aanbieders zich van de ene naar de andere gemeente verplaatsen waardoor het soms lastig is om zorgaanbieders aan de voorkant te weren. Gemeenten lopen er tegenaan dat frauderende aanbieders zonder problemen in een ander deel van het land of onder een andere naam weer een gerelateerd bedrijf kunnen starten. Deze beleidsoptie brengt in beeld welke instrumenten overwogen kunnen worden om het toezicht op de naleving en controle op de rechtmatigheid met betrekking tot de Wmo 2015 te versterken. Deze maatregelen zijn weergegeven in tabel 1 en opgedeeld in twee categorieën: A. Aanvullende (drempel)voorwaarden voor aanbieders die ondersteuning bieden op grond van de Wmo 2015 zodat gemeenten vooraf beter geselecteerd kunnen inkopen. B. Het uitbreiden van bevoegdheden van het college om handhavend op te kunnen treden. Disclaimer: het is belangrijk om te realiseren dat nog goed onderzocht moet worden wat de implicaties van deze maatregelen zijn en of ze proportioneel zijn.
Sommige maatregelen zijn licht maar hebben een groot effect; sommige 152 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 maatregelen zijn mogelijk heel zwaar maar sorteren weinig effect. Daarnaast moet per maatregel bekeken worden of ze ook voor het persoonsgebonden budget moeten gelden. Tabel 1. Maatregelen ten behoeve van het versterken van het Wmo-toezicht Maatregel Invloed op decentrale stelsel Aard maatregel A. Aanvullende drempelvoorwaarden voor aanbieders Verkennen of het wenselijk is dat naast personen die beroepsmatig in contact komen met cliënten ook andere personen die werkzaam zijn voor een aanbieder, beschikken over een relevante VOG. Minimaal. Veel gemeenten vragen nu ook al om een VOG. Niet ingrijpend Verkennen of de VOG voor personen die beroepsmatig in contact komen met cliënten, moet worden verstrekt op andere relevante screeningsprofielen, hetgeen dus breder is dan alleen gezondheidszorg en welzijn. Minimaal Niet ingrijpend Verkennen of werken met een continue screening, vergelijkbaar met de werkwijze bij kinderopvang, wenselijk is. Minimaal Ingrijpend voor aanbieders en medewerkers Uitbreiden Wmo 2015 om het openbaarstellen van jaarverantwoordingen te verplichten voor aanbieders van maatschappelijke ondersteuning. Minimaal Verhoging van administratieve lasten voor aanbieders.
Verkennen of, gemodelleerd naar de Wibz,161 winstuitkering gereguleerd kan worden voor aanbieders van maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Minimaal Ingrijpend voor aanbieders B. Bevorderen bevoegdheden college Borging van onafhankelijke uitvoering van toezicht en controle. Extra verplichting gemeenten. Openbaarmaking van toezichts- en controlerapporten door gemeenten. Extra verplichting voor gemeenten. Verhoging administratieve lasten voor gemeenten Gemeenten in hun lokale beleidsplan laten vastleggen hoe toezicht en controle worden uitgevoerd, welke vormen daarvan worden toegepast en wat overwegingen hierbij zijn. Extra verplichting gemeenten. Niet ingrijpend Gemeenten in hun beleidsplan laten meenemen hoe passende (bovengemeentelijke) samenwerking is vormgegeven. Extra verplichting gemeenten. Niet ingrijpend Onderzoeken of gemeenten wettelijke instrumenten geboden kan worden om onrechtmatigheden en fraude aan te pakken. Extra bevoegdheid gemeenten Nader onderzoeken Aanpassen van artikel 67 lid 2 onder b van de Algemene wet inzake rijksbelasting en artikel 43c lid 1 onder j van de uitvoeringsregeling AWR. Extra bevoegdheid gemeenten Nader onderzoeken Onderzoeken of de Wet op economische delicten drempelverhogend is om zorgfraude te plegen indien deze ook geldt voor de Wmo 2015.
Nader onderzoeken Nader onderzoeken Met verzamelwet IIB dubbele opzet laten verdwijnen door artikel 2.4.1. lid 1 Wmo te wijzigen. Geen Niet van toepassing Overweeg een grondslag om gemeenten informatie vanuit het IKZ162 buiten het IKZ te delen. Extra bevoegdheid gemeenten Niet ingrijpend Opname van het college in het Besluit register onderwijsdeelnemers. Extra bevoegdheid gemeenten Niet ingrijpend Een authorisatiebesluit op grond van de Wet basisregistratie personen ten behoeve van de toezichthouder. Extra bevoegdheid gemeenten Niet ingrijpend Onderzoeken of het mogelijk is om artikel 5.1.5. van de Wmo 2015 uit te breiden zodat bijzondere persoonsgegevens in het kader van het uitoefenen van het toezicht van de Wmo 2015 gebruikt kunnen worden. Extra bevoegdheid gemeenten Wellicht niet proportioneel. Dit goed onderzoeken. 161 Wibz Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders. 162 IKZ Informatie Knooppunt Zorgfraude. 153 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten De afgelopen jaren is gebleken dat het effectief toezicht op de naleving van de Wmo 2015 en controle op de rechtmatige uitvoering van de Wmo 2015, waaronder het bestrijden van fraude, niet optimaal uitgevoerd wordt.
De effectiviteit zou verbeterd kunnen worden door te voorkomen dat mensen met verkeerde intenties de mogelijkheid hebben om een (zorg)bedrijf te starten. Door het toetreden tot de levering van ondersteuning zo strak mogelijk in te richten, wordt voorkomen dat niet-integere aanbieders kunnen toetreden tot de markt. Bij de maatregelen omschreven in deze beleidsoptie, ligt daarom de focus aan de voorkant. Het voornaamste doel is om te voorkomen dat kwetsbare inwoners slechte ondersteuning krijgen. Daarnaast bespaart het kosten wanneer middelen enkel besteed worden aan goede ondersteuning. Financiële effecten Verwachte kosten en besparingen/ betaalbaarheid Deze maatregel moet verder worden uitgewerkt om een inschatting te geven van de financiële effecten. Wel biedt een aantal maatregelen de mogelijkheid om een strakker toezichts- en handhavingsregime op regionaal of lokaal niveau te hanteren, waarmee “eenvoudiger” frauduleuze aanbieders kunnen worden opgespoord en publiek geld kan worden “teruggehaald”. Personele effecten Vraag, aanbod en productiviteit Dit is nog niet inzichtelijk en afhankelijk van de (combinatie van) maatregelen die genomen worden.
Maatschappelijke effecten Toegankelijkheid en kwaliteit van zorg en ondersteuning Door het Wmo-toezicht aan de voorkant (bij inkoop en contractering) steviger in te richten, lopen kwetsbare inwoners minder risico dat zij dienstverlening krijgen van niet-integere aanbieders. Uitvoerbaarheid Juridische aspecten Voor de meeste van de in tabel 1 genoemde maatregelen is een wetswijzing nodig en/of aanpassing van de daarop gebaseerde regels en besluiten. Ook wijzigingen van gemeentelijke verordeningen en lokaal beleid kunnen aan de orde zijn. Uitvoerbaarheid Niet van toepassing/ zie aandachtspunten. Aandachtspunten en alternatieven Gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor het uitoefenen van het toezicht op de kwaliteit en naleving van de Wmo 2015 en de controle op de rechtmatige uitvoering van de Wmo 2015. Bovenstaande maatregelen beogen gemeenten meer landelijke kaders te geven om goed toezicht te kunnen houden op de rechtmatige besteding van de middelen. Alternatief zou zijn om (in plaats van het bieden van landelijke kaders) in te zetten op kennis en regionale samenwerking tussen gemeenten. Gevaar hierbij is wel dat niet-integer aanbieders dan alsnog op zoek gaan naar regio’s in het land waar het Wmo-toezicht minder strak is 154 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 georganiseerd en ingericht.
Daarnaast blijft het noodzakelijk om het spanningsveld tussen het voorkomen van fraude en administratieve lastenverlichting consequent in het vizier te houden. 155 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 24 Investeren in preventie Beleidsoptie nummer: 24 Maatregel in het kort: Deze verkenning schetst vooral de onmogelijkheden om door verschillende zorgfinanciers in gelijke mate te investeren in preventieve maatregelen. Sommige wensen en investeringen worden juridisch uitgesloten. De beleidsoptie agendeert zodoende ook de vraag of het reëel is dat de individuele financiers risico-dragend moeten zijn in het kader van preventie. Zou de Rijksoverheid zelf hier niet veel meer een rol moeten spelen? Omschrijving van de maatregel De houdbaarheid van de Wmo 2015 en de houdbaarheid van het gehele zorgstelsel zijn onmogelijk los van elkaar te zien. Het versterken van de mogelijkheden tot domeinoverstijgende samenwerking en invensteringen komt zowel de houdbaarheid van de Wmo 2015 als het gehele zorgstelsel ten goede. Het gaat dan met name om maatregelen die een gezamenlijk zorgaanbod en preventieaanbod helpen creëren. Dit helpt bij het tegengaan van het ‘wrong pocket-probleem’ in relatie tot preventie, en het oneigenlijk of onnodig ‘schuiven’ met casussen tussen de zorgwetten Zvw, Wlz en Wmo 2015.
Een veel gehoorde wens is bijvoorbeeld dat zorgverzekeraars direct investeren in preventieve maatregelen in het sociaal domein. “Voor zorgverzekeraars zijn er geen wettelijke beperkingen om te investeren in een ander domein en zorgverzekeraars kunnen dan ook op dit moment al een financiële bijdrage leveren aan domein-overstijgende samenwerking en preventie. Wel is het zo dat zorgverzekeraars dit geheel uit eigen middelen moeten financieren als het gaat om investeringen die niet vallen onder het verzekerde basispakket voor de zorgverzekering. Deze investeringen kunnen niet worden aangemerkt als schadelast in de zin van de Zvw en verzekeraars ontvangen hiervoor dus geen compensatie uit het Zorgverzekeringsfonds in de vorm van een vereveningsbijdrage. Zorgverzekeraars zullen daarom een zorgvuldige afweging met een kosten- en batenanalyse maken, voordat zij besluiten om te investeren in een ander domein. Hiermee hebben zorgverzekeraars, anders dan zorgkantoren, de mogelijkheid om de zorgvraag enigszins te beïnvloeden.” In opgeknipte domeinen, met elk eigen regimes en spelregels, blijkt het dus complex te zijn om te investeren in preventie (elk op eigen domein). Preventie komt zodoende niet vanzelf op gang en dient) geïnitieerd te worden vanuit verschillende wettelijke kaders en stelsels.
Het verdient daarom de aanbeveling dat het Rijk zelf (grotendeels) de verantwoordelijkheid neemt om de wrong-pocket problematiek en risico’s te mitigeren. Dit zou kunnen door goed in kaart te brengen op welke gebieden de overheid wrong-pocket problematiek verwacht en specifiek te maken hoe dat gecorrigeerd kan worden door overheidsingrijpen. Consistent beleid vanuit de Rijksoverheid ten aanzien van preventie en structurele financiering daarvan – in plaats van kortlopende akkoorden – draagt ook bij de bereidheid om te investeren in preventie. Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten Bij verschillende samenwerkingsverbanden geven partijen (gemeenten, sociaalwerkorganisaties, zorgverzekeraars en zorgaanbieders) aan dat gezamenlijke investeringen in projecten op het gebied van preventie (en in het bijzonder op het grensvlak van het medisch en sociaal domein), achterblijven bij de maatschappelijke behoeften- en verwachtingen. De verwachtingen van (collectieve) preventie op het snijvlak van het medisch en het sociaal domein zijn groot; het levert (vanuit macroperspectief ) niet alleen financiële besparingen op, maar draagt ook bij aan een gezondere, gelijkere en veerkrachtigere samenleving.
156 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Aan het achterblijven van gewenste investeringen liggen verschillende oorzaken ten grondslag die elkaar deels overlappen, waaronder: A. Het gebrek aan coördinatie tussen partijen. Dit staat gelijkgerichtheid en het opschalen van investeringen in de weg. B. Wrong pocket problematiek: de baten van investeringen komen bij andere partijen dan de investeerder terecht en meeliftgedrag loont, waarbij actoren profiteren van baten zonder bij te dragen aan de kosten of inspanningen. Voor sommige investeringen in (collectieve) preventie geldt dat deze vanuit het maatschappelijke perspectief tot een positieve business case kunnen leiden, maar dat deze door wrong pocket problematiek of meeliftgedrag niet door marktpartijen of publieke actoren gerealiseerd worden. De versnippering van het rendement biedt dan onvoldoende financiële prikkels om te investeren in preventie, zelfs wanneer de (maatschappelijke) baten (in potentie) groter zijn dan de (maatschappelijke) kosten. Drie elementen komen hierbij veelal terug: I. De baten van een investering in het ene domein vallen vaak in andere domeinen. II. De baten landen niet (gelijkmatig) bij alle actoren in een domein. Bijvoorbeeld niet bij zorg- verzekeraars, maar bij verzekerden (en werkgevers vanwege het loongerelateerde deel van de premie).
Bijvoorbeeld niet bij alle zorgverzekeraars, maar vooral bij zorgverzekeraars die een groot marktaandeel hebben in een bepaalde regio. III. De baten komen ook terecht bij zorgverzekeraars die niet meedelen in de kosten. Zorgverzekeraars die besluiten eigen middelen te investeren in collectieve preventie 163 zullen dit in de regel doen vanuit eigen (beleidsmatige) overwegingen. De landelijke risicoverevening, die succesvol zorgt voor een gelijk speelveld tussen verzekeraars voor wat betreft de medische risico’s van hun verzekerden, stimuleert zorgverzekeraars niet (extra) om mensen gezond te houden door middel van collectieve preventie. IV. Kosten worden direct gemaakt terwijl baten pas op de lange termijn zichtbaar zijn. C. Het is lastig om langdurig commitment af te geven: succesvolle (collectieve) preventie vraagt langdurige en brede inzet van meerdere partijen en heeft vaak kleine effecten op grote groepen mensen. Het is daarmee lastig om aan te tonen dat kostenbesparingen en kwaliteitsverbeteringen maatschappelijk behaald kunnen worden en bovendien resulteren in voordelen voor investeerders, zeker op korte termijn. Voor een succesvolle aanpak is intensieve, structurele samenwerking van meerdere financiers en uitvoeringspartijen noodzakelijk. Deze moeten bereid zijn om een langjarig ‘commitment’ af te geven, inclusief meerjarige investeringsgaranties.
Daarin biedt de huidige situatie weinig ondersteunende prikkels. Gemeenten hebben te maken met wisselende bestuurders, schaarse budgetten en problemen die maatschappelijk meer prioriteit hebben. D. Het gebrek aan een duidelijke probleemeigenaar: er is niet één duidelijke eigenaar die verantwoordelijk is voor het (maatschappelijke) probleem waarbij geïnvesteerd moet worden in gezondheid en vitaliteit van de bevolking. Dit is onder andere noodzakelijk om de vraag naar zorg- en welzijnsdiensten te beperken, zodat deze diensten toegankelijk, kwalitatief hoogwaardig en betaalbaar blijven. Collectieve en individuele preventie vallen vaak niet exclusief onder één sector of één domein, maar vragen om een integrale aanpak. Bijvoorbeeld een combinatie tussen gezondheidsbevordering, gedragsverandering en een verbetering van de leefomstandigheden. Daarnaast wordt (collectieve) preventie vaak (nog) niet structureel gefinancierd. Gemeenten werken met gemeentelijke budgetten, die concurreren met andere beleidsprioriteiten. Een zorgverzekeraar is bovendien landelijk georganiseerd (tien zorgverzekeraars) en gemeenten zijn lokaal georiënteerd (342 gemeenten). Gemeenten hebben te maken met lokale verantwoording en politiek, terwijl er tegelijkertijd ook verwacht wordt dat er regionaal wordt samengewerkt.
Hier zit een spanningsveld, zeker wanneer rendementen pas over langere termijn zichtbaar zijn en baten ten gunste van andere partijen dan de investeerder vallen (zie eerste punt). De verschillende uitgangspunten, verantwoordingsdruk en financieringsstromen maken het lastig 163 Individuele preventie, dat wil zeggen geïndiceerde en zorggerelateerde preventie, kan onder de dekking van de zorgverzekering vallen. Collectieve preventie, waaronder hier wordt verstaan universele en selectieve preventie, valt niet onder de dekking van de zorgverzekering. 157 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 om samen te werken. Zeker op het grensvlak van beide systemen, waar niet precies helder is wie welke verantwoordelijkheid heeft, hoeveel inzet precies vereist is, en financiële danwel wettelijke prikkels om wel verantwoordelijkheid te nemen ontbreken. De drempel voor gemeenten om te investeren in preventie wordt bovendien verhoogd door wisselend Rijksbeleid. In de afgelopen jaren is er gekozen voor kortdurende akkoorden zonder structurele middelen in plaats van het beschikbaar stellen van structurele budgetten. Financiële effecten Verwachte kosten en besparingen/ betaalbaarheid’ Voor het in beeld brengen van de financiële effecten is het eerst noodzakelijk dat de interventies in beeld worden gebracht en wordt vastgesteld waar het rendement van de interventies neerslaat.
Dit dient verder uitgewerkt te worden. Personele effecten Vraag, aanbod en productiviteit Niet van toepassing. Maatschappelijke effecten Toegankelijkheid en kwaliteit van zorg en ondersteuning Niet van toepasing. Uitvoerbaarheid Juridische aspecten Niet van toepassing. Uitvoerbaarheid Niet van toepassing. Aandachtspunten en alternatieven Vanuit het oogpunt van financiële beheersbaarheid moet preventie renderen en in zekere mate evidence based zijn; daarvan zijn goede voorbeelden (bijvoorbeeld valpreventie). Ook bij valpreventie zijn issues met bovenstaand geschetste punten, bijvoorbeeld dat er in uitvoering niet altijd duidelijk is wie regie heeft of kan doorzetten als het moeilijk is. Hoewel er een diep geworteld geloof is in de meerwaarde van preventie blijkt het moeilijk binnen de huidige systemen hier gezamenlijk in op te trekken en dit gezamenlijk te financieren. Het is aan te bevelen om hier vanuit het Rijk meer verantwoordelijkheid in te nemen en te onderzoeken hoe het Rijk haar stelselverantwoordelijkheid kan invullen door meer investeringen in preventie mogelijk te maken (in samenwerking met het veld), zonder de financieringsverantwoordelijkheid bij zorgverzekeraars of gemeenten te beleggen.
158 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 25 Onafhankelijke indicatiestelling in de Wmo 2015 Het introduceren van een onafhankelijke indicatieorgaan zoals het CIZ Beleidsoptie nummer: 25 Maatregel in het kort: In deze verkenning wordt geschetst welke mogelijkheden er zijn om een onafhankelijk indicatieorgaan te introduceren in de Wmo 2015. Hoewel dit mogelijk zou kunnen bijdragen aan de maatschappelijke houdbaarheid zijn er op juridisch en staatsrechtelijk vlak zwaarwegende bezwaren. De maatregel wordt daarom ontraden. Omschrijving van de maatregel Sommige inwoners ervaren problemen bij de indicatiestelling. We benoemen twee soorten: • Gezien het decentrale karakter van de Wmo 2015, hanteren gemeenten verschillende manieren om tot een indicatie te komen. Dit zorgt ervoor dat iemand in de ene gemeente wel in aanmerking komt voor een voorziening en in een andere gemeente niet. Deze verschillen worden als onrechtvaardig ervaren. • Inwoners komen niet naar de gemeente om een beroep op de Wmo 2015 te doen, maar omdat ze een zorg- en ondersteuningsvraag hebben. De bestaande schotten tussen wetten (Zvw, Wlz, Wmo 2015) en de verschillende loketten om dat te regelen maken het organiseren van hulp voor inwoners complex.
Bij de indicatiestelling vanuit verschillende kaders wordt er geen rekening gehouden met het deel van de zorg- en ondersteuningsvraag die buiten het eigen wettelijke kader valt. Vanuit juridisch perspectief is in de hierboven onder het eerste punt beschreven situatie de verhouding van het gedecentraliseerde stelsel tot het gelijkheids- en het rechtszekerheidsbeginsel relevant. In algemene zin is een kenmerk van een gedecentraliseerd stelsel als de Wmo 2015 dat er verschillen bestaan tussen gemeenten, hetgeen niet direct tot de conclusie leidt dat om die reden sprake is van een strijdigheid met genoemde beginselen. Als gemeenten hun besluitvorming omtrent het verstrekken van maatwerkvoorzieningen onvoldoende goed uitvoeren, kan dat zorgen voor rechterlijke procedures. Maatregel In deze beleidsoptie wordt een concreet voorstel gedaan dat zowel is gericht op het wegnemen van de procedurele verschillen (één proces van indicatiestelling), als op het wegnemen van de verschillen in de voorzieningen (landelijke kaders die bepalen welke ondersteuning geleverd moet worden). Het voorstel om dit te realiseren is een landelijk indicatiestellend orgaan.
Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten Het introduceren van een (landelijk) onafhankelijk orgaan (hierna: orgaan) dat een indicatiestelling verricht in plaats van het beleggen van deze bevoegdheid bij individuele gemeenten (status quo). Wanneer een onafhankelijk orgaan wordt geïntroduceerd zijn er een tweetal keuzeopties: 1. Onafhankelijk extern orgaan dat de indicatie verstrekt, individuele gemeente verstrekt op basis van deze indicatie voorzieningen. De bevoegdheid van de gemeenten wordt hiermee in beginsel ingeperkt door de indicatie. 159 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 2. Onafhankelijk extern orgaan indiceert en verstrekt de benodigde voorzieningen. In deze optie wordt de bevoegdheid om voorzieningen te verstrekken gecentraliseerd en volledig weggehaald bij gemeenten. In tabel 1 staan de aandachtspunten per optie omschreven. Hierbij is ook van belang wat onder een indicatie wordt verstaan. Hierin zijn diverse opties denkbaar, namelijk de indicatie zegt dat iemand in aanmerking komt voor ondersteuning vanuit de Wmo 2015 of de indicatie waarin het orgaan ook aangeeft voor welk type ondersteuning de indicatie geldt. De laatste variant is gelijk aan de indicaties die op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) verstrekt worden door het CIZ. Gevolg hiervan is dat als de behoefte aan ondersteuning verandert, het orgaan moet herindiceren.
Risico hiervan is dat er bij het indicatieorgaan sprake is van overbelasting waardoor noodzakelijke ondersteuning te laat op gang komt. Gevolg van beide opties is dat er sprake is van een algemeen kader hetgeen naar alle waarschijnlijkheid zal bijdragen aan uniformiteit. Beide opties bieden rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor burgers. Beide opties beperken in grote mate de beleidsruimte van gemeenten hetgeen op gespannen voet staat met het uitgangspunt van decentralisatie. Gemeenten worden in essentie een uitvoeringskantoor van het Rijk. Gemeenten verliezen mogelijkheden om lokaal maatwerk te leveren (variant 2) en te sturen op wie in aanmerking komt voor een voorziening (variant 1 en 2). Dit terwijl gemeenten wel risicodragend blijven voor de kosten. De handelwijze is afgeleid van de indicatiestelling door het CIZ in de Wet langdurige zorg (Wlz). Hierbij dient opgemerkt te worden dat het regelmatig is voorgekomen dat het CIZ door verschillende omstandigheden achterstanden had met als gevolg lange wachttijden voor indicatiestelling en daardoor het onthouden van zorg aan verzekerden. Het voordeel van de uitvoering door gemeenten is dat de handelswijze lokaal blijft.
Ook betreft het aantal aanvragers relatief kleine aantallen waardoor individuele gemeenten sneller kunnen anticiperen op (onverwachte) omstandigheden met als gevolg een continuering van het verstrekken van voorzieningen. 160 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Tabel 1 Aandachtpunten per optie Aandachtspunten specifiek voor optie 1 Aandachtspunten specifiek voor optie 2 Het is denkbaar dat het toegangsproces in stukjes wordt opgeknipt. Hierbij wordt het in kaart brengen van het probleem in de zelfredzaamheid en/of participatie, het wegen van de eigen kracht en de mogelijkheden van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel het gebruik van algemene voorzieningen losgeknipt. Het in kaart brengen van de ondersteuningsvraag wordt dan gedaan door het orgaan en het wegen wordt dan gedaan door de gemeente, waarna de gemeente een maatwerkvoorziening al dan niet toekent. Het is onwaarschijnlijk dat dit scenario de door sommige cliënten ervaren problemen oplost. Ze zijn immers nog steeds op de gemeente aangewezen voor de weging en voor de toekenning in wat ze krijgen. Optie 2 heeft als voordeel dat het tegemoet komt aan de wens om verschillen tussen gemeenten te elimineren.
Het is daarbij denkbaar dat er schaalvoordelen optreden als gevolg van het landelijk organiseren van de indicatiestelling. Dit is echter niet onderzocht en zou onderbouwd moeten worden zodat er een inschatting is vanaf welke orde van grootte die optreden. Ook is het in de uitvoerbaarheid een hele kluif om cliënten op deze manier “door te schuiven”. Dit zal leiden tot grote efficiëntienadelen en extra personele uitvoeringslast (als gevolg van de noodzaak om twee gesprekken te voeren, tijd voor overdracht, etc.). Deze optie, waarbij ook de toekenning van maatwerkvoorzieningen bij een andere actor dan de gemeente zelf komt te liggen, roept fundamentele vraagstukken op met betrekking tot de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Rijk, het orgaan en de gemeenten. Het orgaan kan dan “met de portemonnee van de gemeente” gaan indiceren en verstrekken, wat discussie zal oproepen tussen gemeente en het orgaan in gevallen dat dit leidt tot hoge kosten (op het totaal of zelfs in individuele gevallen). Het is de vraag wat de gemeentelijke bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de Wmo 2015 nog betekent als dit de manier is waarop het stelsel georganiseerd wordt. Op het eerste oog lijkt dit niet wenselijk, aangezien het orgaan niet financieel risicodragend is en daarmee geen prikkel heeft tot doelmatigheid.
Deze optie doorbreekt daarmee het gedecentraliseerde karakter van de Wmo 2015 fundamenteel. Ook is denkbaar dat het toegangsproces wordt opgeknipt tussen het in kaart brengen en het wegen enerzijds en het toekennen van een maatwerkvoorziening anderzijds. Het voordeel van deze situatie is dat een orgaan ook de weging doet, wat deels tegemoetkomt aan het door sommige inwoners ervaren probleem. Maar het belangrijkste ervaren probleem, dat de gemeente een eigen toekennings- en voorzieningenbeleid voert, wordt niet weggenomen. Bovendien is dit ook in de uitvoering gecompliceerd. Daarnaast doorkruist deze werkwijze de manier waarop nu lokaal door de gemeente substitutieve voorzieningen kunnen worden gecreëerd, zoals laagdrempelige algemene voorzieningen, omdat de kennis over het gebruik van en de behoefte aan ondersteuningsvoorzieningen niet meer bij gemeenten belegd zijn. Deze tweede variant van optie 1 doorkruist de bestaande werkwijze, waarbij gemeenten hun best doen om substitutieve algemene voorzieningen te creëren. Dit kan een kostenopdrijvend effect hebben. Ook is het bij deze optie voor het orgaan praktisch ondoenlijk om alle formele en informele voorzieningen in alle wijken/gemeenten van Nederland (of een landsdeel) te kunnen overzien (en een geactualiseerd overzicht in stand te houden) en op passendheid voor de cliëntsituatie te kunnen toetsen.
Dit heeft naar verwachting een kostenopdrijvend effect, hetgeen een negatief effect heeft op de financiële houdbaarheid. Een ander nadeel bij optie 2 is dat een ondersteuningsaanbod niet meer integraal kan worden geleverd met de andere gemeentelijke verantwoordelijkheden (zoals rondom huisvesting, werk en inkomen en jeugdhulp). 161 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Financiële effecten Verwachte kosten en besparingen/ betaalbaarheid De beschreven opties hebben waarschijnlijk een kostenopdrijvend effect. Personele effecten Vraag, aanbod en productiviteit Geen, de vraag naar ondersteuning blijft in principe gelijk. Maatschappelijke effecten Toegankelijkheid en kwaliteit van zorg en ondersteuning Deze wordt meer generiek. Uitvoerbaarheid Juridische aspecten De opties vragen een (fundamentele) wetswijziging. Uitvoerbaarheid De opties worden beoordeeld als vrijwel onuitvoerbaar. Aandachtspunten en alternatieven Niet van toepassing. 162 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Appendix 1: Geschiedenis Wetsvoorstel Resultaatgericht Beschikken De werkwijze resultaatgericht beschikken bij de uitvoering van de Wmo 2015 Een deel van de gemeenten werkt sinds de decentralisatie resultaatgericht vanuit de overtuiging dat het zorgt voor meer flexibiliteit tegen beheersbare uitgaven.
Rechtspraak De Centrale Raad van Beroep oordeelde meermaals dat het in besluiten formuleren van Wmo-aanspraak als resultaat strijdig is met de rechtszekerheid. Het is inmiddels vaste rechtspraak dat rechtszekerheid niet anders tot stand kan komen, dan door cliënt duidelijkheid in uren te bieden bij de toekenning van Wmo-ondersteuning.164 Na de eerste twee uitspraken met betrekking tot huishoudelijke hulp, hielden sommige gemeenten vast aan hun resultaatgerichte werkwijze in afwachting van het wetsvoorstel. Enkele gemeenten165 probeerden zo concreet mogelijk de kwaliteitseisen en kwaliteitsmetingen in de besluitvorming te betrekken, maar dit kon het gebrek aan rechtszekerheid niet wegnemen volgens de hoogste bestuursrechter. In een uitspraak van 22 september 2022166 staat: “hoe lovenswaardig deze kwaliteitsborging op zichzelf beschouwd ook is, daarmee is nog steeds geen rechtszekerheid vooraf gecreëerd over wat er nu eigenlijk is toegekend.” Hiervoor is duidelijkheid in uren nodig.
Ook ten aanzien van individuele begeleiding volgde een gelijkluidend oordeel:167 “Weliswaar heeft het college voor de concretisering verwezen naar het tweede deel van het ondersteuningsplan, waarin is vermeld met welke frequentie de begeleiding zal plaatsvinden, maar hiermee is voor een cliënt niet duidelijk op hoeveel uren/minuten begeleiding per week hij recht heeft.” Wetsvoorstel In reactie op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep over resultaatgericht beschikken kondigde de minister van VWS in april 2019 een wetswijziging aan. Op 6 januari 2020 heeft het toenmalige kabinet bij Kamerbrief gereageerd op het advies van prof. dr. mr. Scheltema en de uitkomst van de internetconsultatie van zijn in 2017 uitgebrachte advies168 over integrale rechtsbescherming in het sociaal domein. Uit de Kamerbrief volgt dat de ministers van BZK en VWS en de minister voor Rechtsbescherming het noodzakelijk achtten om integrale geschilbeslechting onder te brengen in het sociaal domein. Zij vonden een wijziging 164 Centrale Raad van Beroep 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1491. Centrale Raad van Beroep 8 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3241. Centrale Raad van Beroep 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1381. Centrale Raad van Beroep 22 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2100. Centrale Raad van Beroep 22 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2099.
165 De gemeenten Someren en Gemert Bakel poogden met een minutieuze beschrijving van de werkzaamheden voldoende rechtszekerheid te bieden: Centrale Raad van Beroep 22 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2100 en Centrale Raad van Beroep 22 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2099. 166 Centrale Raad van Beroep 22 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2099. 167 Centrale Raad van Beroep 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1381. 168 Advies integrale geschilbeslechting in het sociaal domein: blg-819553.pdf. 163 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 van de Algemene wet bestuursrecht niet nodig en te verstrekkend.169 De ministers stelde een wijzing van de Wmo 2015 voor waardoor resultaatgericht beschikken bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening een wettelijke grondslag zou krijgen met invoeging van de integrale geschilbeslechting. De cliënt zou rechtsmiddelen krijgen waarmee hij bij de rechter kan opkomen tegen de uitvoering van het resultaat.
Algemeen Overleg over onder anderen deze Kamerbrief in juni 2019:170 • Toezegging aan de Tweede Kamer om in gesprek te blijven met cliëntenorganisaties over het wetsvoorstel, mede in verband met door hen gezonden brief171 aan de Tweede Kamer waarin zij hun zorgen hebben geuit over de mogelijkheid voor gemeenten en zorgaanbieders om de zorg en ondersteuning die mensen krijgen tussentijds aan te passen, zonder dat er een herbeoordeling plaatsvindt. Met mogelijk tot gevolg dat mensen niet de zorg of ondersteuning krijgen die zij nodig hebben. • Toenmalige minister van VWS had geen voorkeur voor een landelijk normenkader, aangezien dat maatwerk en de beleidsvrijheid van gemeenten in de weg staat. • VNG 17 februari 2020: “gemeenten en rijk zijn een constructief gesprek met elkaar aangegaan om na te gaan welke wettelijke waarborgen voor de rechtszekerheid van de cliënt nodig en gewenst zijn om het resultaatgericht beschikken mogelijk te maken.
Daarbij hebben we als gezamenlijke uitgangspunten genoemd, dat het voor de inwoner eenvoudiger wordt en dat de gemeenten geen onnodige administratieve lastenverzwaring en juridisering tegemoet gaan.” Inhoud wetsvoorstel Staatscourant 2023, 24849 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen: Het wetsvoorstel regelt dat gemeenten in hun verordening vastleggen ten aanzien van welke maatwerkvoorzieningen die een dienst inhouden, een resultaatbeschrijving (resultaatgericht beschikken) of een tijdsduurbeschrijving wordt gehanteerd. Daarnaast regelt het wetsvoorstel de verantwoordelijkheid van gemeenten voor de afhandeling van klachten van burgers over de uitvoering van een maatwerkvoorziening en wordt voorzien in een geschilprocedure (integrale geschilbeslechting). Tijdens de internetconsultatie in 2020 hebben diverse partijen hun bedenkingen172 ten aanzien van het wetsvoorstel kenbaar gemaakt: onder andere de VNG, gemeenten,173 cliëntorganisaties174 en de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak.175 169 “Dit onderzoek heeft geresulteerd in het voornemen van de Minister van VWS om de procedure van integrale geschilbeslechting in het hiervoor beschreven wetsvoorstel tot wijziging van de Wmo 2015 in te voegen.
Hiermee komt de wens tot uiting om te komen tot een situatie waarin de rechtszekerheid voor cliënten beter wordt gewaarborgd, samen met de wens om de rechtsbescherming voor cliënten te verstevigen in de Wmo 2015. Hiermee wordt gekozen voor een tussenweg: een brede toepassing van de nieuwe geschilbeslechtingsprocedure binnen een specifiek domein, in plaats van een kleinschalig experiment of een wijziging van de Awb met gevolgen voor de gehele overheid.” 170 Verslag van een algemeen overleg, gehouden op 26 juni 2019, over Wmo - Zorg en maatschappelijke ondersteuning - Parlementaire monitor, De Jonge mag van Tweede Kamer door met plannen voor resultaatgericht beschikken | Divosa. 171 20190416_brief_organisaties_resultaatgericht_indiceren_zh.pdf (iederin.nl). 172 Overheid.nl | Consultatie Wmo 2015: Wetsvoorstel resultaatgericht beschikken en vereenvoudigen geschilbeslechting (internetconsultatie.nl). 173 24 gemeenten: Amsterdam, Haarlemmermeer, Gouda, Den Haag, Rotterdam, Drechtsteden, Peelgemeenten en Helmond, Apeldoorn, Midden-Delfland, Rhenen, Oss, Rijswijk, Woensdrecht, Breda, Zaanstad, Zundert, Steenbergen, Tilburg, Halderberge, Etten-Leur, Moerdijk, De Bilt en Goes. 174 Overheid.nl | Consultatie Wmo 2015: Wetsvoorstel resultaatgericht beschikken en vereenvoudigen geschilbeslechting, reactie (internetconsultatie.nl).
175 Overheid.nl | Consultatie Wmo 2015: Wetsvoorstel resultaatgericht beschikken en vereenvoudigen geschilbeslechting, reactie (internetconsultatie.nl). 164 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 De Afdeling advisering van de Raad van State heeft in december 2020 een kritisch advies176 uitgebracht over het wetsvoorstel (dictum C). De Afdeling stelde in haar advies: • De burger is alleen geholpen met een regeling inzake integrale geschilbeslechting als die leidt tot finale beslechting van het geschil. • De complexe driehoeksverhouding van gemeente, zorgaanbieder en burger is in voorgestelde regeling voor de geschilbeslechting nog onvoldoende uitgewerkt. • De afspraken tussen gemeenten en aanbieders dienen zo flexibel te zijn dat de uitkomsten van de geschilprocedure kunnen worden geïmplementeerd. • Bovendien blijft de reikwijdte van de klachtenregeling beperkt tot de uitvoering van een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015. De andere wetten in het sociaal domein blijven buiten beschouwing. • De vraag rijst dan of het toevoegen van een nieuwe klachtmogelijkheid over de private uitvoering van een maatwerkvoorziening, met instandhouding van de reeds bestaande klachtprocedures en de mogelijkheid van bezwaar tegen de initiële beschikking, de burger werkelijk meer duidelijkheid biedt.
Wetsvoorstel beëindigd juli 2023177 Redengevend voor het niet verder brengen van het wetsvoorstel waren (kort) samengevat: • Gebrek aan draagvlak: dit wetsvoorstel bleek niet op voldoende steun te kunnen rekenen bij cliënt- organisaties, aanbieders, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en gemeenten. Met hen is uitvoerig gesproken over de werkwijze resultaatgericht beschikken, het wetsvoorstel en de wijze waarop rechtszekerheid gewaarborgd kan worden. Partijen konden het niet eens worden over de wijze waarop de rechtszekerheid vorm kan krijgen. • Het kritische advies van de Raad van State. • Het onvoldoende rekenschap kunnen geven aan de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en de verlangde duidelijkheid in tijd vóóraf, dus bij de toekenning van de Wmo- ondersteuning, Standpunt gemeenten die (willen) beschikken op resultaat (in het kort): het wetsvoorstel had tot doel de voordelen van flexibiliteit in de uitvoering te behouden, terwijl tegelijkertijd de rechtsbescherming van de cliënt versterkt zou worden door de introductie van een verplichte finale geschilbeslechting bij de rechter over de kwaliteit van de uitvoering van de ondersteuning. Gemeenten hadden tegen dit laatste bezwaren vanwege grote uitvoeringstechnische consequenties. Wetsvoorstel Resultaatgericht beschikken niet ingediend | VNG.
Standpunt cliëntorganisaties (in het kort): resultaatgericht beschikken is niet nodig om tot een reductie van financiële middelen of personele inzet te komen. Als gemeenten menen dat teveel uren worden toegekend, dan moet gekeken naar de kwaliteit van het onderzoek en/of de indicatie bijgesteld. Resultaatgericht beschikken is onwenselijk: Plan resultaatgericht indiceren in Wmo ondermijnt rechtspositie - Iederin - In de media: VNG probeert resultaatgericht beschikken toch te behouden - Iederin. Vervolg Handreiking gepast beschikken in de Wmo 2015 en de Jeugdwet Er is door de VNG samen met gemeenten en het ketenbureau vervolgens gewerkt aan een handreiking waarin getracht werd een werkwijze op te nemen die gemeenten flexibiliteit zou bieden binnen de grenzen van het bepaalde in de wet en jurisprudentie: Onderzoek naar alternatieven resultaatgericht werken | VNG. Deze handreiking heeft het niet gehaald: VNG-commissie niet akkoord met handreiking gepast beschikken | VNG . 176 Wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake het resultaatgericht beschikken. - Raad van State. 177 Kamerbrief voortgang wetsvoorstel resultaatgericht beschikken Wmo 2015 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl.
165 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Motie Tweede Kamer De Kamer heeft op 24 oktober 2023 een motie aangenomen waarin kortgezegd gemeenten opgeroepen worden vanaf 1 januari 2024 geen Wmo-beschikking af te geven zonder tijdsindicatie en een herstelplan te maken voor lopende beschikkingen zonder tijdsindicatie. gepast-beschikken-nieuwsflits-5.pdf. Huidige praktijk Het is niet duidelijk hoeveel gemeenten (nog) beschikken op resultaat, of hoeveel inwoners een beschikking krijgen met enkel een resultaatbeschrijving. Ten behoeve van deze beleidsoptie zijn geen objectieve data beschikbaar gesteld, waaruit blijkt wat de werkwijze de betreffende gemeenten in financiële en personele zin heeft opgeleverd en wat het heeft betekent voor de rechtspositie van cliënten. Advies gemeente De aan deze beleidsoptie deelnemende gemeente stelt voor te bezien wat de huidige stand van zaken is en los van een wetsvoorstel in samenspraak met meerdere gemeenten (ook die niet beschikken op resultaat) te inventariseren hoe gemeenten aankijken tegen de voordelen van de resultaatgerichte werkwijze (met name als het gaat om individuele begeleiding). Passend beschikken Op basis van de Wmo 2015 en de Jeugdwet kunnen gemeenten een indicatie voor langere tijd afgeven of zelfs zonder einddatum. Uit het onderzoek moet naar voren komen wat passend is in het individuele geval.
De gemeente kan een beschikking afgegeven met een lange(re) looptijd als dat beter passend is bij een langdurige stabiele ondersteuningsvraag en er geen gegronde redenen bestaan om anders te beslissen Februari 2025 is de handreiking Passend beschikken – Verrassend passend | VNG gepubliceerd ter stimulering en ondersteuning van gemeenten om in voorkomende gevallen een beschikking met een lange(re) looptijd te verstrekken in het geval dat passend is bij de situatie van een inwoner met een levenslange/levensbrede beperking. Ook is een webinar beschikbaar. In de praktijk zien we dat steeds meer gemeenten in de beschikking een lange(re) looptijd opnemen in het geval van een duurzame ondersteuningsbehoefte. Appendix 2: Korte weergave Lokaal-Regionaal-Landelijk bij “Op een ander schaalniveau (maatwerk)voorzieningen/ verantwoordelijkheden inkopen en organiseren” Lokaal schaalniveau Regionaal schaalniveau Landelijk schaalniveau Bij lokale inkoop houden individuele gemeenten het volledige opdracht- geverschap in eigen hand. Dit is vooral passend wanneer de voorziening zowel goed lokaal beschikbaar is, beperkt complex is, nauwe lokale afstemming vereist én de uitvoeringslast beheersbaar is. Sterke lokale inbedding is dan een belangrijk kenmerk. Bij regionale inkoop organiseren meerdere gemeenten gezamenlijk de voorziening.
Dit is passend bij voorzieningen die complexer zijn, een andere schaalgrootte (logistieke of markttechnische) voordelen oplevert of specialistische samenwerking vereisen, zoals hulpmiddelen, beschermd wonen of vervoer. De voordelen kunnen versterkt worden door het ontwikkelen van een gezamenlijke inkoopvisie. Bij een gemeenschappelijke regeling (GR) is dit natuurlijk ook het geval. De regio-indeling kan worden opgelegd, of gemeenten bepalen deze zelf. Aanbevolen wordt om aan te sluiten bij bestaande regio-indelingen en congruentie in de indelingen als doorslaggevende factor mee te wegen. Een landelijk schaalniveau is aangewezen bij zeldzame of zeer specialistische voorzieningen met een beperkt aantal aanbieders en een kwetsbare doelgroep. Voorbeelden kunnen zijn specialistische opvang bij mensenhandel, doventolkvoorzieningen of Valys-vervoer. Financiering: De voorziening wordt betaald door een individuele gemeente. De gemeente heeft beleidsruimte en hoeft geen kosten of afspraken af te stemmen met andere gemeenten. Financiering: Deelnemende gemeenten maken afspraken over verdeling van de kosten. Dit kan bijvoorbeeld op basis van een verdeling die uitgaat van middelen die centrumgemeenten ontvangen voor een bepaalde taak (zoals beschermd wonen) of verdeelsleutels in een GR.
Er is minder beleidsruimte per gemeente, maar vaak meer efficiëntie en (regio breed) minder onduidelijk/ meer gelijkgerichte afspraken. De individuele gemeenteraden hebben bij verlengd lokaal bestuur minder mogelijkheden om hun rol te pakken. Financiering: De financiering verloopt via rijksuitkeringen, of via het ministerie van VWS. Lokaal schaalniveau Regionaal schaalniveau Landelijk schaalniveau Contractmanagement /toezicht: De gemeente sluit zelf contracten met aanbieders. Dit biedt ruimte voor lokaal maatwerk en eigen beleidskeuzes, maar zorgt ook voor een hoge uitvoeringslast aan de gemeentelijke zijde (en ook aan aanbiederszijde). Gemeenten met weinig capaciteit kunnen hierdoor onder druk komen te staan. De gemeente is zelf verantwoordelijk voor het toezicht op kwaliteit en en controle op rechtmatigheid ten aanzien van lokaal ingekochte voorzieningen. Voor het toezicht op de naleving van de Wmo 2015, met inbegrip van de regels over kwaliteit, wijst het college toezichthoudende ambtenaren aan. Onder controle op de rechtmatigheid valt de gemeentelijke controle van de rechtmatige besteding van middelen voor maatschappelijke ondersteuning, waaronder de uitvoering door aanbieders van hun contracten met de gemeente, waarbij de accountant een rol vervult. Dit zorgt voor nabijheid tot de praktijk, maar betekent ook dat elke gemeente afzonderlijk capaciteit moet organiseren.
Contractmanagement/ Toezicht: Een van de gemeenten of een gezamenlijke inkooporganisatie voert het contract management namens de regio uit. Dit verlaagt de werklast per gemeente en maakt professionalisering mogelijk, maar vraagt bestuurlijke en democratische afstemming en consensus over de inhoud van de dienstverlening. Bij gedeeld toezicht is het belangrijk dat de verantwoordelijkheden helder zijn vastgelegd, bijvoorbeeld via mandatering of gezamenlijke afspraken/ handhavingsplan. Contractmanagement/ toezicht: Het contractmanagement ligt (logischerwijs) bij een landelijke partij of een aangewezen uitvoeringsorganisatie. Gemeenten zijn meestal geen directe partij bij het contract, waardoor zij minder invloed hebben op de inhoud of prestatieafspraken. Het toezicht zou in theorie lokaal belegd kunnen worden, door met landelijke kaders van toezicht te werken. Dit zorgt voor grote mate van eenduidigheid in het uit te voeren toezicht op de uitvoering van de Wmo 2015 (aangezien de uitvoering voor een groot deel wel decentraal plaatsvindt). Denk aan de coördinatie van toezicht en het programmatisch prioriteren en samenwerken dat is geregeld in hoofdstuk 18 van de Omgevingswet of de parallel met het specialistische toezicht van de Omgevingsdiensten.
Appendix 3: Afwegingskader bij beleidsoptie “Op een ander schaalniveau (maatwerk) voorzieningen/ verantwoordelijkheden inkopen en organiseren” In deze appendix wordt een veelvoud (niet limitatief ) aan voorzieningen beschouwd op factoren die van belang zijn in het nadenken over schaalgrootte, inkoop en aanbesteding. Het is een onvolmaakt afwegingskader. Zodoende wordt inzichtelijk welke keuzes er te maken zijn en met welke factoren rekening gehouden moet worden. Huidige situatie Overwegingen Conclusie Huishoudelijke Hulp Lokale verantwoordelijkheid. Kan individueel per gemeente ingekocht worden Veel gemeenten kopen dienst ook gezamenlijk in (“in de regio”). Daartoe is echter geen verplichting. Aanbod/markt: Voor aanbieders van deze dienst bestaat er een wens om op hoger/groter schaalniveau in te kopen. Dit zorgt aan de aanbiederskant voor een potentiële administratieve verlichting (overigens mogelijk ook aan gemeentezijde). Dit vraagt aan de gemeentezijde commitment (zonder beleidsmatige en uitvoeringstechnische afslagen), anders heeft een hoger/groter schaalniveau géén (administratieve) meerwaarde. Er zijn landelijke aanbieders, verder grote meer regionaal georiënteerde aanbieder en veel kleine lokale aanbieders. Aard van de dienstverlening: De dienst kent géén reële hoge mate van landelijke differentiatie (dienst is overal ongeveer hetzelfde).
Verantwoordelijke entiteit voor inkoop: gemeente individueel. Er zijn geen doorslaggevende argumenten om (verplichtend) tot een ander schaalniveau te komen. Echter, voor vrijwel alle voorzieningen gaat wel op dat een hoge mate van lokale en regionale differentiatie leidt tot mogelijke niet-uitlegbare verschillen. Regionale congruentie wel zeer gewenst! Huidige situatie Overwegingen Conclusie Dagbesteding Lokale verantwoordelijkheid. Kan individueel per gemeente ingekocht worden. Veel gemeenten kopen dienst ook gezamenlijk in (“in de regio”). Daartoe is echter geen verplichting. Aanbod/markt: Markt is relatief versnipperd met veel grote en kleine aanbieders; geen dominante landelijke partij. Aard van de dienstverlening: De dienst kent géén hoge mate van landelijke differentiatie (dienst is overal ongeveer hetzelfde), maar is wel zeer afhankelijk van individuele behoefte (maatwerk). Dienst is wel in grote mate verbonden met lokale sociale basis (denk hierbij aan buurthuizen). Wordt vaak ook als algemene voorziening aangeboden. Verantwoordelijke entiteit voor inkoop: Gemeenten individueel of in regionale samenwerking. Samenwerking aanpalende domeinen: met participatie/werk en inkomen en lokale sociale basis. Marktstructuur en leveringscapaciteit: Versnipperde markt zonder dominante spelers; lokaal aanbod goed beschikbaar.
Complexiteit en specialisatie van de dienst: Dienst is relatief eenvoudig, maar sterk afhankelijk van individuele behoeften. Behoefte aan maatwerk en lokale afstemming: Grote verbondenheid met lokale structuren zoals buurthuizen en wijkteams. Transactiekosten en coördinatiebehoefte: Lokaal goed te organiseren, zeker als het als algemene voorziening wordt ingericht. Totaal conclusie:Lokaal opdrachtgeverschap is logisch, met optionele regionale samenwerking. Begeleiding (individueel en in groepsverband) Lokale verantwoordelijkheid. Kan individueel per gemeente ingekocht worden Veel gemeenten kopen dienst ook gezamenlijk in (“in de regio”). Daartoe is echter geen verplichting. Aanbod/markt: Markt is versnipperd (veel grote en kleine aanbieders), geen hele grote landelijke partij Aard van de dienstverlening: De dienst kent géén hoge mate van landelijke differentiatie (dienst is overal ongeveer hetzelfde), maar is wel zeer afhankelijk van individuele behoefte (maatwerk). Verantwoordelijke entiteit voor inkoop: Gemeenten individueel of in regionale samenwerking. Samenwerking aanpalende domeinen: van belang voor goede aansluiten totaal (zorg)arrangement, maar niet te complex. Marktstructuur en leveringscapaciteit: Veel aanbieders, markt functioneert zonder dominantie, lokaal en regionaal aanwezig.
Complexiteit en specialisatie van de dienst: Niet sterk gespecialiseerd, maar wel maatwerkgevoelig. Behoefte aan maatwerk en lokale afstemming: Lokaal afgestemd aanbod is wenselijk voor goede aansluiting bij cliënten. Transactiekosten en coördinatiebehoefte: Geen overmatige belasting, lokaal uitvoerbaar. Totaalconclusie: Lokale inkoop is passend; regionale bundeling/inkoop kan voordelen opleveren bij meer complexe/gespecialiseerde vormen van begeleiding (beschermd wonen doelgroep geleverd zonder wooncomponent). Hulpmiddelen Lokale verantwoordelijkheid. Kan individueel per gemeente ingekocht worden. Veel gemeenten kopen producten ook gezamenlijk in (“in de regio”). Daartoe is echter geen verplichting. Er liggen convenanten ten aanzien van hulpmiddelen (echter niet juridisch afdwingbaar), die zijn door 1/3 van alle gemeenten getekend. Aanbod/markt: Voor aanbieders van deze dienst bestaat er een wens om op hoger/groter schaalniveau in te kopen. Dit zorgt aan de aanbiederskant voor een potentiële administratieve verlichting (overigens mogelijk ook aan gemeentezijde). Markt is niet versnipperd. De facto 4 grote landelijke aanbieders. Aard van de dienstverlening: Hulpmiddelen zijn vaak ook (zeer) persoonsgebonden (behoefte/ maatwerk). Verantwoordelijke entiteit voor inkoop: Gemeenten individueel of in regionale samenwerking.
Samenwerking aanpalende domeinen: afstemming kan gewenst zijn. Marktstructuur en leveringscapaciteit: Vier dominante landelijke aanbieders; schaalvoordelen bij inkoop op grotere schaal. Complexiteit en specialisatie van de dienst: Gedeeltelijk maatwerk, maar grotendeels technisch standaardiseerbaar. Behoefte aan maatwerk en lokale afstemming: Afstemming is beperkt, weinig lokale interactie vereist. Transactiekosten en coördinatiebehoefte: Schaalvergroting verlaagt lasten en verhoogt efficiëntie. Totaalconclusie: Regionale inkoop verdient de voorkeur voor doelmatigheid. Huidige situatie Overwegingen Conclusie Woningaanpassingen Lokale verantwoordelijkheid Kan individueel per gemeente ingekocht worden Veel gemeenten kopen deze dienst mogelijk ook gezamenlijk in (“in de regio”). Daartoe is echter geen verplichting. Aanbod/markt: Ten aanzien van woningaanpassingen worden ook veel lokale ondernemers gecontracteerd. Aard van de dienstverlening: Vraagt uitermate veel “maatwerk”, geen huis is hetzelfde. Verantwoordelijke entiteit voor inkoop: Gemeenten individueel of in regionale samenwerking. Marktstructuur en leveringscapaciteit: Lokale leveranciers domineren; lokaal goed georganiseerd. Complexiteit en specialisatie van de dienst: Hoge mate van maatwerk; elke woning vereist individuele aanpassing.