De Rapportage houdbaarheid Wmo: Tijd voor stevige keuzes (oktober 2025)
Tekst van het document
Een aantal mensen zal wijkverpleging gaan ontvangen (hogere Zvw kosten), terwijl anderen instromen in de Wlz (lagere Zvw kosten) terwijl zij al wijkverpleging hadden. Optelling van deze effecten laat een besparing in de Zvw zien. De maatregel zorgt voor hogere kosten in de Wlz en verslechtert hiermee de financiële houdbaarheid van de Wlz. Variant B Ook variant B, waarbij woningaanpassingen en hulpmiddelen/vervoersvoorzieningen niet langer vergoed worden vanuit de Wmo 2015 zal leiden tot gedragseffecten. Naar dergelijke gedragseffecten is nooit onderzoek gedaan. Dergelijk onderzoek is wel nodig om een inschatting te kunnen maken van de budgettaire effecten van deze variant . Personele effecten Effect op de zorgvraag: Als er minder voorzieningen onder de Wmo 2015 vallen, zal daarmee de aard en de hoeveelheid werk voor Wmo 2015-consulenten afnemen. Het is onbekend wat de omvang hiervan is. Variant A Op het moment dat huishoudelijke hulp niet langer meer wordt vergoed uit de Wmo 2015, zal er een sterke afname zijn van de v raag naar huishoudelijke hulpen. Verder vindt er vermoedelijk een verschuiving naar informele zorg, waaronder mantelzorg en particuliere ondersteuning plaats. Daarnaast zal er hoogst- waarschijnlijk een verschuiving plaatsvinden naar begeleiding, wijkverpleging en richting de Wlz.
Bij kwetsbare mensen kan het wegvallen van huishoudelijke hulp bijvoorbeeld leiden tot vereenzaming of vervuiling van het huis. Hierdoor kan er eerder sprake zijn van opname in een verpleeghuis. Doordat een deel van de cliënten gebruik zal gaan maken van zwaardere vormen van zorg, zal het beroep op onder meer verzorgenden en verpleegkundigen toenemen. Doordat de personeelskrapte bij deze beroepen veel groter is dan bij huishoudelijke hulpen, zal deze maatregel eerder leiden tot een verslechtering van de personele houdbaarheid binnen de zorg dan een verbetering. 127| | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 128 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Variant B In deze variant worden woningaanpassingen en hulpmiddelen/vervoersvoorzieningen niet meer verstrekt en vergoed vanuit de Wmo 2015. Een deel van de (toekomstige) cliënten zal deze voorzieningen zelf aanschaffen. Het is aannemelijk dat de vraag naar deze voorzieningen afneemt waardoor aan de aanbieders- kant de vraag naar personeel afneemt. Dit is waarschijnlijk voor een klein gedeelte van het zorgpersoneel. Mogelijk heeft deze maatregel invloed op verschuiving naar andere domeinen zoals de Wlz of andere Wmo 2015-voorzieningen. Dit kan daar leiden tot extra vraag naar personeel. Hoe groot deze mogelijke verschuiving is, moet nader worden onderzocht.
Effect op het aanbod van zorg Alleen variant A heeft mogelijk een effect op het aanbod van zorgpersoneel, In het geval dat huishoudelijke hulp niet langer vanuit de Wmo 2015 wordt vergoed, zal er een sterke afname zijn van de vraag naar deze medewerkers. Een deel van hen zal ander werk vinden binnen de zorg, maar aangezien huishoudelijke hulpen vaak geen formele beroepskwalificaties hebben, ligt ook uitstroom naar laaggeschoold werk buiten de zorg voor de hand. Tot slot zal het extra beroep op mantelzorg een beperkt negatief effect hebben op het arbeidsaanbod economiebreed. Effect op de arbeidsproductiviteit van zorgmedewerkers Geen effect. Alles bij elkaar lijkt de maatregel maar een gering effect op de personele houdbaarheid te hebben. De vraaguitval is beperkt. Maatschappelijke effecten De maatregel beperkt de toegankelijkheid tot zorg en ondersteuning. Afhankelijk van de middelen van de inwoners, kan het zijn dat inwoners een groter beroep moeten doen op hun eigen netwerk hetgeen de potentie vergroot van “zorgen voor elkaar, naar elkaar omkijken”, omdat een ondersteuningsvorm niet meer door de overheid georganiseerd wordt.
Als bepaalde maatwerkvoorzieningen niet langer onder de Wmo 2015 vallen en daarmee de toegang tot de Wmo 2015 wordt verkleind, respectievelijk een groter beroep op de inwoners zelf gedaan wordt, ook als zij kwetsbaar zijn, kan de maatregel tot gevolg hebben dat de gezondheidsverschillen tussen inwoners groter worden. Bij kwetsbare mensen kan de maatregel leiden tot vereenzaming of vervuiling van het huis. Uitvoerbaarheid Juridische aspecten De juridische haalbaarheid moet nog bezien worden, onder meer in het licht van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en in het bijzonder hun rechten met betrekking tot zelfstandig wonen en deel uitmaken van de maatschappij (artikel 19) en persoonlijke mobiliteit (artikel 20). Voor invoering van de maatregel is een wetswijziging noodzakelijk inclusief nog nader uit te werken overgangs- recht. Een wetswijziging neemt tenminste twee jaar in beslag. Gemeenten moeten hun verordeningen en beleidsplan aanpassen aan de gewijzigde afbakening van voorzieningen op grond van de Wmo 2015. 129 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Uitvoerbaarheid Er is een campagne nodig om mensen te informeren over de wijzigingen en tijdig te laten nadenken over bijvoorbeeld verhuizen.
Om te voorkomen dat mensen door het wegvallen van genoemde vormen van ondersteuning vervuilen of in een niet leefbare situatie belanden, is een vangnet nodig. Omdat gemeenten naar aanleiding van deze maatregel minder aanvragen voor maatwerkvoorzieningen krijgen, neemt daarmee weliswaar de druk op de uitvoeringspraktijk van gemeenten af, echter kan er mogelijk overcapaciteit ontstaan als medewerkers specifiek voor deze taak zijn aangenomen. Dat betekent mogelijk herplaatsing van Wmo 2015-consulenten. Aandachtspunten en alternatieven Inkomens en vermogensafhankelijke eigen betalingen verbeteren de financiële houdbaarheid ook, maar tasten de toegankelijkheid van zorg en ondersteuning minder aan en zorgen voor solidariteit met mensen met lagere inkomens. De sterkste schouders dragen de zwaarste lasten. Vanuit het perspectief van maatschappelijke houdbaarheid verdienen eigen betalingen de voorkeur boven het afschaffen van voorzieningen. 130 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 18 Beperken maatwerkvoorzieningen voor hoge inkomens Beleidsoptie nummer: 18 Maatregel in het kort: Met deze maatregel wordt gekeken naar de mogelijkheden om hoge inkomens uit te sluiten van (specifieke) maatwerkvoorzieningen, er zijn verschillende varianten/ scenario’s uitgewerkt.
Voor de Wmo 2015 hebben deze maatregelen een klein positief effect op de financiële houdbaarheid; de maatregel heeft wel risico’s ten aanzien van uitvoeringstechnische aspecten. Er dient ook rekening gehouden te worden met de zogenoemde weglekeffecten naar andere domeinen en nader onderzoek naar gedragseffecten voor andere maatwerkvoorzieningen dan huishoudelijke hulp is noodzakelijk. Omschrijving van de maatregel In deze beleidsoptie wordt ervan uitgegaan dat het Wetsvoorstel Wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015, dat in de Tweede Kamer ligt is ingevoerd.142 Dit wetsvoorstel beoogt abonnementstarief te vervangen door een inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage (ivb). Met de invoering van de ivb is de eigen bijdrage voor Wmo voorzieningen, waarvoor nu het abonnementstarief geldt, afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt (en diens eventuele partner) met een minimale eigen bijdrage van € 23,60 en een maximale eigen bijdrage van € 328,- per maand (prijspeil 2025). In deze beleidsoptie wordt in drie varianten de maatregel uitgewerkt om voor hoge inkomens de toegang tot (een deel van de) maatwerkvoorzieningen waarvoor de ivb geldt te beperken. Burgers met een bijdrage- plichtig inkomen van meer dan €70.000 krijgen dan geen toegang meer tot deze maatwerkvoorzieningen.
Maatregelen: Variant A: Het instellen van een grens voor het bijdrageplichtig inkomen op € 70.000 voor toegang tot de maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo 2015 met huishoudelijke hulp. Variant B: Het instellen van een grens voor het bijdrageplichtig inkomen op € 70.000 voor toegang tot maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo 2015 met huishoudelijke hulp, hulpmiddelen en woningaanpassingen. Variant C: Het instellen van een grens voor het bijdrageplichtig inkomen op € 70.000 voor toegang tot alle maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo 2015. Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten Om collectief gefinancierde zorg en ondersteuning voor iedereen beschikbaar, betaalbaar en van goede kwaliteit te houden – vooral voor de meest kwetsbaren – is het essentieel dat mensen daar alleen een beroep op doen voor zover dat echt nodig is en dat mensen die er gebruik van maken ook naar (financiële) draagkracht zelf bijdragen. De maatregel laat burgers met een hoog inkomen zelf maatwerkvoorzieningen organiseren en betalen. 142 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 36 713, nrs. 103. Financiële effecten Het effect van de maatregel is meerledig. Door het instellen van een inkomensgrens voor toegang tot de maatwerkvoorzieningen stroomt een deel van de cliënten uit de Wmo 2015.
Hierdoor neemt de v raag naar maatwerkvoorzieningen af, waardoor ook de gemeentelijke uitgaven aan maatwerkvoorzieningen afnemen. Cliënten die boven de inkomensgrens van € 70.000 euro vallen, blijven voor de maatwerk- voorzieningen waarvoor de inkomensgrens niet geldt , de ivb betalen. De opbrengsten van de ivb worden beperkt door het instellen van de inkomensgrens. Voor inwoners die geen aanspraak meer kunnen maken op de maatwerkvoorzieningen als gevolg van de inkomens | grens, geldt waarschijnlijk dat de behoefte aan dergelijke voorzieningen niet wegvalt . Deze inwoners zullen de voorzieningen, voor zover mogelijk , particulier moeten inkopen of kunnen mogelijk doorstromen naar de Zvw of Wlz. De v raag naar Wlz-zorg kan hierdoor toenemen, evenals de Rijksuitgaven aan deze zorg. Voor het berekenen van de varianten van de maatregel wordt aangesloten bij de ramingswijze die gebruikt wordt voor maatregel 50 op de ombuigingslijst .143 Voor deze beleidsoptie wordt een hogere inkomens | grens (€ 70.000) gehanteerd dan de ombuigingslijst (€ 50.000). Zowel in deze beleidsoptie als in de ombuigings | lijst wordt in variant B de hele categorie hulpmiddelen en diensten uitgesloten.144 A annames over gedragseffecten die gedaan worden hebben grote invloed op de uitkomsten. Uitkomsten zijn in het prijspeil 2025.
De maatregelen gaan naar verwachting gepaard met budgettaire effecten in de verschillende domeinen (besparingen in de Zvw en Wmo 2015 en een intensivering in de Wlz). Voor cliënten met hulp bij het huishouden (variant A) is uitgegaan van een gedragseffect waarbij een deel van de cliënten een beroep gaat doen op zwaardere zorg vanuit de Wlz.145 De werkelijke omvang van dit gedragseffect kan afwijken aangezien niet alle aannames zijn onderzocht . Verder is hierbij verondersteld dat deze cliënten alleen voor Wlz-zorg thuis in aanmerking komen. Bij variant B is voor de cliënten in de categorie hulpmiddelen en diensten geen gedragseffect meegenomen in de berekening, omdat hierover geen onderzoek beschikbaar is. Wel wordt uitgegaan van het inrichten van een vangnet van 10% van de kosten. Bij variant B is rekening gehouden met een overgangsregeling van 10 jaar. Variant A Het instellen van een grens voor het bijdrageplichtig inkomen op € 70.000 voor toegang tot maatwerk- voorzieningen vanuit de Wmo 2015 in de categorie hulp bij het huishouden. De opbrengst van deze maatregel betreft € 40 miljoen.
2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 | Structureel Totaal besparing | -40 | -40 | -40 | -40 | -40 | -40 w.v Zvw | -3 | -3 | -3 | -3 | -3 | -3 w.v Wmo | -84 | -84 | -84 | -84 | -84 | -84 w.v Wlz | +47 | +47 | +47 | +47 | +47 | +47 Kosten voor ‘hulp bij het huishouden’ zijn circa € 3.000 euro per persoon per jaar (prijspeil 2023).146 143 | Ombuigingslijst 2025 Maatregel 37 kent een inkomensgrens van € 50.000 euro en beperkt de toegang tot maat werk voorzieningen in de categorie hulp bij het huishouden en hulpmiddelen en diensten. 144 | De categorie hulpmiddelen en diensten bestaat uit woondiensten, vervoersdiensten, rolstoelen, vervoer- voorzieningen, woonvoorzieningen en overige hulpmiddelen. Dit is dus meer dan alleen hulpmiddelen en woningaanpassingen. 145 | Wat als zorg wegvalt | Publicatie | Sociaal en Cultureel Planbureau. 146 | https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84580NED/table?dl=99B74. 131| | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Variant B Het instellen van een grens voor het bijdrageplichtig inkomen op € 70.000 voor toegang tot maatwerk- voorzieningen vanuit de Wmo 2015 in de categorie hulp bij het huishouden en de categorie hulpmiddelen en diensten. De opbrengst van deze maatregel betreft € 121 miljoen.
2030 | 2031 | 2032 | 2033 | 2034 | Structureel Totaal besparing | -44 | -53 | -61 | -69 | -77 | -121 w.v Variant A | -40 | -40 | -40 | -40 | -40 | -40 w.v Wmo | -5 | -14 | -23 | -32 | -41 | -90 W.v. vangnet | +1 | +1 | +2 | +3 | +4 | +9 Omdat voor deze variant de gedragseffecten voor hulpmiddelen en diensten onbekend zijn, is rekening gehouden met een vangnet van 10% van de daling aan uitgaven van hulpmiddelen en diensten in de Wmo 2015. Mensen met zorg vanuit de Zvw of extramurale leveringsvormen in de Wlz zijn voor hulpmiddelen en woningaanpassingen ook aangewezen op de Wmo 2015 van waaruit deze voorzieningen niet langer wordt vergoed. Nadere vormgeving en uitwerking van dit ‘ vangnet ’ moet nog plaatsvinden. Kosten voor ‘hulpmiddelen en diensten’ zijn circa € 1.000 euro per persoon per jaar (prijspeil 2023).147 De bedoeling van deze variant was om specifiek (mobiliteits)hulpmiddelen en woningaanpassingen uit te sluiten. De opbrengst hiervan bleek vanwege een gebrek aan data echter niet goed te ramen. Daarom is voor de raming van de opbrengsten verondersteld dat de toegang wordt beperkt voor de gehele, bredere categorie hulpmiddelen en diensten . Hierin zitten ook diensten en bijvoorbeeld rolstoelen die niet uitgesloten hadden moeten worden.
De geraamde opbrengst van de maatregel is daarmee hoger dan als alleen specifiek de toegang tot (mobiliteits)hulpmiddelen en woningaanpassingen zou worden beperkt . Variant C Het instellen van een grens voor het bijdrageplichtig inkomen op € 70.000 voor toegang tot alle maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo 2015. Kosten voor ‘ondersteuning thuis’ zijn circa € 7.000 euro per persoon per jaar (prijspeil 2023).148 Verondersteld wordt dat bij een inkomensgrens voor de categorie ‘ondersteuning thuis’ de noodzaak voor dergelijke voorzieningen niet wegvalt . Het op een andere manier inregelen van ondersteuning thuis door bijvoorbeeld inzetbaarheid van de eigen omgeving of particulier inkopen zal minder eenvoudig zijn dan bij ‘hulp bij het huishouden’ en ‘hulpmiddelen en diensten’ door onder andere de complexere zorgv raag en de hoge kosten. Ook zal de mantelzorger onevenredig zwaar worden belast , omdat het vaak gaat om complexe onder- steuning of om ondersteuning om de mantelzorg juist te ontzien, zoals bij logeeropvang of dagbesteding. Daarbij komt dat de samenstelling van deze groep divers is en de maatregel verschillend uitpakt voor de verschillende groepen. Hoe het wegvallen van de ondersteuning kan worden ondervangen en wat de mogelijke gedragseffecten zijn, zoals eerder doorstromen naar de Zvw en Wlz, dient verder onderzocht te worden.
Het berekenen van de maatregel v raagt om een verdere specificatie van de groepen die het treft en de wijze waarop de verschillende groepen hierop gaan reageren. Uit de monitor abonnementstarief komt naar voren dat mensen in de categorie ‘ondersteuning thuis’ niet of nauwelijks op een financiële prikkel reageren. De opbrengst van deze maatregel is op basis van de huidige beschikbare data niet door te rekenen. 147 https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/84580NED/table?dl=99B74. 148 StatLine - Gemeentelijke uitgaven Wmo-maatwerkvoorzieningen; type voorziening, regio. 132| | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 133 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Personele effecten De maatregel zal leiden tot een aanzienlijke verschuiving van ondersteuning in het kader van de Wmo 2015 naar informele hulp en/of particuliere hulp en naar zorg op grond van de Wlz en de Zvw. Zeker bij variant C zal dit bij bepaalde vormen van complexe zorg, kunnen leiden tot een onevenredig zwaar beroep op de mantelzorger. Doordat een deel van de cliënten gebruik zal gaan maken van zwaardere vormen van zorg, zal het beroep op onder meer verzorgenden en verpleegkundigen toenemen.
Doordat de personeelskrapte bij deze beroepen veel groter is dan bij huishoudelijke hulpen, zal deze maatregel per saldo vermoedelijk eerder leiden tot een verslechtering van de personele houdbaarheid binnen de zorg dan een verbetering. Tot slot zal het extra beroep op mantelzorg een beperkt negatief effect hebben op het arbeidsaanbod economiebreed. Maatschappelijke effecten Door het invoeren van de inkomensgrens zijn maatwerkvoorzieningen (zonder beschermd wonen of opvang) op grond van de Wmo 2015 voor inkomens boven een grens van € 70.000 niet meer toegankelijk. Burgers met een inkomen boven deze grens worden geacht zelfstandig de voorzieningen (financieel) te kunnen regelen. Een inkomensgrens houdt echter geen rekening met het individuele doenvermogen van een burger. Binnen variant A of B kan het bovendien voorkomen dat burgers met een inkomen boven de € 70.000 niet alleen zelf de kosten moeten dragen van de hulp bij het huishouden en/of de hulpmiddelen en diensten die zij gebruiken, maar daarnaast ook de maximum-ivb verschuldigd zijn voor overige maatschappelijke ondersteuning die zij uit hoofde van de Wmo 2015. Ten opzichte van de situatie met alleen een ivb betekent dit voor deze groep een hogere stapeling van kosten voor zorg en ondersteuning. De maatregel is relatief eenvoudig uitlegbaar.
De cliënt heeft of wel toegang tot maatwerkvoorzieningen uit de Wmo 2015 op basis van het bijdrageplichtig inkomen, of geen toegang. Uitsluitend de (financieel) sterke schouders dragen de lasten van deze maatregel. Uitvoerbaarheid Juridische aspecten De maatregel vraagt om een wetswijziging. Voor de totstandbrenging van een dergelijke wetswijziging dient rekening gehouden te worden met in ieder geval twee jaar. Uitvoerbaarheid De maatregel beperkt wettelijk de toegang tot de Wmo 2015 en verandert de wettelijke taak van gemeenten. De uitvoeringsconsequenties voor gemeenten dienen nog nader te worden onderzocht. Het aantal cliënten dat een beroep doet op de Wmo 2015 voor maatschappelijke ondersteuning neemt af, wat een verlagend effect heeft op de uitvoeringslasten voor gemeenten. Gemeenten zullen wel een inkomenstoets moeten doen om te bepalen of een burger toegang heeft tot ondersteuning in het kader van de Wmo 2015. Ook zal bekeken moeten worden of en hoe gemeenten zicht kunnen houden op inkomenswijzigingen bij de burger die kunnen leiden tot een andere toetsuitkomst. Beide punten hebben uitvoeringsconsequenties voor gemeenten. Voor het toepassen van de voorgestelde begrenzing zijn gegevens nodig over het inkomen en vermogen van de potentiële cliënt en zijn eventuele partner.
Gelet op de Algemene verordening gegevensbescherming dient daarvoor een juridische grondslag te bestaan. De vraag rijst welke gegevensverwerking het meest passend is: door het college omdat het college besluit over de toekenning van maatwerkvoorzieningen en/ of door het CAK omdat het CAK al de wettelijke taak heeft de ivb vast te stellen en te innen. 134 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Aandachtspunten en alternatieven Om variant B zoals bedoeld, dat wil zeggen uitsluitend hulpmiddelen en woningaanpassingen uitsluiten, te kunnen doorrekenen, zijn nader onderzoek en gedetailleerdere betrouwbare gegevens nodig. 135 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 19 Eenheid van taal en techniek Standaardiseren en harmoniseren voor een verlaging van administratieve lasten, een hogere datakwaliteit van (digitale) gegevens in de Wmo 2015 en een verbeterde interbestuurlijke samenwerking Beleidsoptie nummer: 19 Maatregel in het kort: Deze randvoorwaardelijke maatregel beoogt het stelsel en de uitvoering adequaat te laten functioneren. Met deze maatregel wordt een forse stap gezet om datakwaliteit en databeschikbaarheid te verbeteren. Als dit op orde is, zijn Rijk en gemeenten beter in staat om gezamenlijk sturing te geven aan beleid en uitvoering van de Wmo 2015. De maatregel vraagt een investering; de omvang hiervan wordt momenteel uitgezocht in een MKBA.
Omschrijving van de maatregel Ter uitvoering van de Wmo 2015 worden veel gegevens (digitaal) uitgewisseld over cliënten tussen partijen zoals gemeenten, zorg of welzijnsaanbieders, de Sociale Verzekeringsbank SVB, en het CAK. Deze gegevens worden uitgewisseld om de dienstverlening aan de burger en de financieel-administratieve afhandeling goed te laten verlopen. De uitvoering van de Wmo 2015 kenmerkt zich door een grote hoeveelheid aan opdrachtgevende partijen (342 gemeenten) en een grote diversiteit aan gecontracteerde partijen die vaak voor meerdere gemeenten diensten leveren (al dan niet in hoofd- en onderaanneming). Als gevolg van dit versnipperde inkooplandschap, de diversiteit in uitvoeringskeuzes van gemeenten en de verschillen in afspraken/eisen aan gegevensuitwisseling is er sprake van een hoge administratieve last bij aanbieders. Hoewel er in de afgelopen jaren goede stappen zijn gezet om tot meer geharmoniseerde procesafspraken te komen, is er meer nodig, omdat er nog steeds een groot aantal begrippen, procesafspraken en verantwoordings afspraken verschillend geformuleerd zijn, terwijl ze eigenlijk op hetzelfde doelen. Ook is er nog een grote verscheidenheid aan registratie van (zorg)inhoudelijke gegevens.
Het gebrek aan eenheid van taal is bij de uitwisseling van digitale gegevens tussen gemeenten, (zorg en welzijns-)aanbieders en andere ketenpartijen een vermijdbare administratieve last. Betere (uniforme) spelregels zouden moeten leiden tot vermindering van deze administratieve last, zowel in het uitwisselen en verwerken van data als ook in de verantwoording van de uitgaven door aanbieders en gemeenten. Voor deze harmonisering van gegevensuitwisseling is een brede aanpak nodig die uitgewerkt wordt in deze beleidsoptie. Maatregel Deze beleidsoptie richt zich primair op de standaardisatie van begrippen/brondata (eenheid van taal) en de standaardisatie van gegevensuitwisseling (eenheid van techniek) en een wettelijke verankering om dit te realiseren. Andere standaardisaties van bijvoorbeeld gemeentelijke werkprocessen, of uitvoeringsvarianten zijn ook belangrijk voor de toekomst van de Wmo 2015, maar worden in de scope van deze beleidsoptie buiten beschouwing gelaten. In andere beleidsopties kan daar meer aandacht voor zijn. Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten 1.
Uniformering en harmoniseren door “eenheid van taal” (as- is): De (huidige) digitale gegevensuitwisseling ter uitvoering van de Wmo 2015 wordt herijkt, waarbij met behulp van (waar mogelijk domeinoverstijgende) uniforme begrippen, definities, landelijke standaard productcodes en (i-)standaarden een hogere kwaliteit van brongegevens wordt gerealiseerd. 136 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Hierbij wordt gestuurd op meer uniformering en harmonisering. Er wordt ingezet op “eenheid van taal” met behulp van uniforme begrippen, definities en landelijke (verplichte) productcodes. Met deze maatregelen wordt een hogere kwaliteit van brongegevens gerealiseerd, wat ook ten goede komt aan het bestaande berichten verkeer (iWmo & iEB). Als bij de verbetering van de brongegevens ingezet wordt op eenduidige definities, dan zorgt dit voor efficiëntere gegevensuitwisseling en een betere betrouwbaarheid van gegevens om het stelsel te kunnen evalueren. Ook voor het secundaire proces (data & monitoring) voor bijvoorbeeld evaluatie of verantwoording heeft dit enorme voordelen. Als bijvoorbeeld het begrip van wachttijd hetzelfde wordt gedefinieerd als in andere zorgsectoren, dan zou het in de brondata hetzelfde kunnen worden geregistreerd en kunnen uiteindelijk ook de wachttijden via data & monitoring met andere zorgdomeinen worden vergeleken. 2.
Verbetering infrastructuur gegevensuitwisseling door meer “eenheid van techniek”. Als stip op de horizon zouden deze verbeterde brongegevens via een netwerkmodel beschikbaar worden (in plaats van het huidige estafettemodel, waarbij de organisaties via een keten aan elkaar informatie doorgeven). Dit netwerkmodel gaat uit van data bij de bron die via centrale bronregisters als een informatiestroom opgehaald kan worden bij de organisatie die de gegevens registreert. De juiste informatie op de juiste plek op veilige en verantwoorde wijze. Op die manier hoeven partijen niet te wachten totdat zij een bericht ontvangen, maar kunnen ze direct via het bronregister de data inzien indien zij hiervoor geautoriseerd zijn. Ook hoeven partijen reeds verzamelde gegevens niet opnieuw uit te vragen. Dit moet leiden tot minder administratieve lasten. Daarbij geeft dit invulling aan de ambities uit het Integraal Zorgakkoord, waar gesproken wordt op meer regie op gegevensuitwisseling door een landelijk dekkend netwerk.149 3. Het creëren van een integraal beeld van de Wmo op basis van eenmalige registratie in het berichten verkeer voor meervoudig gebruik (zoals bijvoorbeeld Iv3 en monitoring) Rijk en gemeenten varen samen in de mist als het gaat om een totaalbeeld van de Wmo 2015.
Zowel het berichtenverkeer (maatwerkvoorzieningen) als Iv3 laten weliswaar een globaal zien, maar daarop is geen adequaat gezamenlijk beleid te maken. Op deze manier blijven gegevens aan de bron bij de gemeente, die hergebruikt kunnen worden voor andere doeleinden zoals monitoring of evaluatie. Advies: gegeven bovenstaande is het advies om het eenduidig gebruik van het berichtenverkeer te verankeren in wetgeving. Het betreft een dusdanige randvoorwaarde om het stelsel inzichtelijk te maken en gezamenlijke sturing te realiseren. Op basis van wettelijke verankering in de Wmo 2015 (inclusief handhaving en passende governance): Het verdient een nadere analyse welke onderdelen wettelijke verankering behoeven. Dat is niet in deze beleidsoptie uitgewerkt. Het kan bijvoorbeeld gaan om: • Standaardiseren en verplichten van landelijke begrippen- en productcodelijst voor de verschillende diensten en producten in de Wmo 2015. Daarbij kan een vergelijking worden gemaakt met en geleerd van de definities die er al zijn in de Wlz en de Zvw. • Het landelijk inrichten van toezichtstaken op correct gebruik i-Standaarden (nu is alleen het beheer geregeld in de Wmo 2015). • Een sterkere (wettelijke) verankering van de wijze waarop gegevensuitwisseling tussen aanbieders, gemeenten en het CAK plaatsvindt en het gebruik van i-Standaarden daarbij.
• Onderzocht kan worden of de standaardisatie wettelijk verankerd kan worden in aanpalende domeinen zoals de Wpg, mogelijk in samenhang met de op handen zijnde bestuurlijke afspraken uit het AZWA met betrekking tot basisfunctionaliteiten.150 149 In het IZA staat o.a. dat er een betere databeschikbaarheid moet komen door “eenheid van taal en techniek, middels landelijke, interoperabele ict-infrastructuurnetwerken, invulling van generieke functies, een landelijke set aan interoperabele afsprakenstelsels en een landelijke ict-architectuur. Dit geldt voor zowel primair als secundair gebruik met oog voor de verschillen tussen zorgsectoren.” 150 Basisfunctionaliteiten is de werktitel voor de afspraken over inzet op het snijvlak van het medisch en sociaal domein zoals deze nu gemaakt worden in het AZWA. Wederkerigheid is hierbij het uitgangspunt. Denk aan Welzijn op recept of valpreventie. 137 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Financiële effecten Verwachte kosten en besparingen/ betaalbaarheid Deze maatregel is niet in voldoende mate uitgewerkt om gekwantificeerd te kunnen worden, maar de bovenstaande maatregel vraagt (waarschijnlijk) een grote investering.
De eerste schatting uit 2022 is € 85 miljoen.151 Echter deze schatting is gebaseerd op de kennis van toen waarbij er nog geen keuze was gemaakt voor standaarden, en niet alle organisaties waarop de maatregel impact heeft zijn meegenomen. Er is een schatting gemaakt van kosten voor softwareleveranciers (€ 600k - € 2 miljoen).152 Een volledig inzicht ontbreekt derhalve vooralsnog. Om dit inzicht te krijgen wordt er op dit moment een een MKBA uitgevoerd. De uitkomst van deze MKBA vormt mede de onderbouwing van het al dan niet doorvoeren van de beoogde vernieuwing. De analyse moet helder en realistisch zijn over de (uitvoerings) mogelijkheden, beperkingen en kosten zodat beleidskeuzes en financiële consequenties ten aanzien van de informatievoorziening in het sociaal domein goed onderbouwd kunnen worden. Gebruik van het netwerkmodel zou ook de (her)bruikbaarheid van data ten behoeve van monitoring ten goede moeten komen als uitgegaan kan worden van (geanonimiseerde) brongegevens. De bronregisters moeten geschikt zijn voor primair en secundair gebruik.
In IV3-data, waarin gemeenten rapporteren over hun baten en lasten aan het ministerie van BZK en het CBS, is in de taakvelden die betrekking hebben op de Wmo 2015 al een koppeling gemaakt met iWmo-codes voor de maatwerkvoorzieningen.153 Personele effecten Vraag, aanbod en productiviteit • Bij het herzien van de systemische randvoorwaarden kan als uitgangspunt genomen worden dat er een direct positief effect moet zijn als het gaat om vermijdbare gegevensregistratie in het primaire zorgproces. Dit uitgangspunt verhoogt de aantrekkelijkheid van het werk. Uit onderzoeken onder werknemers blijkt dat onnodige administratieve lasten het werkplezier negatief beïnvloeden. Het verloop van sociaal werkers in de welzijns sector is hoog. Op het terrein van de Wmo 2015 is voor 30% van de sociaal werkers de administratieve lasten de reden de sector te verlaten. • Kijkend naar de baten van de “business case vernieuwing informatievoorziening i-Sociaal Domein” heeft een dergelijke maatregel een positief effect op “efficiënte gegevensuitwisseling” en op “goede dienst- verlening” waardoor de arbeidsproductiviteit van medewerkers verhoogd wordt.154 Meer eenduidigheid en eenheid van taal leidt uiteindelijk tot minder administratieve lasten voor de betrokken professionals.
Als alle 342 opdrachtgevende partijen in het sociaal domein allemaal dezelfde gegevens verplicht stellen, is dat een grote verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Productieve uren die besteed kunnen worden aan ondersteuning (in plaats van administratie) zullen omhooggaan. Maatschappelijke effecten Toegankelijkheid en kwaliteit van zorg en ondersteuning Niet van toepassing. 151 Businesscase Vernieuwing infrastructuur i-sociaal domein KPMG 2022. 152 Impactanalyse softwareleveranciers iWlz. 153 Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/richtlijnen/2015/10/02/ iv3-informatievoorschrift-gemeenten-en-gemeenschappelijke-regelingen. 154 Businesscase Vernieuwing infrastructuur i-sociaal domein KPMG 2022. 138 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Uitvoerbaarheid Juridische aspecten Het voorstel vergt in ieder geval een wetswijziging. Uitvoerbaarheid Rijk: Het Rijk zal zich naar gemeenten duidelijk moeten uitspreken over hoe en op welke onderdelen zij haar stelselrol steviger zal willen invullen. Het Rijk zal mogelijk de gewenste uniformering en standaardisering moeten vastleggen in wet- en regelgeving. De Wmo 2015 kent een grondslag waarmee de minister bindende regels kan stellen om uitvoeringslasten te beperken (artikel 2.6.7a).
Deze aanvullende regels zijn verplichtend voor gemeenten en kunnen gaan over de financieringswijzen en administratieve processen die behoren bij de bekostiging van aanbieders door gemeenten, de manier waarop gegevensuitwisseling tussen aanbieders, gemeenten en CAK plaatsvindt of de manier waarop verantwoording van aanbieders aan gemeenten plaatsvindt. 155 Gemeenten: Gemeenten moeten zich een duidelijk beeld vormen en uitspreken op welke onderdelen in de Wmo 2015 de lokale beleidsruimte echt essentieel is en op welke onderdelen landelijke uniformering juist gewenst is. Ook zullen gemeenten een duidelijke visie moeten ontwikkelen op welke primaire data zij van aanbieders verwachten vanuit het oogpunt ‘need to know’ in plaats van ‘nice to know’. Aanbieders: Aanbieders zijn essentieel voor zowel Rijk als gemeenten om informatie te verkrijgen over de vermijdbare regeldruk in de Wmo 2015 die het primaire proces raakt. Aanbieders zijn vaak de eerste penvoerder van eenheid van taal. De bron van data is de werkvloer hetgeen betekent dat initiatieven van aanbieders, die gericht zijn op uniform registreren, een grote impact kunnen hebben op datazuiverheid van de hele keten. 155 In artikel 2.15 Jeugdwet en artikel 2.6.7a Wmo 2015 staat een formulering van gelijke strekking. Zie hier de formulering uit de Wmo 2015, artikel 2.6.7a, leden 1 en 2: 1.
In het belang van de beperking van uitvoeringslasten stelt Onze Minister regels. Deze regels kunnen slechts betrekking hebben op: a. de financieringswijzen en administratieve processen, behorende bij de bekostiging van aanbieders door colleges; b. de wijze waarop gegevensuitwisseling tussen aanbieders, colleges en CAK plaatsvindt; c. de wijze waarop verantwoording van aanbieders aan colleges plaatsvindt. 2. De colleges hanteren geen aanvullende of afwijkende eisen aangaande de onderwerpen waarover Onze Minister op grond van het eerste lid, onderdeel a, regels heeft gesteld. 139 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Aandachtspunten en alternatieven Op basis van vrijwilligheid en zelfbinding Het is mogelijk om via zelfbinding tot eenduidige afspraken te komen met betrekking tot systemische randvoorwaarden van het uitwisselen van gegevens. Tegelijkertijd is dat sinds de decentralisaties van 2015 weerbarstig gebleken. Waar de innovatiekracht van gemeenten heeft geleid tot innovatieve beleidsconcepten en een andere manier van wijkgericht werken die past bij de sociale kaart van een gemeente, heeft dat aan de administratieve kant van het sociaal domein juist geleid tot veel (onnodige) administratieve lasten. Dit omdat gemeenten eigen definities van diensten en productcodes hanteren die onderling niet of beperkt vergelijkbaar zijn.
Dat betekent niet dat gemeenten geen bereidheid tonen om tot meer eenduidige afspraken te komen. De laatste tijd is er juist veel aandacht voor de negatieve effecten van deze beleidsruimte en is er draagvlak om tot meer uniformiteit te komen.156 156 De contractstandaarden Wmo 2015 die onder leiding van het Ketenbureau i-Sociaal Domein ontwikkeld zijn, werden eind 2024 in de Algemene Ledenvergadering van de VNG met 95% van de stemmen aangenomen. Deze zijn door gemeenten vastgesteld als algemeen verbindend. Dat betekent dat alle gemeenten zichzelf verplichten om deze standaarden te gebruiken. 140 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 20 Toegang en ondersteuning altijd integraal De belofte van integraal werken waarmaken Beleidsoptie nummer: 20 Maatregel in het kort: De maatregel voorziet vooral in een (financiële) verschuiving van maatwerk naar brede lokale teams en betere meer passende (en integrale) ondersteuning waar dat nodig is. Veel van deze ontwikkelingen zijn al in gang gezet in separate trajecten. Omschrijving van de maatregel Het doel van de decentralisaties was onder andere dat de ondersteuning van inwoners meer integraal en passender zou kunnen worden vormgegeven (onder meer door de introductie van integrale sociale wijkteams).
Uit verschillende onderzoeken en signalen blijkt dat deze integraliteit nog niet (altijd en overal) van de grond komt; de ontwikkeling van integrale ondersteuning en sociale wijkteams is daarmee nog niet volgroeid. In deze beleidsoptie zijn maatregelen uitgewerkt om deze (gewenste) ontwikkeling te stimuleren. De kern van deze beleidsoptie: stel gemeenten zoveel mogelijk in staat een brede toegang op te zetten en creëer de juiste (wettelijke) randvoorwaarden daarvoor: • Een brede toegang leidt volgens het onderzoek naar de uitvoeringspraktijk in het kader van deze houdbaarheids studie tot een relatief laag gebruik van maatwerkvoorzieningen. • Daarbij is het belangrijk dat er een generalistisch team klaarstaat binnen de gemeente: een lokaal team met onafhankelijke cliëntondersteuning. Tegelijkertijd is juist voor mensen en gezinnen met complexe problemen of problemen op meerdere leefgebieden (zoals dakloosheid, huiselijk geweld, verslaving en GGZ-problematiek) of bijzondere doelgroepen (bijvoorbeeld LVB, NAH, autisme) nodig dat er specifieke expertise bij betrokken wordt, aanbod beschikbaar is én tegelijkertijd naar meerdere leefdomeinen gekeken wordt.
De kant die we op zouden kunnen gaan is het maken van onderscheid tussen aan de ene kant doelgroepen en hulpvragen die meer enkelvoudig zijn en op een enkelvoudige manier beantwoord kunnen worden, zodat er ruimte is voor complexe/meervoudige vragen waar specialistische hulp nodig is voor (soms) specifieke doelgroepen. • Dit laatste betekent dat er ook mogelijk iets te doen is in regionale samenwerking met betrekking tot specialistische functies.157 Dit vraagt helderheid in wat lokaal beschikbaar moet zijn en waarvoor regionaal samengewerkt moet worden. • Lokale (wijk)teams zouden met een breder mandaat en betere toerusting (dus: ruimte om over domeinen heen te handelen, inclusief toegang tot expertise uit bijvoorbeeld ggz/verslavingszorg/ schuldhulp) en structurele samenwerking met zorgverzekeraars en woningcorporaties een primaire rol kunnen spelen in het meer integraal werken. • Dit kan dan ook doorwerken in het keukentafelgesprek – naast dat dat breed gevoerd kan worden op meerdere leefdomeinen (wonen, inkomen, netwerk, veiligheid, zorg, gezondheid) zou indien nodig specialistische kennis al direct betrokken kunnen worden.
• We zien een aantal sleutels die helpen een stapje in de juiste richting te maken om het integraal werken beter te accommoderen (zie hieronder): 157 Zoals woonbegeleiding, forensische zorg, bemoeizorg, huiselijk geweld en kindermishandeling beschikbaar te houden. 141 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Maatregelen: A. een centrale en duidelijke positionering van lokale teams, B. ontwikkelen van een consultatiefunctie bij lokale teams, C. doorontwikkeling van de onafhankelijke clientondersteuning – binnen de Wmo 2015, maar ook daarbuiten, en D. passende integrale voorzieningen voor specifieke doelgroepen. Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten A. In de huidige situatie worden (ingestoken vanuit Hervormingsagenda Jeugd) beleidsmatig en in praktijk lokale teams centraal gepositioneerd in het sociaal domein. Er is een richtinggevend kader met kenmerken van een sterk lokaal team waarin wordt aangegeven over welke expertise een lokaal team moet beschikken en welke uitgangspunten voor hulp en ondersteuning er aanwezig moeten zijn. Daarnaast wordt een convenant ontwikkeld met partners om de ontwikkeling richting sterke lokale teams te ondersteunen met de focus op integrale lokale teams (dus breder dan jeugd). Tegelijkertijd wordt wetgeving voorbereid, waarin de kenmerken van lokale teams worden vastgelegd voor zowel de Wmo 2015 als de Jeugdwet.
Hierdoor zal er overal in Nederland een lokaal team met gelijke kenmerken zijn wat duidelijk is voor de inwoner maar ook voor partners. Deze (reeds) in gang gezette maatregel zal leiden tot meer eenduidigheid en duidelijkheid in de (lokale) toegang. In beleids(door)ontwikkeling kan ook nog meer samenhang worden gecreëerd met de SZW-domeinen. B. Bij de doorontwikkeling van lokale teams zou een (verplichte) consultatiefunctie (zoals nu bij Veilig Thuis) kunnen bijdragen aan het eenvoudig vinden en beschikbaar maken van specialistische kennis. Dit betekent veel in de (regionale/lokale) positionering. Andere mogelijkheden tot doorontwikkeling is het definiëren van taken in de wet die meer verplichtend zijn. Ook functies als waakvlamondersteuning kunnen op termijn onderdeel worden van lokale teams. Verder kan gekeken worden naar een bevoegdheid van het lokaal team om op basis van deze kennis, expertise en taken ook te prioriteren in casussen en dat expliciet te maken in wetgeving. C. Onafhankelijke cliëntondersteuning kan voor mensen helpend zijn om een integrale (breder dan alleen de Wmo 2015, gemeentelijk domein) hulpvraag te helpen formuleren , de weg te wijzen en te helpen verkrijgen wat voor hen nodig is. Ook deze functie kent verschillende vormen per gemeente.
De verschillen zitten vooral in afbakening van de opdracht (ureninzet, afbakening van de (levens) domeinen of een onderscheid tussen jeugd en volwassenen) en positionering van de functie. Door deze verschillen zien we dat de bekendheid van cliëntondersteuning onder burgers en professionals laag blijft en mensen niet altijd de weg vinden naar de cliëntondersteuner terwijl zij hier wel behoefte aan hebben. Cliëntondersteuning is bedoeld om inwoners te helpen hun hulpvraag te formuleren en is dus zo vroeg mogelijk in het proces noodzakelijk. In de doorontwikkeling van cliëntondersteuning is hierbij de richting om onderscheid te gaan maken in enkelvoudige vragen (waar wellicht makkelijk een vrijwilliger kan helpen) en mensen die langdurig op meerdere levensvragen hulp nodig hebben (specialistische cliëntondersteuning, of cliëntondersteuning waarvoor eventueel meer eisen in de wet over worden opgenomen).158 D. De voorzieningen die gemeenten aanbieden zijn (slechts) voor een deel van de mensen met een ondersteuningsvraag passend. Voor een ander deel (met name mensen die langdurige problematiek hebben of variërend in intensiteit) sluiten voorzieningen niet altijd aan. Deze is te star, of juist te flexibel. Ondersteuning is zodoende nog te vaak aanbod-gestuurd in plaats van vraag-gericht.
158 Voor cliëntondersteuning lopen nu een aantal onderzoeken, de uitkomsten hiervan moeten meegenomen worden in doorontwikkeling en vergen mogelijk ook (verregaande) wetswijziging. Variërend van een wet op cliëntondersteuning waarbij helemaal breed wordt gekeken in zorg, ondersteuning en hulp (Zvw, Wlz, Wmo 2015, Jeugdwet en Participatiewet) tot meer duidelijkheid in taken voor gemeenten (inclusief wellicht kwaliteitseisen, taakdifferentiatie). 142 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Financiële effecten Verwachte kosten en besparingen/ betaalbaarheid De lokale teams fungeren als een toegangspoort. Een versteviging van de lokaal teams met meer taken kan leiden tot een verschuiving van middelen naar algemene voorzieningen en lokale teams en weg van maatwerkvoorzieningen. Deze verschuiving in middelen is in onderzoek A4 ook duidelijk zichtbaar (afname maatwerkvoorzieningen). Tegelijkertijd laat het onderzoek A4159 ook zien dat door de toegenomen kosten er geen grote verschillen zijn op de totale kosten. Zie ook: gemeente Utrecht (grote investeringen in lokale team en voorkant, minder kosten aan maatwerkvoorzieningen).160 Deze effecten zullen nader in beeld moeten worden gebracht. Een eerste kostenonderzoek gaat in het najaar van 2025 van start.
Personele effecten Vraag, aanbod en productiviteit • De vraag blijft in principe hetzelfde, het werk wordt echter op een andere plek uitgevoerd (verschuiving). Voor een krachtige impuls kan het wel noodzakelijk zijn extra personeel aan te nemen. Dit zal iets betekenen voor het personeel in andere delen van de zorg en het sociaal domein. • In de transitiefase zal er meer personeel nodig zijn omdat de verminderde inzet aan de achterkant dan nog niet gerealiseerd is terwijl er al wel aan de voorkant moet worden geïnvesteerd in personeel. Zie ook: Investeren in sociaal werk: sleutel tot een gezonde arbeidsmarkt en samenleving | Sociaal Werk werkt! • Integraal werken kan de administratieve lasten verlagen als het goed wordt ingericht: met gezamenlijke regie, gedeelde systemen, duidelijke verantwoordelijkheden en afgestemde verantwoording. Zonder die randvoorwaarden bestaat het risico op juist méér administratie. Maatschappelijke effecten Toegankelijkheid en kwaliteit van zorg en ondersteuning De toegankelijkheid wordt verbeterd, het team wordt zichtbaarder voor de inwoner en de inwoner zal merken dat diens vraag beter kan worden opgepakt. Uitvoerbaarheid Juridische aspecten De meeste maatregelen kunnen op basis van (bestuurlijke) afspraken vormgegeven worden; echter daarmee bestaat een grote kans dat niet alle maatregelen ook daadwerkelijk overal geïmplementeerd worden.
Het valt te overwegen om onderdelen wettelijk te verankeren om zodoende meer eenduidigheid af te dwingen. Uitvoerbaarheid De beleidsruimte wordt met een wettelijke verankering ingeperkt als wordt voorgeschreven dat iedere gemeente met een sterk lokaal team dient te werken. De VNG heeft zelf het richtinggevend kader vastgesteld waarin deze kenmerken ook al worden genoemd. De maatregelen liggen wel in het verlengde van de verantwoordelijkheid die gemeenten nu al dragen, waardoor verondersteld kan worden dat onder voorwaarden (zie ook hieronder) uitvoering van de maatregelen reëel geacht wordt. 159 RIVM (2025), De uitvoeringsprakijk van de Wmo. Verschillen in inrichting en uitgaven van gemeenten. 160 Raadsbrief Benchmarkrapport Cebeon begroting 2023 Utrecht - iBabs Publieksportaal. 143 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Aandachtspunten en alternatieven • Aanpassingen vragen om implementatietijd in een deel van de gemeenten. Dit leidt op korte termijn tot beslag op de capaciteit en het brengt implementatiekosten met zich mee. Bij een nadere uitwerking dient hier rekening mee te worden gehouden. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de afhankelijkheid van andere trajecten zoals de Hervormingsagenda Jeugd. • Ruimte om de ‘doorbraakmethode’ breed toe te passen; de methode heeft zich namelijk bewezen in de afgelopen jaren.
• Verder is gebrek aan bestaanszekerheid ook een oorzaak of onderliggend issue bij een hulpvraag van mensen. Daarom is het belangrijk dat ondersteuningsvragen integraal worden opgepakt. In de ‘hervormingsagenda inkomensondersteuning’ wordt er aan gewerkt dat inkomensondersteuning meer mensen zekerheid moet bieden, makkelijker te begrijpen moet zijn en (meer) werken moet lonen. Naast de hervorming van het belasting- en toeslagensysteem wordt ook gewerkt aan een herziening van de Participatiewet en is er aandacht voor bestaanszekerheid in het programma armoede en schulden. In de doorontwikkeling zou bestaanszekerheid meer moeten aansluiten bij de uitvoering van de Wmo 2015, bijvoorbeeld in lokale teams en bij cliëntondersteuning. Door integraal werken daadwerkelijk mogelijk te maken zal breed gewerkt worden aan de bestaanszekerheid van individuele personen. 144 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 21 Op een ander schaalniveau (maatwerk)voorzieningen/ verantwoordelijkheden inkopen en organiseren Meer congruentie en duidelijkheid ten aanzien van inkoop(regio’s) Beleidsoptie nummer: 21 Maatregel in het kort: Deze beleidsoptie verkent op welk niveau bepaalde voorzieningen doelmatig(er) ingekocht kunnen worden en waar verantwoordelijkheden voor specifieke voorzieningen belegd dienen te worden.
Het doel is om te komen tot meer congruentie in lokale en regionale indelingen en samenwerkingen. Omschrijving van de maatregel In de afgelopen tien jaar van de Wmo 2015 zijn verschillende verantwoordelijkheden op lokaal, regionaal en deels landelijk niveau belegd. In de praktijk worden voorzieningen door gemeenten lokaal, via centrum- gemeenten of gemeenschappelijke regelingen ingekocht. In de Wmo 2015 komen ook centraal uitgevoerde én gefinancierde voorzieningen voor zoals bovenregionaal vervoer, de tolk voor auditief beperkten (UWV) en de luisterlijn (Sensoor). De huidige verdeling van verantwoordelijkheden leidt mogelijk tot onduidelijkheid en inefficiëntie. In deze analyse wordt verkend op welke schaalniveaus verantwoordelijkheden binnen de Wmo 2015 (het beste) kunnen worden belegd om de uitvoerbaarheid, doelmatigheid en transparantie van het stelsel te verbeteren — en wat dat betekent voor de rolverdeling tussen Rijk en gemeenten. Deze analyse richt zich nadrukkelijk op het schaalniveau van de inkoop van maatwerkvoorzieningen , en niet op de toegang of toeleiding tot ondersteuning. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld, in lijn met de lokale beleidsruimte van de Wmo 2015, de toegang tot ondersteuning op verschillende manieren organiseren, zoals via integrale wijkteams die breed opereren over het sociaal domein heen.
Die keuzes blijven eveneens nadrukkelijk buiten de scope van deze beleidsoptie. 145 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Beoordelingskader Bij het bepalen van het schaalniveau voor de inkoop van maatwerkvoorzieningen hanteren we drie afwegingscriteria: (1) marktstructuur / aanbodlandschap, (2) complexiteit en specialisatie van de dienst, (3) behoefte aan afstemming of coördinatie. Deze criteria helpen te bepalen of lokale, regionale of landelijke organisatie het meest passend is (zie hiervoor ook appendix 2 en appendix 3). maatwerkvoorzieningen Afwegingscriteria Huishoudelijke hulp + hulpmiddelen Voorzieningen die relatief beleidsarm zijn (zoals huishoudelijke hulp, hulpmiddelen of taxivervoer) kunnen doelmatiger (boven-)regionaal worden ingekocht. Tegelijk moet worden geborgd dat gemeenten, ook binnen regionale kaders, invloed houden op de inhoud en kwaliteit van de voorziening. Beleidsruimte is geen doel op zich, maar een instrument om verschil te maken waar dat nodig is. Tegelijkertijd kan het aanbodlandschap en de lage complexiteit van bijvoorbeeld huishoudelijke hulp en het taxivervoer een argument zijn om de inkoop hiervan lokaal te beleggen. De argumentatie kan dus twee kanten op werken. (Meer) regionaal of landelijk inkopen, danwel meer regionale of landelijke regie kan op basis van het afwegingskader worden voorgesteld.
Feitelijk weinig variatie ten aanzien van deze voorzieningen (deze zijn vrij generiek van aard) en ten aanzien van de hulpmiddelen geldt dat er een zeer beperkte markt is. Door op een ander niveau inkopen/organiseren kunnen schaalvoordelen danwel afstemmings- en transactionele voordelen behaald worden. Dagbesteding/ begeleiding De mate waarin de lokale structuren en infrastructuur essentieel zijn voor de vormgeving van de ondersteuning, worden dusdanig belangrijk geacht dat een andere (grotere) schaal niet geschikt geacht wordt. Beschermd Wonen Lokale samenhang en begeleiding bij Beschermd Thuis is essentieel voor kwalitatieve ondersteuning. Voor Beschermd Wonen (instelling) speelt “prikkelwerking” tussen regio- en lokale gemeente een rol. Beschermd Wonen is een complexe vorm van ondersteuning en kent een grote huisvestingscomponent, hetgeen schaalvergroting op zichzelf billijkt. Voor de instellingskant van Beschermd Wonen lijkt op regionaal niveau (centrumgemeente) nog steeds (meest) passend. Voor de “in de wijk wonen” kant van Beschermd Wonen kan lokaal inkopen (inhoudelijk) wenselijk zijn. Maatschappelijke Opvang Regionaal inkopen blijft meest geschikte schaalniveau. Vrouwenopvang en opvang slachtoffers mensenhandel Meer landelijke kaders wordt als oplossingsrichting gezien, echter ook hier is een bepaalde mate van lokaal of regionaal perspectief noodzakelijk.
De mate waarin gemeenten te maken hebben met deze doelgroep (en dus genoodzaakt zijn om een voorziening hiertoe in te richten) is onder andere afhankelijk van de omvang en geografische ligging van de gemeente. De complexe problematiek en ondersteuning, specialistische expertise die nodig is en vaak kleinere doelgroep vragen om organisatie op grotere schaal. Hoewel de uitvoering toch op (boven) regionaal niveau door gemeenten moet plaatsvinden, zijn landelijke kaders noodzakelijk. Interventies ten aanzien van samenwerking medisch en sociaal domein Gegeven de beweging van de zorgakkoorden en ook de afspraken die hierin zijn geland, is een sterk regionale inbedding van deze interventies noodzakelijk (vraagt namelijk frequente afstemming en samenwerking met bijvoorbeeld zorgverzekeraars, zorgkantoren en andere meer regionale georganiseerde structuren). Grosso modo wordt meer regionale samenwerking als oplossingsrichting gezien; het is daarbij vooral zaak om duidelijke en op continuïteit gerichte samenwerkingsverbanden aan te gaan en te zoeken naar congruentie en samenhang met andere domeinen (o.a. inhoudelijke domeinen zoals toezicht en handhaving). Verplichting tot die regionale samenwerking kan daarbij een (uiterste) mogelijkheid zijn.
Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten Gemeenten zijn nu vaak betrokken in meerdere regio’s tegelijk: voor inkoop, voor veiligheid, voor jeugdzorg, voor gezondheidsbeleid enz.. Dat maakt aansturing en verantwoording ingewikkeld. Kies bij voorkeur voor een beperkt aantal duidelijke regio-indelingen per functietype, en zorg dat die leidend zijn in zowel inhoudelijke samenwerking als verantwoordingsstructuren. De uitvoering (zeker ook bij aanbieders) snakt naar eenvoud en overzicht; ook voor cliënten kan door meer overzicht duidelijkheid gecreëerd worden. Voor een aantal specifiekere (opvang)voorzieningen dienen landelijke expliciete keuzes gemaakt te worden. 146 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Voorzieningen raken ook andere wetten en domeinen (Jeugdwet, Zvw, Wlz). Zorg dat schaalkeuzes en governance-oplossingen aansluiten bij wat daar al gebeurt. Sluit aan bij bestaande structuren zoals de IZA-regio’s en voorkom dat een nieuw inkoop- of toegangssysteem haaks staat op andere domeinen waar samenwerking ook al plaatsvindt.
Financiële effecten Verwachte kosten en besparingen/ betaalbaarheid Op een aantal onderdelen wordt een inschatting gemaakt waar de financiële consequenties positief dan wel negatief uitpakken: • Efficiëntere inkoop en langere transactiekosten (minder contractvariatie, minder lokale aanbestedingen): - PM stelsel • Meer onderhandelingskracht bij gemeenten: - PM gemeenten • Betere aansluiting op contractering vanuit andere zorgwetten: -/+ PM stelsel • Mogelijk opwaartse druk ten aanzien van tarieven: + PM tarieven Personele effecten Vraag, aanbod en productiviteit • Niet direct. De maatregel verandert de organisatie van de inkoop, niet de inhoud of beschikbaarheid van ondersteuning. Wel kan betere afstemming over regio’s leiden tot effectievere inzet van personeel. Schaalvergroting kan bijdragen aan een meer voorspelbare vraag, waardoor aanbieders efficiënter personeel kunnen plannen. • Bij een hoger schaalniveau bestaat er een kans dat kleine aanbieders eerder worden uitgesloten; er vindt dan wel een verschuiving plaats binnen de sector. Maatschappelijke effecten Toegankelijkheid en kwaliteit van zorg en ondersteuning Een meer eenduidige inkoop leidt tot minder versnippering en daarmee minder verschillen tussen buur(t) gemeenten.
Tevens ontstaat bij een congruente regionale samenwerking een betere aansluiting tussen aanpalende regionaal belegde domeinen en beleid (zoals toezicht en handhaving). Uitvoerbaarheid Juridische aspecten Indien gekozen wordt tot een verplichting tot regionale samenwerking dan vraagt dit een wetswijziging. Uitvoerbaarheid In de praktijk bepaalt het regionale contract wat lokaal beschikbaar is — ook al ligt de toegang juridisch bij de gemeente. Dit heeft directe gevolgen voor de mogelijkheid om maatwerk te leveren. Een bovenlokaal contract, dat niet past bij lokale behoeften, beperkt de handelingsruimte van gemeenten én raakt de ook rechtspositie van burgers. Tegelijkertijd kan hiermee ook meer eenduidigheid (“wat kan ik wel krijgen vanuit de overheid”) worden gecreëerd. Dit vraagt om een betere koppeling tussen inkoopkeuzes en toegangssystematiek, inclusief juridische borging dat lokale verantwoordelijkheid niet onder druk komt te staan. De gevolgen voor de kosten zijn niet alleen afhankelijk van de gekozen inkoopmethode; ook de wijze waarop de toegang is ingericht (breed of smal) en de individuele taakzwaarte van gemeenten zijn een belangrijke factor. 147 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Aandachtspunten en alternatieven Een op onderdelen gedeconcentreerde uitvoering kan een alternatieve maatregel zijn.
Elementen in de overwegingen om hiervoor te kiezen, zijn: • Op termijn kunnen uitvoerende taken Wmo 2015 worden gezien als gedeconcentreerde uitvoering van het rijksbeleid, niet als gedecentraliseerde opgave voor gemeenten. • Benodigde expertise, regionale gebondenheid van de taken of organisatieoverwegingen spelen een belangrijke rol in de overweging. • De verplichting tot regionale/landelijke inkoop heeft negatieve consequenties voor de democratische legitimiteit van het decentraal bestuur. De politieke ruimte voor lokale volksvertegenwoordigers om hun volksvertegenwoordigende, controlerende en kaderstellende rollen te kunnen waarmaken en voor het bestuur om eigen beleid te maken wordt ingeperkt. Door deze nieuwe samenwerkingsverbanden heeft de gemeenteraad minder mogelijkheden om te sturen en controleren op de uitvoering van de Wmo. 148 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 22 Continuïteit in de uitvoering Verstandig inkopen, subsidiëren en inbesteden Beleidsoptie nummer: 22 Maatregel in het kort: Deze maatregel schetst de mogelijkheden om de kennis- en expertiseontwikkeling op inkoop, subsidie en inbesteding te stimuleren en heeft met name betrekking op de uitvoering. Omschrijving van de maatregel Gemeenten ervaren beperkingen om langdurige contracten en subsidies mogelijk te maken.
In deze beleidsoptie is voorgesteld om twee hoofdopties voor maatregelen nader uit te werken: Maatregelen: A. Het in de wet opnemen van bepalingen die continuïteit van personeel en aanbieders beter garanderen. Het betreft: - minimale looptijden van contracten en subsidies; - minimale randvoorwaarden voor overname personeel bij overgang naar nieuwe aanbieder. Hiervoor zijn de volgende drie wijzigingen van wet- en regelgeving denkbaar: 1. Aanpassing van algemene nationale en Europese wet- en regelgeving rondom subsidiëren, open house en aanbesteden en overname van personeel Eventuele beperkingen kunnen worden weggenomen om langdurige contracten en subsidies mogelijk te maken, net als beperkingen bij overname van personeel. 2. De Wmo 2015 aanpassen om continuïteit in de uitvoering te verbeteren Een andere oplossingsrichting kan zijn om niet algemene wetgeving rondom aanbesteden, subsidiëren of open house aan te passen, maar om de Wmo 2015 zelf aan te passen. Geopperd is of er een minimale looptijd van contracten in de Wmo 2015 kan worden opgenomen van bijvoorbeeld vier jaar. Ook is besproken óf de gehele Wmo 2015 gewijzigd moet worden om marktwerking in de uitvoering tegen te gaan. 3. Standaardisering in de uitvoering verplichten Standaardisatie van de uitvoering kan de continuïteit in de uitvoering stimuleren.
Overwogen kan worden gemeenten wettelijk te verplichten om standaarden rondom contracteren en subsidiëren, verantwoording en informatie-uitwisseling te gebruiken. Hierdoor heeft wijziging van aanbieders of contracten en subsidies minder invloed op de uitvoering van de Wmo 2015 omdat dezelfde voorwaarden gelden. Aan de mogelijkheden tot standaardisering wordt in een andere beleidsoptie al uitgebreider aandacht besteed. B. Het uitwerken van een ondersteuningslijn (bijvoorbeeld vanuit het Ketenbureau i-Sociaal Domein). In de ondersteuningslijn worden inkopers goed opgeleid en ‘good practices’ gedeeld die gemeenten helpen om de continuïteit in de uitvoering te bevorderen en te verbeteren. 149 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten Het wegnemen van eventuele beperkingen om langdurige contracten en subsidies mogelijk te maken binnen algemene wet- en regelgeving (zoals de Europese Aanbestedingsrichtlijn 2014 en landelijke wet- en regelgeving (Aanbestedingswet 2012). Conclusies van de verkenning: • De huidige wet- en regelgeving rondom inkoop- en aanbesteding en subsidies biedt voldoende mogelijkheden aan gemeenten om passende instrumenten te kiezen voor een goede uitvoering van de Wmo 2015. • Gemeenten kunnen zelf binnen de vigerende wettelijke kaders een (langere) looptijd van de contracten bepalen en subsidies afsluiten.