De Rapportage houdbaarheid Wmo: Tijd voor stevige keuzes (oktober 2025)
Tekst van het document
Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten Het versterken en borgen van preventief collectief lokaal gezondheidsbeleid gericht op ouderen, met daarin aandacht voor leefstijlfactoren als bewegen, voeding, welbevinden (waaronder eenzaamheid), sociale cohesie en alcoholgebruik. Daarbij wordt aan gemeenten gevraagd verbinding te zoeken met onder andere het beleid ten aanzien van het sociaal domein, sport- en beweegbeleid, bestaanszekerheid en de fysieke leefomgeving. Om de uitvoering van de wettelijke bepaling inzake ouderengezondheidszorg (artikel 5a Wpg) te bevorderen, zouden een aantal taken uitgewerkt kunnen worden door het ministerie van VWS en (voor zover nodig) vervolgens neergelegd kunnen worden in een algemene maatregel van bestuur (AMvB) op grond van artikel 5a Wpg: 1. VWS beschrijft een concreet takenpakket ten aanzien van ouderengezondheidsbeleid voor gemeenten.124 2. Gemeentelijke taken zijn: - Breng de gezondheidssituatie van ouderen in de gemeente/regio in kaart en signaleer daarin gezondheids problemen en -risico’s in de lokale en regionale context. Gezond ouder worden begint al voor 50 jaar, zeker bij groepen die al een gezondheidsachterstand hebben. - Maak per gemeente/regio met organisaties in het veld en ouderen zelf een integraal plan (inclusief doelstellingen) voor de uitvoering van collectieve preventieve ouderengezondheidszorg.
125 Het ligt voor de hand dat dit op regionaal niveau onderdeel is van het IZA regioplan. In dit plan is aandacht voor groepen waar meer kwetsbaarheid is of verwacht wordt (denk bijvoorbeeld aan het inzetten van een interventie als sociaal vitaal in kleur). 126 Collectieve preventie richt zich in ieder geval op de thema’s voeding, bewegen, mentaal welbevinden, roken, alcoholgebruik en leefomgeving. 124 Voor de jeugdgezondheidszorg is op activiteitniveau uitgewerkt wat gemeenten dienen aan te bieden. Voor ouderen gezondheidszorg zou kunnen worden volstaan met een aantal taken in het proces die zorgen voor planmatig, doelgericht beleid dat past bij de lokale context en die recht doen aan de autonomie van gemeenten. 125 Het kan gaan om een apart plan, maar planvorming kan ook landen in een gerelateerde nota zoals het beleidskader sociaal domein of de nota lokaal gezondheidsbeleid. 126 Dit is een voorbeeld van een interventie die zich richt zich op ouderen met een migratieachtergrond. 106 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Er wordt in de planvorming gebruik gemaakt van kansrijke en effectieve interventies. Maar conform het gedachtegoed Gezondheid in alle beleidsdomeinen kan het ook gaan over gezondheid meenemen naar ander gemeentelijk beleid.
Hierbij valt te denken aan ruimtelijke ordeningstrajecten waarbij bij de bouw van woningen voor ouderen rekening wordt gehouden met de wijze hoe sociale cohesie en beweging kan worden gestimuleerd. De manier waarop dit gebeurt, is aan gemeenten zelf. Dit past bij de landelijke afspraken in bijvoorbeeld de zorgakkoorden IZA/GALA en AZWA. Deze akkoorden zorgen voor richting (en middelen), bijvoorbeeld door te benoemen op welke leefgebieden en onderwerpen ten minste ingezet wordt. Daaraan gekoppeld zijn handzame voorbeelden van initiatieven en aanpakken opgenomen zoals bijvoorbeeld de ketenaanpakken ‘Welzijn op recept’, valpreventie en ‘Een tegen eenzaamheid’. 3. Gemeenten werken samen in de regio en beleggen de coördinatie en planvorming bij de GGD als regionale uitvoeringsorganisatie van gemeenten: - De beweging in het IZA/AZWA/HLO is regionaal, om op deze manier meer slagkracht te organiseren. Gemeenten dienen dit lokaal te beleggen, waarbij het de voorkeur heeft (in lijn met bewegingen IZA/GALA/AZWA en grotere slagkracht) om dit regionaal te organiseren. Organisaties in het veld die werken aan ouderengezondheidsbeleid zijn ook vaak regionaal georganiseerd. Het is daarom voor de hand liggend om deze taken te beleggen bij een regionale uitvoeringsorganisatie.
- De wettelijk verankerde regionale GGD van de gemeenten is qua kennis over de gezondheidssituatie (epidemiologie) en preventief gezondheidsbeleid (gezondheidsbevordering) en als adviseur over lokaal gezondheidsbeleid de meest voor de hand liggende organisatie om de coördinatie uit te voeren op het ouderengezondheidsbeleid. - Er dient onderscheid te zijn tussen coördinatie en uitvoering. Hoewel er lokaal al veel interventies worden ingezet voor ouderen, is veel gericht op het individu. Er ligt een kans in het verbinden van deze bestaande initiatieven aan een integrale planmatige inzet. Daarnaast wordt het ouderengezondheidsbeleid versterkt wanneer ook door verschillende partijen die gericht zijn op ouderen vanuit de uitvoering meer gedacht wordt vanuit preventie. Een aan te wijzen coördinerende organisatie brengt vervolgens deze initiatieven bij elkaar en zorgt voor samenhang, verbinding en een effectieve planmatige aanpak (de coördinerende partij voert bij voorkeur niet zelf preventief aanbod uit, tenzij er gaten zijn in het aanbod en er geen andere partij is die de uitvoering kan doen). 4. Gemeenten dragen zorg voor de uitvoering van collectieve gezondheid bevorderende activiteiten op het gebied van voorlichting, advies, instructie en begeleiding.
Voor de thema’s voeding, beweging, mentaal welbevinden en alcoholgebruik zijn lokale,- en regionale uitvoeringsorganisaties verantwoordelijk. Hierbij wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van kansrijke en effectieve interventies. Aan de hand van een integraal plan is er overzicht in de uitvoering en kennen de uitvoerings organisaties elkaars aanbod. 5. Gemeenten zorgen voor monitoring en evaluatie van het ouderengezondheidsbeleid door de GGD. De GGD verzamelt vanuit de wettelijke taak al waardevolle data over de gezondheidssituatie van de bevolking, zoals de resultaten van de GGD Gezondheidsmonitor. Monitoring en evaluatie zorgt voor effectief en doelgericht beleid. Financiële effecten Verwachte kosten en besparingen/ betaalbaarheid Deze maatregel draagt bij aan een doelmatig integraal preventief beleid. Gezondheid en vitaliteit zijn afhankelijk van verschillende determinanten en diverse beleidsterreinen. 127 Integraal gezondheidsbeleid waarbij er in samenhang gewerkt wordt aan preventieve ouderengezondheid maakt de inzet effectiever dan losse interventies 128,129. Om adequaat gezondheidsbeleid te implementeren en uit te voeren in gemeenten zijn structurele middelen nodig, enerzijds voor planvorming en coördinatie, anderzijds 127 Kennisbeeld “Health in All Policies”: verkenning vanuit internationaal, nationaal en lokaal perspectief.
128 Integraal gezondheidsbeleid: theorie en toepassing I. Storm, F. van Zoest en L. den Broeder – RIVM 2007. 129 Zie hiervoor ook de aanpak lokaal gezondheidsbeleid die het RIVM beschrijft op Loket Gezond Leven. 107 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 voor uitvoering van preventieve activiteiten. In deze beleidsoptie gaat het niet om het inzetten van interventies op zich (de financiering van de interventies komen in principe bijvoorbeeld uit de zorgakkoorden). Het beoogt dat gemeenten planmatig en integraal activiteiten ontplooien omtrent preventief ouderengezondheidsbeleid. De verwachting is dat daarmee de interventies effectiever zijn dan wanneer deze los ingezet worden. Het is (op dit moment) niet mogelijk om te bepalen wat de exacte financiële effecten hiervan zijn. In deze maatregel adviseert de GGD gemeenten om zoveel mogelijk onderbouwde en effectieve interventies in te zetten. Daarnaast is monitoring en evaluatie ook onderdeel van het integrale, planmatige beleid. Om deze maatregel te onderbouwen kan op landelijk niveau aan de hand van monitoring door de GGD’en verder onderzoek gedaan worden naar effectiviteit van preventieve interventies. Zodoende kan er een steeds beter beeld ontstaan ten aanzien van de effectiviteit van preventieve interventies en kunnen GGD’en en gemeenten steeds meer van elkaar leren over deze interventies.
Voor de planmatige, integrale inzet zijn in ieder geval middelen nodig voor de GGD’en: 7,5 miljoen. Middelen voor de interventies zelf, zijn deels al onderdeel van de afspraken over de basisinfrastructuur in het AZWA en het HLO. Met gemeenten/VNG zal moeten worden bepaald of en hoeveel extra middelen nodig zijn voor de uitvoering van passend integraal beleid. Personele effecten Vraag, aanbod en productiviteit Verwachting is dat deze maatregel effect kan hebben op de vraag naar ondersteuning vanuit de Wmo 2015 én op de vraag naar zorg vanuit de Zvw. Bij inzet ten behoeve van vitale ouderen gaat het om beweeg- en voedingscoaches, ondersteuning van gemeenschappen, aanbod van sociale voorzieningen en zo voort. Dat zijn andere professionals dan waar een beroep op wordt gedaan in het geval van gezondheidsproblemen door een ongezonde leefstijl of met een kwetsbare mentale gezondheid (ondersteuning vanuit de Wmo 2015 of zorg vanuit Zvw). Tegelijk wordt er vanuit het preventieve ouderengezondheidsbeleid meer ingezet op collectief aanbod. Meer collectief aanbod in plaats van individuele ondersteuning bespaart inzet van personeel. Dit effect is afhankelijk van de concrete uitwerking en kan worden aangetoond wanneer er positieve business cases zijn van de interventies die gemeenten aanbieden.
Dit effect kan ook op landelijk niveau worden onderzocht aan de hand van de monitoring die GGD’en doen naar het preventieve gezondheidsbeleid van gemeenten. Maatschappelijke effecten Toegankelijkheid en kwaliteit van zorg en ondersteuning Een betere gezondheid betekent vaak ook een betere kwaliteit van leven. Inzetten op gezondheid heeft daarmee een positief effect op wat we ‘brede welvaart’ noemen. Bijvoorbeeld het inzetten op sociale contacten levert niet alleen de betrokken individuen een betere (mentale) gezondheid op maar ook de gemeenschap een sterkere sociale cohesie. Mensen die zich gezond voelen (ook ouderen) participeren meer, bijvoorbeeld in vrijwilligerswerk en mantelzorg. De inzet op preventief ouderengezondheid draagt bij aan het versterken van zelfregie. Het belang daarvan wordt onderstreept door het WRR-rapport Grip (2021). Hierdoor vergroot het niet alleen gezond- heids winst, maar ook de maatschappelijke veerkracht. En dit voorstel draagt niet enkel bij aan een instrumentale benadering vanuit het perspectief van houdbaarheid van de Wmo 2015, maar ook vanuit een waardenperspectief (zoals gelijkheid, autonomie en rechtvaardigheid) doordat het recht doet aan het maatschappelijk belang van waardig en zelfstandig ouder worden. 108 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Uitvoerbaarheid Juridische aspecten De maatregel vraagt een wetswijziging.
Uitvoerbaarheid Gemeenten en GGD’en hebben al een lange samenwerkingsrelatie en geschiedenis op preventiebeleid. Deze maatregel geeft hier een extra impuls aan. Aandachtspunten en alternatieven 1. De bovenbeschreven maatregel zal gezamenlijk met verschillende partijen zoals VNG, GGD GHOR, Actiz worden uitgewerkt, zoals bij het proces rondom de toekomst van de Wpg. Voor zover nodig, wordt wettelijke verankering bezien. Indien de concretisering van de werkzaamheden past binnen de taken die nu in artikel 5a Wpg zijn geformuleerd, kan worden volstaan met een AMvB. Anders is een aanpassing van de Wpg zelf nodig. 2. Er zijn aanvullende middelen nodig om deze maatregel uit te voeren. De beste manier om de coördinatie, planvorming en uitvoering van collectief aanbod te organiseren en in te richten zal nader verkend moeten worden. Dit met input van gemeenten, GGD’en en koepelorganisaties VNG en GGD-GHOR. 3. Financiële effecten van de maatregel (planmatig, integraal preventief ouderengezondheidsbeleid) kan op landelijk niveau worden onderbouwd aan de hand van de monitoring en evaluatie die GGD’en als onderdeel van deze maatregel uitvoeren.
109 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 13 Prioritering bij schaarste Triage als (tijdelijk) instrument voor gemeenten Beleidsoptie nummer: 13 Maatregel in het kort: Met deze maatregel wordt het instrumentarium van de toegang vergroot; het betreft een maatregel die ziet op de uitvoering. Als er sprake is van acute personele schaarste in de lokale of regionale setting moeten medewerkers afwegingen kunnen maken om ondersteuningsvragen in transparantie te kunnen prioriteren. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de maatschappelijke houdbaarheid. Er zijn verschillende beleidsterreinen waar reeds geprioriteerd wordt, of met triage gewerkt wordt. Deze beleidsoptie schets enkele voorbeelden. Omschrijving van de maatregel In de Wmo 2015 spelen twee vormen van schaarste een belangrijke rol: financiële schaarste (beperkt beschikbaar geld) en personele schaarste (beperkt beschikbare mensen). Voor beide vormen van schaarste ervaren gemeenten beperkte sturingsmogelijkheden als gevolg van de juridische kaders. Wat betreft de personele schaarste speelt iets vergelijkbaars. Op veel plekken in het land overstijgt de vraag naar hulp en ondersteuning het beschikbare aanbod en de verwachting is dat dit in de toekomst een groter probleem wordt. Inwoners die een maatwerkvoorziening toegekend krijgen op basis van hun persoonlijke situatie komen dan op een wachtlijst.
De wet biedt gemeenten al ruimte, om op basis van urgentie, te prioriteren. Om de beschikbare inzet van personeel goed te verdelen is het denkbaar dat er speciale gronden kunnen worden gecreëerd waarop wordt geprioriteerd. Zo ontstaat in dit geval een “dynamische wachtlijst”. Om binnen de budgettaire- en personele grenzen te blijven is het wenselijk om het sturings instrumentarium van gemeenten nader te bezien. In onderzoek A4 van het houdbaarheidsonderzoek is geconcludeerd dat er wel sturingsmogelijkheden voor gemeenten zijn (in de inkoop en de inrichting van wijkteam/ lokale toegang). Tegelijkertijd moet ook onderkend worden dat de sturing beperkter is dan bij aanvang van de decentralisatie voorondersteld werd. Bij toenemende schaarste rijst de principiële vraag wie er over de verdeling van schaarste moet gaan en hierin besluiten kan en/of moet nemen. In deze beleidsoptie wordt een kader uitgewerkt waarbij de verdeling van schaarste in het kader van de Wmo 2015 een specifieke gemeentelijke taak wordt (als onderdeel van de verantwoordelijkheden van de Wmo 2015). Maatregel: juridische ruimte voor prioritering In deze beleidsoptie wordt er vanuit de juridische, landelijke kaders ruimte gecreëerd om te prioriteren in de aanvragen, op verschillende denkbare gronden. Die gronden staan verderop opgesomd.
Met de voorgestelde maatregel mag schaarste expliciet gemaakt worden: gemeenten krijgen de bevoegdheid om aanvragen op urgentie te rangschikken en schaarse capaciteit op basis van beschikbaarheid toe te kennen. Waar eerder de burger direct ‘recht’ had op een maatwerk voorziening, is dan het recht op een maatwerk voorziening en de mate waarin die verzilverd kan worden afhankelijk van de schaars beschikbare maatschappelijke ondersteuning. 110 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten In de praktijk betekent dit twee dingen: 1. Dat wachtlijsten en triage formeel onderdeel worden van het stelsel (alleen als de situatie hierom vraagt; het gaat specifiek om te nemen maatregelen bij dreigende grote arbeidstekorten). Het risico van willekeur bij zo’n stelsel wordt ondervangen door de transparantie in de besluitvorming en vaste verdeelcriteria zodat bijvoorbeeld niet de mondigste of ‘eerste aanmelder’ altijd voorrang heeft, maar de meest dringende behoefte. Deze omslag vraagt om aanpassingen in wet- en regelgeving en goede uitvoering. Ervaringen uit de jeugdhulp leren dat strikte budgetkaders alleen werken als de uitvoeringspraktijk daarmee overweg kan; zonder heldere protocollen en steun aan professionals leiden beperkingen tot uitzonderingen en zelfs langere wachttijden.
Frontlijnmedewerkers moeten ‘rugdekking’ krijgen om binnen de nieuwe kaders moeilijke keuzes te maken, zonder dat elke weigering juridisch onderuit wordt gehaald. 2. Dat er bij schaars beschikbare uitvoeringscapaciteit een mogelijkheid wordt gecreëerd om naar rato uren toe te kennen, zelfs als de ondersteuningsbehoefte eigenlijk hoger is dan kan worden verzilverd. De gemeentelijke regie maakt het op dit prioriteringsvraagstuk mogelijk om ondersteuning integraal te organiseren binnen het sociaal domein – in de wijk, rond de leefwereld van de inwoner. Denk aan de koppeling met de Jeugdwet, Participatiewet, schuldhulp en zorg – met als uitgangspunt: één gezin, één plan, één regisseur. Gemeenten kunnen zo maatwerk (blijven) leveren én verbinding leggen tussen voorzieningen, informele netwerken en preventie. Regionale samenwerking kan daarbij een belangrijk uitvoeringsinstrument zijn, maar geen vervanging van lokale verantwoordelijkheid. Het is een middel dat juist in dienst moet staan van de lokale democratie en effectiviteit. Methode Omschrijving Voorbeeldtoepassing Urgentieclassificatie Inwoners worden ingedeeld op basis van noodzaak, dreiging en situatie (bijv.
code rood – oranje – groen) SEH, GGZ-triage Capaciteitsgestuurde toegang Alleen toegang tot voorziening als er plaats/budget is, anders wachttijd met terugkoppeling Beschermd Wonen Groningen Tijdelijke alternatieven bij uitputting Als toegang niet mogelijk is: overbruggingsaanbod, contact met vrijwilligers, mantelzorg- ondersteuning Gemeenten met wachtlijsten huishoudelijke hulp Regionale toegangspoort / triageteam Regionale structuur beoordeelt complexe of schaarse voorzieningen objectief en gelijk RIGG, Amsterdam-Amstelland Dynamisch wachtlijstbeheer Centrale functie die dagelijks of wekelijks wachtlijsten evalueert en herschikt op basis van nieuwe informatie Maatschappelijke opvang Amster- dam Wachttijd-urgentie-matrix Wachtduur en urgentie samen bepalen toegang ("wie lang wacht én ernstig probleem heeft, gaat voor") Beschermd wonen Utrecht Afwegingskaders in verordening Regels in verordening opnemen over triage, prioriteit, wachttijden en alternatieven Wmo 2015-verordeningen Amsterdam • Transparante criteria: burgers en aanbieders moeten weten waarop getoetst wordt. • Rechtsbescherming: cliënten moeten de mogelijkheid houden om beslissingen juridisch aan te vechten. • Monitoring en wachttijdbeheer: zonder actief wachtlijstbeheer wordt prioritering willekeurig. Treeknormen zoals gebruikelijk in de curatieve zorg kunnen hier een kader bieden / als kpi’s dienen.
• Training van toegangsteams: medewerkers moeten weten hoe om te gaan met ‘nee zeggen’. • Communicatie en legitimatie: uitleg aan burgers en raden is cruciaal voor maatschappelijk draagvlak. 111 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Inhoud van de maatregel – De maatregel houdt in dat gemeenten bij de toekenning van maatwerk- voorzieningen expliciet schaarste verdelen en prioriteiten kunnen stellen. Als de vraag het beschikbare aanbod overstijgt, ontstaan wachtlijsten en wordt een verdeelsysteem toegepast om de schaarse voorzieningen eerlijk toe te kennen. Dit benadert het model van sociale woningtoewijzing: niemand heeft daar direct recht op een sociale huurwoning, maar wel op een rechtvaardige verdeling via wachtlijsten en urgentiecriteria. Financiële effecten Verwachte kosten en besparingen/ betaalbaarheid Er zijn geen budgettaire consequenties voor de Rijksoverheid. De maatregel kan bijdragen aan een (meer) beheersbaar stelsel. Personele effecten Vraag, aanbod en productiviteit De maatregel zorgt voor een eerlijkere verdeling van schaarse ondersteuning. Maatschappelijke effecten Toegankelijkheid en kwaliteit van zorg en ondersteuning Hoewel het er toe zal leiden dat beschikbare capaciteit gericht wordt verdeeld, kan de toegankelijkheid afnemen als de wachttijden oplopen.
Met een goede uitleg en balans tussen personele, budgettaire schaarste, transparante en eerlijke triage en een laagdrempelige rechtsbescherming kan maatschappelijke onvrede voorkomen worden. Uitvoerbaarheid Juridische aspecten De maatregel vereist (in elk geval) aanpassing van gemeentelijke verordeningen en beleidsplannen. Mogelijk is het nodig om wet- en regelgeving op landelijk niveau vast te stellen waarmee ruimte wordt gecreëerd die het mogelijk maakt om op deze manier te werken. Beleidsregels en wettelijke verankering bij wachtlijsten In de zorg worden wachtlijsten doorgaans geregeld via beleidsregels (titel 4.3 Awb) die de zorgplicht nader invullen. De Wlz kent hiervoor een expliciete basis in artikel 9.1.2; daarnaast functioneren de treeknormen als veldnormen zonder wettelijke status, maar wel de facto als beleidsregels die de zorgplichten invullen. De Zvw kent een soortgelijke werkwijze. De Wmo 2015 kent eenzelfde systematiek: gemeenten hebben een zorgplicht tot maatwerkvoorzieningen (artikel 2.3.5), maar de wet regelt niet hoe zij met schaarste of wachtlijsten moeten omgaan. Gemeenten leggen dit vast in beleidsregels van het college. Als landelijke uniformiteit gewenst is, zou verankering kunnen plaatsvinden in hoofdstuk 2 Wmo 2015 (uitvoering), met aanvullende eisen aan aanbieders in hoofdstuk 3 en – naar analogie met de Wlz - gegevensuitwisseling in hoofdstuk 5.
112 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Uitvoerbaarheid Gemeenten gaan werken met triagesystemen zoals we die kennen uit bijvoorbeeld de acute zorg en woning- sector. Bijvoorbeeld: op de spoedeisende hulp (SEH) krijgen levensbedreigende gevallen onmiddellijk hulp en wachten minder urgente patiënten langer – een vergelijkbaar principe kan gelden voor aanvragen van maatwerkvoorzieningen. Aanvragen worden gecategoriseerd op urgentie, behoefte en mogelijk verwachte effectiviteit van de hulp. Duidelijke protocollen (bijvoorbeeld “urgent en noodzakelijk gaat voor” of “wie al lang wacht, krijgt voorrang zodra er ruimte is”) zorgen dat inwoners begrijpen waarom de één eerder geholpen wordt dan de ander. Naast procedurele rechtvaardigheid is het belangrijk dat bij tekorten de meest kwetsbaren prioriteit behoren te krijgen en dat gescoord wordt op kosteneffectiviteit – zoveel mogelijk gezondheidswinst per euro – als criterium. Een gecombineerde aanpak is aangewezen: urgentie en behoefte voorop (morele gelijkheid), met voldoende oog voor doelmatigheid zodat de ‘gezondheidswinst’ van investeringen in maatwerkvoorzieningen maximaal is, zonder willekeur of uitsluiting van dure gevallen. Begrippen zoals urgentie, behoefte, effectiviteit en doelmatigheid vragen om heldere afbakening, zeker wanneer ze richtinggevend zijn voor triage en verdeling.
Tegelijkertijd is het van belang om lokale beleidsvrijheid te behouden. Daarom wordt voorgesteld om op landelijk niveau een generiek begrippenkader vast te leggen (bijvoorbeeld via regelgeving of handreiking), met ruimte voor lokale concretisering binnen gemeentelijke verordeningen en beleidsplannen. Dit bevordert enerzijds rechtszekerheid en rechtsgelijkheid, en laat anderzijds ruimte voor lokaal maatwerk. De beoordeling van urgentie, behoefte en effectiviteit vereist een combinatie van objectieve criteria (zoals ADL-scores,130 sociaal netwerk, medische stabiliteit) én professionele inschatting. Er wordt daarom gewerkt met gestandaardiseerde triage-instrumenten, aangevuld met discretionaire ruimte voor professionele afweging. In de uitvoering blijft het noodzakelijk dat toegangsteams adequaat getraind zijn in het hanteren van deze kaders. Gronden op basis waarvan kan worden geprioriteerd. Toegestane gronden zijn inhoudelijk relevante criteria, waarvan de informatie veelal wordt vergaard tijdens het onderzoek, zoals: • de urgentie van de situatie (bijvoorbeeld dreigende opname of vervuiling), • een overbelast sociaal netwerk (bijvoorbeeld tijdelijke overbrugging), • de effectiviteit van de voorziening (helpt het daadwerkelijk, of zijn er alternatieven?). Gemeenten hanteren al zulke systemen, waarbij hulp op basis van urgentie en impact wordt verdeeld.
Urgentie van de hulpvraag • Hoog: directe dreiging van onveiligheid, ontregeling of opname; handelen is spoedeisend. • Middel: verslechtering of overbelasting binnen afzienbare tijd; uitstel kan, maar moet beperkt zijn. • Laag: situatie is stabiel, hulpvraag is reëel maar niet spoedeisend • Urgentie wordt beoordeeld op basis van gezondheid, veiligheid, netwerkbelasting en escalatierisico. Doelmatigheid van de voorziening • Hoog: duidelijke bijdrage aan participatie of zelfredzaamheid, voorkomt zwaardere zorg, maatschappelijk rendement is groot. • Laag: redelijke bijdrage, maar alternatieven zijn denkbaar of effect beperkt. Denk aan enkelvoudige ondersteuningsbehoeftes. Verantwoorde tijdelijke overbrugging mogelijk? • Nee: geen vangnet; wachten is onverantwoord. • Beperkt: deels tijdelijk op te vangen. 130 ADL-scores verwijst naar de mate waarin iemand zelfstandig de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) kan uitvoeren. Het is een manier om de zelfredzaamheid of zorgbehoefte van een persoon te meten — vooral gebruikt in de zorg, revalidatie en ouderenzorg. 113 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Inkomen als prioriteringsgrond Hoewel het denkbaar is om mensen met een lager inkomen voorrang te geven – zij hebben immers minder alternatieven – gaat de Wmo 2015 ook over het hebben van eigen regie, wat ook voor de toegang relevant is.
Daarnaast is de Wmo 2015 geen inkomensafhankelijke regeling zoals de bijstand, maar een compensatieregeling. Rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep en uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigen dat burgers met een gelijke ondersteuningsbehoefte in gelijke mate recht hebben op ondersteuning, ongeacht inkomen. Ten slotte zal invoering van de inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage (ivb) ook al leiden tot het verkennen van alternatieven voor maatwerkvoorzieningen door mensen met hogere inkomens. Bij invoering van de ivb zal een belangrijk deel van de reden om op deze grond te willen prioriteren wegvallen. Daarom is invoering van de ivb een belangrijke voorwaarde om deze maatregel op deze manier te laten slagen, waarbij inkomen geen aparte prioriteringsgrond is. Als de invoering van de ivb geen doorgang vindt, verdient ‘financiële eigen kracht” heroverweging als grond om toe te voegen aan dit afwegingskader. Dit kan echter nooit als enkel feit dienen om een hulpvraag lager te prioriteren, maar zal altijd in samenhang moeten worden gezien met “fysieke, mentale/geestelijke eigen kracht en sociale eigen kracht”. Aandachtspunten en alternatieven Niet van toepassing.
114 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 14 Beschikken in de Wmo 2015 Beleidsoptie nummer: 14 Maatregel in het kort: In deze verkenning wordt bekeken of er ruimte gevonden kan worden om alternatieve vormen van beschikken in de Wmo 2015 te introduceren, met als doel meer flexibiliteit in de uitvoering. Geconcludeerd wordt dat dit alleen kan als in voldoende mate rekening wordt gehouden met de rechtsbescherming van cliënten door gemeenten. Omschrijving van de maatregel Initieel was de opzet van deze beleidsoptie om te onderzoeken of het mogelijk is om het wetsvoorstel Resultaatgericht beschikken (of een vergelijkbaar alternatief ) “nieuw” leven in te blazen. Voor de hele geschiedenis van het wetsvoorstel (inclusief het besluit om het voorstel uiteindelijk in te trekken) wordt verwezen naar de appendix, behorend bij deze beleidsoptie. Kortom komt het verlopen proces en de toekomst van het wetsvoorstel, op het volgende neer: • Flexibiliteit in de uitvoering is gewenst; • Echter, de rechtsbescherming van cliënten is randvoorwaardelijk, ook bij eventuele alternatieven. Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten De geschetste historie maakt duidelijk dat het in de wet opnemen van de mogelijkheid van resultaatgericht beschikken om adequate rechtsbescherming vraagt die geboden moet worden door de gemeente (rechtszekerheid).
Op dit moment is nog geen vorm van rechtsbescherming uitgedacht die als volwaardig alternatief zou kunnen dienen voor de betreffende regeling in het beëindigde wetsvoorstel. Door ondersteuning af te stemmen op resultaat, kan minder tijd onnodig worden besteed, terwijl de effectiviteit stijgt. Alternatieve maatregelen waarmee enige mate van flexibiliteit wordt gecreëerd: A. Bandbreedte in uren VNG en het Ketenbureau i-Sociaal Domein hebben een handreiking Gepast Beschikken uitgewerkt. Deze ziet op de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Ten aanzien van de Wmo 2015 kan het voor gemeenten behulpzaam zijn als in voorkomende situaties gewerkt kan worden met een bandbreedte in uren, maar deze werkwijze is in de handreiking niet nader uitgewerkt vanwege de juridische risico’s die zijn gebleken bij het opstellen van deze handreiking. De toegevoegde waarde wordt met name bij (individuele) begeleiding gezien. De handreiking is evenwel niet vastgesteld. B. Tijdelijke vermindering in uren in de beschikking opnemen Het kan eveneens behulpzaam zijn voor gemeenten als (goed onderbouwd) in de beschikking vastgelegd kan worden dat gedurende (voorzienbare) periodes in het individuele geval minder uren ondersteuning geboden kan worden daar waar passend.
115 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Financiële effecten Verwachte kosten en besparingen/ betaalbaarheid Gegeven de status quo op de vereiste rechtsbescherming is deze maatregel financieel niet verder uitgewerkt. Personele effecten Vraag, aanbod en productiviteit Gegeven de status quo: niet van toepassing. Maatschappelijke effecten Toegankelijkheid en kwaliteit van zorg en ondersteuning Gegeven de status quo: niet van toepassing. Uitvoerbaarheid Juridische aspecten Afhankelijk van de nadere uitwerking van deze maatregel kunnen er juridische consequenties zijn. Uitvoerbaarheid De beschreven alternatieven zijn door enkele gemeenten aangedragen en worden op (juridische) uitvoerbaarheid nader onderzocht. Aandachtspunten en alternatieven Niet van toepassing. 116 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 15 Stringenter regime voor eigen bijdrage: grondslag inkomens- en vermogens- afhankelijke bijdrage (ivb) verbreden Beleidsoptie nummer: 15 Maatregel in het kort: Deze maatregel gaat ervan uit dat de ivb per 2027 is ingevoerd. Op dit moment zijn rolstoelen uitgezonderd van een eigen bijdrage. Deze maatregel verkend of ook rolstoelen onder de ivb kunnen worden gebracht en concludeert dat dit geen reële optie en ook niet bijdraagt aan de houdbaarheid.
Omschrijving van de maatregel Op dit moment wordt voor de maatwerkvoorzieningen (en algemene voorzieningen met een duurzame hulpverlenersrelatie) het abonnementstarief aan cliënten in rekening gebracht. Het abonnementstarief is in 2019 ingevoerd en bedraagt over 2025 € 21,00 per maand (prijspeil 2025). Er ligt een wetsvoorstel in de Tweede Kamer om het abonnementstarief te vervangen door een inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage (ivb). In deze beleidsoptie wordt ervan uitgegaan dat de ivb is ingevoerd. De ivb is ingevoerd voor alle maatwerkvoorzieningen waarop het abonnementstarief van toepassing was. Met de invoering van de ivb is de eigen bijdrage afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt (en diens eventuele partner) met een minimale eigen bijdrage van € 23,60 en een maximale eigen bijdrage van € 328,- per maand (prijspeil 2025). Tussen de minimale en maximale eigen bijdrage loopt de eigen bijdrage op met een marginaal tarief van 10%. Deze oploop start bij een bijdrageplichtig inkomen van 135% van het sociaal minimum. Maatregel Op dit moment zijn rolstoelen uitgezonderd van een eigen bijdrage. De maatregel in deze beleidsoptie is dat ook rolstoelen onder de ivb worden gebracht.
Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten Om collectief gefinancierde zorg en ondersteuning voor iedereen beschikbaar, betaalbaar en van goede kwaliteit te houden – vooral voor de meest kwetsbaren – is het essentieel dat mensen daar alleen een beroep op doen voor zover dat echt nodig is en dat mensen die er gebruik van maken ook naar (financiële) draagkracht zelf bijdragen. Dit vermindert binnen de Wmo 2015 de druk op de personele capaciteit en heeft een dempend effect op de uitgaven aan maatschappelijke ondersteuning. Deze beleidsoptie is een aanvullende stap bovenop de beoogde ivb. Financiële effecten De populatie rolstoelgebruikers bestond in 2023 uit circa 130.000 gebruikers. Van deze 130.000 gebruikers zijn er circa 50.000 gebruikers die geen andere maatwerkvoorziening uit de Wmo 2015 afnemen. Het invoeren van een ivb voor een rolstoel zou dus mogelijk voor deze groep van circa 50.000 gebruikers gaan gelden. In dit aantal is rekening gehouden met anticumulatie met de eigen bijdrage Wlz. Geen rekening is gehouden 117 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 met mogelijke partnerschappen en minimabeleid, waardoor het aantal cliënten dat daadwerkelijk een ivb voor de rolstoel zou gaan betalen lager kan zijn.
Een eigen bijdrage voor een maatwerk voorziening mag niet meer zijn dan de kostprijs, de ivb zou dus nooit hoger mogen zijn dan de kosten voor een rolstoel. Mogelijk stromen mensen uit de Wmo 2015 en gaan zij de rolstoel zelf aanschaffen, waardoor het aantal gebruikers minder wordt. Een inkomensverdeling voor deze groep, op basis waarvan de opbrengst geraamd kan worden, ontbreekt. Het lijkt echter waarschijnlijk dat op basis van het aantal gebruikers, dat door de maatregel getroffen wordt, de opbrengst van de maatregel minder is dan € 50 miljoen. Personele effecten Door het vragen van een eigen bijdrage gaan meer burgers de ondersteuning zelfstandig regelen, in dit geval zelf een rolstoel aanschaffen. Voor een deel van deze burgers zal gelden dat zij dit zelf of met hulp van naasten niet kunnen (bijvoorbeeld vanwege een gebrek aan doenvermogen of betalingscapaciteit). Dit kan negatieve gevolgen hebben voor hun zelfredzaamheid en participatie en mogelijk hun gezondheid. Dat kan tot gevolg hebben dat zij een beroep zullen doen op andere (mogelijk ook duurdere) vormen van zorg op grond van de Wlz thuis of in een instelling of Zvw. Dit zorgt voor een toename van de vraag naar (hoog) gekwalificeerd zorgpersoneel in het kader van de Zvw en Wlz. In welke mate een dergelijk effect optreedt, is moeilijk te voorspellen.
De maatregel heeft geen effect op het aanbod van zorgpersoneel of de arbeidsproductiviteit van zorgmedewerkers. Maatschappelijke effecten De maatregel beperkt de (financiële) toegankelijkheid van rolstoelen voor rolstoelgebruikers die geen gebruik maken van andere voorzieningen uit de Wmo 2015 waarop de ivb van toepassing is. Overige effecten Uitvoerbaarheid Juridische aspecten De maatregel vraagt om aanpassing van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 door middel van een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Dit neemt een jaar in beslag. Uitvoerbaarheid De uitvoeringsconsequenties voor gemeenten van de maatregel moeten nader worden onderzocht. Aandachtspunten en alternatieven Niet van toepassing. 118 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 16 Stringenter regime eigen bijdragen: inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage (ivb) verhogen Beleidsoptie nummer: 16 Maatregel in het kort: Deze maatregel gaat ervan uit dat de ivb per 2027 is ingevoerd. Met deze maatregel worden verschillende varianten/scenario’s geschetst om een stringenter regime te voeren ten aanzien van de eigen bijdrage. Deze varianten hebben een positief effect op de financiële houdbaarheid van de Wmo 2015. Echter, niet elke variant is congruent met de eigen betalingen in het kader van de Wet langdurige zorg en de Zorgverzekeringswet, daarmee zijn deze varianten moeilijker uitlegbaar.
Tevens verminderen de varianten de (financiële) toegankelijkheid van voorziengen. Omschrijving van de maatregel Op dit moment wordt voor de maatwerkvoorzieningen (en algemene voorzieningen met een duurzame hulpverlenersrelatie) het abonnementstarief aan cliënten in rekening gebracht. Het abonnementstarief is in 2019 ingevoerd en bedraagt over 2025 € 21,00 per maand (prijspeil 2025). Er ligt een wetsvoorstel in de Tweede Kamer om per 2027 het abonnementstarief te vervangen door een inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage (ivb). In deze beleidsoptie wordt ervan uitgegaan dat de ivb is ingevoerd. De ivb is ingevoerd voor alle maatwerkvoorzieningen waarop het abonnementstarief van toepassing was. Met de invoering van de ivb is de eigen bijdrage afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt (en diens eventuele partner) met een minimale eigen bijdrage van € 23,60 en een maximale eigen bijdrage van € 328,- per maand (prijspeil 2025). Tussen de minimale en maximale eigen bijdrage loopt de eigen bijdrage op met een marginaal tarief van 10%. Deze oploop start bij een bijdrageplichtig inkomen van 135% van het sociaal minimum. Maatregel In deze beleidsoptie zijn een viertal varianten uitgewerkt om binnen de huidige ivb-systematiek de eigen bijdrage te verhogen. Variant A: Het verhogen van de minimum ivb naar het niveau van de lage eigen bijdrage Modulair Pakket Thuis (MPT).
Dit is € 29,20 (prijspeil 2025). Variant B: Het verhogen van het marginaal tarief naar 12,5% (nu 10%). Variant C: De vermogensinkomens bijtelling (VIB) verhogen naar 8% en naar 12% (nu 4%). Variant D: De inkomensgrenzen vanaf waar de ivb oploopt, verlagen naar 120% van het sociaal minimum (nu 135% sociaal minimum). Variant E: Een combinatie van variant A, B, C en D. 119 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten Om collectief gefinancierde zorg en ondersteuning voor iedereen beschikbaar, betaalbaar en van goede kwaliteit te houden – vooral voor de meest kwetsbaren – is het essentieel dat mensen daar alleen een beroep op doen voor zover dat echt nodig is en dat mensen die er gebruik van maken ook naar (financiële) draagkracht zelf bijdragen. Dit vermindert binnen de Wmo 2015 de druk op de personele capaciteit en heeft een dempend effect op de uitgaven aan maatschappelijke ondersteuning. Deze beleidsoptie brengt denkbare aanvullende stappen in beeld, toepasbaar op de ivb. Uit de Monitor Abonnementstarief 131 is gebleken dat mensen reageren op de financiële prikkel in de vorm van een eigen bijdrage bij hun beslissing om al dan niet een beroep te doen op de Wmo 2015 voor maatschappelijke ondersteuning.
Dit is in het bijzonder te zien bij ondersteuning in de vorm van huishoudelijke hulp en in mindere mate ook bij ondersteuning in de categorie ‘hulpmiddelen en diensten’. Financiële effecten De maatregel heeft een positief effect op de financiële houdbaarheid. Voor het berekenen van de financiële effecten wordt geraamd middels de berekeningen en aannamen (onder andere gedragseffecten) die ten grondslag liggen aan het voorstel van Wet vervanging abonnements- tarief Wmo 2015.132 Met dit wetsvoorstel wordt de ivb geïntroduceerd; in deze beleidsoptie gaan we ervan uit de ivb al in werking is getreden. Aannames over gedragseffecten die gedaan worden, hebben grote invloed op de uitkomsten.133 Om die reden worden het gedrags- en financieringseffect uitgesplitst. De structurele effecten van wijzigingen van de ivb doen zich naar verwachting niet in het eerste jaar volledig voor, maar worden geleidelijk bereikt. Het structurele effect van de invoering van het abonnementstarief Wmo 2015 per 2019 werd niet in het eerste jaar gerealiseerd, maar na een aantal jaren, omstreeks 2022. Verondersteld wordt daarom dat ook de effecten van de onderstaande varianten geleidelijk worden bereikt, met een ingroeipad van circa vier jaar.
Voor de berekeningen is hetzelfde prijspeil (2025) gehanteerd dat is gebruikt in de memorie van toelichting van het voorstel van de Wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015 en het bijbehorende ontwerp besluit (die momenteel in de Tweede Kamer liggen). 134 Bij variant A t/m D wordt steeds één parameter in de systematiek gewijzigd en worden de overige parameters gelijk gehouden aan de parameters van de ivb zoals beschreven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Indien meerdere parameters tegelijk wijzigen, betekent dat niet dat de opbrengst van deze wijzigingen bij elkaar opgeteld kan worden. In variant E wordt inzichtelijk wat er met de opbrengst gebeurt als de wijzigingen in parameters gecombineerd worden. Opbrengsten die worden weergeven houden geen rekening met een verdeelsleutel tussen Rijk en gemeenten. 131 Tweede Kamer, vergaderjaar 2022-2023, 29 538, nr. 345. 132 Bij de doorrekening van de ivb voor het wetsvoorstel is uitgegaan van prijspeil 2021. Voor deze beleidsoptie wordt prijspeil 2025 gebruikt. 133 Bij de raming van de ivb wordt verondersteld dat de opbrengst voor 20% uit meeropbrengsten uit eigen bijdrage bestaan (financieringseffect) en voor 80% uit minder kosten voor gemeenten door uitstroom van cliënten (gedragseffect). Deze verdeling is gebaseerd op de monitor abonnementstarief. 134 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024-2025, 36 713, nrs. 3 en 5.
120 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 In onderstaande figuur wordt de huidige ivb-systematiek inzichtelijk gemaakt. Variant A: Minimum-ivb verhogen naar € 29,20 (prijspeil 2025, was € 23,60) Financieringseffect Gedragseffect Totaal opbrengst 28 mln. 108 mln. 136 mln. De maatregel houdt in dat alle lijnen in het figuur voor alle groepen in gelijke mate horizontaal naar boven verschuiven. Alle inkomensgroepen krijgen dan ook te maken met dezelfde stijging. Het financieringseffect voor deze maatregel betreft € 28 miljoen. Uitgaande van dezelfde aannames voor het gedragseffect als bij invoering van de ivb worden de totale opbrengsten voor deze maatregel € 136 miljoen. Het verhogen van de minimum-ivb betekent dat elk huishouden dat gebruik maakt van de betreffende maatwerkvoorzieningen circa € 68,- op jaarbasis meer gaat betalen. Variant B: Marginaal tarief verhogen naar 12,5% (nu 10%) Financieringseffect Gedragseffect Totaal opbrengst 18 mln. 69 mln. 87 mln. Het verhogen van het marginaal tarief betekent dat alle huishoudens met een inkomen boven de inkomens- grens een hogere ivb gaan betalen. In de grafiek zou het betekenen dat alle lijnen een steilere oploop kennen en de maximale ivb sneller wordt bereikt. Het financieringseffect van deze maatregel betreft € 18 miljoen.
Uitgaande van dezelfde aannames voor het gedragseffect als bij invoering van de ivb worden de totale opbrengsten € 87 miljoen. Het verhogen van het marginaal tarief naar 12,5% betekent dat huishoudens met een maatwerkvoorziening en een inkomen boven de inkomensgrens gemiddeld genomen circa € 44,- op jaarbasis meer gaan betalen. Variant C: VIB verhogen naar 8% en naar 12% (nu 4%) Financieringseffect | Gedragseffect | Totaal opbrengst 11 mln. | 42 mln. | 53 mln. Verhoging van de VIB naar 8% betekent dat het vermogen boven de heffingsv rije vermogensgrens zwaarder meetelt in het berekenen van het bijdrageplichtig inkomen. Deze maatregel raakt alleen eenpersoons- huishoudens met een vermogen hoger dan € 33.748 en meerpersoonshuishoudens met een vermogen hoger dan € 67.496. Het financieringseffect van deze maatregel betreft € 11 miljoen. Uitgaande van dezelfde aannames voor het gedragseffect als bij invoering van de ivb worden de totale opbrengsten € 53 miljoen. Financieringseffect | Gedragseffect | Totaal opbrengst 20 mln. | 81 mln. | 101 mln. Verhoging van de VIB naar 12% betekent dat het vermogen boven de heffingsv rije vermogensgrens zwaarder meetelt in het berekenen van het bijdrageplichtig inkomen. Deze maatregel raakt alleen eenpersoons- huishoudens met een vermogen hoger dan € 33.748 en meerpersoonshuishoudens met een vermogen hoger dan € 67.496.
Het financieringseffect van deze maatregel betreft € 20 miljoen. Uitgaande van dezelfde aannames voor het gedragseffect als bij invoering van de ivb worden de totale opbrengsten € 101 miljoen. Variant D: Inkomensgrenzen verlagen naar 120% sociaal minimum (nu 135% sociaal minimum) Financieringseffect | Gedragseffect | Totaal opbrengst 44 mln. | 175 mln. | 219 mln. Deze maatregel raakt een groot deel van de populatie. De groep die de minimum ivb gaat betalen wordt kleiner. In de grafiek zullen de lijnen eerder gaan oplopen. Het financieringseffect van deze maatregel betreft € 44 miljoen. Uitgaande van dezelfde aannames voor het gedragseffect als bij invoering van de ivb worden de totale opbrengsten € 219 miljoen. Variant E: Combinatie van de varianten A, B, C, D Bij een combinatie van A, B, C (met een VIB van 8%), D. Financieringseffect | Gedragseffect | Totaal opbrengst 111 mln. | 442 mln. | 552 mln. Bij een combinatie van A, B, C (met een VIB van 12%), D. Financieringseffect | Gedragseffect | Totaal opbrengst 121 mln. | 481 mln. | 601 mln. 121| Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 122 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Door een verhoging van de minimum-ivb gaan alle huishoudens, met uitzondering van de huishoudens die in het huidige systeem de maximale ivb betalen, meer betalen.
Door een verlaging van de inkomensgrens, beginnen huishoudens op een lager inkomensniveau al met meer betalen. Daarnaast wordt de oploop van de ivb steiler, wat maakt dat mensen ook nog eens sneller meer gaan betalen. Door de verhoging van het VIB-percentage, krijgen mensen met een vermogen hoger dan de heffingsvrije vermogensgrens, een hoger bijdrageplichtig inkomen, waardoor de ivb voor deze groep ook hoger wordt. Deze stapeling van effecten heeft een versterkend effect en heeft tot gevolg dat de combinatie hiervan tot een hogere opbrengst leidt dan de som van de varianten A, B, C en D. Lage en midden inkomens worden in deze variant harder getroffen dan de hoge inkomens. Een grotere groep gaat meer betalen door de verlaging van de inkomensgrenzen, meer betalen door de verhoging van het minimum en meer betalen door de verhoging van het marginaal tarief. Dat laatste zorgt ook dat de maximale ivb bij een lager inkomen wordt bereikt, namelijk bij een inkomen van circa € 50.500 voor eenpersoonshuishoudens en € 58.750 bij meerpersoonshuishoudens.135 Huishoudens die al de maximale ivb betaalden, merken geen verschil omdat zij dezelfde maximale ivb zullen blijven betalen. Personele effecten Effect op de vraag naar zorg Een verhoging van de ivb zal leiden tot een aanvullend gedragseffect bij burgers.
Door de hogere eigen bijdrage gaan meer burgers de ondersteuning zelfstandig regelen, door bijvoorbeeld een beroep te doen op het eigen netwerk of de ondersteuning particulier in te kopen. Dit zorgt voor een aanvullende uitstroom van cliënten en een kleinere instroom van cliënten in de Wmo 2015 (dan voorzien bij de invoering van de ivb), Het beroep op maatwerkvoorzieningen wordt hierdoor minder groot. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat er in veel gemeenten sprake is van wachtlijsten. Verder is er sprake van krapte op de arbeidsmarkt, ook op de markt voor particuliere hulp, waardoor niet iedereen die dat wil meteen particuliere hulp kan vinden. Mede hierdoor zullen de structurele effecten van de varianten zich niet meteen volledig in het eerste jaar al voordoen, maar zal het effect geleidelijk worden bereikt. Voor een deel van deze burgers zal gelden dat zij de ondersteuning die zij nodig hebben niet zelf of met hulp van naasten kunnen organiseren (bijv. vanwege een gebrek aan doenvermogen of betalingscapaciteit). Dat kan tot gevolg hebben dat zij een beroep zullen doen op andere (mogelijk ook duurdere) vormen van zorg op grond van de Wlz thuis of in een instelling of Zvw, Dit zorgt voor een toename van de vraag naar (hoger) gekwalificeerd zorgpersoneel in het kader van de Zvw en Wlz. In welke mate een dergelijk effect optreedt, is moeilijk te voorspellen.
Effect op het aanbod van zorgpersoneel De maatregel heeft naar verwachting effecten op informele zorg. Door de verhoging van de eigen bijdrage is het mogelijk dat burgers de ondersteuning naar verwachting vaker zelfstandig gaan regelen. Bijvoorbeeld door een beroep te doen op het eigen netwerk. Dit zorgt voor een grotere vraag naar en hogere druk op informele zorgverleners (mantelzorgers) en zal daarmee een beperkt negatief effect hebben op het arbeidsaanbod economiebreed. Dit vraagt om flankerend beleid om drempels voor mantelzorg weg te nemen en/of voldoende aanbod van respijtzorg om mantelzorgers te ondersteunen. Effect op de arbeidsproductiviteit van zorgmedewerkers Geen effect. 135 Ten opzichte van de huidige systematiek waarbij de maximale ivb wordt betaald bij een inkomensniveau van circa € 61.000 voor eenpersoonshuishoudens en circa € 70.500 bij meerpersoonshuishoudens. 123 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 Maatschappelijke effecten De maatregel verhoogt de ivb voor gebruikers en helpt daarmee om bewuster om te gaan met het doen van een beroep op zorg. Tegelijkertijd creëert het een financiële drempel bij de toegang tot Wmo- maatwerkvoorzieningen (zonder beschermd wonen of maatschappelijke opvang).
Bij sommige burgers kan dat risico’s opleveren voor de betaalbaarheid van de ivb, met name voor mensen met een beperkt inkomen en meerkosten in verband met hun beperking of chronische ziekte. Het Nibud heeft in 2024 onderzoek gedaan naar de meerkosten van het leven met een beperking. Het Nibud concludeert daarin dat het risico dat mensen met een beperkt inkomen en een beperking maandelijks geld tekortkomen hoger is dan voor andere huishoudens als gevolg van die meerkosten. In verband hiermee is de inkomensgrens van waaraf de ivb begint op te lopen in het wetsvoorstel vervanging abonnementstarief bepaald op 135% sociaal minimum en de minimum-ivb op € 23,60. Bij de verhoging van de ivb wordt wel rekening gehouden met het inkomen en vermogen van de gebruikers. De sterkste schouders dragen de hoogste lasten. De solidariteit van “welbedeeld” met “minder bedeeld” blijft in stand. In variant A wordt de hoogte van de minimum-ivb gelijkgesteld aan de minimum eigen bijdrage voor een MPT/PGB in de Wlz. Hoewel dat in de systematiek een (lichte) vereenvoudiging is, ontbreekt een zorginhoudelijke onderbouwing op basis waarvan het logisch is om de minimum-ivb gelijk te trekken met de minimum eigen bijdrage voor een MPT/PGB in het kader van de Wlz. Vanuit de gedachte dat de Wlz- verzekerde een intensievere zorgbehoefte kent dan de Wmo-cliënt is dit ook slecht te onderbouwen.
De varianten B t/m E hebben tot gevolg dat de verschillen tussen de ivb en de eigenbijdrageregelingen voor langdurige zorg groter en moeilijker uitlegbaar worden. Het aantal gevallen waarin de ivb hoger is dan de eigen bijdrage voor langdurige zorg (Wlz) zal toenemen. Dat is moeilijk uitlegbaar. Ook zijn de percentages voor het marginaal tarief en de VIB in de huidige ivb systematiek gelijk aan de percentages die gebruikt worden in de eigen bijdrage berekening in de Wlz. Beleidsmatige onderbouwing om hiervan af te wijken ontbreekt, waardoor de maatregel lastig is uit te leggen aan burgers. In alle varianten neemt de solidariteit tussen wel/niet hulpbehoevend af omdat mensen die ondersteuning nodig hebben hiervoor meer zelf gaan betalen. In de varianten A en D neemt de inkomenssolidariteit af, omdat de ivb bij deze varianten voor de lagere inkomens relatief het sterkste toeneemt. In variant B zijn het vooral de middeninkomens die meer gaan betalen en in variant C gaan vermogenden meer betalen, Uitvoerbaarheid Juridische aspecten Alle varianten vragen om aanpassing van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 door middel van een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Dit kost een jaar. Uitvoerbaarheid Het aantal cliënten dat een beroep doet op de Wmo 2015 voor maatschappelijke ondersteuning neemt af, wat een verlagend effect heeft op de uitvoeringslasten voor gemeenten.
Dat kan uitvoeringsconsequenties met zich meebrengen. Een verhoging van de ivb (met handhaving van de maximum-ivb van € 328 per maand) betekent ook dat meer mensen te maken kunnen krijgen met de situatie dat de ivb hoger is dan de kostprijs van de ondersteuning die zij ontvangen (aangezien de ivb alleen afhankelijk is van het inkomen en vermogen en onafhankelijk van het aantal uur ondersteuning dat wordt geleverd).136 Dat betekent dat er meer druk kan 136 Alleen in relatie tot hulpmiddelen en woningaanpassingen vindt er kostprijsbewaking plaats. 124 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 ontstaan op gemeenten om lichte vormen van ondersteuning uit te zonderen van de ivb dan wel die aan te bieden als algemene voorziening met een duurzame hulpverleningsrelatie. Ook kan er hierdoor meer druk op gemeenten ontstaan om gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid137 om bij verordening te regelen om in deze situatie – in plaats van de ivb – zelf een eigen bijdrage te innen van ten hoogste de verwachte maandelijkse kostprijs van de ondersteuning. Uit eerdere uitvoeringstoetsen is gebleken dat kostprijsbewaking complex is en veel vraagt veel van gemeentelijke uitvoering (methodiek, vragen cliënten, aanpassing ICT). Aandachtspunten en alternatieven Niet van toepassing. 137 Opgenomen in het wetsvoorstel vervanging abonnementstarief Wmo 2015.
125 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 17 Beperken maatwerkvoorzieningen in de Wmo 2015 Beleidsoptie nummer: 17 Maatregel in het kort: Deze maatregel onderzoekt de gevolgen als bijvoorbeeld huishoudelijke hulp niet meer vanuit de Wmo 2015 wordt georganiseerd. Dit is voor de Wmo 2015 een maatregel die bijdraagt aan de financiële houdbaarheid. Echter, de zogenoemde weglekeffecten zijn hoog (vooral in de Wlz). De maatregel zorgt ervoor dat mensen sneller in een zwaarder zorgregime terecht komen, dat heeft negatieve effecten voor de personele houdbaarheid. Voor andere voorzieningen van de Wmo zal nadere onderzoek moeten worden verricht naar gedragseffecten. Omschrijving van de maatregel In deze beleidsoptie worden maatregelen uitgewerkt waarbij specifieke (maatwerk)voorzieningen wettelijk worden uitgezonderd met het oog op financiële beheersbaarheid van de uitgaven en toenemende druk op de arbeidsmarkt. Maatregelen Variant A: Hulp bij het huishouden valt niet meer onder de Wmo 2015 (productcategorie 01 van de iWmo standaard (Productcodelijst Wmo | iStandaarden)). Variant B: Woningaanpassingen en hulpmiddelen/vervoersvoorzieningen vallen niet meer onder de Wmo 2015 (productcategorieën 12, 13 en 14 van de iWmo standaard (Productcodelijst Wmo | iStandaarden)).
Met het niet meer onder de Wmo 2015 vallen wordt bedoeld dat die ondersteuning niet langer beschikbaar is als maatwerkvoorziening, noch als algemene voorziening op grond van de Wmo 2015. Het uitgangspunt voor deze beleidsoptie is de situatie waarin het abonnementstarief door middel van een wetsvoorstel is vervangen door een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage (ivb).138 Hoewel de invoering van de ivb een aanzienlijk effect beoogt,139 kunnen meer maatregelen nodig zijn om de ondersteuning die geleverd wordt vanuit de Wmo 2015 beschikbaar en betaalbaar te houden. Doel en aansluiting op aanknopings- en knelpunten Naar verwachting zal in 2035 meer dan 24% van de bevolking 65 jaar of ouder zijn, tegenover de huidige 20%. De vergrijzing zal leiden tot hogere zorgkosten en een grotere vraag naar arbeidskrachten. Dit zet zowel de financiële als personele houdbaarheid van de Wmo 2015 onder druk. Dit vraagt om het maken van keuzes. Mensen zijn gedurende hun leven verantwoordelijk voor het schoon houden van hun huis (door het zelf te doen of tegen betaling uit te besteden), te zorgen voor hun eigen vervoer en een passende woning, al dan niet met hulpmiddelen. Met de invoering van het abonnementstarief was sprake van een 138 Concept-Nota van toelichting bij ontwerp-Besluit vervanging abonnementstarief Wmo 2015 | Publicatie | Rijksoverheid.nl .
139 Het effect van de invoering van de ivb is een financieringsverschuiving van collectieve uitgaven naar particuliere uitgaven en gedragseffect. Voor sommige gebruikers worden de kosten van de voorziening zoveel hoger dat zij afzien van de maatwerkvoorziening. 126 | Eindrapportage Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015 ‘aanzuigende werking’ op vooral hulp bij het huishouden, maar ook andere voorzieningen zoals woning- aanpassingen en hulpmiddelen. Daarbij komt dat er jurisprudentie in het kader van de Wmo 2015 is die heeft geleid tot begrenzingen van de gemeentelijke beleidsruimte ten aanzien van de toekenning van maatwerkvoorzieningen, zoals hulp bij het huishouden. Financiële effecten Mensen moeten zelf voor de betreffende maatwerkvoorzieningen gaan zorgen en deze betalen. De inkomens- en vermogensafhankelijke bijdragen voor voorzieningen die uit de Wmo 2015 worden geschrapt, komen te vervallen. De maatregel zorgt voor een verschuiving van collectieve uitgaven naar particuliere uitgaven. De betreffende collectieve uitgaven worden nu gedaan door gemeenten, die hiervoor middelen ontvangen vanuit het gemeentefonds. De maatregel zal ook leiden tot gedragseffecten. Variant A Voor variant A is eerder een berekening gemaakt door de technische werkgroep beheersing zorguitgaven (TWMZ) (zie dit bestand). Deze beleidsoptie volgt de redeneerlijn en berekeningswijze van de TWMZ.
De TWMZ houdt rekening met een gedragseffect dat in sterke mate de geraamde opbrengst bepaalt. Dit gedragseffect is gebaseerd op diverse aannames waardoor het gedragseffect en daarmee ook de totale opbrengst van de maatregel onzeker is.140 Het gedragseffect is in belangrijke mate gebaseerd op het simulatieonderzoek van het SCP (2019).141 Het SCP stelt dat 3,5% van de cliënten bij het wegvallen van huishoudelijke hulp uitwijkt naar begeleiding, 19,6% naar wijkverpleging en 6,3% naar verpleeghuiszorg. De TWMZ heeft om de mutatie van zorgkosten te berekenen een aantal aanvullende (en deels afwijkende) aannames gedaan ten opzichte van genoemd SCP rapport, welke nader onderzocht moeten worden. Zo is er een onderscheid gemaakt in drie verschillende groepen met een oplopende zorg- en ondersteunings- vraag. Van elke groep is verondersteld dat – indien de huishoudelijke hulp wegvalt – er alleen uitstroom plaatsvindt naar zwaardere zorg en/of ondersteuning. Wanneer de huishoudelijke hulp wegvalt wordt bij de groep met de lichtste zorg- en ondersteuningsvraag– in afwijking van de studie van het SCP – een uitstroom naar wijkverpleging en Wlz verondersteld van 11,8%, respectievelijk 3,8%. Dat is gelijk aan 60% van de eerder genoemde percentages uit de SCP-studie.
Dit is gedaan, omdat sinds de studie- periode (2014-2016) de zorgzwaarte in de Wlz is toegenomen en het onzeker is in welke mate cliënten met uitsluitend huishoudelijke hulp in aanmerking zullen komen voor een Wlz-indicatie. De uitstroom naar wijk verpleging is lager verondersteld dan in de SCP-studie, omdat wijkverpleging geen substituut is voor huishoudelijke hulp. Gezien de personeelskrapte in de wijkverpleging wordt in deze beleidsoptie van het houdbaarheids onderzoek deze instroom verder verlaagt 8,9%. Dat is gelijk aan 45% van het veronderstelde percentage uit de SCP studie. Voor de uitstroom richting Wlz is verondersteld dat deze cliënten een vpt of mpt/pgb gaan ontvangen. In deze beleidsoptie voor het houdbaarheidsonderzoek wordt, gebaseerd op instroomcijfers voor de Wlz, verondersteld dat 35% een vpt en 65% een mpt/pgb krijgt. Dit was bij de TWMZ voor beide leveringsvormen 50%. Als deze cliënten uitstromen uit de Wmo 2015 richting de Wlz, dan stijgen de Wlz-uitgaven en dalen de Zvw-/ Wmo 2015-uitgaven. In deze beleidsoptie wordt 10% van de huidige uitgaven aan hulp bij het huishouden gereserveerd voor een vangnet. Het vangnet wordt buiten de Wmo georganiseerd, bijvoorbeeld via bijzondere bijstand. De maatregel brengt transitiekosten met zich mee. Om de maatregel in te kunnen voeren moet voorzien worden in overgangsrecht.
140 Een kleine aanpassing in de aannames kan direct grotere gevolgen hebben voor de totale opbrengst. 141 SCP (2019), Wat als zorg wegvalt https://www.scp.nl/publicaties/publicaties/2019/11/26/wat-als-zorg-wegvalt, zie paragraaf 4.3. De budgettaire effecten zijn in onderstaande tabel weergegeven. De bedragen zijn in prijspijl 2025. Onderlig gende gebruikersaantallen zijn gebaseerd op 2023. Budgettaire gevolgen | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | 2032 | Structureel in € mln. * Netto besparing | 0 | +PM | +PM | +PM-400 | +PM-400 | +PM-400 | -400 Waarvan Zvw | 0 | 0 | 0 | -120 | -120 | -120 | -120 Waarvan Wmo 2015 | 0 | 0 | 0 | -1400 | -1400 | -1400 | -1400 Waarvan Wlz | 0 | 0 | 0 | +1000 | +1000 | +1000 | +1000 Waarvan vangnet | 0 | 0 | 0 | + 140 | + 140 | + 140 | + 140 buiten Wmo 2015 Waarvan overgangs- | 0 | 0 | 0 | +PM | +PM | +PM | 0 recht Waarvan Transitie- | 0 | + PM | + PM | 0 | 0 | 0 | 0 kosten * Door afronding kan de som van de delen afwijken van het totaal. * De raming wijkt af van maatregel 35 uit de ombuigingslijst 2025 vanwege het aanpassen van twee aannames (weglek richting wijkverpleging, aannames verdeling VPT vs. MPT/pgb) die zorgen voor een hogere opbrengst. Daarnaast wordt uitgegaan van een vangnetregeling waardoor de totale opbrengst netto lager uitvalt. De maatregel levert zoals verwacht een besparing op in de Wmo 2015.