De Handreiking Participatiewet in Balans
Tekst van het document
Gemeenten krijgen meer ruimte om zelf af te wegen of een sanctie passend is, en zo ja, welke reactie recht doet aan de omstandigheden van de inwoner én aan de bedoeling van de wet. De beoogde ingangsdatum van de Wet handhaving sociale zekerheid en het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten is 1 januari 2027, maar dit is afhankelijk van besluitvorming van de Tweede en Eerste Kamer. Totdat het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid in werking treedt, wijzigt de Participatiewet nog niet en blijft de werkwijze voor gemeenten hetzelfde. In dit hoofdstuk staat in het kort wat er verandert voor de uitvoeringspraktijk van gemeenten bij het opleggen van maatregelen, nádat de wijzigingen in werking zijn getreden. In de Handreiking Handhaving door gemeenten van Stimulansz worden de Wet handhaving sociale zekerheid, het Maatregelenbesluit en het Boetebesluit uiteengezet. De handreiking maakt de wet- en regelgeving inzichtelijk, legt de achterliggende bedoeling uit, beschrijft welke ruimte er is voor lokaal beleid, biedt concrete handvatten voor de afweging van sancties, bespreekt de samenloop met andere wetten en benoemt de dilemma’s die zich in de praktijk kunnen voordoen. Deze handreiking is vanaf juli 2026 te downloaden van de website van Stimulansz.
108 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 19.1 Wat wijzigt er bij de maatregelen? De geüniformeerde arbeidsverplichtingen en de bijbehorende standaardverlagingen die in artikel 18, vierde tot en met achtste lid, van de Participatiewet zijn opgenomen komen te vervallen. Let op: De datum van inwerkingtreding van deze wijziging is dus afhankelijk van besluitvorming en datum inwerkingtreding van het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid. Beoogde ingangsdatum is 1 januari 2027. Artikel 18 Pw wordt als volgt gewijzigd: • In het tweede lid wordt «Het college verlaagt de bijstand» vervangen door «Onverminderd het zevende lid, legt het college een maatregel op tot het verlagen van de bijstand». • In het derde lid wordt na «als bedoeld in het tweede lid» ingevoegd «ambtshalve of op verzoek van de belanghebbende»: Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid ambtshalve of op verzoek van de belanghebbende binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden bedraagt. • Het vierde tot en met achtste lid en het elfde lid vervallen, onder vernummering van het negende, tiende en twaalfde lid, tot vierde tot en met zesde lid. • Er worden twee leden toegevoegd, luidende: 7.
Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten aanzien van het verlagen van de bijstand ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, waarbij kan worden bepaald dat het college kan afzien van verlaging van de bijstand. 8. Het college neemt bijdragen die leiden tot een kostenbesparing niet in aanmerking, voor zover de som van deze bijdragen en giften het bedrag, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel m, niet overstijgt. In afwijking van de vorige zin, neemt het college bijdragen van voedselbanken geheel niet in aanmerking. De huidige geüniformeerde arbeidsverplichtingen uit artikel 18, vierde lid, en de verplichte verlagingen als een bijstandsgerechtigde één van de in het vierde lid genoemde verplichtingen niet nakomt, komen met de inwerkingtreding van dit onderdeel van de wetswijziging te vervallen. Het vervallen van deze artikelleden betekent niet dat deze verplichtingen verdwijnen. Het betekent wél dat de uitvoerende professional deze – en ook andere – verplichtingen zo kan opleggen dat ze de situatie dienen. Afstemming in de Taaleis vervalt De taaleis blijft in de Participatiewet. Maar de artikelen over afstemming in de taaleis, artikel 18b lid 9, 10, 11 en 13, komen te vervallen.
Als een inwoner zich niet aan de verplichtingen van de taaleis houdt, dan kan worden afgestemd op grond van het Maatregelenbesluit. Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten Met het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid en de Participatiewet in balans wordt ook het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten aangepast. Dit is een algemene maatregel van bestuur (AMvB). De Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz komen onder dit besluit te vallen. Het maatregelenbeleid wordt herzien door onder andere: • het aantal categorieën te verminderen; • de duur en hoogte van maatregelen aan te passen; en • een waarschuwingsbevoegdheid te introduceren. Gevolgen voor de gemeentelijke maatregelenverordening, wat staat waar? De grondslag voor het opleggen van een maatregel staat in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet. De gedragingen die tot een maatregel kunnen leiden, worden als volgt verdeeld: 109 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 • De categorieën I, II en III staan in het Maatregelenbesluit; • De maatregel wegens tekortschietend besef moet uitgewerkt worden in de maatregelenverordening; • De maatregel in verband met algemeen geaccepteerde arbeid komt in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; • De maatregel in verband met zeer ernstig misdragen komt in artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet.
Bij elke categorie staan de verplichtingen voor de inwoner die bij overtreding daarvan tot een maatregel (kunnen) leiden. De categorie bepaalt welke mogelijkheden de gemeente heeft bij het opleggen van de maatregel. Dit hoeft dus niet langer in de gemeentelijke maatregelenverordening te worden opgenomen. Behalve het begrip tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, dit moet wel in de maatregelenverordening worden uitgewerkt. 19.2 Waarom komt er meer ruimte voor afstemming? De stevige, landelijk genormeerde standaardverlagingen bij het niet nakomen van de generieke arbeids- en re-integratieverplichtingen worden door zowel gemeenten als bijstandsgerechtigden als te strikt en disproportioneel ervaren. Daarom wordt het systeem van verlagingen aangepast. 19.3 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid • De huidige afstemmingsverordening komt te vervallen. In het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten komen regels met betrekking tot de hoogte en de duur van de maatregelen te staan. • Er is een aparte handreiking Handhaving door gemeenten (zie het groene kader op pagina 107), over de verlagingen op grond van artikel 18 van de Participatiewet en de samenloop van de wetsvoorstellen Participatiewet in balans en Handhaving sociale zekerheid. De inhoud over dit onderwerp is in deze handreiking Participatiewet in balans daarom beperkt.
• Voor afstemming vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid blijft een gemeentelijke verordening nodig. De modelverordening van VNG wordt aangepast (zie hierboven). Uitvoering • Zowel uitkeringsgerechtigden als consulenten moeten over de wijzigingen worden geïnformeerd. • Het is noodzakelijk om beschikkingen en rapportages aan te passen. Digitale ondersteuning Afhankelijk van de nieuwe regelgeving moet mogelijk het uitkeringssysteem worden aangepast, zodat waarschuwingen, aangepaste categorieën en juiste percentages kunnen worden ingevoerd en VNG wijzigt de inhoud van huidige modelafstemmingsverordening. Ook de naam wordt aangepast: Model Afstemmingsverordening wordt Model Maatregelenverordening. Het model komt in het 3e kwartaal van 2026 beschikbaar. 110 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 geregistreerd. 19.4 Kan de gemeente vooruitlopen op de wijzigingen? Het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten is nog niet in werking getreden. Het is daardoor nog niet mogelijk om op basis daarvan besluiten over maatregelen te nemen. Wel is het mogelijk om terughoudend te zijn met of af te zien van maatregelen als er geen sprake is van verwijtbaarheid, maatregelen te matigen bij verminderde verwijtbaarheid of af te stemmen op de individuele omstandigheden. Zowel de wet als de meeste gemeentelijke verordeningen voorzien hierin al.
19.5 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ Ook artikel 20 IOAW en artikel 35 IOAZ worden aangepast, zodat gemeenten ook hier meer ruimte krijgen voor afstemming op individuele omstandigheden. Bbz Het Bbz voorziet in een bijzondere vorm van bijstandverlening voor zelfstandigen. Het gedifferentieerde maatregelenregime en het boeteregime van de Participatiewet werken ook door in het Bbz daar waar sprake is van niet naleving van de geldende verplichtingen in het Bbz. 111 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 20 Toespitsen verplichtingen op het individu Deze wijziging gaat in per 1 januari 2027. 2026 is een transitiejaar. Eén van de drie uitgangspunten van de Participatiewet in balans is, naast eenvoud en vertrouwen, de menselijke maat. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel benadrukt daarnaast de rechtszekerheid: uniform waar het kan, differentiatie of maatwerk waar het nodig is. Differentiatie speelt bij verschillende artikelen uit de Participatiewet en in verschillende situaties van bijstandsgerechtigden een rol, onder andere bij: • het naar beneden of naar boven afstemmen van de bijstand (artikel 18 lid 1 Pw); • verschillende vormen van participatie (zie hoofdstuk 16); • het opleggen van verplichtingen; • een meer gedifferentieerd en passend maatregelenregime (zie hoofdstuk 19). De memorie van toelichting noemt dit het individualiseringsbeginsel.
In dit hoofdstuk wordt met name de mogelijkheid tot differentiatie op het vlak van begeleiding, participatie en re-integratie beschreven. Ook het uitgangspunt van vertrouwen speelt hier een belangrijke rol. Het gaat daarbij niet alleen om vertrouwen in de inwoner, maar ook over vertrouwen in de (uitvoerende) professional. 20.1 Wat wijzigt er bij de participatie- en arbeidsverplichtingen? Participatieverplichtingen In hoofdstuk 16: Maatschappelijke participatie is al beschreven, wat er voor de participatieverplichtingen verandert. Deze worden onderverdeeld in: • arbeidsverplichtingen; • verplichting tot re-integratie of maatschappelijke participatie gericht op arbeidsinschakeling; • maatschappelijke participatie niet gericht op arbeidsinschakeling. Arbeidsverplichtingen Wijzigingen artikel 9 De hoofdregel blijft ook na inwerkingtreding van deze wijzigingen in de Participatiewet dat de bijstandsgerechtigde verplicht is om algemeen geaccepteerde arbeid te zoeken, aan te nemen en te behouden (artikel 9 lid 1 onder a Pw). In hoofdstuk 16 is al beschreven dat de term ‘naar vermogen’ in artikel 9 een grotere rol is gaan spelen. Naast de arbeidsverplichting blijft de verplichting tot re- integratie bestaan (artikel 9 lid 1 onder b Pw) en wordt als derde mogelijkheid de maatschappelijk participatie ingevoerd (artikel 9 lid 1 onder c Pw).
Een volledige opsomming van de wijzigingen in artikel 9 van de Participatiewet staat in § 16.1 Wat wijzigt er in de participatieverplichtingen. Voor dit hoofdstuk is vooral lid 2 van artikel 9 relevant: • Lid 2 wordt tekstueel aangepast vanwege de wijzigingen in lid 1: Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, genoemd in het eerste lid. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.
112 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Artikel 9, tweede lid, biedt de mogelijkheid tot tijdelijke ontheffing. In de huidige Participatiewet is ontheffing alleen mogelijk van de arbeidsverplichting en plicht tot het leveren van een tegenprestatie. Met de wijziging kan de ontheffing ook worden gegeven voor maatschappelijke participatie gericht op arbeidsinschakeling, het meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en aan het plan van aanpak. De uitvoerende professional krijgt hiermee meer mogelijkheden om een tijdelijke ontheffing beter af te stemmen op de mogelijkheden en beperkingen van de bijstandsgerechtigde. Wijzigingen artikel 18 van de Participatiewet In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet zijn de geüniformeerde arbeidsverplichtingen en de bijbehorende standaardverlagingen opgenomen. De huidige leden 5 tot en met 8 van artikel 18 bevatten verplichte verlagingen als een bijstandsgerechtigde één van de in het vierde lid genoemde verplichtingen niet nakomt. Deze lopen op bij recidive. Met de inwerkingtreding van dit onderdeel van de wetswijziging komen deze leden 4 t/m 8 te vervallen. Aan iemand die zelfredzaam is en goede sollicitatiebrieven schrijft, hoeft de professional geen training ‘Hoe stel je een sollicitatiebrief op’ op te leggen.
Daar kan deze andere afspraken mee maken dan met iemand die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en eerst aan zijn werknemersvaardigheden moet gaan werken. Voor deze laatste persoon kan een verplichting om te solliciteren of ingeschreven te staan bij een uitzendbureau op dit moment misschien nog te hoog gegrepen te zijn. Met de wijzigingen van de Participatiewet in balans wordt dus afgestapt van de hele reeks verplichtingen die voor alle bijstandsgerechtigden geldt. En is het aan de professional om die verplichtingen die nodig en nuttig zijn aan de individuele bijstandsgerechtigde op te leggen. Er wordt een nieuw zevende lid toegevoegd: 7. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ten aanzien van het verlagen van de bijstand ter zake van het niet nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze wet, waarbij kan worden bepaald dat het college kan afzien van verlaging van de bijstand. Het nieuwe lid 7 biedt ruimte aan de gemeente om bij het niet nakomen van de opgelegde verplichtingen een maatregel op maat op te leggen. Deze hoogte kan dan meer passend op de zwaarte van de niet nagekomen verplichting worden afgestemd. Daarbij kunnen alle omstandigheden van de bijstandsgerechtigde mee gewogen worden. De gemeente kan ook afzien van verlaging van de bijstand en bijvoorbeeld volstaan met een waarschuwing.
Samenhang met andere wetgeving De inwerkingtreding van deze wetswijzigingen komt in het inwerkingtredingsbesluit bij de Wet handhaving sociale zekerheid. Ook de inwerkingtreding van het aangepaste Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten dat ook voor de Participatiewet gaat gelden, hangt hiermee samen. Voor meer informatie hierover zie ook hoofdstuk 19: § Stelselwijziging handhaving sociale zekerheid. 20.2 Waarom worden de verplichtingen toegespitst op het individu? Uit onderzoek is gebleken, dat de meeste bijstandsgerechtigden zich aan de regels (willen) houden. En als zij dat niet doen, dat meestal niet uit onwil is, maar omdat die regels vaak zo complex zijn dat de verplichtingen hen niet duidelijk waren.75 Door de jaren heen heeft de wetgever ook steeds meer 75 Zie o.a. het rapport Weten is nog geen doen van de WRR uit 2017. 113 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 verplichtingen in de wet gespecificeerd, waardoor er een hele lijst aan standaardverplichtingen is ontstaan, die voor álle bijstandsgerechtigden gelden. Maar die zijn in de praktijk niet altijd toepasbaar in de individuele situatie van de bijstandsgerechtigde, en zeker niet als arbeidsinschakeling nog of helemaal geen reële mogelijkheid is.
Ook kwamen uit de praktijk signalen dat verschillende onderdelen uit de Participatiewet wat het opleggen van verplichtingen en sanctioneren betreft door de uitvoering als te rigide werden ervaren, en sluit de wet hierin niet goed aan bij de beleving van de doelgroep. Ruimte voor de professional Door nu op de onderdelen waar dat nodig geacht wordt meer ruimte en handelingsvrijheid aan de uitvoerende professional te geven en te benadrukken dat deze die ruimte ook mag en moet benutten, wordt een meer op de situatie van de bijstandsgerechtigde toegesneden pakket van verplichtingen en ondersteuning mogelijk. Deze ruimte is onder andere terug te vinden bij: • het afzien van vierwekenzoektermijn bij jongeren in kwetsbare omstandigheden; • de terugwerkende kracht bij aanvragen; • tijdelijke ontheffingen; • het meewegen van zorgtaken en mantelzorg (zie hieronder bij § 20.3); • de arbeidsverplichtingen; • het zelf vormgeven aan maatschappelijke participatie; • het bieden van ondersteuning bij arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie; • het maatregelenbeleid; • (verlenging van) de inkomensvrijlating; • de evenredigheidstoets; en • het afstemmen van de bijstand naar beneden en naar boven. Ten slotte moeten ook de ondersteuning bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling (artikel 7 jo artikel 10 Pw) genoemd worden.
Deze worden door de Participatiewet in balans inhoudelijk niet noemenswaardig veranderd. Bij uitvoering van deze taken beoordeelt de professional nu al op individuele basis wat de inwoner nodig heeft. Met het toepassen van een deel van de voornoemde wijzigingen kan de werkconsulent nog beter aansluiten bij de persoonlijke situatie van de inwoner. 20.3 Mantelzorg en afstemmen verplichtingen In de Participatiewet in balans wordt ruimte geboden voor mantelzorg (zie Hoofdstuk 15: Ruimte voor mantelzorg). Daarbij wordt aangegeven dat mantelzorg een invulling kan zijn van maatschappelijke participatie. Mantelzorg voor een partner, familielid of andere dierbare kan in tijd en intensiteit een zware belasting zijn voor een bijstandsgerechtigde. Mantelzorg in welke vorm dan ook (intensief of niet) kan een dringende reden zijn op basis waarvan de gemeente ontheffing verleent van de arbeidsverplichtingen (art. 9 lid 2 Pw). Maar het verlenen van een intensieve vorm van mantelzorg is niet per definitie een reden om ontheven te worden van arbeidsverplichtingen. Ook van mantelzorgers mag worden verwacht dat zij werken aan hun re-integratie of op zoek gaan naar (deeltijd)werk. Op welke wijze dat gebeurt kan worden vastgelegd in de individuele afspraken over de invulling van de participatieplicht.
Als er dringende redenen zijn die maken dat het voldoen aan de participatieplicht niet mogelijk is, kan de gemeente tijdelijk ontheffing van deze verplichting bieden. Dit is nu ook al zo. Zo kan worden afgesproken dat mantelzorg tijdelijk voorgaat boven de verplichting om te solliciteren. 114 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Afstemmen van verplichtingen bij mantelzorg Meestal zal het verlenen van mantelzorg aan de orde komen als gekeken wordt naar de individuele afstemming van de participatieplicht. Bij het maken van de afspraken over de verplichtingen kan met de mantelzorg rekening worden gehouden. In welke mate dat gebeurt is situatie-afhankelijk. Het is in alle gevallen belangrijk om in beeld te brengen welke zorgtaken iemand vervult, hoeveel uren iemand aan mantelzorg besteedt en hoe zwaar deze taken zijn. Hierbij speelt bijvoorbeeld de fysieke en mentale gezondheid, leeftijd, en de grootte en complexiteit van het huishouden een belangrijke rol. De draagkracht en de draaglast van de mantelzorger moeten zo goed mogelijk met elkaar in balans zijn. Met de draagkracht bedoelen we wat de mantelzorger aankan, de draaglast geeft aan hoe zwaar de zorg voor hem of haar is. Op basis van de weging van het geheel van omstandigheden wordt invulling gegeven aan de arbeidsverplichting.
Het is belangrijk om duidelijk met de mantelzorger af te spreken wat hierbij precies van hem verwacht wordt. Het inzetten van een medisch adviseur Inzet van een (sociaal-)medisch adviseur door de gemeente is mogelijk om te beoordelen of er ontheffing van arbeidsverplichtingen kan worden verleend. Het inschakelen van een sociaal-medisch adviseur is echter niet verplicht en ook niet altijd noodzakelijk. De gemeente kan ervoor kiezen zelf te beoordelen wat de zorgbehoefte is en of er aanleiding is voor ontheffing van arbeidsverplichtingen vanwege mantelzorg. Wanneer de zorgbehoeftige niet bijstandsafhankelijk is, zal de medisch adviseur hem om toestemming moeten vragen om van zijn gegevens gebruik te maken om de zorgbehoeftigheid te beoordelen. 20.4 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid De wijzigingen in de Participatiewet in balans bieden de gemeente op onderdelen de ruimte om de uitvoerende professional meer handelingsvrijheid te geven. Het is goed om die ruimte ook naar voren te laten komen in het gemeentelijke beleid. De gemeente kan kaders stellen of handvatten bieden in werkinstructies, maar het is niet de bedoeling deze ruimte te veel in te perken. Uitvoering Van de uitvoerende professional wordt wellicht het meest gevraagd. Deze staat het dichtst bij de inwoner.
Met dossieronderzoek, gesprekstechnieken en een goed contact met de inwoner is het mogelijk de relevante omstandigheden van de inwoner en zijn situatie in kaart te brengen. Deze zijn nodig om tot de juiste keuzes te komen en de ondersteuning en verplichtingen – zo nodig ook maatregelen - op zijn persoonlijke situatie af te stemmen. Bij veel gemeenten werken professionals al (grotendeels) op deze manier. Waar dat nog niet zo gaat, zal dit mogelijk een cultuuromslag vergen. Er kan niet worden volstaan met het doorlopen van afvinklijsten of stroomschema’s, de professional zal zich bij elke bijstandsgerechtigde moeten afvragen wat voor deze persoon nodig is. Dat klink arbeidsintensief en dat is het ook. Wat het oplevert is een betere relatie met de inwoner, omdat deze zich meer gehoord en ondersteunt voelt en niet het idee heeft aan voor hem onmogelijke verplichtingen te moeten voldoen. Dit zal op de langere termijn zorgen voor meer vertrouwen in de (lokale) overheid en ook tijdsbesparing opleveren, omdat vervolgcontacten dan vaak soepeler zullen verlopen. Daar waar professional onzeker zijn over de invulling van hun handelingsvrijheid, zou het goed zijn om training in te zetten op het gebied van kennis en/of vaardigheden. Ook is het mogelijk om inhoudelijke intervisie of werkoverleggen (tijdelijk frequenter) in te plannen om kennisdeling te bevorderen.
115 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Digitale ondersteuning Het maken van afspraken op individueel niveau vergt een goede en volledige registratie in het digitale dossier van de inwoner. Hier moet voldoende ruimte voor zijn. 20.5 Kan de gemeente vooruitlopen op deze wijziging? Het toespitsen van ondersteuning en verplichtingen heeft betrekking op veel verschillende onderwerpen. Voor de meeste hiervan geldt dat professionals al ten dele in de geest van de bedoeling van de wet kunnen en mogen handelen. Maatschappelijke participatie, de ondersteuning daarbij en het recht op eigenstandig vormgeven aan die participatie treden per 1 januari 2027 in werking. In 2026 (gedoogjaar) mogen gemeenten al conform de nieuwe regels uit de Participatiewet werken om hun inwoners zo goed mogelijk te ondersteunen richting participatie en hen hierbij ook zelf zeggenschap te geven. Zie voor meer informatie §16.4 Vooruitlopen. Omdat deze wijzigingen samenhangen met de inwerkingtreding van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten, is het nog niet mogelijk om op basis van de gewijzigde wetgeving besluiten te nemen. Wel is het mogelijk om de nadruk te leggen op verplichtingen die passen bij de persoon en de situatie van de bijstandsgerechtigde.
En om af te zien van maatregelen als er geen sprake is van verwijtbaarheid, maatregelen te matigen bij verminderde verwijtbaarheid of af te stemmen op de individuele omstandigheden. Zowel de wet als de meeste gemeentelijke verordeningen voorzien hierin al. 20.6 IOAW, IOAZ en Bbz Het toespitsen van ondersteuning en verplichtingen geldt, overal waar dit van toepassing is, evenzeer voor de IOAW, IOAZ en het Bbz als voor de Participatiewet. 116 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Deel 5: Overig De Participatiewet in balans bevat ook een aantal kleinere wijzigingen. In dit deel van de handreiking komen aan bod: • de mogelijkheid voor gemeenten om breder en langere tijd te experimenteren; • het voorschot op de uitkering dat in lijn gebracht wordt met de beslagvrije voet; en • de aanpassing in het onweerlegbaar rechtsvermoeden waarmee de tijd dat ex-gehuwden met hetzelfde hoofdverblijf een gezamenlijke huishouding voeren nu ook is teruggebracht naar 2 jaar. Er wordt in de volgende hoofdstukken beknopt ingegaan op deze wijzigingen. 21 Verbreding experimenteerartikel Deze wijziging is ingegaan per 1 januari 2026 Artikel 83 “Innovatie” wordt het experimenteerartikel genoemd. Hierin staat op welke gebieden en hoe lang experimenten mogen worden uitgevoerd.
Deze gebieden zijn: • artikel 6 – definities arbeidsinschakeling; • artikel 7 – opdracht college (ondersteuning bij arbeidsinschakeling); • artikel 8 – verordeningen uitkeringen (verlagingen en Individuele Inkomenstoeslag IIT); • artikel 9 – (arbeids)verplichtingen; • artikel 31 lid 2 – wat niet tot de middelen wordt gerekend; • § 7.1 – financiering. Dit is de grondslag voor een algemene maatregel van bestuur (AMvB, ook wel Besluit). Pas in een Besluit wordt verder uitgewerkt welke gemeenten deelnemen en van welke hierboven genoemde artikelen wordt afgeweken voor het experiment. Een voorbeeld hiervan is het Tijdelijk Besluit experimenten Participatiewet van 22 februari 2017, voor de experimenten van de gemeenten Groningen, Utrecht, Wageningen, Nijmegen, Tilburg en Deventer tussen 2017 en 201976. 21.1 Wat is er gewijzigd aan het experimenteerartikel? In de Participatiewet zijn de gebieden waarop een experiment kan plaatsvinden uitgebreid met: • artikel 10d – loonkostensubsidie; • maatschappelijke participatie; • permanente ontheffingen. De verbreding heeft tot doel de samenwerking tussen (de afdelingen) Werk, Inkomen en Wmo te bevorderen, zodat de gezondheid, maatschappelijke participatie en het welzijn van de inwoners kan worden verbeterd. Dit houdt ook een verbreding van de doelgroep in: geen focus meer op volledige uitstroom naar werk.
De maximale duur van experimenten is verlengd van 3 naar 5 jaar. Dit is gebeurd op advies van het Centraal Planbureau (CPB). Zo is er voldoende tijd beschikbaar om conclusies te kunnen trekken. 76 Zie Kamerbrief en uitkomsten Experimenten Participatiewet.
117 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Het is nog steeds nadrukkelijk niet de bedoeling dat experimenten plaatsvinden op het gebied van inkomen. Immers, inkomensbeleid is voorbehouden aan het Rijk. 21.2 IOAW, IOAZ en Bbz De IOAW en IOAZ kennen geen experimenteerartikel en dit wordt ook niet ingevoerd. Het Bbz, vallende onder de Participatiewet, kent dit wel. Voor het Bbz blijft de maximale termijn (in afwijking van artikel 83 Participatiewet in balans) 3 jaar. Dit wordt geregeld in het Bbz door de invoering van een nieuw artikel 17a. Een experiment heeft een AMvB als juridische basis waarin de voorwaarden van het experiment worden bepaald. Hoewel de Participatiewet in balans een looptijd van 5 jaar voor een experiment mogelijk maakt, kan daarvan nog steeds worden afgeweken in de AMvB. Om die reden heeft de latere inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit Bbz geen consequentie voor de uitvoering van het Bbz in 2026. 118 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 22 Bevoorschottingspercentage in lijn met beslagvrije voet Deze wijziging is ingegaan per 1 januari 2026 Artikel 52 van de Participatiewet verplicht gemeenten om vier weken na de bijstandsaanvraag een voorschot te verstrekken als er op dat moment nog geen besluit is genomen op de aanvraag. Hierop zijn twee uitzonderingen: 1.
De aanvraag is nog niet compleet, terwijl de stukken wel zijn opgevraagd, of de inwoner verleent op een andere manier onvoldoende medewerking; 2. Bij de aanvraag is al duidelijk dat er geen recht op bijstand bestaat. 22.1 Wat is er gewijzigd aan het experimenteerartikel? Artikel 52, tweede lid, van de Participatiewet luidt sinds 1 januari 2026: De hoogte van het in het eerste lid bedoelde voorschot bedraagt in ieder geval 95% van de hoogte van de algemene bijstand, bedoeld in artikel 19, tweede lid. De hoogte van het voorschot was 90% van de toepasselijke bijstandsnorm (min eventuele inkomsten). Met de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (Wvbvv) die per 1 januari 2021 in werking is getreden, is de beslagvrije voet voor de inkomensgroep met de bijstandsnorm op 95% gesteld.77 Het bevoorschottingspercentage is nu in lijn gebracht met de hoogte van de beslagvrije voet naar 95%. 22.2 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Deze wijziging heeft geen gevolgen voor het beleid. Let erop dat de werkinstructie is aangepast. De softwareleveranciers hebben het voorschotpercentage in de systemen aangepast. 22.3 IOAW, IOAZ en Bbz De IOAW en IOAZ kennen geen specifiek artikel dat een voorschot regelt. Voor bedrijfskapitaal is een voorschot uitgesloten (artikel 14 Bbz), dit verandert niet.
Voor levensonderhoud geldt het nieuwe percentage uit artikel 52 van de Participatiewet. 77 Zie voor meer informatie de Handreiking Wet vereenvoudiging beslagvrije voet van VNG.
119 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 23 Kleine aanpassing onweerlegbaar rechtsvermoeden Deze wijziging is ingegaan per 1 januari 2026 In enkele situaties hoeft de gemeente bij inwoners met een gezamenlijk hoofdverblijf geen onderzoek te doen naar wederzijdse zorg. De gemeente mag ervan uitgaan dat die wederzijdse zorg bestaat en de inwoners als gehuwden behandelen. Hiervoor gelden enkele criteria, de zogenoemde onweerlegbare rechtsvermoedens. Deze waren als volgt vastgelegd in artikel 3, vierde lid, onder a tot en met d, van de Participatiewet: 3. ‘Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: a. zij met elkaar gehuwd zijn geweest of in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt; b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander; c. zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract; of d.
zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid.’ De formulering onder a hield strikt genomen in dat voor ex-gehuwden met hoofdverblijf in dezelfde woning, anders dan voor niet-gehuwden, altijd een gezamenlijke huishouding moet worden aangenomen. 23.1 Wat is er gewijzigd aan ‘gezamenlijke huishouding’? Artikel 3, vierde lid, onderdeel a van de Participatiewet is gewijzigd in: a. ‘zij in de periode van twee jaar voorafgaande aan de aanvraag van bijstand met elkaar gehuwd zijn geweest of voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt;’ Hiermee is de ‘temporele beperking’ nu ook in de wet geregeld voor ex-gehuwden. Dus alleen wanneer zij in de periode van twee jaar voorafgaand aan de gezamenlijke huishouding getrouwd zijn geweest, geldt voor hen ook het onweerlegbare rechtsvermoeden. Deze aanpassing wordt gedaan op grond van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waarin de Raad aangeeft dat er sprake is van discriminatie van ex-gehuwden en dit onderscheid in strijd is met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) 78. Een voorbeeld Fatima en Hans zijn in 2022 gescheiden.
Hans heeft een tijd ergens anders gewoond, maar woont sinds december 2024 weer bij Fatima in huis, op de zolderetage. In mei 2025 vraagt hij bijstand aan. Oude situatie: Er is geen onderzoek nodig naar wederzijdse zorg, want Hans en Fatima zijn getrouwd geweest. Er is hier sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. 78 ECLI:NL:CRVB:2005:AU7657
120 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Nieuwe situatie: Er is onderzoek nodig naar de wederzijdse zorg, want Fatima en Hans zijn langer dan 2 jaar vóór de bijstandsaanvraag gescheiden. Er is geen sprake meer van een onweerlegbaar rechtsvermoeden. 23.2 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Aangezien deze wijziging een codificatie betrof (in dit geval: het opnemen in de wet van vaste rechtspraak), was dit in de meeste gemeenten al staande praktijk. Zo, niet, dan moeten de beleidsregels en werkinstructies in lijn gebracht worden (of al zijn) met de wijziging. Voor de digitale ondersteuning heeft deze wijziging geen gevolgen. Nog een aanpassing gezamenlijke huishouding In artikel 3: Gezamenlijke huishouding en woning is nog een lid aangepast. De andere aanpassing betreft artikel 3, tweede lid, onder a; het discriminatoir onderscheid tussen bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad. Dit is opgeheven. Deze wijziging wordt beschreven in §15.3: Samenwonen bij een zorgbehoefte. 23.3 IOAW, IOAZ en Bbz De wijzigingen in artikel 3 Participatiewet in balans zijn ook opgenomen in artikel 3 van zowel de IOAW als de IOAZ. Voor het Bbz werken deze kleine aanpassingen van het onweerlegbaar rechtsvermoeden ook door.
121 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Bijlage 1: Samenhang met andere wetgeving (in wording) Wet van school naar duurzaam werk De Wet van school naar duurzaam werk regelt een nieuw artikel 7a in de Participatiewet. Hiermee heeft de gemeente meer mogelijkheden om jongeren zonder startkwalificatie ondersteuning te bieden. De leeftijd hierbij is van 23 naar 27 jaar gegaan. De doelgroep bestaat uit: 1. jongeren waarvoor het volgen van onderwijs niet mogelijk of niet passend is; 2. jongeren waarvoor de school om ondersteuning van de gemeente vraagt; 3. jongeren die hoger onderwijs volgen; 4. ondersteuning aan de doelgroep van huidige artikel 10f in de Participatiewet blijft; deze gaat over naar het nieuwe artikel 7a Pw. Ad 1) Onder de huidige Participatiewet vallen jongeren waarvoor het volgen van onderwijs niet mogelijk is. Daaraan worden jongeren toegevoegd voor wie uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs niet passend wordt geacht. Ad 2) Met ‘de school’ uit onderdeel 1 wordt bedoeld een pro- of vso-school of een mbo-instelling. Deze scholen hebben zelf een wettelijke taak tot het bieden van aanvullende loopbaanbegeleiding en samenwerking met de gemeente. Na diplomering kan de school de gemeente verzoeken door te gaan met het ondersteunen van de jongere. Op dat moment gaat de verantwoordelijkheid over naar de gemeente.
De school moet in dat geval een zogenaamd overgangsdocument aan de gemeente sturen. De school kan de gemeenten eventueel ook buiten de aanvullende loopbaanbegeleiding om benaderen voor ondersteuning, bijvoorbeeld voor het vinden van een stage. Ad 3) Voor Hbo- of wo-instellingen geldt geen taak tot aanvullende loopbaanbegeleiding of samenwerking met de gemeente. Daarom hoeft er geen sprake te zijn van een verzoek vanuit de instelling; het mag natuurlijk wel. Vaak zal de student zelf om hulp of ondersteuning vragen. Ad 4) Jongeren die nog geen startkwalificatie hebben en door de staat bekostigd onderwijs kunnen volgen, worden doorgeleid naar het Doorstroompunt (voorheen RMC) en vervolgens bij voorkeur naar genoemd onderwijs. Als onderwijs geen reële optie is, kan de ondersteuning bij jongeren zonder startkwalificatie plaatsvinden in de vorm van een leer-werktraject. Of op een andere manier, als dat beter bij die persoon past. Het Doorstroompunt kan omgekeerd ook jongeren naar de gemeente verwijzen, als de ondersteuning van de jongere daarbij gebaat is.’ Alle verzoeken om ondersteuning, verwijzingen of doorgeleidingen vinden bij voorkeur ‘warm’ plaats. Waar mogelijk en nodig wordt samengewerkt tussen alle betrokken organisaties.
Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer Voor alle overheidsinstanties is per 1 januari 2026 de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmebv) gaan gelden. Hierin worden de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nog diverse andere wetten aangepast op de mogelijkheden van elektronisch verkeer tussen inwoners, bedrijven en overheidsorganen. Voor aanvragen in het kader van de Participatiewet geldt dat de gemeente: • een digitaal kanaal moet aanbieden (zie ook hoofdstuk 2: Identificatieplicht DigiD en EU-rijbewijs); • zo nodig ondersteuning biedt bij een digitale aanvraag; • in reactie op aanvragen een ontvangstbevestiging stuurt; en • | elektronische logs worden bewaard om eventueel als bewijs te worden gebruikt. | 79 Daarnaast zijn er de Wet digitale overheid (W | do) en de Regeling betrouwbaarheidsniveaus authenticatie elektronische dienstverlening. Deze regelingen dragen eraan bij dat een inwoner veilig digitaal contact kan hebben met de gemeente en op een transparante en overzichtelijke wijze toegang heeft tot zijn | gegevens | . Naast alle digitalisering moet een inwoner ook nog steeds een aanvraag op papier kunnen blijven doen. Voor meer informatie zie de | website Digitale Overheid. eIDAS en andere digitale en analoge wijzigingen eIDAS staat voor 'Electronic Identification and Trust Services'.
| Met eIDAS wil Europa bijdragen aan het wegnemen van digitale grenzen tussen landen uit de Europese Economische Ruimte. In de begrippenlijst in | artikel 1 van de Participatiewet wordt | eIDAS als volgt gedefinieerd: eIDAS-verordening | : verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PbEU 2014, L 257); Met de verordening | (EU) 2024/1183 | is de eIDAS-verordening uit 2014 | gewijzigd, zodat deze beter aansluit op het huidige niveau van digitale veiligheid | . Deze verordening wordt ook wel aangeduid als eIDAS 2.0. Daarnaast zijn er nog meer digitale en analoge wijzigingen, zowel op nationaal als Europees niveau, die naast elkaar (en soms ook door elkaar) kunnen lopen, onder andere: • | het (analoog) vaststellen van de identiteit door middel van een paspoort en straks ook via een EU-rijbewijs; • | het authentiseren bij (gedeeltelijke) digitale dienstverlening, waaronder het doen van de aanvraag door middel van DigiD; • | het - afhankelijk van het betrouwbaarheidsniveau (substantieel) - vaststellen van de identiteit met DigiD via de DigiD-app; • | het vaststellen van de identiteit via de Europese Digitale Identiteit Wallet (EDI-wallet programma van BZK.
Voorlopig nog geen implementatie hiervan wegens onduidelijkheden, zie VNG- uitvoeringsanalyse80); • | het aanleveren van vertrouwde gegevens/verklaringen via de EDI | -wallet bij het doen van een digitale aanvraag; • | het mogelijk toepassen van Single Digital Gateway | -verordening waarbij een dienst die digitaal beschikbaar is voor een Nederlander ook beschikbaar moet zijn voor een EU | -onderdaan; - inclusief het accepteren van digitale inlogmiddelen van een ander EU | -land; - inclusief het digitaal kunnen aanleveren van gegevens | . Hier zit in de toekomst ook nadrukkelijk een samenloop met de EDI | -wallet. Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ De Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ is gewijzigd in verband met het uniform verrekenen van inkomsten.81 Met de wijzigingen wordt het volgende voorgeschreven: 79 Voor meer informatie over deze wetswijziging zie de | Handreiking implementatie Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer, en voor de praktische uitwerking het bijbehorende | Stappenplan Wet MEBV van de VNG. 80 Uitvoeringsanalyse Digital Decade eIDAS 2.0 | , VNG juni 2025 81 De gewijzigde Regeling Participatiewet, IOAW/Z | is op 29 oktober 2025 in de Staatscourant gepubliceerd.
122 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 123 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 • Hoe inkomen netto vastgesteld moet worden (uniform) en verrekend op het moment dat de bijstandsgerechtigde erover beschikt (niet eerder). Het inkomen kan daardoor ook verrekend worden via het product van het Inlichtingenbureau; Ondersteuning Inkomstenverrekening Bijstand (OIB) en automatisch worden verrekend. Dit is voor zowel de bijstandsgerechtigde als de uitvoerder een vereenvoudiging. • Hoe de vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en het keuzebudget worden verrekend met de bijstandsuitkering. Deze bedragen worden pas verrekend als de bijstandsgerechtigde hier ook daadwerkelijk over kan beschikken. Zo wordt voorkomen dat de bijstandsgerechtigde onder het bestaansminimum komt. Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid Een aantal wijzigingen hangt samen met het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid, dat als beoogde inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027 heeft. Het nieuwe handhavingsbeleid in dit wetsvoorstel heeft als uitgangspunt dat op een fout niet automatisch een boete of maatregel moet volgen. Gemeenten krijgen meer ruimte om af te wegen of een sanctie op zijn plaats is en zo ja, welke sanctie dan evenredig is.
Voor de uitlegbaarheid van de beslissing én voor de uniformiteit in het stelsel zal aan deze afweging richting gegeven worden met een wettelijk afwegingskader. Dat kader komt dus in het wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid te staan. De inwerkingtreding van de volgende wijzigingen in het kader van de Participatiewet in balans lopen gelijk met de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Het gaat om: • Maatschappelijke participatie; • Ondersteuning bij maatschappelijke participatie; • Recht op eigenstandig vormgeven participatie; • Verruiming tijdelijke ontheffingen; • Evenredigheidstoets bij toepassing dringende redenen; • Maatregelenbesluit en de wijzigingsbepalingen in het kader van handhaving. Deze wijzigingen vallen mede vanwege de samenloop met dit Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid onder fase 3. Beoogde inwerkingtreding is per 1 januari 2027. Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten Met het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid en de Participatiewet in balans hangt ook de wijziging van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten samen. Het systeem van maatregelen is op dit moment niet altijd even helder. Daarom wordt ook het Maatregelenbeleid herzien, door onder andere: • het aantal categorieën maatregelen te verminderen; • de duur en hoogte van maatregelen aan te passen en • een waarschuwingsbevoegdheid te introduceren.
Een wijziging van het Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten is in internetconsultatie geweest. Ook hiervoor is de beoogde inwerkingtredingsdatum 1 januari 2027. Boetebesluit socialezekerheidswetten Daarnaast wordt ook het Boetebesluit socialezekerheidswetten aangepast. Het doel van de aanpassing is dat het boeteregime evenrediger wordt. Daarmee wordt bedoeld dat de boetes realistisch worden met meer mogelijkheden om af te stemmen op de situatie. Met de aanpassing van het besluit wordt: • de boetesystematiek gewijzigd: er komen 2 boetecategorieën, met een lagere boete voor normale overtredingen en een hogere boete voor ernstige overtredingen; • worden de boetepercentages verlaagd; 124 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 • en wordt er een matigingstermijn (op basis van fictieve draagkracht) opgenomen in het besluit. Ook voor het gewijzigde Boetebesluit geldt een beoogde ingangsdatum van 1 januari 2027. Wet verbetermaatregelen toeslagen De Wet verbetermaatregelen toeslagen is sinds 1 januari 2026 van kracht. Hierin zijn wijzigingen opgenomen om bepaalde knelpunten in het toeslagenstelsel op te lossen en het stelsel eenvoudiger en toegankelijker te maken. Met name de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is aangepast.
De wet regelt o.a.: • aanpassingen van het begrip toeslagpartner in situaties waar de partner niet daadwerkelijk bij de partner verblijft en dus niet kan bijdragen aan het huishouden. Het gaat bijvoorbeeld om situaties waarbij de partner vermist is, langer dan 3 maanden in detentie verblijft, in het buitenland woont of de inwoner een erkend vluchteling is. Zolang de situatie voortduurt wordt de partner niet als toeslagpartner aangemerkt. • verlenging van de aanvraagtermijn: een toeslag voor een kalenderjaar kan worden aangevraagd tot 1 januari van het daaropvolgende jaar. Dus toeslagen van 2026 kunnen dan tot en met 31 december 2027 worden aangevraagd; • het inperken van gevolgen van beschikkingen met terugwerkende kracht. Beschikkingen van andere instanties dan de Dienst Toeslagen en Belastingdienst die werking hebben met terugwerkende kracht kunnen niet meetellen bij het bepalen van de toeslagen. In een algemene maatregel van bestuur gaat vastgelegd worden welke beschikkingen onder deze wijziging vallen. Hiermee kunnen grote terugvorderingen worden voorkomen. Specifiek voor de ALO-kop (zie hoofdstuk 9: ALO-kop) is met name § 3.1.2 uit de memorie van toelichting van belang.
Wetsvoorstel proactieve dienstverlening Het Wetsvoorstel proactieve dienstverlening SZW gaat ervan uit dat de (dienstverlening ter) uitvoering van inkomensondersteunende regelingen begint bij aanvraag van die regeling. Hierdoor is het voor publieke dienstverleners beperkt mogelijk om (vermoedelijk) rechthebbenden te attenderen op bepaalde uitkeringen en voorzieningen, en het doen van een aanvraag te faciliteren. Door een taak in de wet op te nemen tot proactieve dienstverlening ter uitvoering van inkomensondersteunende regelingen, ontstaat voor publieke dienstverleners ruimte om initiatieven te ontplooien die het gebruik en de gebruikerservaring door burgers ten goede komen. Een wettelijke taak legitimeert dat de dienstverleners hier actief mee aan de slag gaan, en biedt een basis om hiervoor ook de noodzakelijke persoonsgegevens te kunnen verwerken, in overeenstemming met de AVG en omkleed met passende waarborgen. Zie voor meer informatie over proactieve dienstverlening de website Digitale Overheid. In de Handreiking Handhaving door gemeenten van Stimulansz worden de Wet handhaving sociale zekerheid, het Maatregelenbesluit en het Boetebesluit uiteengezet. Deze handreiking is vanaf juli 2026 te downloaden van de website van Stimulansz.
125 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Bijlage 2: Begrippenlijst Deze begrippenlijst bevat begrippen in het kader van de Participatiewet in balans die niet in de Participatiewet zelf zijn gedefinieerd. De definities zijn gebaseerd op de tekst in deze handreiking of overgenomen uit andere wetten of bronnen (vermeld in de voetnoot op pagina 116). In deze handreiking gaan we uit van de hieronder gegeven definities. Doenvermogen: het vermogen van mensen om in actie te komen en vol te houden, zelfs bij tegenslagen. Het draait dan niet zozeer om cognitieve vermogens zoals intelligentie of digitale vaardigheden, maar vooral om niet-cognitieve vermogens.i Eenvoud: mensen ervaren dat wet- en regelgeving en beleid, overheidshandelen en de verwachting van overheid naar mensen (zoals naleving van wet- en regelgeving en welke medewerking van mensen wordt verwacht) uitlegbaar, voorspelbaar en navolgbaar is. Daarbij dienen verwachtingen uitvoerbaar te zijn voor mensen. Dit moet aansluiten bij het denk en doenvermogen van mensen. Niet alleen binnen de Participatiewet, maar ook tussen verschillende regelingen in aanpalende stelsels.ii Giften: geldbedragen of goederen van waarde (spullen, giften in natura) die iemand ontvangt, zonder dat daar een verplichting of tegenprestatie tegenover staat.
Giften zijn aan te merken als vrij besteedbaar inkomen, vermogen of kostenbesparingen. Individuele omstandigheden: de omstandigheden waarin een inwoner verkeert en die op zich niet bijzonder hoeven te zijn, maar in het individuele geval wel en die om een zorgvuldige afweging en mogelijk afwijkend besluit vragen. Jongeren in kwetsbare omstandigheden: jongeren die in zodanige omstandigheden verkeren dat er een reële kans is dat zij zonder begeleiding of financiële ondersteuning in (grotere) problemen komen en niet in staat zijn om hun omstandigheden te verbeteren. Naast Jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt ook wel Jongeren in een kwetsbare situatie en Jongeren in een kwetsbare positie gebruikt. Kostenbesparingen: betalingen of aankopen gedaan door derden waarmee wordt bespaard op de noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze betalingen of aankopen kunnen structureel zijn (denk aan betaling van huur of zorgpremie) of incidenteel (betaling van boodschappen, kleding e.d.). Maatwerk: samen met de inwoner een passende en duurzame oplossing vinden, binnen de wettelijke kaders, waarbij het effect centraal staat en standaardproducten en -diensten niet leidend zijn.
Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.iii Melding: de (digitale) melding bij de gemeente of bij UWV om bijstand aan te vragen. Dit is het moment waarop het recht op bijstand kan ingaan en de vierwekenzoektermijn voor jongeren tot 27 jaar gaat lopen. Menselijke maat: in de bijstandsverlening houdt de overheid rekening met de individuele wensen, omstandigheden, belangen en het doenvermogen van bijstandsgerechtigden.iv 126 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Naleving: het voldoen aan de plichten van wet- en regelgeving en beleid door inwoners die ondersteuning ontvangen. Hiervoor moeten die inwoners kunnen weten wat van hen verwacht wordt.ii Rechtmatig verblijf (met recht op bijstand): een inwoner met een andere dan de Nederlandse nationaliteit, die in Nederland kan verblijven op grond van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Terugwerkende kracht: het toekennen van een uitkering voor een periode voorafgaand aan de datum waarop de inwoner zich voor een uitkering heeft gemeld.
Vereenvoudiging: Beleid dat bijdraagt aan een bijstandsregeling die voor bijstandsgerechtigden voorspelbare en zekere gevolgen heeft en zo ervaren wordt.ii Vermogen: de waarde van bezittingen (zoals het saldo van betaal- en spaarrekeningen, niet- gebruikelijke spullen en crypto’s) minus direct opeisbare schulden. Vertrouwen 1: De overheid gaat ervan uit dat mensen eerlijk en oprecht zijn en het goede willen doen. Dat blijkt uit wet- en regelgeving, beleid, houding en handelen van de overheid. v Vertrouwen 2: • Vertrouwen van de overheid in de bijstandsgerechtigden: de meeste bijstandsgerechtigden hebben de juiste intenties; • Vertrouwen van de Rijksoverheid in de gemeente en SVB: de professional maakt de juiste afweging; • Vertrouwen van de bijstandsgerechtigden in de overheid: balans in de Participatiewet draagt bij aan het herstel hiervan.iv Voedselbank: een vrijwilligersorganisatie die voedselpakketten verstrekt aan mensen die in financiële nood zitten en daardoor moeilijk in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De hulp in de vorm van voedselpakketten is in principe tijdelijk. De organisatie heeft (bij voorkeur) een ANBI-status en staat ingeschreven in de Kamer van Koophandel. Zorgbehoefte: Iemand met een zorgbehoefte heeft verzorging nodig door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis.
Daarbij geldt dat deze persoon • in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting; of • duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; of • duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.vi …………………………………………………………………………………………………………………………………………………… i. Definitie uit Beleidskompas; Kenniscentrum voor beleid en regelgeving. ii. Definitie uit rapport Significant APE; ‘Creëren van een gezamenlijke taal, Uitwerking van negen begrippen in het kader van de herziening van de Participatiewet’, 8 juli 2024. iii. Definitie uit artikel 1.1.1 Wmo 2015. iv. MvT Participatiewet in balans, pagina 20. v. Aangepaste definitie uit rapport Significant APE; ‘Creëren van een gezamenlijke taal, Uitwerking van negen begrippen in het kader van de herziening van de Participatiewet’, 8 juli 2024. vi.
ECLI:NL:CRVB:2014:2032 Bijlage 3: Wijzigingen en artikelnummers Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz Aanvraagprocedure – per 1-1-2026 4 weken zoektermijn jongeren < 27 jaar | • | Art 41 Pw lid 11 + 12 (nieuw) • | Art 7a Pw (nieuw → via Wet Van school naar duurzaam werk) Identificatieplicht Digi | D & EU-rijbewijs | • | Art 17 Pw lid 3 uitgebreid | (correctie via Verzamelwet SZW 2026) • | Art 13 lid 3 uitgebreid IOAW/IOAZ (correctie via Verzamelwet SZW 2026) Vereenvoudiging aanvraagprocedure • | Melding = aanvraag | • | Art 41 Pw lid 12 (nieuw) • | IOAW/IOAZ/BBZ = Bijstand | • | Art 43 Pw lid 6 (nieuw) • | Art 15 IOAW/Z lid 3 (nieuw) • | Aanpassen toegangseis IOAZ | • | Art 5 IOAZ lid 2 wijzigt • | < 12 maand = verkorte aanvraag | • | Art 43a Pw (nieuw) • | Art 15a IOAW/Z (nieuw) Vaststellen recht op bijstand – per 1-1-2026 Ontvangsten uit giften | • | Art 18 lid 13 (nieuw | , later 8*, vanaf 2027 lid 8) • | Art 31 Pw lid 2 onder m wijzigt • | Art 31 Pw lid 2 onder s (nieuw) (later met twk via de Verzamelwet SZW | 2026) Harmonisatie jongerennorm | • | Art 12 Pw vervalt • | Art 20 Pw lid 3 + 4 (nieuw) • | Art 38 Pw lid 2 (nieuw) • | Art 62 Pw onder c wijzigt (via de Verzamelwet SZW 2026) Overgangsrecht: • | Art 78ff Pw (nieuw) lid 1 Terugwerkende kracht bij aanvragen | • | Art 44 Pw lid 5 (nieuw) • | Art 16a IOAW/IOAZ lid 4 (nieuw) • | Art 5 IOAZ lid 2 onder 1 en 4 wijzigen • |
Art 27a Bbz (nieuw) Vermogenstoets | • | Art 34 Pw lid 2 wijzigt • | Art 34 Pw lid 4 vervalt Vaststellen recht op bijstand – per 1-1-2027 Ontvangsten uit giften | • | Art 18 lid 8* blijft lid 8 en wijzigt (via Verzamelwet SZW 2027) Niet-rechthebbende partner | • | Art 24 wijzigt ALO-kop | • | Art 24a (nieuw) • | Zie ook art 3c AWIR (via Wet verbetermaatregelen toeslagen | iwt per 1-1- 2026) Evenredigheidstoets bij dringende redenen | • | Art 18a lid 9 wijzigt (via Wet handhaving sociale zekerheid) 127 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 • | Art 58 lid 8 wijzigt (via Wet handhaving sociale zekerheid) Stabiel & voldoende inkomen – per 1-1-27, gedoogd in 2026 Uniform verrekenen inkomsten uit arbeid | • | Art 32 Pw lid 2 wijzigt • | Art 32 Pw lid 5 (nieuw) • | Art 7a t/m 7d + 7g, 7h, 7i Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ Verruiming bijverdiengrenzen <27 jaar | • | Art 34a Pw (nieuw) Premie arbeidsinschakeling <27 jaar | • | Art 31 Pw lid 4 vervalt per 1-1-27 • | Art 31 Pw lid 5 (wijzigt | en wordt vanaf 2027 omgenummerd naar lid 4) Stabiel & voldoende inkomen | – per 1-1-2027 Uniform verrekenen inkomsten uit arbeid | • | Art 19 lid 2 wijzigt (via Verzamelwet SZW 2027) • | Art 19 lid 3 wijzigt (via Verzamelwet SZW 2027) • | Art 32 Pw lid 5 • | Art 45 Pw lid 1 wijzigt (via Verzamelwet SZW 2027) • | Art 7e + 7f Regeling Participatiewet, IOAW en
IOAZ Bufferbudget | • | Art 34b Pw (nieuw) • | Art 38b IOAW/IOAZ (nieuw) Ambtshalve individuele inkomenstoeslag | • | Art 36 Pw lid 1 wijzigt • | Art 36 Pw lid 3 wijzigt • | Art 36 Pw lid 4 wijzigt Verruiming bijverdiengrenzen | • | Art 34a Pw (nieuw) • | Art 8 IOAW lid 2 en 4 t/m 11 vervallen, lid 3 wordt lid 2 (met correctie via Verzamelwet SZW 2026) • | Art 8a IOAW/IOAZ (nieuw) Overgangsrecht: • | Art 78ff Pw lid 2 + 3 (nieuw) Begeleiding, participatie & re-integratie – per 1-1-2026 Mantelzorg | • | Art 3 Pw lid 2 onder a wijzig | t • | Art 3 IOAW/IOAZ lid 2 onde | r b wijzigt • | Art 19a lid 2 onder e (nieuw | , via Verzamelwet 2027) • | Art 22a Pw lid 4 (nieuw | ) • | Art 33 Pw lid 6 (nieuw) • | Art 40 Pw lid 3 onder d (nieuw) Begeleiding, participatie & re | -integratie – per 1-1-2027, gedoogd in 2026 Maatschappelijke participatie | • | Art 9 Pw opschrift wijzigt • | Art 9 Pw lid 1 + 2 wijzigen Recht op eigenstandig vormgeven | • | Art 9 Pw lid 8 (nieuw) participatie Ondersteunen bij maatschappelijke | • | Art 8a Pw opschrift wijzigt participatie | • | Art 8a Pw wijzigt • | Art 10 Pw opschrift wijzigt 128 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 • | Art 10 Pw lid 1 wijzigt Begeleiding, participatie & re-integratie – per 1-1-2027 Mantelzorg | • | Art 3 Pw lid 2 onder | a wijzigt (via Verzamelwet SZW 2027) • | Art 4 Pw lid 1 onder a en b (via
Verzamelwet SZW 2027) • | Art 19a lid 1 onderdeel e (nieuw, via Verzamelwet SZW 2027) • | Art 22a Pw lid 4 wijzigt (via Verzamelwet SZW 2027) Ondersteunen bij maatschappelijke | • | Art 8a Pw lid 2 wijzigt (via Verzamelwet SZW participatie | 2027) Splitsing inlichtingenplicht m.b.t. bijstand | • | Art 17 lid 2 (nieuw), lid 2, 3 en 4 worden lid 3, 4 resp. arbeidsinschakeling | en 5 Ruimte voor afstemming maatregelen | • | Art 18 lid 4 t/m 8 (oud) + 11 vervallen • | Art 18 lid 9, 10 en 12 worden lid 4, 5 en 6. • | Art 18 lid 7 (nieuw) wordt ingevoegd, lid 8* (nieuw per 1-1-2026) wordt lid 8 (met correctie van lid 8* via Verzamelwet SZW 2027) • | Wet handhaving sociale zekerheid (per 1-1- 2027) • | Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten wijzigt Begeleiding, participatie & re-integratie – 2027 transitiejaar Toespitsen verplichtingen op individu | • | Art 9 Pw lid 1 + 2 wijzigen • | Art 18 Pw lid 2 + 3 wijzigen • | Art 18 Pw lid 4 t/m 8 + 11 vervallen • | Art 18 Pw lid 9, 10 en 12 worden lid 4, 5 en 6 • | Art 18 Pw lid 7 (nieuw) + 8*(nieuw per 1-1-2026) wordt lid 8 Overig – per 1-1-2026 Verbreding experimenteerartikel | • | Art 83 Pw uitgebreid • | Art 17a Bbz (nieuw) Bevoorschottingspercentage in lijn met | • | Art 52 Pw wijzigt beslagvrije voet Onweerlegbaar rechtsvermoeden | • | Art 3 Pw lid 4 onder a wijzigt • | Art 3 IOAW/IOAZ wijzigt 129 | Stimulansz • Handreiking
Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Bijlage 4: Overgangsrecht De Participatiewet in balans heeft al een deel van artikelen van de Participatiewet gewijzigd en zal er per januari 2027 nog meer wijzigen. Wat betekent dit voor lopende uitkeringen? Of in situaties waarin de wet wijzigt terwijl er een bezwaarprocedure loopt? Daar gaat deze bijlage over. Per wanneer geldt nieuwe wetgeving? Nieuwe wetgeving werkt als uitgangspunt direct en exclusief. Dat wil zeggen dat een nieuwe regel niet alleen van toepassing is op hetgeen na de inwerkingtreding | ervan voorvalt, maar ook op hetgeen bij inwerkingtreding bestaat. Denk aan bestaande rechtsposities en verhoudingen. Als er niet is voorzien in overgangsrecht dan werkt de nieuwe wetgeving dus direct. Is er wel voorzien in overgangsrecht, dan volgt uit de bepali | ngen van het overgangsrecht hoe er gehandeld moet worden. | 82 Temporele werking Voor bijstandswetgeving komt ook betekenis toe aan zogenoemde temporele werking van wetgeving. Dit houdt in dat, als er geen specifieke voorschriften van overgangsrecht zijn gegeven, de rechten en verplichtingen van betrokkene in beginsel moeten worden beo | ordeeld naar de materiële wetgeving (wet en verordeningen) zoals die van kracht was op de datum, of gedurende het tijdvak | , waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.
| 83 Participatiewet in balans en overgangsrecht Voor de meeste wijzigingen in het kader van | de Participatiewet in balans is geen overgangsrecht vastgesteld, maar wel voor de wijzigingen met betrekking tot de | harmonisatie van de jongerennorm en voor de inkomensvrijlating. Dit overgangsrecht wordt in de betreffende hoofdstukken nader toegelicht. Verder is er in het kader van het overgangsrecht bepaald wat er van de gemeente verwacht wordt in specifieke situaties. Het gaat daarbij om besluiten over arbeidsinschakeling of tegenprestatie die in het kader van aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie (artikel 10) op de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen al zijn genomen. Die besluiten moet de gemeente uiterlijk 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging herzien. Voor het merendeel van de wijzigingen is dus niet voorzien in overgangsrecht. Dit betekent dat deze wetswijzigingen per datum van invoering directe en exclusieve werking hebben. De nieuwe bepalingen zijn van toepassing op alle besluiten die na de invoering van de wetswijziging worden genomen. Welk recht is van toepassing? Er kunnen verschillende situaties ontstaan waarin de vraag opkomt welk recht precies van toepassing is: • | Er is een aanvraag gedaan vóór de datum van invoering van een wijziging, en het besluit | wordt genomen na die datum.