De Handreiking Participatiewet in Balans
Tekst van het document
De aanwezigheid van een zorgbehoefte bij één van de bewoners die de aanleiding is voor het samenwonen is daarmee het belangrijkste criterium. De uitzondering geldt voor de periode dat de zorg wordt verleend en uitsluitend wanneer de zorgbehoefte aanleiding is voor het samenwonen. De uitzondering geldt dus niet wanneer mensen al langer samenwonen en zorg dragen voor elkaar en er gaandeweg in de tijd of plotseling een zorgbehoefte ontstaat. De zorgbehoefte is dan immers niet de aanleiding voor het samenwonen. De wijziging gaat over de situatie waarin er sprake is van mantelzorg, maar kan ook worden toegepast wanneer een inwonende verzorger professionele - vanuit een pgb gefinancierde - hulp biedt. 67 Zoals uit de invulling van het begrip zorgbehoefte blijkt, gaat het hier om uitzonderingssituaties. De inwoner zal zich op deze uitzondering moeten beroepen en feiten en omstandigheden naar voren moeten brengen waaruit blijkt dat er sprake is van een dergelijke zorgbehoefte. Is er meer informatie nodig dan betrokkene kan overleggen? Dan kan de gemeente een medisch adviseur inschakelen. De zorgbehoefte - en niet de hoeveelheid geleverde mantelzorg - is leidend bij het bepalen of de uitzondering zich voordoet.
Het inzetten van een medisch adviseur Inzet van een (sociaal-)medisch adviseur door de gemeente is mogelijk om de intensiteit van de zorgbehoefte en de in verband daarmee noodzakelijke mantelzorg in het kader van de gezamenlijke huishouding of toepassing van de kostendelersnorm vast te stellen. Het inschakelen van een medisch adviseur is echter niet verplicht en ook niet altijd noodzakelijk. De gemeente kan ervoor kiezen zelf te beoordelen wat de zorgbehoefte is. Wanneer de zorgbehoeftige niet bijstandsafhankelijk is, zal de medisch adviseur hem om toestemming moeten vragen om van zijn gegevens gebruik te maken om de zorgbehoeftigheid te beoordelen. Geen kostendelersnorm bij mantelzorg (artikel 22a, vierde lid Pw) Er is een vierde lid toegevoegd aan artikel 22a Pw, dat luidt: 4. Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die voor het leveren van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders.68 67 ECLI:NL:CRVB:2014:2032 68 Via het Wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2027 kan dit artikel nog wijzigen: na ‘leveren’ wordt ingevoegd ‘of ontvangen’ en ‘bij een intensieve zorgbehoefte’ wordt vervangen door ‘vanwege een intensieve zorgbehoefte’.
Wanneer is er sprake van een zorgbehoefte? Van een zorgbehoefte is sprake als degene die verzorging nodig heeft door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis: • in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting; of • duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; of • duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen. Deze invulling van het begrip zorgbehoefte is ontwikkeld in de rechtspraak.53 90 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Deze wijziging maakt duidelijk dat de kostendelersnorm niet van toepassing is bij het tijdelijk inwonen bij iemand anders in verband met het leveren (of ontvangen) van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte. Denk hierbij bijvoorbeeld aan tijdelijke mantelzorg door een bijstandsgerechtigde aan een goede vriend of familielid na een ziekenhuisopname, of mantelzorg door een zoon of dochter aan een zorgbehoeftige ouder, vooruitlopend op een toekomstige verhuizing naar een zorginstelling. Het artikel spreekt over een intensieve zorgbehoefte. Ook hier is de zorgbehoefte, en niet de hoeveelheid geleverde mantelzorg, leidend bij het beantwoorden van de vraag of de uitzondering zich voordoet. Het gaat hier om het begrip zorgbehoefte zoals toegelicht in de vorige paragraaf.
Tijdelijk? Het begrip tijdelijk is niet gedefinieerd. De gemeente bepaalt zelf of er sprake is van tijdelijkheid. Dit is situatie-afhankelijk. Als de woon- en verblijfsituatie wijzigt met een vooropgezet tijdelijk karakter, dan wordt daarmee in beginsel niet het hoofdverblijf verplaatst. Het gebruik van de term ‘hoofdverblijf’ in dit artikel is daarom verwarrend. Of een verblijf van tijdelijke aard is, is afhankelijk van de (verwachte) duur van het verblijf en van de intentie van betrokkene. Belangrijk hierbij is of betrokkene de mogelijkheid heeft terug te keren naar zijn oorspronkelijke woonadres en of het merendeel van zijn bezittingen daar achterblijven. Uitzondering kostendelersnorm niet alleen voor de mantelzorger De uitzondering op de kostendelersnorm is in het nieuwe wetsartikel nu nog alleen vastgelegd voor de mantelzorger. Wanneer deze tijdelijk inwoont bij een zorgbehoevende bijstandsgerechtigde, geldt voor deze laatste echter ook geen (aanpassing van de) kostendelersnorm. De mantelzorger is op grond van het wetsartikel immers geen kostendeler van de mantelzorgontvanger, dus heeft deze zorgbehoevende bijstandsgerechtigde geen kostendelende medebewoner (erbij). Het is de bedoeling om dit door aanpassing van artikel 19a Pw en artikel 22a vierde lid Pw (via de Verzamelwet 2027) ook in de wet te verduidelijken (zie hierna).
Trekt een mantelzorger tijdelijk in bij een zorgbehoevende in een meerpersoonshuishouden, dan heeft dit ook geen effect op de kostendelersnorm van de bijstandsgerechtigden in dit huishouden. Voorbeeld 1 Erica is op leeftijd. Het lukt niet meer om zelfstandig te blijven wonen. Zij heeft veel hulp nodig bij gewone dagelijkse bezigheden als schoonmaken, wassen, koken en zorg voor zichzelf. Zij staat op de wachtlijst voor een verzorgingshuis. Tot er plek is komt haar nicht Ans tijdelijk bij haar wonen. Erica ontvangt AOW en een aanvullend pensioen. Ans ontvangt een bijstandsuitkering. Zij gaat vanwege de intensieve zorgbehoefte tijdelijk bij Erica wonen en ontvangt de norm voor een alleenstaande, niet de kostendelersnorm. Dit is ook het geval als Ans eerder de kostendelersnorm ontving, omdat zij met een vriendin een woning deelde. De situatie van tijdelijke inwoning bij Erica bepaalt nu de norm van Ans. Zou Erica in dit voorbeeld bijstand ontvangen als alleenstaande, dan wijzigt dit niet als Ans tijdelijk bij haar komt wonen om voor haar te zorgen. Ans wordt niet beschouwd als kostendelende medebewoner. Voorbeeld 2 Jan en Cas wonen op één adres. Jan ontvangt een uitkering naar de kostendelersnorm bij 2 personen, Cas werkt en verdient meer dan de bijstandsnorm. Jan heeft een ernstig ongeluk gehad en heeft tijdelijk intensieve zorg nodig.
Ed komt tijdelijk inwonen om voor Jan te zorgen. De uitkering van Jan blijft ongewijzigd; hij krijgt de kostendelersnorm bij 2 personen. Ed telt niet mee, maar Cas blijft een kostendelende medebewoner. 91 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2027 en de kostendelersnorm Het wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2027 beoogt te verduidelijken wie in de situatie dat er intensieve mantelzorg nodig is (niet) als kostendelende medebewoner moet worden beschouwd. En te verduidelijken dat het bij deze uitzonderingen gaat om situaties dat het hoofdverblijf wordt verplaatst vanwege een intensieve zorgbehoefte. Geen kostendelende medebewoner In het wetsvoorstel wordt verduidelijkt dat de uitzondering op de kostendelersnorm wegens tijdelijke mantelzorg vanwege een intensieve zorgbehoefte niet alleen geldt voor de mantelzorgverlener, maar ook voor de ontvanger van de mantelzorg. De mantelzorgverlener én de mantelzorgontvanger worden in deze situatie expliciet uitgezonderd van het begrip kostendelende medebewoner. Hoofdverblijf verplaatsen in verband met mantelzorg Op basis van de huidige tekst van de wet geldt de uitzondering op de kostendelersnorm in de situatie dat de mantelzorger tijdelijk zijn hoofdverblijf verplaatst om mantelzorg te verlenen in verband met een intensieve zorgbehoefte.
De wet voorziet niet expliciet in een uitzondering in de omgekeerde situatie. Voorgesteld wordt om dit aan te passen. Het is immers niet ongebruikelijk dat, als er sprake is van een intensieve zorgbehoefte, degene die mantelzorg nodig heeft tijdelijk gaat wonen bij degene die mantelzorg verleent. Dit wetsvoorstel is nog niet in de Tweede en Eerste Kamer behandeld en kan dus nog wijzigen. Omdat het de bedoeling is om de wet ook nu al op de voorgestelde manier uit te voeren, kan en mag de gemeente op deze wijzigingen vooruitlopen. Deze wijzigingen gaan ook gelden voor de IOAW en de IOAZ. In die wetten komt immers de systematiek van de kostendelende medebewoner ook voor. Niet beschouwen als op loon te waarderen arbeid (artikel 33, zesde lid Pw) Er is een nieuw zesde lid bij artikel 33 gekomen. Dat luidt: ‘Indien de belanghebbende onbetaalde mantelzorg verleent, wordt voor de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand het verlenen van deze zorg niet beschouwd als op loon te waarderen arbeid.’ Het opschrift bij artikel 33 wordt gewijzigd in: ‘Bijzonder inkomen en onbetaalde mantelzorg’ Voor het recht op bijstand is het verrichten van op geld waardeerbare arbeid relevant. Het gaat daarbij niet alleen om het inkomen waarover daadwerkelijk kan worden beschikt, maar ook om het inkomen waarover redelijkerwijs kan worden beschikt.
Mantelzorg zou daarom als op geld waardeerbare arbeid kunnen worden aangemerkt. Dit kan betekenen dat de mantelzorger financieel nadeel ondervindt omdat er een korting op de uitkering kan volgen. Dit is onwenselijk. De wijziging betekent dat het verlenen van onbetaalde mantelzorg niet meer kan worden beschouwd als op loon te waarderen arbeid. Dit sluit aan bij uitleg die in de uitvoeringspraktijk voorheen al gehanteerd werd. Onbetaald De bepaling gaat over situaties waarin mantelzorg onbetaald wordt verleend, en er dus geen sprake is van een vergoeding voor de geleverde zorg. Is er sprake van een betaling vanuit een pgb, een andere structurele betaling of materiële tegenprestatie? Dan zijn er wel gevolgen voor het recht op bijstand. 92 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Toestemming vragen of melden? Deze bepaling betekent ook dat mantelzorgers die de zorg onbeloond verlenen géén toestemming hoeven te vragen voor het verlenen van mantelzorg. Omdat onbetaalde mantelzorg niet beschouwd kan worden als op geld waardeerbare arbeid geldt er als uitgangspunt ook geen meldplicht. De inlichtingenplicht ziet echter ook op feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling.
Mantelzorg kan een omstandigheid zijn die gemeld moet worden, wanneer de zorg het nakomen van individuele afspraken over de invulling van zijn participatieplicht in de weg staan. Mantelzorg en arbeidsverplichtingen Ook voor mantelzorgers geldt van rechtswege de generieke participatieplicht. Mantelzorg kan worden beschouwd als een vorm van maatschappelijke participatie. In de individuele invulling van de participatieplicht is het verlenen van mantelzorg een omstandigheid die moet worden meegewogen. Meer hierover in § 20.3 Mantelzorg en afstemmen verplichtingen. Mantelzorg en een tijdelijke verandering van woonadres (artikel 40, derde lid Pw) Er is een nieuw onderdeel d bij artikel 40, derde lid, van de Participatiewet gekomen. Dit onderdeel luidt: Geen opschorting vindt plaats indien: ‘d. de belanghebbende voor het leveren van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders’ Als blijkt dat een bijstandsgerechtigde inwoner tijdelijk niet verblijft op het adres waar hij is ingeschreven bij de gemeentelijke basisregistratie vanwege het bieden van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte, kon dit voorheen op grond van artikel 40, tweede lid, van de Participatiewet leiden tot een opschorting van de bijstand en een onderzoek naar de woonsituatie. Dit kon onbedoeld leiden tot inkomensonzekerheid en dat is ongewenst.
Deze wijziging maakt duidelijk dat het tijdelijk intrekken bij een naaste vanwege mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte, geen reden is voor opschorting van de betaling van de uitkering. In het artikel staat nu dat het gaat om een belanghebbende die voor het leveren van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders. Bedoeld is echter dat deze bepaling ook geldt wanneer er sprake is van het ontvangen van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte (zie § 15.3 Wetsvoorstel Verzamelwet SZW 2027 en de kostendelersnorm). Hoofdverblijf Het gebruik van het begrip hoofdverblijf in deze bepaling kan ook hier (net als in artikel 22a, vierde lid, Pw) verwarrend werken. Deze bepaling betekent dat het gaat om een situatie waarin het hoofdverblijf op het adres waar betrokkene is ingeschreven in de basisregistratie niet wordt prijsgegeven. Het gaat immers om een tijdelijk verblijf elders. Dit betekent ook dat de aanspraken op bijstand blijven bestaan jegens de gemeente waar de inwoner ingeschreven blijft staan in de BRP en waar hij eigenlijk hoofdverblijf houdt, ook wanneer de zorgbehoevende waar tijdelijk wordt ingetrokken in een andere gemeente woont. Dit geldt ook in de omgekeerde situatie, wanneer de zorgbehoevende intrekt bij de mantelzorgverlener.
15.4 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Het inschakelen van een sociaal-medisch adviseur bij het bepalen van de intensieve zorgbehoefte is niet verplicht. Als ervoor gekozen wordt om een beoordeling zonder sociaal-medisch adviseur te doen, is het raadzaam hiervoor een handelingskader te maken. Dit geeft houvast voor de consulent en het draagt bij aan 93 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 een eenduidig besluitvormingskader. Uitvoering Als het gaat om samenwonen: het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel brengen met zich mee dat besluiten om samenwonen vanwege het bestaan van een zorgbehoefte zonder gevolgen gerespecteerd moeten worden als de wet wijzigt. Ook wanneer de zorgbehoefte eerder niet de reden was om te gaan samenwonen. Dit is immers op dit moment geen eis. Digitale ondersteuning De gevolgen voor de digitale ondersteuning zijn beperkt. In de systemen zullen kleine aanpassingen en nieuwe registratiemogelijkheden nodig zijn. 15.5 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ Samenwonen en intensieve zorgbehoefte in de IOAW en IOAZ Ook in de IOAW en de IOAZ kon het gaan inwonen bij een ander vanwege een intensieve zorgbehoefte gevolgen hebben voor de hoogte van de uitkering. Artikel 3, tweede lid, onder b van de IOAW en IOAZ zijn nu gelijkluidend aan artikel 3, tweede lid, onder a van de Participatiewet.
De gevolgen zijn niet anders dan geschetst voor inwoners met een uitkering op grond van de Participatiewet. Kostendelersnorm en IOAW en IOAZ De wijzigingen rond de kostendelersnorm gaan ook gelden voor de IOAW en de IOAZ. In die wetten komt immers de systematiek van de kostendelende medebewoner ook voor. Opschorting in verband met tijdelijke verandering van woonadres en IOAW en IOAZ In artikel 17a van de IOAW en IOAZ wordt op dezelfde wijze als in de Participatiewet geregeld dat opschorting niet plaatsvindt wanneer de belanghebbende voor het leveren van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders. In de Verzamelwet 2027 wordt voorgesteld ook voor dit artikel te verduidelijken dat het hier gaat om het leveren of ontvangen van mantelzorg. Mantelzorg geen op geld waardeerbare activiteit IOAW en IOAZ Het inkomensbegrip in de IOAW en IOAZ is anders dan in de Pw, en het verlenen van mantelzorg werd al niet aangemerkt als op geld waardeerbare activiteit. Hierin is dus niets gewijzigd. Bbz Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm Ook in het Bbz geldt de wijziging dat iemand die door omstandigheden tijdelijk op het adres van de Bbz- gerechtigde verblijft en daar in beginsel niet zijn hoofdverblijf heeft, in die zin niet als kostendeler wordt aangemerkt.
De vraag of een verblijf kortdurend is of tijdelijk, moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. 94 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 16 Maatschappelijke participatie Deze wijziging heeft een beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027. De gemeente mag hier in 2026 al op vooruitlopen. Voor bijstandsgerechtigden geldt een generieke (algemene) participatieplicht. Hoe de gemeente deze participatieplicht vormgeeft is afhankelijk van de mogelijkheden van het individu en van zijn omstandigheden. De generieke participatieplicht kent een aantal ‘smaken’: • het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen, accepteren en behouden; • gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden (re-integratie-)voorziening, maatschappelijke participatie gericht op arbeidsinschakeling; of • als arbeidsinschakeling (nog) niet mogelijk is, naar vermogen meewerken aan maatschappelijke participatie niet (direct) gericht op arbeidsinschakeling. Bijstandsgerechtigden krijgen meer ruimte om hun maatschappelijke participatie zelf vorm te geven. Zij kunnen daarbij ook aanspraak maken op ondersteuning volgens het gemeentelijke beleid.
De maatschappelijke participatie kan dus worden verdeeld in een re-integratiedeel en een deel dat niet (direct) is gericht op arbeidsinschakeling, maar op het deelnemen aan het maatschappelijk leven in de breedste zin. De grens tussen beide varianten is niet heel hard. 16.1 Wat wijzigt er in de participatieverplichtingen? De in hoofdstuk 2 van de Participatiewet vermelde arbeidsinschakeling blijft bestaan: wie kan werken, moet werken. In plaats van sociale activering en de tegenprestatie wordt maatschappelijke participatie als optie naast arbeidsinschakeling mogelijk. Hiermee wordt in de wet erkend dat (directe) uitstroom naar werk niet voor iedereen haalbaar is. Maatschappelijke participatie kan als eerste stap in de richting van arbeidsinschakeling worden toegepast, maar ook zelfstandig worden ingezet voor de doelgroep waarbij dit het maximaal haalbare blijkt te zijn. In artikel 6 van de Participatiewet wordt maatschappelijke participatie als volgt gedefinieerd: “maatschappelijke participatie: het verrichten van onbeloonde activiteiten, gericht op deelname aan het maatschappelijk leven”. Hoofdstuk 2, paragraaf 2.1: In het opschrift van paragraaf 2.1 komt ‘tegenprestatie’ te vervallen. Het opschrift gaat luiden: Arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie.
Artikel 9: • In lid 1, eerste volzin wordt het woord ‘verplicht’ vervangen door ‘naar vermogen gehouden’: De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, naar vermogen gehouden; • In lid 1 onder a vervalt ‘naar vermogen’: algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; • In lid 1 onderdeel b wordt ‘sociale activering’ vervangen door ‘maatschappelijke participatie’: gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen maatschappelijke participatie, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te
95 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a; • Lid 1 onder c, de tegenprestatie, wordt in zijn geheel vervangen door een nieuwe tekst: tot maatschappelijke participatie, al dan niet met gebruikmaking van door het college aangeboden ondersteuning, indien arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is. • Lid 2 wordt tekstueel aangepast vanwege de wijzigingen in lid 1: Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichtingen, genoemd in het eerste lid. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voor zover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a. • De leden 3 tot en met 7 blijven ongewijzigd. Er wordt een achtste lid toegevoegd: De belanghebbende kan de maatschappelijke participatie zelf vormgeven, mits de maatschappelijke participatie de arbeidsinschakeling niet belemmert of niet leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt.
Artikel 10 van de Participatiewet wordt uitgebreid met de mogelijkheid om ook bij maatschappelijke participatie, niet gericht op arbeidsinschakeling, ondersteuning mogelijk te maken: Opschrift artikel 10: Aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie. Artikel 10: 1. ‘Personen die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon vermenigvuldigd met de arbeidsduur welke in overeenkomstige dienstbetrekking in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen bedraagt, personen met een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie, niet gericht op arbeidsinschakeling, alsmede op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken, indien die persoon zonder die ondersteuning niet in staat zou zijn die taken te verrichten.’
Zie voor meer informatie hierover hoofdstuk 18: Ondersteunen bij maatschappelijke participatie. Daarnaast staan in het huidige artikel 18 van de Participatiewet enkele algemeen geldende verplichtingen die zijn gericht op directe arbeidsinschakeling. Deze geüniformeerde arbeidsverplichtingen verdwijnen uit de wet bij inwerkingtreding van de Wet handhaving sociale zekerheid, net als de daarbij behorende maatregelen (zie hoofdstuk 19: Ruimte voor afstemming maatregelen). 16.2 Waarom wijzigen deze artikelen? Uit onderzoeken blijkt dat directe arbeidsinschakeling en volledig uitstroom uit de uitkering voor een groot deel van de doelgroep niet reëel is. Ongeveer de helft blijkt behoefte te hebben aan sociaal maatschappelijke ondersteuning en twee derde van de bijstandsgerechtigden heeft een grote tot zeer grote afstand tot de arbeidsmarkt. Bij ongeveer een derde is betaald werk door een stapeling van problematiek vaak geen reëel perspectief.69 De specifieke arbeidsverplichtingen zoals deze nu in de Participatiewet staan, zijn streng en knellend en voor mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt vaak niet reëel. 69 O.a. te lezen in Ondersteuning en dienstverlening aan langdurig bijstandsgerechtigden ; Berenschot, 6 april 2021, § 3.2.1, en Een brede blik op bijstand, Sociaal Cultureel Planbureau, 9 juni 2023, hoofdstuk 3.
96 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Om de Participatiewet beter aan te laten sluiten bij de doelgroep moeten de regels niet alleen gericht zijn op directe uitstroom naar betaald werk. De bedoeling van de wijzigingen is de menselijke maat in de Participatiewet vast te leggen, zodat bijstandsgerechtigden de ondersteuning krijgen die zij nodig hebben. Concreet houdt dit in, dat er nog meer dan voorheen naar iemands individuele mogelijkheden en omstandigheden moet worden gekeken. Kan iemand wel in deeltijd werken, maar niet uitstromen uit de bijstand? Dan kan zijn inzet om te werken gewaardeerd worden. Als er geen mogelijkheden zijn om meer te werken, dan hoeft diegene niet tot meer werken en eventuele uitstroom gepusht te worden. Ondersteuning Het begrip ondersteuning wordt breed omschreven. Het hoeven niet altijd activiteiten te zijn die de gemeente organiseert of aanbiedt. Het mag ook net dat zetje in de rug zijn, de verzekering dat iemand iets mag zonder dat dat problemen voor de uitkering op gaat leveren. Of dat de consulent de inwoner wijst op bestaande initiatieven en activiteiten waar die persoon aan kan deelnemen (zie hoofdstuk 18: Ondersteunen bij maatschappelijke participatie).
16.3 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid De maatschappelijke participatie mag geen belemmering vormen voor arbeidsinschakeling en ook niet zorgen voor verdringing op de arbeidsmarkt. De gemeente moet in een verordening de grenzen aangeven van de ruimte die maatschappelijke participatie biedt, en vastleggen hoe en wanneer zij ondersteuning biedt. Ook het aspect wederkerigheid, zoals bij de tegenprestatie geldt, kan in de verordening worden opgenomen. Afhankelijk van de mate waarop de gemeente de groep waarbij arbeidsparticipatie niet mogelijk is al in beeld heeft, heeft deze wijziging meer of minder impact. De gemeente moet de lokale verordening uitbreiden met maatschappelijke participatie, het eigenstandig vormgeven en de mogelijkheid voor ondersteuning van de gemeente daarbij. De modelverordening van VNG, die in 2026 beschikbaar komt, kan daarbij ondersteunen. Deze wijzigingen gaan in per 1 januari 2027. Eerder handelen op basis van deze wijzigingen wordt in het gedoogjaar 2026 toegestaan als het gaat om het ondersteunen van de bijstandsgerechtigde bij diens maatschappelijke participatie en het zelf vormgeven daarvan.
Welke keuzes heeft de gemeente hierbij? Bij het formuleren van nieuw beleid heeft de gemeente de ruimte om zelf invulling te geven aan de volgende onderwerpen, zolang deze invulling binnen de wet blijft: Verricht iemand mantelzorg? Waardoor een ander langer thuis kan blijven wonen en de hulp krijgt die in die situatie nodig is? Dan kan de gemeente hiermee rekening houden bij de invulling van de (maatschappelijke) participatie en de bijstandsgerechtigde eventueel tijdelijk ontheffen van de arbeidsverplichtingen. Mantelzorg is een nuttige bezigheid en iemand kan hiermee ook in de maatschappij participeren. Zie voor meer informatie hierover § 20.3: Mantelzorg en afstemmen verplichtingen. • | De gemeente mag individuele verplichtingen opleggen die aansluiten bij de situatie van de uitkeringsgerechtigde. Denk aan deelname aan dagbesteding, verschijnen op afspraken of gedragsmatige begeleiding. In beleidsregels | kan vastgelegd worden welke typen verplichtingen voor welke doelgroepen logisch zijn. • | Met beleidsregels kan de gemeente kaders scheppen voor de toepassing van maatwerk. Bijvoorbeeld wanneer en onder welke omstandigheden maatwerk wordt toegepast, welke factoren worden meegewogen bij de beoordeling van verplichtingen en maatregelen. En hoe medewerkers deze factoren moeten beoordelen en vastleggen.
Het is raadzaam om ruimte te behouden om in zeer bijzondere situaties buiten de gestelde kaders te mogen treden, bijvoorbeeld door ruime formulering of het toevoegen van een hardheidsclausule. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid is het wenselijk om | het beleid zo veel mogelijk af te stemmen met omliggende gemeenten. Ook de ontwikkelingen in de arbeidsmarktregio’s en de samenwerkingsverbanden waarop de Wet van school naar duurzaam werk | van toepassing is, vragen om – zo ver dat mogelijk is – een geharmoniseerde aanpak. Gemeenten blijven zelf verantwoordelijk voor de uitwerking van hun verordening in detail en voor keuzes | rondom hun budget. Wmo 2015 In de verordening moet de gemeente ook een link leggen tussen maatschappelijke participatie en de Wmo 2015, omdat de beleidsdoelstellingen van de Participatiewet en de Wmo 2015 in elkaars verlengde liggen en elkaar versterken. De gemeente moet hiervoor int | egraal sociaal beleid opstellen. Te denken valt aan een situatie dat dagbesteding uiteindelijk de beste vorm van maatschappelijke participatie blijkt te zijn. Of als vervoer niet alleen nodig blijkt te zijn naar de participatie-activiteit, maar ook in het dagelijks leven een probleem is.
Overige domeinen Verschillende gemeenten hebben al geëxperimenteerd met maatschappelijke participatie.70 Zij ervaren dat er onder bijstandsgerechtigden zonder traject, waar (voorheen) weinig contact mee was | , relatief veel stille hulpvragen verborgen zijn. Deze komen pas naar boven bij | nauwer contact tussen de consulent en de bijstandsgerechtigde. | 71 Soms durfde de inwoner niet om hulp | te vragen of wist hij niet, dat er ondersteuning mogelijk was. Dit vraagt om nauwere (integrale) samenwerking ook op andere domeinen binnen het sociaal domein. En daarbuiten, met ketenpartners, omdat deze ook een deel van de nodige hulpverlening kunnen uitvoeren. Denk bij hulp onder andere aan: schuldhulpverlening, jeugdzorg, maatschappelijk werk, sociaal raadslieden of Juridisch Loket en overige vormen van zorg en begeleiding. Naast doorverwijzingen in verband met hulpvragen werd ook een deel van de doelgroep geholpen met het vinden van passend vrijwilligerswerk. En bleek een deel ook weer in staat om (in deeltijd) te gaan werken.72 Uitvoering Consulenten krijgen meer ruimte om de bijstandsgerechtigde te begeleiden naar passende participatie. Dat vergt wellicht een gewijzigde aanpak: meer open vragen, meer luisteren, meer doorvragen vanuit professionele nieuwsgierigheid | .
Alert zijn op signalen die wijzen op hulpvragen of obstakels, het is immers bekend dat problematiek soms eerst opgelost moet worden of onder controle gebracht, voor er stappen in de participatie mogelijk zijn. Denk daarbij aan verslaving, schulden of dakloosheid. In andere gevallen kan participatie juist helpen de problematiek deels op te lossen, door 70 O.a. Persoonlijke begeleiding in de bijstand | (Zinzis 14 mei 2020) 71 Ondersteuning en dienstverlening aan langdurig bijstandsgerechtigden | (Berenschot 6 april 2021) 72 StiP-banen in Den Haag geven mensen met jarenlange uitkering perspectief | (Programmaraad juni 2021) 97 | Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 98 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 ritme en regelmaat te bieden en mensen weer perspectief te bieden. Maar wees ook alert op interesses, wensen en kansen. Als je die in beeld kunt krijgen, kun je het beste aansluiting vinden bij de inwoner en is de kans op een voortvarende start van een traject het grootst. Digitale ondersteuning De gebruikte software moet zo worden aangepast dat deze weer aansluit bij de dan geldende wetgeving. Niet alleen alle voorzieningen die de gemeente biedt moeten in het systeem staan, ook activiteiten die de bijstandsgerechtigde zelf regelt of wil doen moeten een plek krijgen in het systeem.
16.4 Kan de gemeente al vooruitlopen op deze wetswijziging? Tijdens het gedoogjaar 2026 mogen gemeenten hun inwoners al ondersteuning bieden en deze hun maatschappelijke participatie zelf vorm te laten geven. Dit uiteraard binnen de regels van de Participatiewet in balans. De wijzigingen in de generieke participatieverplichtingen (het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen, accepteren en behouden), de afstemming (het toespitsen) van deze verplichtingen op het individu en de handhaving hierop kan pas in 2027. Deze wijzigingen hangen samen met de Wet handhaving sociale zekerheid. Hierop vooruitlopen is niet mogelijk. De gemeente kan in ieder geval al het nodige voorwerk verrichten. Zo kan de gemeente nieuwe beleidsregels, werkprocessen en werkinstructies in concept voorbereiden. En nadenken over hoe ze maatwerk en toespitsen op het individu nog beter vorm kan geven. De wetswijziging biedt een mooie ingang om opnieuw en op een niet beladen manier in gesprek te gaan met onder andere de inwoners die op dit moment niet participeren. En te vragen hoe het met ze gaat, wat ze (letterlijk en figuurlijk) bezig houdt en wat zij nodig hebben om een prettiger leven te hebben. Om van daaruit te onderzoeken of enige vorm van participatie mogelijk en wenselijk is, of de inwoner daar zelfstandig stappen in kan zetten of dat ondersteuning van de gemeente nodig is.
De gemeente kan inventariseren welke bestaande activiteiten voorhanden zijn (denk aan buurthuizen, sportverenigingen, welzijnsorganisaties, zorgcentra, wijkboerderijen e.d.), en ervoor zorgen dat dat aanbod breed kenbaar en doorzoekbaar wordt bij en door alle consulenten. 16.5 IOAW, IOAZ en Bbz IOAW en IOAZ De IOAW en IOAZ streven net als de Participatiewet arbeidsinschakeling na. Als die mogelijkheid er (nog) niet is, bieden ook deze wetten ruimte voor maatschappelijke participatie, eigenstandige invulling daarvan en ondersteuning daarbij door gemeenten. Ook hiervoor is beleid nodig. Mantelzorg en IOAW en IOAZ In de IOAW en IOAZ geldt evenzeer dat het van belang is dat men initiatief neemt tot mantelzorg wanneer dat nodig is, en dat men zich hierin niet belemmerd voelt. Ook in de IOAW en de IOAZ wordt het recht om maatschappelijke participatie zelf vorm te geven verankerd. Hiertoe wordt artikel 37 van de IOAW en IOAZ aangepast. Deze wijzigingen zijn gelijkluidend aan de wijzigingen in de Participatiewet (art. 9 lid 1 onder c Pw). Als het nodig is bestaat aanspraak op ondersteuning bij het vormgeven van maatschappelijke participatie. Daarop ziet de aanpassing van artikel 36 IOAW en IOAZ. Bbz Het Bbz heeft een volledig ander karakter en een andere doelstelling dan de Participatiewet, de IOAW en IOAZ. Maatschappelijke participatie past daar niet bij.
99 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 17 Recht op eigenstandig vormgeven participatie Deze wijziging heeft een beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027. De gemeente mag hier in 2026 al op vooruitlopen. Momenteel gaat er te weinig aandacht uit naar mensen zonder (direct) perspectief op werk. Zij raken dikwijls buiten beeld en worden slechts sporadisch gesproken. Zij voelen zich niet gezien of gehoord en voelen ook niet de ruimte om zelf initiatieven te nemen om maatschappelijk te participeren. Bijvoorbeeld door het volgen van een cursus, het verrichten van vrijwilligerswerk en het verlenen van mantelzorg. De focus op arbeidsinschakeling en de bijbehorende verplichtingen weerhouden bijstandsgerechtigden ervan om dergelijke initiatieven te nemen. 17.1 Wat wijzigt er voor de doelgroep? Om eigen initiatief te stimuleren en te waarderen, komt er in de Participatiewet de mogelijkheid dat bijstandsgerechtigden hun (maatschappelijke) participatie zelf vormgeven en daarbij ondersteuning krijgen van de gemeente, als zij die nodig hebben. Dit recht om maatschappelijke participatie zelf vorm te geven, wordt verankerd in artikel 9, achtste lid, van de Participatiewet: 8.
De belanghebbende kan de maatschappelijke participatie zelf vormgeven, mits de maatschappelijke participatie de arbeidsinschakeling niet belemmert of niet leidt tot verdringing op de arbeidsmarkt. 17.2 Waarom komt het recht op zelf vormgeven in de wet? Het recht op eigenstandig vormgeven van Participatie wordt in de wet verankerd om ruimte te geven aan eigen initiatieven van de bijstandsgerechtigden. Bij de groep waarbij arbeidsparticipatie (nog) niet mogelijk is, is het doel van maatschappelijke participatie om vereenzaming te voorkomen, deel uit te maken van de samenleving en de levenskwaliteit te verhogen. Soms kan dit zelfs leiden tot participatie op de arbeidsmarkt. Wanneer mensen vanuit eigen motivatie en interesses actief zijn, houden zij dit over het algemeen beter vol dan bij activiteiten die zij niet zelf hebben uitgekozen. Actief zijn heeft op allerlei gebied positieve effecten die niet onderschat moeten worden. Het levert wellicht nog geen besparing op de uitkering op, maar mensen die beter in hun vel zitten kosten de maatschappij op andere gebieden minder, bijvoorbeeld in zorgkosten. De bedoeling is dat de uitvoerend professionals contact hebben met alle mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt en dat ook deze mensen zich gezien en gehoord voelen.
Dat zij samen onderzoeken of maatschappelijke participatie passend is, waar de interesse van de bijstandsgerechtigde ligt en welke doelen de maatschappelijke participatie in een specifieke situatie kan dienen, bijvoorbeeld: • (meer) zelfstandig deelnemen aan de maatschappij; • vereenzaming voorkomen en netwerk uitbreiden; • het gevoel van eigenwaarde en zingeving vergroten. Contact en vertrouwen Als er al langere tijd geen contact meer met deze groep is geweest, vergt dit in ieder geval in de opstartfase van het hernieuwde contact extra tijd. Het gaat erom het contact te herstellen, over en weer vertrouwen te kweken, interesse te tonen in deze personen en hun situatie en te onderzoeken wat zij (eventueel) nodig hebben. Sommige mensen hebben misschien geen extra ondersteuning nodig
100 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 of blijken al een vorm van maatschappelijke participatie uit te voeren, soms zelfs op een manier die nog niet bij de gemeente bekend was. Denk bijvoorbeeld aan een echtpaar waarvoor arbeidsinschakeling niet mogelijk is, maar dat wel geregeld en met veel warmte pleegkinderen opvangt. Of de alleenstaande die eens in de twee weken een avondje achter de tap van het buurthuis staat, ondanks het feit dat hij daar dan de dagen erna van bij moet komen. Sommige mensen uit deze groep tonen eigen initiatief en kunnen dat ook omzetten in passende acties. Voor mensen die dat niet kunnen, is het de kunst om vast te stellen waar zij warm voor lopen, wat hen echt raakt of in beweging brengt. Dit kunnen de meest uiteenlopende dingen zijn. De een wil graag bijleren, de ander iets voor een ander doen in een sociale context. Een derde heeft misschien minder behoefte aan sociale contacten, maar biedt aan om de groenstrook voor zijn huis schoon te houden of rolstoelwandelpaden uit te zetten en de markering daarvan geregeld na te kijken. Het is aan de professional lef te hebben en hier creatief mee om te gaan. Als het contact eenmaal loopt, kan afhankelijk van de voorkeur van de bijstandsgerechtigde afgesproken worden dat er bijvoorbeeld af en toe per WhatsApp, telefoon of e-mail wordt ingecheckt.
Persoonlijke afspraken kunnen naar behoefte of met een lagere frequentie worden ingepland. Het gaat erom de bijstandsgerechtigde niet uit het oog te verliezen. Twee voorbeelden Rachid Rachid is als kind van vluchtelingen naar Nederland gekomen en hier opgegroeid. Hij is nu 28 en een aantal jaren geleden door een ongeval in een rolstoel beland. Hij komt niet voor Wajong of Wia in aanmerking en is aangewezen op de Participatiewet. De gemeente heeft vastgesteld dat hij duurzaam en blijvend arbeidsongeschikt is. In het gesprek met de consulent blijkt dat Rachid meer sociale contacten zou willen hebben en ook graag iets voor anderen wil doen, bijvoorbeeld voor vluchtelingen. Hij is een goede prater en kent de weg in de samenleving. De consulent stelt Rachid voor zich aan te melden bij taalmaatjes. Taalvrijwilliger zijn kost Rachid maar een paar uur per week. De consulent stuurt hem een linkje met informatie over taalmaatjes in de stad en vraagt Rachid te laten weten hoe het gaat als hij aan iemand gekoppeld is. Mira Mira heeft eerder als verzorgende gewerkt. Zij is toen ziek geworden en uiteindelijk ziek uit dienst gegaan. UWV heeft haar minder dan 35% arbeidsongeschikt verklaard, waardoor zij geen WIA- uitkering krijgt en uiteindelijk in de bijstand is beland. Zij is erg onzeker over wat zij nog wel of niet kan en inmiddels al een jaar of 4 uit het arbeidsproces.
Daarnaast heeft zij als alleenstaande moeder de zorg voor 3 kinderen. Uit de gesprekken met de consulent blijkt, dat zij haar werk als verzorgende niet zo leuk vond en fysiek heel zwaar. Zij heeft er altijd van gedroomd om leraar te worden. Zij is het ermee eens dat een vierjarige Pabo-opleiding op dit moment te veel van haar zal vragen, maar ze had nog nooit gehoord van de functie van klassenassistent. Dat is een Mbo-opleiding die je ook als BBL-variant kunt doen, dus werken en leren tegelijk. De opleiding start pas over 9 maanden. Mira en de consulent spreken af dat Mira de komende 3 maanden als ‘leesmoeder’ op de school van haar kinderen gaat starten; 2 ochtenden in de week steeds 2 uur. Dit in overleg met school. De BBL-opleiding houdt in dat zij in deeltijd voor ten minste 20 uur per week gaat werken. De consulent rekent met Mira door welke financiële gevolgen het heeft als zij werken en leren gaat combineren en bespreekt ook met Mira hoe zij eventueel buitenschoolse opvang voor de kinderen kan regelen en betalen. Omdat Mira de ruimte krijgt om te doen waar haar hart ligt en zij rustig mag opbouwen, krijgt zij 101 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 steeds meer zin om weer aan de slag te gaan. Na 6 weken als leesmoeder stuurt zij de consulent een appje, waarin zij vertelt dat zij 3 dagen in de week overblijfmoeder kan worden.
Dit wil ze graag. Of dat mag. 17.3 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Afhankelijk van de mate waarin de gemeente de groep waarbij arbeidsparticipatie (nog) niet mogelijk is al in beeld heeft, heeft deze wijziging meer of minder impact. Zie hiervoor de informatie bij § 16.3 Beleid. Uitvoering Bij veel gemeenten werken de uitvoerend professionals al min of meer op de wijze die de Participatiewet in balans voor ogen heeft. Er wordt vaak al aangesloten bij wat de bijstandsgerechtigde kan en wil, onder andere omdat dat de meeste kans op een succesvolle participatie biedt, in welke vorm dan ook. De ondersteuning van een bijstandsgerechtigde die zijn participatie zelf vormgeeft, vergt misschien een iets andere werkwijze. Zie ook de informatie bij § 16.3 Wmo 2015, Overige domeinen en Uitvoering Digitale ondersteuning Bij het eigenstandig vormgeven van maatschappelijke participatie gaat het eigenlijk om het maken van afspraken op individueel niveau (zie ook hoofdstuk 20: Toespitsen verplichtingen op het individu). Dit vergt een goede en volledige registratie in het digitale dossier van de inwoner. Hier moet voldoende ruimte voor zijn. 17.4 Kan de gemeente vooruitlopen op de wetwijziging? Maatschappelijke participatie, de ondersteuning daarbij en het recht op eigenstandig vormgeven van die participatie treden per 1 januari 2027 in werking.
In 2026 (gedoogjaar) mogen gemeenten al conform de regels uit de Participatiewet in balans werken om hun inwoners zo goed mogelijk te ondersteunen richting participatie en hen hierbij ook zelf zeggenschap te geven. Zie voor meer informatie § 16.4 Vooruitlopen. 17.5 IOAW, IOAZ en Bbz Zie voor deze informatie § 16.5 IOAW, IOAZ en Bbz. 102 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 18 Ondersteunen bij maatschappelijke participatie Deze wijziging heeft een beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027. De gemeente mag hier in 2026 al op vooruitlopen. Bijstandsgerechtigden die niet (direct) kunnen werken, krijgen meer ruimte om hun maatschappelijke participatie zelf vorm te geven, zoals in hoofdstuk 17 is beschreven. Zij kunnen daarbij ook aanspraak maken op ondersteuning door de gemeente. 18.1 Wat wijzigt er met betrekking tot de ondersteuning? Opschrift artikel 8a Pw Het huidige opschrift bij artikel 8a Participatiewet luidt: “Artikel 8a. Verordeningen re-integratievoorzieningen en tegenprestatie” Met de Participatiewet in balans verandert dit opschrift in: “Artikel 8a. Verordeningen participatie” Artikel 8a Pw In de Participatiewet is op dit moment alleen een recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling opgenomen. Met de Participatiewet in balans wordt artikel 8a als volgt gewijzigd: De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot: a.
het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie, niet gericht op arbeidsparticipatie en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 10, eerste lid; b. het opdragen van een tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c; c. b. de scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid; d. c. de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid; e. d. het verrichten van werkzaamheden in een beschutte omgeving, bedoeld in artikel 10b. Daarmee wordt de taak van de gemeente uitgebreid met het ondersteunen bij maatschappelijke participatie, niet gericht op arbeidsparticipatie. Ook moet daarover iets worden opgenomen in de lokale verordening. De tegenprestatie wordt – letterlijk – uit de wet geschrapt. Opschrift en eerste lid artikel 10 lid 1 Pw Aan het opschrift bij artikel 10 wordt de maatschappelijke participatie toegevoegd. Na inwerkingtreding van dit artikel in de Participatiewet in balans gaat het luiden: “Artikel 10.
Aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie” En lid 1 wordt: “Personen die algemene bijstand ontvangen, personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon vermenigvuldigd met de arbeidsduur welke in overeenkomstige dienstbetrekking in de regel geacht wordt een volledige dienstbetrekking te vormen bedraagt, personen met een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8a, aanspraak
103 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie, niet gericht op arbeidsinschakeling, almede op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken, indien die persoon zonder die ondersteuning niet in staat zou zijn die taken te verrichten.” Met deze wijzigingen wordt, naast de aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling, ook de aanspraak op ondersteuning bij maatschappelijke participatie, niet gericht op arbeidsinschakeling, voor de doelgroep vastgelegd. 18.2 Ondersteuning bij maatschappelijke participatie Naast het recht om eigenstandig vorm te geven aan maatschappelijke participatie krijgt de bijstandsgerechtigde ook een aanspraak op ondersteuning. Dit recht op ondersteuning geldt ongeacht of de maatschappelijke participatie gericht is op arbeidsinschakeling of niet. Gemeenten kunnen inwoners ondersteuning geven als de inwoner zijn maatschappelijke participatie zelf vorm geeft. Maar ook als deze niet in staat is om zelf invulling te geven aan zijn maatschappelijke participatie en de gemeente deze een aanbod doet.
Met name bij de mensen die niet uit eigen beweging tot initiatieven komen, is het de kunst om vast te stellen waar zij warm voor lopen, wat hen echt raakt of in beweging brengt. En wat zij nodig hebben om op het gebied van maatschappelijke participatie stappen te zetten. Deze ondersteuning hoeft niet altijd in te houden dat de gemeente activiteiten of voorzieningen aanbiedt. Het kan zijn dat iemand eerst hulp en ondersteuning nodig heeft om bepaalde problematiek op te lossen, voordat diegene een stap in de richting van maatschappelijke participatie kan maken. Aan de andere kant kan in sommige gevallen maatschappelijke participatie het oplossen van problematiek ondersteunen. Het kan ook betekenen dat mensen over een drempel moeten worden geholpen om zelf in beweging te komen. Of dat zij door de gemeente worden gewezen op bestaande initiatieven en activiteiten waar zij aan deel kunnen nemen. Gezien de grote verschillen binnen deze groep zal de een iets meer aan de hand genomen moeten worden dan de ander en misschien ook ‘warm’ overgedragen moeten worden aan bijvoorbeeld een vrijwilligersorganisatie die de verdere begeleiding op zich kan nemen.
18.3 Tegenprestatie en wederkerigheid In artikel 9, eerste lid, onder c, van de Participatiewet is (nu nog) de tegenprestatie geregeld: De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht: c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Deze wordt vervangen door de plicht: c. tot maatschappelijke participatie, al dan niet met gebruikmaking van door het college aangeboden ondersteuning, indien arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is. De huidige inzet van de tegenprestatie ligt vaak al heel dicht bij de toekomstige inzet op maatschappelijke participatie. De tegenprestatie is ook een voorziening tot maatschappelijke participatie. Verschillende gemeenten werken met een variant waarbij het in eerste instantie aan de uitkeringsgerechtigde is om invulling te geven aan zijn tegenprestatie. 104 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 Het doel van de maatschappelijke participatie die niet is gericht op arbeidsinschakeling is breder dan dat van de tegenprestatie.
Daar waar het bij de tegenprestatie vooral gaat om in ruil voor de financiële ondersteuning iets terug te doen voor de maatschappij, gaat het bij maatschappelijke participatie ook om een instrument waarmee het algehele welbevinden van bijstandsgerechtigden vergroot kan worden, zoals (meer) zelfstandig meedoen in de maatschappij, voorkomen van vereenzaming en vergroting van eigenwaarde en zingeving. Daarom blijkt uit pilots dat deze doelgroep soms het best te ondersteunen valt met een (taal)cursus, inkoop van een traject of (schuld)hulpverlening door de gemeente, het maatschappelijk werk of vanuit de zorg. Wederkerigheid De tegenprestatie is een vorm van wederkerigheid. Ook bij de generieke participatieplicht (waarvan het naar vermogen maatschappelijk participeren deel uitmaakt) bestaat tegenover het recht op bijstandsuitkering een vorm van wederkerigheid. Daarvan kan sprake zijn als betrokkene de participatie zelf vormgeeft én als de gemeente ondersteuning biedt bij maatschappelijke participatie. De gemeente moet wel bekijken of de maatschappelijke participatie de arbeidsinschakeling niet in de weg staat of leidt tot verdringing.
18.4 Gevolgen voor beleid, uitvoering en digitale ondersteuning Beleid Verordening en beleid De gemeente krijgt de opdracht om bij verordening regels te stellen voor zowel de situatie waarbij de bijstandsgerechtigde zelf het initiatief tot maatschappelijke participatie neemt, als ook in het geval dat de gemeente de betrokkene daartoe een aanbod doet. Bij dit laatste kan de gemeente in de verordening, desgewenst uitdrukken op welke wijze zij uiting wil geven aan het aspect wederkerigheid (zie § 18.3 Tegenprestatie en wederkerigheid). Als de gemeente het opleggen van een tegenprestatie en het aspect wederkerigheid al in een verordening heeft opgenomen, kan dit worden omgevormd tot een vorm van maatschappelijke participatie. Aanbod en beleid Er zijn verschillende opties denkbaar hoe de gemeente haar beleid omtrent maatschappelijke participatie kan organiseren: • De gemeente ondersteunt eigen initiatieven: eigenstandige vormgeving van de maatschappelijke participatie staat voorop. De gemeente gaat bij realistische voorstellen van de bijstandsgerechtigde daarin mee of stuurt bij, zodat dit tot een realistische participatie-activiteit wordt. De gemeente kan beleid maken over de voorwaarden waaronder zij ondersteuning biedt. • De gemeente faciliteert aanbod in een ‘Participatiebank’: de uitkeringsgerechtigde kan een keuze maken uit het aanbod van de gemeente in de Participatiebank.
Dit kan aanvullend zijn op de eigen invulling van de inwoner. Het hebben van een gemeentelijke participatiebank veronderstelt wel dat de gemeente zorgdraagt voor een gevarieerd aanbod aan activiteiten. • Soms zijn mensen niet in staat om zelf invulling te geven aan hun maatschappelijke participatie, maar zouden zij daar vermoedelijk wel baat bij hebben. De gemeente kan dan een aanbod doen. Je zou dit ook kunnen gebruiken om onwilligen te ‘dwingen’ als zij weigeren enig initiatief te nemen. In dat geval kan de aanpak lijken op die van de huidige tegenprestatie. Beschikken en beleid Ook bij het wel of niet beschikken zijn meerdere varianten denkbaar: • Beschikken op elke afspraak en elke wijziging: dan weet de inwoner waar hij aan toe is en kan de gemeente op elk moment handhaven als daar aanleiding toe is. Het is ook de meest arbeidsintensieve variant. De vraag is of het altijd nodig is te beschikken.
De inwoner van 64 die 105 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 wegens zware beperkingen een permanente vrijstelling heeft en die meldt dat hij elke vrijdagmiddag een bardienst gaat draaien in het buurthuis, wil je daar op handhaven? Of kun je dan volstaan met een compliment en een aantekening in het systeem? • Beschikken bij ondersteuning door de gemeente: als de gemeente extra ondersteuning aanbiedt, bijvoorbeeld door inkoop van een cursus of een bepaald hulptraject, dan is het de bedoeling dat de inwoner daar ook gebruik van maakt. Of als er bepaalde (reis)kosten worden vergoedt of een andere voorziening wordt verstrekt. De gemeent kan overwegen om met name in dit soort situaties te beschikken, om voor de inwoner de inzet van de gemeente en ook de verwachtingen hierbij op een rij te zetten. • Alleen beschikken als de gemeente wil handhaven: deze variant is de meest efficiënte. Tegenover de besparing van werk staat dat beschikken een manier is om niet alleen handhaving vanuit de gemeente mogelijk te maken, maar de inwoner ook van rechtszekerheid te voorzien. Als de gemeente besluit om beperkt te beschikken, is het goed om afspraken op een andere manier vast te leggen. Bijvoorbeeld met een aantekening in het dossier en in een korte brief aan de bijstandsgerechtigde.
Cliëntenparticipatie De wetgever wijst nog in het bijzonder op artikel 47 van de Participatiewet, dat cliëntenparticipatie voorschrijft. Het is de bedoeling dat de mensen waar het hier om gaat, of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de vormgeving van het beleid over de maatschappelijke participatie en de ondersteuning daarbij, zodat het beleid ook werkelijk aansluit bij de behoeften van deze groep. Kinderopvang De bedoeling van de wetgever is om meer mensen actief bij de maatschappij te betrekken, ook als zij (nog) geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Dit kan in de vorm van vrijwilligerswerk zijn. In de gevallen dat een bijstandsgerechtigde gedeeltelijk aan het werk is of in een traject naar werk zit, heeft deze op grond van de Wet kinderopvang recht op kinderopvangtoeslag als voor zijn kinderen opvang nodig is tijdens dat traject. Voor mensen die vrijwilligerswerk verrichten is deze mogelijkheid er vaak niet. Alleen als het vrijwilligerswerk door de gemeente wordt geregistreerd als zijnde een traject naar werk, kan er recht op kinderopvangtoeslag zijn.73 Het kan echter ook voor deze groep nuttig zijn buitenshuis dergelijke activiteiten te verrichten, zeker als men de bijkomende doelen van de wet overweegt: vereenzaming voorkomen en netwerk uitbreiden,74 (meer) zelfstandig aan de maatschappij deelnemen en zingeving.
De gemeente kan naar activiteiten zoeken die de ouder kan doen tijdens de peuteropvang of de voorschool. Er zijn veel gemeenten die dit ook aanbieden aan ouders van peuters zonder dat daarvoor een indicatie van het consultatiebureau nodig is. Daarnaast of in andere gevallen kan zij in haar beleid opnemen dat zij kinderopvang voor deze doelgroep onder bepaalde voorwaarden kan vergoeden. Uitvoering Bij veel gemeenten werken de uitvoerend professionals al min of meer op de wijze die de Participatiewet in balans voor ogen heeft. Er wordt vaak al aangesloten bij wat de bijstandsgerechtigde kan en wil, onder andere omdat dat de meeste kans op een succesvolle participatie biedt, in welke vorm dan ook. Wat nog niet in alle gemeenten gebeurt, is dat er ook met zekere regelmaat contact is met de mensen voor wie arbeidsinschakeling niet of op korte termijn niet aan de orde is. Het is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, dat ook deze mensen zich gezien en gehoord voelen en dat zij zich vrij 73 Kinderopvangtoeslag in de Participatiewet, Significant APE, 21 mei 2025 74 Uit onderzoek blijkt dat alleenstaande ouders zich relatief vaak in een kwetsbare situatie bevinden, die het gevoel van eenzaamheid vergroot.
Stand van Nederland 2023, Sociaal en Cultureel Planbureau, april 2023 106 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 voelen om initiatieven te ontplooien om maatschappelijk te participeren. En dat degenen die dat niet alleen kunnen, daarbij ondersteuning krijgen vanuit de gemeente. Het is mogelijk dat iemand hulp nodig heeft die meer op het terrein van de Wmo 2025 ligt dan op dat van de Participatiewet. De wetgever staat wat dat betreft een integrale werkwijze voor. Als de gemeente over gaat op een meer integraal sociaal beleid, zal dat ook wijzigingen voor de uitvoering met zich meebrengen, al dan niet vastgelegd in werkprocessen of werkinstructies. Het kan zijn dat de werkinhoud van de professional net iets anders of breder wordt. De Participatiewet in balans geeft de professional op dit en verschillende andere terreinen behoorlijk wat ruimte om bij de individuele behoeften en wensen van de bijstandsgerechtigde aan te sluiten. Het is aan de professional om die ruimte ook te nemen. Dat vergt soms lef en dit kan het werk ook leuker maken, omdat je hierbij creatief mag zijn en soms ook outside the box mag denken. Het kan voor de professional handig zijn als deze goed op de hoogte is van de (vrijwilligers)activiteiten in de regio. Het zal lastig zijn om een groter aanbod uit het hoofd te leren.
Mogelijk bestaat er al een vacaturebank voor vrijwilligerswerk of kan daarvoor binnen de gemeente een soort register of naslagwerk worden ontwikkeld, waarin wellicht ook filters kunnen worden aangebracht. De activiteiten zouden dan ingedeeld kunnen worden aan de hand van verschillende kenmerken, bijvoorbeeld: • binnen of buiten; • sociaal, contact met 1 persoon of zelfstandige activiteit zonder anderen; • fysiek meer of minder intensief; • minimaal kennisniveau; • minimale aanwezigheid qua uren of dagen; en • sporadisch evenement of met een zekere frequentie. Digitale ondersteuning Het maken van afspraken over het verlenen van ondersteuning bij maatschappelijke participatie vergt een goede en volledige registratie in het digitale dossier van de inwoner. Hier moet voldoende ruimte voor zijn. 18.5 Kan de gemeente vooruitlopen op deze wijziging? Zie voor deze informatie § 16.4 Vooruitlopen. 18.6 IOAW, IOAZ en Bbz Zie voor deze informatie § 16.5 IOAW, IOAZ en Bbz. 107 Stimulansz • Handreiking Participatiewet in balans • 15 juni 2026 19 Ruimte voor afstemming van de maatregelen Deze wijziging houdt verband met het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid, met een beoogde inwerkingtreding per 1 januari 2027. Tot die tijd wijzigt de wijze van het opleggen van maatregelen niet. De Participatiewet kent op dit moment nog de geüniformeerde arbeidsverplichtingen.
Dit zijn standaardverlagingen van de bijstandsuitkering bij het niet nakomen van arbeids- en re- integratieverplichtingen. Zo is bijvoorbeeld vastgelegd dat de uitkering van de bijstandsgerechtigde verlaagd wordt als die geen algemeen geaccepteerd werk aanneemt of behoudt, niet bereid is te reizen of zelfs te verhuizen om werk te kunnen aanvaarden of behouden, of geen gebruik wil maken van aangeboden voorzieningen of sociale activering. Ook staat in de Participatiewet met welke percentages en voor welke duur de uitkering ten minste moet worden verlaagd bij de eerste keer niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen en bij recidive. De gemeente is daarnaast, op grond van artikel 8, eerste lid, onder a, van de Participatiewet, verplicht om een verordening op te stellen over het verlagen van de bijstand bij het niet-nakomen van niet- geüniformeerde verplichtingen. Stelselwijziging handhaving sociale zekerheid Bovenstaande verandert met de invoering van het Wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid en het nieuwe Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten. Het doel van de wetswijzigingen is om te komen tot een evenwichtig en uitlegbaar sanctiestelsel, waarin maatwerk, evenredigheid en rechtsgelijkheid centraal staan.